VERSLAG over de institutionele aspecten van het vermogen van de Europese Unie om nieuwe lidstaten te integreren
16.11.2006 - (2006/2226(INI))
Commissie constitutionele zaken
Rapporteur: Alexander Stubb
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over de institutionele aspecten van het vermogen van de Europese Unie om nieuwe lidstaten te integreren
Het Europees Parlement,
– gelet op artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
– gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Kopenhagen van juni 1993, van Madrid van december 1995, van Luxemburg van december 1997, van Thessaloniki van juni 2003, en van Brussel van juni 2005 en juni 2006,
– gezien het Handvest van de grondrechten,
– gezien het strategiedocument 2005 van de Commissie over de uitbreiding (COM(2005)0561),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 januari 2005 over het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa[1],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 september 2005 over de start van de onderhandelingen met Turkije[2],
– gezien de door de Raad op 3 oktober 2005 goedgekeurde kaders voor de onderhandelingen met Turkije en Kroatië,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2006 over de denkpauze: structuur, onderwerpen en kader voor een evaluatie van het debat over de Europese Unie[3],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 maart 2006 over het document van de Commissie over de strategie voor de uitbreiding (2005)[4],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juni 2006 over de volgende stappen tijdens de denkpauze en analyse van de toekomst van Europa[5],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2006 over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding[6],
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A6-0393/2006),
A. overwegende dat de Europese Raad van juni 2003 de westelijke Balkan-landen een helder Europees perspectief heeft geboden, met het lidmaatschap van de Unie als uiteindelijk doel (de Agenda van Thessaloniki),
B. overwegende dat de Europese Raad van juni 2005 nogmaals heeft bevestigd te streven naar integrale uitvoering van de agenda van Thessaloniki, en dat de Europese Raad van juni 2006 nogmaals heeft bevestigd dat hij de bestaande toezeggingen die aan de landen van Zuidoost-Europa (Turkije en Kroatië, landen waarmee toetredingsonderhandelingen gaande zijn, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM), als kandidaat-land, en de landen van de Westelijke Balkan, als potentiële kandidaatlanden) zijn gedaan met betrekking tot de uitbreiding zal nakomen, terwijl tegelijkertijd werd benadrukt dat ervoor gezorgd moet worden dat de Unie "in staat is politiek, financieel en institutioneel te functioneren terwijl zij zich uitbreidt",
C. overwegende dat de Raad op 3 oktober 2005 officieel de toetredingsonderhandelingen met Turkije en Kroatië heeft geopend,
D. overwegende dat de Europese Raad van december 2005 de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) de status van kandidaat-land heeft toegekend,
E. overwegende dat voldoen aan alle criteria van Kopenhagen sinds 1993 de basis is voor toetreding tot de EU en dat ook dient te blijven voor toekomstige toetredingen,
F. overwegende dat bij de criteria van Kopenhagen ook als belangrijke overweging wordt genoemd: "het vermogen van de Unie om nieuwe leden op te nemen, met handhaving van de dynamiek van de Europese integratie",
G. overwegende dat het institutionele vermogen van de Unie om nieuwe lidstaten te integreren steeds vaker is besproken in het kader van uitbreidingen na de toetreding van Bulgarije en Roemenië,
H. overwegende dat het Europees Parlement in zijn bovengenoemde resolutie over het strategiedocument 2005 over de uitbreiding de Commissie heeft verzocht om voor eind 2006 een verslag in te dienen waarin zij uiteenzet op welke principes de opnamecapaciteit van de Unie berust,
