VERSLAG over het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van het besluit van de raad inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit
24.5.2007 - (6566/2007 – C6‑0079/2007 –2007/0804 (CNS)) - *
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
Rapporteur: Fausto Correia
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van het besluit van de raad inzake de intensivering van de grens¬overschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit
(6566/2007 – C6‑0079/2007 –2007/0804 (CNS))
(Raadplegingsprocedure)
Het Europees Parlement,
– gezien het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden (6566/2007)[1],
– gezien de redactionele wijzigingen van de Raad (7273/1/2007 van 17 april 2007)[2],
– gelet op artikel 34, lid 2, onder c) van het EU‑Verdrag,
– gelet op artikel 39, lid 1 van het EU‑Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6‑0079/2007),
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,
– gelet op de artikelen 93, 51 en 35 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6‑0207/2007),
1. hecht zijn goedkeuring aan het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt de Raad de oorspronkelijke tekst dienovereenkomstig te wijzigen;
3. verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;
4. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden;
5. betreurt dat de Raad het Parlement heeft verplicht om zijn advies in het kader van de urgentieprocedure uit te brengen zodat het Parlement niet over de nodige tijd beschikte om zijn controletaak naar behoren uit te voeren en zonder een omvattende effectbeoordeling en evaluatie van de toepassing van het Verdrag van Prüm tot op heden, noch een adequaat kaderbesluit over de bescherming van persoonsgegevens in politiële en justitiële zaken, wat het Parlement nochtans noodzakelijk vindt vooraleer er regelgeving in het kader van de derde pijler wordt vastgesteld;
6. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden.
| Door het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden voorgestelde tekst | Amendementen van het Parlement |
Amendement 1 Titel | |
|
BESLUIT VAN DE RAAD 2007/…/JBZ betreffende de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme en de grensoverschrijdende criminaliteit |
KADERBESLUIT VAN DE RAAD 2007/…/JBZ betreffende de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme en de grensoverschrijdende criminaliteit |
|
|
(Dit amendement geldt voor de hele tekst. Als het wordt aangenomen, zullen overal de nodige veranderingen moeten worden aangebracht) |
Motivering | |
Aangezien het initiatief betrekking heeft op de nagestreefde harmonisatie van wet- en regelgeving van de lidstaten, is niet een besluit maar een kaderbesluit het aangewezen instrument. | |
Amendement 2 Visum 1 | |
|
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 30, lid 1, onder a) en b), artikel 31, lid 1, onder a), artikel 32 en artikel 34, lid 2, onder c), |
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 30, lid 1, onder a) en b), artikel 31, lid 1, onder a), artikel 32 en artikel 34, lid 2, letter b), |
Amendement 3 Visum 2 bis (nieuw) | |
|
|
Gezien het advies van 4 april 2007 van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, |
Amendement 4 Overweging 1 | |
|
(1) De Raad van de Europese Unie hecht het allergrootste belang aan de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zijnde een idee dat sterk leeft bij de bevolking van de landen die in de Unie verenigd zijn. |
(1) De Raad van de Europese Unie hecht het allergrootste belang aan een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, die voor de bevolking van de Europese Unie van fundamentele betekenis is. |
Amendement 5 Overweging 10 | |
|
(10) Aan die eisen is voldaan door middel van het Verdrag van Prüm van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie. Opdat alle lidstaten kunnen voldoen aan de essentiële vereisten van het Haags programma en tevens het tijdschema daarvan gehaald kan worden, moeten de fundamentele onderdelen van het Verdrag van Prüm voor alle lidstaten van toepassing zijn. Dit besluit van de Raad is daarom gebaseerd op de voornaamste bepalingen van het Verdrag van Prüm. |
(10) Aan die eisen is voldaan door middel van het Verdrag van Prüm van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie. Opdat kan worden voldaan aan de essentiële vereisten van het Haags programma voor alle lidstaten, moet het Verdrag van Prüm voor alle lidstaten van toepassing zijn. Dit kaderbesluit van de Raad bevat daarom enkele van de voornaamste bepalingen van het Verdrag van Prüm, namelijk die welke verband houden met de politiële en justitiële samenwerking in de Europese Unie. |
Amendement 6 Overweging 11 bis (nieuw) | |
|
|
(11 bis) Deze verbeteringen in de uitwisseling van gegevens betekenen een stap voorwaarts bij het beschikbaar stellen van gegevens tussen wetshandhavers in de lidstaten. Gewaarborgd dient te zijn dat geautomatiseerde bevraging in nationale gegevensbestanden van DNA en vingerafdrukken, als er persoonlijke gegevens in het geding zijn, uitsluitend met reden plaatsvindt. |
Motivering | |
Een dubbellagig systeem van toegang tot persoonlijke gegevens is een combinatie van het beschikbaarheidsbeginsel (geautomatiseerd en wederzijds zoeken in nationale gegevensbestanden) en een traditionelere benadering (zoeken op met redenen omkleed verzoek, na iets gevonden te hebben). | |
Amendement 7 Overweging 15 | |
|
(15) Onder bepaalde voorwaarden moeten de lidstaten al dan niet persoonsgebonden gegevens kunnen verstrekken, zodat de uitwisseling van gegevens over grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie wordt verbeterd. |
(15) Onder bepaalde voorwaarden moeten de lidstaten al dan niet persoonsgebonden gegevens kunnen verstrekken, zodat de uitwisseling van gegevens over grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie wordt verbeterd indien zij bedoeld is om terroristische misdrijven te voorkomen. De verstrekking van de gegevens moet noodzakelijk en evenredig zijn en uitgaan van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn tot het vermoeden dat er misdrijven zullen worden begaan. |
Motivering | |
Zowel hoofdstuk 3 als hoofdstuk 4 moeten worden genoemd, daar zij gebaseerd zijn op het vermoeden dat er redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkenen misdrijven zullen begaan, en niet op daadwerkelijk gepleegde (of objectief mogelijke) misdrijven. | |
Amendement 8 Overweging 15 bis (nieuw) | |
|
|
(15 bis) Europol moet binnen het kader van zijn mandaat toegang hebben tot nationale gegevensbestanden. |
Amendement 9 Overweging 16 | |
|
(16) Aangezien internationale samenwerking, met name wat betreft de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, verder moet worden verbeterd, maakt dit besluit niet alleen verbeterde informatie-uitwisseling mogelijk, maar ook onder meer nauwere samenwerking tussen de politieautoriteiten, bijv. door middel van gezamenlijke veiligheidsoperaties (bijv. gezamenlijke patrouilles) en grensoverschrijdende interventies indien er onmiddellijk gevaar voor lijf en leden dreigt. |
(16) Aangezien internationale samenwerking, met name wat betreft de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, verder moet worden verbeterd, maakt dit kaderbesluit niet alleen verbeterde informatie-uitwisseling mogelijk, maar ook onder meer nauwere samenwerking tussen de politieautoriteiten, bijv. door middel van gezamenlijke veiligheidsoperaties (bijv. gezamenlijke patrouilles). |
Motivering | |
