VERSLAG over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen

23.6.2006 - (COM(2006)0099 – C6‑0132/2006 – 2006/0039(CNS)) - *

Begrotingscommissie
Rapporteur: Alain Lamassoure

Procedure : 2006/0039(CNS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0223/2006
Ingediende teksten :
A6-0223/2006
Debatten :
Aangenomen teksten :

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen

(COM(2006)0099 – C6‑0132/2006 – 2006/0039(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2006)0099)[1],

–   gelet op artikel 269 van het EG-verdrag en artikel 173 van het Euratom-verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6‑0132/2006),

–   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer[2], met name punt 8 en verklaring 3 betreffende de herziening van het financiële kader,

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A6‑0223/2006),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 1

(1) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 te Brussel concludeerde onder andere dat de algemene doelstelling van billijkheid als leidraad voor de eigenmiddelenregelingen moet dienen. Deze regelingen moeten er derhalve voor zorgen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Fontainebleau in 1984, dat geen enkele lidstaat een begrotingslast behoeft te dragen die buitensporig is in vergelijking met zijn relatieve welvaart. In deze regelingen moeten er dus bepalingen voor specifieke lidstaten worden opgenomen.

(1) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 te Brussel concludeerde onder andere dat de algemene doelstelling van billijkheid als leidraad voor de eigenmiddelenregelingen moet dienen. Deze regelingen moeten er derhalve voor zorgen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Fontainebleau in 1984, dat geen enkele lidstaat een begrotingslast behoeft te dragen die buitensporig is in vergelijking met zijn relatieve welvaart. Daarom is het voorlopig onvermijdelijk dat in deze regelingen bepalingen voor specifieke lidstaten worden opgenomen, in afwachting van een nieuw, eerlijker en doorzichtiger stelsel van eigen middelen, vast te stellen in het kader van het evaluatieproces van 2008 / 2009.

Motivering

In het huidige, verouderde stelsel kunnen speciale bepalingen voor individuele lidstaten nodig zijn om buitensporige budgettaire lasten te voorkomen. Dergelijke bepalingen kunnen echter nooit "moeten" en zullen in een nieuw en transparant stelsel, dat van zichzelf reeds billijk is, overbodig zijn.

Amendement 2

Overweging 2

(2) Het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen moet de zekerheid bieden dat de middelen toereikend zijn voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Gemeenschappen, waarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline niet uit het oog mag worden verloren.

(2) Het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen moet de zekerheid bieden dat de middelen toereikend zijn voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Gemeenschappen, waarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline niet uit het oog mag worden verloren, en moet door transparantie en eenvoud worden gekenmerkt.

Motivering


Een overzichtelijke financiering van de Europese Gemeenschap is in het belang van het informatiebeleid van de EU en in het belang van de burgers.

Amendement 3

Overweging 7

(7) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 heeft besloten ten behoeve van een overzichtelijke en eenvoudige regeling het afdrachtpercentage van de BTW-bron vast te stellen op 0,30%.

(7) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 heeft besloten het afdrachtpercentage van de BTW-bron vast te stellen op 0,30%.

Motivering


De uitzonderingen betreffende de BTW-afdrachtpercentages die door de Europese Raad in december 2005 werden goedgekeurd, zijn in strijd met het beginsel van eenvoud en duidelijkheid.

Amendement 4

Overweging 8 bis (nieuw)

 

(8 bis) Het eigenmiddelenstelsel van de Gemeenschap dient steeds in aanmerking te worden genomen bij wijzigingen van de regels in verband met communautaire belastingvraagstukken (BTW, vennootschapsbelasting, invoerrechten, heffingen, accijnzen).

Motivering

De herziening van belastingvraagstukken houdt nauw verband met de eigen middelen van de Gemeenschap, zodat beide onderwerpen tegelijk moeten worden behandeld.

Amendement 5

Overweging 11

(11) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 verzocht de Commissie een volledige, alomvattende en brede evaluatie te verrichten, waarin alle aspecten van de EU-inkomsten en -uitgaven aan bod komen, en daarover in 2008/2009 verslag uit te brengen. Binnen dit kader moet de Commissie derhalve een algemeen onderzoek instellen naar de werking van het stelsel van eigen middelen, zo nodig vergezeld van passende voorstellen.

(11) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 verzocht de Commissie een volledige, alomvattende en brede evaluatie te verrichten, waarin alle aspecten van de EU-inkomsten en -uitgaven aan bod komen, en daarover in 2008/2009 verslag uit te brengen. Binnen dit kader moet de Commissie derhalve een algemeen onderzoek instellen naar de werking van het stelsel van eigen middelen, vergezeld van passende voorstellen, onder de voorwaarden zoals uiteengezet in verklaring 3 betreffende de herziening van het financiële kader die is opgenomen in de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer1 .

Het Europees Parlement heeft in zijn besluit van 17 mei 20062 inzake dit Interinstitutioneel Akkoord verklaard dat een dergelijke herziening ten doel heeft om tot een nieuw, omvattend financieel stelsel te komen dat rechtvaardig, veerkrachtig, vooruitstrevend en transparant is en de Unie in staat stelt de verwezenlijking van haar ambities uit eigen middelen te bekostigen in plaats van uit bijdragen van de lidstaten, en heeft er op gewezen dat met name het eigenmiddelenstelsel en de uitgavenkant van de begroting dringend moeten worden hervormd om het beschamende touwtrekken tussen de lidstaten bij de vaststelling van het volgende financiële kader te voorkomen.