I. overwegende dat de Europese Raad van juni heeft besloten dat "bij het tempo van de uitbreiding rekening moet worden gehouden met de opnamecapaciteit van de Unie" en om in december van hetzelfde jaar een debat te houden "over alle aspecten van verdere uitbreidingen, waaronder de capaciteit van de Unie om nieuwe leden op te nemen en nieuwe manieren om de kwaliteit van het uitbreidingsproces te verbeteren op basis van de tot dusver opgedane positieve ervaringen", en wel op basis van een verslag "over alle relevante aspecten in verband met de opnamecapaciteit van de Unie" dat de Commissie werd verzocht tegelijk met haar jaarlijkse voortgangsverslagen over het uitbreidings- en pretoetredingsproces voor te leggen,
J. overwegende dat de Europese Raad van Brussel van 16-17 december 2004 heeft verklaard: "Nog te openen toetredingsonderhandelingen met kandidaat-lidstaten waarvan de toetreding aanzienlijke financiële gevolgen zou kunnen hebben, kunnen derhalve pas worden afgesloten na de vaststelling van het financiële kader voor de periode na 2014, inclusief de mogelijk daaruit voortvloeiende financiële hervormingen",
K. overwegende dat dat verslag ook een analyse dient te bevatten van de vraag hoe de uitbreiding nu en in de toekomst door de burgers wordt ervaren; ook zal daarin plaats moeten worden ingeruimd voor het gegeven dat het uitbreidingsproces adequaat aan de bevolking in de Unie dient te worden uitgelegd,
L. overwegende dat het begrip integratievermogen impliceert dat de EU zodanig moet worden aangepast dat zij haar nieuwe leden in een harmonisch geheel kan opnemen; deze uitdaging is momenteel nog steeds niet adequaat opgepakt, in het bijzonder na de afwijzing van het grondwettelijk verdrag in Frankrijk en Nederland, aangezien dat verdrag de Europese Unie in staat zou stellen doeltreffend en democratisch te functioneren,
M. overwegende dat er nog steeds een debat gaande is over de zogenaamde "opnamecapaciteit" van de Unie in de context van toekomstige uitbreidingen,
N. overwegende dat de voorzitter van de Commissie in het Europees Parlement heeft gezegd dat hij van mening is dat er eerst een institutionele regeling moet worden getroffen voordat er van mogelijke toekomstige uitbreidingen sprake kan zijn, en de hoop heeft uitgesproken dat die institutionele regeling, zoals die door de Europese Raad van juni 2006 is vastgelegd, eind 2008 tot stand kan zijn gebracht, waardoor de Unie haar toezeggingen kan nakomen jegens de landen met wie zij al in onderhandeling is en die waarvoor zij het vooruitzicht op toetreding heeft geopend,
O. overwegende dat een dergelijk institutionele regeling een aller eerste vereiste is om de dynamiek van de Europese integratie te behouden, zoals ook is verklaard door de staatshoofden en regeringsleiders op de top van Kopenhagen van 1993,
1. wijst erop dat de uitbreidingen bijgedragen hebben aan een sterkere Unie, haar economische groei hebben bevorderd, haar rol in de wereld hebben versterkt en de ontwikkeling van nieuw EU-beleid hebben gestimuleerd;
2. herinnert eraan dat het begrip "opnamecapaciteit" formeel voor het eerst werd gebruikt in 1993, toen de Europese Raad van Kopenhagen erkende dat, naast de politieke en economische criteria waaraan kandidaat-landen moeten voldoen om tot de Unie toe te treden "het vermogen van de Unie om nieuwe leden op te nemen, met handhaving van de dynamiek van de Europese integratie (...) ook een belangrijke overweging (is) in het algemeen belang van zowel de Unie als de kandidaatlanden";
3. herinnert eraan dat, hoewel elke uitbreiding van de Unie geleid heeft tot veranderingen in haar institutionele, politieke en financiële kader, deze veranderingen niet voldoende waren om de doeltreffendheid van de besluitvorming van de Unie te handhaven;
4. komt tot de conclusie dat de term "opnamecapaciteit" niet adequaat is om de onderliggende gedachte over te brengen, in zoverre dat de EU haar leden niet opneemt in de zin van absorberen en stelt daarom voor deze term te veranderen in "integratievermogen", wat een betere weerspiegeling is van de aard van het EU-lidmaatschap;
