Procedure : 2005/2125(ACI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0142/2007

Ingediende teksten :

A6-0142/2007

Debatten :

Stemmingen :

PV 22/05/2007 - 9.9
CRE 22/05/2007 - 9.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0194

VERSLAG      
PDF 154kWORD 120k
16.4.2007
PE 386.300v03-00 A6-0142/2007

over de Gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure

(2005/2125(ACI))

Commissie Constitutionele Zaken

Rapporteur: Jo Leinen

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de Gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure

(2005/2125(ACI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 251 van het EG-Verdrag,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 mei 1999 over de Gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure(1),

–   gelet op het besluit van de Conferentie van Voorzitters van 8 maart 2007,

–   gezien het ontwerp van een herziene Gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure (hierna: 'de herziene Verklaring' ),

–   gelet op artikel 120, lid 1 van zijn Reglement en punt XVIII, lid 4, van Bijlage VI van dat Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A6‑0142/2007),

A. overwegende dat de medebeslissingsprocedure een steeds ruimere toepassing vindt en daardoor in het wetgevingsproces van de EU aan belang wint, waarmee ook de aard van de interinstitutionele betrekkingen tussen Parlement, Raad en Commissie anders wordt,

B.  overwegende dat het Parlement, de Raad en de Commissie streven naar een transparanter, beter gecoördineerd, doelmatiger en democratischer wetgevingsproces in de EU,

C. overwegende dat de Gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure van 1999 weliswaar haar waarde heeft bewezen, maar dat bij de praktische toepassing ervan in de loop der tijd behoefte aan wijziging is ontstaan,

D. overwegende dat de opeenvolgende uitbreidingen de EU voor uitdagingen heeft gesteld die nopen tot stroomlijning van procedures en optimalisering van hulpmiddelen,

E.  overwegende dat de herziene Verklaring aan deze verwachtingen beantwoordt en een constructieve en flexibele vorm van interinstitutionele samenwerking in de toekomst mogelijk zal maken,

F.  overwegende dat interinstitutionele akkoorden en kaderovereenkomsten beduidende consequenties hebben en dat het daarom van wezenlijk belang is dat alle bestaande overeenkomsten worden gebundeld en als bijlage bij het Reglement worden gepubliceerd, zodat zij gemakkelijker toegankelijk zijn en de transparantie verzekerd blijft,

1.  bevestigt nogmaals de beginselen te zijn toegedaan van transparantie, controleerbaarheid en doelmatigheid en overtuigd te zijn van de noodzaak zich op vereenvoudiging van het EU-wetgevingsproces te richten onder eerbiediging van de rechtsorde van de Unie;

2.  is ingenomen met de herziene Verklaring die verbetering brengt in zowel structuur als inhoud van de Verklaring van 1999 door toevoeging van een aantal belangrijke bepalingen die het document in overeenstemming brengen met de bestaande beste praktijken en die de samenwerking tussen de drie instellingen moeten versterken, teneinde de doelmatigheid en de kwaliteit van de EU-wetgeving te verbeteren;

3.  wenst dat het Parlement een gedragscode aanneemt die eenheid brengt in de praktijken die de parlementscommissies bij de trilogen volgen, door een aantal regels te stellen inzake de samenstelling van parlementaire delegaties en de aan hun werkzaamheden verbonden geheimhoudingsplicht;

4.  waardeert in het bijzonder de volgende verbeteringen in de herziene Verklaring:

(a)   de nieuwe bepalingen inzake het bijwonen van de vergaderingen van de parlementaire commissies door vertegenwoordigers van het Raadsvoorzitterschap en inzake verzoeken om informatie over het standpunt van de Raad, tezamen een stap vooruit naar verbetering van de dialoog tussen de twee geledingen van de wetgevende macht,

(b)   erkenning van de praktijk dat overeenstemming die na informele onderhandelingen tussen de instellingen is bereikt in de vorm van een briefwisseling wordt uitgewerkt,

(c)   bevestiging van het beginsel dat de diensten van Parlement en Raad bij de juridisch-taalkundige revisie worden geacht op gelijke voet samen te werken,

(d)   de afspraak dat de ondertekening van belangrijke goedgekeurde besluiten voor zover mogelijk plaatsvindt in een gezamenlijke plechtigheid in bijzijn van de media en dat succesvolle resultaten van de betrokken werkzaamheden in gezamenlijke persmededelingen en persconferenties worden aangekondigd;

5.  is ervan overtuigd dat de herziene Verklaring de transparantie en openbare verantwoording van de wetgevende werkzaamheden in het kader van de medebeslissingsprocedure nog verder zal doen toenemen;

6.  hecht zijn goedkeuring aan de herziene Verklaring die bij dit besluit is gevoegd en besluit de herziene Verklaring als bijlage bij zijn Reglement te voegen; pleit voor publicatie van de herziene Verklaring in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit met de bijlage te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 279 van 1.10.1999, blz. 229.


