VERSLAG over overheidsfinanciën in de EMU in 2006
26.3.2007 - (2007/2004(INI))
Commissie economische en monetaire zaken
Rapporteur: Kurt Joachim Lauk
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over overheidsfinanciën in de EMU in 2006
Het Europees Parlement,
– gezien de mededeling van de Commissie over overheidsfinanciën in de EMU in 2006 – Het eerste jaar van het herziene stabiliteits- en groeipact (COM(2006)0304),
– gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad in Stockholm op 23 en 24 maart 2001, waar werd opgeroepen tot een regelmatige toetsing van de houdbaarheid van overheidsfinanciën op onder meer de spanningen die op grond van de komende demografische veranderingen te verwachten zijn,
– gezien de mededeling van de Commissie over de houdbaarheid van de openbare financiën op de lange termijn in de EU (COM(2006)0574),
– gelet op Verordening (EG) nr. 1056/2005 van 27 juni 2005 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten[1],
– gezien het Convergentieverslag december 2006 van de Commissie (COM(2006)0762),
– gezien de aanbevelingen van de Commissie inzake de programma's van de lidstaten voor stabiliteit en convergentie voor de jaren 2006 en 2007,
– gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 22 en 23 maart 2005 en de herziening van het stabiliteits- en groeipact,
– gezien de mededelingen van de Commissie met betrekking tot het tweede verslag over de praktische voorbereidingen voor de toekomstige uitbreiding van de eurozone (COM(2005)0545) en de jaarlijkse verklaring over de eurozone 2006 (COM(2006)0392),
– onder verwijzing naar zijn resoluties van 1 juni 2006 over de uitbreiding van de eurozone[2] en van 14 november 2006 over het jaarverslag 2006 over de eurozone[3],
– gelet op regel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6‑0076/2007),
A. overwegende dat van lidstaten wordt verwacht dat hun begrotingstekorten niet boven 3% van het BBP uitkomen, overeenkomstig de regels die aan de basis liggen van de gemeenschappelijke munt en overwegende dat deze regel geregeld is overtreden; overwegende dat indien het begrotingstekort hoger is dan 3% dit positiever kan worden beoordeeld indien dit gepaard gaat met snelle groei en een dalende schuldratio (exclusief inkomsten uit privatisering), en op middellange termijn de jaarlijkse schuld omlaag wordt gebracht tot minder dan 3%,
B. overwegende dat de OESO de lidstaten onlangs heeft gewaarschuwd dat ze zich moeten concentreren op hervormingen om hun economische groei te consolideren door de economische opleving te gebruiken om hun begrotingstekorten terug te snoeien en de arbeidsmarkt meer concurrerend te maken,
C. overwegende dat de gemiddelde schuldquote in de eurozone in 2005 70,6% en in 2006 rond 69,4% beliep en dat deze in 2007 volgens de prognoses zal dalen tot 68%; overwegende dat het verschil tussen de laagste en de hoogste schuldquote zowel in 2005 als in 2006 groter was dan 100 procentpunten van het BBP, en dat die spreiding in 2007 naar verwachting zal blijven bestaan; overwegende dat deze cijfers nog steeds veel hoger zijn dan de referentiewaarde van 60% voor de ratio schuld-BBP, een van de twee pijlers van het stabiliteits- en groeipact (SGP),
D. overwegende dat het gemiddelde begrotingstekort in de eurozone in 2005 2,6% van het BBP bedroeg, in 2006 rond 2% lag en volgens de prognose in 2007 zal afnemen tot 1,5%; overwegende dat de spreiding in begrotingstekorten in 2005 en 2006 dicht bij 9 procentpunten lag en naar verwachting in 2007 zal dalen tot 7 procentpunten,
