VERSLAG over de uitvoering van het communautair Lissabon-programma: Meer onderzoek en innovatie – Investeren voor groei en werkgelegenheid:een gemeenschappelijke aanpak

1.6.2006 - (2006/2005(INI))

Commissie industrie, onderzoek en energie
Rapporteur: Pilar del Castillo Vera

Procedure : 2006/2005(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0204/2006
Ingediende teksten :
A6-0204/2006
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van het communautair Lissabon-programma: Meer onderzoek en innovatie – Investeren voor groei en werkgelegenheid: een gemeenschappelijke aanpak

(2006/2005(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's: meer onderzoek en innovatie – investeren voor groei en werkgelegenheid: een gemeenschappelijke aanpak (COM(2005)0488) en de begeleidende werkdocumenten van de Commissiediensten (SEC(2005)1253 en SEC(2005)1289)

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2000 te Lissabon, waar werd besloten om van Europa de meest concurrerende en meest dynamische kenniseconomie ter wereld te maken,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 22 en 23 maart 2005 te Brussel,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006 te Brussel,

–   gezien aanbeveling 2005/601/EG van de Raad van 12 juli 2005 inzake de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap (voor de periode 2005-2008)[1]

–   gezien de mededeling van de Commissie "Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa" (COM(2003)0226),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Europese Voorjaarsraad: Samen werken aan werkgelegenheid en groei - Een nieuwe start voor de Lissabon-strategie (COM(2005)0024),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: Gemeenschappelijke acties voor groei en werkgelegenheid: het communautair Lissabon-programma (COM(2005)0330),

–   gezien het verslag van de Commissie: Jaarverslag betreffende de activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling van de Europese Unie in 2004 (COM(2005)0517),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (COM(2005)0119),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) (COM(2005)0121),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Europese Raad: Implementatie van het nieuwe partnerschap voor groei en werkgelegenheid: oprichting van een Europees Technologie-instituut als vlaggenschip voor kennis (COM(2006)0077),

–   gezien het werkdocument van de Commissie "Verslag 2004 over het Europees concurrentievermogen" (SEC(2004)1397),

-    gezien het werkdocument van de Commissie "Benchmarking van het ondernemingsbeleid: resultaten van het scorebord 2004" (SEC(2004)1427),

-    gezien het scorebord 2005 voor Europese innovatie - Vergelijkende analyse van de innovatieve prestaties, waaruit duidelijk blijkt dat de Verenigde Staten en Japan koplopers op het gebied van innovatie zijn,

-    onder verwijzing naar het verslag van de groep deskundigen van juli 2004: Verbetering van de structuren voor technologieoverdracht van wetenschap aan bedrijfsleven

-    onder verwijzing naar het verslag van de groep deskundigen van 2004: Beheer van intellectueel eigendom bij door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisaties: Naar Europese richtsnoeren,

-    gezien het verslag van de Commissie van september 2005: Werkgelegenheid in Europa 2005 - Nieuwe ontwikkelingen en vooruitzichten,

-    gezien het verslag van januari 2006 van de onafhankelijke groep deskundigen O&O en innovatie ingesteld tijdens de Top te Hampton Court: Totstandbrenging van een innovatief Europa ("Aho-verslag"),

-    onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 2005 over wetenschap en technologie - Richtsnoeren voor het beleid ter ondersteuning van het onderzoek in de Unie[2]

-    onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2006 over de tenuitvoerlegging van het Europees Handvest voor kleine bedrijven[3],

-    onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2006 over een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid[4],

-    gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

-    gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0204/2006),

A. overwegende dat Europa achterloopt op de Verenigde Staten en Japan ten aanzien van groei, onderzoek en productiviteit, en er niet in slaagt profijt te trekken uit de toepassing van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) of O&O-investeringen in Europa aan te trekken,

B.  overwegende dat verhoging van de voor O&O beschikbare financiële middelen een conditio sine qua non is voor succesvolle, voor economische groei en het scheppen van werkgelegenheid noodzakelijke innovatie,

C. overwegende dat volgens OESO-verslagen O&O-subsidies ondernemingen helpen strategische veranderingen door te voeren en bedrijfsroutines aan te passen en verbetering brengen in hun houding ten opzichte van technologie,

D. overwegende dat de beste ondernemingen van Europa weliswaar investeerders van wereldformaat zijn, doch dat de particuliere sector zich meer inspanningen op O&O-gebied moet getroosten,

E.  overwegende dat bijdragen van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) aan de ontwikkeling van op nieuwe technologieën gebaseerde producten, diensten en markten afhangen van hun capaciteit tot innovatie, opvoering van hun onderzoeksactiviteiten, uitbesteding van onderzoek, uitbreiding van hun netwerken, betere gebruikmaking van de onderzoeksresultaten en verwerving van technologische knowhow,

F.  overwegende dat marktinnovatie ten goede zal komen van Europese sectoren die de burgers van de lidstaten rechtstreeks aangaan en het grootste deel van het BBP voor haar rekening zal gaan nemen,

G. overwegende dat ondersteunende organisaties zoals opleidings- en onderzoekscentra, financiële instellingen, adviseurs op het gebied van innovatie en intellectueel eigendom en agentschappen voor plaatselijke en regionale ontwikkeling kunnen bijdragen tot optimalisering van het creatieve bedrijfspotentieel van ondernemingen,

H. overwegende dat de geringe vooruitgang richting doelstellingen van Lissabon en Stockholm grotendeels te wijten is aan de slechte arbeidsmarktprestaties van Europa, het inefficiënte gebruik van menselijk potentieel, marktfragmentatie en beperkte arbeidsmobiliteit,

I.   overwegende dat structurele belemmeringen en ontoereikende stimulansen toponderzoekers van meer mobiliteit weerhouden,