TOELICHTING

Achtergrond

Dit ontwerp van de herziene gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure is het derde interinstitutionele akkoord over dit onderwerp tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 1987 van de Europese Acte, waarbij de samenwerkingsprocedure werd ingevoerd, heeft de rol van het Parlement in het wetgevingsproces zich gestaag uitgebreid en zijn diens betrekkingen met de andere instellingen steeds nauwer geworden.

Na invoering van de medebeslissingsprocedure bij het Verdrag van Maastricht in 1993, kwam na onderhandelingen een interinstitutioneel akkoord tot stand waarin de werking van het Bemiddelingscomité nader werd geregeld, maar andere aspecten van de medebeslissing bleven hier nog buiten beschouwing.

Met het Verdrag van Amsterdam, dat in 1999 in werking trad, veranderde de situatie nog verder: een sterke verruiming van de gebieden waarop de medebeslissingsprocedure van toepassing was, waarbij ook de oorspronkelijke medebeslissingsprocedure zelf werd gewijzigd. Er ontstond nu de mogelijkheid van overeenstemming in eerste lezing tussen Parlement en Raad, en tevens kwam er meer stroomlijn in de verdere fasen van de procedure.

In vervolg op het Verdrag van Amsterdam werd in 1999 een nieuw interinstitutioneel akkoord gesloten, de gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure. Deze gemeenschappelijke verklaring heeft haar waarde bewezen, maar bij de toepassing ervan in de praktijk is in de loop der tijd behoefte aan wijziging ontstaan.

Op 30 juni 2005 werden door de Conferentie van Voorzitters vijf Leden van het Europees Parlement aangewezen, de heer Vidal-Quadras, de heer Trakatellis, mevrouw Roth-Behrendt, de heer Daul and de heer Leinen - om het Parlement bij de onderhandelingen over de wijziging van de gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure te vertegenwoordigen.

Een herzieningsprocedure in de vorm van een reeks vergaderingen op politiek en bestuurlijk niveau tussen de drie instellingen, ging in december 2005 van start. Zowel de Raad als de Commissie hebben hun standpunt aanzienlijk aangepast en zo kon een compromis worden bereikt met het Parlement. Op 13 december 2006 werd definitieve overeenstemming bereikt en de Conferentie van Voorzitters heeft hieraan in haar vergadering van ..... haar goedkeuring gegeven.

De voorgestelde herziene Verklaring zal verbetering brengen in de werking van de medebeslissingsprocedure en een constructieve en flexibele interinstitutionele samenwerking in de toekomst ten goede komen. De tekst van de Verklaring is aangepast om rekening te houden met de evoluerende praktijk van de medebeslissingsprocedure, en is in overeenstemming met het streven van Parlement, Raad en Commissie om het wetgevingsproces in de EU transparanter, gecoördineerder, efficiënter en democratischer te laten verlopen.

Evaluatie van de tekst

De structuur van de tekst is verbeterd zodat deze nu nuttige extra uitleg bevat, voortbouwend op de elementaire bepalingen van de eerdere versie van 1999. Hiermee is de interinstitutionele samenwerking weer een stap verder.

ALGEMENE BEGINSELEN:

Het nieuwe hoofdstuk Algemene Beginselen noemt de werkingssfeer, doelstellingen en uitgangsbeginselen van de Verklaring, en komt in de plaats van de oude "preambule". De nieuwe titel brengt de uitgebreide materie van dit hoofdstuk dus beter tot uitdrukking. De herziene tekst van de Verklaring van 1999 weerspiegelt de evolutie die de interinstitutionele samenwerking in de praktijk heeft doorgemaakt sinds de medebeslissingsprocedure bestaat, zoals ook de bewoordingen van het inleidende hoofdstuk aangeven.

De verwijzing naar het Interinstitutioneel Akkoord van 2003 (IIA) over "Beter Wetgeven", waarop the Verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure een aanvulling vormt, is eveneens een verbetering op de oude tekst, omdat hier het engagement van de Europese instellingen voor de beginselen van transparantie, controleerbaarheid en doelmatigheid wordt bekrachtigd. Ook wordt gewezen op de noodzaak van vereenvoudiging van wetgevingsvoorstellen, met inachtneming van de rechtsorde van de Unie (punt 3).

De intentie van de instellingen om in een vroeg stadium van de procedure hun standpunten zo dicht mogelijk tot elkaar te brengen, is – veelzeggend genoeg – aan de tekst van de Verklaring toegevoegd teneinde de doelmatigheid van het besluitvormingsproces te vergroten (punt 4).

