VERSLAG over het jaarverslag 2005 van de Europese Centrale Bank

    12.10.2006 - (2006/2206(INI))

    Commissie economische en monetaire zaken
    Rapporteur: Pervenche Berès

    Procedure : 2006/2206(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0349/2006
    Ingediende teksten :
    A6-0349/2006
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het jaarverslag 2005 van de Europese Centrale Bank

    (2006/2206(INI))

    Het Europees Parlement,

    -    gelet op het jaarverslag 2005 van de Europese Centrale Bank,

    -    gelet op artikel 113 van het EG-Verdrag,

    -    gelet op artikel 15 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank,

    -    onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 april 1998 over de democratische verantwoording in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie[1],

    -    onder verwijzing naar de uitslag van de stemming op 5 juli 2005 waarbij de ontwerpresolutie over het jaarverslag 2004 van de Europese Centrale Bank werd verworpen,

    -    onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 april 2006 over de toestand van de Europese economie - voorbereidend verslag over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid voor 2006[2],

    -    onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 mei 2006 over de openbare financiën in de Economische en Monetaire Unie[3],

    -    gezien de mededeling van de Commissie van 12 juli 2006 betreffende het jaarverslag over de eurozone (COM(2006)0392),

    -    onder verwijzing naar zijn standpunt van 13 maart 2003 over de aanbeveling van de Europese Centrale Bank voor een beschikking van de Raad inzake een wijziging van artikel 10.2 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank[4],

    -    onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2006 over de herziening van de strategie van het Internationaal Monetair Fonds[5],

    -    onder verwijzing naar het verslag over de financiële stabiliteit en het verslag over de financiële integratie van de eurozone van de Europese Centrale Bank,

    -    onder verwijzing naar het schrijven van 5 mei 2006 van de voorzitter van de Economische en Monetaire Commissie aan de voorzitter van de Ecofin-Raad betreffende de procedure voor benoemingen in de directie van de Europese Centrale Bank,

    -    onder verwijzing naar de economische vooruitzichten van het eurosysteem van juni 2006,

    –   gelet op artikelen 106 en 112, lid 1 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0349/2006),

    A. overwegende dat het de volledige onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank (ECB) en van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) erkent,

    B.  overwegende dat het de belangrijkste doelstelling van de ECB en het ESCB is, prijsstabiliteit te garanderen en het in artikel 2 van het EG-Verdrag omschreven algemeen economisch beleid van de Gemeenschap te ondersteunen; dat artikel 105 van het EG-Verdrag bepaalt dat het monetair beleid "zonder afbreuk te doen aan de doelstelling van prijsstabiliteit" dient bij te dragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen van de Gemeenschap,

    C. overwegende dat het bruto binnenlands product (BBP) van de eurozone in 2005 met 1,4% is gestegen, en dit percentage beneden het in 2004 gehaalde groeicijfer van + 1,8% ligt, terwijl de inflatie rond + 2.2% ligt en dus niet veel afwijkt van het percentage van + 2,1% voor 2004,

    D. overwegende dat de lidstaten niet in dezelfde mate van de sterke groei op mondiaal niveau in 2005 hebben kunnen profiteren; dat dit onder meer kan worden toegeschreven aan de stijging van de aardolieprijs en de ongunstige ontwikkeling van de wisselkoersen, waardoor de euro in december 2005 boven een koers van 1,17 USD uitkwam (ten opzichte van het hoogst bereikte niveau van 1,36 USD in december 2004); dat de groeiverwachtingen een zeker economisch herstel laten zien, waarbij in de prognoses van de Commissie uitgegaan wordt van een groei van 2,5 % voor 2006 en tussen 1,3 % en 2,3 % voor 2007, alsmede een inflatieniveau van iets meer dan 2%,

    E.  overwegende dat de Raad van bestuur van de ECB, na een constante handhaving van de rentetarieven op 2% gedurende tweeëneenhalf jaar, deze achtereenvolgens op 1 december 2005, 2 maart, 8 juni, 3 augustus en 5 oktober 2006 met 25 basispunten heeft verhoogd, en dat de rentetarieven in zowel nominaal als reëel opzicht laag blijven,

    F.  overwegende dat de afgelopen maanden verscheidende centrale banken van derde landen hebben aangekondigd dat zij in hun externe reserves het in euro uitgedrukte deel van hun reserves wensen te verhogen,

    G. overwegende dat het evenwicht op mondiaal niveau in 2005 verder is verstoord, hoofdzakelijk als gevolg van het groter worden van het tekort op de betalingsbalans van de Verenigde Staten, dat een niveau van 6,4% van het BBP heeft bereikt,

    H. overwegende dat de jaarrekening van de ECB voor 2005 een nettowinst laat zien van nihil, doordat het vrijgekomen resultaat geheel aan de reserves is toegevoegd,

    I.   overwegende dat de ECB een sleutelrol speelt in het goed functioneren van het Europese wisselkoersmechanisme (ERM II) en in de bestrijding van de inflatie,

    J.   overwegende dat het Parlement wenst bij te dragen aan versterking van de rol en de internationale autoriteit van de ECB op het internationale vlak,

