Procedure : 2005/2246(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0084/2007

Ingediende teksten :

A6-0084/2007

Debatten :

PV 22/05/2007 - 8
CRE 22/05/2007 - 8

Stemmingen :

PV 23/05/2007 - 5.9
CRE 23/05/2007 - 5.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0204

VERSLAG     
PDF 154kWORD 122k
27.3.2007
PE 376.650v02-00 A6-0084/2007

over economische partnerschapsovereenkomsten

(2005/2246(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Robert Sturdy

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over economische partnerschapsovereenkomsten

(2005/2246(INI))

Het Europees Parlement,

 onder verwijzing naar zijn resoluties van 13 december 2001 over de bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie in Qatar(1), van 25 september 2003 over de vijfde ministersconferentie van de WTO te Cancún(2), van 12 mei over de evaluatie van de Doha-Ontwikkelingsronde na het besluit van de Algemene Raad van de WTO van 1 augustus 2004(3), van 6 juli 2005 over de wereldwijde oproep voor een actie tegen de armoede: laat armoede tot het verleden behoren(4), van 1 december 2005 over de voorbereiding van de zesde ministersconferentie van de WTO te Hong Kong(5), van 23 maart 2006 over de invloed van economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) op de ontwikkeling(6), van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-ronde na de ministersconferentie van de WTO in Hong Kong(7), van 1 juni 2006 over handel en armoede: naar een handelsbeleid dat de bijdrage van de handel aan armoedebestrijding maximaliseert(8) en van 7 september 2006 over de opschorting van de onderhandelingen over de Ontwikkelingsagenda van Doha(9) (DDA),

 gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 23 november 2006, aangenomen in Barbados, over de evaluatie van de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's),

 onder verwijzing naar de Verklaring van Kaapstad, die op 21 maart 2002 met eenparigheid van stemmen door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU werd aangenomen, waarin werd opgeroepen tot invoering van criteria voor ontwikkeling aan de hand waarvan het verloop en de resultaten van de ACS-EU-handelsbesprekingen moeten worden geëvalueerd,

 gezien de verklaring van de jaarlijkse zitting van de Parlementaire Conferentie over de WTO 2006, aangenomen op 2 december 2006 in Genève,

 gezien zijn standpunt van 9 maart 2005 over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (10),

–   gezien Verordening (EG) nr. 980/2005 van de Raad van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (11),

–   gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (de Overeenkomst van Cotonou),

–   gezien de conclusies van de Raad Algemene zaken en externe betrekkingen van 10 en 11 april 2006 en 16 oktober 2006 en de conclusies van de Europese Raad van 15 en16 juni 2006,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met een voorstel voor een gezamenlijke verklaring van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie “De Europese consensus” (COM(2005)0311),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie met als titel "Handels- en Ontwikkelingsaspecten van de onderhandelingen over EPO's" (SEC(2005)1459),

 gezien de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), en in het bijzonder artikel XXIV van deze overeenkomst,

 gezien de ministeriële verklaring van de vierde ministersconferentie van de WTO, aangenomen op 14 november 2001 in Doha,

 gezien het door de Algemene Raad van de WTO op 1 augustus 2004 goedgekeurde besluit,

 gezien de ministeriële verklaring van de zesde ministersconferentie van de WTO, aangenomen in Hong Kong op 18 december 2005,

 gezien het rapport en de aanbevelingen van de Task Force on Aid for Trade (Hulp voor handel), aangenomen door de Algemene Raad van de WTO op 10 oktober 2006,

–   gezien het rapport-Sutherland over de toekomst van de WTO,

–   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000 die de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling bepaalt als collectief door de internationale gemeenschap vastgestelde criteria ter bestrijding van armoede,

–   gezien de resultaten van de Wereldtop 2005 van de Verenigde Naties,

–   gezien het rapport van de VN-Millenniumwerkgroep onder leiding van professor Jeffrey Sachs, “Investeren in ontwikkeling: een praktisch plan om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te bereiken”,

–   gezien het op 8 juli 2005 door de Groep van acht in Gleneagles uitgegeven communiqué van Gleneagles,

–   gezien het Verslag van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) — Minst Ontwikkelde Landen 2006: het ontwikkelen van productiecapaciteiten,

–   gezien het economisch verslag over Afrika 2004 van de Economische Commissie voor Afrika van de VN, getiteld “Unlocking Africa's Trade Potential (Ontsluiting handelspotentieel van Afrika)”,

–   gezien de ACS-richtsnoeren voor de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten, aangenomen door de Raad van ACS-Ministers op 27 juni 2002 in Punta Cana (Dominicaanse Republiek), en het besluit over de onderhandeling over EPO’s en deelname aan de internationale handel, aangenomen door de derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van ACS-landen op 19 juli 2002 in Nadi (Fiji),

–   gezien de Verklaring van de 4e Top van staatshoofden en regeringsleiders van ACS-landen, gehouden op 23 en 24 juni 2004 in Maputo, Mozambique, met betrekking tot de economische ontwikkelingsdimensie,