De punten die handelen over interinstitutionele contacten en de coördinatie van werkprogramma's zijn van het hoofdstuk Eerste Lezing verplaatst naar het hoofdstuk Algemene Beginselen, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat deze passages voor alle fasen van de medebeslissingsprocedure gelden (punt 5).

De opstelling van een indicatief tijdschema voor de diverse fasen van de procedure, die in een nieuw punt in de Verklaring wordt voorgesteld, is in overeenstemming met de algehele doelstelling de doelmatigheid en de timing van de besluitvormingsprocedure te verbeteren, zoals dit reeds in het IIA over "Beter Wetgeven" is vastgelegd (punt 6).

Trialogen (driepartijenbijeenkomsten) worden in de herziene tekst uitdrukkelijk genoemd ter bevestiging van hun praktisch nut voor het bereiken van overeenstemming in de eerste fasen van de medebeslissing en ter aanmoediging van het verdere gebruik ervan. De nieuwe Verklaring bevat aanwijzingen voor de wijze waarop deze bijeenkomsten worden gehouden. Voorts wordt gesuggereerd dat trialogen tevoren worden aangekondigd (punten 7, 8 en 9).

Een nieuw punt over bijwoning van vergaderingen van de parlementaire commissies door het Voorzitterschap van de Raad en verzoeken om informatie omtrent het standpunt van de Raad vormt een eerste stap naar de door het Parlement nagestreefde verbetering van de dialoog tussen de twee geledingen van de wetgevende macht. Hoewel het minder ver gaat dan het oorspronkelijke voorstel van het Parlement is dit resultaat toch aanvaardbaar als onderdeel van een algeheel compromis, omdat er sprake is van enige verbetering ten opzichte van de IIA over "Beter Wetgeven".

EERSTE LEZING:

Een structurele vernieuwing in de herziene tekst is de splitsing van het oude hoofdstuk I (EERSTE LEZING) in twee sub-hoofdstukken: "Overeenstemming in de fase van de eerste lezing in het Europees Parlement" en "Overeenstemming in de fase van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad". Dit sluit aan op de twee mogelijkheden voor een snelle afsluiting van de medebeslissingsprocedure in eerste lezing die in artikel 251 EG-Verdrag worden genoemd.

De herziene Verklaring bekrachtigt de praktijk van informele onderhandelingen tussen de instellingen en de vastlegging van de in die onderhandelingen bereikte overeenstemming in de vorm van een briefwisseling.

TWEEDE LEZING:

In tegenstelling tot het vorige hoofdstuk (EERSTE LEZING) kent dit hoofdstuk (TWEEDE LEZING) na de inleidende opmerkingen slechts één sub-hoofdstuk: "Overeenstemming in de fase van de tweede lezing in het Europees Parlement".

Volgens punt 20 vindt in de regel overleg plaats over de voor partijen meest geschikte datum voor toezending van het gemeenschappelijk standpunt. Ofschoon de formulering van de tekst minder dwingend is dan door het Parlement was voorgesteld, werd deze aanvaardbaar geacht als onderdeel van een algeheel compromis. Ook in deze vorm blijkt uit deze bepaling de bereidheid van de Raad om rekening te houden met het parlementaire werkprogramma bij de keuze van de datum van toezending van het gemeenschappelijk standpunt.

Punt 21, in sub-hoofdstuk "Overeenstemming in de fase van de tweede lezing in het Europees Parlement" is gewijd aan de interinstitutionele contacten die inmiddels een vastere en meer centrale rol gekregen hebben. Ook wordt hier een tijdsbepaling gesteld voor de voortzetting van deze contacten (nl. zodra het gemeenschappelijk standpunt aan het Parlement is toegezonden) teneinde het proces te bespoedigen.

Evenals in het voorgaande hoofdstuk, in subhoofdstuk "Overeenstemming in de fase van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad" (punt 18), is hier een nieuw punt opgenomen waarin de vastlegging van na informele onderhandelingen bereikte overeenstemming in de vorm van een briefwisseling formeel als beste praktijk wordt erkend (punt 23).

BEMIDDELING:

Aan het begin van dit hoofdstuk (BEMIDDELING) van de Verklaring zijn twee nieuwe punten toegevoegd. Overeenkomstig de beste praktijken die zich in de loop der tijd hebben ontwikkeld, wordt voorgesteld dat een trialoog wordt georganiseerd zodra duidelijk wordt, dat tijdens de tweede lezing geen overeenstemming zal kunnen worden bereikt. Zulke trialogen blijven gedurende de gehele bemiddelingsprocedure plaatsvinden om een basis voor overeenstemming te vinden (punten 24 en 25).

Ter verduidelijking is aan punt 29 een zin toegevoegd met criteria voor de gezamenlijke vaststelling van de vergaderdata en -agenda voor het Bemiddelingscomité door de medevoorzitters (de Voorzitter van het Parlement en de Voorzitter van de Raad).

