Procedure : 2005/0214(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0080/2007

Ingediende teksten :

A6-0080/2007

Debatten :

PV 20/06/2007 - 2
CRE 20/06/2007 - 2

Stemmingen :

PV 20/06/2007 - 5.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0269

VERSLAG     ***I
PDF 269kWORD 359k
27.3.2007
PE 374.180v02-00 A6-0080/2007

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten

(COM(2005)0507 – C6‑0331/2005 – 2005/0214(COD))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Ria Oomen-Ruijten

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten

(COM(2005)0507 – C6‑0331/2005 – 2005/0214(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2005)0507)(1),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 42 en 94 van het EG‑Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6‑0331/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6‑0080/2007),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst  Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 5

(5) Ook dient verwezen te worden naar artikel 94 van het Verdrag, aangezien de dispariteiten tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot de aanvullende pensioenregelingen zowel de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers als het functioneren van de interne markt kunnen belemmeren. Om de meeneembaarheid van de aanvullende pensioenrechten van werknemers die zich binnen de Gemeenschap of binnen een lidstaat verplaatsen, te verbeteren, dienen bepaalde voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten geharmoniseerd te worden en dienen de regels inzake het behoud van slapende rechten en de overdracht van verworven rechten onderling aangepast te worden.

(5) Ook dient verwezen te worden naar artikel 94 van het Verdrag, aangezien de dispariteiten tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot de aanvullende pensioenregelingen zowel de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers als het functioneren van de interne markt kunnen belemmeren. Om de rechten van werknemers die zich binnen de Gemeenschap of binnen een lidstaat verplaatsen, te verbeteren, dienen bepaalde minimumeisen te worden vastgesteld betreffende de opbouw en het behoud van definitieve pensioenrechten van vertrekkende werknemers in aanvullende pensioenregelingen die aan een arbeidsverhouding gekoppeld zijn.

Amendement 2

Overweging 5 bis (nieuw)

 

(5 bis) Verder dient rekening te worden gehouden met de structuur en het bijzondere karakter van de aanvullende pensioenregelingen en hun verschillen binnen en tussen de afzonderlijke lidstaten. De invoering van nieuwe regelingen, de financierbaarheid van bestaande regelingen en de verwachtingen en rechten van de huidige deelnemers dienen voldoende te worden beschermd. Verder dient in deze richtlijn met name rekening te worden gehouden met de rol van de sociale partners bij de vormgeving en toepassing van de aanvullende pensioenregelingen.

Amendement 3

Overweging 5 ter (nieuw)

 

(5 ter) Deze richtlijn houdt voor lidstaten die niet over aanvullende pensioenregelingen beschikken, geen verplichting in tot het vaststellen van wettelijke voorschriften inzake de invoering van dergelijke regelingen.

Amendement 4

Overweging 5 quater (nieuw)

 

(5 quater) Deze richtlijn is alleen van toepassing op aanvullende pensioenen die, afhankelijk van de bepalingen in de betrokken pensioenregeling of in de nationale wetgeving, berusten op het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of het voldoen aan andere voorwaarden. De richtlijn geldt noch voor individuele pensioenregelingen zonder werkgeversbijdrage, noch voor invaliditeits- en nabestaandenuitkeringen.

Amendement 5

Overweging 5 quinquies (nieuw)

 

(5 quinquies) Deze richtlijn heeft betrekking op alle in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken ingestelde aanvullende pensioenregelingen ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers, zoals groepsverzekeringscontracten, door een of meer bedrijfstakken of sectoren gesloten en via het omslagstelsel gefinancierde regelingen, op kapitalisatie gebaseerde regelingen, uit pensioenreserves van de ondernemingen bekostigde pensioentoezeggingen of collectieve of vergelijkbare regelingen.

Amendement 6

Overweging 5 sexies (nieuw)

 

(5 sexies) Indien reeds vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn besloten is tot sluiting van een aanvullende pensioenregeling en daardoor geen nieuwe deelnemers meer kunnen worden toegelaten, zou als gevolg van de invoering van nieuwe voorschriften een ongerechtvaardigde druk op de regeling kunnen worden gelegd. Daarom dient de richtlijn niet van toepassing te zijn op dergelijke regelingen.

Amendement 7

Overweging 5 septies (nieuw)

 

(5 septies) Deze richtlijn heeft niet tot doel het nationale recht inzake saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures te harmoniseren of daarop invloed uit te oefenen; het is daarbij niet van belang of de procedures al dan niet op grond van insolventie en vrijwillig of gedwongen worden ingesteld. Tevens laat de richtlijn nationale wettelijke voorschriften betreffende de onder Richtlijn 2001/17/EG vallende saneringsmaatregelen onverlet. De in artikel 16, lid 2 van Richtlijn 2003/41/EG bedoelde maatregelen gelden daarentegen niet als saneringsmaatregelen.

Amendement 8

Overweging 5 octies (nieuw)

 

(5 octies) Deze richtlijn dient niet te gelden voor beschermingsregelingen bij insolventie en compensatieregelingen die niet behoren tot de aan een arbeidsverhouding gekoppelde aanvullende pensioenregelingen en die tot doel hebben de pensioenrechten van werknemers bij insolventie van de onderneming of de pensioenregeling te beschermen. Evenzo dienen nationale pensioenreservefondsen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven.

Amendement 9

Overweging 5 nonies (nieuw)

(5 nonies) Omdat aanvullende pensioenen voor een gegarandeerde levensstandaard op oudere leeftijd in alle lidstaten steeds belangrijker worden, moeten de voorwaarden voor het opbouwen, behouden en overdragen van verworven rechten worden verbeterd.

Motivering

Op deze wijze wordt duidelijk dat het voornemen van de Commissie ook een grote sociale betekenis heeft. Niet alleen de verbetering van de flexibiliteit van de arbeidsmarkten moet op de voorgrond komen te staan, maar ook het doel om de levensstandaard op hogere leeftijd te waarborgen.

Amendement 10

Overweging 6

(6) Om te verzekeren dat de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten geen belemmering vormen voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers in de Europese Unie, dienen bepaalde grenzen te worden vastgesteld met betrekking tot deze voorwaarden, opdat een werknemer die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, of zich binnen een lidstaat verplaatsen, aan het einde van hun beroepsleven een adequaat pensioen ontvangen.

schrappen

Amendement 11

Overweging 6 bis (nieuw)

 

(6 bis) Indien de pensioenregeling of de werkgever het beleggingsrisico draagt (met name bij regelingen met een uitkeringstoezegging), dient de regeling de bijdragen van de vertrekkende werknemer ongeacht de met deze bijdragen gerealiseerde beleggingswaarde terug te betalen. Indien de vertrekkende werknemer het beleggingsrisico draagt (met name bij regelingen met vaste bijdragen), dient de pensioenregeling de met deze bijdragen gerealiseerde beleggingswaarde terug te betalen. De beleggingswaarde kan hoger of lager zijn dan de door de vetrekkende werknemer betaalde bijdragen. Is de beleggingswaarde negatief, vindt geen terugbetaling plaats.

Amendement 12

Overweging 6 ter (nieuw)

 

(6 ter) De vertrekkende werknemer dient het recht te hebben zijn definitieve pensioenrechten als slapende pensioenrechten te handhaven in de aanvullende pensioenregeling waarin die rechten zijn verworven.

Amendement 13

Overweging 7

(7) Er dient ook gezorgd te worden voor een redelijke aanpassing van slapende pensioenrechten, om te voorkomen dat een vertrekkende werknemer benadeelt wordt. Deze doelstelling zou verwezenlijkt kunnen worden door een aanpassing van de slapende rechten op basis van verschillende referentiewaarden, waaronder de inflatie, de hoogte van salarissen of van lopende pensioenuitkeringen, of ook het rendement van de activa van de betreffende aanvullende pensioenregeling.

(7) In overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken dient gezorgd te worden voor een billijke behandeling van de waarde van deze slapende pensioenrechten. De waarde van de pensioenrechten op het moment dat de werkgever de pensioenregeling verlaat, wordt volgens de algemeen erkende beginselen van de verzekeringswiskunde berekend. Bij deze berekening dient rekening te worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de regeling en met de belangen van de vertrekkende werknemer alsook van de deelnemers die bij de regeling aangesloten blijven.

Amendement 14

Overweging 8

(8) Om te hoge administratiekosten van het beheer van grote aantallen slapende rechten van geringe omvang te vermijden, is het zinvol om de stelsels toe te staan dergelijke rechten niet in stand te houden maar over te dragen, eventueel in de vorm van een kapitaal dat deze verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een bepaalde door de betreffende lidstaat vast te stellen drempel blijven.

(8) Indien de waarde van de definitieve pensioenrechten van een vertrekkende werknemer niet boven een door de betreffende lidstaat vastgestelde drempel ligt, kan de pensioenregelingen, ter vermijding van te hoge kosten in verband met het beheer van een groot aantal slapende pensioenrechten van geringe omvang, worden toegestaan deze definitieve rechten niet in stand te houden, maar een kapitaal dat deze definitieve rechten vertegenwoordigt, uit te betalen. De hoogte van deze uitbetaling dient altijd volgens erkende actuariële beginselen te worden berekend en dient gelijk te zijn aan de geactualiseerde waarde van de definitieve pensioenrechten op het tijdstip van uitbetaling.

Amendement 15

Overweging 9

(9) Werknemers die van betrekking veranderen dienen de mogelijkheid te hebben om te kiezen tussen handhaving van hun verworven pensioenrechten in hun oude aanvullende pensioenregeling en de overdracht van het corresponderende kapitaal naar een andere aanvullende pensioenregeling, eventueel ook in een andere lidstaat.

schrappen

Amendement 16

Overweging 9 bis (nieuw)

 

(9 bis) Met deze richtlijn wordt niet beoogd de mogelijkheden tot het overdragen van definitieve pensioenrechten voor vertrekkende werknemers te beperken. Ter bevordering van het vrije verkeer van werknemers dienen de lidstaten ernaar te streven de overdraagbaarheid van definitieve pensioenrechten, waar mogelijk en met name bij de invoering van nieuwe aanvullende pensioenregelingen, geleidelijk te verbeteren.

Amendement 17

Overweging 10

(10) Om redenen van financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen hebben de lidstaten de mogelijkheid om niet gekapitaliseerde regelingen vrij te stellen van de verplichting om werknemers de mogelijkheid te bieden om verworven rechten over te dragen. Met het oog op gelijke behandeling van de werknemers die onder gekapitaliseerde regelingen vallen enerzijds en degenen die onder niet-gekapitaliseerde regelingen vallen anderzijds, dienen de lidstaten er echter naar te streven de overdraagbaarheid van rechten op basis van niet-gekapitaliseerde regelingen geleidelijk te verbeteren.

Schrappen

Amendement 18

Artikel 1

Deze richtlijn beoogt de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers, en van het recht op beroepsmobiliteit binnen een lidstaat, te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen als gevolg van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten.

Deze richtlijn beoogt de uitoefening van het recht op vrij verkeer van personen, de beroepsmobiliteit alsmede een vroegtijdige en uitgebreide opbouw van een aanvullend pensioen te vergemakkelijken door het wegnemen van de belemmeringen die als gevolg van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen zijn ontstaan.

