ONTWERPAANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING  over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs

27.11.2006 - (9010/1/2006 – C6-0312/2006 – 2003/0252(COD)) - ***II

Commissie vervoer en toerisme
Rapporteur: Mathieu Grosch

Procedure : 2003/0252(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0414/2006
Ingediende teksten :
A6-0414/2006
Aangenomen teksten :

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs

(9010/1/2006 – C6-0312/2006 – 2003/0252(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (9010/1/2006 – C6-0312/2006),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt[1] inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003(0621))[2],

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A6‑0414/2006),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het gewijzigde gemeenschappelijk standpunt;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Gemeenschappelijk standpunt van de RaadAmendementen van het Parlement

Amendement 1

OVERWEGING 20 bis (nieuw)

 

(20 bis) De Commissie dient met name te worden gemachtigd de voor de toepassing van deze richtlijn noodzakelijke criteria vast te stellen. Aangezien de beoogde maatregelen een algemene draagwijdte hebben en strekken tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

Motivering

De onderhavige richtlijn moet in overeenstemming worden gebracht met het besluit van de Raad van 17 juli 2006 (2006/512/EG), hetgeen niets afdoet aan de kern van deze richtlijn.

Amendement 2

Artikel 1, lid 2

2.        Onverminderd de voorschriften inzake gegevensbescherming mogen de lidstaten in het rijbewijs een opslagmedium (microchip) inbouwen, zodra de specificaties voor de microchip in bijlage I door de Commissie zijn vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde procedure. Deze specificaties vereisen een EG‑typegoedkeuring die slechts kan worden toegekend wanneer is aangetoond dat deze microchip bestand is tegen pogingen tot manipulatie of verandering van de gegevens.

2.        Onverminderd de voorschriften inzake gegevensbescherming mogen de lidstaten in het rijbewijs een opslagmedium (microchip) inbouwen, zodra de specificaties voor de microchip in bijlage I, die strekken tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn en een aanvulling hierop vormen, door de Commissie zijn vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde procedure. Deze specificaties vereisen een EG‑typegoedkeuring die slechts kan worden toegekend wanneer is aangetoond dat deze microchip bestand is tegen pogingen tot manipulatie of verandering van de gegevens.

Amendement 3

Artikel 1, lid 3, alinea 3

De Commissie mag bijlage I overeenkomstig de procedure van artikel 9, lid 2, aanpassen om in de toekomst de interoperabiliteit te waarborgen.

De Commissie mag bijlage I overeenkomstig de procedure van artikel 9, lid 2, wijzigen om in de toekomst de interoperabiliteit te waarborgen.

Amendement 4

Artikel 3, lid 2

2.        Het materiaal dat gebruikt wordt voor het rijbewijs van bijlage I, wordt volgens door de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 9, lid 2, te bepalen specificaties tegen vervalsing beveiligd. De lidstaten mogen extra veiligheidskenmerken invoeren.

2.        Het materiaal dat gebruikt wordt voor het rijbewijs van bijlage I, wordt volgens door de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 9, lid 2, te bepalen specificaties, die strekken tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn en een aanvulling hierop vormen, tegen vervalsing beveiligd. De lidstaten mogen extra veiligheidskenmerken invoeren.

Amendement 5

Artikel 9

1. De Commissie wordt bijgestaan door het "comité voor het rijbewijs", hierna "het comité" genoemd.

1. De Commissie wordt bijgestaan door het "comité voor het rijbewijs", hierna "het comité" genoemd.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 t/m 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

 

Motivering

De onderhavige richtlijn moet in overeenstemming worden gebracht met het besluit van de Raad van 17 juli 2006 (2006/512/EG), hetgeen niets afdoet aan de kern van de richtlijn.

  • [1]  PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 138..
  • [2]  Nog niet in het publicatieblad verschenen.

TOELICHTING

1. Inleidende opmerkingen en procedure

Het voorstel van de Commissie voor de derde Richtlijn betreffende het rijbewijs dateert van 2003. Nadat de eerste lezing in de vijfde zittingsperiode niet meer kon worden afgerond, hervatte de Commissie de werkzaamheden weer volledig in de zesde zittingsperiode in november 2004. In oktober 2004 beschikte de Raad zijnerzijds al in een ‘algemene oriëntatie’ over het resultaat van verschillende debatten over het voorstel.