____________
1 PB C 139, 14.6.2006, blz. 1.
2PB C

Motivering

Het is noodzakelijk de aandacht te vestigen op de resoluties van het Parlement over het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord, met name paragraaf 6 en 8, waarin wordt vermeld wat het doel van het herzieningsproces is en waarom dit dringend geboden is. Tevens moet duidelijk worden gemaakt dat het Parlement van de Commissie verwacht dat zij met concrete voorstellen komt voor wijzigingen in het eigenmiddelenbesluit, en niet alleen met een Witboek waarin de theoretische opties voor een toekomstig stelsel uit de doeken worden gedaan. Om deze redenen worden de woorden"zo nodig" geschrapt. Bovendien dient het Europees Parlement bij alle fasen van dit herzieningsproces te worden betrokken, onder volledige eerbiediging van zijn rechten.

Amendement 6

Artikel 9

De Commissie stelt binnen het kader van de volledige, alomvattende en brede evaluatie van alle aspecten van de EU-uitgaven en –middelen waarover zij in 2008/2009 verslag uitbrengt, een algemeen onderzoek in betreffende het stelsel van eigen middelen, zonodig vergezeld van passende voorstellen.

De Commissie stelt binnen het kader van de volledige, alomvattende en brede evaluatie van alle aspecten van de EU-uitgaven en –middelen waarover zij in 2008/2009 verslag uitbrengt, een algemeen onderzoek in betreffende het stelsel van eigen middelen, vergezeld van passende voorstellen. Zij houdt rekening met de resultaten van de werkzaamheden die de nationale parlementen en het Europees Parlement gezamenlijk hebben verricht. Bij het verrichten van deze evaluatie en het opstellen van haar voorstellen houdt de Commissie rekening met de werkzaamheden en aanbevelingen van het Europees Parlement, overeenkomstig de bewoordingen van de verklaring die is gehecht aan het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006.

Motivering

Het Europees Parlement en de nationale parlementen zijn een dialoog aangegaan over de eigen middelen van de EU. Met de uitkomst van deze gezamenlijke inspanning moet in het herzieningsproces terdege rekening worden gehouden.

  • [1]  PB C ..,
  • [2]  PB C 139, 14.6.2006, blz. 1.

TOELICHTING

De eigen middelen van de EU - heden en verleden

Inhoud van het huidige voorstel van de Commissie

Het huidige voorstel van de Commissie beoogt de conclusies van de Europese Raad van 15 - 16 december 2005 met betrekking tot de eigen middelen ten uitvoer te brengen. Op de bijeenkomst van de Europese Raad is niet alleen politieke overeenstemming bereikt over het nieuwe financiële kader voor 2007 - 2013, maar is tevens een aantal wijzigingen van het stelsel van eigen middelen afgesproken, inclusief een aantal speciale regelingen voor individuele lidstaten (zowel aan de inkomsten- als de uitgavenzijde), die in het totale pakket zijn opgenomen.

Naar de mening van de Europese Raad moet op de regelingen voor de eigen middelen het billijkheidsbeginsel van toepassing zijn. Een lidstaat mag geen begrotingslast dragen die naar de maatstaf van zijn relatieve welvaart buitensporig is. Daarom vonden de staatshoofden en regeringsleiders dat "bepalingen voor specifieke lidstaten" moesten worden ingevoerd.

Als uitvloeisel hiervan stelt de Commissie in haar huidige voorstel het afdrachtpercentage voor de BTW vast op 0,30 % van de afgetopte BTW-grondslagen van de lidstaten. Sommige lidstaten profiteren echter tussen 2007-2013 van lagere afdrachtpercentages voor de BTW, vastgesteld op tussen 0,225 % en 0,10 %, om de druk op hun begroting te verzachten.

Tegelijkertijd stelt de Commissie voor een uniform BNI-afdrachtpercentage toe te passen. In de periode van 2007 - 2013 zullen twee landen echter kunnen profiteren van brutoverminderingen van hun jaarlijkse BNI-bijdragen van totaal 755 miljoen euro. Deze brutoverminderingen zullen door alle lidstaten gezamenlijk worden gefinancierd, met inbegrip van de beide begunstigden zelf. Het huidige voorstel codificeert deze uitzondering.

Het voorstel laat in beginsel ook de correctie voor het Verenigd Koninkrijk (de "Britse korting") onaangetast, behalve voor de uitgaven in de nieuwe lidstaten, die voor de berekening van de Britse korting zullen worden uitgesloten van de totale toegewezen uitgaven. Van deze uitzondering zullen de uitgaven voor de GLB-markt in de nieuwe lidstaten dan echter weer worden uitgesloten en dus worden meegeteld voor het totaal van de toegewezen uitgaven voor de berekening van de Britse korting.