Voorschriften inzake grensoverschrijdende actie bij rechtstreeks gevaar voor lijf en leden vallen buiten dit voorstel. | |
Amendement 10 Overweging 18 | |
|
(18) Zich bewust van het belang van dit Raadsbesluit voor de bescherming van de rechten van personen, en in het besef dat voor het verstrekken van gegevens aan een andere lidstaat een voldoende niveau van gegevensbescherming door de ontvangende lidstaat nodig is, dragen de lidstaten zorg voor de efficiënte uitvoering van alle in dit besluit vervatte gegevensbeschermingsregels. |
(18) Het systeem gevonden/niet gevonden biedt een structuur voor het vergelijken van anonieme profielen, en persoonlijke gegevens worden pas uitgewisseld als er iets gevonden is, waardoor een adequaat systeem van gegevensbescherming gewaarborgd is, met dien verstande dat voor het verstrekken van gegevens aan een andere lidstaat een adequaat niveau van gegevensbescherming door de ontvangende lidstaat nodig is. |
Motivering | |
Hoewel in het kader van dit initiatief slechts de overdracht van gegevens tussen lidstaten toegestaan is, moet het tot stand gebrachte beschermingsniveau adequaat en geharmoniseerd) zijn. | |
Amendement 11 Overweging 18 bis (nieuw) | |
|
|
(18 bis) Bijzondere categorieën gegevens betreffende ras of etnische herkomst, politieke meningen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen, lidmaatschap van partijen of vakbonden, seksuele geaardheid of gezondheid mogen uitsluitend worden verwerkt indien dit noodzakelijk en evenredig is met het oog op een bepaalde zaak en indien specifieke waarborgen worden geboden. |
Amendement 12 Overweging 18 ter (nieuw) | |
|
|
(18 ter) Deze specifieke voorschriften over gegevensbescherming worden opgesteld omdat een adequaat rechtsinstrument over gegevensbescherming in het kader van de derde pijler ontbreekt. Indien het wordt goedgekeurd, moet het rechtsinstrument gelden voor de gehele sector politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, met dien verstande dat het gegevensbeschermingsniveau adequaat moet zijn en ten minste moet overeenstemmen met de bescherming die voortvloeit uit het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en het daarbij behorende Aanvullend Protocol van 8 november 2001, en daarbij rekening wordt gehouden met Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied van 17 september 1987 ook wanneer de gegevens niet geautomatiseerd worden verwerkt. |
Motivering | |
Om het verband te leggen tussen het kaderbesluit over meer grensoverschrijdende samenwerking, met name bij de strijd tegen het terrorisme en de grensoverschrijdende criminaliteit en het kaderbesluit over gegevensbescherming.. | |
Amendement 13 Overweging 18 quater (nieuw) | |
|
|
(18 quater) Het Europees Parlement moet over elke maatregelen tot uitvoering van dit kaderbesluit worden geraadpleegd. |
Amendement 14 Overweging 18 quinquies (nieuw) | |
|
|
(18 quinquies) Het is noodzakelijk dat de Raad het kaderbesluit over procedurele rechten zo spoedig mogelijk aanneemt om bepaalde minimumvoorschriften vast te leggen over de beschikbaarheid van juridische bijstand aan burgers in de lidstaten. |
Motivering | |
Zo lang dit KB niet bestaat, zijn in artikel 7, lid 2 (zoals gewijzigd) bedoelde fundamentele beginselen en grondrechten de enige beperking van de nationale wetgeving. | |
Amendement 15 Overweging 18 sexies (nieuw) | |
|
|
(18 sexies) Het algemene kader met betrekking tot het verstrekken van gegevens en het bieden van bijstand in verband met grootschalige gebeurtenissen en massabijeenkomsten moet in overeenstemming worden gebracht met het door de Raad op 26 mei 1997 op de grondslag van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangenomen gemeenschappelijk optreden 97/339/JBZ met betrekking tot de samenwerking op het terrein van de openbare orde en veiligheid1, met de resolutie van de Raad van 29 april 2004over de veiligheid tijdens zittingen van de Europese Raad en andere soortgelijke gebeurtenissen2, en met het initiatief van het Koninkrijk Nederland met het oog op aanneming van een besluit van de Raad over uitbreiding van de grensoverschrijdende samenwerking van politiediensten in verband met door grote aantallen mensen uit meer dan één lidstaat bijgewoonde bijeenkomsten, tijdens welke de politietaak voornamelijk bestaat uit de handhaving van de openbare orde en de veiligheid, en het voorkomen en bestrijden van misdrijven3. _____________ 1 PB L 147 van 5.6.1997, blz. 1. 2 PB C 116 van 30.4.2004, blz. 18. 3 PB C 101 van 27.4.2005, blz. 36. |
Motivering | |
Dit algemene kader moet worden gecoördineerd met specifieke instrumenten. | |
Amendement 16 Overweging 20 | |
|
(20) Dit besluit is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegd zijn, |
(20) Dit kaderbesluit is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkend zijn. Dit kaderbesluit moet met name waarborgen dat de grondrechten van de burgers inzake eerbiediging van hun privéleven en contacten en bescherming van hun persoonsgegevens, zoals verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest, ten volle in acht worden genomen. |
Amendement 17 Overweging 20 bis (nieuw) | |
|
|
(20 bis) De volledige herziening en evaluatie van de wijze waarop het Verdrag van Prüm tot op heden heeft gefunctioneerd en de vaststelling van een kaderbesluit inzake gegevensbescherming in het kader van de derde pijler zijn voorafgaande voorwaarden voor de inwerkingtreding en tenuitvoerlegging van dit kaderbesluit. |
Amendement 18 Artikel 1, alinea 1 | |
|
De lidstaten beogen met dit besluit de grensoverschrijdende samenwerking, met name op gebieden die onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallen, te intensiveren, met name de uitwisseling van informatie tussen instanties die met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten belast zijn. Daartoe bevat dit besluit regels op de volgende gebieden: |
De lidstaten beogen met dit kaderbesluit de grensoverschrijdende samenwerking, met name op gebieden die onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallen, te intensiveren, met name de uitwisseling van informatie tussen instanties die belast zijn met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten zoals opgesomd in artikel 2 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten1 en de artikelen 1 t/m 4 van Kaderbesluit 2002/475/JI van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding2 , en daarbij tegelijkertijd een adequate gegevensbescherming te waarborgen. Daartoe bevat dit besluit regels op de volgende gebieden. |
|
|
_____________________ 1 PB L 190 van 18.7.2002, blz.1. 2 PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3. |
|
|
(Deze wijziging geldt voor de hele tekst. Aanneming ervan houdt overeenkomstige wijzigingen in de gehele tekst in.) |
Motivering | |
Begrenzing van het toepassingsgebied van het kaderbesluit tot de strafbare feiten en terroristische misdrijven als bedoeld in het Europees Arrestatiebevel en het besluit waarin gedefinieerd wordt wat onder terreurmisdrijven wordt verstaan. | |
Amendement 19 Artikel 1, alinea 1, punt 4 | |
|
4) bepalingen over de voorwaarden en de procedure voor de intensivering van de politiële samenwerking via diverse maatregelen (Hoofdstuk 5). |
4) bepalingen over de voorwaarden en de procedure voor de intensivering van de politiële samenwerking via diverse duidelijk omschreven maatregelen (Hoofdstuk 5). |
Amendement 20 Artikel 1, alinea 1, punt 4 bis (nieuw) | |
|
|
4 bis. Bepalingen inzake gegevensbescherming (hoofdstuk 6, artikel 14, lid 2 en artikel 16, leden 2 en 4) |