5. beklemtoont dat "integratievermogen" geen nieuw criterium is dat van toepassing is op kandidaat-landen, maar een voorwaarde is voor het welslagen van de uitbreiding en de verdieping van het proces van de Europese integratie; de verantwoordelijkheid voor de verbetering van haar "integratievermogen" ligt bij de Unie en niet bij de kandidaat-lidstaten;
6. is van mening dat het begrip "integratievermogen" impliceert dat na de uitbreiding
- de Europese instellingen op efficiënte wijze kunnen functioneren en efficiënt en democratisch besluiten kunnen nemen overeenkomstig hun specifieke procedures,
- de financiële middelen van de Unie voldoende zijn om haar activiteiten op adequate wijze te financieren,
- de Unie met succes haar beleid kan ontwikkelen en haar doelen kan bereiken om haar politieke project ten uitvoer te leggen;
7. is van mening dat de Unie, om te garanderen dat zij haar integratievermogen behoudt, een besluit moet nemen over de reikwijdte en inhoud van de hervormingen die zij tot stand dient te brengen voordat er toekomstige toetredingen plaatsvinden; haar evaluatie dienaangaande moet tijdens alle cruciale fasen van het uitbreidingsproces worden uitgevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijke impact die de nieuwe lidstaten zullen hebben op haar vermogens op institutioneel en financieel gebied en op het gebied van de besluitvorming;
8. onderkent dat de Unie momenteel problemen heeft met het gestand doen van haar toezeggingen jegens de Zuidoost-Europese landen, omdat haar huidige institutionele, financiële en beleidsstructuur niet geschikt is voor verdere uitbreidingen en verbetering behoeft;
Institutionele aspecten van het integratievermogen
9. beklemtoont dat het van wezenlijk belang is om de Europese Unie voor een eventuele toekomstige uitbreiding te hervormen om haar in staat te stellen op een meer doelmatige, transparante en democratische manier te functioneren; voor een verdere uitbreiding zijn daarom de volgende institutionele hervormingen nodig:
(a) invoering van een nieuw systeem van stemmen met een gekwalificeerde meerderheid waardoor het vermogen van de Raad om tot besluiten te komen groter wordt;
(b) aanzienlijke uitbreiding van de kwesties waarop stemmen met een gekwalificeerde meerderheid van toepassing is;
(c) een aanzienlijke uitbreiding van de deelname van het Europees Parlement, op gelijke voet met de Raad, aangaande begrotings- en wetgevingskwesties;
(d) wijziging van het roulatiesysteem van het voorzitterschap van de Europese Raad en van de Raad;
(e) instelling van het ambt van minister van Buitenlandse Zaken;
(f) verdere wijziging van de samenstelling van de Commissie, die verder gaat dan hetgeen bepaald is in het Verdrag van Nice;
(g) versterking van de rol van de voorzitter van de Commissie en zijn/haar democratische legitimiteit door verkiezing door het Europees Parlement;
(h) uitbreiding van de jurisdictie van het Hof van Justitie naar alle terreinen waarop de Unie actief is, waarbij ook nauwlettend toezicht moet worden gehouden op de inachtneming van de fundamentele rechten;
(i) de instelling van mechanismen om de nationale parlementen te betrekken bij de nauwkeurige controle op de activiteiten van de Unie;
(j) de verbetering van flexibiliteitsregelingen als antwoord op de toegenomen mogelijkheid dat niet alle lidstaten bereid of in staat zijn om tegelijkertijd met bepaald beleid te beginnen;
(k) aanpassing van de procedure voor wijziging van de Verdragen, zodat deze eenvoudiger en efficiënter wordt, en het democratisch karakter en de transparantie ervan worden versterkt;
(l) een einde maken aan de "pijlerstructuur" en deze vervangen door één entiteit met een uniforme structuur en rechtspersoonlijkheid;
(m) opname van een clausule die de lidstaten in staat stelt om zich uit de Europese Unie terug te trekken;