Beoordeling door de rapporteur

Uit het bovenstaande is duidelijk dat de genoemde bepalingen in het huidige Commissievoorstel de financiering van de EU-begroting zeker niet meer, maar juist minder transparant maken, zodat maar moeilijk te zien is of het billijkheidsbeginsel wordt nageleefd. De eisen die het Europees Parlement - in zijn standpunt van 1999 over het laatste voorstel inzake de eigen middelen - aan een nieuw stelsel verbond, zijn bepaald niet toegepast. Het Parlement had destijds in zijn resolutie gevraagd om een stelsel van eigen middelen met de volgende eigenschappen:

· eenvoudig en zonder moeite voor het publiek begrijpelijk,

· gebaseerd op criteria die de draagkracht het beste tot uiting brengen, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat compensatieregelingen worden aangesproken omwille van de inkomsten,

· onafhankelijk van overschrijvingen van de lidstaten en

· afschaffen van die elementen van het bestaande stelsel die tot verwarring leiden vanwege de geldende uitzonderingen voor de nationale bijdragen.

Het nieuwe voorstel van de Commissie voor een “eigen middelen”-besluit voldoet zeer zeker niet aan de genoemde criteria. Het is integendeel de nieuwste stap in een reeks “eigen middelen”-besluiten die de Europese Gemeenschap met iedere opeenvolgende hervorming verder hebben verwijderd van een "billijk, transparant en eenvoudig" stelsel, in de richting van een stelsel dat door zijn aard zeer oneerlijk, nodeloos gecompliceerd, volstrekt ondoorzichtig en door dat alles verregaand anti-Europees is.

Excursie: geschiedenis van de eigen middelen

Van 1958 tot 1970 werd de Gemeenschapsbegroting uitsluitend gefinancierd door bijdragen van de lidstaten. In 1970 voerde de Europese Raad van Luxemburg voor het eerst een stelsel van eigen middelen in voor de algemene begroting van de Gemeenschap, dat in 1971 in werking trad. Eén van de doelstellingen was het vergroten van de financiële onafhankelijkheid van de Gemeenschap van betalingen door de lidstaten. De eerste eigen middelen waren de invoer- en landbouwheffingen, die sindsdien bekend staan als de traditionele eigen middelen.

In 1979 werd een aan de BTW gekoppeld middel ingevoerd als eigen middel, nadat de grondslag voor de vaststelling daarvan in de lidstaten was gedefinieerd. De hoge uitgaven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, evenals twee uitbreidingen van de Gemeenschap, brachten de Europese Raad van Fontainebleau in 1984 tot een verhoging van het maximale afdrachtpercentage voor de BTW-middelen tot 1,4 procent en tot de vaststelling van een correctiemechanisme voor begrotingsonevenwichtigheden, dat sindsdien alleen op het Verenigd Koninkrijk is toegepast[1].

Omdat de GLB-uitgaven op hetzelfde niveau bleven, maar de inkomsten uit de traditionele eigen middelen bleven dalen, bleken de besluiten van Fontainebleau al snel ontoereikend. Daarom voerde de Europese Raad van Brussel in juni 1988 een nieuw eigen middel in, gebaseerd op het BNP van de lidstaten. Hierbij werd ook een maximum gesteld aan het totale bedrag aan eigen middelen dat ten behoeve van de uitgaven van de Gemeenschap zou mogen worden afgedragen.

Bij de overeenkomst van Edinburgh van december 1992 werd dit totale maximum verhoogd tot 1,27 procent van het Europese BNP, waarbij tegelijk maatregelen werden genomen die leidden tot een verdere daling van het aandeel van de BTW-middelen. Deze overeenkomst trad begin 1995 in werking.

In 1999 vroeg de Europese Raad van Berlijn de Commissie een nieuw “eigen middelen”-besluit uit te werken, dat de Unie voor de periode 2000 - 2006 van voldoende middelen zou moeten verzekeren, terwijl tegelijk een strikte begrotingsdiscipline zou worden aangehouden. Het nieuwe stelsel zou "billijk, transparant, zuinig en eenvoudig" moeten zijn, op basis van criteria waarin het vermogen van een lidstaat om aan de financiering van de Unie bij te dragen het best tot uitdrukking zou komen.

Dit laatste besluit inzake de eigen middelen van 29 september 2000 trad op 1 maart 2002 in werking en is tot op heden van kracht. In dit besluit is de Britse correctie gecodificeerd, evenals de aanpassingen van de bijdragen aan de correcties voor Oostenrijk, Duitsland, Nederland en Zweden. In plaats van toe te werken naar een afschaffing van de Britse correctie werd integendeel een vergelijkbaar mechanisme ook voor andere lidstaten ingevoerd. Door een verhoging van het gedeelte van de traditionele eigen middelen dat de lidstaten mogen houden als compensatie voor de inningskosten, namelijk van 10% naar 25%, werd het aandeel van de traditionele eigen middelen in de inkomsten van de Unie nog verder teruggebracht.