Motivering | |
Om de voorschriften inzake gegevensbescherming in hoofdstuk 6 aan het werkingsgebied van het kaderbesluit toe te voegen. | |
Amendement 21 Artikel 1 bis (nieuw) | |
|
|
Artikel 1 bis In dit kaderbesluit wordt verstaan onder: |
|
|
1) “Strafbare feiten”: de misdrijven die worden opgesomd in artikel 2 van Kaderbesluit van de Raad 2002/584/JBZ; |
|
|
2) “Terroristische misdrijven”: de strafbare feiten die worden opgesomd in de artikelen 1 tot en met 4 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ ; |
|
|
3) "Persoonsgegevens": informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna "betrokkene" te noemen; een "identificeerbare persoon" is een persoon die al dan niet rechtstreeks kan worden geïdentificeerd, met name door te verwijzen naar een identificatienummer of naar één of meer factoren die specifiek zijn voor zijn lichamelijke of fysiologische identiteit; |
|
|
4) “Verwerking van persoonsgegevens”: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedures, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken of wijzigen, selecteren, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens. Als verwerking in de zin van dit kaderbesluit geldt ook de mededeling of er al dan niet een hit gevonden is. |
|
|
5) “Geautomatiseerde bevraging”: de directe toegang tot een geautomatiseerd bestand van een andere instantie, en wel op zodanige wijze dat de bevraging volledig geautomatiseerd wordt beantwoord. |
|
|
6) “Kenmerken”: het markeren van opgeslagen persoonsgegevens, zonder dat daarmee het doel wordt nagestreefd om hun toekomstige verwerking te beperken. |
|
|
7) “Afscherming”: het markeren van opgeslagen persoonsgegevens met het doel hun toekomstige verwerking te beperken. |
|
|
8) "Niet-gecodeerde DNA-deel": chromosoomsectoren die geen genetische uitdrukking bevatten, d.w.z. waarvan niet bekend is dat zij gegevens verstrekken over specifieke erfelijke eigenschappen; ongeacht de vooruitgang van de wetenschap wordt nu of in de toekomst niet meer informatie uit het niet-gecodeerde DNA-deel vrijgegeven. |
Motivering | |
Dit artikel omvat de definities die voorheen waren vastgelegd in de artikelen 26 en 16, lid 1, en eveneens worden definities gegeven van de termen persoonsgegevens (daar een algemeen kader over dit onderwerp ontbreekt) en strafbare feiten (met het oog op een zekere mate van harmonisatie van de voorschriften inzake de toegang tot gegevensbestanden in andere lidstaten). Waarschijnlijk wordt door de misdrijven die worden opgesomd in verband met het Europees Aanhoudingsbevel een ernstiger inbreuk gepleegd op de zone van vrijheid, veiligheid en gerechtigheid dan door minder ernstige vergrijpen. Daarom moeten uitsluitend deze misdrijven, om te voldoen aan de eisen van subsidiariteit en evenredigheid, via dit kaderbesluit worden aangepakt. | |
Amendement 22 Artikel 1 ter (nieuw) | |
|
|
Artikel 1ter De lidstaten schrijven voor dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen persoonsgegevens van |
|
|
- iemand die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd of daarbij betrokken te zijn geweest, |
|
|
- iemand die is veroordeeld voor een strafbaar feit, |
|
|
- iemand ten aanzien van wie gegronde vermoedens bestaan dat hij of zij een strafbaar feit zal plegen, |
|
|
- iemand die als getuige kan worden opgeroepen in een onderzoek naar strafbare feiten of in een daarop volgende strafprocedure, |
|
|
- iemand die het slachtoffer is geworden van een strafbaar feit of van wie op basis van bepaalde feiten wordt vermoed dat hij of zij het slachtoffer van een strafbaar feit zou kunnen worden, |
|
|
- iemand die informatie kan verstrekken over strafbare feiten, |
|
|
- iemand die contact heeft of banden onderhoudt met een van de hierboven bedoelde personen, en |
|
|
- iemand die onder geen van de hierboven genoemde categorieën valt. |
Amendement 23 Artikel 2, lid 1 | |
|
1. De lidstaten leggen ter opsporing van strafbare feiten nationale DNA-analysebestanden aan en beheren deze De verwerking van de in deze bestanden opgeslagen gegevens op grond van dit besluit geschiedt behoudens de overige bepalingen van dit verdrag, met inachtneming van het voor de verwerking geldende nationale recht. |
1. De lidstaten leggen ter opsporing van strafbare feiten nationale DNA-analysebestanden aan en beheren deze. De verwerking van de persoonsgegevens in deze bestanden op grond van dit kaderbesluit geschiedt overeenkomstig de voorschriften inzake de bescherming van gegevens in hoofdstuk 6, met inachtneming van het voor de verwerking geldende nationale recht. |
Motivering | |
Het is de bedoeling door invoeging van de woorden "verwerking van de persoonsgegevens" zoals gedefinieerd in artikel 2 bis duidelijk te maken dat de voorschriften inzake gegevensbescherming eveneens van toepassing zijn op de verzameling van (nieuwe) gegevens (en niet alleen op reeds opgeslagen gegevens). | |
Amendement 24 Artikel 2, lid 2 | |
|
2. Ter uitvoering van dit besluit waarborgen de lidstaten dat linkgegevens uit het nationale DNA-analysebestand, als bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, aanwezig zijn. Linkgegevens omvatten uitsluitend de op basis van het niet-gecodeerde gedeelte van het DNA vastgestelde DNA-profielen en een kenmerk. De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten waarmee de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde DNA-profielen), dienen als zodanig herkenbaar te zijn. |
2. Ter uitvoering van dit kaderbesluit waarborgen de lidstaten toegang tot linkgegevens uit het nationale DNA-analysebestand dat wordt opengesteld voor het onderzoek van strafbare feiten. Linkgegevens omvatten uitsluitend de op basis van het niet-gecodeerde gedeelte van het DNA vastgestelde DNA-profielen en een kenmerk De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten waarmee de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde DNA-profielen), dienen als zodanig herkenbaar te zijn. |
Motivering | |
Via de formulering "toegang" in plaats van "aanwezig zijn" wordt duidelijk gemaakt dat beide systemen niet soortgelijk zijn, zoals in overweging 11 bis is gesteld. Door te verwijzen naar "het nationale DNA-analysebestand dat wordt opengesteld voor het onderzoek van strafbare feiten" wordt benadrukt dat het zoeken in andere typen DNA-bestanden, die bij voorbeeld zijn opgezet met het oog op gezondheidszorg en onderzoek, niet is toegestaan. | |
Amendement 25 Artikel 3, lid 1 | |
|
1. Ter opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in artikel 6, toegang tot de linkgegevens van hun DNA-analysebestanden, met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de DNA-profielen. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaten worden uitgeoefend. |
1. Ter opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, toegang tot de linkgegevens van hun DNA-analysebestanden, met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de DNA-profielen. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van de in hoofdstuk 6 vastgelegde voorschriften inzake gegevensbescherming en het nationale recht van de verzoekende lidstaten worden uitgeoefend. |
Amendement 26 Artikel 5 | |
|
Indien in het kader van de procedure, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt vastgesteld dat DNA-profielen overeenkomen, is het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat bepalend voor de verstrekking van nadere, met betrekking tot de linkgegevens beschikbare persoonsgegevens en overige informatie. |