    Economische en monetaire ontwikkelingen

    1.   onderstreept dat het economische herstel wordt gekenmerkt door een jaarlijkse groei van 2,5% van het reële BBP en een bijdrage van de binnenlandse vraag van 2,1% gedurende het tweede kwartaal van 2006; wijst erop dat de recente economische groei wordt ondersteund door nationale hervormingen en investeringsprogramma's op de arbeidsmarkten, de financiële markten en de productenmarkten; is van mening dat de rentetarieven met de nodige voorzichtigheid moeten worden verhoogd om de groei niet in gevaar te brengen; wijst op de risico's in verband met de stijging van de eurowisselkoers en de aardolieprijs, factoren die hebben bijgedragen aan de geringe groei in 2005; prijst het beleid van de ECB om zich te concentreren op haar belangrijkste doelstelling, de handhaving van de prijsstabiliteit; meent dan ook dat de ECB juist heeft gereageerd op de economische en financiële ontwikkelingen in 2005, door het verhogen van haar rentevoet na inflatiepieken tot 2,6% in september 2005;

    2.   benadrukt dat de ECB zich wel bewust moet zijn van de risico's, voor wat de groei betreft, van continue verhogingen van de rentetarieven in de context van het recent economisch herstel; wijst erop dat de lidstaten, met het oog op het ondersteunen van het economische herstel, de nodige structurele hervormingen moeten doorvoeren en de nodige investeringsactiviteiten moeten ontplooien; is van mening dat het gevoerde beleid inzake de rentetarieven wordt beïnvloed door voortgaande maatregelen van de lidstaten om de begroting gezonder te maken;

    3.   stelt vast dat de rentetarieven van 2% zich gedurende de periode 2003 tot 2005 op een historisch laag niveau bevonden teneinde het economisch herstel te bevorderen; roept de ECB op zich in het door haar gevoerde beleid te blijven inzetten voor haar taak, die eruit bestaat te trachten de inflatie op korte en lange termijn voor te blijven en op een niveau te houden dat past binnen een doelstelling van prijsstabiliteit; onderstreept dat de ECB de ontwikkeling van de olieprijs, de prijzen op de onroerendgoedmarkt en de nog steeds bestaande liquiditeitsoverschotten nauwkeurig in het oog dient te houden;

    4.   merkt op dat het onontbeerlijk is dat het proces van sanering van de begrotingen van de lidstaten wordt voortgezet om de grondslagen te kunnen leggen voor duurzame groei, waarbij evenwel opgemerkt dient te worden dat niet mag worden nagelaten te investeren in een maatschappij die op de toekomst is voorbereid; deze diagnose wordt door de huidige internationale economische vooruitzichten van het IMF bevestigd; is van oordeel dat voortgaande hervormingen in de lidstaten van de eurozone van doorslaggevende betekenis blijven om de bases voor duurzame groei te kunnen verankeren;

    5.   merkt op dat er eind 2001 en begin 2003 soortgelijke signalen bestonden als die, welke op het moment waarneembaar zijn op het gebied van economisch herstel, en dat deze niet hebben geleid tot langdurige groei; wijst erop dat er volgens de schattingen van de Commissie en het eurostelsel een licht herstel wordt verwacht in 2006, gevolgd door een terugloop vanaf 2007; is van oordeel dat een stijging van het groeipotentieel in de eurozone afhankelijk is van structurele hervormingen en zorgvuldig ontplooide investeringsactiviteiten in de lidstaten; erkent dat de concurrentie op de Europese markten en de hoge kwaliteit van de werkgelegenheid economische groeimotoren zijn en dat de invloed daarvan op verbetering van de efficiëntie en innovatie niet belemmerd mag worden; is zich bewust van het recente herstel in 2006 en onderstreept dat de begrotingen echt gezond moeten worden gemaakt om meer te kunnen profiteren van deze positieve situatie;

    6.   is van oordeel dat het voor stijging van het groeipotentieel in de eurozone nodig is dat het hervormingsprogramma op samenhangende wijze verder ten uitvoer wordt gelegd; in dat opzicht dienen, gezien de demografische ontwikkelingen, de socialezekerheidsstelsels de toekomstige situatie het hoofd te kunnen bieden; tegen deze achtergrond blijven Europese macro-economische dialogen, die erop gericht zijn referentiepunten vast te stellen voor de nationale hervormingsprogramma’s, en een evenwichtig macro-economisch beleid van wezenlijk belang; de ECB dient in dit verband haar onafhankelijkheid te behouden;

    7.   is van oordeel dat de verschillen die er binnen de eurozone bestaan in groei, met afwijkingen tot 4,5% in 2005, en in inflatieniveau, met afwijkingen tot 2,7% in 2005, op de lange termijn een belangrijk risico vormen voor de EMU;

    8.   merkt op dat er een steeds groter wordend risico bestaat dat de onroerendgoedprijzen worden aangepast aan de snelle en niet te stuiten prijsstijgingen die de laatste jaren hebben plaatsgevonden; wenst duidelijkheid te verkrijgen over het door de ECB gevoerde beleid ten aanzien van de prijsontwikkeling in de vermogenssector, met name de onroerendgoedsector; is van oordeel dat op de lange termijn een duidelijker standpunt zal bijdragen aan het voorkomen van een explosieve speculatie;

    9.   is verheugd dat Cyprus, Letland en Malta zich op 29 april 2005 hebben aangesloten bij het ERM II, en Slowakije op 25 november 2005; spreekt zich uit voor het invoeren van de euro in alle lidstaten; is van oordeel dat voor wat betreft het voldoen aan de convergentiecriteria de nodige aandacht dient te worden besteed aan de juistheid en de geloofwaardigheid van de door de lidstaten opgestelde statistieken; verzoekt de overige lidstaten onverwijld maatregelen te nemen om eveneens te voldoen aan de criteria voor toetreding tot de eurozone;