Motivering

De richtlijn moet dezelfde logica volgen als de verordeningen 1408/71 en 883/2004, die tot "personen" zijn gericht en er op deze wijze voor zorgen dat het toepassingsgebied alle personen omvat die toegang hebben tot aanvullende pensioenen.

Op deze wijze wordt duidelijk dat het voornemen van de Commissie ook een grote sociale betekenis heeft. Niet alleen de verbetering van de flexibiliteit van de arbeidsmarkten moet op de voorgrond komen te staan, maar ook het doel om de levensstandaard op hogere leeftijd te waarborgen.

Amendement 19

Artikel 2

Deze richtlijn is van toepassing op aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van regelingen die onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 vallen.

1. Deze richtlijn is van toepassing op aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van regelingen die onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen vallen.

 

2. Deze richtlijn is echter niet van toepassing op de volgende pensioenregelingen:

 

a) aanvullende pensioenregelingen die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn de opname van nieuwe actieve deelnemers hebben afgesloten en waarbij zich geen nieuwe deelnemers kunnen aansluiten;

 

b) aanvullende pensioenregelingen waarvoor maatregelen gelden in het kader waarvan een volgens nationaal recht aangewezen instantie of een rechtbank optreedt, ten einde hun financiële situatie te waarborgen of te herstellen, met inbegrip van liquidatieprocedures;

 

c) beschermingsregelingen bij insolventie, compensatieregelingen en nationale pensioenreservefondsen.

Amendement 20

Artikel 3

Definities

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "aanvullend pensioen": ouderdomspensioenen en, indien een in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken ingestelde aanvullende pensioenregeling daarin voorziet, invaliditeits- en nabestaandenuitkeringen ter aanvulling op of ter vervanging van de uitkeringen die voor dezelfde risico's door de wettelijke socialezekerheidsregelingen worden verstrekt;

a) "aanvullend pensioen": een pensioenvoorziening waarin een in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken ingestelde aanvullende pensioenregeling voorziet;

b) "aanvullende pensioenregeling": elke in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken ingestelde ondernemings-, bedrijfs- en beroepspensioenregeling, zoals een groepsverzekeringscontract, een door een of meer bedrijfstakken of sectoren gesloten en via het omslagstelsel gefinancierde regeling, een op kapitalisatie gebaseerde regeling, een uit pensioenreserves bekostigde pensioentoezegging of elke collectieve of vergelijkbare regeling ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers of zelfstandigen;

b) "aanvullende pensioenregeling": een in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken ingestelde, aan een arbeidsverhouding gekoppelde pensioenregeling ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers;

c) "deelnemers": personen die door hun beroepsactiviteit recht hebben of kunnen hebben op een aanvullend pensioen, overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

c) "actieve deelnemer": een werknemer die op grond van zijn huidige arbeidsverhouding recht heeft of na vervulling van de deelnemingsvoorwaarden zal hebben op een aanvullend pensioen, overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

d) "pensioenrechten": alle uitkeringen waarop deelnemers aan de regeling en andere rechthebbenden uit hoofde van de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voorzover van toepassing, de nationale wetgeving, recht hebben;

d) "definitieve pensioenrechten": alle rechten op aanvullend pensioen die na vervulling van eventuele deelnemingsvoorwaarden uit hoofde van de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voorzover van toepassing, de nationale wetgeving zijn verworven;

 

d bis) "wachttijd": de periode van actieve deelneming aan een regeling die uit hoofde van de nationale wetgeving of de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling moet worden vervuld om recht op een aanvullend pensioen te verwerven;

e) "beëindiging van de arbeidsverhouding": de beslissing een arbeidsverhouding te beëindigen;

 

f) "vertrekkende werknemer": een werknemer die, alvorens recht te krijgen op een pensioen, een betrekking verlaat waarin hij pensioenrechten heeft opgebouwd, dan wel pensioenrechten had kunnen verwerven als hij was gebleven;

f) "vertrekkende werknemer": een actieve deelnemer wiens huidige arbeidsverhouding vóór het verkrijgen van een aanvullend pensioen eindigt;

g) "meeneembaarheid": de mogelijkheid voor de werknemer om pensioenrechten te verwerven en te behouden bij de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer of bij beroepsmobiliteit;

 

h) "begunstigde met uitgestelde rechten": een ex-deelnemer die pensioenrechten bezit die slapend blijven in de aanvullende pensioenregeling totdat voldaan wordt aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvullend pensioen;

h) "voormalig deelnemer": een ex-deelnemer aan een aanvullende pensioenregeling die in het kader van deze regeling pensioenrechten heeft opgebouwd, maar niet meer actief aan de regeling deelneemt en nog geen aanvullend pensioen uit de regeling ontvangt;

i) "slapende pensioenrechten": pensioenrechten die behouden blijven in de regeling waarin ze zijn verworven door een begunstigde met uitgestelde rechten, die een pensioen zal ontvangen afkomstig van deze aanvullende pensioenregeling zodra aan de voorwaarden om in aanmerking te komen wordt voldaan;

i) "slapende pensioenrechten": definitief verworven pensioenrechten die blijven bestaan in het kader van de regeling waarin zij door een voormalig deelnemer zijn verworven;

j) "overdracht": overmaking door een aanvullende pensioenregeling van een kapitaal dat alle of een deel van de in het kader van die regeling verworven pensioenrechten vertegenwoordigt; dit kapitaal kan worden overgebracht naar een nieuwe aanvullende pensioenregeling of naar een andere financiële instelling die pensioenrechten verleent.

j) "waarde van de slapende pensioenrechten": de in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken volgens erkende actuariële beginselen berekende kapitaalwaarde van de pensioenrechten.

Amendement 21

Artikel 4, letter a)

a) wanneer er nog geen pensioenrechten zijn verworven op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsverhouding, het totale bedrag van de door of ten behoeve van de werknemer betaalde bijdragen wordt terugbetaald of overgedragen;

schrappen

Amendement 22

Artikel 4, letter b)

b) wanneer een minimumleeftijd vereist is voor het verwerven van pensioenrechten, deze leeftijd niet hoger is dan 21 jaar;

b) wanneer de aanvullende pensioenregeling een wachttijd voorschrijft, de duur van die wachttijd hoogstens vijf jaar bedraagt. In geen geval wordt ten aanzien van een deelnemer aan een aanvullende pensioenregeling een wachttijd voorgeschreven wanneer die deelnemer de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt;

Amendement 23

Artikel 4, letter c)

c) een werknemer zich bij een aanvullende pensioenregeling kan aansluiten na een jaar bij dezelfde werkgever gewerkt te hebben, dan wel zodra hij de minimumleeftijd heeft bereikt en een jaar gewerkt heeft;

c) wanneer een vertrekkende werknemer op het tijdstip van beëindiging van zijn arbeidsverhouding nog geen definitieve pensioenrechten heeft verworven, de aanvullende pensioenregeling de door de vertrekkende werknemer en eventueel door de werkgever namens de werknemer uit hoofde van wettelijke bepalingen of collectieve overeenkomsten of contracten gestorte bijdragen of, indien de vertrekkende werknemer het beleggingsrisico's draagt, de met deze bijdragen gerealiseerde beleggingswaarde terugbetaalt;

Motivering

Het amendement maakt terugstorting of overdracht onmogelijk van slechts de vrijwillige bijdragen van de werkgever waarvan de uitkering niet wordt opgelegd door wettelijke bepalingen of een collectieve overeenkomst. Deze bijdragen moeten eventueel opnieuw gewaardeerd kunnen worden, na aftrek van lasten of beheerskosten.

Amendement 24

Artikel 4, letter d)

d) een werknemer pensioenrechten verwerft uiterlijk na twee jaar aangesloten te zijn geweest.

d) de sociale partners in objectief gemotiveerde gevallen wordt toegestaan, van de letters a) en b) afwijkende, niet discriminerende regelingen in collectieve arbeidsovereenkomsten op te nemen, mits deze regelingen de betrokkenen ten minste een gelijkwaardige bescherming bieden.

Amendement 25

Artikel 5

Behoud van slapende pensioenrechten

Behoud van slapende pensioenrechten

 

-1. Overeenkomstig lid 2 nemen de lidstaten de maatregelen die zij noodzakelijk achten om te waarborgen dat de vertrekkende werknemer zijn definitieve pensioenrechten kan behouden in de aanvullende pensioenregeling waarin zij zijn verworven.

1. De lidstaten nemen de maatregelen die zij noodzakelijk achten om een redelijke aanpassing van slapende pensioenrechten te verzekeren, om te voorkomen dat de vertrekkende werknemer benadeelt wordt.

1. De lidstaten nemen de maatregelen die zij noodzakelijk achten om, rekening houdend met het soort pensioenregeling, een billijke behandeling van de waarde van slapende pensioenrechten van vertrekkende werknemers te verzekeren en deze pensioenrechten te beschermen tegen insolventie van de onderneming. Van een billijke behandeling is met name sprake als:

 

a) de waarde van de slapende pensioenrechten zich grotendeels op dezelfde wijze ontwikkelt als de waarde van de pensioenrechten van actieve deelnemers, of

 

b) de pensioenrechten in de aanvullende pensioenregeling worden vastgesteld als een nominaal bedrag, of

 

c) de begunstigde met uitgestelde rechten blijft profiteren van een in de pensioenregeling ingebouwd rentepercentage, of

 

d) de waarde van de slapende pensioenrechten op basis van het inflatiepercentage, het loonniveau, de actuele pensioenuitkeringen of het door de aanvullende verzekering gerealiseerde rendement wordt aangepast.

2. De lidstaten kunnen aanvullende pensioenregelingen toestaan om de verworven rechten van deelnemers niet te handhaven, maar gebruik te maken van een overmaking of uitbetaling van een kapitaal dat de verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijven. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van deze drempel.

2. De lidstaten kunnen aanvullende pensioenregelingen toestaan om de definitieve rechten van deelnemers niet te handhaven, maar aan de vertrekkende werknemer een kapitaal uit te betalen dat de waarde van de definitieve rechten vertegenwoordigt, wanneer de waarde van de definitieve rechten onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de gehanteerde drempel.

 

2 bis. De lidstaten kunnen de sociale partners toestaan, van de leden 2 en 3 afwijkende regelingen in collectieve arbeidsovereenkomsten op te nemen, mits deze regelingen de betrokkenen ten minste een gelijkwaardige bescherming bieden.

Amendement 26

Artikel 6

1. Afgezien van de gevallen waarin een kapitaal wordt uitbetaald overeenkomstig artikel 5, lid 2, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer een vertrekkende werknemer in zijn nieuwe betrekking niet onder dezelfde aanvullende pensioenregeling valt, hij op zijn verzoek en uiterlijk binnen 18 maanden na beëindiging van de arbeidsverhouding, een overdracht van al zijn verworven pensioenrechten kan verkrijgen, hetzij binnen een lidstaat of naar een andere lidstaat.

2. De lidstaten zorgen ervoor, overeenkomstig hun nationale praktijken, dat indien actuariële ramingen en schattingen van de ontwikkeling van de rentevoet van invloed zijn op de vaststelling van de overgedragen verworven rechten, deze ramingen en schattingen de vertrekkende werknemer niet benadelen.