Indien in het kader van de procedure, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt vastgesteld dat DNA-profielen overeenkomen, zijn het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat en de in hoofdstuk 6 vastgelegde voorschriften inzake gegevensbescherming bepalend voor de verstrekking van nadere, met betrekking tot de linkgegevens persoonsgegevens en overige informatie. |
Motivering | |
De verwijzing naar gegevensbescherming is met name relevant daar in hoofdstuk 6, als methode om regels vast te stellen die gelden in alle lidstaten en niet uitsluitend terug te vallen op de nationale wetgeving van iedere lidstaat, wordt bepaald welke persoonsgegevens toegankelijk zijn. | |
Amendement 27 Artikel 6 | |
|
Artikel 6 Nationaal contactpunt en uitvoeringsmaatregelen 1. Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht. |
schrappen |
|
2. De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de in de artikelen 3 en 4 beschreven procedures worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 34 geregeld. |
|
Motivering | |
Deze bepaling wordt verplaatst naar hoofdstuk 7 (uitvoerings- en slotbepalingen). | |
Amendement 28 Artikel 7, inleidende formule | |
|
Indien in het kader van een lopend opsporingsonderzoek of strafrechtelijke procedure geen DNA-profiel beschikbaar is van een bepaalde persoon die zich op het grondgebied van een aangezochte lidstaat bevindt, verleent de aangezochte lidstaat rechtshulp door het afnemen en onderzoeken van celmateriaal van deze persoon evenals door verstrekking van het verkregen DNA-profiel, indien: |
1. Indien in het kader van een lopend opsporingsonderzoek of strafrechtelijke procedure in verband met het begaan van strafbare feiten, geen DNA-profiel beschikbaar is van een bepaalde persoon die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben begaan en die zich op het grondgebied van een aangezochte lidstaat bevindt, verleent de aangezochte lidstaat rechtshulp door het afnemen en onderzoeken van celmateriaal van deze persoon evenals door verstrekking van het verkregen DNA-profiel, indien: |
Amendement 29 Artikel 7, lid 1 bis (nieuw) | |
|
|
1 bis. De verzameling van celmateriaal vindt uitsluitend plaats op basis van de nationale wetgeving en uitsluitend met een bepaald doel en zij dient te voldoen aan de eisen van noodzaak en evenredigheid. |
Motivering | |
Met nadruk dient te worden verklaard dat de hand wordt gehouden aan fundamentele beginselen en grondrechten, ingeval er celmateriaal wordt verzameld . | |
Amendement 30 Artikel 8 | |
|
Ter uitvoering van dit besluit zien de lidstaten erop toe dat linkgegevens uit het bestand van de ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten opgezette nationale geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen beschikbaar zijn. Linkgegevens omvatten uitsluitend dactyloscopische gegevens en een kenmerk. De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten waarmee de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde dactyloscopische gegevens) dienen als zodanig herkenbaar te zijn. |
Ter uitvoering van dit kaderbesluit zien de lidstaten erop toe dat linkgegevens uit het bestand van de ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten opgezette nationale geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen toegankelijk zijn. Linkgegevens omvatten uitsluitend dactyloscopische gegevens en een kenmerk. De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten waarmee de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde dactyloscopische gegevens) dienen als zodanig herkenbaar te zijn. |
Amendement 31 Artikel 9, lid 1 | |
|
1. Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in artikel 11, toegang tot de linkgegevens van de geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen die zij daartoe hebben opgezet, zulks met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de dactyloscopische gegevens. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaten worden uitgeoefend. |
1. Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in artikel 11, toegang tot de linkgegevens van de geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen die zij daartoe hebben opgezet, zulks met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de dactyloscopische gegevens. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van de in hoofdstuk 6 vastgelegde voorschriften inzake gegevensbescherming en het nationale recht van de verzoekende lidstaten worden uitgeoefend. |
Amendement 32 Artikel 10 | |
|
Indien in het kader van de procedure, als bedoeld in artikel 9, wordt vastgesteld dat dactyloscopische gegevens overeenkomen, is het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat bepalend voor de verstrekking van nadere, met betrekking tot de linkgegevens beschikbare persoonsgegevens en overige informatie. |
Indien in het kader van de procedure, als bedoeld in artikel 9, wordt vastgesteld dat dactyloscopische gegevens overeenkomen, zijn de in hoofdstuk 6 vastgelegde voorschriften inzake gegevensbescherming en het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat bepalend voor de verstrekking van nadere persoonsgegevens met betrekking tot de linkgegevens en overige informatie. |
Motivering | |
De verwijzing naar gegevensbescherming is met name relevant daar in hoofdstuk 6 (indien dit gewijzigd wordt), als methode om regels vast te stellen die gelden in alle lidstaten en niet uitsluitend terug te vallen op de nationale wetgeving van iedere lidstaat, wordt bepaald welke persoonsgegevens toegankelijk zijn. | |
Amendement 33 Artikel 11 | |
|
Artikel 11 Nationaal contactpunt en uitvoeringsmaatregelen 1. Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel 9, benoemt elke lidstaat een nationaal contactpunt. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht. |
schrappen |
|
2. De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de in artikel 9 beschreven procedure worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 34 geregeld. |
|
Motivering | |
Deze bepaling wordt verplaatst naar hoofdstuk 7 (uitvoerings- en slotbepalingen). | |
Amendement 34 Artikel 12, lid 1 | |
|
1. Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten alsmede ter afhandeling van overtredingen die in de bevragende lidstaat tot de bevoegdheid van de rechtbanken of het Openbaar Ministerie behoren, en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid, verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in het tweede lid, toegang tot de volgende gegevens uit de nationale kentekenregisters, zulks met het recht deze in individuele gevallen geautomatiseerd te bevragen: |
1. Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten alsmede ter afhandeling van overtredingen die in de verzoekende lidstaat tot de bevoegdheid van de rechtbanken of het Openbaar Ministerie behoren, verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in het tweede lid, toegang tot de volgende gegevens uit de nationale kentekenregisters, zulks met het recht deze in individuele gevallen geautomatiseerd te bevragen: |
|
1) gegevens met betrekking tot de eigenaars of houders; en |
1) gegevens met betrekking tot de eigenaars of houders; en |
|
2) gegevens met betrekking tot voertuigen. |
2) gegevens met betrekking tot voertuigen. |
|
De bevraging mag uitsluitend met gebruikmaking van een volledig chassisnummer of een volledig kenteken worden gedaan. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaat worden uitgeoefend. |