Conclusies van de rapporteur

Het huidige Commissievoorstel voor een nieuw “eigen middelen”-besluit verankert de bovengenoemde status quo nog verder: het is een verdere uitbreiding van een stelsel waarin rond de 86% van de inkomsten van de Unie niet afkomstig is uit echte eigen middelen van de Unie (de traditionele eigen middelen), maar van de BTW- en BNI-middelen[2]. Deze betalingen worden gezien als "nationale bijdragen", die door de lidstaten uit eigen zak worden betaald. Het is dit concept van "lidmaatschapscontributies" dat rechtstreeks heeft geleid tot het debat over de nettobetalers en uiteindelijk tot de mentaliteit van "Ik wil mijn geld terug!", die momenteel zo sterk opgeld doet onder de lidstaten.

Het stelsel zoals dat vandaag de dag bestaat, is ver verwijderd van het oorspronkelijke idee van het Verdrag van Rome dat de uitgaven van de Gemeenschap betaald zouden worden uit de inkomsten van de Gemeenschap. Het stelsel van eigen middelen kwam meer dan 30 jaar geleden tot stand in de (sociaal-) economische situatie van de jaren zeventig en voor een Unie met slechts zes leden; dit stelsel heeft zichzelf simpelweg overleefd en moet worden vervangen door een nieuw en modern stelsel, dat toegesneden is op de behoeften van de huidige Unie en haar burgers.

Alle uitzonderingen - en de uitzonderingen op die uitzonderingen - die in de loop der jaren door de diverse Europese Raden aan het stelsel zijn toegevoegd, waren nooit meer dan lapmiddelen, bedoeld om het stelsel in elk geval draaiende te houden. Langzaamaan is het stelsel steeds ingewikkelder gemaakt en - wat nog erger is - heeft het zich ontwikkeld tot iets wat voor de Europese burgers volkomen onbegrijpelijk is. Tot slot is het erg moeilijk te beoordelen of de "bijdrage" van een lidstaat na toepassing van alle speciale regelingen op enig moment een goede uitdrukking vormt van het "vermogen om bij te dragen" van die lidstaten (zie de bijlage).

Om deze reden is de rapporteur niet eens begonnen aan pogingen om de bepalingen van het huidige voorstel van de Commissie te amenderen. Hij is er stellig van overtuigd dat de inkomsten van de EU een grondige hervorming behoeven, zodanig dat wordt voorkomen dat de lidstaten de middelen van de Gemeenschap alleen willen besteden op het terrein waar ze zelf het meest profiteren, in plaats van dat het beschikbare geld wordt geconcentreerd op de beleidsterreinen die voor Europa als geheel gunstig zijn en die belangrijk zijn voor zijn toekomst.

De "volledige en brede evaluatie van alle gebieden van de uitgaven en inkomsten van de EU, met inbegrip van de Britse correctie", waartoe de Europese Raad van Brussel afgelopen december de Commissie opriep, en waarover in 2008 / 2009 zal moeten worden gerapporteerd, kan in de nabije toekomst de laatste kans zijn om een dergelijk nieuw en daadwerkelijk Europees stelsel te maken, dat dan met ingang van 2014, aan het begin van het volgende financiële kader, operationeel zou kunnen worden.

Amendementen van de rapporteur

Gezien het voorgaande heeft de rapporteur zijn amendementen beperkt tot toevoegingen aan de tekst die het belang van dit komende evaluatieproces benadrukken. Amendement 2 beschrijft alleen de voorwaarden voor de evaluatie en de betrokkenheid van het Parlement, zoals vastgelegd in het nieuwe Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer.

Ook Amendement 1 geeft uitdrukking aan de opinie van de rapporteur dat speciale bepalingen ten gunste van bepaalde lidstaten in het huidige stelsel wellicht onvermijdelijk zijn, maar dat dergelijke bepalingen allesbehalve wenselijk zijn en moeten worden gezien als een noodzakelijk kwaad, totdat in het kader van het evaluatieproces een nieuw en werkelijk billijk stelsel tot stand komt.

Amendement 3 ten slotte wil nu reeds aangeven dat de conclusies van de dialoog over de eigen middelen, die sinds enige tijd door de nationale parlementen en het Europees Parlement wordt gevoerd, ook naar behoren in de evaluatie moet worden meegenomen. Het overleg met de nationale parlementen, dat vorig jaar werd opgestart, strekt zich inmiddels uit over diverse niveaus en begint zijn eigen dynamiek te ontwikkelen, welke hopelijk nog vóór het formele begin van het evaluatieproces zal uitmonden in de uitwerking van gemeenschappelijke richtsnoeren.

De eigen middelen van de EU - een mogelijke toekomst

Nog voordat de Europese Raad afgelopen december de Europese Commissie officieel uitnodigde om in 2008 / 2009 het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie te herzien, stond de toekomst van dat stelsel, en meer bepaald de eventuele herziening ervan, reeds op de agenda van de jaarvergadering van de Begrotingscommissie van het Parlement met de voorzitters van de begrotingscommissies van de nationale parlementen, die in juni 2005 werd gehouden. Tijdens deze vergadering werden de hervormingsvoorstellen besproken die Commissielid Schreyer het jaar daarvoor had gedaan.

De voorstellen van Schreyer

In juli 2004 presenteerde de Commissie - in overeenstemming met artikel 9 van het huidige besluit inzake de eigen middelen[3] - haar verslag over de werking van het stelsel van eigen middelen[4], samen met voorstellen voor een nieuw besluit inzake het stelsel van eigen middelen en voor een uitvoeringsverordening voor de correctie van begrotingsonevenwichtigheden[5].