–   gezien de verklaring van de 81e vergadering van de ACS-Raad van Ministers in Brussel op 21-22 juni 2005,

–   gezien Beschikking nr. 2/LXXXIII/06 van de 83e vergadering van de ACS-Raad van Ministers in Port Moresby (Papoea-Nieuw-Guinea) van 28 tot 31 mei 2006,

–   gezien de verklaring van de 5e Top van ACS-staatshoofden en regeringsleiders in Khartoum (Soedan) op 8 december 2006,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A6‑0084/2007),

A. overwegende dat de bestaande handelsrelatie van de EU met de ACS-landen– die hun preferentiële toegang tot EU-markten biedt op basis van niet-wederkerigheid – niet in overeenstemming is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

B.  overwegende dat in de Overeenkomst van Cotonou de afspraak van partijen is vastgelegd om nieuwe, met de WTO compatibele handelsakkoorden te sluiten, waarbij de onderlinge handelsbelemmeringen geleidelijk worden weggenomen en de samenwerking op alle handels- en ontwikkelingsgerelateerde gebieden wordt bevorderd,

C. overwegende dat de onderhandelingen in de zes regio’s niet alle op hetzelfde tempo plaatsvinden, waardoor de vrees bestaat dat ze niet in alle regio’s voor het einde van 2007 afgerond zullen zijn,

D.  overwegende dat er wijdverbreide verontrusting bestaat over het feit dat de onderhandelingen niet zo ver gevorderd zijn als het onderhandelingsproces zou doen verwachten,

E.  overwegende dat het verzuim van beide partijen om tijdig voorstellen in te dienen of daarop te reageren een belangrijke oorzaak van de vertraging is geweest,

F.  overwegende dat een andere formele vrijstelling door de WTO politiek kostbaar is en moeilijk te bewerkstelligen,

G. overwegende dat in vele ACS-landen de informatie over en de betrokkenheid bij het EPO-proces op nationaal niveau zorgwekkend beperkt is geweest,

H. overwegende dat het trage verloop van de onderhandelingen over de Ontwikkelingsagenda van Doha bij de WTO de EPO-onderhandelingen bemoeilijkt,

I.   overwegende het feit dat beide partijen het eens zijn over de centrale plaats van de “ontwikkelingsdimensie” van EPO’s, maar dat de onderhandelaars tot dusverre niet tot een gemeenschappelijke definitie van het concept hebben kunnen komen,

J.   overwegende dat het van essentieel belang is dat EPO’s bijdragen aan de duurzame sociale en economische ontwikkeling en aan het terugdringen van de armoede in de ACS-landen,

K. overwegende dat in een toenemende globalisering van de wereld het verlies van preferenties onvermijdelijk is,

L.  overwegende dat Alles behalve Wapens (EBA) tot nu toe niet de aanzet heeft gegeven tot een aanzienlijke groei in de export van de minst ontwikkelde landen (MOL) naar de EU; overwegende dat dit doet veronderstellen dat met liberalisering alleen van de tarieven en quota de arme landen niet concurrerender worden,

M. overwegende dat een grotere wederkerigheid tussen de EU en de ACS-landen de concurrentiekracht van ACS-landen waarschijnlijk een prikkel zou geven, maar tegelijkertijd schade zou toebrengen aan niet-concurrerende industrieën en zwakke economieën,

N. overwegende dat EPO-configuraties niet altijd aansluiten bij bestaande regionale economische integratieovereenkomsten,

O. overwegende dat landbouw de motor is voor ontwikkeling in de meeste ACS-landen; als EPO’s gebruikt worden voor ontwikkeling, dan moeten ze gericht zijn op het oplossen van de problemen van de landbouwsector in de ACS-landen,

P.  overwegende dat het totstandbrengen van een echte regionale markt een essentiële basis vormt voor een succesvolle uitvoering van EPO's; overwegende dat echte regionale integratie een belangrijke basis vormt voor de sociale en economische ontwikkeling van de ACS-landen, zoals is verklaard in de Overeenkomst van Cotonou,

Q. overwegende dat de groei in intraregionale handel, één van de doelstellingen van EPO’s, wordt belemmerd door zwakke intraregionale infrastructuren en een groot aantal non-tarifaire handelsbelemmeringen,

R.  overwegende dat het falen van de “regionale voorbereidende taskforces” in de uitvoering van de hun toebedachte taak de onderhandelingen heeft belemmerd en vragen heeft opgeroepen over de efficiëntie van op EPO’s gerichte controlemechanismen,

S.  overwegende dat het gebrek aan gegevens bij de analyse van de economieën van ACS-landen het uitvoeren van volledige effectbeoordelingen van EPO’s zeer heeft bemoeilijkt,

T.  overwegende dat verbeterde handelsregels samen moeten gaan met meer steun voor handelsgerelateerde bijstand,

U. overwegende dat Hulp voor handel gericht is op het vergroten van de capaciteiten van ontwikkelingslanden om gebruik te maken van nieuwe handelsmogelijkheden,