3. De aanvullende pensioenregeling die de overdracht ontvangt, mag geen voorwaarden voor verwerving stellen en handhaaft deze rechten op ten minste hetzelfde niveau als de slapende rechten overeenkomstig artikel 5, lid 1.

4. Indien bij een overdracht administratiekosten berekend worden, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te voorkomen dat die in onevenredige verhouding staan tot de duur van de aansluiting van de vertrekkende werknemer bij de regeling.

schrappen

Amendement 27

Artikel 7

1. Onverminderd de uit artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichtingen van beroepspensioeninstellingen met betrekking tot de aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers door de beheerder van de aanvullende pensioenregeling worden ingelicht over de gevolgen van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

1. Onverminderd de uit artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichting van beroepspensioeninstellingen tot het verstrekken van inlichtingen aan deelnemers en pensioengerechtigden, nemen de lidstaten de maatregelen die zij noodzakelijk achten om ervoor te zorgen dat actieve deelnemers overeenkomstig lid 2 bij beëindiging van de arbeidsverhouding inlichtingen over de gevolgen voor hun aanvullende pensioenrechten kunnen eisen.

2. Werknemers die daarom verzoeken, ontvangen binnen een redelijke termijn voldoende inlichtingen over met name:

2. Actieve deelnemers die daarom verzoeken, ontvangen binnen een redelijke termijn schriftelijk voldoende inlichtingen over met name:

a) de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten en de gevolgen van de toepassing van die voorwaarden bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

a) de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten en de gevolgen van de toepassing van die voorwaarden bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

b) de geplande pensioenuitkeringen bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

b) de geplande pensioenuitkeringen bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

c) de voorwaarden voor behoud van de slapende pensioenrechten;

c) de hoogte en het behoud van slapende pensioenrechten.

d) de voorwaarden voor overdracht van verworven rechten.

 

3. Een begunstigde met uitgestelde rechten die daarom verzoekt, ontvangt van de beheerder van de aanvullende pensioenregeling inlichtingen over zijn slapende pensioenrechten en over iedere verandering van de regels betreffende de aanvullende pensioenregeling die hem aangaan.

3. Een begunstigde met uitgestelde rechten die daarom verzoekt, ontvangt van de beheerder van de aanvullende pensioenregeling inlichtingen over zijn slapende pensioenrechten en over iedere verandering van de regels betreffende de aanvullende pensioenregeling die hem aangaan.

4. De in dit artikel bedoelde inlichtingen worden schriftelijk en in begrijpelijke vorm verstrekt.

 

Amendement 28

Artikel 8

1. De lidstaten kunnen bepalingen betreffende de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten invoeren of handhaven die voor de betrokkenen gunstiger zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

1. De lidstaten kunnen bepalingen betreffende de opbouw en het behoud van aanvullende pensioenrechten van vertrekkende werknemers invoeren of handhaven die voor de betrokkenen gunstiger zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

2. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn kan in geen geval als rechtvaardiging dienen voor het verlagen van de bestaande mate van meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten in de lidstaten.

2. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn mag in geen geval worden aangegrepen om de in de lidstaten bestaande regeling inzake de opbouw en het behoud van aanvullende pensioenrechten van vertrekkende werknemers te beperken.

Amendement 29

Artikel 9, lid 1

1. De lidstaten keuren de noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen goed om uiterlijk op 1 juli 2008 aan de bepalingen van deze richtlijn te voldoen. Zij kunnen ook de sociale partners, indien die gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de tenuitvoerlegging van deze richtlijn voor wat betreft de bepalingen die onder collectieve overeenkomsten vallen. In dat geval verzekeren de lidstaten zich ervan dat de sociale partners uiterlijk op 1 juli 2008 op basis van akkoorden de noodzakelijke maatregelen hebben genomen; de lidstaten zijn verplicht om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om op ieder moment de ingevolge deze richtlijn vereiste resultaten te kunnen garanderen. Zij stellen de Commissie onmiddellijk op de hoogte van deze maatregelen.

1. De lidstaten keuren de noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen goed om uiterlijk op 1 juli 2008 aan de bepalingen van deze richtlijn te voldoen, of zij verzekeren zich ervan dat de sociale partners uiterlijk op die datum op basis van akkoorden de nodige maatregelen hebben genomen en dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen nemen om op ieder moment de ingevolge deze richtlijn vereiste resultaten te kunnen garanderen. Zij stellen de Commissie onmiddellijk op de hoogte van deze maatregelen.

Motivering

Door tenuitvoerlegging via collectieve overeenkomsten mogelijk te maken wordt ervoor gezorgd dat het voorstel voor een richtlijn aansluit bij eerdere richtlijnen.

Amendement 30

Artikel 9, lid 3

3. Onverminderd het eerste lid van dit artikel, en om rekening te houden met overtuigend aangetoonde bijzondere omstandigheden in verband met de financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen, kunnen de lidstaten regelingen die op basis van een omslagstelsel functioneren, ondersteuningskassen, en ondernemingen die boekreserves opbouwen om een pensioen aan hun werknemers te kunnen uitbetalen, vrijstellen van de toepassing van artikel 1, lid 6. Iedere lidstaat die van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, stelt de Commissie daarvan onmiddellijk op de hoogte, en geeft aan om welke regelingen het gaat en welke specifieke redenen deze vrijstelling rechtvaardigen, en welke maatregelen genomen zijn of nog zullen worden om de overdraagbaarheid van de uit de regeling in kwestie voortvloeiende rechten te verbeteren.

schrappen

Amendement 31

Artikel 10, lid 1

1. Om de vijf jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens een verslag op en legt dit voor aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

1. Om de vijf jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens een verslag op en legt dit voor aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Dit verslag bevat ook een evaluatie van de bereidheid van werkgevers om een aanvullende pensioenregeling aan te bieden sinds de inwerkingtreding van deze richtlijn.

Amendement 32

Artikel 10

1. Om de vijf jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens een verslag op en legt dit voor aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

1. Om de vijf jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens een verslag op en legt dit voor aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

 

1 bis. Daarbij dient zij een voorstel in waarin geregeld wordt hoe ingeval van overdraagbaarheid van verworven pensioenrechten ook de bedrijfsaansprakelijkheid voor overgedragen pensioenrechten kan worden uitgesloten.

2. Uiterlijk 10 jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie een specifiek verslag op betreffende de toepassing van artikel 9, lid 3. Op basis daarvan dient de Commissie, indien nodig, een voorstel betreffende eventueel noodzakelijk gebleken wijzigingen van deze richtlijn met het oog op gelijke behandeling, wat de overdraagbaarheid van verworven rechten betreft, tussen werknemers die zijn aangesloten bij op kapitalisatie gebaseerde regelingen en werknemers die zijn aangesloten bij regelingen als bedoeld in artikel 9, lid 3.

 

Amendement 33

Artikel 10, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. Uiterlijk vijf jaar na de uitvoering van deze richtlijn stelt de Commissie een verslag op, waarin zij met name aandacht besteedt aan de voorwaarden voor de overdracht van kapitaal dat de aanvullende pensioenrechten van werknemers vertegenwoordigt. Op basis van dat verslag dient de Commissie een voorstel in met alle wijzigingen in deze richtlijn of andere instrumenten die noodzakelijk blijken voor een verdere vermindering van de belemmeringen voor de mobiliteit van werknemers als gevolg van bepaalde voorschriften inzake aanvullende pensioenen.

(1)

PB C .../Nog niet in het PB gepubliceerd.


TOELICHTING

Dit voorstel om de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten te verbeteren komt op een cruciaal moment. De Europese Unie vergrijst en de economie globaliseert. Het vermogen van de Europese Unie om deze onomkeerbare economische en sociale veranderingen op te vangen en ten eigen voordeel te benutten moet ingrijpend worden verbeterd. De afgelopen jaren zijn de lidstaten daarom begonnen met het hervormen van hun arbeidsmarkten en systemen van sociale zekerheid, waaronder de pensioenstelsels. Eén van de uitdagingen daarbij is om meer flexibiliteit en mobiliteit op de arbeidsmarkt te combineren met activerende en betaalbare vormen van sociale zekerheid. Zowel werknemers als werkgevers dienen de voordelen van een flexibele arbeidsmarkt, waar het begrip baanzekerheid plaatsmaakt voor werkzekerheid, ten volle te kunnen benutten.

Vanwege de vergrijzing is het voor jongeren van nog groter belang om tijdig via hun werkgever voor hun pensioen te gaan sparen. Daarbij bestaat de trend in sommige lidstaten dat (tweede pijler) beroepspensioenregelingen niet langer alleen een aanvulling vormen op de wettelijke (eerste pijler) pensioenvoorziening maar daarvoor geheel in de plaats komen. Dit maakt het voor werknemers nog belangrijker om tijdig tot een aanvullende pensioenregeling toe te treden en om verworven rechten mee te kunnen nemen naar hun volgende werkgever. Ook is er een trend waarneembaar om pensioenvoorzieningen in toenemende mate volgens het defined contribution principe vorm te geven. In vergelijking met defined benefit regelingen bieden defined contribution regelingen veel minder garantie op een adequaat pensioen. De gevolgen daarvan, armoede onder gepensioneerden, zijn zichtbaar in sommige lidstaten.

Deze tijd vraagt een flexibele, mobiele instelling van werknemers. Mobiliteit moet dus beloond in plaats van bestraft worden. De werkelijkheid is helaas nog anders. Bij sommige aanvullende pensioenregelingen heeft bijvoorbeeld een 30-jarige werknemer, die acht jaar werkervaring heeft opgedaan bij drie verschillende werkgevers, nog geen enkel recht op aanvullend pensioen verworven.

Op hoofdlijnen ondersteunt uw rapporteur het Commissievoorstel van harte. Met de Commissie is uw rapporteur van mening dat het onvoldoende is om in Europees kader slechts rekenregels af te spreken voor het overdragen van pensioenrechten van de ene naar de andere werkgever, al dan niet gevestigd in dezelfde lidstaat. Om flexibiliteit en arbeidsmobiliteit lonend te maken en om ervoor te zorgen dat werknemers voldoende sparen voor hun pensioen, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor het opbouwen, behouden en overdragen van pensioenrechten. Artikel 4 van het voorstel biedt daarvoor een adequaat kader. Sociale partners behouden de vrijheid om betere afspraken te maken.

Op een drietal hoofdpunten wenst uw rapporteur het Commissie voorstel echter aan te passen.

1.  Werkingssfeer van de richtlijn en de verplichting tot overdracht (artikel 2, artikel 6, lid 1 en artikel 9, lid 3)

Er bestaan grote verschillen tussen de aanvullende pensioenregelingen van de lidstaten. Naast sterk uiteenlopende voorwaarden voor het opbouwen, behouden en overdragen van pensioenrechten lopen ook de financieringswijzen uiteen. Voor op kapitalisatie gebaseerde regelingen, waarbij het pensioenkapitaal buiten de onderneming wordt geplaatst, is het gemakkelijker om pensioenrechten van de ene naar de andere regeling over te dragen dan voor bijvoorbeeld omslagstelsels, ondersteuningskassen en boekreservesystemen. Om aan de financiële houdbaarheidsproblemen van laatstgenoemde regelingen tegemoet te komen, stelt de Commissie voor dat deze voorlopig vrijgesteld kunnen worden van de plicht om pensioenrechten over te dragen.