In haar verslag stelde de Commissie voor dat de Raad de invoering zou overwegen, uiterlijk in 2014, van een nieuw financieringsstelsel voor de EU, dat in hoofdzaak bepaald zou zijn door één fiscaal middel op basis van energie, BTW of vennootschapsbelasting. Dit op belastingen gebaseerde middel zou in de plaats treden van de bestaande middelen en zou derhalve neutraal zijn ten aanzien van de bedragen van EU-middelen.

Er werden in hoofdzaak drie kandidaten voorgesteld voor een dergelijk op belastingen gebaseerd eigen middel, te weten percentages van:

· de belasting op energieverbruik, hier beperkt tot motorbrandstof voor het wegtransport[6]

· de nationale BTW, waardoor de financiering van de EU voor de burgers doorgrondelijker zou worden[7]

· een vennootschapsbelasting[8].

Een volledig op belastingen gebaseerd stelsel werd in deze fase van de Europese integratie niet realistisch geacht en werd derhalve niet door de Commissie voorgesteld. Het fiscale middel zou gaandeweg worden ingevoerd ter vervanging van het huidige BTW-middel, naast een ingeperkt BNI-middel.

Wat de Britse correctie aangaat stelde de Commissie voor, het bestaande correctiemechanisme aan te passen zodat het op alle grote betalers van toepassing zou zijn, terwijl aan diegenen die niet van een dergelijke correctie konden profiteren werd beloofd dat de kosten voor hen niet te snel zouden stijgen, door het totale bedrag van de kortingen aan een maximum te binden[9].

Overleg met de nationale parlementen

Toen de rapporteur deze voorstellen van de Commissie uit 2004 bestudeerde, kwam hij tot de slotsom dat alle pogingen van het Europees Parlement om voor de eigen middelen een billijke, eenvoudige en transparante oplossing te vinden zouden moeten plaatsvinden in nauwe samenwerking met de parlementen van de lidstaten, omdat die uiteindelijk hun goedkeuring zouden moeten hechten aan voorstellen op dat gebied.

Daarom werd het onderwerp van de eigen middelen op de agenda gezet van de vergadering van de Begrotingscommissie van het Europees Parlement met de begrotingscommissies van de nationale parlementen. De positieve reactie van de vertegenwoordigers van de nationale parlementen op de agendering van de eigen middelen, evenals de interessante en openhartige discussies over dit onderwerp, moedigden de rapporteur aan om op deze weg voort te gaan.

In november 2005 werd een door de rapporteur opgestelde vragenlijst toegezonden aan de begrotingscommissies van alle nationale parlementen. Hiermee werd beoogd te inventariseren of met het oog op de hervorming van het stelsel van eigen middelen bepaalde centrale basisbeginselen zou kunnen worden geïdentificeerd die de steun zouden kunnen verwerven van het Europees Parlement en een representatieve meerderheid van de parlementen van de lidstaten (zowel "oude" als "nieuwe", "nettobetalers" en "netto-ontvangers", zuidelijke en noordelijke landen, enz.).

De reacties op deze vragenlijst waren divers: sommige parlementen besloten, om welke reden dan ook, in het geheel niet te antwoorden, sommige antwoordden schriftelijk en sommige nodigden de rapporteur uit voor een persoonlijke uitwisseling van meningen. Tot dusver heeft de rapporteur de gelegenheid gehad om rechtstreeks of via vertegenwoordigers te spreken met de begrotingscommissies van Luxemburg, Portugal, Finland, Frankrijk, Duitsland en Spanje.

Uit een analyse van de schriftelijke antwoorden op de vragenlijst en de uitkomsten van de bilaterale bijeenkomsten komt gaandeweg een aantal algemene punten van mogelijke overeenstemming naar voren, zoals de heersende mening dat de tijd nog niet rijp is voor een echte Europese belasting, of de overtuiging dat wijzigingen in de financieringswijze van de Europese Unie niet mogen leiden tot belastingverhogingen voor de Europese burgers.

Dit is echter slechts het begin van een intensief proces van besprekingen met de nationale parlementen, dat zich sinds kort ook op multilateraal niveau afspeelt, nu de toekomst van de eigen middelen van de Unie ook werd besproken in een van de werkgroepen van de op 8 - 9 mei 2006 te Brussel gezamenlijk door het Europees Parlement en het Oostenrijkse parlement gehouden interparlementaire vergadering. De eerstkomende jaarvergadering van de Begrotingscommissie van het Europees Parlement met de voorzitters van de begrotingscommissies van de nationale parlementen, die voor 21 juni 2006 is gepland, zal een gelegenheid bieden voor een nieuwe ronde van besprekingen en mogelijke conclusies.

Wanneer de parlementaire contacten blijven plaatsvinden in dezelfde sfeer van wederzijds vertrouwen en openheid waarin ze begonnen zijn, is de rapporteur ervan overtuigd dat het Europees Parlement en de parlementen van de lidstaten tot een zekere consensus zullen kunnen komen over de basisbeginselen waarop het toekomstige stelsel van eigen middelen zou moeten worden gefundeerd.