J.   overwegende dat Europese instanties voor technologieoverdracht en Innovation Relay Centres (IRC's) een snellere commercialisering, betere verspreiding van nieuwe technologieën, beter beheer van intellectueel eigendom, betere tenuitvoerlegging van onderzoeksresultaten en betere coördinatie met bestaande nationale en regionale programma's mogelijk maken,

K. overwegende dat goedkeuring van de "open innovatie"-aanpak tot vergroting van de O&O-capaciteit in de Europese Unie zou leiden,

L.  overwegende dat geen afbreuk mag worden gedaan aan het door de Commissie in het kader van de financiële vooruitzichten voorgestelde onderzoeksbudget,

M. overwegende dat in het kader van de EU-begrotingsmiddelen voor financieringsinstrumenten een kritische massa noodzakelijk is om de financiële middelen van de KMO's op te voeren, marktfalen aan te pakken, Gemeenschapsgelden optimaal te benutten en als hefboom te fungeren tussen publiek en privé-kapitaal,

N. overwegende dat onderzoekers pre-startkapitaal (preseed) nodig hebben om marktevaluaties te maken, proef- en demonstratieprojecten uit te voeren en functionerende prototypes te ontwikkelen, wanneer zij een bedrijf willen starten of nieuwe onderzoeksproducten op de markt willen brengen; overwegende dat risicokapitaal voor de verdere groei van de onderneming noodzakelijk is,

O. overwegende dat de overheidssubsidieregelingen eenvoudig, transparant en doeltreffend moeten zijn, uitsluitend als laatste redmiddel bij marktfalen mogen worden ingezet en een tijdelijk karakter moeten hebben,

1.  dringt er bij de lidstaten op aan ondernemerschap vanaf het vroegste onderwijsstadium te promoten en hun steun voor levenslang leren op te voeren door actief ICT-training onder zowel werkenden als werklozen te stimuleren;

2.  merkt op dat de Unie bij de uitvoering van de strategie van Lissabon een duidelijke achterstand heeft opgelopen op het gebied van onderwijs en opleiding; roept de lidstaten op de strategie van Lissabon nieuw leven in te blazen;

3.  dringt aan op een beter profiel voor wetenschappelijke loopbanen en op bevordering van bestaande stimulansen zoals de Descartes-prijs, de Aristoteles-prijs en de prijzen voor jonge wetenschappers;

4.  dringt aan op meer steun voor Europese toponderzoekers, met name voor degenen die zich met primair onderzoek bezighouden, in de vorm van aantrekkelijkere arbeidsvoorwaarden, minder wettelijke, administratieve en geografische belemmeringen en behandeling van Europese onderzoekers op voet van gelijkheid met hun buitenlandse collega's;

5.  onderschrijft volledig de noodzaak van de doelstelling een interne markt voor onderzoekers te scheppen, als uiteengezet door de Commissie in haar mededeling "Meer onderzoek en innovatie - Investeren voor groei en werkgelegenheid";

6.  erkent dat verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor wetenschappers en onderzoekers en permanente educatie van werknemers van essentieel belang zijn om het delen van wetenschappelijke kennis te stimuleren;

7.  is van mening dat de onderwijsinstellingen in dit opzicht een belangrijke bijdrage kunnen leveren en is ervan overtuigd dat enerzijds het eerste contact met wetenschap en onderzoek reeds op school dient plaats te vinden en anderzijds creatieve samenwerking tussen de aan universiteiten verbonden onderzoekers en het bedrijfsleven moet worden bevorderd; is daarnaast van mening dat de belemmeringen voor de mobiliteit van onderzoekers moeten worden weggenomen door verbetering van hun status en carrièreverloop, doelstellingen die niet kunnen worden bereikt zonder verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten inzake belastingheffing en de overdracht van bepaalde sociale premies;

8.  steunt het voorstel om een "Europees Handvest voor onderzoekers" en een "Gedragscode voor de aanwerving van onderzoekers" op te stellen, daar deze initiatieven een aansporing kunnen vormen voor Europese studenten om op de universiteit de onderzoeksrichting te kiezen, en een stimulans kunnen zijn voor de beste buitenlandse onderzoekers om in Europa in onderzoek carrière te komen maken, hetzij op permanente, hetzij op tijdelijke basis, in het kader van een samenwerkingsakkoord en dankzij een specifiek beleid voor de verstrekking van kortlopende visa;

9. verzoekt de Unie de braindrain effectief te bestrijden en alles in het werk te stellen om vooraanstaande wetenschappers aan te trekken door met name voor studenten, onderzoekers en onderwijzend personeel uitwisselingsprogramma's met derde landen zoals Erasmus mundus te bevorderen; is van mening dat de invoering van een Europees kwalificatiestelsel een belangrijke factor zou zijn bij de totstandbrenging van een Europese arbeidsmarkt die openstaat voor onderzoekers, en steunt de initiatieven die worden ondernomen om de hinderpalen voor de mobiliteit van onderzoekers te verkleinen;

10. wijst op het belang van de bevordering van een op innovatie gerichte cultuur; dringt er bij de lidstaten op aan innovatief beleid op alle onderzoeksterreinen mogelijk te maken;

11.wijst met nadruk op de essentiële rol die voor de universiteiten is weggelegd bij het creëren en verspreiden van kennis en pleit er met name voor deze rol prominenter op de voorgrond te doen treden door bevordering van de synergieën tussen hoger onderwijs, onderzoek, permanente educatie en productiesector; ziet derhalve uit naar het verslag van de Commissie over het hoger onderwijs;

12. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan Europese prijzen voor innovatie in te stellen en te bevorderen;

13. onderstreept het belang van de bevordering van de integratie van producten, processen en op kennis gebaseerde diensten en de introductie van verschillende ondersteunende systemen in niet-technologische sectoren; wijst er in dit verband op dat niet-technologische innovatie ook sociale en institutionele innovatie inhoudt;