De rapporteur heeft verschillende uitgangspunten van deze ‘algemene oriëntatie’ overgenomen, zoals bepalingen over de fraudebestendigheid van het document, de definities van de klassen C1, D1, C en D of de volledig gewijzigde bijlage over de examinatoren. De rapporteur legde echter de nadruk op bijzondere accenten die hij het voorstel wilde geven, onder anderen op de gebieden bestrijding van het rijbewijstoerisme, werkelijke vermindering van de grote verscheidenheid aan rijbewijsmodellen in de 25 lidstaten, motorrijwielen en caravans en kampeerwagens.

Een van de hoofdgedachten van de amendementen is de verkeersveiligheid door correcte opleiding en ervaring, evenals de efficiënte bestrijding van rijbewijstoerisme. De grote verscheidenheid aan modellen en verschillende geldigheidsduur zijn in de ogen van de rapporteur onnodige belemmeringen van het vrije verkeer en een inperking van de rechtszekerheid van de EU-burgers. Voor kampeerwagens en caravans zou een pragmatische middenweg tussen veiligheid en zuinigheid moeten worden gevonden.

Na de aanneming van de eerste lezing in februari 2005 vonden intensieve onderhandelingen tussen het Europees Parlement (vertegenwoordigd door de rapporteur, de schaduwrapporteurs en de commissievoorzitters), de Europese Commissie en het voorzitterschap van de Raad van dat moment (Luxemburg, Groot-Brittannië en Oostenrijk) plaats. De belangrijkste punten uit de onderhandelingen waren de vier bovengenoemde onderwerpen; het Parlement slaagde erin de essentie van zijn standpunten te handhaven. Van de 94 amendementen die in eerste lezing door het Europees Parlement werden aangenomen, accepteerde de Raad er 77 geheel of in beginsel, terwijl voor andere belangrijke amendementen compromissen werden gevonden.

Het resultaat van deze onderhandelingen werd in een brief aan de Raad bevestigd: hierna bevestigde de voorzitter van de commissie na overleg met de rapporteur en de schaduwrapporteurs dat hij ermee instemde de leden van de commissie alsmede de plenaire vergadering aan te bevelen het gemeenschappelijk standpunt zonder wijzigingsvoorstellen aan te nemen, voor zover dit gemeenschappelijk standpunt overeenstemt met de overeengekomen tekst.

Het resultaat van de onderhandelingen werd vervolgens in juli 2006 door de Raad definitief als gemeenschappelijk standpunt aangenomen. Deze thans aan het Parlement overhandigde tekst stemt overeen met wat eerder overeengekomen is. Het voorgestelde gemeenschappelijk standpunt bevat de essentiële vernieuwingen waarbij de drie instellingen afzien van kleinere punten zonder het concept in zijn geheel in twijfel te trekken. De rapporteur beveelt daarom aan om het gemeenschappelijk standpunt, dat reeds een compromis is van de drie instellingen en het resultaat van intensieve onderhandelingen, zonder amendementen aan te nemen.

2. Opmerkingen over de afzonderlijke punten van het gemeenschappelijk standpunt:

2.1. Bestrijding van het ‘rijbewijstoerisme’

Met deze tekst wordt een belangrijke stap gezet in de bestrijding van het zogenoemde rijbewijstoerisme. Rijbewijstoerisme houdt in dat een burger die zijn rijbewijs in het land van zijn woonplaats wegens een ernstig vergrijp moest inleveren, een nieuw rijbewijs in een andere lidstaat verkrijgt, die dan in het land van zijn woonplaats moet worden erkend. Op dit punt is het voorstel van het Parlement overgenomen: Een lidstaat weigert een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbevoegdheid in een andere lidstaat beperkt, geschorst of ingetrokken is (art. 11). De lidstaten verlenen elkaar bijstand bij de uitvoering van de Richtlijn (art. 15) en zijn in het bijzonder verplicht om bij de afgifte, vervanging, vernieuwing of omwisseling van een rijbewijs samen met de andere lidstaten onderzoek te verrichten indien een voldoende gegronde verdenking bestaat dat een aanvrager al een rijbewijs heeft. Om deze samenwerking te vereenvoudigen dient een Europees rijbewijsnetwerk voor de uitwisseling van gegevens te worden opgericht. De rapporteur doet hiermee een beroep op de lidstaten om dit rijbewijsnetwerk zo snel mogelijk en in elk geval vanaf de toepassing van de betreffende Richtlijn operationeel te maken.