Initiatiefverslag over de toekomst van de eigen middelen van de EU

De rapporteur is voornemens de uitkomsten van het gezamenlijke werk van de nationale parlementen en het Europees Parlement te presenteren in de vorm van een initiatiefverslag over de toekomst van de eigen middelen van de EU, waarover nog dit jaar in plenair zal worden gedebatteerd en gestemd. Uit dit verslag zou een aantal gemeenschappelijke richtsnoeren kunnen voortkomen voor de door de Commissie te verrichten evaluatie; daarmee zou het een duidelijk signaal geven naar de staatshoofden en regeringsleiders met betrekking tot de ideeën van hun parlementen over de mogelijke toekomstperspectieven.

  • [1]  Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Fontainebleau: "Het uitgavenbeleid is op termijn het essentiële middel om de kwestie van de budgettaire onevenwichtigheden op te lossen. Er is echter besloten dat elke lidstaat die een buitensporige begrotingslast draagt naar de maatstaf van zijn relatieve welvaart, te zijner tijd voor een correctie in aanmerking kan komen".
  • [2]  Percentages ontleend aan de begroting voor 2006: 14% voor de BTW-middelen , 72% voor de BNI-middelen
  • [3]  Besluit van de Raad nr. 2000/597 bevat een bepaling op grond waarvan de Commissie vóór 1 januari 2006 een evaluatie van het stelsel moet maken, vooral in het licht van de gevolgen van de uitbreiding op de financiering van de EU-begroting, maar ook van eventuele wijzigingen in de structuur van de eigen middelen door het scheppen van nieuwe, autonome middelen en van de correctie van de begrotingsonevenwichtigheden.
  • [4]  (COM(2004)0505).
  • [5]  Beide voorstellen zijn opgenomen in COM(2004)501def/2.
  • [6]  Er werd ook gedacht aan vliegtuigbrandstof en de daaraan gerelateerde uitstoot als mogelijk toekomstperspectief, waarmee een eind zou komen aan de huidige belastingvrijstelling voor straalvliegtuigbrandstof.
  • [7]  De belastingdruk zou niet hoger worden, omdat de EU-belasting zou worden gecompenseerd door een even grote verlaging van het nationale BTW-tarief. De Europese en nationale BTW zouden als aparte belastingen op facturen en bonnen moeten worden vermeld.
  • [8]  Dit alternatief zou zowel politiek als bestuurlijk de meeste tijd vergen, omdat er politieke overeenstemming moet zijn over het beginsel van harmonisatie van de belastinggrondslag voordat een minimumtarief kan worden vastgesteld.
  • [9]  Dit algemene correctiemechanisme zou in werking treden wanneer de nettobijdragen meer zouden worden dan 0,35% van het BNI van het betrokken land. Van een hoger bedrag aan bijdragen zou 66% worden terugbetaald. Het totale bedrag van de terugbetalingen zou gebonden zijn aan een plafond van 7,5 miljard euro per jaar, te financieren door alle lidstaten op basis van hun relatieve aandeel in het BNI. Bij de invoering van het mechanisme zouden gedurende vier jaar overgangsmaatregelen moeten gelden voor het Verenigd Koninkrijk, om de financiële gevolgen van de overgang te verlichten.

BIJLAGE

Lidstaat

BBP 2006[1]

"Nationale bijdrage" aan EU-begroting[2]

per land

in EUR miljoen

rang

per hoofd

in EUR

rang

per land

in EUR miljoen

rang

per hoofd

in EUR

rang

België

308.536,4

7

29.536,6

9

2.890,8

7

276,7

5

Tsjechische Republiek

103.562,4

16

10.132,7

19

944,2

16

92,4

19

Denemarken

210.125,2

11

38.830,1

3

1.921,0

11

355,0

3

Duitsland

2.289.592,5

1

27.752,4

11

19.488,7

1

236,2

10

Estland

10.661,5

24

7.915,0

21

93,5

24

69,4

21

Griekenland

197.094,5

12

17.795,2

15

1.797,4

12

162,3

15

Spanje

950.653,7

5

22.089,0

13

8.544,5

5

198,5

12

Frankrijk

1.777.485,0

3

29.350,2

10

16.580,2

2

274,0

6

Ierland

169.686,5

13

41.294,3

2

1.344,5

15

327,2

2

Italië

1.452.806,8

4

24.850,3

12

13.442,4

3

230,0

11

Cyprus

14.084,2

22

18.799,0

14

128,9

22

172,1

14

Letland

12.776,2

23

5.539,5

25

121,0

23

52,5

25

Litouwen

21.176,2

21

6.182,3

24

199,4

21

58,2

24

Luxemburg

29.277,4

19

64.346,0

1

243,4

20

535,0

1

Hongarije

92.201,6

17

9.131,1

20

845,1

17

84,0

20

Malta

4.621,0

25

11.475,0

18

43,5

25

108,0

18

Nederland

488.855,5

6

29.981,0

8

4.240,2

6

260,0

7

Oostenrijk

253.077,5

9

30.839,0

7

2.124,6

10

259,0

8

Polen

239.301,5

10

6.269,0

23

2.276,0

9

60,0

23

Portugal

145.372,4

15

13.806,5

17

1.356,2

14

129,0

17

Slovenië

29.123,2

20

14.579,1

16

278,0

19

139,2

16

Slowakije

39.157,4

18

7.272,0

22

364,1

18

67,6

22

Finland

162.103,9

14

30.956,0

6

1.352,2

13

258,2

9

Zweden

303.467,3

8

33.676,0

4

2.613,5

8

290,0

4

Verenigd Koninkrijk

1.864.144,2

2

31.051,2

5

10.763,8

4

179,3

13

EU-25

11.125.727,6

 