V. overwegende dat een oplossing moet worden gevonden voor de kwestie van de aanpassingskosten die gepaard gaan met de voorbereiding en uitvoering van de als onderdeel van de EPO’s vereiste liberalisering,

W. overwegende dat ingevolge artikel 37, lid 4 van de Overeenkomst van Cotonou een formele en volledige toetsing van de geplande regelingen voor alle landen moet worden uitgevoerd, om te verzekeren dat er geen verdere tijd voor voorbereidingen of onderhandelingen nodig is; overwegende dat deze toetsing moet leiden tot een kritische beoordeling van de lopende EPO-onderhandelingen,

1.  is van mening dat EPO's moeten worden opgezet als ontwikkelingsinstrumenten en dat ze dienen bij te dragen aan meer economische groei, regionale integratie en terugdringing van de armoede;

2.  herhaalt zijn standpunt dat goed doordachte EPO’s in staat zijn de handelsrelaties tussen de ACS-landen en de EU nieuw leven in te blazen, de economische diversificatie en regionale integratie in de ACS-landen kunnen bevorderen en de armoede in ASC-landen kunnen terugdringen;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om samenhang in het ontwikkelingsbeleid te bewerkstelligen; benadrukt dat de "Europese consensus inzake ontwikkeling" (Verklaring betreffende het ontwikkelingsbeleid, DPS), in het bijzonder paragraaf 36, de EPO-onderhandelaars richtsnoeren geeft; spoort de Commissie op dit punt aan vast te houden aan de beginselen van asymmetrie en flexibiliteit;

4.  acht het belangrijk dat de ACS-landen hun volle verantwoordelijkheid nemen voor het economische partnerschapsproces en dat ze de hervormingen moeten bevorderen die nodig zijn om sociale en economische structuren in overeenstemming te brengen met de overeenkomsten; spoort de regeringen van de ACS-landen aan goede bestuurlijke regels ten uitvoer te leggen en daarbij onder meer een beroep te doen op de technische bijstand die wordt gegeven uit hoofde van het instrument Hulp voor handel;

5.  herinnert eraan dat geen enkel ACS-land zich in zijn handelsbetrekkingen tegen het einde van de EPO-onderhandelingen na 2007 in een ongunstiger positie zou mogen bevinden dan onder de huidige overeenkomsten;

6.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het langzame tempo van de onderhandelingen en het daaruit voortvloeiende gebrek aan tastbare vooruitgang, terwijl over vele kritieke kwesties nog dient te worden gediscussieerd en overeenstemming moet worden bereikt;

7.  spoort de onderhandelaars aan tot meerdere inspanningen teneinde de onderhandelingen voor eind 2007 af te ronden; spoort de Europese Commissie aan om zich flexibeler op te stellen tegenover de belangen van de ACS-landen;

8.  verzoekt de Commissie geen onnodige druk uit te oefenen en – indien de onderhandelingen niet voor 1 januari 2008 worden afgerond – op WTO-niveau stappen te ondernemen om een verstoring van de bestaande export van ACS-landen naar de EU trachten te vermijden, in afwachting van een definitieve regeling;

9.  vraagt om meer transparantie inzake de voortgang en de inhoud van de onderhandelingen; verzoekt alle partijen er zorg voor te dragen dat parlementariërs en andere belanghebbenden in de ACS-landen en de EU geraadpleegd worden bij de EPO-onderhandelingen, met het oog op een adequate tenuitvoerlegging van de EPO’s;

10. verzoekt de Commissie haar uiterste best te doen om de onderhandelingen over de Ontwikkelingsagenda van Doha te hervatten en te garanderen dat de liberalisatieovereenkomsten de ontwikkeling in arme landen bevorderen;

11. is ervan overtuigd dat EPO’s als aanvulling zouden moeten dienen op een overeenkomst over de Ontwikkelingsagenda van Doha, en niet als alternatief daarvoor, en dat een op ontwikkeling gerichte afronding van EPO’s een eerste stap zou zijn tot een multilaterale, op ontwikkeling gerichte overeenkomst;

12. erkent dat preferentiële toegang tot de markt op zich geen toereikend instrument is gebleken om de ontwikkeling van de ACS-landen te bewerkstelligen, en stelt dat, om dat doel te bereiken, aanvullende stappen moeten worden genomen om hun concurrentievermogen te vergroten;

13. vraagt om volledig belastingvrije en quotavrije markttoegang voor ACS-landen, evenals vereenvoudigde, geliberaliseerde en flexibeler regels van oorsprong in EPO's dan het geval is voor EBA, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in de mate van industriële ontwikkeling, zowel tussen de EU en de ACS-landen als tussen de ACS-landen onderling;

14. pleit voor geleidelijkheid en flexibiliteit in het tempo, het tijdschema en de omvang van de liberalisering, om de regionale integratie en de concurrentiekracht van de ACS-landen beter te maken en te zorgen dat de ontwikkelingsdoelstellingen, zoals het vermijden van nadelige sociale gevolgen, in het bijzonder voor vrouwen, prioriteit krijgen;

15. spoort ACS-landen aan het probleem rond het lidmaatschap van overlappende regionale groepen op te lossen;