    10. stelt vast dat tussen de lidstaten van de eurozone verschillen bestaan wat betreft het mechanisme voor de tenuitvoerlegging van het monetair beleid, nu bepaalde landen sterker reageren doordat zij meer schulden tegen variabele rentetarieven hebben; dringt er bij de ECB en de Commissie op aan met een duidelijke analyse van deze verschillen te komen en voorstellen te doen voor eventueel aan te brengen verbeteringen teneinde de tenuitvoerlegging van het monetair beleid te vergemakkelijken; de kans op vernieuwing in Europa kan alleen worden vergroot wanneer het leidmotief van eenheid in verscheidenheid binnen de sociale en economische politiek algemeen aanvaard is;

    11. onderstreept de risico's van snelle aanpassingen aan de internationale onevenwichtigheden die kunnen leiden tot een opwaardering van de wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar; wijst er in dat verband op dat op grond van het Verdrag de Raad verantwoordelijk is voor het wisselkoersbeleid, zonder dat evenwel nader wordt aangegeven op welke wijze aan deze bevoegdheid inhoud dient te worden gegeven; verzoekt de eurogroep, de Raad en de ECB hun respectieve bevoegdheid ten volle uit te oefenen en hun activiteiten op het gebied van het wisselkoersbeleid onderling beter te coördineren;

    12. stelt vast dat de ECB gunstig staat tegenover versterking van de preventieve kant van het stabiliteits- en groeipact, hetgeen niet wegneemt dat zij meermalen een kritische houding heeft aangenomen ten opzichte van een eventuele versoepeling van de corrigerende mogelijkheden die genoemd pact bieden. Deze houding sluit aan bij die van alle andere centrale banken van de eurozone, waarvan een aantal in dat verband scherpe kritiek heeft geuit;

    Monetair beleid

    13. is van oordeel dat meer duidelijkheid en onderlinge samenhang gewenst is in het door de ECB gevoerde monetaire beleid, met name in die zin dat zou moeten worden aangegeven hoe de twee belangrijkste pijlers van dit beleid - de monetaire massa (M3) en alle overige relevante informatie over de toekomstige ontwikkeling van de inflatie - zich ten opzichte van elkaar verhouden en wat de relatie tussen deze twee pijlers is; is van mening dat duidelijke en transparante regels voor wat betreft de wijze waarop deze twee pijlers de operationele beslissingen op het gebied van het monetair beleid beïnvloeden, het beleid van de ECB voorspelbaarder en doeltreffender zouden maken;

    14. onderstreept dat het nodig is dat een duidelijke interpretatie wordt gegeven aan het mandaat van de ECB zoals omschreven in artikel 105, lid 1, van het EG-Verdrag; verzoekt de ECB in het bijzonder een coherente en betrouwbare uitleg te geven over hoe en met welke middelen zij denkt te voldoen aan haar verplichtingen die zij krachtens het Verdrag heeft, te weten het ondersteunen van de algemene economische politiek in de Gemeenschap zonder daarbij de prijsstabiliteit uit het oog te verliezen; merkt op dat het EG-Verdrag een duidelijk onderscheid maakt tussen de doelstellingen prijsstabiliteit enerzijds en ondersteuning van de algemene economische politiek anderzijds en dat derhalve, wil daadwerkelijk enige betekenis aan artikel 105, lid 1, worden gegeven, deze twee doelstellingen niet zonder meer onderling uitwisselbaar zijn;

    Financiële stabiliteit en integratie

    15. is verheugd over de publicatie van het eerste verslag van de ECB over de financiële integratie van de eurozone, die zowel voor de tenuitvoerlegging van het monetair beleid als voor de financiële stabiliteit van wezenlijk belang is; stelt vast dat volgens de ECB voor financiële integratie, integratie van de marktinfrastructuur noodzakelijk is, met name van de betalingssystemen; stelt vast dat de ECB voornemens is haar eigen betalingsinfrastructuur te creëren;

    16. veroordeelt het feit dat de ECB contact heeft gezocht met de CERVM aangaande maatregelen van niveau 2 terwijl van de zijde van de wetgever nog niet eens actie is ondernomen;

    17. deelt de vrees van de ECB ten aanzien van de arbitragefondsen en merkt op dat de arbitragefondsen slechts op indirecte wijze worden gevolgd via de banken, die hun tegenhangers zijn; stelt vast dat er sprake is van een grote ondoorzichtigheid in dezen, terwijl hun toegang tot de markten onbeperkt is; merkt op dat de beoordeling van deze fondsen vaak zeer willekeurig is, waardoor beleggers geen exact beeld van hun positie en prestaties krijgen; is van oordeel dat - met name gezien de ontwikkelingen in de VS - in het debat dat nu op gang komt over de noodzaak de activiteiten van de speculatieve fondsen te reguleren, de Europese Unie het initiatief dient te nemen teneinde hierin een drijvende kracht te kunnen zijn; dringt derhalve bij de ECB aan op een nadere analyse terzake;

    18. spoort de Commissie ertoe aan meer aandacht te besteden aan de invloed die de manier waarop de financiële markten zich gedragen, heeft op de macro-economische situatie van de eurozone;