De bevraging mag uitsluitend met gebruikmaking van een volledig chassisnummer of een volledig kenteken worden gedaan. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend met inachtneming van de in hoofdstuk 6 vastgelegde voorschriften inzake gegevensbescherming en het nationale recht van de verzoekende lidstaat worden uitgeoefend. |
Motivering | |
"Openbare orde en veiligheid" wordt geschrapt als motief voor automatische bevraging van gegevens in de voertuigenregistratie omdat de concepten (indien zij geen verband houden met een specifieke gebeurtenis) vaag zijn en omdat de desbetreffende problemen inzake openbare orde en veiligheid reeds gedekt zijn doordat strafbare feiten en andere misdrijven moeten worden onderzocht (met name als zij bestuursrechtelijk van aard zijn). | |
Amendement 35 Artikel 12, lid 2 | |
|
2. Ter uitvoering van de gegevensuitwisseling, bedoeld in het eerste lid, benoemt elke lidstaat een nationaal contactpunt voor inkomende verzoeken. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht. De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de procedure worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 35 geregeld. |
schrappen |
Motivering | |
Deze bepaling wordt verplaatst naar hoofdstuk 7 (uitvoerings- en slotbepalingen). | |
Amendement 36 Artikel 14, lid 1 | |
|
1. Ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid in samenhang met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder sportmanifestaties of bijeenkomsten van de Europese Raad, verstrekken de lidstaten elkaar zowel op verzoek als op eigen initiatief persoonsgegevens, indien definitieve veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de desbetreffende personen tijdens het evenement strafbare feiten zullen plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormen, voor zover de verstrekking van deze gegevens overeenkomstig het nationale recht van de verstrekkende lidstaat is toegestaan. |
1. Ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid in samenhang met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder sportmanifestaties of bijeenkomsten van de Europese Raad, verstrekken de lidstaten elkaar zowel op verzoek als op eigen initiatief persoonsgegevens, indien definitieve veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de desbetreffende personen tijdens het evenement strafbare feiten zullen plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormen, voor zover de verstrekking van deze gegevens overeenkomstig het nationale recht van de verstrekkende lidstaat is toegestaan en indien dit noodzakelijk en evenredig is in een democratische samenleving, voor een bepaald doel en geval per geval. |
Amendement 37 Artikel 15 | |
|
Artikel 15 Nationaal contactpunt Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, bedoeld in de artikelen 13 en 14, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht. |
schrappen |
Motivering | |
Deze bepaling wordt verplaatst naar hoofdstuk 7 (uitvoerings- en slotbepalingen). | |
Amendement 38 Artikel 16, lid 1 | |
|
1. Ter voorkoming van terroristische misdrijven kunnen lidstaten aan de nationale contactpunten van andere lidstaten, bedoeld in het derde lid, met inachtneming van het nationale recht, in individuele gevallen, ook zonder verzoek de in het tweede lid genoemde persoonsgegevens en informatie verstrekken, voor zover zulks noodzakelijk is omdat bepaalde feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de betrokkenen strafbare feiten zullen plegen als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding. |
1. Ter voorkoming van terroristische misdrijven kunnen lidstaten aan de nationale contactpunten van andere lidstaten, met inachtneming van het nationale recht, fundamentele rechtsbeginselen en grondrechten, in individuele gevallen, ook zonder verzoek de in het tweede lid genoemde persoonsgegevens en informatie verstrekken, voor zover zulks noodzakelijk is omdat bepaalde feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de betrokkenen terroristische strafbare feiten zullen plegen. |
Motivering | |
De parameter voor het verstrekken van gegevens moeten zijn de internationale en EU-wetgeving, en niet uitsluitend de nationale wetgeving. | |
Amendement 39 Artikel 16, lid 2 | |
|
2. De te verstrekken gegevens en informatie omvatten namen, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats alsmede de beschrijving van de omstandigheden die aanleiding geven tot het vermoeden, bedoeld in het eerste lid. |
2. De te verstrekken gegevens en informatie omvatten uitsluitend persoonsgegevens alsmede de beschrijving van de omstandigheden die aanleiding geven tot het vermoeden, bedoeld in het eerste lid. |
Motivering | |
In artikel 1 bis (zoals gewijzigd) wordt een betere definitie voorgesteld van persoonsgegevens die mogen worden verstrekt. | |
Amendement 40 Artikel 16, lid 3 | |
|
3. Elke lidstaat benoemt een nationaal contactpunt dat is belast met de gegevensuitwisseling met de nationale contactpunten van de andere lidstaat. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht. |
schrappen |
Motivering | |
Deze bepaling wordt verplaatst naar hoofdstuk 7 (uitvoerings- en slotbepalingen). | |
Amendement 41 Artikel 16, lid 4 bis (nieuw) | |
|
|
4 bis. Ongeacht deze voorwaarden mogen persoonsgegevens uitsluitend worden verwerkt voor de in lid 1 genoemde doelen. De verstrekte gegevens worden onverwijld vernietigd zodra de in lid 1 genoemde doelen zijn bereikt of niet meer kunnen worden bereikt, en in ieder geval niet later dan twee jaar na de datum van verstrekking. |
Motivering | |
Gezien de bijzondere noodzaak personen te beschermen tegen het verstrekken van gegevens overeenkomstig dit artikel, is met betrekking tot het bewaren en vernietigen van gegevens een soortgelijke beperkende regel noodzakelijk als is vastgelegd voor belangrijke gebeurtenissen. | |
Amendement 42 Artikel 17, lid 2 | |
|
2. Elke lidstaat kan als gastlidstaat, met inachtneming van zijn nationale recht, ambtenaren van andere lidstaten met toestemming van de zendlidstaat in het kader van een gezamenlijk optreden uitvoerende bevoegdheden toekennen of, voor zover zulks naar het recht van de gastlidstaat is toegestaan, ambtenaren van andere lidstaten toestaan hun uitvoerende bevoegdheden overeenkomstig het recht van de zendlidstaat uit te oefenen. Deze uitvoerende bevoegdheden mogen hierbij uitsluitend onder leiding en in beginsel in aanwezigheid van ambtenaren van de gastlidstaat worden uitgeoefend. De ambtenaren van de andere lidstaten zijn hierbij aan het nationale recht van de gastlidstaat gebonden. Hun handelen valt onder de verantwoordelijkheid van de gastlidstaat. |
2. De ambtenaren van de zendlidstaten zijn hierbij aan het nationale recht van de gastlidstaat gebonden. Elke lidstaat kan als gastlidstaat, met inachtneming van zijn nationale recht, ambtenaren van andere lidstaten met toestemming van de zendlidstaat in het kader van een gezamenlijk optreden uitvoerende bevoegdheden toekennen. Deze uitvoerende bevoegdheden mogen hierbij uitsluitend op last en in het algemeen in aanwezigheid van ambtenaren van de gastlidstaat worden uitgeoefend. |
Motivering | |
Een heldere definitie van de wetgeving die geldt bij gezamenlijke acties is van wezenlijke betekenis voor het bereiken van resultaten. De bepalingen over de uitvoerende bevoegdheden die worden verleend aan ambtenaren van de zendlidstaten zijn niet duidelijk genoeg. Voorts moet de mogelijkheid worden beperkt dat uitvoerende bevoegdheden worden gebruikt zonder dat er ambtenaren van de gastlidstaat aanwezig zijn. | |
Amendement 43 Artikel 17 bis (nieuw) | |
