AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging

27.4.2006 - (12062/1/2005 – C6‑0055/2006 – 2003/0210(COD)) - ***II

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Rapporteur: Christa Klaß

Procedure : 2003/0210(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0146/2006
Ingediende teksten :
A6-0146/2006
Aangenomen teksten :

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging

(12062/1/2005 – C6‑0055/2006 – 2003/0210(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (12062/1/2005 – C6‑0055/2006),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt[1] inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003)0550)[2],

–   gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2005)0282)[3],

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6‑0146/2006),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, zoals geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Gemeenschappelijk standpunt van de RaadAmendementen van het Parlement

Amendement 1

Titel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang

Motivering

Heropneming van amendement 1 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

De grondslag van het Europese waterbeleid wordt gevormd door het voorzorgsbeginsel en het minimaliseringsgebod. Hierbij moet duidelijk worden gesteld dat de richtlijn er niet alleen voor moet zorgen dat het grondwater wordt beschermd tegen verontreiniging maar ook tegen achteruitgang van de kwaliteit. Het onderscheid tussen preventie en herstel is duidelijk niet goed begrepen. Preventie is met name belangrijk omdat het reinigen van grondwater - indien überhaupt mogelijk - veel tijd en geld kost.

Amendement 2

Overweging 1

(1) Grondwater is een waardevolle natuurlijke hulpbron die voor chemische verontreiniging moet worden behoed. Dit is in het bijzonder van belang voor grondwaterafhankelijke ecosystemen en voor het gebruik van grondwater voor de voorziening van water bestemd voor menselijke consumptie.

(1) Grondwater is een waardevolle natuurlijke hulpbron die als zodanig voor achteruitgang en voor chemische verontreiniging moet worden behoed. Dit is in het bijzonder van belang voor grondwaterafhankelijke ecosystemen en voor het gebruik van grondwater voor de voorziening van water bestemd voor menselijke consumptie.

Motivering

Heropneming van amendement 2 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Deze aanvullende wijzigingen zijn van groot belang omdat grondwaterlichamen zelfstandige ecosystemen zijn en als zodanig beschermd moeten worden. Dit moet ten minste één keer duidelijk in de tekst worden gezegd.

Amendement 3

Overweging 1 bis (nieuw)

 

(1 bis) Grondwater vormt de meest kwetsbare en de grootste zoetwatervoorraad en is met name tevens de belangrijkste drinkwatervoorzieningsbron in de EU. Het niveau van bescherming tegen nieuwe lozingen, emissies en verlies moet ten minste vergelijkbaar zijn met dat voor chemisch in goede toestand verkerend oppervlaktewater. Vervuiling of kwaliteitsachteruitgang leidt veelal tot onherstelbare schade.

Motivering

Heropneming van amendement 4 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

In een aantal lidstaten, zoals Oostenrijk en Duitsland, wordt het drinkwater voornamelijk uit grondwater gewonnen en veelal zonder chemische behandeling rechtstreeks aan de consument geleverd. Eventuele behandelingen hebben slechts de verwijdering van ijzer en mangaan tot doel, teneinde corrosie te vermijden of de smaak en de presentatie van het water te verbeteren, maar zijn niet bedoeld om het water te zuiveren.

Amendement 4

Overweging 1 ter (nieuw)

 

 

(1 ter) Grondwater moet zodanig worden beschermd dat eenvoudige zuivering volstaat om drinkwater van goede kwaliteit te verkrijgen, zoals bedoeld in de doelstellingen van artikel 7, leden 2 en 3, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid1.

 

__________
1 PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn als gewijzigd door besluit nr. 2455/2001/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).

Motivering

Heropneming van overweging 2 van de aangenomen tekst van het Europees Parlement in eerste lezing. Grondwater is de belangrijkste bron van drinkwater in Europa. Maatregelen om grondwater te beschermen, dienen dan ook preventief te zijn en gericht te zijn op instandhouding van deze situatie en verbetering ervan waar dit niet het geval is.

Amendement 5

Overweging 3

(3) Teneinde het milieu als geheel, en de menselijke gezondheid in het bijzonder, te beschermen, moeten nadelige concentraties van schadelijke verontreinigende stoffen in het grondwater worden vermeden, voorkomen of verminderd.

(3) Teneinde het milieu als geheel, en de menselijke gezondheid in het bijzonder, te beschermen, moeten nadelige concentraties van schadelijke verontreinigende stoffen in het grondwater worden vermeden, voorkomen of verminderd.

Amendement 6

Overweging 6 bis (nieuw)

 

(6 bis) De bescherming van het grondwater kan in sommige gebieden een wijziging van de landbouw- en bosbouwkundige exploitatie vereisen, hetgeen gepaard kan gaan met verlies van inkomsten. Deze kwestie moet aan de orde komen bij de ontwikkeling van plattelandsontwikkelingsplannen in het kader van de hervorming van het GLB.

Motivering

Heropneming van amendement 8 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

In bijlage I zijn bindende grondwaterkwaliteitsnormen alleen vastgesteld voor nitraten en bestrijdingsmiddelen. Deze stoffen komen hoofdzakelijk vrij als gevolg van landbouwactiviteiten. Uit rapportages over de tenuitvoerlegging van de nitraatrichtlijn blijkt hoeveel moeite, geld en tijd het kost om een dergelijke vervuiling terug te dringen. Er dient derhalve in het kader van het GLB communautaire steun te worden verstrekt.

Amendement 7

Overweging 13

(13) Lidstaten moeten het recht hebben om, onder bepaalde omstandigheden, uitzonderingen toe te staan op maatregelen ter voorkoming of beperking van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater.

(13) Lidstaten die onder bepaalde omstandigheden uitzonderingen toestaan op maatregelen ter voorkoming of beperking van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater, dienen dit te doen op basis van passende, duidelijke en transparante criteria en zij dienen deze uitzonderingen in de stroomgebiedbeheersplannnen te motiveren.

Motivering

De pas in het ontwerp van de Raad toegevoegde overweging 13 is te vaag geformuleerd en wekt de indruk dat uitzonderingen willekeurig kunnen worden toegestaan. De formulering van het amendement is conform aan overweging 30 van de kaderrichtlijn Water en wijst er duidelijk op dat uitzonderingen gebaseerd dienen te zijn op transparante criteria.

Amendement 8

Overweging 13 bis (nieuw)

 

(13 bis) De effecten van verschillende door de lidstaten na herziening toegepaste kwaliteitsnormen voor grondwater (drempelwaarden) voor het niveau van de milieubescherming en de werking van de interne markt, moeten worden geanalyseerd.