Punt 30 bekrachtigt de praktijk van de medevoorzitters van het Bemiddelingscomité om sommige niet-controversiële onderwerpen op de agenda zonder debat te behandelen ("A-punten"), waardoor het proces wint aan flexibiliteit.

Punt 32 bestendigt de regel dat de voorzieningen van het Parlement en de Raad in gelijke mate worden gebruikt.

In punt 33 worden het advies van de Commissie over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad en de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen toegevoegd aan de opsomming van documenten waarover het Bemiddelingscomité beschikt. Punt 10 noemt ook het gemeenschappelijk werkdocument van de delegaties van het Europees Parlement en de Raad, aan de hand waarvan de desbetreffende thema's gemakkelijk te vinden zijn en op doelmatige kunnen worden behandeld. Voorts wordt de termijn waarin de Commissie haar advies moet uitbrengen, verlengd van twee weken tot een realistischer termijn van drie weken, te rekenen vanaf de officiële ontvangst van de uitslag van de stemming van het Europees Parlement.

Punt 36 bevestigt de regel dat de juridisch-taalkundige afwerking plaatsvindt voordat de voorgestelde tekst door de beide medevoorzitters formeel wordt goedgekeurd. De mogelijkheid wordt evenwel opengelaten dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer de strenge termijnen van artikel 251 EG-Verdrag daartoe nopen, het ontwerp voor een gemeenschappelijke tekst vóór de juridisch-taalkundige afwerking aan de beide medevoorzitters van het Bemiddelingscomité wordt voorgelegd.

Aan punt 37 is als nieuwe bepaling toegevoegd, dat de in de bemiddelingsprocedure gebruikte werkdocumenten na afloop van de procedure in het register van elke betrokken instelling worden opgenomen. Dit komt de transparantie van de besluitvorming ten goede.

ALGEMENE BEPALINGEN:

Punt 40 van dit hoofdstuk (ALGEMENE BEPALINGEN) bevestigt de regel dat de diensten van het Europees Parlement en de Raad bij de juridisch-taalkundige afwerking op gelijke voet samenwerken. Punt 41 verbiedt uitdrukkelijk dat in een reeds overeengekomen tekst wijzigingen worden aangebracht zonder dat vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de Raad op het vereiste niveau hiermee hebben ingestemd.

Een verdere verbetering in de Verklaring is het voorschrift onder punt 42 dat bij de afwerking van overeengekomen teksten naar behoren rekening wordt gehouden met de verschillende procedures die binnen elk van beide wetgevende instellingen gelden. Om misbruik van deze procedure te voorkomen mogen de instellingen de termijnen voor de juridisch-taalkundige afwerking van de besluiten niet aangrijpen om de besprekingen over de inhoudelijke vraagstukken te heropenen.

Met het oog op een betere samenhang bepaalt punt 43 dat de instellingen tot overeenstemming moeten komen over een gemeenschappelijke presentatie van de teksten, waaraan punt 44 toevoegt dat voor zover mogelijk, gebruik wordt gemaakt van wederzijds aanvaardbare standaardzinnen (met name waar het gaat om uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden, inwerkingtreding, omzetting en toepassing van besluiten, en eerbiediging van het initiatiefrecht van de Commissie).

Met het oog op de transparantie en ter vermijding van afwijkende eenzijdige verklaringen spreken de instellingen af om een succesvolle afloop van hun werkzaamheden zoveel mogelijk in gezamenlijke persmededelingen en persconferenties aan te kondigen (punt 45). Eveneens in dit verband opent punt 47 nu de mogelijkheid om belangrijke besluiten te ondertekenen tijdens een gezamenlijke plechtigheid in bijzijn van de media. De voorzitters van beide instellingen ontvangen voorts de tekst ter ondertekening in hun eigen taal.

Punt 48 is herzien om duidelijker aan te geven wanneer de overeengekomen wetgevingstekst in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. De normale termijn hiervoor bedraagt twee maanden na de aanneming van het wetgevingsbesluit door het Europees Parlement en de Raad.

Punt 49 verduidelijkt de procedure voor de rectificatie van schrijffouten of kennelijke fouten die nog vóór c.q. pas na de vaststelling van een tekst worden ontdekt.

Alles bijeen brengt de aan het Parlement ter goedkeuring voorgelegde herziene Verklaring verbetering in zowel de structuur als de inhoud van de versie van 1999, door toevoeging van een aantal belangrijke bepalingen die het document aanpassen aan de bestaande beste praktijken en de samenwerking tussen de drie instellingen moeten versterken, ter verbetering van de doelmatigheid en de kwaliteit van de EU-wetgeving.

