AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's

9.3.2007 - (12131/6/06 – C6‑0038/2007 – 2006/0005(COD)) - ***II

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Rapporteur: Richard Seeber

Procedure : 2006/0005(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0064/2007
Ingediende teksten :
A6-0064/2007
Aangenomen teksten :

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's

(12131/6/06 – C6‑0038/2007 – 2006/0005(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (12131/6/06 – C6‑0038/2007),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt[1] inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0015)[2],

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6‑0064/2007),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, zoals geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Gemeenschappelijk standpunt van de RaadAmendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 2

(2) Overstromingen zijn natuurverschijnselen die niet kunnen worden voorkomen. Wel dragen sommige menselijke activiteiten en de klimaatverandering ertoe bij dat de kans op overstromingen en de omvang van de daardoor veroorzaakte negatieve effecten toenemen.

(2) Overstromingen zijn natuurverschijnselen die niet kunnen worden voorkomen. Wel dragen sommige menselijke activiteiten (zoals het toenemende aantal woningen en bedrijven in uiterwaarden, alsmede erosie en afname van de natuurlijke wateropnamecapaciteit van de grond door het kappen van bossen en de ontplooiing van agrarische activiteiten in stroomgebieden) en de klimaatverandering ertoe bij dat de kans op overstromingen en de omvang van de daardoor veroorzaakte negatieve effecten toenemen.

Motivering

Heropneming van het licht gewijzigde amendement uit de eerste lezing, ten behoeve van grotere duidelijkheid (ex overweging 2).

Amendement 2

Overweging 4

(4) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid voorziet met het oog op een goede ecologische en chemische toestand in de ontwikkeling van beheersplannen voor de stroomgebieden, en zal bijdragen tot afzwakking van de gevolgen van overstromingen. Die richtlijn is evenwel niet prioritair gericht op de vermindering van het overstromingsrisico en houdt evenmin rekening met eventuele toekomstige risico's van door de klimaatverandering veroorzaakte overstromingen.

(4) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid voorziet met het oog op een goede ecologische en chemische toestand in de ontwikkeling van beheersplannen voor de stroomgebieden, en zal bijdragen tot afzwakking van de gevolgen van overstromingen. Die richtlijn is evenwel niet prioritair gericht op de vermindering van het overstromingsrisico. Met dat risico, dat in de toekomst veelvuldiger zal optreden als gevolg van de klimaatverandering, wordt evenmin rekening gehouden.

Motivering

Heropneming van het linguïstisch licht gewijzigde amendement uit de eerste lezing (ex overweging 9). Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat overstromingsrisicopreventie moet worden versterkt, teneinde grotere gevaren als gevolg van de klimaatverandering te voorkomen. Klimaatverandering moet echter niet voor elke afzonderlijke voorzorgsmaatregel als reden worden aangevoerd, omdat dit gepaard zou gaan met aanzienlijke en grotendeels niet te rechtvaardigen kosten en vertragingen bij de opstelling van plannen voor gebieden waarvoor geen betrouwbare gegeven voorhanden zijn.

Amendement 3

Overweging 8 bis (nieuw)

 

(8 bis) Bij het opstellen en uitvoeren van al hun beleidslijnen, met inbegrip van beleid op het gebied van vervoer, ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling, industrialisering, landbouw, cohesie, energie en onderzoek, dienen de lidstaten en de Gemeenschap rekening te houden met de bepalingen voor een duurzaam overstromingsrisicobeheer.

Motivering

Heropneming van het amendement uit eerste lezing. Er zijn veel aanwijzingen dat ondoordacht beleid op het gebied van ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en industrialisering het gevaar van overstromingen sterk verhoogt. Een doelmatig overstromingsrisicobeheer moet worden geïntegreerd in andere belangrijke beleidsterreinen, volgens het beginsel van geïntegreerd stroomgebiedbeheer. Nauwe coördinatie met andere maatregelen die van invloed zijn op het overstromingsrisicobeheer alsook met maatregelen die juist gevolgen kunnen ondervinden van het overstromingsrisicobeheer, is noodzakelijk.

Amendement 4

Overweging 9

(9) In de Gemeenschap komen verschillende soorten overstromingen voor: rivieren treden buiten hun oevers, er doen zich stortvloeden voor, stedelijke gebieden komen onder water te staan, en in kustgebieden veroorzaakt de zee overstromingen. De overstromingsschade verschilt in de Gemeenschap van land tot land en van regio tot regio. Doelstellingen op het gebied van overstromingsrisicobeheer moeten daarom door de lidstaten zelf worden vastgesteld en gebaseerd zijn op de lokale en regionale omstandigheden.

(9) In de Gemeenschap komen verschillende soorten overstromingen voor: rivieren treden buiten hun oevers, er doen zich stortvloeden voor, stedelijke gebieden komen onder water te staan, riolen lopen over, en in kustgebieden veroorzaakt de zee overstromingen. De overstromingsschade verschilt in de Gemeenschap van land tot land en van regio tot regio. Doelstellingen op het gebied van overstromingsrisicobeheer moeten daarom door de lidstaten zelf worden vastgesteld en gebaseerd zijn op de lokale en regionale omstandigheden.

Motivering

Heropneming van de tekst uit de eerste lezing (overweging 15). Ook overstroming van riolen dient onder deze richtlijn te vallen.

Amendement 5

Overweging 10

(10) In dunbevolkte of onbevolkte gebieden en in gebieden met weinig economische activa of een geringe ecologische waarde kan het overstromingsrisico doorgaans als niet-significant worden beschouwd. In ieder stroomgebiedsdistrict of in iedere beheerseenheid moeten de overstromingsrisico's en de noodzaak van bijkomende maatregelen worden geëvalueerd.

(10) In dunbevolkte of onbevolkte gebieden en in gebieden met weinig economische activa of een geringe ecologische waarde kan het overstromingsrisico doorgaans als niet-significant worden beschouwd. In ieder stroomgebiedsdistrict of in iedere beheerseenheid moeten de overstromingsrisico's en de noodzaak van bijkomende maatregelen - zoals ramingen van het potentieel voor overstromingsbescherming - worden geëvalueerd.

Motivering

Heropneming, met wijziging, van de tekst uit de eerste lezing (ex overweging 16).

Amendement 6

Overweging 11

(11) Om over een doeltreffend informatie-instrument en een nuttige basis voor het vaststellen van prioriteiten en technische, financiële en politieke besluiten betreffende het beheer van overstromingsrisico's te kunnen beschikken, moeten er overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten worden opgesteld waarin de mogelijke negatieve gevolgen van de verschillende overstromingsscenario's worden aangegeven.