2.2. Tweewielers: veiligheid door ervaring

Op het gebied van motorrijwielen duiden de statistische gegevens betreffende ongevallen op de grootste behoefte aan optreden. Onder leiding van het parlement is het Beginsel van gefaseerde toegang principieel vastgelegd, hoewel de lidstaten enige flexibiliteit in verband met de minimumleeftijd behouden (vgl. artikel 4, lid 7, nr. 1 c en Bijlage VI). Bij de gefaseerde toegang wordt het opdoen van ervaring op kleinere motorrijwielen gestimuleerd voor men overstapt op een groter motorrijwiel. Belangrijk hierbij is de invoering van aantrekkelijke en in heel Europa geldende voertuigcategorieën A1 en A2, de mogelijke invoering in de lidstaten van een opleiding als alternatief voor examens bij de overgang naar een hogere categorie, alsmede de verhoging van de leeftijd voor de directe toegang tot de motorrijwielen met de hoogste vermogens (zonder voorafgaande praktijkervaring) naar 24 jaar. Voor bromfietsen (brommers) wordt bovendien een nieuwe Europese categorie AM ingevoerd. Voor deze klasse wordt minstens een theorie-examen verplicht, wat de verkeersveiligheid voor juist de meest kwetsbare jongste bestuurders moet verhogen.

2.3. Aanhangers, caravans en kampeerwagens

Het voorstel van de Commissie met betrekking tot aanhangers was zeer restrictief: voor alle aanhangers vanaf 750 kg zou een B+E-rijbewijs (met de daarbij behorende examens) verplicht worden gesteld. Dit kon echter niet door statistische gegevens betreffende ongevallen of iets dergelijks worden beargumenteerd. Het Parlement heeft kunnen doordrukken dat de houders van een rijbewijs van de categorie B een aanhanger met een toelaatbare totale massa van meer dan 750 kg mogen trekken, voor zover de toelaatbare totale massa van de aanhangercombinatie niet meer bedraagt dan 4250 kg. Indien de toelaatbare totale massa van de aanhangercombinatie meer bedraagt dan 3500 kg, dan is, afhankelijk van de voorschriften van de lidstaat, een opleiding en/of examen verplicht (zie Bijlage V).

Voor kampeerwagens was de Raad niet bereid een vergelijkbaar systeem in te voeren; hiervoor zal de gewichtsgrens voor de categorie B 3500 kg blijven.

2.4. Vermindering van de bestaande grote verscheidenheid aan rijbewijsmodellen: een Europees rijbewijs

Er zijn thans meer dan 110 verschillende rijbewijsmodellen in omloop wat de controle in de praktijk meer dan bemoeilijkt. Daarom worden deze door één enkel rijbewijsmodel in creditcardformaat vervangen. Ten laatste 6 jaar na het van kracht worden moeten alle nieuw afgegeven rijbewijzen al beantwoorden aan het nieuwe model. De lidstaten kunnen een opslagmedium (microchip) als onderdeel van het rijbewijs invoeren. De verworven rechten betreffende het rijbewijs van voor het begin van de toepassing van deze Richtlijn blijven in elk geval onverminderd van kracht (art. 13, lid 2).

Bovendien moeten de lidstaten garanderen dat ten laatste 26 jaar na het van kracht worden van de Richtlijn alle in omloop zijnde rijbewijzen overeenkomen met het nieuwe creditcardmodel (art. 3, lid 3). De rapporteur betreurt de lengte van deze termijn, maar vertrouwt erop dat in de praktijk de omwisseling sneller zal plaatsvinden.