Motivering

Heropneming van amendement 9 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Deze eis van het EP is des te dringender daar het volgens het gemeenschappelijk standpunt aan de lidstaten wordt overgelaten of en voor welke stoffen van bijlage II, deel B, zij drempelwaarden vaststellen.

Amendement 9

Overweging 13 ter (nieuw)

 

(13 ter) Er dient onderzoek te worden gedaan om betere criteria te kunnen opstellen voor de kwaliteit en de bescherming van het ecosysteem van het grondwater. Waar nodig moet met de bevindingen van dit onderzoek rekening worden gehouden bij de tenuitvoerlegging of de herziening van deze richtlijn.

Motivering

Heropneming van amendement 95 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Amendement 10

Overweging 14 bis (nieuw)

 

(14 bis) In overeenstemming met artikel 11, lid 3, letter f), van Richtlijn 2000/60/EG moet opslag en herstel van grondwater als een toelaatbare praktijk worden aangemerkt, mits hiervoor een vergunning is verleend, en worden erkend als een waardevolle methode voor het beheer van waterbronnen.

Motivering

Herindiening van overweging 15, zoals aangenomen door het Europees Parlement in eerste lezing. Via de opslag van oppervlaktewater worden kunstmatige aanvullingssystemen voor grondwaterlichamen gebruikt als een natuurlijk regulerend systeem. Op deze manier worden de seizoensgebonden verschillen in het oppervlaktewaterpeil genivelleerd en wordt gezorgd voor een stabiele en duurzame bron voor de productie van drinkwater. Benadrukt moet worden dat deze praktijk alleen kan worden toegestaan als daarvoor een vergunning is verstrekt.

Amendement 11

Artikel 2, alinea 1, punt 3

3) "significante en aanhoudende stijgende trend": elke statistisch significante toename van de concentratie van een verontreinigende stof, groep verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging, die een milieurisico inhoudt en overeenkomstig artikel 5 moet worden omgekeerd;

3) "significante en aanhoudende stijgende trend": elke statistisch en uit milieuoogpunt significante toename van de concentratie van een verontreinigende stof, groep verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in het grondwater, die overeenkomstig artikel 5 moet worden omgekeerd;

Motivering

Heropneming van amendement 18 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Doel van dit amendement is de lidstaten te verplichten hun inspanningen toe te spitsen op het omkeren van trends die uit milieuoogpunt significante gevolgen kunnen hebben. Deze aanpak heeft ook een gunstig effect op het milieu en de kosten. De woorden "die een milieurisico inhoudt" handhaven, zou neerkomen op het accepteren van een "aanvullingstendens".

Amendement 12

Artikel 2, alinea 1, punt 4 bis (nieuw)

 

4 bis) "achteruitgang": elke geringe antropogene en aanhoudende toename van concentraties van verontreinigende stoffen in vergelijking met de status quo in het grondwater;

Motivering

Heropneming van amendement 21 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Alle begrippen die in het wetgevingsvoorstel worden gebruikt en essentieel zijn voor de interpretatie van de tekst en het doel van de richtlijn, moeten worden gedefinieerd. In de kaderrichtlijn Water is in artikel 2, lid 33, alleen het begrip "verontreiniging" gedefinieerd. Dit leidt tot verwarring - niet in de laatste plaats in kaderrichtlijn zelf -, hetgeen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater.

Amendement 13

Artikel 2, alinea 1, punt 4 ter (nieuw)

 

4 ter) "achtergrondconcentratie": de concentratie van een stof in een grondwaterlichaam, die overeenkomt met geen of slechts zeer geringe antropogene alteraties van de ongerepte toestand;

Motivering

Heropneming van amendement 22 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Alle begrippen die in het wetgevingsvoorstel worden gebruikt en essentieel zijn voor de interpretatie van de tekst en het doel van de richtlijn, moeten worden gedefinieerd. De tekst is in overeenstemming gebracht met het gemeenschappelijk standpunt.

Amendement 14

Artikel 2, alinea 1, punt 4 quater (nieuw)

 

4 quater) "basisconcentratie van een stof in een grondwaterlichaam": de gemiddelde concentratie gemeten in de referentiejaren 2007 en 2008 op grond van de volgens artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG ingestelde monitoringsprogramma's;

Motivering

Heropneming van amendement 24 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Alle begrippen die in het wetgevingsvoorstel worden gebruikt en essentieel zijn voor de interpretatie van de tekst en het doel van de richtlijn, moeten worden gedefinieerd.

Amendement 15

Artikel 3, lid 1, alinea 1 bis (nieuw)

 

De kwaliteitsnormen en de drempelwaarden voor de goede chemische toestand van het grondwater zijn gebaseerd op de menselijke en ecotoxicologische criteria die ten grondslag liggen aan de definitie van "verontreiniging" in artikel 2, lid 33, van Richtlijn 2000/60/EG.

Motivering

Heropneming van amendement 27 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

De criteria voor toelaatbare concentraties van verontreinigende stoffen in het grondwater die de goede chemische toestand niet aantasten, moeten worden afgestemd op het begrip "risico" in de definitie van "verontreiniging" in artikel 2, lid 33, van de kaderrichtlijn Water. Overeenkomstig de algemene stand van de kennis wordt deze grens bepaald door de menselijke en ecotoxicologische drempelwaarden voor grondwater.

Amendement 16

Artikel 4, lid 2, letter a)

a) de waarden voor de in bijlage I vermelde grondwaterkwaliteitsnormen en de overeenkomstig artikel 3 en bijlage II vastgestelde relevante drempelwaarden in geen enkel monitoringpunt in dat grondwaterlichaam of in die groep van grondwaterlichamen worden overschreden of

a) de waarden voor de in bijlage I vermelde grondwaterkwaliteitsnormen en de overeenkomstig artikel 3 en bijlage II vastgestelde relevante drempelwaarden in geen enkel monitoringpunt in dat grondwaterlichaam of in die groep van grondwaterlichamen worden overschreden en er, op basis van relevante monitoringresultaten, geen bewijs is dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in punt 2.3.2. van bijlage V van Richtlijn 2000/60/EG, of

Motivering

Beschikbare informatie en monitoringresultaten van oppervlaktewater en terrestrische ecosystemen moeten stelselmatig worden gebruikt in aanvulling op de relatief schaarse informatie inzake de chemische toestand gebaseerd op netwerken voor de monitoring van grondwater. Gebaseerd op de EP-amendementen 29 en 65.