16. vraagt de onderhandelaars een strategie te ontwikkelen voor diversificatie en modernisering en voor bevordering van de concurrentiekracht van de ACS-landen, in het bijzonder in de landbouwsector, die dus verder gaat dan alleen markttoegang;

17. erkent dat werkbare vrijwaringsmechanismen waarmee ACS-regio's een plotselinge hausse van de invoer uit de EU kunnen tegengaan, essentieel zijn, in het bijzonder voor landbouwproducten;

18. spoort de EU in dit verband aan Fair Trade te bevorderen evenals andere methoden om de voorwaarden voor kleine en gemarginaliseerde producenten en arme arbeiders te verbeteren;

19. herinnert de onderhandelaars eraan dat bij het verbeteren van de strategieën ter bevordering van de agrarische concurrentiekracht van ACS-landen de nodige aandacht moet worden besteed aan voedselveiligheid;

20. benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat ACS-landen het recht behouden sommige gevoelige producten in hun markten te beschermen;

21. erkent dat de duurzaamheidseffectbeoordelingen (SIA’s) geen noemenswaardig effect hebben gehad op de onderhandelingen en verzoekt de Commissie om het verband tussen SIA’s en onderhandelingsposities te verduidelijken en te herzien, zodat belanghebbenden de kans krijgen te worden gehoord;

22. verzoekt om een passend en transparant toezichtsysteem – met een duidelijke rol en invloed – op zowel regionaal als nationaal niveau, om de invloed van EPO’s met een grotere verantwoordelijkheid van ACS-landen en een brede raadpleging van belanghebbenden te kunnen volgen;

23. verzoekt de Raad en de Commissie te verduidelijken tot op welke hoogte de financiering van de “ontwikkelingsdimensie” van EPO’s beschikbaar zal zijn buiten het kader van het 10e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

24. is verheugd over de conclusie van de Raad Algemene zaken en buitenlandse betrekkingen van 16 oktober 2006 dat “een aanzienlijk deel van de toezegging van de Gemeenschap en de lidstaten hun handelsgerelateerde bijstand uiterlijk in het jaar 2010 tot 2 miljard EUR te verhogen, ten goede moet komen aan de ACS-landen”, maar betreurt dat niet al dit geld “een aanvulling op de middelen van het EOF” is, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de exacte voorwaarden van deze toezeggingen te verduidelijken, te waarborgen dat deze bijstand niet afhankelijk is van het resultaat van de EPO-onderhandelingen, en te werken aan een aanzienlijke verhoging van het bedrag van de beschikbare Hulp voor handel, aangezien de vraag van de ACS-landen toeneemt;

25. stemt in met de uitnodiging van de Raad aan de Commissie en de lidstaten om “als een eerste prioriteit de tenuitvoerlegging van de EPO-gerelateerde hervormingsverbintenissen” te ondersteunen en verzoekt om, vóór de afronding van de EPO-onderhandelingen, concrete gedetailleerde, gekwantificeerde en specifiek EPO-gerelateerde verbintenissen aan te gaan, waarin zowel wordt ingegaan op de handelsgerelateerde bijstand als op de aanpassingskosten die verband houden met EPO's;

26. verzoekt de EPO-steun te coördineren en te verbinden aan het multilaterale, verbeterde, geïntegreerde kader Hulp voor handel;

27. houdt vol dat hulp, in overeenstemming met de Beginselen van Parijs voor de doeltreffendheid van hulp, onder meer vraaggestuurd moet zijn, en verzoekt de ACS-landen daarom van kostencalculaties voorziene, gedetailleerde voorstellen in te dienen, indien nodig met passende hulp van de EU, over welke aanvullende EPA-fondsen nodig zijn en voor welk doel, in het bijzonder met betrekking tot: regelgevingskaders, vrijwaringsmaatregelen, handelsfacilitering, steun bij het voldoen aan internationale sanitaire en fytosanitaire voorschriften en regels inzake intellectuele eigendom, en de samenstelling van het EPA-toezichtmechanisme;

28. verzoekt de Commissie de ACS-landen desgevraagd aanvullende technische steun te bieden met het oog op de handelsonderhandelingen;

29. verzoekt de Commissie de ACS-landen die besluiten fiscale hervormingsprogramma’s op te zetten, desgevraagd hulp te bieden;

30. constateert dat de belastingvergaring zich in veel ACS-landen op een laag niveau bevindt en pleit voor aanvullende steun voor belastinghervormingen en maatregelen om belastingontduiking te voorkomen, als onderdeel van een strategie om de gevolgen van gemiste douane-inkomsten te minimaliseren;

31. brengt in herinnering dat ACS-landen vaak zeer afhankelijk zijn van grondstoffen, en verzoekt de EU effectievere instrumenten te ontwikkelen voor de ondersteuning van productaanpassing en diversificatie, evenals voor de ontwikkeling van procesindustrieën en MKB’s in ACS-landen;