(11) Om over een doeltreffend informatie-instrument en een nuttige basis voor het vaststellen van prioriteiten en technische, financiële en politieke besluiten betreffende het beheer van overstromingsrisico's te kunnen beschikken, moeten er overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten worden opgesteld waarin de mogelijke negatieve gevolgen - met inbegrip van het risico van milieuverontreiniging als gevolg van overstromingen - van de verschillende overstromingsscenario's worden aangegeven. In verband hiermee dienen de lidstaten rechtstreekse en indirecte subsidies voor activiteiten die een groter overstromingsrisico tot gevolg hebben, aan een herbeoordeling te onderwerpen.

Motivering

Heropneming van het amendement bij eerste lezing (ex overweging 17) ten behoeve van grotere duidelijkheid.

Daar in artikel 6, lid 5, van de richtlijn is bepaald dat de mogelijke negatieve gevolgen van overstromingen moeten worden vastgelegd op overstromingsrisicokaarten, moeten om redenen van coherentie vooral de risico's in verband met milieuvervuiling als gevolg van overstromingen in de overwegingen worden opgenomen.

Amendement 7

Overweging 12

(12) Om de negatieve gevolgen van overstromingen voor het betrokken gebied te voorkomen en te beperken, moeten overstromingsrisicobeheersplannen worden opgesteld. Zowel de oorzaken als de gevolgen van overstromingen verschillen in de Gemeenschap van land tot land en van regio tot regio. In de overstromingsrisicobeheersplannen moet derhalve rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de gebieden die zij bestrijken en worden voorzien in oplossingen die zijn toegesneden op de behoeften en prioriteiten van deze gebieden, terwijl tegelijkertijd moet worden gezorgd voor coördinatie binnen de stroomgebiedsdistricten.

(12) Om de negatieve gevolgen van overstromingen voor het betrokken gebied te voorkomen en te beperken, moeten overstromingsrisicobeheersplannen worden opgesteld. Zowel de oorzaken als de gevolgen van overstromingen verschillen in de Gemeenschap van land tot land en van regio tot regio. In de overstromingsrisicobeheersplannen moet derhalve rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de gebieden die zij bestrijken, alsook met industriële en agrarische installaties en andere mogelijke bronnen van verontreiniging in het betrokken gebied, met het oog op het voorkomen van daarmee samenhangende verontreinigingen, en moet worden voorzien in oplossingen die zijn toegesneden op de behoeften en prioriteiten van deze gebieden, terwijl tegelijkertijd moet worden gezorgd voor passende coördinatie binnen de stroomgebiedsdistricten. De lidstaten dienen met name af te zien van maatregelen die het gevaar van overstromingen in andere lidstaten vergroten, en zij dienen op hun eigen grondgebied compensatiemogelijkheden te zoeken voor inperkingen van de natuurlijke loop van een rivier.

Motivering

Heropneming van het amendement uit eerste lezing. Overstromingen zijn een natuurverschijnsel, en vormen alleen een risico voor mensen en economische activiteiten in uiterwaarden. Daar overstromingen vaak worden gevolgd door milieuverontreiniging vanwege industriële, agrarische en andere installaties in het betrokken gebied, moet in de overstromingsrisicobeheersplannen ook rekening worden gehouden met waarschijnlijke bronnen van verontreiniging.

Amendement 8

Overweging 13

(13) In de overstromingsrisicobeheersplannen moet speciale aandacht uitgaan naar preventie, bescherming en paraatheid. De elementen van de overstromingsrisicobeheersplannen moeten periodiek geëvalueerd en, indien nodig, bijgewerkt worden, met inachtneming van de waarschijnlijke gevolgen van de klimaatverandering voor de kans op overstromingen.

(13) In de overstromingsrisicobeheersplannen moet speciale aandacht uitgaan naar preventie, bescherming en paraatheid. De elementen van de overstromingsrisicobeheersplannen moeten periodiek geëvalueerd en, indien nodig, bijgewerkt worden, met inachtneming van de waarschijnlijke gevolgen van de klimaatverandering voor de kans op overstromingen.

Motivering

Taalkundige wijziging in Duitstalige versie, niet van toepassing op Nederlandstalige versie.

Amendement 9

Overweging 14

(14) Het solidariteitsbeginsel is van groot belang in het kader van het overstromingsrisicobeheer. Het moet lidstaten aanmoedigen om te streven naar een billijke verdeling van de verantwoordelijkheden, wanneer in het kader van het overstromingsrisicobeheer langs een waterloop gezamenlijk maatregelen worden genomen die tot gemeenschappelijk voordeel strekken.

(14) Het solidariteitsbeginsel is van groot belang in het kader van het overstromingsrisicobeheer. Het moet lidstaten ertoe aanmoedigen gezamenlijk maatregelen te nemen die tot gemeenschappelijk voordeel strekken. Daarbij moet worden gestreefd naar een billijke verdeling van de verantwoordelijkheden. Het solidariteitsbeginsel houdt in dat lidstaten samenwerken bij het opstellen van plannen en het nemen van maatregelen om overstromingen te voorkomen en dat zij afzien van maatregelen die het risico van overstromingen in een andere lidstaat vergroten, tenzij een dergelijke maatregel deel uit maakt van een gemeenschappelijk plan.

Motivering

In overweging 14 van het gemeenschappelijk standpunt worden lidstaten ertoe aangemoedigd te streven naar een billijke grensoverschrijdende verdeling van de verantwoordelijkheid voor gezamenlijke maatregelen die gevolgen hebben in twee of meer landen. Hierbij staat de billijke verdeling van verantwoordelijkheden voorop, niet het zoeken naar mogelijke gezamenlijke maatregelen. Een belangrijk voordeel van de richtlijn moet zijn dat lidstaten ertoe worden aangemoedigd over hun grenzen heen te zoeken naar maatregelen die gevolgen hebben in twee of meer landen.

Amendement 10

Overweging 16

(16) Het opstellen van stroomgebiedbeheersplannen in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en van overstromingsrisicobeheersplannen in het kader van de onderhavige richtlijn maakt deel uit van een geïntegreerd stroomgebiedbeheer. De twee processen moeten daarom gebruik maken van het potentieel voor gemeenschappelijke synergieën en voordelen, rekening houdend met de milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG; daarbij moet worden gezorgd voor een efficiënte aanpak en een verstandig gebruik van middelen en moet worden bedacht dat het in de onderhavige richtlijn om andere bevoegde autoriteiten en beheerseenheden kan gaan dan in Richtlijn 2000/60/EG.

(16) Het opstellen van stroomgebiedbeheersplannen in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en van overstromingsrisicobeheersplannen in het kader van de onderhavige richtlijn maakt deel uit van een geïntegreerd stroomgebiedbeheer. De twee processen moeten daarom gebruik maken van het potentieel voor gemeenschappelijke synergieën en voordelen, rekening houdend met de milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG; daarbij moet worden gezorgd voor een efficiënte aanpak en een verstandig gebruik van middelen.