E. overwegende dat de gemiddelde groei van het BBP in de eurozone in 2005 1,4% bedroeg, in 2006 rond 2,6% lag en volgens de ramingen in 2007 op 2,1% zal liggen; overwegende dat de spreiding in groeicijfers in 2005 en 2006 rond 5 procentpunten lag en in 2007 op dat niveau zal blijven; overwegende dat deze groeicijfers duidelijk lager zijn dan in andere delen van de wereld,
F. overwegende dat het werkloosheidscijfer in de eurozone in 2005 op 8,6% lag (12 600 000) en in 2006 afnam tot 8,1% (11 900 000); overwegende dat de werkloosheid in 2007 volgens de prognose zal afnemen tot 7,7% (11 500 000) en overwegende dat die afname aantoont dat terugdringing van het begrotingstekort de economische activiteit stimuleert en de werkloosheid doet afnemen,
G. overwegende dat leeftijdgerelateerde uitgaven in de prognoses toenemen met 4% van het BBP in 2050; overwegende dat leeftijdgerelateerde uitgaven daardoor in een aantal lidstaten zullen stijgen met 5 tot 13% van het BBP, wat de houdbaarheid van hun overheidsfinanciën sterk onder druk zal zetten, terwijl de groei naar verwachting zal afnemen van 2,4% in de periode 2004-2010 tot 1,9% in de periode 2011-2030 en tot 1,2% in de periode 2031-2050; overwegende dat de afnemende groei en de toegenomen leeftijdgerelateerde uitgaven de economische en sociale welvaart van de Europese burgers en de sociale cohesie van onze samenlevingen in gevaar kunnen brengen en dat de Europese instellingen en gemeenschappelijke beleidsonderdelen onder deze druk kunnen bezwijken,
H. overwegende dat de Commissie en de ECB om het jaar beoordelen in hoeverre "lidstaten met een derogatie" voldoen aan de criteria van Maastricht voor de invoering van de euro,
Ervaringen met het herziene SGP
1. herinnert eraan dat het SGP voornamelijk tot doel heeft op de middellange termijn te zorgen voor een begrotingsoverschot of tenminste een begrotingsevenwicht, wat van essentieel belang is gezien de toekomstige demografische uitdagingen;
2. juicht het toe dat veel lidstaten zich zeer hebben ingespannen om aan hun verplichtingen te voldoen met betrekking tot het SGP; wijst er echter op dat het nog te vroeg is om de resultaten na de inwerkingtreding van het herziene SGP te evalueren;
3. deelt de zorgen van de Commissie over de implementatie van het preventieve deel van het SGP, vooral wat betreft die lidstaten die er nog niet in zijn geslaagd hun overheidsfinanciën in evenwicht te brengen;
4. vreest dat het herziene SGP, en dan vooral het corrigerende deel, als het op milde wijze wordt gehandhaafd het risico van hoge en hardnekkige overheidsschulden met zich meebrengt, wat een serieuze bedreiging kan zijn voor evenwichtige overheidsfinanciën en voor de werkgelegenheid;
5. benadrukt dat de houding van de lidstaten ten opzichte van het herziene SGP uiteindelijk het succes of het falen van het SGP zal bepalen; waarschuwt dat verdere herzieningen waarschijnlijk niet geaccepteerd zullen worden door het publiek of de economische partijen;
6. vreest dat de grote spreiding tussen de lidstaten qua tekorten, schulden en groei zal toenemen, wat de gemeenschappelijke munt kan verzwakken, de economische groei kan remmen en een nadelige invloed kan hebben op de vooruitzichten op het gebied van werkgelegenheid; moedigt de lidstaten aan om een economisch beleid te voeren dat de geconstateerde spreiding verkleint en tot verdere convergentie leidt naar lagere tekorten en schulden en hogere groei;
7. is bezorgd over het trage tempo waarmee sommige lidstaten hun overheidsschuld terugdringen; is tegenstander van eindeloze en onduidelijke buitensporigtekortprocedures en spoort de Raad en de Commissie derhalve aan om snel en doeltreffend op te treden; stelt voor om de geloofwaardigheid van de buitensporigtekortprocedure en de uniforme norm voor de beoordeling van de lidstaten te handhaven;