32. heeft begrip voor de huiver bij ACS-landen voor bilaterale onderhandelingen over zogenoemde Singapore-thema’s die uit de multilaterale onderhandelingen zijn geschrapt, en erkent dat de regionale ACS-groepen moeten beoordelen of er ontwikkelingsvoordelen zitten aan dergelijke overeenkomsten over deze thema’s, maar wijst wel nadrukkelijk op de ontwikkelingsvoordelen die deze thema's kunnen bewerkstelligen;

33. is van mening dat overeenkomsten over investeringen, concurrentie en overheidsopdrachten, mits ingepast in het juiste kader, samen met een geloofwaardige regelgevingsomgeving zouden kunnen bijdragen aan gezamenlijke doelstellingen van deugdelijk bestuur en transparantie, waardoor een omgeving wordt gecreëerd waarin grotere publiekprivate samenwerking mogelijk is, in het bijzonder in verband met de belangrijke infrastructurele ontwikkeling;

34. is teleurgesteld over het feit dat tot op heden onvoldoende gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die door de herziening werd geboden om parlementariërs en andere belanghebbenden bij de onderhandelingen te betrekken; is van mening dat de insluiting van belangrijke belanghebbenden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld dit proces een cruciale praktische en pragmatische dimensie zou geven;

35. erkent de sociale en ecologische verantwoordelijkheden van buitenlandse bedrijven en investeerders tegenover de gemeenschappen en samenlevingen waarin zij investeren; is van mening dat zakelijke en investeringscontacten van mens tot mens moeten worden aangemoedigd en bevorderd om de sociale en economische voordelen van verdergaande liberalisering te maximaliseren;

36. verzoekt de Commissie en de ACS-landen de herziening van de EPO als mogelijkheid aan te grijpen voor open discussie over de obstakels die aan afronding van de onderhandelingen in de weg staan, en voor uitwerking van gedetailleerde voorstellen voor het overbruggen van die obstakels;

37. herinnert eraan dat de ACS-landen in een verschillende fora om alternatieven voor EPO’s hebben gevraagd, maar merkt op dat officiële verzoeken daartoe van ACS-zijde op grond van artikel 37, lid 6 van de Cotonou-Overeenkomst ontbreken;

38. vraagt de Commissie, overeenkomstig artikel 37, lid 6 van de Overeenkomst van Cotonou, om ten behoeve van ACS-landen die niet tot de minst ontwikkelde landen behoren, maar zich niet in een positie bevinden om een EPO aan te gaan, de mogelijkheden te onderzoeken om deze landen een alternatief handelskader te bieden dat gelijkwaardig is aan hun bestaande situatie en in overeenstemming is met de WTO-regels;

39. verzoekt de Commissie om voorstellen voor op ontwikkeling gerichte alternatieven in te dienen die meer bieden dan markttoegang alleen, zoals in het geval van EBA en SAP+;

40. nodigt de Commissie uit om in de EPO-handelsbesprekingen sociale normen en waardig werk te bevorderen;

41. verzoekt de Commissie de implicaties van Hulp voor handel en EPO-gerelateerde steun voor landen die ervoor hebben gekozen geen EPO’s aan te gaan, te verduidelijken;

42. verzoekt de Commissie en de Raad de bureaucratische last die de eisen van het EOF met zich meebrengen te vereenvoudigen en te verminderen, en opleidingen in de ACS-landen over EOF-procedures te verbeteren, om het gebruik van bestaande middelen te optimaliseren;

43. brengt in herinnering dat bilaterale onderhandelingen over de handel in diensten het recht van landen om de openbare diensten naar eigen inzicht te reguleren dienen te respecteren en verzoekt beide partijen te erkennen dat solide regelgevingskaders een onmisbaar onderdeel zijn van elk liberaliseringsproces;

44. verzoekt de EU in de EPO’s geen bepalingen op te nemen die een extra barrière vormen voor de toegang tot essentiële geneesmiddelen en het EPO-systeem te gebruiken om de ACS-landen te helpen de vormen van flexibiliteit ten uitvoer te leggen waarin de Verklaring van Doha voorziet;

45. benadrukt dat het regionale aspect van de EPO's essentieel is om niet alleen de noord-zuidhandel, maar ook de zuid-zuidhandel te versterken; meent dat vanuit Europa hieraan nog onvoldoende aandacht wordt besteed en dat het bereiken van een degelijke intraregionale integratie mogelijk nog belangrijker is dan het opstarten van een programma voor interregionale integratie;

46. pleit voor invoering van een systeem voor geschillenbeslechting voor EPO’s dat eenvoudig en kosteneffectief is en waarmee tijdig kan worden ingegrepen wanneer partijen niet aan hun verbintenissen voldoen;

47. verzoekt om aanvullende voorstellen om een oplossing te vinden voor de zorgen van ACS-landen over modus IV van de GATS;

48. erkent dat hoge fytosanitaire en andere EU-gezondheids- en milieustandaarden de export van ACS-landen kunnen belemmeren, in het bijzonder de export van landbouwgoederen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om ACS-landen te hepen adequate programma's te ontwikkelen om tijdig aan deze standaarden te voldoen;