|
|
Artikel 17 bis Maatregelen in geval van direct gevaar |
|
|
1) Ambtenaren van een lidstaat mogen, ingeval dat dringend noodzakelijk is, zonder voorafgaande toestemming van de andere lidstaat de gemeenschappelijke grens overschrijden om in een dicht bij de grens gelegen deel van het soevereiniteitsgebied van de andere lidstaat met inachtneming van het interne recht van de betrokken staat, voorlopige maatregelen nemen, die noodzakelijk zijn voor het afweren van een direct gevaar voor lijf en leden. |
|
|
2) Een dringende noodzaak in de zin van lid 1 doet zich voor wanneer er bij het afwachten van een optreden van een beambte van de lidstaat op welks grondgebied het feit zich voordoet of van het moment dat er een detacheringsrelatie in de zin van artikel 17, lid 2 tot stand is gebracht een reëel gevaar zou dreigen. |
|
|
3) De optredende beambte moet de lidstaat op welks grond gebied de feiten zich voordoen onverwijld hiervan in kennis stellen. Deze lidstaat bevestigt de inkennisstelling en treft onverwijld de maatregelen die noodzakelijk zijn om het gevaar af te weren en de situatie in eigen hand te nemen. De optredende beambten zijn gebonden aan de instructies van de lidstaat op welks grondgebied zij optreden. |
|
|
4) De lidstaten regelen in een afzonderlijke overeenkomst de vraag welke instanties overeenkomstig lid 3 onmiddellijk moeten worden geïnformeerd. De optredende beambten zijn gebonden aan de bepalingen van dit artikel en aan het recht van de lidstaat op wiens grondgebied zij optreden. |
|
|
5) De maatregelen genomen door de optredende beambten worden geacht te zijn verricht door de lidstaat op wiens grondgebied het feit zich heeft voorgedaan. |
Motivering | |
Dit amendement volgt de formulering van artikel 25 van het Verdrag van Prüm. Bepalingen over maatregelen in geval van direct gevaar moeten ook zijn opgenomen in het haderbesluit van de Raad, om een efficiëntere samenwerking op politieel gebied te waarborgen in de grensgebieden | |
Amendement 44 Artikel 18 bis (nieuw) | |
|
|
Artikel 18 bis Samenwerking op verzoek 1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten bieden elkaar op verzoek bijstand in het kader van hun bevoegdheden en met inachtneming van hun binnenlands recht. |
|
|
2. Overeenkomstig artikel 39, lid 1, eerste zin van de overeenkomst van 19 juni 1990 betreffende de uitvoering van de Overeenkomst van Schengen van 14 juni 1985 inzake de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, bieden de bevoegde autoriteiten elkaar bijstand, met name door: |
|
|
(1) Het vaststellen van de eigenaars of gebruikers en de controle van rijbewijzen, en vaar- en vliegvergunningen bij voertuigen over de weg, te water of in de lucht, voorzover dit niet al geregeld is door artikel 12, |
|
|
(2) Informatie over rijbewijzen, vaarbewijzen en vergelijkbare vergunningen. |
|
|
(3) Controles van verblijf- en woonplaats |
|
|
(4) Controles van verblijfsvergunningen |
|
|
(5) Controles van houders van telefoonaansluitingen en houders van andere telecommunicatieapparatuur voor zover die openbaar toegankelijk is, |
|
|
(6) identiteitscontroles, |
|
|
(7) onderzoeken naar de herkomst van zaken, bij voorbeeld wapens, motorvoertuigen en watervoertuigen (onderzoek van kopers en -verkopers), |
|
|
(8) resultaten uit datacollecties van politieorganen en politiedossiers, alsook informatie uit openbaar toegankelijke databanken van de overheid, |
|
|
(9) onmiddellijke meldingen van wapens en explosieven en meldingen van vervalsing van geld en waardepapieren, |
|
|
(10) informatie voor de praktische uitvoering van observatiemaatregelen, grensoverschrijdende achtervolgingen en gecontroleerde leveringen, |
|
|
(11) Onderzoek naar de bereidheid van een informant tot het afleggen van een getuigenis. |
|
|
3. Indien de instantie tot wie een verzoek gericht is niet terzake bevoegd is, geeft zij het verzoek door aan de bevoegde instantie. De instantie tot wie het verzoek gericht is stelt de verzoekende instantie in kennis van de doorverwijzing en van de instantie die bevoegd is om gevolg te geven aan het verzoek. De bevoegde instantie geeft gevolg aan het verzoek en stelt de verzoekende instantie in kennis van het resultaat. |
Motivering | |
Dit amendement volgt de formulering van artikel 25 van het Verdrag van Prüm. Bpalingen over maatregelen in geval van direct gevaar moeten ook zijn opgenomen in het kaderbesluit van de Raad, om een efficiëntere samenwerking op politieel gebied te waarborgen in de gransgebieden. | |
Amendement 45 Artikel 19, lid 1 | |
|
1. Ambtenaren van een lidstaat die zich in het kader van een gezamenlijk optreden op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, kunnen ter plaatse hun nationale dienstkleding dragen. Zij kunnen daar hun naar het nationale recht van de zendlidstaat toegestane bewapening, munitie en uitrusting meedragen. Elke gastlidstaat kan het meevoeren van bepaalde bewapening, munitie en uitrusting door ambtenaren van de zendlidstaat verbieden. |
1. Ambtenaren van een zendlidstaat kunnen hun naar het nationale recht van de zendlidstaat toegestane dienstwapens, munitie en uitrusting meedragen. Elke gastlidstaat kan het meevoeren van bepaalde dienstwapens, munitie en uitrusting door ambtenaren van de zendlidstaat verbieden, mits hetzelfde verbod overeenkomstig haar eigen voor haar eigen ambtenaren. |
Motivering | |
Het geschrapte deel is verplaatst naar lid 2 bis (nieuw) van dit artikel. De bepalingen inzake het dragen van dienstwapens die gelden voor ambtenaren van zendlidstaten moeten worden afgestemd op die welke gelden voor ambtenaren van de gastlidstaat. | |
Amendement 46 Artikel 19, lid 2 bis (nieuw) | |
|
|
Ambtenaren van een lidstaat die zich in het kader van een gezamenlijk optreden op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, dragen hun nationale dienstkleding. Iedereen die aan het gezamenlijke optreden deelneemt, moet een herkenningsteken dragen. De gastlidstaat moet aan de ambtenaren uit de zendlidstaat een accrediteringsdocument verstrekken met de naam, de rang en een gedigitaliseerde foto van de ambtenaar. |
Motivering | |
Deze voorschriften die geënt zijn op het compromis inzake de "snelle-grensinterventieteams", zijn van betekenis om een gezamenlijk optreden te kunnen herkennen, daar dit veel meer is dan de som van zijn bestanddelen. | |
Amendement 47 Artikel 24, lid 1 | |
|
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: |
schrappen |
|
1) "Verwerking van persoonsgegevens": elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedures, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken of wijzigen, selecteren, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens. Als verwerking in de zin van dit besluit geldt ook de mededeling of er al dan niet een hit gevonden is. |
|
|
2) “Geautomatiseerde bevraging”: de directe toegang tot een geautomatiseerd bestand van een andere instantie, en wel op zodanige wijze dat de bevraging volledig geautomatiseerd wordt beantwoord. |
|
|
3) "Kenmerken": het markeren van opgeslagen persoonsgegevens, zonder dat daarmee het doel wordt nagestreefd om hun toekomstige verwerking te beperken. |
|
|
4) "Afscherming": het markeren van opgeslagen persoonsgegevens met het doel hun toekomstige verwerking te beperken. |
|
Motivering | |
De definities staan thans in Hoofdstuk 1. | |
Amendement 48 Artikel 24, lid 2 | |
|
2. Voor gegevens die uit hoofde van dit besluit worden of zijn verstrekt gelden de volgende bepalingen, tenzij in de voorafgaande hoofdstukken anderszins is bepaald. |