De vrijstellingsmogelijkheid van de Commissie zal er in de praktijk toe leiden dat de verplichting tot overdracht wel heel selectief toegepast zal worden. Uw rapporteur wenst voor deze richtlijn een zo breed mogelijke werkingssfeer. Tegelijkertijd is het heel moeilijk om in bestaande regelingen in te grijpen. Daarom stelt uw rapporteur de volgende oplossing voor:

· de richtlijn zal uitsluitend op nieuw toegewezen pensioenrechten van toepassing zijn

· de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 9, lid 3 wordt geschrapt, met andere woorden er bestaan geen uitzonderingen op de verplichting tot overdracht.

2.  De behandeling van slapende pensioenrechten (artikel 5)

Werknemers die hun verworven pensioenrechten achterlaten ('slapend houden') bij hun oude werkgever, mogen niet benadeeld worden. Het Commissievoorstel is echter onduidelijk over hoe dit doel bereikt wordt. Het is dus van belang te verhelderen ten opzichte van welke groep slapende deelnemers niet benadeeld mogen worden en hoe ver deze verplichting tot gelijke behandeling gaat. Glashelder moet zijn dat van een indexatieverplichting gekoppeld aan actieve deelnemers geen sprake kan zijn. Daarom stelt uw rapporteur voor dat lidstaten een gelijke behandeling dienen te garanderen tussen slapende deelnemers en gepensioneerde deelnemers.

3.  Positie van tijdelijke werknemers en herintreders (artikel 6)

De Commissie stelt voor dat werknemers een verzoek tot overdracht van hun pensioenrechten binnen 18 maanden na beëindiging van de (oude) arbeidsverhouding moeten indienen. Dit kan nadelig uitpakken voor mensen die onvrijwillig hun baan verliezen of tijdelijk stoppen met werken om voor kinderen of andere naasten te zorgen. Als deze groepen werknemers op een later moment (later dan 18 maanden) weer een baan aanvaarden zouden zij geen gebruik meer van het recht op overdracht kunnen maken. Daarom stelt uw rapporteur voor om werknemers tot zes maanden na aanvaarding van een nieuwe arbeidsbetrekking de mogelijkheid te bieden om een verzoek tot overdracht van hun pensioenrechten in te dienen.


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (1.2.2007)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten
(COM(2005)0507 – C6‑0331/2005 – 2005/0214(COD))

Rapporteur voor advies: Eoin Ryan

BEKNOPTE MOTIVERING

Achtergrond

Volgens de enquête naar de arbeidskrachten van 2003 (Eurostat, Europese Commissie) is van de totale beroepsbevolking van de EU 8,2% na een jaar van baan veranderd (Denemarken en het VK gingen aan kop met 13% en Zweden en Griekenland stonden met 5% onderaan). Gemiddeld blijven werknemers in de EU 10,6 jaar werkzaam in dezelfde betrekking, vergeleken met 6,7 jaar in de VS. Wat betreft de geografische mobiliteit woont en werkt slechts 1,5% van de EU-25-burgers in een andere lidstaat dan hun land van oorsprong. 7,2% van de EU-burgers verandert elk jaar van woonplaats, waarvan 15% het gevolg is van een andere baan, terwijl in de VS 16,2% van de burgers elk jaar verhuist, waarvan 17% uit beroepsoverwegingen.

Huidige juridische grondslag

De enige bestaande wettelijke regeling op dit gebied is Richtlijn 98/49/EEG. Deze richtlijn waarborgt de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de EU verplaatsen. De reikwijdte is echter beperkt omdat er geen garanties zijn voor de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenen en evenmin op het vlak van de flexibiliteit van de verwervingsvoorwaarden.

Voorstel voor een richtlijn 2005/214(COD)

Het voorstel regelt alle stelsels voor aanvullende pensioenen die gebaseerd zijn op een arbeidsrelatie met uitzondering van wettelijke regelingen die vallen onder Verordening 1408/71, zoals de Franse AGIRC/ARRCO-regeling. Het voorstel behelst geen definitie van gegarandeerd pensioen en vaste premies. Hoewel de structuur van pensioenregelingen, met name die met vaste premies, veranderd zijn als gevolg van ontwikkelingen op de markt, hadden enkele algemene beginselen alsmede de problemen in verband met de overdraagbaarheid, als gevolg van de verschillen tussen de regelingen, gedefinieerd moeten worden.

Wat betreft de verwervingsrechten worden in het voorstel grenzen ingevoerd voor de verwervingsvoorwaarden zodat mobiele werknemers voldoende aanvullende pensioenrechten in hun carrière kunnen opbouwen. Ondanks het feit dat nationale voorschriften verschillen, mogen de periodes die een werknemer in een pensioenplan moet deelnemen voordat hij recht krijgt op pensioen (vesting period) mag niet langer zijn dan twee jaar mits de minimumleeftijd voor de verwerving is bereikt, die is vastgesteld op 21 jaar. Bovendien mag de wachtperiode voordat een werknemer aan een pensioenregeling kan deelnemen niet langer zijn dan een jaar (mits de minimumleeftijd is bereikt). Er zij op gewezen dat de lage grenzen voor "vesting periods" en wachttijden ook kan resulteren in hogere kosten voor alle deelnemers van de regeling.

In de richtlijn wordt het begrip "redelijke aanpassing" van slapende pensioenrechten geïntroduceerd. Het begrip is er onduidelijk over of het betrekking heeft op een herbeoordeling, indexering, enz. hoewel in overweging 7 wordt verwezen naar indexering of inflatie. Toch is meer duidelijkheid nodig om te voorkomen dat de vertrekkende werknemer benadeeld wordt. Om te hoge administratiekosten van het beheer van grote aantallen slapende rechten van geringe omvang te voorkomen, voorziet het voorstel ook in de mogelijkheid om de rechten over te dragen, of een kapitaal uit te betalen dat deze verworven aanspraken vertegenwoordigt wanneer deze onder een bepaalde door de betreffende lidstaat vast te stellen drempel blijven.

Op het vlak van de overdrachtsrechten kunnen werknemers kiezen voor het behoud van rechten in de aanvullende regeling van zijn oude betrekking (tenzij deze zo gering zijn dat ze zouden leiden tot buitensporige administratieve kosten) of de overdracht naar een ander stelsel. De lidstaten krijgen echter de mogelijkheid om niet-kapitaalgedekte pensioenstelsels (zoals omslagstelsels of steunfondsen) van deze overdrachtsverplichting uit te zonderen om hun financiële duurzaamheid te behouden. Deze bepaling wordt uiterlijk 1 juli 2018 herzien. Met betrekking tot het begrip overdracht is van belang onderscheid te maken tussen de "overdracht van rechten" (art. 6) en "overdracht van kapitaal" zoals wordt gebruikt in artikel 3, letter j). De ontwerprichtlijn is niet consequent in het gebruik van deze begrippen. In de praktijk nemen werknemers eenvoudig het kapitaal mee van hun oude regeling (transfer-out) en brengen dat onder in de nieuwe regeling overeenkomstig de voorschriften van deze regeling (transfer-in). Het is onmogelijk om het nieuwe pensioenstelsel te verplichten hetzelfde niveau van rechten te waarborgen. Tenslotte gaat het voorstel niet in op de kwestie van overdrachten uit regelingen die tijdelijk te weinig kapitaaldekking hadden, en wanneer een overdracht uit de regeling schadelijke gevolgen zou kunnen hebben voor de rechten van de overgebleven deelnemers.

Wat betreft de informatieplicht wordt in het voorstel gevraagd om maatregelen als aanvulling op die van artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichtingen van de beroepspensioeninstellingen. Artikel 11 van deze richtlijn bepaalt dat deelnemers en pensioengerechtigden van een pensioenregeling informatie moeten krijgen over de jaarrekeningen en de jaarverslagen, over beleggingsbeginselen van het pensioenfonds en over de regelingen in verband met de overdracht of te betalen pensioenuitkeringen. In artikel 7 van het nieuwe voorstel wordt deze bepaling onvoldoende geacht en dient de beheerder van de aanvullende pensioenregeling iedere vertrekkende werknemer, zowel de deelnemers als de niet-deelnemers van een pensioenregeling, in te lichten over de gevolgen van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor zijn aanvullende pensioenrechten. Het is mogelijk dat zo'n bepaling ook onnodige kosten veroorzaakt voor het beheer van een pensioenregeling.

AMENDEMENTEN

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Door de Commissie voorgestelde tekst(1)  Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 10

(10) Om redenen van financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen hebben de lidstaten de mogelijkheid om niet gekapitaliseerde regelingen vrij te stellen van de verplichting om werknemers de mogelijkheid te bieden om verworven rechten over te dragen. Met het oog op gelijke behandeling van de werknemers die onder gekapitaliseerde regelingen vallen enerzijds en degenen die onder niet-gekapitaliseerde regelingen vallen anderzijds, dienen de lidstaten er echter naar te streven de overdraagbaarheid van rechten op basis van niet-gekapitaliseerde regelingen geleidelijk te verbeteren.

schrappen

Motivering

Er bestaat enige bezorgdheid ten aanzien van de financiële duurzaamheid en de billijkheid en de solidariteit ten aanzien van de overblijvende deelnemers in de regelingen, niet alleen voor de niet-gekapitaliseerde regelingen die de Commissie wenst vrij te stellen van de richtlijn, maar ook voor regelingen en pensioenfondsen die onder de richtlijn zullen vallen. Deze bezwaren moeten in principe voor alle regelingen worden geregeld en niet eenvoudigweg door alleen maar de niet-gekapitaliseerde regelingen uit te sluiten.

Amendement 2

Overweging 10 bis (nieuw)

(10 bis) Om redenen van financiële duurzaamheid van de aanvullende pensioenregelingen, moet de overdraagbaarheid van pensioenrechten nauwlettend in het oog worden gehouden, met name met betrekking tot de gevolgen van de verschillen in actuariële ramingen en de verwachte renteontwikkelingen voor het huidig gebruik van de mogelijkheid om rechten over te dragen. De gevolgen van deze richtlijn voor veranderingen in pensioenregelingen, met name overgangen van systemen met gegarandeerde uitkeringen naar beschikbare premieregelingen, moet eveneens nauwlettend in het oog worden gehouden.

Motivering

Er bestaat enige bezorgdheid ten aanzien van de financiële duurzaamheid en de billijkheid en de solidariteit ten aanzien van de overblijvende deelnemers in de regelingen, niet alleen voor de niet-gekapitaliseerde regelingen die de Commissie wenst vrij te stellen van de richtlijn, maar ook voor regelingen en pensioenfondsen die onder de richtlijn zullen vallen. De gevolgen moeten nauwlettend in het oog worden gehouden. Er bestaat ook grote twijfel bij deskundigen dat de richtlijn trends om over te schakelen van pensioenregelingen met gegarandeerde uitkeringen naar types vaste premieregelingen kan versterken.