    19. wijst op de risico’s die voor de stabiliteit in de financiële sector ontstaan door grensoverschrijdende fusies; verzoekt de ECB daarom een analyse te verrichten vanuit met name het oogpunt van de leninggever in laatste instantie („lender of last resort“) en overeenkomstige analyses in de monetaire dialoog 2007 voor te stellen;

    20. ziet met belangstelling uit naar de invoering van een geïntegreerd TARGET II-systeem, dat het liquiditeitenbeheer binnen de ESCB zal verbeteren en aan de wieg zal staan van aanzienlijke winst op het gebied van efficiency; dringt er met klem bij de ESCB op aan een algemeen, transparant en juridisch gedegen kader te ontwikkelen voor het toekomstig functioneren van TARGET II;

    21. dringt er bij de ECB op aan actie te ondernemen wanneer de waarde van de monetaire massa M3 hoog blijft (8,8% in mei 2006 ten opzichte van 7,4% in december 2005) in verhouding tot de langetermijnreferentiewaarde van 4,5%; vestigt in het bijzonder de aandacht op de sterke groei van de omloop van papiergeld en daggelddeposito’s; is verontrust over het feit dat een dergelijke stijging op de lange termijn niet houdbaar is; verzoekt de ECB gedegen onderzoek te doen naar de ontwikkeling van de hypotheekmarkt en de M&A-leningen (fusies/overnames) en de mogelijke effecten daarvan in termen van systemische risico’s, consumentenvertrouwen en ontwikkeling van de rentetarieven;

    22. betreurt het dat de ECB het, net zomin als de Raad, niet nodig heeft geacht het Parlement te informeren over het "Memorandum of understanding" betreffende het beheren van financiële crises;

    Externe rol van de euro

    23. wijst nogmaals op zijn verzoek de eurozone bij de internationale financiële instellingen op uniforme wijze te vertegenwoordigen teneinde de belangen daarvan zodanig te behartigen dat dit in verhouding staat tot het economische gewicht van de eurozone;

    24. neemt met belangstelling kennis van het feit dat verscheidene centrale banken hebben aangekondigd dat zij het deel van hun reserves dat in euro’s wordt uitgedrukt, zullen verhogen; verzoekt de ECB met aandacht hierop toe te zien en in het kader van haar jaarverslag over de internationale rol van de euro aan te geven om welke hoeveelheden het gaat en de gevolgen daarvan met name op het gebied van de wisselkoersen te analyseren;

    Bankbiljetten

    25. stelt vast dat de waarde van de in omloop zijnde euro-bankbiljetten opnieuw sterk is gestegen en uitkomt op + 12,8% in 2005; wijst erop dat deze voortdurende stijging in eerste instantie is toe te schrijven aan bankbiljetten met een hoge waarde, met name bankbiljetten van 500 euro, die in aantal met 20,9% zijn gestegen; verzoekt de ECB na te gaan wat de oorzaken van deze ingrijpende stijging zijn en de aard van de met deze biljetten verrichte transacties te onderzoeken, alsmede de vraag per land uit te splitsen ten einde hiermee gepaard gaande potentiële risico's te identificeren;

    26. is van oordeel dat de eerste generatie bankbiljetten, waarvan alle afbeeldingen van levende wezens, landschappen of bestaande monumenten geschrapt zijn, ertoe bijdraagt dat een kil beeld ontstaat van de monetaire unie en er mede toe leidt dat de Europese burgers geen binding hebben met de euro; dringt er bij de ECB op aan op de tweede generatie biljetten levende wezens, landschappen en Europese bouwwerken af te beelden of algemeen gewaardeerde Europese personages; verzoekt de ECB het Parlement te laten weten hoe zij hier tegenover staat;

    Democratische controle

    27. is verheugd over het feit dat de ECB zich duidelijk heeft uitgesproken vóór ratificatie van de ontwerpgrondwet, waarin de essentiële onderdelen worden genoemd van het politieke kader voor de EMU voor wat betreft zowel de monetaire pijler als de economische en fiscale pijlers; onderstreept dat de ratificatieprocedure geen enkele invloed heeft op het functioneren van de monetaire unie noch op de stabiliteit van de euro; dringt er bij de ECB op aan de geloofwaardigheid van de euro verder te blijven garanderen en te blijven zorgen voor prijsstabiliteit, een noodzakelijke voorwaarde voor een non-inflatoire macro-economische omgeving die gunstig is voor economische groei en het scheppen van werkgelegenheid;

    28. is van oordeel dat de onafhankelijkheid van de ECB alsmede de benoemingsprocedure voor de directieleden zich bewezen hebben; onderstreept dat in artikel 112, lid 2, punt b), van het Verdrag is bepaald dat de directieleden van de ESB worden gekozen temidden van personen waarvan algemeen erkend wordt dat zij gezag genieten in de monetaire wereld of in het bankwezen en op dat gebied ervaring hebben, en onderstreept dat hun nationaliteit geen enkele rol mag spelen en dat zij nog steeds beoordeeld dienen te worden op basis van de strikte criteria van het Verdrag, onder meer op hun kwalificaties; acht het van belang dat wordt gezorgd voor een breed scala aan in de directie vertegenwoordigde profielen met het oog op een efficiënte controle ex post op de ECB;