14. stelt voor bepaalde geselecteerde KMO's met een uitgesproken innovatie-aanleg en bedrijfscreativiteit, beperkte aanvullende onderzoekssteun voor hun activiteiten te bieden;

15. beveelt aan door concrete maatregelen voor adequate deelneming van KMO's aan O&O te zorgen, bijvoorbeeld door een deel van de onderzoekskredieten voor KMO's te bestemmen;

16. onderstreept dat KMO's moeten worden gesteund voor wat betreft hun onderzoekscapaciteit;

17. dringt er bij de lidstaten op aan een innovatievriendelijke markt voor burgers en bedrijven te creëren en te zorgen voor verbeteringen in regelgeving, normen, overheidsopdrachten en intellectuele eigendomsrechten; dringt er bij de Commissie op aan informatie te verstrekken over de bescherming van intellectuele eigendomsrechten;

18. neemt kennis van het standpunt van de Commissie dat de EU behoefte heeft aan een kosteneffectief en juridisch waterdicht en gebruiksvriendelijk stelsel ter bescherming van de intellectuele eigendom om hoogtechnologische bedrijven aan te trekken; is van mening dat de bescherming van intellectuele eigendom de vrije toegang tot publieke goederen en publieke kennis niet in de weg mag staan; dringt er bij de Commissie op aan zich in te zetten voor een kenniseconomie die geen exclusief karakter draagt, bijvoorbeeld door steun te verlenen aan vrije, "open source" software en door licenties te verlenen voor concepten als GPL en PDL;

19. wijst op de noodzaak van regionale infopunten voor de coördinatie van relevante informatie betreffende onderzoek en innovatie;

20. stelt voor het kader voor normbepalende bevoegdheden te herzien om tot hoge technische prestatieniveaus en tot snelle overeenstemming over nieuwe normen te komen;

21. stelt voor nationale clusters, conglomeraten, coöperaties en consortia, waaronder zowel florerende als startende bedrijven in multidisciplinair onderzoek, een Europees karakter te geven teneinde het concurrentievermogen en de kritische massa te verhogen;

22. erkent het belang van het creëren van innovatiepunten en -zones op regionaal niveau en van hun netwerken met dienovereenkomstige structuren in andere regio's en lidstaten of derde landen;

23. dringt erop aan op dat duidelijke doelen worden gesteld bij het opzetten van centra voor geavanceerd onderzoek, die alle over creativiteitslaboratoria zouden moeten beschikken;

24. wijst op de noodzaak van een Gemeenschapsoctrooi en communautair handelsmerk en van meer reciprociteit tussen de Europese, Amerikaanse en Japanse octrooistelsels; onderstreept dat een geïntegreerd octrooistelsel, gebaseerd op democratische rechtsnormen, deel moet uitmaken van een innovatiestrategie, in het kader waarvan een evenwicht tussen bescherming van industrieel eigendom, verspreiding van technische kennis en vrije en onbeperkte concurrentie van essentieel belang is; onderstreept voorts dat octrooibescherming bedoeld is om uitvindingen te beschermen, en niet om marktsectoren te controleren;

25. verzoekt de Raad de impasse over het ontwerp van Europees octrooi voor wat betreft de talenregeling te doorbreken;

26. wijst de Commissie en de lidstaten op de veranderingen die zich recentelijk hebben voorgedaan ter zake van de bescherming en verspreiding van wetenschappelijke kennis, op het succes van met vrije toegang gepubliceerde wetenschappelijke tijdschriften en op de "Science Commons"-licentie;

27. dringt er bij de Commissie op aan om een algemeen rapportagesysteem in het leven te roepen om toezicht uit te oefenen op indicatoren als inkomsten uit contractonderzoek, indiening en verlening van octrooien, licenties en inkomsten uit licenties, aantal actieve contracten, aantal afnemende bedrijven (inclusief KMO's) en aantal en ontwikkeling van spin-offs, met kwalitatieve beoordeling;

28. dringt er bij de lidstaten op aan om instanties voor toegepast onderzoek te helpen in nauwer contact te treden met industrie, incubatoren en belendende wetenschap of industrieparken teneinde aldus kritische massa te bereiken;

29. merkt op dat de belangrijkste Europese sectoren gebukt blijven gaan onder slechte coördinatie en integratie, knelpunten en slecht kennismanagement; merkt voorts op dat deze problemen zouden kunnen worden verholpen, wanneer meer KMO's aan Europese technologieplatforms zouden deelnemen;

30. onderstreept dat het van belang is onderzoekers te steunen bij de toegang tot pre-start-kapitaal (PreSeed), zodat zij activiteiten kunnen financieren waarmee tegenover investeerders kan worden aangetoond dat een nieuwe technologie een zeker mate van commerciële en technische levensvatbaarheid heeft;

31. is bezorgd over het feit dat de Europese instellingen weliswaar erkennen dat de bevordering van technologisch onderzoek en innovatie van vitaal belang is, doch dat de resultaten op het gebied van financiering, prestaties en benutting van het potentieel op EU-niveau achterblijven;

32. wijst op het belang van het creëren van spin-offs als middel om onderzoeksresultaten op de markt te brengen en met name op het belang van het verstrekken van kredietfaciliteiten daartoe;

33. onderstreept de noodzaak van een verdergaand publiek-privépartnerschapssysteem ter verbetering van de onderzoekskwaliteit aan de hand van moderne uitrusting, infrastructuur en diensten;

34. is verheugd over het feit dat "business angels" de belangrijke taak op zich nemen om in innovatieve bedrijven, en met name KMO's, die anders geen toegang tot zulke middelen zouden hebben, te investeren;

35. wijst erop dat eco-innovatie, en met name methoden ter vergroting van de energie-efficiëntie, de Europese bedrijven concurrentievoordelen biedt;