Amendement 3

Overweging 11 bis (nieuw)

(11 bis) Ter voorkoming van een niet-consistente omzetting moeten de met het toezicht belaste autoriteiten zowel in als tussen lidstaten samenwerken.

Motivering

Problematisch is de kwestie van de definitie van de bevoegde toezichthoudende autoriteit of samenwerkingsmechanismen tussen toezichthoudende autoriteiten in een lidstaat (gewoonlijk de financieel toezichthouder voor pensioenfondsen en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor toezicht op pensioenen in het algemeen) en eveneens in de gehele EU.

Amendement 4

Overweging 11 ter (nieuw)

(11 ter) Aangezien verschillen in fiscale behandeling van premiebetalingen aan en uitkeringen van pensioenregelingen belangrijke obstakels zijn voor de mobiliteit en de overdracht van pensioenrechten, moeten de gevolgen van de fiscale behandeling in relatie tot dit soort overdrachten nauwlettend in het oog worden gehouden en, zo nodig, aanleiding geven tot de vaststelling van passende maatregelen.

Motivering

De doelstellingen van de richtlijn inzake mobiliteit, met name door middel van de bepalingen voor de overdracht van pensioenrechten naar andere landen, kan moeilijk te verwezenlijken zijn, wanneer de fiscale behandeling niet op hetzelfde ogenblik wordt geregeld.

Amendement 5

Overweging 14 bis (nieuw)

(14 bis) De Commissie dient vijf jaar na het van kracht worden van de onderhavige richtlijn een kosten-batenanalyse uit te voeren waarin de invloed daarvan op het aantal werkgevers dat pensioenregelingen aanbiedt, wordt beoordeeld.

Motivering

Het is van belang dat deze richtlijn niet resulteert in een beperking van het aantal werkgevers dat bereid is pensioenregelingen aan te bieden.

Amendement 6

Artikel 1

Deze richtlijn beoogt de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers, en van het recht op beroepsmobiliteit binnen een lidstaat, te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen als gevolg van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten.

Deze richtlijn beoogt de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers, en de beroepsmobiliteit binnen een lidstaat en tussen lidstaten, te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen als gevolg van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten.

Motivering

De richtlijn moet vooral ook gericht zijn op een vergemakkelijking van de beroepsmobiliteit tussen lidstaten.

Amendement 7

Artikel 2

Deze richtlijn is van toepassing op aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van regelingen die onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 vallen.

Deze richtlijn is van toepassing op vrijwillige of verplichte aanvullende pensioenregelingen op basis van een arbeidverhouding.

Motivering

Om redenen van wederkerigheid is het niet eerlijk om de werkingssfeer van de richtlijn alleen te beperken tot de aanvullende regelingen van de tweede pijler die niet vallen onder VO 1408/71. Dus ook voor de regelingen van VO 1408/71 zijn de bepalingen van de onderhavige richtlijn van toepassing.

Amendement 8

Artikel 3, letter c)

c) "deelnemers": personen die door hun beroepsactiviteit recht hebben of kunnen hebben op een aanvullend pensioen, overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

c) "actieve deelnemers": personen die krachtens de bepalingen van de regeling mogen deelnemen en die door hun huidige arbeidverhouding recht hebben of na vervulling van de eisen voor het deelnemerschap zullen hebben op een aanvullend pensioen, overeenkomstig de bepalingen van genoemde regeling;

Motivering

Met dit amendement moet worden duidelijk gemaakt dat gepensioneerden en begunstigden met uitgestelde rechten niet onder deze definitie vallen. De richtlijn is niet bedoeld voor gepensioneerden en begunstigden met uitgestelde rechten. Deze worden apart gedefinieerd. In het amendement wordt ook verduidelijkt dat een actieve deelnemer een werknemer is die mag deelnemen aan een regeling, los van het feit of de periode is verstreken die hij in een pensioenplan moet deelnemen. Anders zou de definitie ook kunnen slaan op werknemers die zich in een wachtperiode bevinden voordat zij mogen deelnemen aan de regeling en dat is niet de bedoeling.

Amendement 9

Artikel 3, letter d)

d) "pensioenrechten": alle uitkeringen waarop deelnemers aan de regeling en andere rechthebbenden uit hoofde van de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voorzover van toepassing, de nationale wetgeving, recht hebben;

°d) "toegekende pensioenrechten": alle rechten op aanvullende pensioenen die verkregen zijn nadat voldaan is aan de voorwaarden van de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voorzover van toepassing, de nationale wetgeving;

Motivering

Krachtens de aanvullende pensioenregelingen hebben de deelnemers alleen rechten wanneer zij de regeling verlaten (behalve bij pensionering), wanneer de periode die een werknemer in een pensioenplan moet deelnemen voordat hij recht krijgt op pensioen is vervuld. Wanneer rechten zijn toegekend kan een deelnemer die de regeling verlaat aanspraak maken op die rechten van de regeling of, afhankelijk van enkele beperkingen, deze rechten overdragen. Deze definitie is gewijzigd om duidelijk te maken dat een deelnemer alleen dit soort aanspraken verwerft wanneer hij voldaan heeft aan de eisen die gelden voordat hij recht krijgt op pensioen. Ook de term "uitkeringen" is vervangen door de term "aanvullend pensioen" omdat daarvoor al een definitie bestaat.

Amendement 10

Artikel 3, letter e)

e) "beëindiging van de arbeidsverhouding": de beslissing een arbeidsverhouding te beëindigen;

e) "beëindiging van de arbeidsverhouding": de beëindiging van een arbeidsverhouding om andere redenen dan pensionering, alsmede om andere redenen dan diegene die conform nationaal recht leiden tot het verlies van aanspraken.

Motivering

Vrijwillige regelingen voor aanvullend pensioen dienen er onder andere toe om de werknemer te binden aan de onderneming en hem voor deze bedrijfstrouw in de vorm van een aanvullend pensioen te belonen. Bepaalde laakbare handelingen van de werknemer kunnen, afhankelijk van het nationale recht, de werkgever het recht geven de werknemer te ontslaan. In dit soort gevallen mag de werknemer niet worden beloond door de overdracht van aanspraken ten laste van het aanvullend bedrijfspensioenfonds.

Amendement 11

Artikel 3, letter e bis) (nieuw)

e bis) "pensionering", met inbegrip van vervroegde pensionering: een periode gedurende welke aanspraak wordt gemaakt op pensioenuitkeringen; beëindiging van een arbeidsverhouding als zodanig is geen pensionering;

Motivering

Beëindiging van een arbeidsrelatie dient geen pensionering te behelzen; pensionering moet worden omschreven als de periode waarin aanspraak wordt gemaakt op pensioenuitkeringen. Dit geldt ook voor deelnemers die een pensioen ontvangen om andere redenen dan pensionering. Iemand kan bijvoorbeeld een invaliditeitspensioen ontvangen.

Amendement 12

Artikel 3, letter f)

f) "vertrekkende werknemer": een werknemer die, alvorens recht te krijgen op een pensioen, een betrekking verlaat waarin hij pensioenrechten heeft opgebouwd, dan wel pensioenrechten had kunnen verwerven als hij was gebleven;

f) "vertrekkende werknemer": een actieve deelnemer aan e regeling, wiens huidige arbeidsverhouding is beëindigd;

Motivering

Bedoeld ter verduidelijking dat niet alle werknemers deelnemers zijn in pensioenregelingen en dat het daarom beter is dat de term werknemer wordt vervangen door de term "actieve deelnemer van de regeling" die al is gedefinieerd. Ook zou de zin "alvorens recht te krijgen op een pensioen" misleidend kunnen zijn omdat iemand alleen recht kan krijgen op een pensioen bij pensionering of in een andere situatie die recht geeft op een pensioen, zoals invaliditeit. Dit amendement verduidelijkt derhalve dat een vertrekkende werknemer een actieve deelnemer van de regeling is die een eind ziet komen aan zijn huidige dienstverband maar op een andere wijze dan wanneer aanspraak wordt gemaakt op pensioenuitkeringen.

Amendement 13

Artikel 3, letter h)

h) "begunstigde met uitgestelde rechten": een ex-deelnemer die pensioenrechten bezit die slapend blijven in de aanvullende pensioenregeling totdat voldaan wordt aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvullend pensioen;

h) "begunstigde met uitgestelde rechten": een persoon die pensioenrechten heeft verdiend in een aanvullende pensioenregeling, maar niet langer een actief deelnemer is van deze regeling en nog niet in aanmerking komt voor een aanvullend pensioen uit hoofde van genoemde regeling;

Motivering

In deze definitie worden begunstigden met uitgestelde rechten gekenmerkt als "ex-deelnemers". In werkelijkheid zijn begunstigden met uitgestelde rechten echter nog steeds deelnemers maar geen "actieve" deelnemers. Met deze nieuwe definitie worden dit soort begunstigden preciezer omschreven.

Amendement 14

Artikel 3, letter i)

i) "slapende pensioenrechten": pensioenrechten die behouden blijven in de regeling waarin ze zijn verworven door een begunstigde met uitgestelde rechten, die een pensioen zal ontvangen afkomstig van deze aanvullende pensioenregeling zodra aan de voorwaarden om in aanmerking te komen wordt voldaan;

i) "slapende pensioenrechten": verdiende pensioenrechten die behouden blijven in de regeling waarin ze zijn opgebouwd door een begunstigde met uitgestelde rechten;

Motivering

Het tweede deel van deze definitie is overbodig en kan aanleiding geven tot verwarring.

Amendement 15

Artikel 3, letter j)

j) "overdracht": overmaking door een aanvullende pensioenregeling van een kapitaal dat alle of een deel van de in het kader van die regeling verworven pensioenrechten vertegenwoordigt; dit kapitaal kan worden overgebracht naar een nieuwe aanvullende pensioenregeling of naar een andere financiële instelling die pensioenrechten verleent.

j) "overdracht": overmaking door een aanvullende pensioenregeling van een kapitaal dat alle van de in het kader van die regeling verworven pensioenrechten vertegenwoordigt; dit kapitaal kan worden overgebracht naar een nieuwe aanvullende pensioenregeling of naar een andere financiële instelling die pensioenrechten verleent.

Motivering

De richtlijn moet consequent zijn in het gebruik van termen als "overdracht van kapitaal" en "overdracht van rechten". In de praktijk nemen werknemers veelal het kapitaal van een oude regeling mee (transfer-out) en brengen het in een nieuwe regeling onder, conform de voorschriften van de nieuwe regeling (transfer-in). Het is onmogelijk de nieuwe pensioenregeling te verplichten om hetzelfde niveau van rechten te waarborgen.

Amendement 16

Artikel 3, letter j bis) (nieuw)

j bis) "financiële instelling": een instelling die conform nationale wettelijke voorschriften en overeenkomstig de door de lidstaat waarin zij gevestigd is, vastgestelde regelingen andere pensioenproducten als aanvullend pensioen mag aanbieden.

Motivering

Precisering van artikel 3, letter j).