    29. verzoekt de Raad de procedure voor de benoeming van de directieleden te handhaven; onderstreept dat het bereid is vóór de eerstvolgende benoeming van een nieuwe directie in 2010 met de andere instellingen zijn gedachten te laten gaan over de mogelijke verbeteringen;

    30. is van mening dat de dialoog over het monetair beleid tussen het Parlement en de ECB succesvol is verlopen en dat daaraan verder inhoud dient te worden gegeven; onderstreept dat de verantwoordelijkheid ex post van de ECB van wezenlijk belang is voor het vertrouwen en daarmee de stabiliteit van de financiële markten en dat het zaak is dat de directie en de Raad van bestuur als een samenhangend geheel naar buiten toe communiceren; ondersteunt een doelgericht informatiebeleid van de ECB ten aanzien van het Parlement, de Raad en de Commissie; wijst er nadrukkelijk op dat het verzoek om verbetering van het door de ECB gevoerde communicatiebeleid er niet aan in de weg mag staan dat de ECB haar onafhankelijkheid behoudt; dringt er evenwel nogmaals bij de ECB op aan elk jaar niet alleen een per land uitgesplitst overzicht te publiceren, maar tevens een regionaal en grensoverschrijdend overzicht over de betreffende tendensen, naar het "Beige Book" van de Amerikaanse centrale bank, waardoor de ECB invloed zou kunnen uitoefenen op de discussie rond de productiviteitsontwikkeling en de prijs- en salarisvooruitzichten; verzoekt de ECB na te gaan of het mogelijk is beknopte verslagen te publiceren;

    31. benadrukt dat de geloofwaardigheid van de ECB ook gebaat is bij optimale transparantie van haar besluitvormingsprocedures; vraagt opnieuw dat vlak na de vergaderingen van de Raad van bestuur van de ECB, korte notulen van deze vergaderingen gepubliceerd worden met een duidelijke weergave van de argumenten voor en tegen de genomen besluiten en de redenen waarom deze besluiten zijn genomen; onderstreept dat deze wijze van communicatie niet als vervanging kan dienen van de door de president van de ECB gegeven informatie onmiddellijk na het nemen van beslissingen op monetair gebied, welke informatie op het juiste moment zeer waardevolle indicaties verschaft aan waarnemers en marktpartijen; is van mening dat deze transparantie belangrijk is omdat de markt op deze manier het monetair beleid van de ECB beter kan inschatten;

    32. herinnert eraan dat het het voor de besluiten van de Raad van bestuur geldende rouleersysteem voor de stemmingen, zoals het in 2003 werd aangenomen, heeft verworpen omdat het te ingewikkeld is; is van oordeel dat het met het oog op de verdere uitbreidingen van de eurozone dienstig zou zijn een systeem in te voeren, waarin rechtvaardigheid en efficiëntie samengaan; wijst nogmaals op zijn resolutie waarin het verzoekt om een uit negen leden bestaande Raad van bestuur van de ECB, belast met het monetair beleid, die dus ter vervanging zou dienen van het huidige, onwerkbare systeem en die de nog ingewikkelder oplossing waartoe voor de toekomst is besloten, onnodig zou maken; dringt er met klem op aan het Verdrag dienovereenkomstig aan te passen;

    33. verzoekt de ECB in haar communicatiebeleid een speciale plaats toe te kennen aan de hoorzittingen van de president van de ECB met de Commissie voor economische en monetaire zaken van het Parlement;

    Beheer van de ECB

    34. stelt vast dat het personeelsbestand van de ECB sinds 1999 sterk en voortdurend is toegenomen, en wel met 86% over de gehele periode; stelt vast dat de ECB melding maakt van een tijdelijke bevriezing van haar personeelsbestand gedurende enkele maanden in 2005, maar dat haar personeelsbestand in dat jaar toch is blijven stijgen met 3,5%; stelt vast dat de ECB haar streven naar meer interne efficiëntie kracht bijzet; acht dit een lovenswaardige doelstelling en wenst dat een en ander op den duur concrete resultaten oplevert, met name door een stabilisering van het personeelsbestand op lange termijn;

    35. onderstreept het belang dat door de ECB en de centrale banken dient te worden gehecht aan de kwaliteit van de dialoog, aan de transparantie van de informatie en aan erkenning van het vakbondsbelang tijdens bijeenkomsten van het Personeelscomité;

    36. is van oordeel dat het betrekken van het personeel en hun vakbonden bij op hen betrekking hebbende besluitvorming en een sociale dialoog van hoog niveau bijdragen tot het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur binnen het eurosysteem en het ESCB;

    37. merkt op dat het bedrijfsresultaat van de ECB van 992 miljoen euro in 2005 als reserve is achtergehouden ter dekking van wisselkoers- en rentetarievenrisico’s en de risico’s van de schommelende goudprijzen, waardoor de nettowinst op nul uitkomt; merkt op dat het bedrag van deze reserve jaarlijks zal worden herzien; constateert tegelijkertijd dat de kosten van de bouw van de nieuwe vestiging van de ECB op 850 miljoen euro wordt geraamd; dringt er bij de ECB op aan aan te geven op welk niveau zij haar eigen vermogen en reserves wenst te handhaven, alsmede een begrotingsbeleid te voeren dat tot een bevredigend financieel resultaat kan leiden en tegelijkertijd op adequate wijze de risico’s waaraan zij blootstaat afschermt;

    0

    0 0

    38. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Eurogroep, de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank.