49. verzoekt de Commissie om het initiatief te nemen en internationale steun te mobiliseren om artikel XXIV van de GATT-overeenkomst met betrekking tot VHA’s (vrijhandelsakkoorden) tussen partijen met verschillende ontwikkelingsniveaus te herzien en te verduidelijken;

50. verzoekt de Commissie om tijdens en na afloop van de onderhandelingen systematische analyses uit te voeren van de sociale gevolgen van EPO's voor de groepen die het meeste gevaar lopen, waaronder jongeren en vrouwen in de ACS-landen;

51. erkent dat parlementaire controle een belangrijke bijdrage kan leveren aan deugdelijk bestuur, verantwoordingsplicht en transparantie;

52. verzoekt een parlementaire controlecommissie voor EPO’s op te richten - binnen de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en niet als weer een nieuwe instelling – om de gevolgen van de implementatie van EPO’s voor de handel en de ontwikkeling in het openbaar te controleren en te analyseren, de samenhang van het ontwikkelingsbeleid te vergroten en mechanismen te ontwikkelen om verantwoordingsplicht en regelmatige rapportage over de bijdrage van EPO's aan rechtvaardige en duurzame ontwikkeling te verzekeren;

53. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de EU-lidstaten en de ACS-landen, alsmede aan de ACS-EU Raad en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1)

PB C 177 E van 25.7.2002, blz. 290.

(2)

PB C 77 E van 26.3.2004, blz. 393.

(3)

PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 397.

(4)

PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 397.

(5)

PB C 285 E van 22.11.2006, blz.32..

(6)

PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 121.

(7)

PB C 293 E van 2.12.2006, blz .155.

(8)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0242.

(9)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0350.

(10)

PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 145.

(11)

PB L 169 van 30.6.2005, blz.1.


TOELICHTING

Het doel van dit verslag was om constructief, realistisch en evenwichtig te zijn. Uw rapporteur heeft geprobeerd zich te richten op de realiteit dat economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) tussen de EU en de ACS-landen afgerond zullen worden, verenigbaarheid met de WTO belangrijk is en dat iedere EPO “armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van ACS-landen in de wereldeconomie” (1)tot doel dient te hebben.

Een groot deel van het debat over handel en ontwikkeling is gepolariseerd. Jaren van discussies over de voordelen van liberalisering en vrije handel hebben onderhandelingen niet vooruit kunnen helpen. Deze debatten zijn zeker interessant, maar het is belangrijk om de aandacht te richten op de vraag hoe de woorden van de Overeenkomst van Cotonou in EPO’s geïmplementeerd zullen worden. Bij handel en ontwikkeling schuilt de duivel juist in de details.

Onderhandelingen over EPO’s werden gekenmerkt door wantrouwen en onenigheid over de vraag hoe van handel een “ontwikkelingsinstrument” te maken. Er zijn fouten gemaakt in de houding ten opzichte van en de aanpak van de uiteenlopende en ambitieuze onderhandelingen. Degene die de gevolgen van de EPO’s zullen ondervinden zijn niet altijd voldoende gehoord, noch zijn de gevolgen van EPO’s voor ACS-landen volledig in kaart gebracht.

Moeilijkheden

Het is duidelijk wat de moeilijkheden zijn in de onderhandelingen over een “partnerschap” overeenkomst tussen zulke ongelijke partners, waarbij het om controversiële en complexe thema’s gaat. Het tekort aan gedetailleerde economische informatie en de beperkingen van de capaciteit in de ACS-landen hebben, samen met de institutionele rigiditeit van de EU - zo is in de Europese Commissie het DG Ontwikkeling verantwoordelijk voor de fondsen, terwijl het DG Handel verantwoordelijk is voor de onderhandelingen - bijgedragen aan een onderhandelingssfeer die geheel anders was dan de sfeer van een conventioneel vrijhandelsakkoord. Het feit dat de Commissie niet in staat is geweest om de “ontwikkelingsdimensie” tot centraal onderdeel van de EPO-onderhandelingen te bestempelen heeft deze onderhandelingen aanzienlijk belemmerd. Het feit dat de ACS-landen er niet in zijn geslaagd om gedetailleerd aan te geven wat zij van de “ontwikkelingsdimensie” verwachten, anders dan de niet van kostencalculaties voorziene verzoeken om aanvullende financiële steun, heeft het lastig gemaakt voor belanghebbenden om de Commissie tot verantwoording te roepen in het verzoek om EPO’s die “pro-ontwikkeling” gericht zijn. Met name vanwege het feit dat de instrumenten die waren ingesteld om er voor te zorgen dat de op ontwikkeling gerichte EPO-onderhandelingen niet hebben gewerkt of niet geloofwaardig genoeg waren.