Amendement 17

Artikel 4, inleidende formule

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen dat:

Ingeval een aanvullende pensioenregeling wordt ingevoerd en het dienstverband van de werknemer hem of haar recht geeft aan de regeling deel te nemen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen dat:

Motivering

Artikel 4 zou zo kunnen worden opgevat dat de lidstaten verplicht zijn werknemers toegang te geven tot een regeling voor aanvullend pensioen - zoals bijvoorbeeld de inleidende tekst samen met letter c). Dat is niet de bedoeling van het voorstel en zo'n interpretatie zou het vrijwillige karakter van pensioenvoorzieningen in veel lidstaten ondergraven. Met dit amendement wordt duidelijk dat het artikel alleen van toepassing is wanneer er een regeling bestaat en de werknemer recht zou hebben om aan de regeling deel te nemen (een werkgever kan een aantal pensioensregelingen hebben voor verschillende categorieën werknemers).

Amendement 18

Artikel 4, letter a)

a) wanneer er nog geen pensioenrechten zijn verworven op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsverhouding, het totale bedrag van de door of ten behoeve van de werknemer betaalde bijdragen wordt terugbetaald of overgedragen;

a) wanneer er nog geen pensioenrechten zijn toegekend op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsverhouding, het totale bedrag van de bijdragen, of de waarde van de met deze bijdragen gedane investeringen, wordt terugbetaald, voorzover deze niet zijn gebruikt ter dekking van invaliditeitsrisico's, rechten van overlevenden of andere elementen op het vlak van de solidariteit;

Motivering

In bepaalde pensioenregelingen worden invaliditeitsrisico's, overlevingspensioenen en andere elementen op collectieve basis gedekt: het is billijk om deze elementen naar evenredigheid mee te rekenen bij de berekening van de contributies die door de vertrekkende deelnemer zijn betaald.

Amendement 19

Artikel 4, letter b)

b) wanneer een minimumleeftijd vereist is voor het verwerven van pensioenrechten, deze leeftijd niet hoger is dan 21 jaar;

b) wanneer door de lidstaten voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten, zoals minimumleeftijd, wacht- en/of opbouwperiodes, worden vastgelegd dit soort voorwaarden op objectieve gronden zijn gebaseerd.

Motivering

Het voorstel voor een richtlijn moet rekening houden met het subsidiariteitsbeginsel en mag derhalve geen voorschriften voor de nationale opbouw en vormgeving van de tweede pijler vastleggen. De in het voorstel voor een richtlijn voorgestelde termijnen voor wachttijden en opbouwperiodes zijn bovendien niet geschikt om rekening te houden met de oorspronkelijke gedachte van vrijwillige regelingen voor aanvullend pensioen, te weten de binding van de werknemer aan het bedrijf.

Amendement 20

Artikel 4, letter c)

c) een werknemer zich bij een aanvullende pensioenregeling kan aansluiten na een jaar bij dezelfde werkgever gewerkt te hebben, dan wel zodra hij de minimumleeftijd heeft bereikt en een jaar gewerkt heeft;

c) een werknemer zich bij een aanvullende pensioenregeling kan aansluiten na een jaar bij dezelfde werkgever gewerkt te hebben, dan wel zodra hij de door de lidstaat of het aanvullend pensioenstelsel in kwestie vereiste minimumleeftijd heeft bereikt;

Motivering

Dit punt gaat over de voorwaarden voor aansluiting bij de regeling. Wanneer de werknemer zich nog in een wachtperiode bevindt, verliest hij geen aanspraken wanneer hij de arbeidsverhouding beëindigt. De Commissie heeft bevestigd dat zij bedoelt dat pensioenregelingen van de lidstaten elke leeftijd als voorwaarde voor aansluiting kunnen vaststellen.

Amendement 21

Artikel 4, letter d)

d) een werknemer pensioenrechten verwerft uiterlijk na twee jaar aangesloten te zijn geweest.

d) een werknemer aanspraken op pensioenrechten verwerft uiterlijk na twee jaar, mits de werknemer de minimumleeftijd heeft bereikt zoals is vastgesteld voor de verwerving van pensioenrechten.

Motivering

Met dit amendement wordt beoogd de interactie van artikel 4, letter b) (dat betrekking heeft op een minimumleeftijd voor de verwerving van pensioenrechten) en 4, letter d) (dat betrekking heeft op minimumwachtperioden voor de verwerving van pensioenrechten) te verduidelijken. In het amendement wordt duidelijk gemaakt dat, wanneer de werknemer twee jaar heeft deelgenomen aan het stelsel, hij rechten moet kunnen verwerven, tenzij hij nog niet de vastgestelde minimumleeftijd heeft bereikt. In dat geval worden zijn rechten niet meegeteld tot hij de bedoelde minimumleeftijd heeft bereikt.

Amendement 22

Artikel 5, lid 1

1. De lidstaten nemen de maatregelen die zij noodzakelijk achten om een redelijke aanpassing van slapende pensioenrechten te verzekeren, om te voorkomen dat de vertrekkende werknemer benadeeld wordt.

1. De lidstaten nemen met het oog op de aard van het stelsel voor aanvullend pensioen de maatregelen die zij noodzakelijk achten om een redelijke en gelijke behandeling van slapende pensioenrechten te verzekeren, rekening houdend met de duur en de omvang van de bijdragen voor de regeling die namens degene die de regeling verlaat, zijn betaald.

Motivering

Met dit amendement wordt bedoeld het verschil te onderstrepen tussen de vastgestelde premie en de vastgestelde uitkeringen. In het eerste geval worden de slapende pensioenrechten aangepast naar gelang van het rendement van de investeringen, terwijl in het laatstgenoemde geval de rechten worden aangepast overeenkomstig de door de lidstaat gekozen methode, met inbegrip van inflatie- of loonniveaus. Met het amendement wordt ook de dubbelzinnigheid rond het woord "benadeeld" weggenomen. De term "redelijke behandeling" maakt duidelijk dat slapende rechten op een eerlijke manier moeten worden behandeld, maar dat zij begunstigden met uitgestelde rechten niet boven de anderen mogen bevoordelen.

Amendement 23

Artikel 5, lid 2

2. De lidstaten kunnen aanvullende pensioenregelingen toestaan om de verworven rechten van deelnemers niet te handhaven, maar gebruik te maken van een overmaking of uitbetaling van een kapitaal dat de verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijven. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van deze drempel.

2. De lidstaten kunnen aanvullende pensioenregelingen toestaan om de toegekende rechten van deelnemers niet te handhaven, maar gebruik te maken van een overmaking of uitbetaling van een kapitaal dat de toegekende pensioenrechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijven. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van deze drempel.

Motivering

In dit amendement wordt gebruik gemaakt van de term "toegekende pensioenrechten", die gedefinieerd is.

Amendement 24

Artikel 6, lid 1

1. Afgezien van de gevallen waarin een kapitaal wordt uitbetaald overeenkomstig artikel 5, lid 2, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer een vertrekkende werknemer in zijn nieuwe betrekking niet onder dezelfde aanvullende pensioenregeling valt, hij op zijn verzoek en uiterlijk binnen 18 maanden na beëindiging van de arbeidsverhouding, een overdracht van al zijn verworven pensioenrechten kan verkrijgen, hetzij binnen een lidstaat of naar een andere lidstaat.

schrappen

Motivering

De inhoud van artikel 6 moet volgens het subsidiariteitsbeginsel aan de lidstaten worden overgelaten.

Amendement 25

Artikel 6, lid 2

2. De lidstaten zorgen ervoor, overeenkomstig hun nationale praktijken, dat indien actuariële ramingen en schattingen van de ontwikkeling van de rentevoet van invloed zijn op de vaststelling van de overgedragen verworven rechten, deze ramingen en schattingen de vertrekkende werknemer niet benadelen.

2. De lidstaten bevorderen, overeenkomstig hun nationale praktijken en in samenwerking met de Commissie de convergentie van actuariële ramingen en verwachte rentetarievenontwikkelingen en zorgen ervoor dat indien actuariële ramingen en schattingen van de ontwikkeling van de rentevoet van invloed zijn op de vaststelling van de overgedragen toegekende pensioenrechten, deze ramingen en schattingen redelijk zijn voor de vertrekkende werknemer en de deelnemers van de regeling. De lidstaten kunnen het aanvullend pensioenfonds toestaan de waarde van de terugbetaling of de overdracht aan te passen om de financiële duurzaamheid van het pensioenfonds in stand te houden.

Motivering

De term "niet benadelen" wordt vervangen door "redelijk moeten zijn voor de vertrekkende werknemer en de deelnemers van de pensioenregeling" om rekening te houden met situaties waarin het nodig kan zijn om de waarde van de overdracht aan te passen. Dat kan noodzakelijk zijn wanneer een pensioenfonds met vaste uitkeringen uit de particuliere sector ondergefinancierd is. In dit soort gevallen mogen de beheerders van het fonds de transferbetaling op advies van de actuarissen verminderen. De bedoeling is dat ervoor wordt gezorgd dat de overblijvende deelnemers geen schadelijke gevolgen ondervinden door zo'n transfer. Zonder deze zinswending in de richtlijn kan de financiële duurzaamheid van sommige fondsen in gevaar worden gebracht.

Amendement 26

Artikel 6, lid 3

3. De aanvullende pensioenregeling die de overdracht ontvangt, mag geen voorwaarden voor verwerving stellen en handhaaft deze rechten op ten minste hetzelfde niveau als de slapende rechten overeenkomstig artikel 5, lid 1.

schrappen

Motivering

De inhoud van artikel 6 moet volgens het subsidiariteitsbeginsel aan de lidstaten worden overgelaten.

Amendement 27

Artikel 6, lid 4

4. Indien bij een overdracht administratiekosten berekend worden, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te voorkomen dat die in onevenredige verhouding staan tot de duur van de aansluiting van de vertrekkende werknemer bij de regeling.

schrappen

Motivering

De inhoud van artikel 6 moet volgens het subsidiariteitsbeginsel aan de lidstaten worden overgelaten.

Amendement 28

Artikel 7, lid 1

1. Onverminderd de uit artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichtingen van beroepspensioeninstellingen met betrekking tot de aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers door de beheerder van de aanvullende pensioenregeling worden ingelicht over de gevolgen van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

1. Onverminderd de uit artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichtingen van beroepspensioeninstellingen met betrekking tot de aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de actieve of toekomstige deelnemers van de pensioenregeling door de beheerder van de aanvullende pensioenregeling worden ingelicht over de gevolgen van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

Motivering

Hiermee wordt verduidelijkt dat dit artikel niet van toepassing is op alle werknemers maar alleen op actieve deelnemers van de regeling en ook voor die werknemers die, zodra de wachtperiode is verstreken, deelnemers worden.