    TOELICHTING

    In zijn resolutie over het jaarverslag van de ECB beoordeelt het Europees Parlement het optreden van de Europese Centrale Bank. Na een zevenjarig bestaan van de euro en de voltooiing van een volledige cyclus aan nieuwe benoemingen in de directie van de ECB, wenst uw rapporteur dit jaar het accent te leggen op de noodzaak de democratische controle ex ante en ex post te versterken.

    Economische en monetaire ontwikkelingen in 2005

    In 2005 is het BBP in de eurozone met 1,4% gestegen, een percentage dat onder het voor 2004 geregistreerde groeipercentage van 1,8% ligt. In het eerste halfjaar van 2005 is de economische activiteit in een gematigd tempo toegenomen; in de tweede helft van 2005 kwam er meer vaart in de economische ontwikkeling. Het inflatiecijfer voor 2005 lag rond 2,2%, dus op een vergelijkbaar niveau als dat van 2,1% voor 2004. De stijging van de energieprijzen heeft dankzij aanhoudende loonmatiging niet tot inflatoire druk geleid.

    Na een constante handhaving van de rentetarieven op 2% gedurende tweeëneenhalf jaar heeft de Raad van bestuur op 1 december besloten tot een verhoging van de basisrentetarieven met 25 basispunten; tot verdere verhogingen werd besloten op 2 maart, 8 juni en 3 augustus 2006. Deze besluiten werden ingegeven door het risico dat toekomstige stijgingen van de aardolieprijzen in een context van snelle kredietexpansie secundaire salarisconsequenties zouden kunnen hebben .

    In de economische prognoses van het eurosysteem wordt een zeker conjunctuurherstel vastgesteld dat voor 2006 tussen 1,8% en 2,4% en voor 2007 tussen 1,3% en 2,3% ligt. Dit economisch herstel lijkt tamelijk fragiel, zoals blijkt uit de brede marges in de prognoses en een waarschijnlijke verslapping van de economische bedrijvigheid vanaf 2007.

    Uw rapporteur zou met name willen wijzen op de verklaringen van het IMF en de OESO waarin wordt opgeroepen tot voorzichtigheid bij toekomstige aanpassingen van de rentetarieven in de eurozone; bij zulke aanpassingen zou rekening moeten worden gehouden met het recente karakter, de hoedanigheid en de veerkracht van het economisch herstel. Beide instanties maken melding van verscheidene factoren die een nog zeer precair economisch herstel in gevaar zouden kunnen brengen, zoals sterke veranderingen in de eurowisselkoers en de aardolieprijzen, die reeds medebepalend zijn geweest voor de geringe economische groei in 2005.

    Het internationaal economisch kader werd in 2005 beheerst door een toename van de onevenwichtigheden op mondiaal niveau, voornamelijk het tekort op de Amerikaanse betalingsbalans dat is opgelopen tot 6,4% van het BBP. Deze verstoringen van het evenwicht zijn een groot gevaar, want maatregelen om deze te verhelpen zouden kunnen leiden tot snelle ontwikkelingen in de wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar. Een snelle en sterke stijging van de eurowisselkoers zou de Europese economische groei aanzienlijk ondermijnen. De eurozone dient zo goed mogelijk voorbereid te zijn op een dergelijke eventualiteit. In deze context is uw rapporteur van oordeel dat de eurowisselkoers een duidelijkere plaats moet krijgen in het monetair beleid en dat de actiemogelijkheden van de Raad nauwkeuriger dienen te worden omschreven teneinde de institutionele verantwoordelijkheden van de Raad in dezen concreet vorm te geven.

    Betere coördinatie van het economische en monetair beleid is absoluut noodzakelijk en uw rapporteur wenst erop te wijzen dat de vaststelling van een passende beleidsmix, waaraan het sedert de invoering van de euro ontbreekt, een voorwaarde is voor de consolidatie van het zich aftekenend economisch herstel. Voor verhoging van het groeipotentieel dient eveneens sprake te zijn van een doeltreffende macro-economische afstemming. Uw rapporteur steunt dan ook de inspanningen van de Eurogroep met het oog op een actievere macro-economische dialoog tussen de Raad, de ECB en de sociale partners.

    Financiële stabiliteit en financiële integratie

    Uw rapporteur is verheugd over de bijdrage van de ECB aan het toezicht op de financiële integratie en financiële stabiliteit van de eurozone.

    In 2005 heeft de ECB een nieuw verslag over de financiële integratie van de eurozone gepubliceerd en een reeks indicatoren voorgelegd. Hieruit blijkt dat de mate van integratie aanzienlijk varieert naar gelang van de marktsegmenten: voor de geldmarkten en de markten voor staatsobligaties en obligaties in de particuliere sector is sprake van verregaande integratie; vooruitgang is geboekt ten aanzien van de integratie van aandelenmarkten; de integratie van de bankmarkten, en met name van de detailhandelbanken, laat nog zeer te wensen over. De ECB onderstreept dat volledige integratie van de financiële markt niet mogelijk is zonder integratie van de marktinfrastructuren, met name van de Clearings- en Settlementsinfrastructuur, en is van oordeel dat wat dit betreft nog heel wat vooruitgang moet worden geboekt; zij dringt dan ook aan op een wetgevingsinitiatief in dezen, een standpunt dat door uw rapporteur volledig wordt onderschreven.