(n) een heldere omschrijving van de waarden waarop de Unie is gegrondvest, alsmede van de doeleinden van de Unie;
(o) een heldere omschrijving van de bevoegdheden van de Unie en de beginselen die haar activiteiten en betrekkingen met andere lidstaten sturen;
(p) versterking van de transparantie van het besluitvormingsproces van de Unie, namelijk door publieke controle van de activiteiten van de Raad wanneer hij handelt als tak van de wetgevingsautoriteit;
(q) een heldere omschrijving en vereenvoudiging van de instrumenten waarmee de Unie haar bevoegdheden uitoefent;
wijst erop dat al deze hervormingen reeds zijn vervat in het grondwettelijk verdrag, en dat inwerkingtreding ervan de goede werking van een uitgebreide Unie mogelijk zou maken en waarborgen zou bieden voor haar mogelijkheden om op een doelmatige en democratische wijze besluiten te nemen;
Andere relevante aspecten van het integratievermogen
10. wijst erop dat, afgezien van de noodzakelijke institutionele hervormingen, verdere uitbreidingen van de Unie wijzigingen noodzakelijk maken ten aanzien van andere belangrijke aspecten van haar structuur, zoals:
(a) toepassing van het Europees Handvest van de grondrechten en verbetering van het beleid inzake solidariteit tussen de lidstaten;
(b) herziening van haar financiële kader, met inbegrip van haar financieringssysteem, om dit aan te passen aan de nieuwe behoeften van een uitgebreide Unie, waarbij wordt voortgebouwd op de "volledige, alomvattende en brede evaluatie" van het financiële kader 2007-2013 die reeds gepland staat voor 2008/2009 overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement over beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013 van 8 juni 2005[7] en de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer[8];
(c) een herdefiniëring van verscheidene van haar beleidsvormen, waarvan er een aantal reeds vijftig jaar geleden werden ingesteld, zodat ze worden aangepast aan de nieuwe uitdagingen waarvoor een veel grotere en meer diverse Unie zich in een geglobaliseerde wereld gesteld ziet;
(d) versterking van het Europees nabuurschapsbeleid, dat een geschikt instrument wil bieden om wederzijds tot voordeel strekkende betrekkingen aan te gaan met Europese landen die geen onmiddellijke vooruitzichten op toetreding hebben, omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor een lidmaatschap of verkiezen niet toe te treden;
11. beklemtoont dat de bovengenoemde hervormingen hand in hand moeten gaan met inspanningen ter vergroting van de publieke acceptatie van de uitbreiding en herinnert aan de verantwoordelijkheid van de politieke leiders van Europa om de burgers uit te leggen wat de doelen en wederzijdse voordelen zijn van de uitbreiding en eenwording van Europa; steunt de Commissie in haar inspanningen om gebruik te maken van 'het brede scala van mogelijkheden om haar uitbreidingsbeleid toe te lichten en misvattingen met bewijzen te weerleggen', zoals gesteld in haar strategiedocument 2005 over de uitbreiding;
12. herhaalt echter dat elk besluit van de EU om een nieuwe lidstaat toe te laten wordt genomen op basis van een procedure met talrijke waarborgen, namelijk een unaniem besluit van alle lidstaten om de toetredingsonderhandelingen te openen en te beëindigen, de instemming van het Europees Parlement en ratificatie van elk Toetredingsverdrag door alle lidstaten;
13. wijst erop dat het ondertekenen van een Toetredingsverdrag door de regeringen van de lidstaten hoe dan ook inhoudt dat deze regeringen volledig gehouden zijn dienovereenkomstig te handelen om zodoende te waarborgen dat het proces van ratificatie van dat Verdrag met succes wordt afgerond, overeenkomstig de in elk van die landen van kracht zijnde procedures;
14. is van oordeel dat in de toekomst elk besluit om toetredingsonderhandelingen te openen moet worden goedgekeurd door het Europees Parlement;
Conclusies