Amendement 29

Artikel 7, lid 2, inleidende formule

2. Werknemers die daarom verzoeken, ontvangen binnen een redelijke termijn voldoende inlichtingen over met name:

2. Deelnemers die daarom verzoeken, ontvangen binnen een redelijke termijn voldoende inlichtingen over met name:

Amendement 30

Artikel 9, lid 2

2. Onverminderd het eerste lid van dit artikel kunnen de lidstaten indien nodig gebruik maken van een aanvullende termijn van 60 maanden, met ingang van 1 juli 2008, voor de verwezenlijking van de in artikel 4, punt d), aangegeven doelstelling. Iedere lidstaat die gebruik wenst te maken van deze langere termijn, stelt de Commissie daarvan op de hoogte, en geeft aan om welke regelingen het gaat en welke redenen deze aanvullende termijn rechtvaardigen.

schrappen

Amendement 31

Artikel 9, lid 3

3. Onverminderd het eerste lid van dit artikel, en om rekening te houden met overtuigend aangetoonde bijzondere omstandigheden in verband met de financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen, kunnen de lidstaten regelingen die op basis van een omslagstelsel functioneren, ondersteuningskassen, en ondernemingen die boekreserves opbouwen om een pensioen aan hun werknemers te kunnen uitbetalen, vrijstellen van de toepassing van artikel 1, lid 6. Iedere lidstaat die van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, stelt de Commissie daarvan onmiddellijk op de hoogte, en geeft aan om welke regelingen het gaat en welke specifieke redenen deze vrijstelling rechtvaardigen, en welke maatregelen genomen zijn of nog zullen worden om de overdraagbaarheid van de uit de regeling in kwestie voortvloeiende rechten te verbeteren.

schrappen

Motivering

De reikwijdte en de doeltreffendheid van de richtlijn zouden op losse schroeven komen te staan als de genoemde soorten regelingen die in vele lidstaten voorkomen van de mogelijkheid van overdracht van pensioenrechten worden uitgesloten. De bezwaren met betrekking tot deze regelingen die nu vooral de financiële duurzaamheid en de billijkheid en solidariteit met betrekking tot de overblijvende deelnemers in de regelingen betreffen, gelden ook voor de regelingen en pensioenfondsen die onder de richtlijn moeten gaan vallen, en moeten zo worden behandeld dat de bepalingen betreffende de overdracht op een behoorlijke manier voor alle regelingen verbeterd en aangepast worden.

Amendement 32

Artikel 10, lid 2

2. Uiterlijk 10 jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie een specifiek verslag op betreffende de toepassing van artikel 9, lid 3. Op basis daarvan dient de Commissie, indien nodig, een voorstel betreffende eventueel noodzakelijk gebleken wijzigingen van deze richtlijn met het oog op gelijke behandeling, wat de overdraagbaarheid van verworven rechten betreft, tussen werknemers die zijn aangesloten bij op kapitalisatie gebaseerde regelingen en werknemers die zijn aangesloten bij regelingen als bedoeld in artikel 9, lid 3.

2. Uiterlijk 2 jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie een specifiek verslag op, vooral met betrekking tot de convergentie van actuariële prognoses en verwachte renteontwikkelingen en de gevolgen van de verschillen in fiscale behandeling in verband met de overdracht van pensioenrechten. Op basis daarvan dient de Commissie, indien nodig, een voorstel betreffende eventueel noodzakelijk gebleken wijzigingen van deze richtlijn in, of andere instrumenten die noodzakelijk blijken te zijn om te zorgen voor het juiste evenwicht van belangen.

Motivering

Pensioenfondsen die onder verschillende actuariële en rentevoetprojecties vallen, mogen niet worden geconfronteerd met sterk uiteenlopende uitkomsten van het praktisch gebruik van rechten, die in artikel 6 worden toegekend. Eventuele afwijkingen moeten worden rechtgezet in de richtlijn door meer ruimte te bieden voor correcties of striktere bepalingen op te nemen om te zorgen voor convergentie van de gebruikte actuariële en rentevoetprognoses. Ook de gevolgen van de fiscale behandeling moeten nauwlettend in het oog worden gehouden.

PROCEDURE

Titel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten

Document- en procedurenummers

COM(2005)0507 – C6-0331/2005 – 2005/0214(COD)

Commissie ten principale

EMPL

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

ECON
13.12.2005

 

 

Nauwere samenwerking
  Datum bekendmaking

 

Rapporteur(S)
  Datum benoeming

Eoin Ryan
13.12.2005

Vervangen rapporteur(s)

 

Behandeling in commissie

3.5.2006

20.6.2006

4.9.2006

11.9.2006

 

Datum goedkeuring

24.1.2007

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zsolt László Becsey, Pervenche Berès, Sharon Bowles, Udo Bullmann, Ieke van den Burg, David Casa, Philip Dimitrov Dimitrov, Elisa Ferreira, José Manuel García-Margallo y Marfil, Jean-Paul Gauzès, Donata Gottardi, Sophia in 't Veld, Othmar Karas, Piia-Noora Kauppi, Evgeni Kirilov, Wolf Klinz, Christoph Konrad, Kurt Joachim Lauk, Andrea Losco, Astrid Lulling, Gay Mitchell, Cristobal Montoro Romero, Joseph Muscat, John Purvis, Alexander Radwan, Bernhard Rapkay, Eoin Ryan, Antolín Sánchez Presedo, Manuel António dos Santos, Olle Schmidt, Margarita Starkevičiūtė, Ivo Strejček, Sahra Wagenknecht, Lars Wohlin

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Harald Ettl, Vladimír Maňka, Thomas Mann, Giovanni Pittella

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Dariusz Maciej Grabowski, Holger Krahmer, Kurt Lechner, Heide Rühle

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...

(1)

Nog niet in het PB gepubliceerd.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (14.7.2006)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten
(COM(2005)0507 – C6‑0331/2005 – 2005/0214(COD))

Rapporteur voor advies: Astrid Lulling

BEKNOPTE MOTIVERING

In het voorstel voor een richtlijn betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten komen de belangrijkste kwesties in verband met de belemmering van het vrije verkeer van werknemers binnen een lidstaat of van de ene lidstaat naar de andere op het gebied van aanvullende pensioenrechten aan bod.

Opgemerkt zij dat deze richtlijn er is gekomen na volgehouden inspanningen van de Commissie om een vrijwillig akkoord tussen de betrokken partijen tot stand te brengen.

Gelet op de diversiteit van de systemen die in de lidstaten bestaan, onderstreept de rapporteur van de medeadviserende commissie dat het juiste wetgevingsinstrument is gekozen (richtlijn) en dat de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit zijn geëerbiedigd.

Hoewel het voorstel voorziet in maatregelen om de nationale regels te harmoniseren, gaan deze niet verder dan nodig is om werknemers in staat te stellen hun rechten bij mobiliteit te behouden of mee te nemen.

Een aantal wijzigingen zijn niettemin wenselijk, om bepaalde hervormingen niet te veel te spreiden in de tijd, een vanuit genderoogpunt neutralere taal te hanteren en te voorkomen dat belemmeringen in sommige lidstaten om technische redenen blijven bestaan.

Tot slot moet worden gegarandeerd dat personen in loondienst die een beroepsactiviteit onderbreken of stopzetten, bijvoorbeeld om gezinsredenen, hun pensioenrechten kunnen behouden en zelfs voort bijdragen betalen.

AMENDEMENTEN

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Door de Commissie voorgestelde tekst(1)  Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 5

(5) Ook dient verwezen te worden naar artikel 94 van het Verdrag, aangezien de dispariteiten tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot de aanvullende pensioenregelingen zowel de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers als het functioneren van de interne markt kunnen belemmeren. Om de meeneembaarheid van de aanvullende pensioenrechten van werknemers die zich binnen de Gemeenschap of binnen een lidstaat verplaatsen, te verbeteren, dienen bepaalde voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten geharmoniseerd te worden en dienen de regels inzake het behoud van slapende rechten en de overdracht van verworven rechten onderling aangepast te worden.

(5) Ook dient verwezen te worden naar artikel 94 van het Verdrag, aangezien de dispariteiten tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot de aanvullende pensioenregelingen zowel de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers of werkneemsters als het functioneren van de interne markt kunnen belemmeren. Om de meeneembaarheid van de aanvullende pensioenrechten van werknemers of werkneemsters die zich binnen de Gemeenschap of binnen een lidstaat verplaatsen, te verbeteren, dienen bepaalde voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten geharmoniseerd te worden en dienen de regels inzake het behoud van slapende rechten en de overdracht van verworven rechten onderling aangepast te worden.

(Deze wijziging geldt voor de hele wetgevingstekst; als zij wordt goedgekeurd, zijn technische aanpassingen nodig in de hele tekst.)

Amendement 2

Overweging 5 bis (nieuw)

(5 bis) Over de details van regelingen inzake aanvullende pensioenen moet worden beslist op het niveau van de lidstaten, inclusief via collectieve overeenkomsten tussen de sociale partners. Bij de voorwaarden voor de verwerving van pensioenrechten in deze richtlijn wordt gefocust op algemene principes en worden richtsnoeren geboden voor maatregelen op nationaal niveau, waarbij de sociale partners voldoende ruimte wordt gelaten voor collectieve onderhandelingen om de details vast te stellen.

Motivering

In gevallen waar de voorwaarden van aanvullende pensioenregelingen worden vastgesteld door de sociale partners, zou de richtlijn de vrijheid van de sociale partners om te onderhanden en overeenkomsten te sluiten, beperken, terwijl deze is beschermd, met name door overeenkomsten van de IAO. Collectieve overeenkomsten bieden een belangrijke bescherming voor werknemers met een zwakke positie op de arbeidsmarkt, zoals vrouwen. Vrouwen hebben algemeen een zwakkere positie dan mannen om voor een goed salaris en een goed pensioen te onderhandelen. Daarom mag deze richtlijn geen betrekking hebben op de eigenlijke inhoud van aanvullende pensioenregelingen. Het pensioen dat uiteindelijk wordt uitbetaald, hangt vooral af van factoren als minimumleeftijd, bijdrageperioden enz. en niet alleen van het jaarlijks bijgestorte bedrag. Een aanvullend pensioen waarvoor de bijdragen zijn overeengekomen via onderhandelingen tussen de sociale partners, maakt deel uit van de verloning van arbeid, een terrein waarop de EU geen regelgevingsbevoegdheid heeft.

Amendement 3

Overweging 6 bis (nieuw)

 

(6 bis) Richtlijn 76/207/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 2002/73/EG, Richtlijn 86/378/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 96/97/EG, Richtlijn 92/85/EEG en Richtlijn 96/34/EG hebben betrekking op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, met name op het gebied van arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid. Bijgevolg moeten de lidstaten en de sociale partners bij de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn de bovengenoemde richtlijnen eerbiedigen, met name wat de terugkeer van vrouwen op de arbeidsmarkt na een onderbreking in het kader van de verzoening van beroeps- en gezinsleven betreft.

Amendement 4

Overweging 11

(11) Onverminderd Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zouden werknemers die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer, of van plan zijn dat te doen, behoorlijk geïnformeerd moeten worden door de beheerders van de aanvullende pensioenregelingen, met name over de consequenties van een beëindiging van de arbeidsverhouding op hun rechten op aanvullend pensioen.

(11) Onverminderd Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zouden werknemers of werkneemsters die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer, of van plan zijn dat te doen, behoorlijk geïnformeerd moeten worden door de beheerders van de aanvullende pensioenregelingen, met name over de consequenties van een beëindiging van de arbeidsverhouding op hun rechten op aanvullend pensioen.

Motivering

Zelfstandigen zijn ook opgenomen in Richtlijn 2003/41/EG. Gebruikte term: instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening: een op basis van kapitalisatie gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst of contract individueel of collectief tussen de werkgever(s) en de werknemer(s) of hun respectieve vertegenwoordigers, of met zelfstandigen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht.