Amendement 17

Artikel 4, lid 2, letter b), punt iii)

iii) waar van toepassing is voldaan aan de voorschriften van artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG, overeenkomstig punt 4 van bijlage III bij deze richtlijn;

iii) is voldaan aan de voorschriften van artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG, overeenkomstig punt 4 van bijlage III bij deze richtlijn;

Motivering

Deze woorden moeten worden geschrapt om ervoor te zorgen dat al het grondwater dat als drinkwater wordt gebruikt altijd volledig wordt beschermd.

Amendement 18

Artikel 4, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. Indien in een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen de natuurlijke geogene gehaltes aan verontreinigende stoffen of verontreinigingsindicatoren waarvoor drempelwaarden zijn vastgelegd krachtens deel B van bijlage II boven deze waarden liggen, dan zijn de natuurlijke gehaltes plus de voorgeschreven drempelwaarden bepalend voor het omslagpunt tussen een goede en een slechte toestand;

Motivering

Heropneming van amendement 91 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Aangezien het onmogelijk is bij het bepalen van de kwaliteitsnormen rekening te houden met de in Europa sterk uiteenlopende natuurlijke gehaltes, moet duidelijk worden geformuleerd wat er gebeurt wanneer de natuurlijke gehaltes - de zgn. "achtergrondconcentraties" - reeds boven de kwaliteitsnormen liggen. In dergelijke gevallen moeten de hogere natuurlijke gehaltes gelden als de kwaliteitsnorm/drempelwaarde.

Amendement 19

Artikel 4, lid 2 ter (nieuw)

 

2 ter. Of wordt voldaan aan een norm wordt bepaald via een vergelijking met het rekenkundig gemiddelde van de monitoringwaarden van alle bemonsteringspunten in het grondwaterlichaam of de groep grondwaterlichamen die als risicovol worden aangemerkt op basis van de krachtens artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde analyse. Waarden op afzonderlijke bemonsteringspunten die niet voldoen aan de norm, zijn alleen dan bepalend voor de indeling als het desbetreffende bemonsteringspunt na verificatie door deskundigen, in overeenstemming met de bijlagen I en II van deze richtlijn, representatief is voor de verontreiniging van het grondwaterlichaam of een deel daarvan.

Motivering

Heropneming van amendement 28 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

De indeling van de grondwaterlichamen zijnde in goede dan wel in slechte toestand op basis van meetresultaten is een van de hoekstenen van de richtlijn. Daarom moeten de bepalingen voor de indeling volstrekt duidelijk zijn. Een bemonsteringspunt dat niet representatief is voor een grondwaterlichaam of een deel daarvan, wordt niet in aanmerking genomen voor de indeling. Voor de indeling van een grondwaterlichaam is daarom altijd het advies van deskundigen vereist.

Amendement 20

Artikel 4 bis (nieuw)

 

Artikel 4 bis

Herziening van de lijst van de in bijlage I genoemde grondwaterkwaliteitsnormen en van de lijst van drempelwaarden die de lidstaten volgens bijlage II moeten vaststellen

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens om de zes jaar dient de Commissie:

- de lijst van de in bijlage I genoemde kwaliteitsnormen voor grondwater alsmede de lijst van drempelwaarden die krachtens deel B van bijlage II wordt vastgesteld, te herzien op basis van met name de door de lidstaten in het kader van de beheersplannen ter beschikking gestelde informatie, de vooruitgang in wetenschap en techniek en een advies van het in artikel 16, lid 5, van Richtlijn 2000/60/EG genoemde comité;

- een samenvattend verslag op te stellen en daarbij in het bijzondere rekening te houden met de vergelijkbaarheid van de door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden, de gevolgen van deze drempelwaarden voor de concurrentiepositie van de betrokken economische sectoren, de inachtneming van de gestelde termijnen en een beoordeling van de vooruitgang op het gebied van de vermindering van de grondwaterverontreiniging, en indien noodzakelijk met voorstellen te komen voor een richtlijn tot wijziging van de lijst van verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen en verontreinigingsindicatoren en/of verwante concentraties van verontreinigende stoffen, zulks overeenkomstig de procedure zoals vastgelegd in artikel 251 van het Verdrag;

Motivering

Heropneming van amendement 36 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Dit amendement heeft tot doel ervoor te zorgen dat de lijsten van verontreinigende stoffen en de kwaliteitsnormen voor het grondwater (drempelwaarden) op regelmatige tijdstippen worden herzien en dat het Europees Parlement bij het wetgevingsproces wordt betrokken. Het is echter eveneens van essentieel belang dat de door de lidstaten vast te stellen drempelwaarden worden getoetst op hun gevolgen voor de concurrentiepositie.

De formulering van het amendement is aangepast aan de terminologie en de termijnen van het gemeenschappelijk standpunt.

Amendement 21

Artikel 5, lid 2

2. De lidstaten bewerkstelligen door middel van het in artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelenprogramma, de omkering van trends die een significant schaderisico opleveren voor de kwaliteit van de aquatische of terrestrische ecosystemen, de menselijke gezondheid of voor het rechtmatig gebruik, feitelijk of potentieel, van het watermilieu, teneinde de grondwaterverontreiniging geleidelijk te verminderen.

2. De lidstaten bewerkstelligen door middel van het in artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelenprogramma, de omkering van trends die, in vergelijking met de basisconcentratie, een significant schaderisico opleveren voor de kwaliteit van de aquatische of terrestrische ecosystemen, de menselijke gezondheid of voor het rechtmatig gebruik, feitelijk of potentieel, van het watermilieu, teneinde de grondwaterverontreiniging geleidelijk te verminderen en achteruitgang te voorkomen.

Motivering

Heropneming van amendement 38 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Met het programma van maatregelen moet ook worden getracht achteruitgang van het grondwater tegen te gaan (zie artikel 1, lid 2, van het gemeenschappelijk standpunt).