Door een beperkte geldigheidsduur voor rijbewijzen in te voeren kunnen bovendien de vermelde gegevens en foto’s worden bijgewerkt en regelmatig nieuwe veiligheidskenmerken worden ingevoerd. Dit betekent echter niet dat de Europese Unie verplichte herhalingstests, geneeskundige keuringen of oogtests zal voorschrijven; de lidstaten kunnen beslissen of ze bij de vernieuwing dergelijke tests, die vanaf een bepaalde leeftijd en in bepaalde omstandigheden zeker aan de verkeersveiligheid zouden bijdragen, al dan niet houden.

2.5. Opleiding en nascholing van examinatoren (artikel 10)

Dit onderwerp is slechts een voorbeeld van de verdere voordelen van de nieuwe Richtlijn. Hoewel het rijbewijs zelf wederzijds wordt erkend, bestaan er thans geen geharmoniseerde regelingen met betrekking tot examinatoren. De Richtlijn zal deze onhoudbare situatie veranderen en door middel van Bijlage IV tot in detail de gestelde eisen voor examinatoren regelen. Zo worden de noodzakelijke onderdelen van de basiskwalificatie, eisen voor regels inzake kwaliteitsgarantie, alsmede eisen voor regelmatige nascholingsprogramma’s voor examinatoren vastgelegd.

3. Afsluitende evaluatie

Het gemeenschappelijk standpunt is niet alleen een compromis tussen 25 lidstaten met zeer verschillende tradities, houdingen en ervaringen ten aanzien van het rijbewijs en het besturen van verschillende voertuigen. Het spreekt voor zich dat niet aan alle verwachtingen van de betrokkenen – lidstaten, parlementsleden en zeer uiteenlopende betrokken groepen – volledig kon worden voldaan.

Het compromis, zoals dat nu ligt besloten in het gemeenschappelijk standpunt, vormt echter een belangrijke stap in de goede richting. Naast de noodzakelijke harmonisering op Europees niveau wordt indien nodig op beslissingen het subsidiariteitsbeginsel toegepast.

Om deze redenen beveelt de rapporteur aan het gemeenschappelijk standpunt goed te keuren met de vijf "comitologie-amendementen" die in de Commissie vervoer en toerisme zijn aangenomen..

PROCEDURE

Titel

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs

Document- en procedurenummers

9010/1/2006 – C6-0312/2006 – 2003/0252(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

1.12.2005

T6-0041/2005

Voorstel van de Commissie

COM(2003)0621 – C5-0610/2003

Gewijzigd voorstel van de Commissie

 

Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt

28.9.2006

Commissie ten principale
Datum bekendmaking

TRAN
28.9.2006

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Mathieu Grosch
22.8.2006

Vervangen rapporteur(s)

 

Behandeling in de commissie

10.10.2006

21.11.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

22.11.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

31
2
2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gabriele Albertini, Margrete Auken, Etelka Barsi-Pataky, Philip Bradbourn, Paolo Costa, Michael Cramer, Arūnas Degutis, Christine De Veyrac, Petr Duchoň, Saïd El Khadraoui, Roland Gewalt, Mathieu Grosch, Ewa Hedkvist Petersen, Jeanine Hennis-Plasschaert, Stanisław Jałowiecki, Georg Jarzembowski, Dieter-Lebrecht Koch, Jaromír Kohlíček, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Jörg Leichtfried, Fernand Le Rachinel, Bogusław Liberadzki, Eva Lichtenberger, Robert Navarro, Josu Ortuondo Larrea, Willi Piecyk, Luís Queiró, Reinhard Rack, Luca Romagnoli, Gilles Savary, Renate Sommer, Ulrich Stockmann, Georgios Toussas, Marta Vincenzi, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Johannes Blokland, Markus Ferber, Anne E. Jensen, Sepp Kusstatscher, Antonio López-Istúriz White, Helmuth Markov, Francesco Musotto, Aldo Patriciello, Ari Vatanen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid  2)

Brian Simpson

Datum indiening

27.11.2006

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...