2. De volgende bepalingen zijn van toepassing op de verzameling en verwerking van DNA-materiaal en vingerafdrukken in een lidstaat en de verstrekking van verdere persoonsgegevens binnen de reikwijdte van dit kaderbesluit. Voor gegevens die uit hoofde van dit kaderbesluit worden of zijn verstrekt gelden de volgende bepalingen eveneens. |
Motivering | |
Duidelijker en beter aansluitend op het voorstel van de EDPS. | |
Amendement 49 Artikel 25, lid 1 bis (nieuw) | |
|
|
1 bis. De lidstaten houden rekening met de verschillende categorieën van persoonsgegevens en de doeleinden waarvoor deze werden verzameld, om te kunnen vaststellen voor welke termijnen zij kunnen worden opgeslagen en onder welke voorwaarden zij kunnen worden verzameld, verwerkt en overgedragen. Persoonsgegevens die personen betreffen welke niet ervan verdacht worden een strafbaar feit te hebben gepleegd of daarbij betrokken te zijn geweest en niet voor een overtreding veroordeeld zijn, worden slechts verwerkt voor de doeleinden waarvoor zij werden verzameld en voor beperkte tijd opgeslagen. De lidstaten stellen passende beperkingen op aan de toegang tot dergelijke data en de overdracht ervan. |
Motivering | |
De bepalingen voor databescherming moeten zijn afgestemd op de mate waarin personen betrokken zijn bij strafbare feiten (zulks overeenkomstig AM 14 van de door het EP goedgekeurde tekst van 14 juni 2006 betreffende het voorstel van de Commissie voor een kaderbesluit inzake de bescherming van persoonsgegevens in het kader van de politiële en gerechtelijke samenwerking in strafzaken). | |
Amendement 50 Artikel 25, lid 3 | |
|
3. Lid 2 is niet van toepassing op de lidstaten waar met de in dit besluit voorziene verstrekking van persoonsgegevens reeds is begonnen op grond van het Verdrag van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie (Verdrag van Prüm). |
schrappen |
Motivering | |
Deze uitzonderingsregeling is overbodig daar slechts een eenstemmig besluit van de Raad vereist is waarbij gecontroleerd wordt of aan de voorwaarden is voldaan. | |
Amendement 51 Artikel 25, lid 3 bis (nieuw) | |
|
|
3 bis. Gegevens die overeenkomstig dit kaderbesluit worden verwerkt, worden niet overgedragen aan of toegankelijk gemaakt voor derde landen of internationale organisaties. |
Amendement 52 Artikel 26, lid 1 | |
|
1. De ontvangende lidstaat mag de persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de doeleinden waarvoor deze op grond van dit besluit zijn verstrekt; Verwerking voor andere doeleinden is alleen toegestaan na voorafgaande toestemming van de lidstaat die het dossier beheert en mag uitsluitend beheerd worden door het nationale recht van de ontvangende lidstaat. De toestemming mag worden verleend voor zover op grond van het nationale recht van de lidstaat die het bestand beheert deze verwerking voor zulke andere doeleinden is toegestaan. |
1. De ontvangende lidstaat mag de persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de doeleinden waarvoor deze op grond van dit besluit zijn verstrekt. Een verwerking voor andere doeleinden is, alleen toegestaan na voorafgaande toestemming van de lidstaat die het dossier beheert en mag uitsluitend beheerd worden door het nationale recht van de ontvangende lidstaat. De toestemming mag worden verleend voor zover op grond van het nationale recht van de lidstaat die het bestand beheert deze verwerking voor zulke andere doeleinden is toegestaan en alleen voor elk geval afzonderlijk. |
Amendement 53 Artikel 27 | |
|
De verstrekte persoonsgegevens mogen uitsluitend door de autoriteiten, instanties en rechtbanken worden verwerkt die bevoegd zijn voor een taak in het kader van de in artikel 26 genoemde doeleinden. In het bijzonder vindt de doorzending van de verstrekte gegevens aan andere instanties alleen plaats na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat en met inachtneming van het recht van de ontvangende lidstaat. |
De verstrekte persoonsgegevens mogen uitsluitend door de autoriteiten, instanties en rechtbanken worden verwerkt die bevoegd zijn voor een taak in het kader van de in artikel 26 genoemde doeleinden. In het bijzonder vindt de doorzending van de verstrekte gegevens aan andere instanties alleen plaats na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat, die voor elk geval afzonderlijk wordt verleend, en met inachtneming van het recht van de ontvangende lidstaat. |
Amendement 54 Artikel 28, lid 2 bis (nieuw) | |
|
|
2 bis. Bijzondere categorieën gegevens betreffende ras of etnische herkomst, politieke meningen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen, lidmaatschap van partijen of vakbonden, seksuele geaardheid of gezondheid mogen uitsluitend worden verwerkt indien dit absoluut noodzakelijk en evenredig is met het oog op een bepaalde zaak en indien specifieke waarborgen worden geboden. |
Motivering | |
Het bestand aan persoonsgegevens mag uitsluitend individuele gegevens bevatten. Alle andere gegevens moeten door de instanties van de verzoekende lidstaat specifiek worden opgevraagd en zij moeten noodzakelijk zijn. | |
Amendement 55 Artikel 28, lid 3, punt 2 | |
|
2) na afloop van een in het nationale recht van de verstrekkende lidstaat voorziene maximale termijn voor het bewaren van de gegevens, als de verstrekkende instantie de ontvangende instantie bij de verstrekking op deze termijn heeft gewezen. |
2) na afloop van de maximale termijn van twee jaar, met uitzondering van de in de artikelen 14 en 16 bepaalde gevallen. |
Motivering | |
Ter voorkoming van verschillen in de bescherming van persoonsgegevens moet de bewaarperiode worden geharmoniseerd. | |
Amendement 56 Artikel 29, lid 2, punt 1 | |
|
1) aan de huidige stand van de techniek aangepaste maatregelen ter waarborging van de bescherming en de beveiliging van gegevens worden getroffen, die in het bijzonder de vertrouwelijkheid en de integriteit van de gegevens waarborgen; |
1) optimale maatregelen ter waarborging van de bescherming en de beveiliging van gegevens worden getroffen, die in het bijzonder de vertrouwelijkheid en de integriteit van de gegevens waarborgen; |
Motivering | |
In de sector bescherming van gegevens moeten de normen van optimale technieken worden toegepast (en niet uitsluitend het gebruik van de gebruikelijke instrumenten). | |
Amendement 57 Artikel 30, lid 2, inleidende formule | |
|
2. Voor de geautomatiseerde bevraging van gegevens op grond van de artikelen 3, 9 en 12 of geautomatiseerde vergelijking uit hoofde van artikel 4 geldt het volgende: |
schrappen |
Motivering | |
Voorschriften inzake optekening en registratie moeten algemeen kunnen worden toegepast op alle soorten gegevensverstrekking (geautomatiseerd en niet-geautomatiseerd) en op alle soorten redenen om te verzoeken om verstrekking van gegevens (met inbegrip van belangrijke gebeurtenissen en voorkoming van terroristische misdrijven). | |
Amendement 58 Artikel 30, lid 4 | |
|
4. De geprotocolleerde gegevens worden door passende voorzieningen tegen oneigenlijk gebruik en andere vormen van misbruik beschermd en twee jaar bewaard. Na afloop van de bewaringstermijn worden de geprotocolleerde gegevens onverwijld gewist. |
4. De geprotocolleerde gegevens worden door passende voorzieningen tegen oneigenlijk gebruik en andere vormen van misbruik beschermd en drie jaar bewaard. Na afloop van de bewaringstermijn worden de geprotocolleerde gegevens onverwijld gewist. |
Amendement 59 Artikel 31, lid 1 | |
|