Amendement 22

Artikel 6, lid 1, alinea 1, letter a)

a) alle nodige maatregelen met de bedoeling om te voorkomen dat gevaarlijke stoffen in het grondwater worden ingebracht. Bij het vaststellen van die stoffen, houden de lidstaten in het bijzonder rekening met gevaarlijke stoffen die behoren tot de families of groepen verontreinigende stoffen genoemd in bijlage VIII van Richtlijn 2000/60/EG, punten 1 tot en met 6, alsook met de stoffen die behoren tot de families of groepen verontreinigende stoffen genoemd in de punten 7 tot en met 9, indien deze als gevaarlijk worden beschouwd;

a) alle nodige maatregelen om te voorkomen dat gevaarlijke stoffen in het grondwater worden ingebracht. Bij het vaststellen van die stoffen, houden de lidstaten in het bijzonder rekening met gevaarlijke stoffen die behoren tot de families of groepen verontreinigende stoffen genoemd in bijlage VIII van Richtlijn 2000/60/EG, punten 1 tot en met 6, alsook met de stoffen die behoren tot de families of groepen verontreinigende stoffen genoemd in de punten 7 tot en met 9, indien deze als gevaarlijk worden beschouwd. Stoffen die zijn toegelaten in het kader van een EU-vergunningsprocedure op basis van een risicobeoordeling voor grondwater of de naleving van een voorzorgsnorm voor het behoud van schoon grondwater of waarvoor een dergelijke toelatingsprocedure loopt, worden niet als gevaarlijk in de zin van deze richtlijn aangemerkt.

Motivering

Als van een stof in het kader van een toelatingsprocedure naar Europees recht door diepgaand onderzoek is vastgesteld dat zij geen negatieve gevolgen heeft voor het grondwater en als veilig is aangemerkt en als het gebruik ervan voor nauwkeurig omschreven doeleinden is toegestaan, zou het tegenstrijdig zijn als deze stof elders in het Europees recht als "gevaarlijk" zou worden bestempeld. Met het voorgestelde amendement wordt derhalve beoogd de samenhang van het Europees recht te waarborgen.

De formulering "met de bedoeling" zorgt voor rechtsonzekerheid en verzwakt de huidige regeling die is vastgelegd in Richtlijn 80/68/EEG. Heropneming van het standpunt van het Europees Parlement ten aanzien van artikel 6 in eerste lezing. Aldus wordt de wetgeving in overeenstemming gebracht met artikelen 3 en 4 van de huidige grondwaterrichtlijn 80/68/EEG.

Amendement 23

Artikel 6, lid 1, letter b)

b) voor verontreinigende stoffen opgesomd in bijlage VIII bij Richtlijn 2000/60/EG die niet als gevaarlijk worden beschouwd en andere niet in die bijlage vermelde niet gevaarlijke verontreinigende stoffen die volgens de lidstaten een bestaand of potentieel verontreinigingsrisico vormen, alle maatregelen die nodig zijn om de inbreng in het grondwater te beperken om ervoor te zorgen dat die inbreng de goede chemische toestand van grondwater niet doet verslechteren, geen significante en aanhoudende stijgende trend in de concentraties van verontreinigende stoffen in het grondwater veroorzaakt, en niet anderszins voor verontreiniging van het grondwater zorgt. Bij die maatregelen wordt rekening gehouden met de beste praktijken, waaronder de beste milieupraktijken en de beste beschikbare technieken die in de toepasselijke communautaire wetgeving worden genoemd.

b) voor verontreinigende stoffen opgesomd in bijlage VIII bij Richtlijn 2000/60/EG die niet als gevaarlijk worden beschouwd en andere niet in die bijlage vermelde niet gevaarlijke verontreinigende stoffen die volgens de lidstaten een bestaand of potentieel verontreinigingsrisico vormen, alle maatregelen die nodig zijn om de inbreng in het grondwater te beperken om ervoor te zorgen dat die inbreng het grondwater niet doet verslechteren. Bij die maatregelen wordt ten minste rekening gehouden met de beste praktijken, waaronder de beste milieupraktijken en de beste beschikbare technieken die in de toepasselijke communautaire wetgeving worden genoemd.

Motivering

De hoofddoelstelling van de richtlijn - en overigens ook van Richtlijn 80/68/EEG die in 2013 vervalt - is het voorkomen van nieuwe achteruitgang van de toestand van het grondwater. Het van toepassing zijnde lozingsprincipe dient strikt gebaseerd te worden op het voorzorgsbeginsel, het preventiebeginsel en het beginsel van bestrijding van milieuverontreiniging, zoals vermeld in de Verdragen.

Amendement 24

Artikel 6, lid 1, alinea 2

Met het oog op de vaststelling van maatregelen uit hoofde van de punten a) en b), kunnen de lidstaten, bij wijze van eerste stap, de omstandigheden bepalen waaronder de in bijlage VIII bij Richtlijn 2000/60/EG opgenomen verontreinigende stoffen, met name de in punt 7 van die bijlage bedoelde essentiële metalen en hun verbindingen, al dan niet als gevaarlijk moeten worden beschouwd.

schrappen

Motivering

De formulering moet worden geschrapt omdat zij voor verwarring zorgt. De procedures om gevaarlijke stoffen te identificeren zijn duidelijk omschreven in de bestaande richtlijn en in de kaderrichtlijn Water.

De definities van de kaderrichtlijn Water en de ingestelde communautaire procedures voor de vaststelling van gevaarlijke stoffen moeten ook worden nageleefd voor het grondwater.

Amendement 25

Artikel 6, lid 1, alinea 2 bis (nieuw)

 

Het maatregelenprogramma kan passende maatregelen van juridische, bestuurlijke of contractuele aard bevatten.

Motivering

Heropneming van amendement 40 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Bij de bescherming van het grondwater blijken naast juridische en administratieve instrumenten ook steeds vaker vrijwillige en contractuele maatregelen op basis van samenwerking effect te sorteren. Met het oog op een effectieve grondwaterbescherming en met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel moet prioriteit worden gegeven aan contractuele en op samenwerking gebaseerde instrumenten in gevallen wanneer deze kunnen worden gebruikt om een gelijke mate van doeltreffendheid te behalen.

Amendement 26

Artikel 6, lid 2

2. Inbreng van verontreinigende stoffen uit diffuse bronnen van verontreiniging, die gevolgen heeft voor de chemische toestand van het grondwater, wordt in aanmerking genomen wanneer zulks technisch mogelijk is.

schrappen

Motivering

Deze woorden moeten worden geschrapt omdat zij de controle op diffuse verontreiniging afzwakken en zorgen voor rechtsonzekerheid. Zeer kleine hoeveelheden vervuilende stoffen, die geen gevaar opleveren, vallen al onder de uitzonderingen in de leden 3 a-d.