36. merkt op dat de formule van persoonlijke leningen en subsidies, waarvan de exacte vorm in nauw overleg met de klant wordt bepaald, ertoe zal leiden dat de financiële middelen qua omvang en vermarktingstermijn doeltreffend worden benut en op de reële behoeften zullen zijn afgestemd;

37. merkt op dat voor de totstandbrenging, groei, bevordering en convergentie van onderzoek en innovatie in nieuwe ondernemingen adequaat risicokapitaal vereist is;

38. dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de lidstaten, een kader van structurele maatregelen te creëren om het MKB op het gebied van kennisbeheer en technologie vooruit te helpen, zodat deze bedrijven dankzij een actieve vraagzijde een dynamische rol kunnen spelen op de Europese innovatiemarkt en actief kunnen worden betrokken bij technologisch onderzoek en ontwikkeling;

39. wijst erop dat het noodzakelijk is de toegang van KMO's tot financiering te verbeteren;

40. steunt het idee, onderschreven door de Europese Raad van maart 2006 te Brussel, om de toegang tot leningen van de Europese Investeringsbank voor ondernemingen, en met name KMO's, die het meest behoefte hebben aan stimulansen op het gebied van innovatie en onderzoek, te vergemakkelijken en te verruimen;

41. stelt voor de structuurfondsen - met name met het oog op cohesie - te zien als essentieel instrument om de onderzoeks- en innovatiecapaciteit te steunen; stelt voor het in de structuurfondsen voor onderzoek en innovatie uitgetrokken bedrag te verdrievoudigen;

42. merkt op dat overheidsopdrachten bij de bevordering van onderzoek en innovatie een cruciale rol spelen, doch niet tot concurrentievervalsing of bevoordeling van grote marktspelers mogen leiden;

43. is van oordeel dat overheidsopdrachten niet mogen worden beperkt tot het verlenen van stimulansen voor particuliere investeringen, maar juist een strategische rol moeten spelen om bedrijven te stimuleren bij de bevordering van innovatie en de verwerving van nieuwe knowhow;

44. beseft evenwel dat het opzetten van netwerken tussen KMO's en grote ondernemingen in de particuliere en overheidssector een belangrijke rol kan spelen bij het opvoeren van innovatie; benadrukt dat overheidsopdrachten voor innovatieve producten op zowel nationaal als Gemeenschapsniveau kunnen bijdragen tot het opvullen van marktlacunes en de bevordering van innovatieve producten en diensten in het algemeen;

45. is voorstander van een ingrijpende hervorming van de EU-regelgeving inzake staatssteun, in het kader waarvan kleine en innovatieve bedrijven in plaats van grote noodlijdende ondernemingen worden gesubsidieerd;

46. wijst erop dat flexibiliteit en transparantie noodzakelijke voorwaarden zijn voor innovatie;

47. is van oordeel dat meer manieren moeten worden gevonden om investeringen in onderzoeksuitrusting aan te trekken;

48. stelt voor een belastingkredietsysteem in te voeren om de dienstensector ertoe aan te sporen zich te interesseren voor onderzoeksresultaten en de toepassing ervan;

49. stelt een structuur met één enkel fonds voor ter voorkoming van dubbele belastingheffing ten aanzien van investeerders die gevestigd zijn in een lidstaat en via een fonds in een andere lidstaat investeren;

50. onderstreept dat moet worden nagegaan of de huidige structuren en mechanismen met bijzondere innovatieve knowhow toereikend zijn voor een globale aanpak van innovatie en de bevordering ervan en bijdragen tot een betere coördinatie van acties en beleid;

51. verzoekt de Raad jaarlijks aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over de ontwikkelingen in de investeringen in het kader van de nationale begrotingen in openbaar onderzoek (streefcijfer: 1% van het BBP);

52. stelt vast dat de doelstelling om in 2010 3 % van het BBP van de Unie in onderzoek te investeren waarschijnlijk niet zal worden gehaald; betreurt dat de lidstaten op de Europese Raad van 23-24 maart 2006 geen stelliger verbintenissen zijn aangegaan ten behoeve van onderzoek en innovatie; betreurt het eveneens dat ze daarnaast geen minimumstreefcijfer voor de verhoging van de overheidssteun voor 2010 hebben vastgesteld;

53. is van mening dat communautaire instrumenten als de strategie i2010, het zevende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie kunnen bijdragen tot het overbruggen van de kloof tussen onderzoeksresultaten en financiële winstgevendheid;

54. benadrukt dat een verbeterd onderzoek- en innovatiebeleid moet bijdragen tot het creëren van nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid via duurzame ontwikkeling, waarbij het accent moet liggen op ecologische innovatie en duurzame productie (bijvoorbeeld met zonne-energie geproduceerde waterstof, windenergie, brandstofcellen, biomassa, chemische industrie op basis van plantaardige grondstoffen), ecologisch efficiënte diensten (energiebehoud, mobiliteitsdiensten, hergebruik en recycling) en duurzame methodes bij het ontwerpen en beheren (bionica, geïntegreerd productbeleid);

55. verwelkomt de aanbeveling van de Commissie, in het kader van het initiatief "de wetgeving verbeteren", om in de effectbeoordeling ook de beoordeling van de effecten van aanbevelingen op het gebied van onderzoek en innovatie op te nemen;

56. verzoekt de lidstaten de communautaire middelen die hen ter beschikking worden gesteld, beter te benutten en vestigt met name de aandacht op de lidstaten die in hun beleid prioriteit hebben gegeven aan het scheppen van arbeidsplaatsen door ruim 35 % van de middelen uit het Europees Sociaal Fonds te investeren in de modernisering van hun onderwijs- en opleidingssysteem;

57. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

TOELICHTING

Op de Europese Raad van Lissabon in maart 2000 werd besloten om van Europa binnen tien jaar de meest concurrerende en meest dynamische kenniseconomie ter wereld te maken. In 2006 loopt Europa echter nog steeds achter op de VS en Japan en is nog heel ver van het te bereiken doel; dit is duidelijk te wijten aan een gebrek aan politieke wil in de lidstaten. Europa moet zijn prestaties verbeteren op drie hoofdgebieden:

Ten eerste slaagt Europa er niet in nieuwe kennis te creëren. Volgens een verslag van de Commissie was O&O goed voor slechts 1,93% van het BBP van de EU in 2003, vergeleken met 2,59% procent in de VS en 3,15% in Japan. KMO's nemen 65% van het Europese BBP voor hun rekening, in de VS echter slechts 45%, maar verrichten 7 tot 8 maal minder onderzoek dan die in de VS.