8. vraagt zich af in hoeverre de Europese groei cyclisch van aard mag zijn en wijst op de noodzaak om het groeipotentieel van de Europese Unie te verhogen als manier om de werkgelegenheid te vergroten; herinnert de lidstaten eraan dat een toename van de groei en een grotere werkgelegenheid aanmerkelijk hogere belastinginkomsten kunnen opleveren, zodat de kans op een buitensporig tekort afneemt terwijl de overheidsschuld aanmerkelijk kan worden verkleind;
9. onderstreept dat schendingen van het SGP uiteindelijk het gemeenschappelijk monetair beleid kunnen ondermijnen en de druk om de rente te verhogen kunnen opvoeren; benadrukt dat de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank van groot belang is voor handhaving van de prijsstabiliteit en dat op die manier een kader voor economische groei ontstaat dat gunstige groei- en werkgelegenheidscijfers mogelijk maakt;
10. acht het derhalve noodzakelijk dat de lidstaten snel hun begrotingsbeleid aanpassen aan de eisen van het gemeenschappelijk economisch en monetair beleid om de welvaart van de Europese burgers verder te vergroten en vindt dat er een gemeenschappelijk tijdschema en kader voor de begroting moet komen voor alle lidstaten;
11. juicht het toe dat het herziene SGP ruimte biedt voor de ontwikkeling van hervormingsprogramma’s met realistische termijnen en begrotingsdoelstellingen voor de middellange termijn;
12. beaamt dat hervormingsprogramma’s die volkomen op de behoeften van lidstaten zijn toegesneden een betere implementatie van het preventieve deel van het SGP kunnen bewerkstelligen;
13. betreurt het dat lidstaten hun gunstige economische positie niet voldoende uitbuiten om belangrijke structurele hervormingen door te voeren die de doeltreffendheid van de goederen-, diensten-, werkgelegenheids- en kapitaalmarkten zouden kunnen vergroten en op de langere termijn zouden kunnen leiden tot consolidatie van de begroting, economische groei en meer werkgelegenheid;
Toekomstige uitdagingen
14. herinnert eraan dat het SGP het belangrijkste en krachtigste instrument is voor de coördinatie van het economisch beleid binnen de Europese Unie; benadrukt dat een consequente toepassing van het SGP en een krachtig economisch beleid zullen blijven leiden tot meer groei en meer werkgelegenheid;
15. is ontsteld over de ramingen van de Commissie, die uitgaan van een sterke toename van leeftijdgerelateerde uitgaven terwijl de vooruitzichten voor de groei op de lange termijn een afname laten zien - een combinatie die de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van de lidstaten enorm onder druk zal zetten;
16. maakt zich er zorgen over dat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van zes lidstaten waarschijnlijk groot gevaar loopt door het effect van een vergrijzende bevolking op de begroting, terwijl tien lidstaten gemiddeld gevaar lopen en maar negen lidstaten weinig gevaar;
17. dringt erop aan dat zo’n grote uitdaging voor de EU-begroting wordt aangepakt; herinnert eraan dat de overheidsschuld versneld moet worden teruggedrongen tijdens oplevingen in de economie, terwijl procyclische maatregelen tegelijkertijd moeten worden vermeden en de economische prestaties van de lidstaten moeten worden verbeterd via structurele maatregelen en belastinghervormingen; moedigt de lidstaten aan om de huidige conjuncturele opleving te gebruiken om de nodige hervormingen op de arbeidsmarkt en de dienstensector door te voeren en de administratieve lasten voor het zakenleven te verminderen; is van mening dat er nog altijd ruimte is voor en behoefte is aan een verdere verhoging van het investeringstempo en pleit bijgevolg voor structurele hervormingen en bijkomende maatregelen die het investeringsklimaat blijvend verbeteren en tot meer investeringen leiden;