Motivering

Overstromingsrisicobeheer is een belangrijk onderdeel van het geïntegreerde stroomgebiedsbeheer dat bij richtlijn 2000/60/EG werd ingevoerd. Teneinde te kunnen profiteren van het potentieel voor synergieën en voordelen van de richtlijnen en om efficiëntie en verstandig gebruik van hulpbronnen te waarborgen, moet in het kader van deze richtlijn dezelfde beheerseenheid worden ingesteld.

Amendement 11

Overweging 16 bis (nieuw)

(16 bis) De lidstaten baseren hun beoordelingen, kaarten en plannen op de beste beschikbare gegevens, praktijken en technologieën op het gebied van overstromingsrisicobeheer.

Motivering

Samenvoeging en verduidelijking van twee amendementen uit de eerste lezing (ex overwegingen 22 en 24) met betrekking tot het toepassen van nieuwe praktijken en technologieën ter bescherming van de burger.

Amendement 12

Overweging 17

(17) Met betrekking tot het multifunctionele gebruik van waterlichamen voor duurzame menselijke activiteiten (onder meer op het gebied van overstromingsrisicobeheer, ecologie, de binnenvaart of de opwekking van waterkracht) en de gevolgen van dat gebruik op de waterlichamen, voorziet Richtlijn 2000/60/EG in een duidelijk en transparant proces, waarbij in artikel 4 onder meer afwijkingen van de doelstellingen inzake de "goede toestand" en/of het "niet-vóórkomen van achteruitgang" worden toegestaan.

(17) Met betrekking tot het multifunctionele gebruik van waterlichamen voor duurzame menselijke activiteiten (onder meer op het gebied van overstromingsrisicobeheer, ecologie, de binnenvaart of de opwekking van waterkracht) en de gevolgen van dat gebruik op de waterlichamen, voorziet Richtlijn 2000/60/EG in een duidelijk en transparant proces, waarbij in artikel 4 onder meer afwijkingen van de doelstellingen inzake de "goede toestand" en/of het "niet-vóórkomen van achteruitgang" worden toegestaan. Het beginsel van terugwinning van kosten, met inbegrip van milieu- en hulpbronkosten, dient van toepassing te zijn op overstromingsrisicobeheersmaatregelen en -infrastructuur, in overeenstemming met Richtlijn 2000/60/EG.

Amendement 13

Overweging 18 bis (nieuw)

(18 bis) De Commissie dient met name de bevoegdheid te krijgen om de opmaakvoorschriften voor de verwerking van gegevens, met inbegrip van statistische en cartografische gegevens, alsook de voorschriften voor de transmissie van die gegevens aan de Commissie vast te stellen, en de bijlage aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Daar het hierbij gaat om maatregelen met een algemene strekking, die een wijziging inhouden van niet-wezenlijke bepalingen van deze richtlijn door middel van de toevoeging van nieuwe niet-wezenlijke bepalingen, dienen dergelijke maatregelen te worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing krachtens artikel 5 van Besluit 1999/468/EG.

Motivering

Dit amendement zorgt voor de noodzakelijke aanpassing aan de nieuwe comitologieprocedure.

Amendement 14

Artikel 1

Met deze richtlijn wordt beoogd een kader voor de beoordeling en het beheer van overstromings­risico's vast te stellen, teneinde de negatieve gevolgen die overstromingen in de Gemeenschap voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid met zich meebrengen, te beperken.

Met deze richtlijn wordt beoogd een kader voor de beoordeling en het beheer van overstromings­risico's vast te stellen, teneinde de negatieve gevolgen die overstromingen in de Gemeenschap voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid met zich meebrengen, te beperken. Voorts draagt zij bij tot de verwezenlijking van de milieudoelstellingen die zijn vastgelegd in reeds van kracht zijnde Gemeenschapswetgeving.

Motivering

Heropneming van het amendement uit eerste lezing (amendement 27). Het is van groot belang dat het kader voor het beheren van overstromingsrisico's ook bijdraagt tot het behalen van doelen in andere communautaire wetgeving.

Amendement 15

Artikel 3, lid 2, alinea 1

2. Voor de toepassing van deze richtlijn kunnen de lidstaten evenwel:

a) een andere bevoegde autoriteit aanwijzen dan die welke uit hoofde van artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG is aangewezen;

2. Voor de toepassing van deze richtlijn kunnen de lidstaten evenwel een andere bevoegde autoriteit aanwijzen dan die welke uit hoofde van artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG is aangewezen;

b) bepaalde kustgebieden of afzonderlijke stroomgebieden vaststellen en deze toewijzen aan een andere beheerseenheid dan die waaraan ze overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG zijn toegewezen.

 

Motivering

Overstromingsrisicobeheer is een belangrijk onderdeel van het geïntegreerde stroomgebiedsbeheer dat bij richtlijn 2000/60/EG werd ingesteld. Om te profiteren van het potentieel voor gemeenschappelijke synergieën en voordelen van de twee richtlijnen en om efficiëntie en een verstandig gebruik van middelen te waarborgen, moet in het kader van deze richtlijn dezelfde beheerseenheid worden gebruikt.

Amendement 16

Artikel 4, lid 2, inleidende formule

2. Een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt opgesteld ter beoordeling van mogelijke risico's op basis van beschikbare of gemakkelijk af te leiden informatie, zoals registraties. De beoordeling omvat ten minste de volgende elementen:

2. Een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt opgesteld ter beoordeling van mogelijke risico's op basis van beschikbare of gemakkelijk af te leiden informatie, zoals registraties en onderzoeken naar ontwikkelingen op de lange termijn, in het bijzonder naar klimaatverandering. De beoordeling omvat ten minste de volgende elementen:

Motivering

Samenvoeging en verduidelijking van amendementen uit de eerste lezing (ex art. 4, lid 2, onder c), e) en f)).

Bij de voorlopige beoordeling dient alleen rekening te worden gehouden met reeds bestaande onderzoeken naar ontwikkelingen op de lange termijn, met name op het gebied van klimaatverandering.

Amendement 17

Artikel 4, lid 2, letter a)

a) kaarten van het stroomgebiedsdistrict met een geschikte schaal, waarop de grenzen van de stroomgebieden, de deelstroomgebieden en, eventueel de kustgebieden worden aangegeven, alsmede de topografie en het grondgebruik;

a) kaarten van het stroomgebiedsdistrict met een geschikte schaal, waarop de grenzen van de stroomgebieden, de deelstroomgebieden en de kustgebieden worden aangegeven, alsmede de topografie en het grondgebruik;

Motivering

Menselijke activiteiten zijn geconcentreerd in kustgebieden en deze zijn bij uitstek blootgesteld aan de te verwachten effecten van de klimaatverandering. Daarom moeten alle kustgebieden in de voorlopige overstromingsrisicobeoordeling worden opgenomen.