Het is duidelijk dat de EU de lat hoger moet leggen. Voor het creëren van kennis is een verandering in de Europese cultuur vereist die ondernemerschap in het kader waarvan innovatie voorop staat, bevordert en het verlangen naar innovatieve goederen en diensten onder de burgers stimuleert.

Lidstaten geven niet voldoende steun voor flexibiliteit van arbeidskrachten met overdraagbare vaardigheden waarmee kan worden ingespeeld op veranderingen op de arbeidsmarkt en de overgang naar een kenniseconomie kan worden versterkt. Met name levenslang leren en ICT‑training moeten meer financiële en politieke steun krijgen. De arbeidsstrategieën van de lidstaten en hun opleidingsaanpak staan momenteel los van elkaar, terwijl deze logisch gezien hand in hand zouden moeten gaan en een levenslange vorm zouden moeten aannemen vanaf onderwijs van kinds af aan tot training in nieuwe ICT voor de oudere segmenten in het arbeidsproces.

Wetenschappelijk onderzoek moet worden gezien als een prestigieuze en lonende carrière. Net als in de VS zou Europa de wetenschappen onder de jeugd moeten promoten aan de hand van de toekenning van prijzen, zoals Descartes, Aristoteles en prijzen voor jonge wetenschappers, waaraan veel te weinig bekendheid wordt gegeven.

De Europese Unie moet de schade die het heeft aangericht in de wetenschappelijke gemeenschap herstellen door onderzoekers te voorzien van beroepscondities en nodige financiën om toponderzoek te doen. Europa moet het tij keren en zijn beste onderzoekers ervan weerhouden naar de VS te gaan door hen betere onderzoeksvoorwaarden te bieden en ervoor te zorgen dat programma's onder de titel "mensen" in het zevende kaderprogramma naar behoren worden gerund.

Ten tweede slaagt Europa er niet in zijn kennis te delen. Grote obstakels blijven actoren ervan weerhouden binnen en buiten nationale grenzen samen te werken. Een aantal lidstaten legt nog steeds de verordening niet ten uitvoer die bedoeld was om grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen. Dit gebrek aan harmonisatie heeft een nadelig effect op een succesvolle arbeidsmarkt en staat het vrije verkeer van onderzoekers en de vitale overdracht van kennis in de weg.

De EU als geheel maakt nog steeds te weinig gebruik van haar arbeidskrachtenpotentieel, en de werkloosheid blijft hoog in de lidstaten met een vier procentpunten hoger werkloosheidspercentage dan in de VS en Japan. Deze slechte prestaties op de arbeidsmarkt in Europa worden gekenmerkt door een inefficiënt gebruik van menselijke hulpbronnen, marktfragmentatie en beperkte arbeidsmobiliteit.

Verbetering van partnerschappen moet voorop blijven staan in het Europese O&O-beleid. Teveel onderzoek wordt gedaan op kleine, geïsoleerde, ondergefinancierde schaal. De EU heeft zichzelf tot taak gesteld om centra voor geavanceerd onderzoek op te richten en clusters te ontwikkelen. Er valt echter nog heel wat te doen.

De Europese instellingen zijn er vaak niet in geslaagd zich te concentreren op geavanceerd onderzoek en een einde te maken aan onderzoek met lage prioriteit en van mindere kwaliteit. Dit is in eerste instantie het gevolg van budgettaire beperkingen, aangezien de lidstaten zich niet realiseren hoeveel schade zij veroorzaken door te weinig in onderzoek te investeren. Nu moet alles op alles worden gezet om het beste te bereiken en de knappe koppen de beschikking krijgen over adequaat grensoverschrijdend kapitaal en menselijke hulpbronnen.

Door ongelijke behandeling van mannen en vrouwen is er nog steeds sprake van een verschil van circa 17% in beloning tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers in de particuliere sector. De EU staat voor gelijke behandeling en bedrijven en organisaties die vrouwen als minderwaardige werknemers behandelen, dienen met naam en toenaam te worden genoemd en te schande te worden gemaakt.

Ten derde lukt het Europa niet kennis te financieren. Opvoering van O&O-investeringen is een eerste vereiste, wil Europa een op kennis gebaseerde samenleving worden, gericht op geavanceerd onderzoek; toch stagneren de investeringen sinds 2000 als percentage van het BBP; zij zijn tussen 2002 en 2003 eigenlijk slechts met 0,2% gestegen. Bovendien investeert de Europese dienstensector slechts 0,2% van zijn BBP in O&O tegen 0,7% van het BBP in de VS.

Onderzoek en ontwikkeling, innovatie en KMO's zijn van kritische waarde om het groeipotentieel van Europa te verhogen en meer werkgelegenheid te scheppen.

Het is derhalve van essentieel belang een kritische massa aan EU-financiële middelen in te zetten voor financieringsinstrumenten die bedoeld zijn om de financiële middelen van KMO's te vergroten en marktverstoringen aan te pakken; Gemeenschapsgelden kunnen aldus optimaal worden benut en als hefboom fungeren tussen publiek en privé-kapitaal (leverage).