Amendement 27

Artikel 6, lid 3, letter f)

f) het resultaat is van ingrepen in oppervlaktewater ten behoeve van, onder andere, het verminderen van de gevolgen van overstromingen en droogte en het beheer van water en waterwegen, ook op internationaal niveau. Dergelijke activiteiten, met inbegrip van losmaken, baggeren, verplaatsing en plaatsing van sedimenten in oppervlaktewater, worden uitgevoerd overeenkomstig algemene bindende voorschriften, en, waar passend, op grond van deze voorschriften verleende vergunningen en toestemmingen, die door de lidstaten met betrekking tot deze activiteiten zijn opgesteld, op voorwaarde dat deze inbreng geen gevaar vormt voor de verwezenlijking van de milieudoelstellingen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), punt ii), van Richtlijn 2000/60/EG voor de betrokken waterlichamen zijn vastgesteld.

f) het resultaat is van ingrepen in oppervlaktewater ten behoeve van, onder andere, het verminderen van de gevolgen van overstromingen en droogte en het beheer van water en waterwegen, ook op internationaal niveau. Dergelijke activiteiten, met inbegrip van losmaken, baggeren, verplaatsing en plaatsing van sedimenten in oppervlaktewater, worden uitgevoerd overeenkomstig algemene bindende voorschriften, en, waar passend, op grond van deze voorschriften verleende vergunningen en toestemmingen, die door de lidstaten met betrekking tot deze activiteiten zijn opgesteld, op voorwaarde dat deze inbreng geen gevaar vormt voor de verwezenlijking van de milieudoelstellingen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 2000/60/EG voor de betrokken waterlichamen zijn vastgesteld.

Motivering

Het gedeelte b) van lid 1 is in zijn geheel van belang, dus niet slechts punt ii), maar ook de punten i) "preventie" en iii) "stijgende tendens t.g.v. menselijke activiteiten".

Amendement 28

Artikel 6, lid 3, alinea 1 bis (nieuw)

 

De uitzonderingen zoals bedoeld onder de letters a) tot en met f) kunnen alleen worden toegestaan als de bevoegde instanties van de lidstaten zich ervan hebben vergewist dat het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, onder controle staat.

Motivering

Heropneming van amendement 46 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Dit voorbehoud uit Richtlijn 80/68/EEG ten aanzien van lozingen die de kwaliteit van het grondwater in gevaar kunnen brengen, is niet in Richtlijn 2000/68/EG noch in de onderhavige richtlijn opgenomen. Het vormt echter het belangrijkste instrument om te waarborgen dat de voorzorgsbepalingen worden geïmplementeerd en gehandhaafd. Artikel 8 van Richtlijn 2000/68/EG heeft alleen betrekking op de algemene kwaliteitscontrole van de toestand van de grondwaterlichamen en kan niet, als vaste regel, worden gebruikt voor het reguleren van dergelijke lozingen.

Amendement 29

Artikel 6, lid 4

4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten houden een inventaris van de in lid 3 bedoelde uitzonderingen bij met het oog op kennisgeving, op verzoek, aan de Commissie.

4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten houden een inventaris van de in lid 3 bedoelde uitzonderingen bij met het oog op kennisgeving, op verzoek, aan de Commissie en verstrekken voorts een overzicht van de uitzonderingen in aanvulling op het maatregelenprogramma zoals bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG.

Motivering

Op basis van het algemene beginsel van de kaderrichtlijn Water moet de toepassing van uitzonderingen altijd worden gemeld.

Amendement 30

Artikel 6 bis (nieuw)

 

Artikel 6 bis

 

Meetmethodes

 

1. Elke lidstaat legt aan de Commissie een volledige beschrijving over van de meetmethodes voor elk van de stoffen waarvoor een communautaire of nationale grondwaterkwaliteitsnorm is vastgesteld.

 

2.De Commissie onderzoekt of de meetmethodes volledig vergelijkbaar zijn en of verschillen in methodes kunnen leiden tot verstoringen die kunnen resulteren in een verkeerde of ongelijke toepassing van deze richtlijn in de Gemeenschap. Daarbij zijn lokale klimaatgegevens en bodemsoorten bepalende factoren.

 

3. Op basis van haar bevindingen keurt de Commissie de door de lidstaten overgelegde meetmethodes goed of wijst deze af.

 

4. Indien de Commissie de door een lidstaat ingediende meetmethodes afwijst, legt de lidstaat herziene meetmethodes over ter goedkeuring door de Commissie in overeenstemming met de leden 1 tot en met 3.

 

5. Goedgekeurde meetmethodes worden in alle lidstaten uiterlijk op de in artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG genoemde datum ten uitvoer gelegd.

Motivering

Heropneming van amendement 41 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Overeenstemming over de technieken voor het meten van grondwaterverontreiniging is van wezenlijk belang voor een gelijke en rechtvaardige omzetting van deze richtlijn. Elke lidstaat moet verontreiniging meten aan de hand van vergelijkbare drempelwaarden. De Commissie moet dan ook de bevoegdheid hebben om meetmethodes goed te keuren, op voorwaarde dat zij gelijkwaardig zijn ten aanzien van de milieudoelstellingen.

Amendement 31

Artikel 6 ter (nieuw)

 

Artikel 6 ter

 

Onderzoek en verspreiding

 

De Commissie bevordert in overleg met de lidstaten de verspreiding van reeds bekende methodes voor het meten en berekenen van parameters voor de beschrijving en de monitoring van grondwaterlichamen en ondersteunt nieuw onderzoek ter verbetering van de beschikbare technologieën voor de monitoring en het beheer van de grondwaterlichamen en de kwaliteit ervan, waaronder technologieën in verband met grondwater-ecosystemen.

Motivering

Heropneming van amendement 100 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Het EP acht het essentieel dat in het kader van de gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's meer middelen worden toegewezen aan onderzoek in verband met grondwater als ecosysteem.

Amendement 32

Artikel 6 quater (nieuw)

 

Artikel 6 ter

Bescherming van warmwaterbronnen en geneeskrachtige bronnen

 

De Commissie en de lidstaten stellen een gemeenschappelijke methode vast voor het definiëren van te beschermen gebieden met grondwaterlichamen die warmwaterbronnen en geneeskrachtige bronnen voeden, zodat bij de planning van industriële en stedelijke activiteiten met deze beschermde gebieden rekening wordt gehouden.

Motivering

Warmwaterbronnen en geneeskrachtige bronnen zijn niet in het Commissievoorstel opgenomen, hoewel het hier gaat om water van de hoogste kwaliteit in de Europese Unie. Er is een speciale bescherming noodzakelijk voor de grondwaterlichamen die deze bronnen voeden en er moeten preventieve maatregelen worden genomen op het niveau van het oppervlaktewater.

Amendement 33

Artikel 8

De bijlagen II, III en IV kunnen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek worden aangepast volgens de in artikel 21, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde procedure, rekening houdend met de termijnen voor het toetsen en bijstellen van de stroomgebiedbeheersplannen zoals omschreven in artikel 13, lid 7, van die richtlijn.