Amendement 18

Artikel 4, lid 2, inleidende formule vóór letter d)

en indien van toepassing:

schrappen

Motivering

Getracht wordt te komen tot een compromis tussen de opvatting van het Parlement in eerste lezing (i.e. geen beperking in de formulering) en het gemeenschappelijk standpunt van de Raad.

Amendement 19

Artikel 4, lid 2, letter d)

d) een beoordeling van de mogelijke negatieve gevolgen van toekomstige overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid, rekening houdend, voor zover mogelijk, met kwesties als de topografie, de ligging van waterlopen en hun algemene hydrologische en geomorfologische kenmerken, de locatie van bevolkte gebieden, gebieden met economische bedrijvigheid en ontwikkelingen op lange termijn, waaronder de effecten van klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen.

d) een beoordeling van de mogelijke negatieve gevolgen van toekomstige overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid, rekening houdend, voor zover mogelijk, met kwesties als de topografie, de ligging van waterlopen en hun algemene hydrologische en geomorfologische kenmerken, de rol van uiterwaarden die het overstromingswater op natuurlijke wijze vasthouden/bufferen, de locatie van bevolkte gebieden, gebieden met economische bedrijvigheid en ontwikkelingen op lange termijn, waaronder de effecten van klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen. Boven bedoelde beoordelingen kunnen achterwege blijven als de omstandigheden ter plaatse dit toelaten.

Motivering

Heropneming van het amendement uit de eerste lezing (ex art. 4, lid 2, letter c)), daar uiterwaarden, zoals bekend, van groot belang zijn voor overstromingsbescherming.

Voorts is dit amendement een poging een compromis te bereiken tussen het standpunt uit de eerste lezing door het Parlement en het gemeenschappelijk standpunt van de Raad.

Amendement 20

Artikel 4, lid 2, letter d) bis (nieuw)

d bis) indien nodig, een beoordeling van de effectiviteit van bestaande kunstmatige infrastructuur voor waterkering, rekening houdend met het reële schadepreventievermogen en de economische en ecologische effectiviteit ervan;

Motivering

Heropneming van het amendement uit eerste lezing (ex artikel 4, lid 2, letter h)).

Amendement 21

Artikel 4, lid 4

4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voorlopige overstromingsrisicobeoordeling uiterlijk op 22 december 2012 voltooid is.

4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voorlopige overstromingsrisicobeoordeling uiterlijk op 22 december 2010 voltooid is.

Motivering

Heropneming van de oorspronkelijk vastgestelde termijnen van het Parlement, ter versterking van de procedure (ex artikel 6, lid 1; gewijzigd).

Amendement 22

Artikel 5, lid 1

1. Op basis van een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling, als bedoeld in artikel 4, stellen de lidstaten voor ieder stroomgebiedsdistrict of iedere in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheid of voor het deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict dat op hun grondgebied is gelegen, de gebieden vast waarvoor zij concluderen dat een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of redelijkerwijs kan worden verwacht.

1. Op basis van een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling, als bedoeld in artikel 4, stellen de lidstaten voor ieder stroomgebiedsdistrict of iedere in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheid of voor het deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict dat op hun grondgebied is gelegen, de gebieden vast waarvoor zij concluderen dat een significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht.

Motivering

Taalkundige vereenvoudiging ten behoeve van de begrijpelijkheid en de rechtszekerheid.

Amendement 23

Artikel 6, lid 3, letter c)

c) grote kans op overstromingen, indien van toepassing.

c) grote kans op overstromingen, waar mogelijk.

Motivering

Compromis tussen het standpunt van het Parlement (geen uitzonderingsmogelijkheid, ex artikel 7, lid 2) en het huidige standpunt van de Raad. Ten behoeve van de bescherming van de burgers moet zo veel mogelijk rekening worden gehouden met overstromingen met een hoge waarschijnlijkheid. De bevoegde instanties mogen hier alleen van afzien als het niet mogelijk is daarmee rekening te houden en/of wanneer zij daarvoor plausibele redenen kunnen aanvoeren.

Amendement24

Artikel 6, lid 4, letter c) bis (nieuw)

 

c bis) uiterwaarden en andere natuurlijke gebieden die het water nu of in de toekomst kunnen vasthouden of bufferen.

Motivering

Heropvoering van het amendement uit eerste lezing (amendement 156). Niet-ontwikkelde gebieden die op natuurlijke wijze onder water kunnen lopen (bijv. uiterwaarden) en die een waardevolle functie vervullen als wateropslagbekken zouden, als zij niet voorkomen op overstromingsrisicokaarten en in -beheersplannen, kunnen worden aangewezen voor ontwikkeling. In dat geval zouden zij hun belangrijke functie bij de vermindering van het overstromingsrisico geheel of gedeeltelijk verliezen en zouden de daar gebouwde objecten gevaar zouden lopen. Derhalve moeten deze gebieden en de functies die zij vervullen opgenomen/meegewogen worden in de krachtens deze richtlijn op te stellen overstromingsrisicokaarten en -beheersplannen.

Amendement 25

Artikel 6, lid 5, letter c)

c) de installaties als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie ter bestrijding van verontreiniging die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de uit hoofde van bijlage IV, punt 1, onder i), iii) en v), bij Richtlijn 2000/60/EG aangewezen beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn;

c) de installaties als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie ter bestrijding van verontreiniging die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de uit hoofde van bijlage IV, punt 1 bij Richtlijn 2000/60/EG aangewezen beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn;

Motivering

Heropvoering van het amendement uit eerste lezing (amendement 49) Het in artikel 6 van richtlijn 2000/60/EG voorgeschreven register van beschermde gebieden moet ook de nutriëntengevoelige gebieden en de voor bescherming van economisch significante aquatische plant- en diersoorten aangewezen gebieden omvatten. Ingevolge artikel 10 van richtlijn 2000/60/EG, moeten de lidstaten een gecombineerde aanpak volgen voor puntbronnen en diffuse bronnen van verontreiniging.

Amendement 26

Artikel 6, lid 5, letter d)

d) andere informatie die de lidstaat nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen.

d) voor zover beschikbaar, informatie over mogelijke andere puntbronnen en diffuse bronnen van verontreiniging en andere informatie die de lidstaat nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen, alsmede uiterwaarden en andere natuurlijke gebieden die kunnen dienen om het water nu of in de toekomst vast te houden of te bufferen.

Motivering

Andere puntbronnen dan bedoeld in richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (de IPPC-richtlijn) of mogelijke diffuse verontreinigingsbronnen moeten worden uitgesloten als daarover in de lidstaten informatie beschikbaar is.

Heropneming van het standpunt van het Parlement in eerste lezing (zie eerste deel van de motivering bij am. 12).

Amendement 27

Artikel 7, lid 1

1. Op basis van de in artikel 4 bedoelde kaarten stellen de lidstaten overeenkomstig de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel per stroomgebiedsdistrict of per in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheid gecoördineerde overstromingsrisicobeheersplannen op voor de in artikel 5, lid 1, en de in artikel 13, lid 1, onder b), bedoelde gebieden.