In dit verband zouden in het kader van het Gemeenschapsbeleid programma's als de financieringsinstrumenten van het CIP (Concurrentievermogen- en innovatieprogramma) of JEREMIE (Gezamenlijke Europese middelen voor KMO's) moeten worden uitgebreid, beide worden door het Europees Investeringsfonds (EIF) beheerd; een en ander zou bijdragen tot een betere verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen en ondersteuning van de ontwikkeling van innovatieve KMO's in de EU. De reikwijdte van de financieringsinstrumenten van het CIP zou tevens moeten worden uitgebreid tot technologieoverdrachtactiviteiten (PreSeed en Seed) om de kloof tussen onderzoek en commercialisering te overbruggen. Alhoewel de EU weliswaar koploper op talrijke onderzoeksterreinen is, benut ze nog lang niet ten volle het economisch potentieel van O&O; door de tenuitvoerlegging van een technologieoverdrachtprogramma zou een Europese kritische massa kunnen worden opgebouwd ten einde op mondiaal niveau concurrerend te zijn en bij te dragen tot de totstandbrenging van spin-offs ter verbetering van de verspreiding van technologie/innovatie.

De lidstaten geven momenteel te weinig stimulansen om onderzoek te bevorderen en de belastingwetgeving en bureaucratie in de lidstaten kunnen bedrijven ervan weerhouden meer kapitaal in onderzoek te investeren.

Sectorspecifieke steun heeft duidelijk zijn voordelen. Voor innovatie in productie is een ander ondersteunend systeem dan voor de dienstensector vereist, aangezien het om verschillende behoeften gaat. Productie moet namelijk worden gekoppeld aan bedrijfsmodellen waarvan design, verkoop en diensten voor de totstandbrenging van waarde op aanvraag, deel uitmaken.

Door zijn huidige tekortkomingen op deze drie gebieden (creëren, delen en financieren van kennis) wordt Europa ervan weerhouden zijn potentieel als innovatieve kennissamenleving te verwezenlijken. Actie is nu noodzakelijk, wil Europa concurrerend blijven en een zekere toekomst tegemoet gaan.

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (15.5.2006)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake de uitvoering van het communautair Lissabon-programma: meer onderzoek en innovatie - investeren in groei en werkgelegenheid
(2006/2005(INI))

Rapporteur voor advies: Maria Matsouka

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van oordeel dat innovatie, onderzoek en groei samen de grootste uitdaging voor de EU vormen in het kader van de globalisering; het concurrentievermogen van de EU zal immers niet verbeteren door voortdurend de arbeidskosten te verlagen, maar wel dankzij een ernstig en dynamisch beleid op technologisch gebied en door in te zetten op voortgezette opleiding van hoge kwaliteit, teneinde het menselijk potentieel te ontwikkelen. Deze benadering beoogt bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon inzake werkgelegenheid, milieubescherming, economische groei en bestrijding van discriminatie, rekening houdend met degenen die bijzondere behoeften hebben;

2.  is ervan overtuigd dat de Europese ontwikkelingsstrategie moet worden geplaatst in het kader van technologische innovatie en vermindering van de arbeidstijd, aangezien de toepassing van technologische innovaties in het bedrijfsleven leidt tot een drastische stijging van de productiviteit;

3.  is bezorgd over het feit dat, hoewel de Europese instellingen erkennen dat de bevordering van technologisch onderzoek en innovatie van vitaal belang is, de resultaten in de EU op het gebied van financiering, prestaties en capaciteitsbenutting beperkt blijven;

4.  is ervan overtuigd dat overheidssteun, die zwakheden kan compenseren en/of iets kan doen aan onvolmaaktheden van de markt, niet echt doeltreffend is als hij geen deel uitmaakt van een strategie die onder meer de regionale samenhang op het gebied van onderzoek en innovatie moet bevorderen;

5.  is bezorgd over de mogelijke verlaging van de communautaire begroting voor de periode 2007-2013 en de tekortschietende investeringen van de lidstaten in O&O en innovatie; roept de lidstaten ertoe op in hun begrotingen de verbintenissen te implementeren die zijn aangegaan door de Europese Raad van Barcelona in 2002, nl. om 3% van het BBP te besteden aan de financiering van O & O en innovatie; roept de lidstaten er bovendien toe op de publieke faciliteiten voor onderzoek en innovatie te hervormen en te verbeteren, en de samenwerking tussen de publieke en de particuliere sector te bevorderen, om aldus het doel van meer investeringen in het onderzoek te bereiken;

6.  onderschrijft volledig de noodzaak van de doelstelling een interne markt voor onderzoekers te scheppen, zoals is aangeduid door de Commissie in haar mededeling "Meer onderzoek en innovatie - Investeren voor groei en werkgelegenheid";

7.  erkent dat betere arbeidsvoorwaarden voor wetenschappelijk en onderzoekspersoneel en de permanente vorming van werknemers absoluut moeten worden bevorderd om het delen van wetenschappelijke kennis te stimuleren; beveelt derhalve een grotere flexibiliteit op arbeidsgebied aan, doch in kwalitatieve termen (voortgezette opleiding, technologische herstructurering van productiemethodes en dienstverlening), in plaats van in kwantitatieve termen (fluctuerende werkgelegenheid overeenkomstig de momentele of de verwachte vraag);

8.  is van mening dat de onderwijsinstellingen in dit opzicht een belangrijke bijdrage kunnen leveren en is ervan overtuigd dat enerzijds het contact met wetenschap en onderzoek reeds op school moet beginnen en dat het anderzijds nodig is een creatieve samenwerking tussen de aan universiteiten verbonden onderzoekers en het bedrijfsleven te bevorderen; is daarnaast van mening dat de belemmeringen voor de mobiliteit van onderzoekers moeten worden weggenomen door verbetering van hun status en carrièreverloop, hetgeen niet mogelijk is zonder verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten inzake belastingheffing en de overdracht van bepaalde sociale rechten;