 

 

94.143,1

 

 

 

21.6.2006

  • [1]  Bruto binnenlands product tegen marktprijzen in EUR miljoen (huidig prijsniveau), ramingen voor 2006; bron: EUROSTAT
  • [2]  Betalingen voor eigen middelen op basis van BTW en BNI (exclusief traditionele eigen middelen) in EUR miljoen, begroting 2006 incl. AB 1 + 2; bron: Commissie
     

ADVIES VAN DE COMMISSIE REGIONALE ONTWIKKELING ()

aan de Begrotingscommissie

inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen
(COM(2006)0099 – C6‑0132/2006 – 2006/0039(CNS))

Rapporteur voor advies: Gerardo Galeote Quecedo

BEKNOPTE MOTIVERING

Tijdens zijn bijeenkomst op 15 en 16 december 2005 verzocht de Europese Raad de Europese Commissie een voorstel voor een nieuw besluit inzake de eigen middelen van de Europese Unie op te stellen, alsmede een gewijzigde versie van het werkdocument over de Britse korting om zijn conclusies inzake de financiering van de Europese Unie ten uitvoer te leggen en ervoor te zorgen dat billijkheid en geleidelijkheid als leidraad voor de regelingen inzake de eigen middelen dienen. Deze regelingen moeten derhalve ervoor zorgen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Fontainebleau in 1984, dat geen enkele lidstaat een begrotingslast behoeft te dragen die buitensporig is in vergelijking met zijn relatieve welvaart.

De hoofdmoot van bovengenoemd Commissievoorstel behelst een gedetailleerde uiteenzetting van de technische maatregelen die nodig zijn om de bestaande wetgeving inzake de eigen middelen aan te passen ten einde de speciale regelingen ten behoeve van Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Zweden uit te voeren, alsmede de methode voor de berekening van het Britse correctiemechanisme, met inachtneming van de overeengekomen kortingen, om ervoor zorgen dat het Verenigd Koninkrijk de lopende uitbreiding volledig meefinanciert.

De eigen middelen van de Unie worden geacht een bron van inkomsten te zijn los en onafhankelijk van de lidstaten. Aldus werd de basis voor de eigen middelen van de Unie van oudsher gevormd door de douaneheffingen, de landbouwheffingen, de suikerheffingen en de BTW die sedert 1988 worden aangevuld door inkomsten op basis van het BNI. In deze situatie komt met het huidige voorstel geen verandering.

De mundialisering en de daaruit voortvloeiende verlaging van de douaneheffingen heeft ertoe geleid dat de inkomsten op basis van het BNI thans de voornaamste inkomsten vormen waaruit de hoofdmoot van de begroting wordt gefinancierd en die beslissend zijn voor de aftopping van de BTW-grondslag en, nog belangrijker, die het plafond van de totale inkomsten bepalen, die de Gemeenschap kan ontvangen. Ten gevolge van deze ontwikkeling is het mechanisme van de eigen middelen grotendeels sleets en verouderd. Komt hierin geen verandering dan spitst zich de ontoereikendheid toe van de middelen die de Unie nodig heeft om de uitdagingen van de komende jaren het hoofd te bieden en haar doelstellingen te verwezenlijken. Er dient een nieuw stelsel voor de eigen financiering te worden voorgesteld dat alomvattend, transparant en in staat is om gedurende vele jaren voldoende inkomsten voor de Unie te genereren.

De Europese Raad van december, die zich hiervan bewust was, heeft de Commissie verzocht een volledige, alomvattende evaluatie van alle aspecten van de communautaire inkomsten en uitgaven te verrichten. In dit verband is het vooral van belang dat de verklaring die is gehecht aan de onlangs gesloten interinstitutionele overeenkomst bepaalt dat het Europees Parlement nauw wordt betrokken bij de uitwerking van deze herziening.

Juist in deze context kunnen nieuwe dynamische bronnen van inkomsten voor de Unie worden voorgesteld. Het soort financieel instrument of het pakket van financiële mechanismen dat het meest geschikt is om in te spelen op toekomstige behoeften, moet nog worden vastgesteld. In elk voorstel dienaangaande dienen de betalingen door de lidstaten op basis van een percentage van het BNI en hun relatieve welvaart als centraal onderdeel te worden gehandhaafd. Aanvullende bronnen van inkomsten kunnen worden overwogen, bestaande uit een combinatie van financiële instrumenten zoals een percentage van de BTW, een aandeel in bedrijfswinsten en een percentage van de inkomstenbelasting.