1. Op basis van de in artikel 4 bedoelde kaarten stellen de lidstaten overeenkomstig de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel per stroomgebiedsdistrict of per in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheid gecoördineerde overstromingsrisicobeheersplannen op voor de in artikel 5, lid 1, en de in artikel 13, lid 1, onder b), bedoelde gebieden en geven zij uitvoering aan deze plannen.

Motivering

Heropneming van de oorspronkelijke formulering van de Commissie om te verduidelijken dat de lidstaten naast de verplichting zulke plannen op te stellen ook verplicht zijn deze uit te voeren.

Amendement 28

Artikel 7, lid 2

2. De lidstaten stellen adequate doelstellingen vast voor het beheer van de overstromings­risico's in de in artikel 5, lid 1, en de in artikel 13, lid 1, onder b), bedoelde gebieden, waarbij aandacht wordt besteed aan de vermindering van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid, en, indien nodig geacht, aan niet-structurele initiatieven en/of aan de vermindering van de kans op overstromingen.

2. De lidstaten stellen adequate doelstellingen vast voor het beheer van de overstromings­risico's in de in artikel 5, lid 1, en de in artikel 13, lid 1, onder b), bedoelde gebieden, waarbij aandacht wordt besteed aan de vermindering van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid, en aan niet-structurele initiatieven en/of aan de vermindering van de kans op overstromingen. Gebruik van uiterwaarden door de mens dient aangepast te worden aan de vastgestelde overstromingsrisico's.

Motivering

Heropvoering van het amendement uit eerste lezing. Het accent dient te worden verlegd van het traditionele korte-termijnparadigma van kunstmatige waterkeringen, die vaak in gebreke zijn gebleven, naar een alomvattend en geïntegreerd overstromingsrisicobeheer voor de stroomgebieden waarbij meer aandacht wordt gegeven aan niet-structurele, natuurgebonden maatregelen. Een duurzaam overstromingsrisicobeheer richt zich op de onderliggende oorzaken van overstromingen en hun vernietigende gevolgen, niet alleen op de symptomen.

Amendement 29

Artikel 7, lid 3, alinea's 1 en 2

3. Overstromingsrisicobeheersplannen omvatten maatregelen om de overeenkomstig lid 2 vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken, alsmede de in deel A van de bijlage vermelde onderdelen.

3. Met de overstromingsrisicobeheersplannen dienen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde doelstellingen, alsmede de in deel A van de bijlage vermelde onderdelen te worden verwezenlijkt.

Overstromingsrisicobeheersplannen omvatten maatregelen op basis van natuurlijke processen, zoals instandhouding en/of herstel van uiterwaarden om, waar mogelijk, land aan de rivieren terug te geven en in het gehele stroomgebied passende vormen van grondgebruik en land- en bosbouw te bevorderen.

In overstromingsrisicobeheersplannen wordt rekening gehouden met een aantal relevante aspecten, zoals kosten en baten, de omvang van de overstroming en waterafvoerroutes en gebieden met het vermogen om overstromingswater vast te houden, de milieudoelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, bodem- en waterbeheer, ruimtelijke ordening, grondgebruik, natuurbehoud, scheepvaart en haveninfrastructuur.

In overstromingsrisicobeheersplannen wordt rekening gehouden met een aantal relevante aspecten, zoals kosten en baten, de omvang van de overstroming, de rol van uiterwaarden als natuurlijke opvang-/bufferzones tegen overstromingen en bestaande of toekomstige waterafvoerroutes, de milieudoelstellingen in de artikelen 1 en 4 van Richtlijn 2000/60/EG, de doelstellingen van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand* en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna**, bodem- en waterbeheer, ruimtelijke ordening, grondgebruik, natuurbehoud, scheepvaart en haveninfrastructuur.

_______

* PB L 103, 25.4.1979, blz. 1, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. (EG) nr. 807/2003 (PB L 122, 16.5.2003, blz. 36).

** PB L 206, 22.7.1992, blz. 7, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284, 31.10.2003, blz. 1).

Motivering

Het bepaalde in artikel 1 van de kaderrichtlijn Water en de doelstellingen van de Habitatrichtlijn is hier ook van toepassing.

Amendement 30

Artikel 7, lid 3 bis (nieuw)

 

3bis. Maatregelen voor het beheer van het overstromingsrisico, met name maatregelen in verband met de aanleg van infrastructuur, moeten worden onderworpen aan een gedegen en transparante economische en milieubeoordeling, teneinde ervoor te zorgen dat zij ook op de lange termijn nuttig zijn voor burgers en bedrijven. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het beginsel van terugwinning van kosten, met inbegrip van milieukosten en de kosten van hulpbronnen.

Motivering

Heropvoering van het amendement uit eerste lezing (amendement 60). Nu de waterniveaus overal stijgen, bieden traditionele infrastructuurmaatregelen niet langer voldoende bescherming en neemt het gevaar dat zij ineenstorten toe. Daarom moet de doelmatigheid van bestaande infrastructuur op alomvattende wijze worden beoordeeld, ook ten aanzien van milieukosten en kosten van hulpmiddelen. Willen nieuwe maatregelen voor overstromingsbeheer daarom nut opleveren voor de samenleving, dan moeten zij worden onderworpen aan een grondige economische beoordeling.

Amendement 31

Artikel 7, lid 4

4. Overstromingsrisicobeheersplannen die in een lidstaat worden opgesteld, mogen geen maatregelen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere landen in hetzelfde stroomgebied of deelstroomgebied, tenzij deze maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten in het kader van artikel 8 een overeengekomen oplossing bereikt werd.

4. In het belang van de solidariteit moet in de overstromingsrisicobeheersplannen waar nodig rekening worden gehouden met de maatregelen in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen gebieden. Overstromingsrisicobeheersplannen die in een lidstaat worden opgesteld, mogen geen maatregelen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere landen in hetzelfde stroomgebied of deelstroomgebied, tenzij deze maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten in het kader van artikel 8 een overeengekomen oplossing bereikt werd.

Motivering

Met dit amendement wordt beoogd het solidariteitsbeginsel sterker te verwoorden, in lijn met amendement 61 dat in eerste lezing is aanvaard. Het sluit aan bij amendement 1 van dezelfde auteur op overweging 14.

Amendement 32

Artikel 8, lid 1

1. De lidstaten zien erop toe dat voor stroomgebiedsdistricten of de in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheden die volledig tot hun grondgebied behoren, een overstromingsrisicobeheersplan wordt opgesteld, of een geheel van overstromingsrisicobeheersplannen die op het niveau van het stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd.