    Voor wat betreft de financiële stabiliteit, is de ECB van oordeel dat de soliditeit van het financiële systeem van de eurozone is verbeterd, doch wijst met name op de gevaren in verband met de arbitragefondsen, die worden gekenmerkt door hun ondoorzichtigheid en de willekeurige beoordeling van hun positie waardoor beleggers geen goed beeld krijgen van de prestaties ervan. Uw rapporteur verzoekt de ECB haar toezicht meer toe te spitsen op de speculatiefondsen en is van oordeel dat de financiële stabiliteit doorslaggevend moet zijn bij de te ontwikkelen regulerende aanpak van de speculatiefondsen.

    Uw rapporteur is van oordeel dat het proces van verlegging van de risico's van de financiële sector naar particulieren - een proces dat in de laatste jaren steeds vaker voorkomt - op de voet moet worden gevolgd. Het is name van belang de macro-economische gevolgen hiervan te evalueren.

    Bankbiljetten

    Sinds de invoering van de euro is de waarde van de in omloop zijnde bankbiljetten voortdurend en zeer snel toegenomen (+12,8% in 2005). Deze toename is toe te schrijven aan bankbiljetten met een hoge waarde, met name 500-eurobiljetten, die in aantal in 2005 met 20,9% zijn toegenomen. Gezien de risico's van witwaspraktijken en belastingfraude als gevolg van deze ontwikkeling acht uw rapporteur het wenselijk dat de ECB de oorzaken nagaat die ten grondslag liggen aan deze aanzienlijke verhoging en de hiermee gepaard gaande risico's evalueert.

    Beheer van de ECB

    In overeenstemming met de verklaringen van de president van de ECB is uw rapporteur eveneens van mening dat het beheer van de ECB exemplarisch dient te zijn en is dan ook verheugd over het streven van de ECB om de interne efficiëntie te verbeteren.

    Voor wat betreft het personeelsbeleid zij erop gewezen dat het personeelsbestand van de ECB sinds 1999 met 86% is gestegen. Een deel van deze stijging is ongetwijfeld toe te schrijven aan de recente oprichting van de instelling. Desalniettemin lijkt het noodzakelijk het personeelsbestand in de hand te houden, hetgeen gebeurd is door een tijdelijke personeelsstop in 2005; dit neemt evenwel niet weg dat het personeelsbestand in dat jaar toch met 3,5% is gestegen. Uw rapporteur is van oordeel dat de doelstelling om de interne efficiëntie van de ECB te verbeteren op den duur concreet vorm moet krijgen in een stabilisering van het personeelsbestand en een transparante sociale dialoog.

    Voor wat betreft de bedrijfsresultaten is de nettowinst van de ECB in 2005 uitgekomen op nul als gevolg van het achterhouden van een reserve ter dekking van wisselkoers- en rentetarievenrisico's en de risico's van de schommelende goudprijzen. Voorts worden de kosten van de bouw van de nieuwe vestiging van de ECB op 850 miljoen euro geraamd. Uw rapporteur acht het wenselijk dat de ECB een financieel beleid ten uitvoer legt dat tot een bevredigend financieel resultaat kan leiden.

    Democratische controle

    De EMU functioneert sinds zeven jaar en voor wat betreft de ECB is er thans voldoende tijd verstreken om een oordeel te vellen over de verbeteringen die moeten worden aangebracht in de regelingen voor de uitoefening van democratische controle door het Parlement.

    Democratische controle wordt op twee niveaus uitgeoefend: ex ante, in het kader van de procedure voor de benoeming van de directieleden van de ECB, en ex post, in het kader van de controle op de beleidsvoering van de ECB. In beide gevallen dient de controle te worden versterkt. Uw rapporteur stelt een aantal verbeteringen voor die van beperkte omvang zijn en afzonderlijk moeten worden doorgevoerd en die zouden kunnen leiden tot een aanzienlijke verbetering van de democratische controle.

    Voor wat betreft de procedure voor de benoeming van de directie van de ECB is bij de benoemingen van de volledig nieuwe directie gebleken dat de grote landen (Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje) de facto het recht op één zetel hebben opgeëist, terwijl de kleinere landen tezamen genoegen hebben moeten nemen met de twee resterende zetels. Deze gang van zaken is niet conform de geest van het Verdrag (artikel 112, lid 2, letter b) en artikel 11.2 van de statuten van het ESCB en van de EBC).

    De vertegenwoordiging van deze vier grote landen beperkt in de praktijk de keuzemogelijkheden van de Raad in de voorstelfase. Om van benoeming zeker te zijn stellen deze landen namen met een standaardprofiel voor, te weten ambtenaren of bankiers van centrale banken. Daardoor ziet de directie van de ECB er veel minder gevarieerd uit als die van andere centrale banken. De vertegenwoordiging van een variëteit aan achtergronden in de directie van de ECB is echter een eerste vereiste voor een open en vruchtbare dialoog in de controlefase ex post.

    Het is dan ook van belang dat de benoemingsprocedure transparanter wordt gemaakt en dat over het voorstel van de Raad openlijk kan worden gediscussieerd. Dit zou op verschillende manieren kunnen worden bewerkstelligd. Uw rapporteur is van mening dat het het eenvoudigst zou zijn om de procedure aan te passen aan de geest van het Verdrag: om ervoor te zorgen dat besluiten worden genomen op basis van een echte keuze uit voorgedragen kandidaten, zou een voorstel met een minimum aantal namen van een minimum aantal landen openlijk moeten worden besproken. Aldus zou het voorstel van de Raad gebaseerd zijn op een discussie over ten minste drie door verschillende landen voorgedragen kandidaten.