18. dringt aan op een heroriëntatie van de overheidsuitgaven in de richting van de accumulatie van fysiek en menselijk kapitaal en de oprichting van publiek-private partnerschappen die zich toeleggen op gebieden als innovatie, hernieuwbare energie, onderwijs en opleiding, onderzoek, informatietechnologie, telecommunicatie, transportnetwerken;
19. is verheugd over het feit dat lidstaten in hun ramingen voor 2007 en 2008 rekening houden met de 0,5% afname van het BBP-tekort die is voorzien in het herziene SGP; deelt de bezorgdheid van de Commissie omdat de gemiddelde jaarlijkse structurele aanpassing voor 2006 die doelstelling niet haalt; is ervan overtuigd dat er, gezien de gunstige economische vooruitzichten in de meeste lidstaten, ruimte is voor structurele aanpassingen die de aanbevolen 0,5% verre te boven gaan;
20. dringt er bij de lidstaten op aan dat zij het opstellen van ongefundeerde begrotingsprognoses vermijden en afzien van eenmalige maatregelen en creatief boekhouden; adviseert de Raad ervoor te zorgen dat het hebben van een nieuwe overheidsschuld uiterlijk in 2015 onwettig of ongrondwettelijk wordt verklaard, waarmee navolging wordt gegeven aan de best practices in een aantal lidstaten en regio’s binnen de Europese Unie; beveelt aan dat de Commissie een studie uitvoert naar best practices betreffende het statistisch beheer van de rapportage van fiscale gegevens en de boekhoudkundige verwerking van openbare activa en schulden in de lidstaten;
21. raadt aan te onderzoeken of het mogelijk is een uniform tijdschema voor de begrotingsprocedures in de EU vast te leggen, en de begrotingsplanning te verlengen tot langer dan de huidige periode van één jaar; is van mening dat de begrotingsplanning van de lidstaten gebaseerd moet zijn op uniforme veronderstellingen betreffende de belangrijkste economische parameters, die uniform moeten worden geïnterpreteerd en vastgelegd in de Europese Unie;
22. maant de lidstaten om de Commissie statistische gegevens van goede kwaliteit te leveren en zo een vergelijking van het overheidstekort en de schuld mogelijk te maken; moedigt de Commissie aan om de kwaliteit van de gegevens die de lidstaten aanleveren krachtdadig te controleren; spoort de Commissie aan alle benodigde stappen te ondernemen, waaronder sancties, om ervoor te zorgen dat de lidstaten betrouwbare, uniforme, vergelijkbare en kwalitatief goede gegevens leveren, waarin alle huidige en toekomstige verplichtingen (zoals pensioenen en gezondheidszorg) verdisconteerd zijn; verzoekt de Commissie om haar werk spoedig te voltooien;
23. is evenals de Commissie van mening dat onafhankelijke instanties en duidelijke regels aangaande het begrotingsevenwicht een zeer positieve uitwerking hebben op de doelstellingen van lidstaten voor de middellange termijn en op de stabiliteit op de lange termijn van evenwichtige overheidsfinanciën;
24. wijst erop dat de Commissie in haar recentste convergentieverslag van december 2006 vaststelt dat het grootste deel van de beoordeelde lidstaten vooruitgang heeft geboekt, maar dat geen van hen momenteel voldoet aan alle noodzakelijke voorwaarden voor de invoering van de euro;
25. herinnert eraan dat de criteria van Maastricht, waar de Commissie haar beoordeling tegen afzet, op gelijkwaardige wijze moeten worden toegepast, dat wil zeggen zonder het, in specifieke omstandigheden, voor lidstaten moeilijker te maken toe te treden tot de eurozone, of de criteria op soepele wijze te interpreteren;