15. bevestigt nogmaals gecommitteerd te zijn aan de uitbreiding als een historische kans om voor vrede, veiligheid, stabiliteit, democratie en de rechtstaat te zorgen, alsmede voor economische groei en voorspoed in Europa; herbevestigt zijn overtuiging dat de uitbreiding hand in hand moet gaan met de verdieping van de Unie, willen de doelstellingen van het Europese integratieproces niet in gevaar worden gebracht;
16. beklemtoont dat de Unie haar institutionele, financiële en politieke structuur tijdig moet kunnen aanpassen om te vermijden dat er onverwacht vertraging wordt veroorzaakt bij de toetreding van kandidaat-landen, wanneer eenmaal is vastgesteld dat zij aan alle voorwaarden voor lidmaatschap voldoen;
17. verklaart nogmaals dat het Verdrag van Nice geen adequate basis biedt voor verdere uitbreidingen;
18. herbevestigt zijn steun voor het grondwettelijk verdrag, dat reeds oplossingen biedt voor de meeste van de hervormingen die de EU nodig heeft om aan haar huidige uitbreidingsverplichtingen te voldoen en een tastbare uitdrukking vormt van het verband verdieping-uitbreiding, en waarschuwt dat pogingen die erop gericht zijn te bevorderen dat onderdelen van het grondwettelijk totaalpakket bij stukjes en beetjes worden geïmplementeerd, het algehele compromis waarop het berust in gevaar kunnen brengen;
19. neemt nota van het tijdschema dat de Europese Raad van juni 2006 heeft vastgesteld om op zijn laatst tegen het begin van het tweede semester van 2008 een oplossing te vinden voor de constitutionele crisis;
20. herbevestigt zijn streven zo snel mogelijk tot een grondwettelijke regeling voor de Europese Unie te komen, en in elk geval voordat de burgers van de Unie worden opgeroepen bij de Europese verkiezingen van 2009 hun stem uit te brengen, opdat de Unie haar verplichtingen jegens kandidaat-lidstaten kan nakomen en klaar is om hen op te nemen als lidstaten;
°
° °
21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de parlementen en regeringen van Turkije, Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Albanië, Bosnië-Herzegovina, Servië, Montenegro, de voorlopige instellingen voor zelfbestuur in Kosovo en de missie van de Verenigde Naties in Kosovo.
- [1] PB C 247 E van 6.10.2005, blz. 88.
- [2] PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 163.
- [3] Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0027.
- [4] Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0096.
- [5] Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0263.
- [6] Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0381.
- [7] PB C 124E van 25.5.2006, blz. 373.
- [8] PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
PROCEDURE
|
Titel |
Institutionele aspecten van het vermogen van de Europese Unie om nieuwe lidstaten te integreren |
|||||||||||
|
Procedurenummer |
||||||||||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking toestemming |
AFCO |
|||||||||||
|
Medeadviserende commissie(s) |
AFET |
BUDG |
|
|
|
|||||||
|
Geen advies |
AFET |
BUDG |
|
|
|
|||||||
|
Nauwere samenwerking Datum bekendmaking |
|
|
||||||||||
|
Rapporteur(s) |
Alexander Stubb |
|
||||||||||
|
Vervangen rapporteur(s) |
|
|
||||||||||
|
Behandeling in de commissie |
4.10.2006 |
24.10.2006 |
13.11.2006 |
|
|
|||||||
|
Datum goedkeuring |
13.11.2006 |
|||||||||||
|
Uitslag eindstemming |
+: -: 0: |
17 1 2 |
||||||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Carlos Carnero González, Richard Corbett, Brian Crowley, Panayiotis Demetriou, Andrew Duff, Maria da Assunção Esteves, Ingo Friedrich, Bronisław Geremek, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Marie-Line Reynaud, Alexander Stubb, Johannes Voggenhuber |
|||||||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Pervenche Berès, Elmar Brok, Klaus Hänsch, Ashley Mote, Gérard Onesta, Georgios Papastamkos, György Schöpflin, Jacques Toubon |
|||||||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2) |
|
|||||||||||
|
Datum indiening |
16.11.2006 |
|
||||||||||
|
Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar) |
… |
|
||||||||||