BIJLAGE: GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING OVER DE WIJZE VAN UITVOERING VAN DE MEDEBESLISSINGSPROCEDURE

(ARTIKEL 251 VAN HET EG-VERDRAG)

EUROPEES PARLEMENET

RAAD

COMMISSIE

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING OVER DE WIJZE VAN UITVOERING VAN DE MEDEBESLISSINGSPROCEDURE

(ARTIKEL 251 VAN HET EG-VERDRAG)

ALGEMENE BEGINSELEN

1. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, hierna "de instellingen" genoemd, stellen vast dat de huidige contacten tussen het voorzitterschap van de Raad, de Commissie en de voorzitters van de bevoegde commissies en/of de rapporteurs van het Parlement, alsmede tussen de medevoorzitters van het bemiddelingscomité hun nut hebben bewezen.

2. De instellingen bevestigen dat deze contacten die zich in alle stadia van de medebeslissingsprocedure hebben ontwikkeld ook in de toekomst moeten worden aangemoedigd. De instellingen verplichten zich ertoe hun werkmethoden te bestuderen opdat de mogelijkheden die de medebeslissingsprocedure overeenkomstig het EG-Verdrag biedt, op nog efficiëntere wijze worden benut.

3. In deze gemeenschappelijke verklaring worden deze werkmethoden en de praktische regelingen voor uitvoering nader toegelicht. Zij vormt een aanvulling op het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" en met name op de daarin opgenomen bepalingen ten aanzien van de medebeslissingsprocedure(1). De instellingen verplichten zich ertoe deze toezeggingen na te komen overeenkomstig de beginselen van doorzichtigheid, controleerbaarheid en doelmatigheid. In dit opzicht moeten de instellingen er bijzonder op letten dat er vooruitgang wordt geboekt ten aanzien van vereenvoudigingsvoorstellen en tegelijkertijd de Gemeenschapswetgeving naleven.

4. De instellingen werken gedurende de gehele procedure loyaal samen om hun standpunten zo dicht mogelijk tot elkaar te brengen, en aldus indien nodig de weg vrij te maken voor goedkeuring van het wetsvoorstel in een vroeg stadium van de procedure.

5. Te dien einde werken zij via adequate interinstitutionele contacten samen om de voortgang van de werkzaamheden te controleren en de mate van overeenstemming in alle stadia van de medebeslissingsprocedure in het oog te houden.

6. De instellingen verplichten zich overeenkomstig hun Reglement tot de regelmatige uitwisseling van gegevens over de voortgang van de medebeslissingsdossiers. Zij zien erop toe dat hun respectieve arbeidsprogramma's zo veel mogelijk gecoördineerd zijn ter vergemakkelijking van samenhangende en convergente uitvoering van de procedures. Zij proberen dan ook een indicatief tijdschema op te stellen voor de diverse fasen voorafgaand aan de definitieve aanneming van diverse wetgevingsvoorstellen en zij houden tegelijkertijd ten volle rekening met de politieke aard van de besluitvormingsprocedure.

7. De samenwerking tussen de drie instellingen in het kader van de medebeslissing verloopt veelal via driepartijenbijeenkomsten ("trialogen"). Dit trialogenstelsel heeft zijn levensvatbaarheid en soepelheid aangetoond doordat de mogelijkheden voor overeenstemming tijdens de eerste en tweede lezing aanzienlijk zijn opgevoerd en doordat een bijdrage wordt geleverd tot de voorbereiding in het Bemiddelingscomité.

8. Deze bijeenkomsten vinden meestal plaats in een informeel kader. Zij kunnen in iedere fase van de procedure en op verschillende niveaus van vertegenwoordiging worden gehouden, afhankelijk van de aard van de verwachte gedachtewisseling. Overeenkomstig haar eigen Reglement bepaalt iedere instelling per bijeenkomst wie namens haar deelneemt en de taakomschrijving voor de onderhandelingen, en zij stelt de andere instellingen tijdig op de hoogte van de organisatie van de bijeenkomsten.

9. Voor zo ver mogelijk worden ter behandeling tijdens een volgende bijeenkomst ingediende ontwerpcompromisteksten vooraf aan alle deelnemers ter beschikking gesteld. Met het oog op meer openbaarheid van bestuur worden trialogen die plaats hebben in het Europees Parlement en de Raad indien mogelijk aangekondigd.

10. Het voorzitterschap streeft ernaar de vergaderingen van de Parlementaire commissies bij te wonen. Het neemt verzoeken die het wellicht ontvangt zorgvuldig in overweging ten einde, indien nodig, gegevens in verband met het standpunt van de Raad te verschaffen.

EERSTE LEZING

11. De instellingen werken loyaal samen om hun standpunten zo dicht mogelijk tot elkaar te brengen, opdat het besluit zo mogelijk in eerste lezing kan worden vastgesteld.