26. moedigt de Commissie aan uit de voordelen te onderzoeken van de oprichting van onafhankelijke nationale instanties die het tekortniveau bepalen, rekening houdend met de doelstelling om op middellange termijn een evenwichtige begroting te realiseren;
27. is verheugd over de inspanningen van de Raad en de Commissie om de statistische governance te versterken via een betere rapportering van de begrotingsgegevens met een aanbeveling aan de lidstaten inzake Europese normen voor statistische instanties waarin onder meer beginselen op het gebied van professionele onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, betrouwbaarheid, actualiteit van de gegevens, beschikbaarheid van voldoende middelen voor de statistische instanties en betere toezichtrechten voor de Commissie zijn vervat;
28. vindt dat de boekhoudkundige verwerking van openbare activa en impliciete schulden voor verbetering vatbaar is om de transparantie en de vergelijkbaarheid te vergroten en een gezondere basis voor besluitvorming te bieden; is van mening dat de Commissie op dit vlak een initiatief mag ontplooien;
29. betreurt het gebrek aan beleidscoördinatie in de eurozone, wijst op de huidige verschillen in begrotingsbeleid tussen de lidstaten in de eurozone en is bezorgd over de mogelijk negatieve effecten van dit gebrek aan coördinatie; spoort aan tot verder onderzoek naar verschillende soorten en vormen van structurele en macro-economische hervormingen en hun interactie en wederzijdse impact op de verschillende stadia van de economische cyclus om de best mogelijke manier te vinden om de openbare financiën te versterken en tegelijkertijd de Lissabon-strategie te verwezenlijken;
0 0
0
30. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.
- [1] PB L 174 van 07.07.2005, blz. 5.
- [2] Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0240.
- [3] Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0485.
TOELICHTING
In het Verdrag wordt duidelijk gesteld dat er op EU-niveau scherp dient te worden toegezien op de ontwikkelingen in de overheidsfinanciën van de EU-lidstaten, vooral omdat gezonde overheidsfinanciën op de lange termijn een voorwaarde zijn voor duurzame groei, voor het creëren van banen en voor macro-economische stabiliteit. Bovendien zijn houdbare overheidsfinanciën van groot belang voor de geloofwaardigheid van de gemeenschappelijke munt en zijn ze daarom van gemeenschappelijk belang voor alle EU-lidstaten. De bepalingen in het Verdrag aangaande gezonde en houdbare overheidsfinanciën zijn verfijnd in een aantal verordeningen van de Raad. De belangrijkste documenten in dit verband zijn, inter alia, het stabiliteits- en groeipact (SGP) plus latere verordeningen waarin de bepalingen uit het SGP worden geamendeerd, de plechtige verklaringen van lidstaten dat ze het pact zullen naleven en de verslagen van de Commissie met evaluaties en aanbevelingen voor de individuele lidstaten. Het Europees Parlement beoordeelt deze documenten tegen de achtergrond van de macro-economische en begrotingsontwikkelingen in de lidstaten en stelt jaarlijks zijn eigen verslag over overheidsfinanciën in de EU vast.
De rapporteur wijst er nogmaals op dat het belangrijkste doel van de herziening van het SGP is: het vermijden van buitensporige tekorten, om zo bij te dragen aan houdbare overheidsfinanciën in een duurzaam evenwicht op de middellange tot lange termijn, vooral met het oog op de toekomstige demografische uitdagingen.
De bevindingen van de rapporteur komen overeen met de bevindingen van de Commissie. Het herziene stabiliteits- en groeipact functioneert goed. Het is versterkt en de belangrijke rol die het speelt in de coördinatie van het economisch beleid en de macro-economische stabiliteit is nog eens onderstreept.