Deel A van bijlage II en de bijlagen III en IV kunnen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek worden aangepast volgens de in artikel 21, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde procedure, rekening houdend met de termijnen voor het toetsen en bijstellen van de stroomgebiedbeheersplannen zoals omschreven in artikel 13, lid 7, van die richtlijn.

Motivering

Heropneming van amendement 55 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Deel A moet onder de comitologieprocedure vallen, deel B niet. Deel B van bijlage II, dat door de Raad opnieuw is geformuleerd, bevat de lijst van stoffen waarvoor de lidstaten ten minste grondwaterkwaliteitsnormen (drempelwaarden) moeten vaststellen. Deze lijst kan niet volgens de comitologieprocedure worden gewijzigd, doch uitsluitend in overeenstemming met artikel 251 van het Verdrag in het kader van de medebeslissingsprocedure samen met het Europees Parlement.

Amendement 34

Artikel 8, alinea 1 bis (nieuw)

 

De Raad stelt ter voorbereiding van het programma Inspire een gemeenschappelijke methode vast voor het catalogiseren van de watervoerende lagen. In verband hiermee beginnen de lidstaten bij de inwerkingtreding van deze richtlijn met het verzamelen van gegevens.

Motivering

Er moet een methodologie worden opgezet voor het verzamelen van gegevens ter voorbereiding van het programma Inspire (voor de digitale vastlegging van grondwaterlichamen), dat momenteel door het Parlement wordt behandeld. De lidstaten moeten derhalve worden betrokken bij de methodologie voor het verzamelen van gegevens.

Amendement 35

Artikel 10, alinea's 1 bis en 1 ter (nieuw)

 

De Commissie stelt een verslag op waarin voor iedere lidstaat afzonderlijk wordt beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de richtlijn heeft geleid tot uiteenlopende milieubeschermingsniveaus, achteruitgang van het grondwater of concurrentieverstoring.

 

Op basis van de conclusies van dit verslag legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad indien noodzakelijk uiterlijk op 31 december 2015 een voorstel voor.

Amendement 36

Bijlage I, punt 1, tabel, kolom 3, regel 1, commentaar

Voor activiteiten die onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen, zijn de in verband met deze waarde (nl. 50 mg/l) vereiste programma's en maatregelen in overeenstemming met die richtlijn1.

__________
1 Deze bepaling geldt niet voor activiteiten die buiten de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen.

schrappen

Motivering

Heropneming van amendement 60 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Dit commentaar, gecombineerd met de voetnoot, zou kunnen betekenen dat er verschillende eisen worden gesteld aan economische sectoren wanneer het gaat om verontreiniging met nitraten. Dit wordt zowel door het Europees Parlement als door enkele lidstaten bekritiseerd, omdat er rechtsonzekerheid door wordt gecreëerd.

Amendement 37

Bijlage I, punt 1, tabel, kolom 3, regel 2, Toelichting (nieuw)

 

De grondwaterkwaliteitsnorm is van toepassing op alle grondwaterlichamen behalve indien de drinkwaternormen voor pesticiden en hun relevante omzettingsproducten strenger zijn dan 0,1 µg/l. Op deze gebieden zijn drinkwaternormen van toepassing. De totale concentratie van pesticiden en hun omzettingsproducten in alle grondwaterlichamen mag niet meer dan 0,5µg/l bedragen.

Motivering

Heropneming van amendement 62 aangenomen door het Europees Parlement in eerste lezing. Kwaliteitsnormen voor pesticiden/omzettingsproducten in drinkwater kunnen lager zijn dan 0,1 µg/l. In dergelijke gevallen moet de strengste norm gelden. In Richtlijn 98/83/EG is een drempelwaarde voor het totaal van pesticiden en gerelateerde stoffen vastgelegd. Deze drempelwaarde moet ook in deze richtlijn worden opgenomen, teneinde te zorgen voor een passende bescherming van het grondwater.

Amendement 38

Bijlage I, tabel, voetnoot 3

3 "totaal" betekent de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen.

3 "totaal" betekent de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante omzettings-, afbraak- en reactieproducten daarvan.

Motivering

De nieuwe tekst van de Raad zou zonder deze toevoeging verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden.

Amendement 39

Bijlage II, deel B, punt 1

1. Stoffen of ionen, die zowel natuurlijk als ten gevolge van

menselijke activiteiten kunnen voorkomen

Arsenicum

Cadmium

Lood

Kwik

Ammonium

Chloride

Sulfaat

1. Stoffen of ionen, die zowel natuurlijk als ten gevolge van

menselijke activiteiten kunnen voorkomen

Arsenicum

Cadmium

Lood

Kwik

Ammonium

 

1 bis. Indicatoren die zowel door natuurlijke oorzaken als ten gevolge van menselijke activiteiten kunnen voorkomen

Chloride

Sulfaat

Motivering

Heropneming van amendement 90 van de eerste lezing, goedgekeurd op 28 april 2005.

Er moet duidelijk op worden gewezen dat chloride en sulfaat geen verontreinigende stoffen zijn.

Amendement 40

Bijlage III, punt 4, letter -a) (nieuw)

 

-a) de gevolgen van de verontreinigende stoffen voor het grondwaterlichaam

Motivering

Dit is de randvoorwaarde voor de validiteit van de eisen zoals vastgelegd onder a) tot en met d).

Amendement 41

Bijlage IV, deel B, inleidende formule

De lidstaten bewerkstelligen overeenkomstig artikel 5 de omkering van een significante en aanhoudende stijgende trend indien deze trend een schaderisico inhoudt voor de bijbehorende aquatische ecosystemen, de rechtstreeks daarvan afhankelijke terrestrische ecosystemen, de menselijke gezondheid of rechtmatige vormen van gebruik, feitelijk of potentieel, van het aquatische milieu, met inaanmerkingneming van de volgende voorschriften:

De lidstaten bewerkstelligen overeenkomstig artikel 5 de omkering van een significante en aanhoudende stijgende trend, met inaanmerkingneming van de volgende voorschriften:

Motivering

Het grondwaterecosysteem als zodanig moet worden beschermd tegen verontreiniging en achteruitgang (zie artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, artikel 1 van het gemeenschappelijk standpunt en de toelichting van de Raad onder II "Doelstelling": "waarbij vooral de nadruk moet liggen op preventie, aangezien herstel van de grondwaterkwaliteit veel tijd en inspanning vergt, zelfs wanneer de verontreinigingsbron is weggenomen").