Overeenstemming in de fase van de eerste lezing in het Europees Parlement

12. Er worden de nodige contacten gelegd om de procedure tijdens de eerste lezing te vergemakkelijken.

13. De Commissie zorgt voor de bevordering van de contacten en oefent haar initiatiefrecht op constructieve wijze uit, teneinde het nader tot elkaar brengen van de standpunten van het Europees Parlement en de Raad te vergemakkelijken, met inachtneming van het interinstitutionele evenwicht en de rol die het Verdrag haar toekent.

14. Indien overeenkomst wordt bereikt via informele onderhandelingen tijdens trialogen, doet de voorzitter van COREPER de voorzitter van de Parlementaire commissie schriftelijk bijzonderheden toekomen van de inhoud van de overeenkomst in de vorm van amendementen op het Commissievoorstel. In deze brief wordt kennis gegeven van de bereidheid van de Raad deze resultaten, afhankelijk van de juridisch-taalkundige controle, te aanvaarden indien deze door de stemming tijdens de plenaire vergadering worden bevestigd. Een afschrift van het schrijven wordt aan de Commissie toegezonden.

15. In dit verband moeten gegevens over het voornemen een overeenkomst te sluiten, als de afronding van een dossier in eerste lezing op korte termijn verwacht wordt, zo spoedig mogelijk beschikbaar worden gesteld.

Overeenstemming in de fase van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad

16. Ingeval vóór de eerste lezing in het Parlement geen overeenstemming is bereikt kunnen de contacten worden voortgezet om in de fase van het gemeenschappelijk standpunt tot overeenstemming te komen.

17. De Commissie zorgt voor de bevordering van de contacten en oefent haar initiatiefrecht op constructieve wijze uit, teneinde het nader tot elkaar brengen van de standpunten van het Europees Parlement en de Raad te vergemakkelijken, met inachtneming van het interinstitutionele evenwicht en de rol die het Verdrag haar toekent.

18. Indien overeenkomst wordt bereikt via informele onderhandelingen tijdens trialogen, doet de voorzitter van de Parlementaire commissie de voorzitter van COREPER schriftelijk zijn aanbeveling aan de voltallige vergadering toekomen het gemeenschappelijk standpunt zonder amendementen te aanvaarden, afhankelijk van bevestiging van het gemeenschappelijk standpunt door de Raad en de juridisch-taalkundige controle. Een afschrift van het schrijven wordt aan de Commissie toegezonden.

TWEEDE LEZING

19. In zijn toelichting zet de Raad zo duidelijk mogelijk de redenen uiteen die hem tot de vaststelling van zijn gemeenschappelijk standpunt hebben geleid. Bij de tweede lezing houdt het Europees Parlement zoveel mogelijk rekening met deze motivering, alsmede met het advies van de Commissie.

20. Alvorens gemeenschappelijk standpunten door te sturen tracht de Raad in overleg met Europees Parlement en Commissie de datum van doorzending te behandelen om te zorgen voor een zo groot mogelijke doelmatigheid van de wetgevingsprocedure tijdens de tweede lezing.

Overeenstemming in de fase van de tweede lezing in het Europees Parlement

21. Met het oog op een beter begrip van elkaars standpunten en een zo spoedig mogelijke voltooiing van de wetgevingsprocedure worden de passende contacten voortgezet zodra het gemeenschappelijk standpunt aan het Parlement is toegezonden.

22. De Commissie zorgt voor de bevordering van de contacten en geeft haar mening te kennen, teneinde het nader tot elkaar brengen van de standpunten van het Europees Parlement en de Raad te vergemakkelijken, met inachtneming van het interinstitutionele evenwicht en de rol die het Verdrag haar toekent.

23. Indien overeenkomst wordt bereikt via informele onderhandelingen tijdens trialogen, doet de voorzitter van COREPER de voorzitter van de Parlementaire commissie schriftelijk bijzonderheden toekomen van de inhoud van de overeenkomst in de vorm van amendementen op het gemeenschappelijk standpunt. In deze brief wordt kennis gegeven van de bereidheid van de Raad deze resultaten, afhankelijk van de juridisch-taalkundige controle, te aanvaarden indien deze door de stemming tijdens de plenaire vergadering worden bevestigd. Een afschrift van het schrijven wordt aan de Commissie toegezonden.

BEMIDDELING

24. Indien duidelijk wordt dat de Raad in tweede lezing niet kan instemmen met alle amendementen van het Europees Parlement en als de Raad klaar is voor de presentatie van zijn standpunt, wordt een eerste trialoog georganiseerd. Overeenkomstig haar eigen Reglement bepaalt iedere instelling wie namens haar aan een bijeenkomst deelneemt en de taakomschrijving voor de onderhandelingen. De Commissie stelt beide delegaties zo spoedig mogelijk op de hoogte van haar voornemens met betrekking tot haar advies inzake de amendementen van het Europees Parlement in tweede lezing.