De rapporteur is zich er echter van bewust dat zijn toelichting slechts is gebaseerd op een jaar ervaring met het herziene pact. Dat was een jaar van economische groei, wat een gunstig effect had op de begrotingssituatie van de lidstaten. De vuurproef voor het herziene SGP volgt in de komende jaren, wanneer de Raad en de Commissie ervoor moeten zorgen dat de lidstaten de in de Raad vastgestelde richtsnoeren ook daadwerkelijk implementeren. Dat zal natuurlijk voor een groot deel afhangen van de medewerking van de lidstaten, en het wordt interessant om te zien of de lidstaten de doelen die ze zichzelf hebben gesteld – waaronder het voorkomen van procyclische maatregelen – in de komende jaren ook zullen nastreven.
In deze context benadrukt de rapporteur dat de lidstaten de volgende maatregelen dienen te nemen:
- Lidstaten dienen hun begrotingen in goede tijden te consolideren, d.w.z. in de perioden van economische groei. Het is noodzakelijk om economische oplevingen, waaronder hogere belastinginkomsten, consequent te gebruiken om de overheidsschuld aanzienlijk terug te dringen, het ontstaan van buitensporige tekorten te vermijden en te streven naar een begrotingsoverschot. Dit is te realiseren zonder dat de dienstverlening van de overheid eronder lijdt en het zal de stabiliteit van de euro ondersteunen, terwijl tegelijkertijd gunstige voorwaarden voor economische groei en het scheppen van werkgelegenheid worden gecreëerd. Momenteel hebben slechts drie lidstaten uit de eurozone een begrotingsoverschot.
- Structurele hervormingen moeten worden doorgezet en krachtig worden uitgevoerd. Arbeidsmarkthervormingen, verdere openstelling van de markt voor diensten, energievoorziening en telecommunicatie (waaronder een aanmerkelijke reductie van de roaming-tarieven) en verbetering van de voorwaarden voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling kunnen het potentieel vrijmaken om de groei te bevorderen en moeten tot een grotere vraag en dus meer werkgelegenheid leiden.
- De invloed van een vergrijzende bevolking op de begroting is een uitdaging die door geen enkele lidstaat voldoende wordt aangepakt, ondanks het feit dat ze de meest merkbare invloed zal hebben op het toekomstige welzijn van de EU-burgers. De meest recente ontwikkelingen bevestigen dat een consequent begrotingsbeleid economische groei en werkgelegenheid kan stimuleren. Lidstaten moeten daarom in de grondwet of de wetgeving de eis opnemen dat de begroting geen tekorten mag vertonen. Dit is van cruciaal belang om de toekomstige hoge leeftijdgerelateerde uitgaven in Europa aan te kunnen.
Verder zijn met de herziening van het SGP nieuwe concepten, definities en principes geïntroduceerd in het preventieve deel van het SGP. Teneinde een consistente toepassing van de regels te verzekeren is de methodologie voor het vaststellen van de landenspecifieke begrotingsdoelstellingen voor de middellange termijn verduidelijkt en is de Commissie parallel daaraan begonnen te bekijken hoe impliciete verplichtingen in de toekomst kunnen worden meegenomen in de vaststelling van die doelstellingen. Een aantal kwesties dat verband houdt met de definiëring van de aanpassingen van begrotingsdoelstellingen voor de middellange termijn is ook verduidelijkt, waaronder de voorwaarden waaronder structurele hervormingen worden meegenomen in het preventieve deel van het SGP.