Amendement 42

Bijlage IV, deel B, punt 1, letter c)

c) de toenamesnelheid en de omkeerbaarheid van de trend zodanig zijn dat ook bij een later beginpunt voor trendomkeringsmaatregelen, met dergelijke maatregelen op de meest kostenefficiënte wijze voor het milieu significante nadelige veranderingen in de grondwaterkwaliteit kunnen worden voorkomen of ten minste zoveel mogelijk gemitigeerd.

schrappen

Motivering

Uit het oogpunt van het voorzorgsbeginsel is deze uitzondering onaanvaardbaar (zie ook de motivering bij amendement 28). Het gaat niet aan dat een gevaar wordt erkend zonder dat er maatregelen worden genomen.

Amendement 43

Bijlage IV, deel B, punt 1, alinea 2

Voor activiteiten die onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen, wordt het beginpunt voor de toepassing van maatregelen om een significante en aanhoudende stijgende trend om te keren, vastgesteld overeenkomstig die richtlijn en Richtlijn 2000/60/EG.

schrappen

Motivering

De omkering van een trend - een belangrijk voorzorgsinstrument - wordt geregeld in bijlage IV. Op alle betrokken economische sectoren moeten dezelfde regels van toepassing zijn (zie ook de motivering bij het amendement op bijlage 1, tabel, kolom 3 "Commentaar"). Dit amendement is consistent met amendement 36 van de rapporteur en amendement 60 van het EP, zoals aangenomen in eerste lezing op 28 april 2005.

TOELICHTING

Na het langdurige debat en het verbeterde inzicht in het probleem dat is verkregen sinds de inwerkingtreding van de kaderrichtlijn Water had het Europees Parlement een beter voorstel inzake de bescherming van de grondwaterkwaliteit verwacht, met daarin duidelijke, gerichte en effectieve bepalingen georiënteerd op specifieke doelstellingen. Het Parlement is van mening dat het voorstel van de Commissie noch het gemeenschappelijk standpunt van de Raad beantwoordt aan het in artikel 17 van Richtlijn 2000/60/EG gestelde doel.

De voornaamste punten van kritiek van het Parlement zijn:

-          Het gemeenschappelijk standpunt bevat slechts geringe inhoudelijke verbeteringen op het gebied van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in vergelijking met de kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) en Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, die echter nog slechts tot 2013 van kracht is.

-          Het vraagstuk van grondwater als onafhankelijk ecosysteem wordt genegeerd.

-          Dientengevolge zijn de eisen voor grondwaterbescherming niet gericht op behoud van het grondwater in een zo natuurlijk mogelijke toestand.

-          De goede kwaliteit van uit grondwater gewonnen drinkwater, dat op veel plaatsen in Europa rechtstreeks van de bron en zonder behandeling aan de gebruiker kan worden geleverd, kan derhalve niet langer worden gewaarborgd.

-          Het beginsel van een alomvattende en preventieve grondwaterbescherming is opgegeven en dat van op de ontvanger gerichte en opgedeelde grondwaterbescherming wordt nu in steen gebeiteld.

-          Er wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen preventie en herstel. De kerntaak van de "dochterrichtlijn" inzake grondwater moet liggen op het gebied van de preventie, d.w.z. dat nieuwe lozingen niet mogen leiden tot langetermijnproblemen waarvoor grootschalige saneringsoperaties noodzakelijk zijn.

-          Belangrijke kwesties worden overgelaten aan de lidstaten, met name bij de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater, het vaststellen van de criteria voor het omkeren van stijgende tendensen in de concentratie van vervuilende stoffen en de vaststelling van startpunten voor de omkeringen van tendensen.

-          Deze aanpak maakt de uniforme tenuitvoerlegging van de bepalingen van zowel de kaderrichtlijn Water als deze dochterrichtlijn - bijvoorbeeld m.b.t. de vaststelling en de omkering van tendensen - a priori onmogelijk.

-          Deze aanpak is bovendien strijdig met de vergelijkbaarheid op EU-niveau van drempelwaarden, beoordelingen van de chemische toestand van grondwater en mogelijke beschermings- of saneringsmaatregelen, zelfs in gevallen met vergelijkbare omstandigheden.

-          De taak van het aanpakken van het ernstigste grondwaterprobleem dat in de inventarisatie aan het licht is gekomen - nitraatverontreiniging - wordt vrijwel geheel overgelaten aan de nitraatrichtlijn.

-          Bovendien worden tal van ongedefinieerde begrippen en omschrijvingen gebruikt, terwijl sommige passages van het gemeenschappelijk standpunt onduidelijk en moeilijk te begrijpen zijn.

-          Verduidelijking van het beginsel dat de beoordeling van een goede chemische toestand van grondwater moet worden uitgevoerd op basis van kwaliteitsnormen, zoals vereist in artikel 17 van de kaderrichtlijn Water, is achterwege gebleven. Bovendien zijn de criteria voor het vaststellen van nationale drempelwaarden zo vaag dat vergelijkbare saneringsbepalingen of beschermingsniveaus, die wel voor het oppervlaktewater bestaan, niet kunnen worden vastgesteld, hoewel het grondwater onze grootste zoetwatervoorraad en onze werkelijke drinkwatervoorzieningsbron vormt.

Het feit dat veel belangrijke kwesties zijn overgelaten aan de lidstaten doet de vraag rijzen waarom de dochterrichtlijn voor grondwater, in de vorm van het gemeenschappelijk standpunt, überhaupt nodig is als onderdeel van de Europese wetgeving. De vele vage en dubbelzinnige formuleringen in het gemeenschappelijk standpunt die nadere uitleg behoeven, botsen bovendien met het principe van "betere wetgeving", leiden niet tot een vereenvoudiging van de communautaire wetgeving en dragen zeker niet bij tot een effectieve uitvoering ervan in de lidstaten.

Een positief onderdeel van het gemeenschappelijk standpunt is dat de verplichting om nationale drempelwaarden vast te stellen voor de stoffen in bijlage II, deel B, een zekere druk zal uitoefenen op de lidstaten om actie te ondernemen. Helaas blijkt uit de ervaringen met de omzetting van de nitraatrichtlijn door de lidstaten dat er vaak lange en moeizame inbreukprocedures nodig zijn voordat hoop waarheid wordt.

Om het gemeenschappelijk standpunt te kunnen accepteren, acht het Europees Parlement verdere verbeteringen van de tekst onontbeerlijk, zoals blijkt uit de amendementen.