9.  steunt het voorstel een "Europees Handvest voor onderzoekers" en een "Gedragscode voor de aanwerving van onderzoekers" op te stellen, daar deze initiatieven een aansporing kunnen vormen voor de Europese studenten om op de universiteit de weg van het onderzoek te kiezen, en een stimulans kunnen zijn voor de beste buitenlandse onderzoekers om hun onderzoekscarrière in Europa voort te zetten, hetzij op permanente, hetzij op tijdelijke basis in het kader van een samenwerkingsakkoord, dat dan vergezeld moet gaan van een specifiek beleid voor de verstrekking van kortlopende visa;

10. is van oordeel dat overheidscontracten niet mogen worden beperkt tot het verlenen van stimulansen voor particuliere investeringen, maar dat ze een strategische rol moeten vervullen en bedrijven moeten helpen bij de bevordering en de verwerving van innovatieve knowhow;

11. dringt er bij de Commissie op aan met de lidstaten samen te werken om een kader van structurele maatregelen te creëren om het MKB op het gebied van kennisbeheer en technologie vooruit te helpen, zodat deze bedrijven dankzij een actieve vraagzijde een dynamische rol kunnen spelen op de Europese innovatiemarkt en actief kunnen worden betrokken bij technologisch onderzoek en ontwikkeling;

12. wijst erop dat het noodzakelijk is de toegang van KMO's tot financiering te verbeteren;

13. steunt het idee, dat ook is onderschreven door de Europese Raad van maart 2006 te Brussel, de toegang tot leningen van de Europese Investeringsbank voor ondernemingen, met name kleine en middelgrote, aangezien die het meeste behoefte hebben aan stimulansen op het gebied van innovatie en onderzoek, makkelijker en ruimer te maken;

14. neemt kennis van het standpunt van de Commissie dat de EU behoefte heeft aan een kosteneffectief en juridisch waterdicht en gebruiksvriendelijk stelsel ter bescherming van de intellectuele eigendom om hoogtechnologische bedrijven aan te trekken; is van mening dat de bescherming van intellectuele eigendom de vrije toegang tot publieke goederen en publieke kennis niet in de weg mag staan; dringt er bij de Commissie op aan zich in te zetten voor een kenniseconomie die geen exclusief karakter draagt, bijvoorbeeld door steun te verlenen aan vrije, "open source" software en door licenties te verlenen voor concepten als GPL en PDL;

15. verwelkomt de aanbeveling van de Commissie die inhoudt dat, in het kader van het initiatief "Betere wetgeving", effectbeoordeling zich ook moet uitstrekken tot de effecten van aanbevelingen op het gebied van onderzoek en innovatie;

16. is van mening dat communautaire instrumenten als de strategie i2010, het zevende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie ertoe kunnen bijdragen de kloof tussen onderzoeksresultaten en financiële winstgevendheid te overbruggen;

17. is van mening dat de communautaire initiatieven op het gebied van onderzoek en innovatie (Europe INNOVA, PRO INNO, Regions of Knowledge, RTD OMC_NET) naar behoren rekening moeten houden met sociale en milieucriteria, teneinde duurzame ontwikkeling en hoogwaardige werkgelegenheid te bevorderen;

18. benadrukt dat een verbeterd onderzoek- en innovatiebeleid ertoe moet bijdragen nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid te creëren langs de weg van duurzame ontwikkeling, waarbij het accent moet liggen op ecologische innovatie en duurzame productie (bijvoorbeeld met zonne-energie geproduceerde waterstof, windenergie, brandstofcellen, biomassa, plantaardige grondstoffen verwerkende chemische industrie), ecologisch efficiënte diensten (energiebehoud, mobiliteitsdiensten, hergebruik en recycling) en duurzame methodes bij het ontwerpen en beheren (bionica, geïntegreerd productbeleid).

PROCEDURE

Titel

De uitvoering van het communautair Lissabon-programma: meer onderzoek en innovatie - investeren in groei en werkgelegenheid

Procedurenummer

2006/2005(INI)

Commissie ten principale

ITRE

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

EMPL
19.1.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

Nee

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Maria Matsouka
27.10.2005

Vervangen rapporteur voor advies

 

Behandeling in de commissie

21.3.2006

20.4.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

4.5.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

36
2
0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Roselyne Bachelot-Narquin, Jean-Luc Bennahmias, Philip Bushill-Matthews, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Luigi Cocilovo, Jean Louis Cottigny, Proinsias De Rossa, Harald Ettl, Richard Falbr, Carlo Fatuzzo, Ilda Figueiredo, Stephen Hughes, Jan Jerzy Kułakowski, Sepp Kusstatscher, Raymond Langendries, Bernard Lehideux, Thomas Mann, Mario Mantovani, Jan Tadeusz Masiel, Ana Mato Adrover, Maria Matsouka, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, José Albino Silva Peneda, Kathy Sinnott, Jean Spautz, Anne Van Lancker, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Udo Bullmann, Iratxe García Pérez, Pedro Guerreiro, Richard Howitt, Astrid Lulling, Jamila Madeira, Elisabeth Schroedter, Patrizia Toia, Yannick Vaugrenard

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

29.5.2006

ADVIES VAN DE COMMISSIE CULTUUR EN ONDERWIJS

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake de uitvoering van het communautair Lissabon-programma: Meer onderzoek en innovatie – Investeren voor groei en werkgelegenheid

(2006/2005(INI))

Rapporteur voor advies: Guy Bono

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Investeren in onderzoek

1. merkt op dat de Unie bij de uitvoering van de strategie van Lissabon een duidelijke achterstand heeft opgelopen op het gebied van onderwijs en opleiding; roept de lidstaten op de strategie van Lissabon nieuw leven in te blazen;