25. Trialoogbijeenkomsten vinden gedurende de gehele bemiddelingsprocedure plaats om de niet opgeloste problemen aan te pakken en overeenstemming in het bemiddelingscomité voor te bereiden. De uitkomst van de trialogen wordt besproken en eventueel goedgekeurd tijdens de bijeenkomsten van iedere instelling.

26. Het Bemiddelingscomité wordt door de voorzitter van de Raad in overeenstemming met de voorzitter van het Europees Parlement en met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag bijeengeroepen.

27. De Commissie neemt aan de bemiddelingswerkzaamheden deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen. Deze initiatieven kunnen met name bestaan in ontwerpcompromisteksten op basis van de standpunten van het Europees Parlement en de Raad, met inachtneming van de rol die het Verdrag aan de Commissie toekent.

28. Het voorzitterschap van het comité wordt door de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitter van de Raad gezamenlijk bekleed. De vergaderingen van het comité worden beurtelings door de medevoorzitters voorgezeten.

29. De data waarop het comité vergadert en de agenda worden door de medevoorzitters in onderlinge overeenstemming vastgesteld opdat het Bemiddelingscomité gedurende de gehele bemiddelingsprocedure doelmatig kan werken. De Commissie wordt over de beoogde data geraadpleegd. Het Europees Parlement en de Raad wijzen passende data voor de bemiddelingswerkzaamheden aan en delen deze aan de Commissie mede.

30. Tijdens de bijeenkomsten van de het Bemiddelingscomité kunnen de medevoorzitters een aantal thema's op de agenda plaatsen. Naast het hoofdonderwerp ("B-punt"), waarover nog geen overeenstemming is bereikt, kunnen bemiddelingsprocedures over andere onderwerpen op gang worden gebracht en/of gesloten zonder dat over deze onderwerpen van gedachten wordt gewisseld ("A-punt").

31. Het Europees Parlement en de Raad houden, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag inzake termijnen, zoveel mogelijk rekening met de eisen van de tijdschema's, met name de onderbrekingen van de werkzaamheden van de instellingen en de verkiezingen van het Europees Parlement; in ieder geval dient de onderbreking van de werkzaamheden zo kort mogelijk te zijn.

32. Het comité komt beurtelings in de gebouwen van het Europees Parlement en de Raad bijeen, opdat de voorzieningen, o.m. de vertolkingsfaciliteiten, op basis van gelijkheid worden gebruikt.

33. Het comité beschikt over het voorstel van de Commissie, het gemeenschappelijk standpunt van de Raad en het advies van de Commissie ter zake, de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen, het advies van de Commissie over deze amendementen alsmede over een gemeenschappelijk werkdocument van de delegaties van het Europees Parlement en de Raad. Door dit werkdocument moeten gebruikers in staat worden gesteld de desbetreffende thema's gemakkelijk te vinden en er op doelmatige wijze naar te verwijzen. De Commissie dient haar advies in de regel in binnen drie weken na officiële ontvangst van de uitslag van de stemming van het Europees Parlement en uiterlijk vóór de aanvang van de bemiddelingswerkzaamheden.

34. De medevoorzitters kunnen teksten ter goedkeuring voorleggen aan het comité.

35. De overeenstemming over het gemeenschappelijke ontwerp wordt vastgesteld tijdens een vergadering van het Bemiddelingscomité of nadien bij briefwisseling tussen de medevoorzitters. Een afschrift van deze briefwisseling wordt toegezonden aan de Commissie.

36. Wanneer het comité overeenstemming over een gemeenschappelijk ontwerp bereikt, wordt de tekst daarvan, na juridisch-taalkundige bijwerking, ter officiële goedkeuring voorgelegd aan de medevoorzitters. In uitzonderlijke gevallen kan een ontwerp voor een gezamenlijke tekst, met het oog op handhaving van de termijnen, echter aan de mede voorzitters ter goedkeuring worden voorgelegd.

37. De medevoorzitters sturen het aldus goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerp per gezamenlijk ondertekende brief naar de voorzitters van het Europees Parlement en van de Raad. Bereikt het Bemiddelingscomité geen overeenstemming over een gemeenschappelijke ontwerptekst, dan stellen de medevoorzitters de voorzitters van het Europees Parlement en van de Raad hiervan per gezamenlijk ondertekende brief in kennis. Deze brieven fungeren als notulen. Een afschrift van deze brieven wordt ter kennisgeving aan de Commissie toegezonden. De tijdens de bemiddelingsprocedure gebruikte werkdocumenten zijn, zodra de procedure is gesloten, beschikbaar in het register van iedere instelling.