1) De beschermingsdoelstellingen en grondwater als ecosysteem

De emissiegerelateerde benadering in de oude grondwaterrichtlijn (80/68/EEG) moet in de nieuwe richtlijn volledig worden overgenomen, teneinde ervoor te zorgen dat de grondwaterbescherming wordt gebaseerd op het voorzorgbeginsel, waarbij maatregelen worden genomen om achteruitgang van het grondwater als gevolg van nieuwe lozingen te voorkomen of te beperken. Het doel van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG is de bescherming van grondwaterecosysteem als zodanig tegen verontreiniging en achteruitgang.

2) Verontreiniging/achteruitgang

Deze aanpak houdt nauw verband met de kwestie van de helderheid van de gebruikte begrippen. Het voorkomen van achteruitgang waar in de kaderrichtlijn Water op wordt aangedrongen, moet effectiever worden gehandhaafd. Belangrijk hierbij is ook dat het begrip "achteruitgang" in artikel 2 van de richtlijn duidelijk wordt omschreven. Alleen zo kan de conceptuele verwarring tussen verontreiniging en achteruitgang worden opgehelderd. Dit is in Richtlijn 2000/60/EG niet goed gebeurd. Hetzelfde geldt voor de regeling in artikel 6, lid 1, letter b). Met betrekking tot de verontreinigende stoffen in bijlage VIII van Richtlijn 2000/60/EG zou het in de formulering van het gemeenschappelijk standpunt mogelijk zijn het grondwater te vervuilen via nieuwe indirecte lozingen totdat de grens van de slechte chemische toestand wordt bereikt. Het Europees Parlement heeft zich hiertegen al in eerste lezing in diverse amendementen gekant. Hoewel deze verontreinigende stoffen een bestaand of een potentieel verontreinigingsrisico inhouden, kan deze bepaling aanleiding zijn voor nieuwe langetermijnproblemen waarvoor saneringsmaatregelen noodzakelijk zouden kunnen zijn. Dit is niet in overeenstemming met het strikte voorzorgprincipe en is strijdig met het rechtstreekse verbod op lozingen in artikel 11, lid 3, letter j) van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 6, lid 1, letter a) van het gemeenschappelijk standpunt. De implicaties voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn zijn: directe lozingen van dergelijke verontreinigende stoffen is verboden, maar doorsijpeling via een bodempassage ongeacht de bodemomstandigheden, is toelaatbaar.

3) Relatie tussen de grondwaterbeschermingsrichtlijnen en de nitraatrichtlijn

Zowel de eerste inventarisatie in verband met de omzetting van de kaderrichtlijn Water als het verslag over Richtlijn 91/676/EEG (de "nitraatrichtlijn") over de periode 2000-2003 toont aan dat de genomen maatregelen, met inbegrip van de eisen inzake goede landbouwpraktijken niet hebben geleid tot een substantiële vermindering van de grondwaterverontreiniging in waterwingebieden waar landbouw wordt bedreven. Zowel in de nitraatrichtlijn als in de waterkaderrichtlijn en de grondwaterrichtlijn zijn eisen vastgelegd voor de landbouw. Daarom is het zeer belangrijk dat duplicatie van bepalingen wordt vermeden en dat de relatie tussen de diverse richtlijnen wordt verduidelijkt. Naar de mening van uw rapporteur is dit met de van toepassing zijnde bepalingen in het gemeenschappelijk standpunt - het commentaar in de bijlage I en de bepalingen in bijlage IV - niet gelukt. Deze creëren nog meer onduidelijkheid en bieden meer ruimte voor verschillende interpretaties. Het Europees Parlement verwerpt dit en acht het van essentieel belang dat de landbouw, die als sector die het meest met deze regelingen te maken heeft, extra communautaire steun toegewezen krijgt in het kader van het GLB.

4) Nationaal vast te stellen drempelwaarden/herzieningsclausule

Volgens de benadering die in het gemeenschappelijk standpunt wordt gevolgd, zijn uitsluitend de lidstaten verantwoordelijk voor het vaststellen van kwaliteitsnormen voor het grondwater (drempelwaarden), waar het gaat om de stoffen die zijn opgenomen in deel B van bijlage II, die als criteria moeten dienen bij de classificatie als "in goede chemische toestand" of in aanmerking komend voor "omkering van een tendens bij vastgestelde aanhoudende toenemende grondwaterverontreiniging". Uw rapporteur is van opvatting dat dit strijdig is met de doelstelling van een alomvattende bescherming van het grondwater en dat concurrentieverstoring het onvermijdelijke resultaat zal zijn van verschillende tenuitvoerleggingsregelingen in de lidstaten.

Wetgeven in Europa moet als doel hebben uniforme, gemeenschappelijke Europese regelingen vast te leggen. Het Europees Parlement is ervan overtuigd dat het met name belangrijk is dat de impact en de effectiviteit van deze aanpak na een bepaalde periode worden getoetst. Deze toetsing moet ook betrekking hebben op de lijsten van verontreinigende stoffen, de grondwaterkwaliteitsnormen en de drempelwaarden van de bijlagen I en II. Indien noodzakelijk, moet zij leiden tot een herziening van de richtlijn, waarbij het Europees Parlement in het kader van de medebeslissingsprocedure krachtens artikel 251 van het Verdrag moet worden betrokken.

PROCEDURE

Titel

Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld op 23 januari 2006 met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging

Document- en procedurenummers

12062/1/2005 – C6 0055/2006 – 2003/0210(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

28.4.2005

P6_TA(2005)0145

Voorstel van de Commissie

COM(2003)0550 – C5-0447/2003

Gewijzigd voorstel van de Commissie

COM(2005)0282

Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt

15.2.2006

Commissie ten principale
Datum bekendmaking

ENVI
8.10.2003

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Christa Klaß

27.7.2004

Vervangen rapporteur(s)

 

Behandeling in de commissie

22.2.2006

25.4.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

25.4.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

50

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Liam Aylward, Johannes Blokland, John Bowis, Frederika Brepoels, Hiltrud Breyer, Dorette Corbey, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jillian Evans, Karl-Heinz Florenz, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Gyula Hegyi, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Urszula Krupa, Aldis Kušķis, Marie-Noëlle Lienemann, Jules Maaten, Riitta Myller, Péter Olajos, Dimitrios Papadimoulis, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Dagmar Roth-Behrendt, Guido Sacconi, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Jonas Sjöstedt, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Antonios Trakatellis, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Åsa Westlund en Anders Wijkman

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Margrete Auken, Bairbre de Brún, Christofer Fjellner, Vasco Graça Moura, Jutta D. Haug, Henrik Lax, Miroslav Mikolášik, Alojz Peterle, Pál Schmitt, Claude Turmes en Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid  2)

 

Datum indiening

27.4.2006

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...