2. stelt vast dat de doelstelling om tegen 2010 3 % van het BBP van de Unie in onderzoek te investeren waarschijnlijk niet zal worden gehaald; betreurt dat de lidstaten op de Europese Raad van 23-24 maart 2006 geen stelliger verbintenissen zijn aangegaan ten behoeve van onderzoek en innovatie; betreurt het eveneens dat ze daarnaast geen minimumstreefcijfer voor de verhoging van de overheidssteun voor 2010 hebben vastgesteld;

3. wijst er eens te meer op dat de lidstaten de dwingende plicht hebben investeringen in onderzoek en innovatie te stimuleren en het aangaan van meer partnerschappen tussen overheid en particuliere sector te vergemakkelijken, inzonderheid met universiteiten, zodat de Europese Unie op de wereldmarkt eindelijk kan concurreren;

De rol van de universiteiten bij het wetenschappelijk onderzoek en het tegengaan van de braindrain

4. wijst met nadruk op de essentiële rol die voor de universiteiten is weggelegd bij het creëren en verspreiden van kennis en pleit er met name voor deze rol prominenter op de voorgrond te doen treden door bevordering van de synergieën tussen hoger onderwijs, onderzoek, permanente educatie en productiesector; ziet derhalve uit naar het verslag van de Commissie over het hoger onderwijs;

5. verzoekt de Unie de braindrain effectief te bestrijden en alles in het werk te stellen om vooraanstaande wetenschappers aan te trekken door met name ten behoeve van studenten, onderzoekers en onderwijzend personeel het opzetten van uitwisselingsprogramma's met derde landen zoals Erasmus mundus te bevorderen; is van mening dat de invoering van een Europees kwalificatiestelsel een belangrijke factor zou zijn bij de totstandbrenging van een Europese arbeidsmarkt die openstaat voor onderzoekers, en steunt de initiatieven die worden ondernomen om de hinderpalen voor de mobiliteit van onderzoekers te verkleinen;

6. wijst nadrukkelijk op de noodzaak de status van wetenschappelijke carrières te verhogen door meer publiciteit te geven aan bestaande beurzen en prijzen zoals Descartes, Artistoteles en de Young Scientists Awards;

Het scheppen van banen

7. nodigt de lidstaten uit beter gebruik te maken van de Europese fondsen die hen ter beschikking worden gesteld en vestigt speciaal de aandacht op de lidstaten die het scheppen van banen tot een kernpunt van hun beleid hebben gemaakt door ruim 35 % van de middelen uit het Europees Sociaal Fonds te investeren in de modernisering van hun onderwijs- en opleidingssysteem;

8. dringt er bij de lidstaten op aan het ondernemerschap vanaf de vroegste stadia van het onderwijs te promoten en permanente educatie krachtiger te ondersteunen door actieve bevordering van ICT-opleidingen voor zowel werkenden als werklozen.

PROCEDURE

Titel

Uitvoering van het communautair Lissabon-programma: Meer onderzoek en innovatie – Investeren voor groei en werkgelegenheid

Procedurenummer

2006/2005(INI)]

Commissie ten principale

ITRE

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

CULT

19.1.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

 

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Guy Bono

23.1.2006

Vervangen rapporteur voor advies

 

Behandeling in de commissie

27.4.2006

 

 

 

 

Datum goedkeuring

29.5.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

23

 

[1]

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Badia I Cutchet, Christopher Beazley, Ivo Belet, Marie-Hélène Descamps, Milan Gaľa, Vasco Graça Moura, Lissy Gröner, Luis Herrero-Tejedor, Ruth Hieronymi, Manolis Mavrommatis, Marianne Mikko, Ljudmila Novak, Christa Prets, Karin Resetarits, Pál Schmitt, Nikolaos Sifunakis, Helga Trüpel, Thomas Wise, Tomáš Zatloukal

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Gyula Hegyi, Nina Škottová, Grażyna Staniszewska, Jaroslav Zvěřina, Catherine Trautmann

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

PROCEDURE

Titel

Uitvoering van het communautair Lissabon-programma: Meer onderzoek en innovatie – Investeren voor groei en werkgelegenheid: een gemeenschappelijke aanpak

Procedurenummer

2006/2005(INI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

ITRE
19.1.2006

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

CULT
19.1.2006

REGI
19.1.2006

IMCO
19.1.2006

EMPL
19.1.2006

ECON
19.1.2006

Geen advies
  Datum besluit

REGI
31.1.2006

IMCO
21.2.2006

ECON
8.2.2006

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

Nee

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Pilar del Castillo Vera
23.11.2005

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

20.3.2006

18.4.2006

30.5.2006

 

 

Datum goedkeuring

30.5.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

40
2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Březina, Philippe Busquin, Jerzy Buzek, Joan Calabuig Rull, Pilar del Castillo Vera, Jorgo Chatzimarkakis, Giles Chichester, Den Dover, Adam Gierek, Umberto Guidoni, András Gyürk, Fiona Hall, Erna Hennicot-Schoepges, Ján Hudacký, Romana Jordan Cizelj, Werner Langen, Vincenzo Lavarra, Angelika Niebler, Reino Paasilinna, Umberto Pirilli, Miloslav Ransdorf, Vladimír Remek, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Andres Tarand, Britta Thomsen, Patrizia Toia, Catherine Trautmann, Nikolaos Vakalis, Alejo Vidal-Quadras Roca

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

María del Pilar Ayuso González, Cristina Gutiérrez-Cortines, Edit Herczog, Peter Liese, Toine Manders, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Vittorio Prodi

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Maria Badia I Cutchet, Giovanni Berlinguer, Marco Cappato

Datum indiening

1.6.2006

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)