1. De lidstaten zien erop toe dat voor stroomgebiedsdistricten of de in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheden die volledig tot hun grondgebied behoren, een overstromingsrisicobeheersplan wordt opgesteld, of een geheel van overstromingsrisicobeheersplannen die op het niveau van het stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd. De lidstaten kunnen hierbij, rekening houdend met het bepaalde in de artikelen 4, 5, 6 en 7, gebruikmaken van bestaande plannen en instrumenten als daarmee een vergelijkbare bescherming tegen overstromingen wordt geboden.

Motivering

Dit amendement voorkomt overbodige extra maatregelen in lidstaten die zelf reeds plannen hebben opgesteld en maatregelen hebben genomen. Het sluit aan bij het gemeenschappelijk standpunt, met name bij overweging 21.

Amendement 33

Artikel 8, lid 2

2. De lidstaten zien erop toe dat er voor internationale stroomgebiedsdistricten of de in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheden die volledig tot het grondgebied van de Gemeenschap behoren, coördinatie plaatsvindt met het oog op de opstelling van een internationaal overstromingsrisicobeheersplan, of van een geheel van overstromingsrisicobeheersplannen die op het niveau van het internationale stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd. Bij gebreke aan dergelijke plannen stellen de lidstaten overstromingsrisicobeheersplannen op die ten minste de delen van het internationale stroomgebiedsdistrict bestrijken die tot hun grondgebied behoren en die, voorzover mogelijk, op het niveau van het internationale stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd.

2. De lidstaten zien erop toe dat er voor internationale stroomgebiedsdistricten of de in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beheerseenheden die volledig tot het grondgebied van de Gemeenschap behoren, coördinatie plaatsvindt met het oog op de opstelling van een internationaal overstromingsrisicobeheersplan, of van een geheel van overstromingsrisicobeheersplannen die op het niveau van het internationale stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd. Bij gebreke aan dergelijke plannen stellen de lidstaten overstromingsrisicobeheersplannen op die ten minste de delen van het internationale stroomgebiedsdistrict bestrijken die tot hun grondgebied behoren en die, voorzover mogelijk, op het niveau van het internationale stroomgebiedsdistrict worden gecoördineerd. De lidstaten zien af van maatregelen of acties die het gevaar van overstromingen in stroomafwaarts of stroomopwaarts gelegen gebieden verhogen, tenzij deze deel uitmaken van een gemeenschappelijk plan om het gevaar van overstromingen te verkleinen.

Motivering

Sluit aan bij het gemeenschappelijk standpunt.

Amendement 34

Hoofdstuk V, titel

Coördinatie met Richtlijn 2000/60/EG, voorlichting en raadpleging van het publiek

Coördinatie met Richtlijn 2000/60/EG, deelname en raadpleging van het publiek

Motivering

Actieve betrokkenheid van alle belanghebbenden is een cruciaal element in het overstromingsrisicobeheer, want hierdoor kunnen de meningen, behoeften en belangen van watergebruikers en potentiële overstromingsslachtoffers worden verzameld en meegewogen. Enkel te worden geïnformeerd is niet genoeg.

Amendement 35

Artikel 9, punt 1

1) Het werk dat gepaard gaat met het opstellen van de eerste overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten en de latere, in artikel 6 en artikel 14 van de onderhavige richtlijn bedoelde bijgestelde versies ervan, wordt zo verricht dat de informatie die de kaarten bevatten consistent is met de desbetreffende informatie die overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG wordt verstrekt. Het kan, indien nodig geacht, verder worden gecoördineerd met en geïntegreerd in de in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde toetsingen.

1) Het werk dat gepaard gaat met het opstellen van de eerste overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten en de latere, in artikel 6 en artikel 14 van de onderhavige richtlijn bedoelde bijgestelde versies ervan, wordt zo verricht dat de informatie die de kaarten bevatten consistent is met de desbetreffende informatie die overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG wordt verstrekt. Het wordt verder gecoördineerd met en kan worden geïntegreerd in de in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde toetsingen.

Motivering

Compromis tussen het standpunt van het Parlement en dat van de Raad (ex artikel 13, lid 1). Er dient te worden gestreefd naar coördinatie met de kaderrichtlijn Water, maar integratie blijft facultatief.

Amendement 36

Artikel 9, punt 2

2) Het werk dat gepaard gaat met het opstellen van de eerste overstromingsrisicobeheers­plannen en de latere, in artikel 7 en artikel 14 van de onderhavige richtlijn bedoelde bijgestelde versies ervan, wordt, indien nodig geacht, gecoördineerd met en mogelijk geïntegreerd in de in artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde toetsingen van de stroomgebiedsbeheersplannen.

2) Het werk dat gepaard gaat met het opstellen van de eerste overstromingsrisicobeheers­plannen en de latere, in artikel 7 en artikel 14 van de onderhavige richtlijn bedoelde bijgestelde versies ervan, wordt gecoördineerd met en mogelijk geïntegreerd in de in artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde toetsingen van de stroomgebiedsbeheersplannen.

Motivering

De opstelling van stroomgebiedbeheersplannen in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en van overstromingsrisicobeheersplannen in het kader van deze richtlijn zijn elementen van een geïntegreerd stroomgebiedbeheer. Bij beide processen moet daarom gebruik worden gemaakt van het potentieel voor synergieën en voordelen. De meest kostenefficiënte en duurzame manier om overstromingsrisicobeheersmaatregelen uit te werken, is de beide plannings- en verslaggevingsprocessen te integreren, teneinde verspilling van administratieve en publieke middelen te voorkomen.

Amendement 37

Artikel 9, punt 3

3) De actieve participatie van alle betrokken partijen overeenkomstig artikel 10 van de onderhavige richtlijn wordt, waar passend, gecoördineerd met de actieve participatie van betrokken partijen overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2000/60/EG.

3) De actieve participatie van alle betrokken partijen overeenkomstig artikel 10 van de onderhavige richtlijn wordt gecoördineerd met de actieve participatie van betrokken partijen overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2000/60/EG.

Or. en

Motivering

De opstelling van stroomgebiedbeheersplannen in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en van overstromingsrisicobeheersplannen in het kader van deze richtlijn zijn elementen van een geïntegreerd stroomgebiedbeheer. Bij beide processen moet daarom gebruik worden gemaakt van het potentieel voor synergieën en voordelen. De meest kostenefficiënte en duurzame manier om overstromingsrisicobeheersmaatregelen uit te werken, is de beide plannings- en verslaggevingsprocessen te integreren, teneinde verspilling van administratieve en publieke middelen te voorkomen.

Amendement 38

Artikel 11

1. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure opmaakvoorschriften vaststellen voor de verwerking van, onder meer, statistische en cartografische gegevens en voor de transmissie van die gegevens aan de Commissie. Deze opmaakvoorschriften worden uiterlijk twee jaar voor de respectievelijk in de artikel 4, lid 4, artikel 6, lid 8, en artikel 7, lid 5, genoemde datums vastgesteld en daarbij moet zowel rekening gehouden worden met de bestaande normen als met de modellen die in het kader van toepasselijke besluiten van de Gemeenschap zijn opgesteld.

1. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing opmaakvoorschriften vaststellen voor de verwerking van, onder meer, statistische en cartografische gegevens en voor de transmissie van die gegevens aan de Commissie wanneer dit toevoegingen betreft waarmee niet-wezenlijke bepalingen van deze richtlijn worden gewijzígd. Deze opmaakvoorschriften worden uiterlijk twee jaar voor de respectievelijk in de artikel 4, lid 4, artikel 6, lid 8, en artikel 7, lid 5, genoemde datums vastgesteld en daarbij moet zowel rekening gehouden worden met de bestaande normen als met de modellen die in het kader van toepasselijke besluiten van de Gemeenschap zijn opgesteld.

2. Rekening houdend met de toetsings- en bijstellingstermijnen en overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedures kan de Commissie de bijlage aanpassen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

2. Rekening houdend met de toetsings- en bijstellingstermijnen en overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing kan de Commissie de bijlage aanpassen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Motivering

Deze wijzigingen leiden tot de noodzakelijke aanpassing aan de nieuwe comitologieprocedure.

Amendement 39

Artikel 12, lid 2

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 bis, leden 1 t/m 4, en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

Motivering

Deze wijzigingen leiden tot de noodzakelijke aanpassing aan de nieuwe comitologieprocedure.

Amendement 40

Artikel 13, leden 1 t/m 3

1. De lidstaten kunnen besluiten om geen voorlopige overstromingsrisicobeoordeling als bedoeld in artikel 4 te verrichten voor stroomgebieden, deelstroomgebieden of kustgebieden wanneer zij met betrekking tot die gebieden

a) ofwel al vóór 22 december 2010 middels een risicobeoordeling hebben vastgesteld dat daar een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of redelijkerwijs kan worden verwacht, en zij deze bijgevolg hebben ingedeeld bij de gebieden als bedoeld in artikel 5, lid 1;

1. De lidstaten kunnen besluiten om geen voorlopige overstromingsrisicobeoordeling als bedoeld in artikel 4 te verrichten voor stroomgebieden, deelstroomgebieden of kustgebieden wanneer zij met betrekking tot die gebieden

a) ofwel al vóór ...* middels een risicobeoordeling hebben vastgesteld dat daar een significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht, en zij deze bijgevolg hebben ingedeeld bij de gebieden als bedoeld in artikel 5, lid 1;

b) ofwel al vóór 22 december 2010 hebben besloten de in artikel 7 bedoelde overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten op te stellen en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn overstromingsrisicobeheersplannen op te stellen.

b) ofwel al vóór ...* hebben besloten de in artikel 7 bedoelde overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten op te stellen en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn overstromingsrisicobeheersplannen op te stellen.

2. De lidstaten kunnen besluiten om overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten te gebruiken die vóór 22 december 2010 werden voltooid, indien met die kaarten een informatieniveau wordt geboden dat in overeenstemming is met de vereisten van artikel 6.

2. De lidstaten kunnen besluiten om overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten te gebruiken die vóór ...* werden voltooid, indien met die kaarten een informatieniveau wordt geboden dat voldoet aan de vereisten van deze richtlijn.

3. De lidstaten kunnen besluiten om overstromingsrisicobeheersplannen te gebruiken die vóór 22 december 2010 werden voltooid, mits de inhoud van deze plannen gelijkwaardig is aan de in artikel 7 vastgestelde vereisten.

3. De lidstaten kunnen besluiten om overstromingsrisicobeheersplannen te gebruiken die vóór ...* werden voltooid, mits de inhoud van deze plannen gelijkwaardig is aan de in deze richtlijn vastgestelde vereisten.

 

___________

* Datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

Motivering

Opneming van het EP-standpunt uit eerste lezing (ex artikel 17). In de lidstaten eerder verrichte activiteiten worden erkend wanneer deze uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn waren afgerond. Verlenging van de overgangstermijn tot 2010 is niet zinvol, omdat dit niet in overeenstemming is met de idee van behoud van verworvenheden en het gevaar bestaat dat de doelstellingen van de richtlijn worden omzeild.

De gewijzigde structuur van de tekst zorgt ervoor dat ook de doelen van de richtlijn die via een wijziging van de bijlage worden nagestreefd ("deze richtlijn"), worden verwezenlijkt.

Bovendien is de formulering ("voldoen aan", ex artikel 17, lid 2) overgenomen.

Amendement 41

Artikel 16

De Commissie legt uiterlijk op 22 december 2018 en daarna om de zes jaar een verslag over de toepassing van deze richtlijn voor aan het Europees Parlement en de Raad.

De Commissie legt uiterlijk op 22 december 2018 en daarna om de zes jaar een verslag over de toepassing van deze richtlijn voor aan het Europees Parlement en de Raad. Bij de opstelling van dit verslag wordt rekening gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering.

Motivering

Standpunt van het EP uit eerste lezing (ex artikel 19). De negatieve effecten van de klimaatverandering mogen met name in deze richtlijn niet buiten beschouwing blijven en dienen derhalve op deze plek expliciet te worden genoemd.

Amendement 42

Bijlage, kopje A, deel I, punt 4 bis (/nieuw)

 

4 bis) voorrang geven aan maatregelen ter bevordering van schadepreventie, in het kader van de doelstellingen van het "niet-vóórkomen van achteruitgang" en/of "goede ecologische, chemische en kwantitatieve toestand" in Richtlijn 2000/60/EG, zoals:

 

– bescherming van drasland en uiterwaarden,

 

– herstel van aangetast drasland en aangetaste uiterwaarden (met inbegrip van meanders), met name met het oog op het herstellen van de verbinding van rivieren met hun uiterwaarden,

 

- verwijdering uit rivieren van verouderde kunstmatige infrastructuur ter bescherming tegen overstromingen,

 

- voorkoming van nieuwe bouwprojecten (infrastructuur, huizenbouw, enz.) in uiterwaarden,

 

- bevordering van bouwkundige maatregelen ter verbetering van bestaande gebouwen (zoals pijlerfunderingen),

 

- ondersteuning van duurzame ruimtelijke ordening in stroomgebieden ter verbetering van natuurlijke wateropname en aanvulling van grondwater,

 

- voorafgaande goedkeuring of registratie van permanente activiteiten in uiterwaarden, zoals bebouwing en industriële ontwikkeling.

Motivering

Heropneming van het amendement uit eerste lezing (amendement 37). Zie motivering bij artikel 7, lid 2 (Lienemann).

TOELICHTING

1. Inleiding

De Commissie heeft haar voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's goedgekeurd op 18 januari 2006.

Het Europees Parlement bracht zijn advies in eerste lezing uit op 13 juni 2006.

Het Comité van de Regio's heeft besloten geen advies uit te brengen.