Als het feit dat de Commissie protesteert dat de ACS-landen alleen maar vragen om meer geld, terwijl de ACS-landen klagen dat de Commissie hun behoeften niet begrijpt lijkt op een mislukt huwelijk, dan komt dat waarschijnlijk omdat het een partnerschap betreft met communicatieproblemen. De EU besteedt al een groot deel van haar ontwikkelingshulp aan de ACS-landen en de bedragen groeien nog steeds, maar de ontwikkelingsretoriek van Commissie over de EPO’s is niet serieus genomen. De indruk blijft bestaan dat de EU vrijhandelsakkoorden geforceerd oplegt en dat ze de ACS-landen zullen schaden, omdat de Unie in het openbaar het ene zegt, maar achter gesloten deuren het andere eist.

In veel ACS-landen hebben ervaringen in het verleden geleid tot een sceptische houding over de vraag of ‘doen wat donorlanden willen’ de armoede werkelijk zal verminderen.(2) Elke EPO die door een regionale groep wordt ondertekend moet zowel op de korte als de lange termijn politiek gewenst zijn. De belofte van economische voordelen in de verre toekomst zal niet voldoende zijn, als het beeld blijft bestaan dat een EPO liberalisering vereist zonder voordelen die niet reeds beschikbaar zijn voor MOL’s in het kader van Everything but Arms.

Positieve aanbevelingen

Vereenvoudigde, geliberaliseerde en flexibeler regels van oorsprong; werkbare vrijwaringsmechanismen, mechanismen voor geschillenbeslechting en controlemechanismen met transparante bepalingen en werkelijke macht om, in het geval veranderingen die worden veroorzaakt door EPO’s schadelijke gevolgen hebben voor de sectoren van ACS-economieën, op te treden: dit zijn de positieve aspecten die op de juiste wijze in de onderhandelingen moeten worden meegenomen. Over het algemeen verlopen handelsonderhandelingen langzaam, tot het moment dat de deadline nadert en er plotseling schot in de zaak komt. In dit geval zullen dergelijke tactieken de onderhandelingen niet bevorderen, aangezien de voordelen van EPO’s zichtbaar moeten zijn alvorens de overeenkomsten worden ondertekend, om de angst weg te nemen dat ACS-landen hun macht verliezen, in ruil voor een vette cheque van hergebruikt geld.

De ACS-landen vragen zich terecht af of de voorstellen van de Commissie zullen bijdragen aan hun ontwikkeling op de door hun gewenste manier en of beloften van aanvullende financiële steun werkelijk aanvullende steun betreffen. Toch zal er, indien men de EPO’s succesvol wil afronden, meer inzet en eigen verantwoordelijkheid voor de resultaten van de EPO-onderhandelingen moeten zijn dan er voor het onderhandelingsproces is geweest.

Uw rapporteur is van mening dat een parlementaire controlecommissie voor EPO’s zou bijdragen aan het bereiken van dit doel en dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU (PPV) het juiste instrument is voor een dergelijke controle. Het is een forum dat op zoek is naar een doelstelling, terwijl EPO’s partnerschappen zijn met een democratisch verantwoordelijkheids- en een geloofwaardigheidsprobleem. Het feit dat de PPV is verbonden aan Cotonou, een verbond dat afloopt in 2020 - maar de parlementaire controle van EPO’s niet - zou kunnen suggereren dat een aanvullende instelling wordt opgericht. Dit zou echter geen efficiënt gebruik van de middelen zijn. Uw rapporteur zal om de steun van het Parlement vragen voor een specifiek taalgebruik in EPO-teksten die gaan over parlementaire controle, zodat de controle ook daadwerkelijk plaatsvindt, maar is van mening dat ambtenaren van de EU en de ACS-landen, samen met vertegenwoordigers van de PPV, verantwoordelijk zijn voor de details over hoe de controle over de EPO’s met de PPV gecoördineerd dient te worden.

Meer inbreng van niet-overheidsactoren en andere betrokken belanghebbenden, evenals systematischer analyses van de sociale gevolgen van EPO’s, zullen bijdragen aan de werkelijke partnerschap die nodig is voor de controle van EPO’s en die tot op heden ontbrak.

Aanvullende middelen

Het is duidelijk dat er aanvullende middelen nodig zullen zijn om met de gevolgen van de door de EPO’s teweeggebrachte veranderingen om te kunnen gaan. Schaalvergroting van handelsfacilitering, technische ondersteuning en hulp om producenten uit ACS-landen te helpen aan de EU-standaarden te voldoen moeten zodanig breed van aard zijn dat ze verliezen van douane-inkomsten compenseren en ACS-landen helpen om efficiënt gebruik te maken van markttoegang. In het begin vereist dit meer inspanningen om er voor te zorgen dat reeds toegezegde fondsen tijdig en doeltreffend besteed worden. Beslissingen over welke prioriteit moet worden gegeven aan de verbeteringen van de procedures van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) zouden in samenhang met aanvragen voor aanvullende fondsen beoordeeld moeten worden. De EU moet verantwoording kunnen afleggen voor al haar ontwikkelingshulp en mag geen ongerechtvaardigde bedragen toezeggen zonder een daarbij horende tijdsduur en duidelijke doelstellingen te vermelden. De EU moet zich echter hard maken voor het verlenen van meer steun aan projecten die de concurrentiepositie en de groei van ACS-landen zullen vergroten, zonder dat de uitgaven aan gezondheidszorg en onderwijs worden beperkt. De verdenking dat bestaande fondsen opnieuw worden aangemerkt, als “Hulp voor handel”, en het feit dat de lidstaten onvoldoende hebben kunnen verduidelijken hoe bilaterale steun, waar de gelden die het EOF aanvullen vandaan komen, met EPO-steun gecoördineerd zal worden, hebben verdenkingen van ACS-landen dat er in werkelijkheid minder geld beschikbaar is dan er op papier beschikbaar lijkt te zijn, verergerd.