    In aanvulling op de noodzakelijke openheid en transparantie tijdens de benoemingsprocedure, zou de rol van het Europees Parlement moeten worden versterkt door een bekrachtigingsbevoegdheid ten aanzien van de benoeming van de directieleden, naar het voorbeeld van de in talrijke landen, en met name de Verenigde Staten, gevolgde procedure. Een dergelijke bevoegdheid zou een nog grotere stimulans zijn voor de Raad om een echte open discussie in de voorstelfase op gang te brengen.

    Ook dient de democratische controle ex post te worden verbeterd. De monetaire dialoog, via de indiening van het jaarverslag van de ECB bij het Europees Parlement en de hoorzitting vier maal per jaar met de president van de ECB in de Commissie economische en monetaire zaken heeft zonder meer toe bijgedragen dat de besluiten in het kader van het monetair beleid worden toegelicht. De door de ECB georganiseerde conferenties over de besluitvorming in het kader van het monetair beleid zijn eveneens toe te juichen. Deze maatregelen maken echter meer deel uit van het communicatiebeleid van de ECB dan van echte beleidsvoering.

    De onafhankelijkheid die de ECB geniet en die uniek is in de wereld, verplicht haar tot meer transparantie bij de besluitvorming in het kader van het monetair beleid, zowel in het kader van haar betrekkingen met het Europees Parlement, als in het kader van alle andere vormen van communicatie waarvan zij gebruikmaakt om haar besluiten toe te lichten; in dit verband verzoekt uw rapporteur de Raad van bestuur opnieuw zijn besluiten middels stemming te nemen, zoals impliciet vastgelegd in artikel 10 van het Protocol, en dringt aan op publicatie van een beknopt verslag van elke vergadering van de Raad van bestuur, waarin het standpunt van de voor- en tegenpartij, de uitslag van de stemmingen en de minderheidsstandpunten worden weergegeven. Uw rapporteur wenst voorts dat het Europees Parlement op dezelfde wijze als de Raad en de Commissie bij vergaderingen van de Raad van bestuur kan worden vertegenwoordigd.

    Uw rapporteur herinnert eraan dat het rouleersysteem voor besluiten van de Raad van bestuur van de ECB, als aangenomen in 2003, niet naar behoren werkt, omdat het te ingewikkeld is en wenst dat met het oog op de toekomstige uitbreidingen van de eurozone een systeem wordt ingesteld waarin rechtvaardigheid en efficiëntie samengaan.

    Overwegende dat geen gehoor is gegeven aan eerdere verzoeken van het Europees Parlement en gezien de ervaring die is opgedaan in het zevenjarig bestaan van de euro, is uw rapporteur van mening dat in het kader van de herziening van het grondwettelijk verdrag een en ander optimaal moet worden benut. Uw rapporteur is dan ook van mening dat - ongeacht een vrijwillige tenuitvoerlegging door de betrokken instellingen in dezen - er bij de herziening van het grondwettelijk verdrag rekening dient te worden gehouden met de volgende verzoeken: transparantie van de procedure voor de benoemingen in de directie en instemmingsbevoegdheid voor het Europees Parlement, transparantie van het besluitvormingsproces bij de ECB en vertegenwoordiging van het Europees Parlement in de Raad van bestuur.

    PROCEDURE

    Titel

    Jaarverslag 2005 van de Europese Centrale Bank

    Document- en procedurenummers

    2006/2206(INI)

    Datum toezending EP

    ECON
    7.9.2006

    Commissie ten principale

            Datum bekendmaking

     

    Medeadviserende commissie(s)       Datum bekendmaking

     

     

     

     

     

    Geen advies
      Datum besluit

     

     

     

     

     

    Nauwere samenwerking

            Datum bekendmaking

     

     

    Rapporteur(s)
      Datum benoeming

    Pervenche Berès
    14.3.2006

     

    Vervangen rapporteur(s)

     

     

    Behandeling in de commissie

    30.5.2006

    20.6.2006

    12.9.2006

    2.10.2006

     

    Datum goedkeuring

    10.10.2006

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    23
    0
    15

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Zsolt László Becsey, Pervenche Berès, Sharon Bowles, Udo Bullmann, Ieke van den Burg, David Casa, Jan Christian Ehler, Jonathan Evans, Jean-Paul Gauzès, Robert Goebbels, Donata Maria Assunta Gottardi, Benoît Hamon, Gunnar Hökmark, Karsten Friedrich Hoppenstedt, Sophia in 't Veld, Wolf Klinz, Christoph Konrad, Guntars Krasts, Kurt Joachim Lauk, Andrea Losco, Astrid Lulling, Gay Mitchell, Joseph Muscat, John Purvis, Alexander Radwan, Bernhard Rapkay, Dariusz Rosati, Eoin Ryan, Antolín Sánchez Presedo, Manuel António dos Santos, Peter Skinner, Margarita Starkevičiūtė, Sahra Wagenknecht

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Werner Langen, Alain Lipietz, Antonis Samaras, Charles Tannock, Corien Wortmann-Kool

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

     

    Datum indiening

    12.10.2006

     

    Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

    ...