Amendement 5

Overweging 15

(15) Gezien de noodzaak rekening te houden met de gevolgen van deze Richtlijn, met name voor de financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen, kunnen de lidstaten gebruik maken van een verlengde termijn voor de geleidelijke tenuitvoerlegging van de bepalingen die dergelijke gevolgen kunnen hebben.

schrappen

Amendement 6

Artikel 1

Deze richtlijn beoogt de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers, en van het recht op beroepsmobiliteit binnen een lidstaat, te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen als gevolg van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten.

Deze richtlijn beoogt de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers of werkneemsters, en van het recht op beroepsmobiliteit binnen een lidstaat, te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen als gevolg van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten.

Amendement 7

Artikel 3, letter c)

c) "deelnemers": personen die door hun beroepsactiviteit recht hebben of kunnen hebben op een aanvullend pensioen, overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

c) "deelnemers": personen die recht hebben op een aanvullend pensioen, overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

Motivering

Een beperking op basis van de beroepsactiviteit maakt de richtlijn onnodig ingewikkeld. Mede met het oog op betere wetgeving moet het doel een richtlijn zijn met een duidelijk toepassingsgebied en een duidelijke doelstelling: het terrein van de aanvullende pensioenen en alle betrokken of rechthebbende personen.

Amendement 8

Artikel 3, letter d)

d) "pensioenrechten": alle uitkeringen waarop deelnemers aan de regeling en andere rechthebbenden uit hoofde van de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voorzover van toepassing, de nationale wetgeving, recht hebben;

d) "pensioenrechten": alle uitkeringen waarop personen die aan de regeling deelnemen en andere rechthebbenden uit hoofde van de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voorzover van toepassing, de nationale wetgeving, recht hebben;

Amendement 9

Artikel 3, letter f)

f) "vertrekkende werknemer": een werknemer die, alvorens recht te krijgen op een pensioen, een betrekking verlaat waarin hij pensioenrechten heeft opgebouwd, dan wel pensioenrechten had kunnen verwerven als hij was gebleven;

f) "vertrekkende werknemer of werkneemster": een werknemer of werkneemster die, alvorens recht te krijgen op een pensioen, een betrekking verlaat waarin hij of zij pensioenrechten heeft opgebouwd, dan wel pensioenrechten had kunnen verwerven als hij was gebleven;

Amendement 10

Artikel 3, letter g)

g) "meeneembaarheid": de mogelijkheid voor de werknemer om pensioenrechten te verwerven en te behouden bij de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer of bij beroepsmobiliteit;

g) "meeneembaarheid": de mogelijkheid voor de werknemer of werkneemster om pensioenrechten te verwerven en te behouden bij de uitoefening van zijn of haar recht op vrij verkeer of bij beroepsmobiliteit;

Amendement 11

Artikel 3, letter h)

h) "begunstigde met uitgestelde rechten": een ex-deelnemer die pensioenrechten bezit die slapend blijven in de aanvullende pensioenregeling totdat voldaan wordt aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvullend pensioen;

h) "begunstigde met uitgestelde rechten": een ex-deelnemende persoon die pensioenrechten bezit die slapend blijven in de aanvullende pensioenregeling totdat voldaan wordt aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvullend pensioen;

Amendement 12

Artikel 3, letter j)

j) "overdracht": overmaking door een aanvullende pensioenregeling van een kapitaal dat alle of een deel van de in het kader van die regeling verworven pensioenrechten vertegenwoordigt; dit kapitaal kan worden overgebracht naar een nieuwe aanvullende pensioenregeling of naar een andere financiële instelling die pensioenrechten verleent.

j) "overdracht": overbrenging van het kapitaal en alle in het kader van de regeling verworven pensioenrechten naar een nieuwe aanvullende pensioenregeling of naar een andere financiële instelling die pensioenrechten verleent.

Motivering

Het is in het bijzonder belangrijk voor personen die precair werk verrichten, dat aanvullende pensioenrechten kunnen worden geaccumuleerd.

Amendement 13

Artikel 4, letter a)

a) wanneer er nog geen pensioenrechten zijn verworven op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsverhouding, het totale bedrag van de door of ten behoeve van de werknemer betaalde bijdragen wordt terugbetaald of overgedragen;

a) wanneer er nog geen pensioenrechten zijn verworven op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsverhouding, het totale bedrag van de door of ten behoeve van de werknemer of werkneemster betaalde bijdragen wordt overgedragen;

 

het recht verworven pensioenrechten te consolideren, als in de regeling voor overheidspensioenen waarin Verordening (EG) nr. 1408/71 voorziet, moet worden gegarandeerd;

Motivering

Gelet op het toenemende belang van aanvullende pensioenregelingen voor het behoud van de levensstandaard op gevorderde leeftijd, kan het praktisch zijn dezelfde principes te volgen voor de combinatie van verschillende aanvullingsregelingen als voor de combinatie van verschillende regelingen voor overheidspensioenen.

Amendement 14

Artikel 4, letter b)

b) wanneer een minimumleeftijd vereist is voor het verwerven van pensioenrechten, deze leeftijd niet hoger is dan 21 jaar;

b) wanneer een minimumleeftijd vereist is voor het verwerven van pensioenrechten, deze leeftijd niet hoger is dan 18 jaar;

Amendement 15

Artikel 4, letter c)

c) een werknemer zich bij een aanvullende pensioenregeling kan aansluiten na een jaar bij dezelfde werkgever gewerkt te hebben, dan wel zodra hij de minimumleeftijd heeft bereikt en een jaar gewerkt heeft;

c) een werknemer of werkneemster zich bij een aanvullende pensioenregeling kan aansluiten na een jaar bij dezelfde werkgever gewerkt te hebben, dan wel zodra hij of zij de minimumleeftijd heeft bereikt en een jaar gewerkt heeft;

Amendement 16

Artikel 4, letter d)

d) een werknemer pensioenrechten verwerft uiterlijk na twee jaar aangesloten te zijn geweest.

d) een werknemer of werkneemster pensioenrechten verwerft uiterlijk na twee jaar aangesloten te zijn geweest.

Amendement 17

Artikel 5, lid 2

2. De lidstaten kunnen aanvullende pensioenregelingen toestaan om de verworven rechten van deelnemers niet te handhaven, maar gebruik te maken van een overmaking of uitbetaling van een kapitaal dat de verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijven. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van deze drempel.

2. De lidstaten kunnen aanvullende pensioenregelingen toestaan om:

a) de verworven rechten van deelnemers niet te handhaven, maar gebruik te maken van een overmaking of uitbetaling van een kapitaal dat de verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijven. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van deze drempel.

 

b) een vertrekkende werknemer of werkneemster toe te staan na de beëindiging van de arbeidsverhouding voort in dezelfde aanvullende pensioenregeling bij te dragen. De lidstaten delen de Commissie mee hoe deze bepaling wordt uitgevoerd.

Amendement 18

Artikel 7, lid 1

1. Onverminderd de uit artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichtingen van beroepspensioeninstellingen met betrekking tot de aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers door de beheerder van de aanvullende pensioenregeling worden ingelicht over de gevolgen van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

1. Onverminderd de uit artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichtingen van beroepspensioeninstellingen met betrekking tot de aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers of werkneemsters door de beheerder van de aanvullende pensioenregeling worden ingelicht over de gevolgen van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

Amendement 19

Artikel 7, lid 2, inleidende formule

2. Werknemers die daarom verzoeken, ontvangen binnen een redelijke termijn voldoende inlichtingen over met name:

2. Werknemers of werkneemsters die daarom verzoeken, ontvangen binnen een redelijke termijn voldoende inlichtingen over met name:

Amendement 20

Artikel 7, lid 3

3. Een begunstigde met uitgestelde rechten die daarom verzoekt, ontvangt van de beheerder van de aanvullende pensioenregeling inlichtingen over zijn slapende pensioenrechten en over iedere verandering van de regels betreffende de aanvullende pensioenregeling die hem aangaan.

3. Een begunstigde met uitgestelde rechten die daarom verzoekt, ontvangt van de persoon die het beheer over de aanvullende pensioenregeling heeft, inlichtingen over zijn slapende pensioenrechten en over iedere verandering van de regels betreffende de aanvullende pensioenregeling die hem aangaan.

Amendement 21

Artikel 7, lid 4

4. De in dit artikel bedoelde inlichtingen worden schriftelijk en in begrijpelijke vorm verstrekt.

4. De in dit artikel bedoelde inlichtingen worden schriftelijk en in voor de betrokkene begrijpelijke vorm verstrekt.

PROCEDURE

Titel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten

Document- en procedurenummers

COM(2005)0507 – C6‑0331/2005 – 2005/0214 (COD)

Commissie ten principale

EMPL

Advies uitgebracht door
  Datum bekendmaking

FEMM
19.1.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

 

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Astrid Lulling
28.11.2005

Vervangen rapporteur voor advies

-

Behandeling in de commissie

21.2.2006

21.3.2006

2.5.2006

11.7.2006

 

Datum goedkeuring

11.7.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

17

0

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Emine Bozkurt, Hiltrud Breyer, Maria Carlshamre, Edite Estrela, Ilda Figueiredo, Věra Flasarová, Lissy Gröner, Zita Gurmai, Lívia Járóka, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Urszula Krupa, Astrid Lulling, Doris Pack, Marie-Line Reynaud, Teresa Riera Madurell, Raül Romeva i Rueda, Amalia Sartori, Eva-Britt Svensson, Britta Thomsen, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Iratxe García Pérez, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Anna Hedh, Mary Honeyball, Christa Klaß, Karin Resetarits

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...

(1)

Nog niet in het PB gepubliceerd.


PROCEDURE

Titel

Verbetering van de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenrechten

Document- en procedurenummers

COM(2005)0507 - C6-0331/2005 - 2005/0214(COD)

Datum indiening bij EP

21.10.2005

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

EMPL

13.12.2005

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

ECON

13.12.2005

IMCO

13.12.2005

FEMM

19.1.2006

 

Geen advies

       Datum besluit

IMCO

21.11.2005

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Ria Oomen-Ruijten

27.10.2005

 

 

Behandeling in de commissie

4.5.2006

21.6.2006

10.7.2006

13.9.2006

 

24.1.2007

20.3.2007

 

 

Datum goedkeuring

21.3.2007

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

5

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Roselyne Bachelot-Narquin, Edit Bauer, Jean-Luc Bennahmias, Emine Bozkurt, Iles Braghetto, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Christina Christova, Proinsias De Rossa, Harald Ettl, Richard Falbr, Carlo Fatuzzo, Ilda Figueiredo, Karin Jöns, Jan Jerzy Kułakowski, Jean Lambert, Thomas Mann, Jiří Maštálka, Ana Mato Adrover, Maria Matsouka, Ria Oomen-Ruijten, Csaba Őry, Siiri Oviir, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Pier Antonio Panzeri, Jacek Protasiewicz, Elisabeth Schroedter, José Albino Silva Peneda, Kathy Sinnott, Jean Spautz, Gabriele Stauner, Anne Van Lancker, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Mario Mantovani, Dimitrios Papadimoulis, Patrizia Toia

Datum indiening

27.3.2007

Juridische mededeling - Privacybeleid