Het Economische en Sociaal Comité bracht zijn advies uit op 17 mei 2006.

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld op 23 november 2006.

2. Achtergrond

Het doel van de richtlijn is een wetgevingskader te scheppen voor de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico's, teneinde de bescherming van de volksgezondheid, het milieu, het cultureel erfgoed en economische activiteiten te kunnen waarborgen. Voor de verwezenlijking van dit doel wordt gekozen voor een drieledige aanpak: als eerste stap wordt een overstromingsrisicobeoordeling gemaakt om gebieden die gevaar lopen aan te wijzen, vervolgens worden zogeheten overstromingsrisicokaarten opgesteld en daarna worden er plannen opgesteld voor het beheer van de overstromingsrisico's in de betrokken stroomgebieden. Gezien de geografisch en waterloopkundig uiteenlopende omstandigheden en ongelijke bebouwingsstructuren biedt de richtlijn de lidstaten een aanzienlijke mate van flexibiliteit bij de vaststelling van het noodzakelijke beschermingsniveau en de daarvoor vereiste omzettingsmaatregelen.

3. Wijzigingen in het gemeenschappelijk standpunt

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad bevat een reeks geheel of gedeeltelijk overgenomen amendementen uit de eerste lezing door het Europees Parlement. Het gemeenschappelijk standpunt heeft de structuur van de richtlijn wezenlijk veranderd. Hoewel de versie van de Raad de structuur gedeeltelijk duidelijker maakt, werden enkele belangrijke door het Parlement voorgestelde wijzigingen niet of in afgezwakte vorm overgenomen.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dient niet alleen zodanig te worden aangepast dat enkele taalkundige en juridische onnauwkeurigheden worden verduidelijkt, maar ook dient een reeks van amendementen uit de eerste lezing door het Parlement opnieuw in de tekst te worden opgenomen. Om het gemeenschappelijk standpunt te kunnen aanvaarden, acht uw rapporteur het echter absoluut noodzakelijk ook verdergaande verbeteringen aan te brengen ten aanzien van de volgende onderwerpen:

1) Klimaatverandering

Gezien de zich voltrekkende klimaatverandering en het daarmee gepaard gaande publieke debat is het onbegrijpelijk dat bij de voorlopige overstromingsrisicobeoordeling de effecten van de klimaatverandering op het overstromingsrisico niet op passende wijze worden beoordeeld en meegewogen. Uw rapporteur is zich bewust van het feit dat voor een voorlopige beoordeling geen alomvattende nieuwe gegevens kunnen worden verzameld, maar er zou gebruik gemaakt kunnen worden van reeds beschikbare gegevens. De klimaatverandering buiten beschouwing laten in deze fundamentele beoordeling, zou moeilijk uit te leggen zijn aan de Europese burgers.

2) Termijnen

Teneinde te zorgen voor een vlotte procedure worden de oorspronkelijke termijnen voor de afronding van de voorbereidende werkzaamheden opnieuw ingevoerd. Anders dan de Raad is uw rapporteur ervan overtuigd dat er wijzigingen noodzakelijk zijn om door de lidstaten reeds eerder uitgevoerde activiteiten te beschermen. Hiertoe worden amendementen uit de eerste lezing opnieuw ingediend. Een verlenging van de beschermingsclausule tot 2010, dus voorbij de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, acht uw rapporteur niet zinvol, omdat dit niet in overeenstemming is met de idee van bescherming van verworvenheden en tevens omdat het gevaar bestaat dat de doelstellingen van de richtlijn worden omzeild.

3) Comitologie

De bij Besluit 2006/512/EG van de Raad van 17 juli 2006 vastgestelde wijzigingen ten aanzien van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (comitologie) vergen logischerwijs aanpassingen, die derhalve door uw rapporteur in de tekst zijn aangebracht.

4) Coördinatie met de kaderrichtlijn Water

De voorschriften met het oog op de afstemming en de integratie van het onderhavige richtlijnvoorstel met Richtlijn 2000/60/EG worden in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad ingeperkt doordat de verplichting tot nauwe coördinatie vervalt en vrijwilligheid wordt ingevoerd. Bij de opstelling van de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten dient te worden gestreefd naar coördinatie met de kaderrichtlijn Water. Integratie van de kaarten in de kaderrichtlijn dient echter facultatief te blijven.

5) Uiterwaarden en het potentieel voor overstromingsbescherming

De leden staan op het standpunt dat wanneer gebieden die een waardevolle waterretentiefunctie kunnen vervullen buiten beschouwing blijven bij de voorlopige beoordeling en de opstelling van de overstromingsrisicokaarten en beheersplannen, het gevaar bestaat dat er niet voldoende zal worden gedaan om het overstromingsrisico te beperken.

6) Integratie van beleid

Teneinde tot een efficiënt beheer van overstromingsrisico's te komen, dient het beleid hiervoor te worden geïntegreerd met ander op dit gebied relevant beleid.

7) Solidariteitsbeginsel

De leden achten het noodzakelijk dit beginsel expliciet op te nemen in het beleid ten behoeve van stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen landen/regio's.

8) Recht op behoud van verworvenheden

Uw rapporteur en enkele leden zijn van opvatting dat het lidstaten moet worden toegestaan gebruik te maken van reeds uitgevoerde werkzaamheden en werken.

9) Effectiviteit van voorzieningen ter bescherming tegen overstromingen

Sommige leden zijn van mening dat een beoordeling van de economische en ecologische effectiviteit opnieuw moet worden opgenomen.

PROCEDURE

Titel

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's

Document- en procedurenummers

12131/6/2006 - C6-0038/2007 - 2006/0005(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

13.6.2006                     T6-0253/2006

Voorstel van de Commissie

COM(2006)0015 - C6-0020/2006

Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt

18.1.2007

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ENVI
18.1.2007

Geen advies

       Datum besluit

AGRI
21.3.2006

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Richard Seeber
29.11.2005

 

 

Behandeling in de commissie

30.1.2007

 

 

 

Datum goedkeuring

27.2.2007

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Georgs Andrejevs, Liam Aylward, Pilar Ayuso, Irena Belohorská, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Hiltrud Breyer, Martin Callanan, Dorette Corbey, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Jill Evans, Anne Ferreira, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Jens Holm, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Urszula Krupa, Jules Maaten, Linda McAvan, Alexandru-Ioan Morţun, Riitta Myller, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Antonyia Parvanova, Frédérique Ries, Guido Sacconi, Daciana Octavia Sârbu, Karin Scheele, Carl Schlyter, Richard Seeber, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Kathalijne Maria Buitenweg, Christofer Fjellner, Milan Gaľa, Hélène Goudin, Jutta Haug, Karin Jöns, Henrik Lax, Andres Tarand

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Catherine Stihler, Elisa Ferreira

Datum indiening

9.3.2007                                          A6-0064/2007