38. Het secretariaat van het comité wordt gezamenlijk gevoerd door het secretariaat-generaal van de Raad en het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, in samenwerking met het secretariaat-generaal van de Commissie.

ALGEMENE BEPALINGEN

39. Indien het Europees Parlement of de Raad verlenging van de in artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genoemde termijn volstrekt noodzakelijk achten, dan stellen zij de voorzitter van de andere instelling, alsmede de Commissie hiervan in kennis.

30. Indien de instellingen in de eerste of tweede lezing of tijdens de bemiddeling tot overeenstemming komen, worden de overeengekomen teksten worden in nauwe samenwerking en in onderlinge overeenstemming door de juridische en vertaaldiensten van het Parlement en de Raad bijgewerkt.

41. Indien een compromistekst is overeengekomen worden hierin geen wijzigingen aangebracht zonder dat de vertegenwoordigers van Parlement en Raad hiermee op het vereiste niveau uitdrukkelijk hebben ingestemd.

42. De opstelling van de definitieve versie geschiedt terwijl naar behoren rekening wordt gehouden met de verschillende procedures van beide instellingen, met name ten aanzien van termijnen voor de afronding van interne procedures. De instellingen verplichten zich de voor de juridisch-taalkundige definitieve vormgeving van de teksten bepaalde termijnen niet te gebruiken om de gedachtewisselingen over de inhoud niet opnieuw op gang te brengen.

43. Het Parlement en de Raad komen tot overeenstemming over de gemeenschappelijke presentatie van de door beide instellingen gezamenlijk opgestelde teksten.

44. Voorzover mogelijk zeggen de instellingen toe wederzijds aanvaardbare standaardzinsneden op te nemen in de in het kader van de medebeslissing aangenomen wetsvoorstellen, met name betreffende bepalingen inzake de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden (overeenkomstig het 'comitologie'-besluit(2)), inwerkingtreding, omzetting en toepassing van wetsvoorstellen, en eerbiediging van het initiatiefrecht van het Parlement.

45. De instellingen streven ernaar een gezamenlijke persconferentie te beleggen om het welslagen van de wetgevingsprocedure in eerste en tweede lezing en in het kader van de bemiddeling aan te kondigen. Zij streven eveneens naar publicatie van gezamenlijke persmededelingen.

46. Nadat het wetgevingsbesluit via de medebeslissingsprocedure door het Europees Parlement en de Raad is aangenomen, wordt het ter ondertekening voorgelegd aan de voorzitter van het Europees Parlement, aan de voorzitter van de Raad alsmede aan de secretarissen-generaal van beide instellingen.

47. De voorzitters van beide instellingen ontvangen de tekst ter ondertekening in hun eigen taal en ondertekenen de tekst zo mogelijk samen tijdens een gezamenlijke plechtigheid die iedere maand wordt georganiseerd opdat belangrijke dossiers in aanwezigheid van de media kunnen worden getekend.

48. De aldus gezamenlijk ondertekende tekst wordt toegezonden aan het Publicatieblad, waarin hij als regel binnen twee maanden na aanneming van het wetsvoorstel door Europees Parlement en Raad wordt gepubliceerd.

49. Constateert een van de instellingen een wezenlijke of duidelijke fout in een tekst (of in een van de taalversies), dan stelt zij de overige instellingen hiervan onmiddellijk in kennis. Wanneer deze fout een nog niet door een van de instellingen aangenomen besluit betreft, stellen de Juridisch en Vertaaldiensten van het Europees Parlement en de Raad in nauwe samenwerking het vereiste corrigendum op. Wanneer de fout daarentegen een reeds door een of beide instellingen aangenomen, al dan niet bekendgemaakt besluit betreft, stellen het Europees Parlement en de Raad in onderlinge overeenstemming en volgens hun respectieve procedures een rectificatie op.

(1)

PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(2)

 Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23). Besluit zoals gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 27.7.2006, blz. 11).


PROCEDURE

Titel

Sluiting van de gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure

Procedurenummer

2005/2125(ACI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking

AFCO
23.4.2007

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Jo Leinen
6.6.2005

 

Vervangen rapporteur(s)

 

Behandeling in de commissie

19.3.2007

10.4.2007

 

 

Datum goedkeuring

10.4.2007

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20
0
0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Enrique Barón Crespo, Richard Corbett, Jean-Luc Dehaene, Andrew Duff, Maria da Assunção Esteves, Ingo Friedrich, Bronisław Geremek, Anneli Jäätteenmäki, Timothy Kirkhope, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Rihards Pīks, Marie-Line Reynaud, Adrian Severin, Riccardo Ventre

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Elmar Brok, Carlos Carnero González, Klaus Hänsch, Jacek Protasiewicz, Mauro Zani

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Datum indiening – A[6]

16.4.2007

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar

...

Juridische mededeling - Privacybeleid