AMENDEMENTEN

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Door de Commissie voorgestelde tekst[1]Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 11

(11) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 verzocht de Commissie een volledige, alomvattende en brede evaluatie te verrichten, waarin alle aspecten van de EU-inkomsten en -uitgaven aan bod komen, en daarover in 2008/2009 verslag uit te brengen. Binnen dit kader moet de Commissie derhalve een algemeen onderzoek instellen naar de werking van het stelsel van eigen middelen, zo nodig vergezeld van passende voorstellen.

(11) De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 verzocht de Commissie een volledige, alomvattende en brede evaluatie te verrichten, waarin alle aspecten van de EU-inkomsten en -uitgaven aan bod komen, en daarover in 2008/2009 verslag uit te brengen. Binnen dit kader moet de Commissie derhalve een algemeen onderzoek instellen naar de werking van het stelsel van eigen middelen, zo nodig vergezeld van passende voorstellen. Bij het verrichten van deze evaluatie en het opstellen van haar voorstellen dient de Commissie rekening te houden met de werkzaamheden en aanbevelingen van het Europees Parlement, overeenkomstig de bewoordingen van de verklaring die is gehecht aan het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer1.

 

_________

1 PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

Amendement 2

Artikel 9

De Commissie stelt binnen het kader van de volledige, alomvattende en brede evaluatie van alle aspecten van de EU-uitgaven en –middelen waarover zij in 2008/2009 verslag uitbrengt, een algemeen onderzoek in betreffende het stelsel van eigen middelen, zonodig vergezeld van passende voorstellen.

De Commissie stelt binnen het kader van de volledige, alomvattende en brede evaluatie van alle aspecten van de EU-uitgaven en –middelen waarover zij in 2008/2009 verslag uitbrengt, een algemeen onderzoek in betreffende het stelsel van eigen middelen, zonodig vergezeld van passende voorstellen. Bij het verrichten van deze evaluatie en het opstellen van haar voorstellen houdt de Commissie rekening met de werkzaamheden en aanbevelingen van het Europees Parlement, overeenkomstig de bewoordingen van de verklaring die is gehecht aan het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer.

PROCEDURE

Titel

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen

Procedurenummer

COM(2006)0099 - C6-0132/2006 - 2006/0039(CNS))

Commissie ten principale

BUDG

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

REGI

15.5.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

-

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Gerardo Galeote Quecedo

24.11.2004

Vervangen rapporteur voor advies

-

Behandeling in de commissie

25.4.2006

30.5.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

21.6.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

30

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alfonso Andria, Stavros Arnaoutakis, Jana Bobošíková, Graham Booth, Bernadette Bourzai, Bairbre de Brún, Giovanni Claudio Fava, Gerardo Galeote Quecedo, Iratxe García Pérez, Eugenijus Gentvilas, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Ambroise Guellec, Pedro Guerreiro, Gábor Harangozó, Marian Harkin, Konstantinos Hatzidakis, Alain Hutchinson, Carlos José Iturgaiz Angulo, Mieczysław Edmund Janowski, Tunne Kelam, Miroslav Mikolášik, James Nicholson, Lambert van Nistelrooij, Jan Olbrycht, Markus Pieper, Elisabeth Schroedter, Grażyna Staniszewska, Kyriacos Triantaphyllides, Oldřich Vlasák, Vladimír Železný

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Jan Březina, Brigitte Douay, Mojca Drčar Murko, Jill Evans, Christa Prets, Richard Seeber, László Surján, Nikolaos Vakalis

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

-

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

-

  • [1]  PB C .../Nog niet in het PB gepubliceerd.

PROCEDURE

Titel

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen

Document- en procedurenummers

COM[(2006)0099] – C6‑0132/2006] – 2006/0039](CNS)

Datum raadpleging EP

26.4.2006

Commissie ten principale
  Datum bekendmaking

BUDG
15.5.2006

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

CONT
15.5.2006

ECON
15.5.2006

INTA
15.5.2006

REGI

15.5.2006

 

Geen advies
  Datum besluit

INTA
21.3.2006

CONT

17.5.2006

ECON

16.5.2006

 

 

Nauwere samenwerking
Datum bekendmaking

 

 

 

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Alain Lamassoure

20.9.2004

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Vereenvoudigde procedure – datum besluit

0.0.0000

Betwisting rechtsgrondslag
  Datum JURI-advies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Raadpleging Europees Economisch en Sociaal Comité – datum EP-besluit

0.0.0000

Raadpleging Comité van de regio's – datum EP-besluit

0.0.0000

Behandeling in de commissie

29.5.2006

21.6.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

21.6.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

28

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Reimer Böge, Herbert Bösch, Simon Busuttil, Brigitte Douay, Bárbara Dührkop Dührkop, Hynek Fajmon, Szabolcs Fazakas, Salvador Garriga Polledo, Ingeborg Gräßle, Louis Grech, Nathalie Griesbeck, Catherine Guy-Quint, Ville Itälä, Anne E. Jensen, Wiesław Stefan Kuc, Alain Lamassoure, Janusz Lewandowski, Vladimír Maňka, Jan Mulder, Gérard Onesta, Giovanni Pittella, Wojciech Roszkowski, Esko Seppänen, Nina Škottová, László Surján, Helga Trüpel, Yannick Vaugrenard

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Libor Rouček, Paul Rübig, Jacek Emil Saryusz-Wolski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid  2)

 

Datum indiening

23.6.2006

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...