De Commissie heeft een gemengd oordeel over het functioneren van het preventieve deel van het SGP. Positief is dat er binnen de in 2005 geactualiseerde stabiliteits- en convergentieprogramma’s gedifferentieerde landenspecifieke begrotingsdoelstellingen voor de middellange termijn zijn vastgesteld waarin economische basisgegevens worden weerspiegeld. Daarnaast hebben de lidstaten zich gehouden aan hun toezegging om hun begrotingsramingen te baseren op realistische macro-economische hypothesen en worden er duidelijk minder eenmalige maatregelen genomen. De beoordeling door de Commissie van de in 2005 geactualiseerde stabiliteits- en convergentieprogramma’s wijst ook op afwijkingen van de overeengekomen beginselen. Met name de geplande structurele begrotingsaanpassingen voor 2006 van lidstaten die hun doelstellingen voor de middellange termijn nog niet hebben verwezenlijkt blijven achter bij de 0,5 % benchmark die is overeengekomen ten tijde van de hervorming. Dit wijst erop dat er geen gebruik wordt gemaakt van het gunstige economische klimaat om de doelstellingen voor de middellange termijn te bereiken. Daarnaast is de beoogde aanpassing in enkele lidstaten verschoven naar een later datum en wordt ze niet ondersteund door concrete maatregelen. De lidstaten moeten hun inspanningen blijven vergroten.
De ervaringen met de uitvoering van de buitensporigtekortprocedure zijn over het algemeen positief. De ruimte voor oordeelsvorming is vooral gebruikt om de lidstaten realistische termijnen te geven voor het corrigeren van hun buitensporige tekorten, terwijl er daardoor tegelijkertijd ingrijpende begrotingsinspanningen worden geleverd. De toepassing van de bepalingen aangaande ‘andere relevante factoren’ in de aanloop naar een besluit over een mogelijk buitensporig tekort toonde aan dat het SGP een systeem op basis van regels blijft: sinds de herziening worden alle tekorten boven 3% van het BBP aangemerkt als buitensporig. Dat neemt niet weg dat de rapporteur zich zorgen maakt over de langzame terugdringing van de overheidsschuld in bepaalde lidstaten. Hij is tegen eindeloze en onduidelijke buitensporigtekortprocedures en verzoekt de Commissie en de Raad dan ook om snel en doeltreffend op te treden. Ten slotte heeft de herziening van het SGP op EU-niveau een constructieve en transparante beleidsdialoog over de individuele landen gestimuleerd, wat heeft bijgedragen aan het rimpelloze en efficiënte functioneren van het SGP.
PROCEDURE
|
Titel |
Overheidsfinanciën in de EMU in 2006 |
|||||||||||
|
Procedurenummer |
||||||||||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking toestemming |
ECON 18.1.2007 |
|||||||||||
|
Medeadviserende commissie(s) |
BUDG |
|
|
|
|
|||||||
|
Geen advies |
BUDG |
|
|
|
|
|||||||
|
Nauwere samenwerking Datum bekendmaking |
|
|
||||||||||
|
Rapporteur(s) |
Kurt Joachim Lauk |
|
||||||||||
|
Vervangen rapporteur(s) |
|
|
||||||||||
|
Behandeling in de commissie |
23.1.2007 |
30.1.2007 |
20.3.2007 |
|
|
|||||||
|
Datum goedkeuring |
21.3.2007 |
|||||||||||
|
Uitslag eindstemming |
+: -: 0: |
33 2 0 |
||||||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Pervenche Berès, Sharon Bowles, Udo Bullmann, Ieke van den Burg, José Manuel García-Margallo y Marfil, Jean-Paul Gauzès, Donata Gottardi, Benoît Hamon, Gunnar Hökmark, Sophia in 't Veld, Othmar Karas, Piia-Noora Kauppi, Guntars Krasts, Kurt Joachim Lauk, Andrea Losco, Astrid Lulling, Gay Mitchell, Cristobal Montoro Romero, Joseph Muscat, Lapo Pistelli, John Purvis, Alexander Radwan, Bernhard Rapkay, Dariusz Rosati, Heide Rühle, Antolín Sánchez Presedo, Manuel António dos Santos, Olle Schmidt, Lydia Shouleva, Margarita Starkevičiūtė, Sahra Wagenknecht |
|||||||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Harald Ettl, Werner Langen, Andreas Schwab, Lars Wohlin |
|||||||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2) |
|
|||||||||||
|
Datum indiening |
26.3.2007 |
|
||||||||||
|
Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar) |
… |
|
||||||||||