Conclusie

Dit verslag dient als een tijdige herinnering aan de Commissie dat de termijn van 1 januari 2008 snel nadert en dat een zorgwekkend aantal zaken nog afgehandeld dient te worden. Serieuze vragen over de capaciteit en bereidheid van veel ACS-landen om de ambitieuze voorstellen van de Commissie te implementeren zullen waarschijnlijk niet voor eind 2007 beantwoord worden.

De herziening van artikel 37, lid 4, vereist door Cotonou, was bedoeld om te beoordelen of er wel voldoende tijd was om de onderhandelingen voor het aflopen van de termijn te beëindigen. Het feit dat de herziening niet “volledig was en gebaseerd op overleg met alle belanghebbenden, inclusief niet-overheidsactoren en parlementariërs”(3) maakt een tweede resolutie van het Europees Parlement, waarin hij zijn zorgen uit over het langzame onderhandelingsproces, des te urgenter, met name wat de deadline betreft. In alle regio’s wordt dit doel op zijn best als extreem ambitieus gezien. Hoewel het in het belang van geen van de partijen is om tot een geforceerde overeenkomst te komen, zal het focussen op een andere WTO-vrijstelling geen oplossing bieden voor de onderliggende problemen die de vooruitgang in de EPO-onderhandelingen vanaf het begin zo lastig hebben gemaakt. Wat de kwestie van de termijn betreft is, net als bij het faseren van liberalisering, een evenwicht nodig. Zonder deadline of een liberaliseringsschema is er geen sprake van een stimulans om moeilijke beslissingen te nemen, maar als partijen worden gedwongen te snel tot besluiten te komen, dan heeft dat zeer waarschijnlijk een negatief effect op de ontwikkeling.

Op WTO-niveau weet niemand wat er zal gebeuren als er op 1 januari 2008 niet zes splinternieuwe EPO’s worden gelanceerd in de wereld van de internationale handel. Indien bepaalde regio’s meer tijd nodig hebben, is uw rapporteur van mening dat de export uit ACS-landen naar de EU geen schade mag ondervinden tot op het moment en voorzover een definitieve regeling is getroffen. Onderhandelaars moeten druk op de onderhandelingen uitoefenen om een overeenkomst over EPO’s te bereiken die voor beide partijen voordelig is en die de ontwikkeling van ACS-landen zal bevorderen. Vanuit het oogpunt van en in beter overleg met parlementariërs en andere geïnteresseerde partijen, moeten we tot EPO’s komen die deel uitmaken van een gecoördineerde ontwikkelingsstrategie voor ACS-landen, maar dit mag niet worden opgelegd. EPO’s moeten een werkelijke partnerschap zijn om effectief te kunnen zijn.

(1)

Artikel 1, lid 2 van de Overeenkomst van Cotonou.

(2)

         Handelsliberaliseringsprogramma’s werden in de jaren tachtig en negentig in veel ACS-landen niet als de grote successen gezien zoals ze werden afgeschilderd door internationale organisaties en donorregeringen. Het feit dat het aandeel van de ACS-landen in de wereldhandel is gedaald van 8% in 1980 tot 3% in 2005 maakt deze sceptische houding begrijpelijk, ook al is het lastig om precies aan te geven in hoeverre het handelsbeleid verantwoordelijk is geweest voor deze daling.

(3)

Verzocht door de ACS-Raad in Port Moresby


PROCEDURE

Titel

Economische partnerschapsovereenkomsten

Procedurenummer

2005/2246(INI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

INTA
15.12.2005

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

 

 

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Robert Sturdy
11.10.2005

 

Vervangen rapporteur(s)

 

Behandeling in de commissie

3.10.2006

23.1.2007

27.2.2007

 

 

Datum goedkeuring

21.3.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

21
6
0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Kader Arif, Graham Booth, Carlos Carnero González, Christofer Fjellner, Béla Glattfelder, Eduard Raul Hellvig, Jacky Henin, Syed Kamall, Ģirts Valdis Kristovskis, Caroline Lucas, Marusya Ivanova Lyubcheva, Erika Mann, David Martin, Georgios Papastamkos, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Tokia Saïfi, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Zbigniew Zaleski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Jean-Pierre Audy, Panagiotis Beglitis, Danutė Budreikaitė, Albert Deß, Elisa Ferreira, Małgorzata Handzlik, Jens Holm, Eugenijus Maldeikis, Zuzana Roithová

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Sepp Kusstatscher, Corien Wortmann-Kool

Datum indiening

27.3.2007

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

 

Juridische mededeling - Privacybeleid