1. Aan de betrokkene dient met inachtneming van het nationale recht, na overlegging van bewijs van zijn identiteit, op verzoek van de op grond van het nationaal recht bevoegde instantie, zonder onredelijke kosten, in algemeen begrijpelijke vorm en zonder onaanvaardbare vertraging informatie te worden verstrekt over de met betrekking tot zijn persoon verwerkte gegevens alsmede over de herkomst daarvan, de ontvanger of ontvangercategorieën, het beoogde doel van de verwerking en de rechtsgrond voor de verwerking. Bovendien heeft de betrokkene recht op correctie van onjuiste gegevens en op het wissen van onrechtmatig verwerkte gegevens. |
1. Aan de betrokkene dient met inachtneming van het nationale recht, zonder onredelijke kosten, in algemeen begrijpelijke vorm en zonder onaanvaardbare vertraging informatie te worden verstrekt over de verzamelde gegevens, de verstrekking van gegevens aan andere lidstaten en het verlenen van machtigingen betreffende deze gegevens, over de met betrekking tot zijn persoon verwerkte gegevens alsmede over de herkomst daarvan, de ontvanger of ontvangercategorieën, het beoogde doel van de verwerking en de rechtsgrond voor de verwerking. Bovendien heeft de betrokkene recht op correctie van onjuiste gegevens en op het wissen van onrechtmatig verwerkte gegevens en moet de betrokkene over dit recht worden geïnformeerd. |
|
De lidstaten dragen er bovendien zorg voor dat de betrokkene in geval van inbreuk op zijn rechten met betrekking tot gegevensbescherming klacht kan indienen bij een onafhankelijke rechtbank of een tribunaal in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europese Verdrag van de rechten van de mens of bij een onafhankelijke controle-instantie in de zin van artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en dat hij aanspraak op schadevergoeding kan maken of om een andere vorm van genoegdoening kan verzoeken. De nadere bijzonderheden met betrekking tot de procedure ter verwezenlijking van deze rechten en de redenen voor het beperken van het recht op toegang richten zich naar de desbetreffende nationale wettelijke voorschriften van de lidstaat waarin de betrokkene zijn rechten doet gelden. |
De lidstaten dragen er bovendien zorg voor dat de betrokkene in geval van inbreuk op zijn rechten met betrekking tot gegevensbescherming klacht kan indienen bij een onafhankelijke rechtbank of een tribunaal in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europese Verdrag van de rechten van de mens of bij een onafhankelijke controle-instantie in de zin van artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en dat hij aanspraak op schadevergoeding kan maken of om een andere vorm van genoegdoening kan verzoeken. De nadere bijzonderheden met betrekking tot de procedure ter verwezenlijking van deze rechten en de redenen voor het beperken van het recht op toegang richten zich naar de desbetreffende nationale wettelijke voorschriften van de lidstaat waarin de betrokkene zijn rechten doet gelden. |
Motivering | |
Betrokkenen dienen ervan op de hoogte te worden gesteld dat gegevens worden doorgegeven aan andere lidstaten. Dit sluit tevens aan op het advies van de EDPS. | |
Amendement 60 Artikel 32 bis (nieuw) | |
|
|
Artikel 32 bis |
|
|
De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de bepalingen van dit hoofdstuk volledig ten uitvoer worden gelegd en zij bepalen doelmatige, evenredige en afschrikkende strafmaatregelen die ingeval van inbreuk worden opgelegd, met name van de bepalingen ter waarborging van de vertrouwelijkheid en veiligheid van de verwerking van persoonsgegevens. |
Motivering | |
Daar een KB ontbreekt is een bepaling over strafmaatregelen wenselijk om overtreding van de regelgeving inzake gegevens te voorkomen of onmogelijk te maken. | |
Amendement 61 Artikel 32 ter (nieuw) | |
|
|
Artikel 32 ter |
|
|
1. Met het oog op de verstrekking van gegevens zoals bedoeld in de artikelen 3, 4, 9, 12, 14 en 16, wijst iedere lidstaat één of meer nationale contactpunten aan. |
|
|
2. De bevoegdheden van de nationale contactpunten worden bepaald door het hiervoor geldende nationale recht. Nationale contactpunten moeten op ieder moment beschikbaar zijn. |
|
|
3. De lijst van alle nationale contactpunten wordt door iedere lidstaat doorgegeven aan de andere lidstaten en wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. |
Amendement 62 Artikel 33, lid 2 | |
|
2. De conform lid 1 ingediende verklaringen kunnen te allen tijde worden gewijzigd door middel van een bij het secretariaat-generaal van de Raad ingediende verklaring. Het secretariaat-generaal van de Raad zendt de ontvangen verklaring door aan de lidstaten en de Commissie. |
2. De conform lid 1 ingediende verklaringen kunnen te allen tijde worden gewijzigd door middel van een bij het secretariaat-generaal van de Raad ingediende verklaring. Het secretariaat-generaal van de Raad zendt de ontvangen verklaring door aan de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie. |
Motivering | |
Het Europees Parlement moet bij de tenuitvoerlegging van dit kaderbesluit een grotere rol spelen. | |
Amendement 63 Artikel 33, lid 2 bis (nieuw) | |
|
|
2 bis. Verklaringen worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, met uitzondering van die welke worden bedoeld in artikel 19, lid 4. |
Motivering | |
Alle verklaringen, uitgezonderd die welke betrekking hebben op specifieke operationele plannen, moeten voor controle worden gepubliceerd. | |
Amendement 64 Artikel 34 | |
|
De Raad stelt conform de procedure van artikel 34, lid 2, onder c), tweede zin, van het VEU de maatregelen vast die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit op het niveau van de Unie. |
1. De Raad stelt slechts na raadpleging van het Europees Parlement uitvoeringsmaatregelen vast. |
|
|
2. De uitvoeringsmaatregelen worden ook toegezonden aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, die zijn advies hierover kan uitbrengen. |
Amendement 65
Artikel 35
|
Elke lidstaat draagt de operationele kosten die door zijn instanties bij de uitvoering van dit besluit zijn gemaakt. In bijzondere gevallen kunnen de betrokken lidstaten een afwijkende regeling overeenkomen. |
Elke lidstaat draagt de operationele kosten die door zijn instanties bij de uitvoering van dit kaderbesluit zijn gemaakt. De kosten voor het functioneren van TESTA II (Trans‑Europese telematicadiensten tussen overheidsdiensten) of een ander netwerk dat gebruikt wordt voor het uitwisselen van gegevens als bedoeld in hoofdstuk 2 van dit kaderbesluit, zijn echter ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie. |
|
Amendement 66 Artikel 36, lid 2 | |
|
2. Het staat de lidstaten vrij om bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die betrekking hebben op de werkingssfeer van dit besluit aan te gaan of in werking te doen treden nadat het besluit van kracht is geworden, voor zover deze overeenkomsten of regelingen de mogelijkheid bieden de doelstellingen van dit besluit tussen de lidstaten te verruimen of te verbreden. |
2. Het staat de lidstaten vrij om bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die betrekking hebben op de werkingssfeer van dit besluit aan te gaan of in werking te doen treden nadat het besluit van kracht is geworden, voor zover deze overeenkomsten of regelingen de mogelijkheid bieden de doelstellingen van dit kaderbesluit tussen de lidstaten te verruimen of te verbreden, met inbegrip van de doelstellingen inzake gegevensbescherming van dit kaderbesluit. |
Amendement 67 Artikel 36, lid 4 | |
|
4. Binnen [… jaar] na het van kracht worden van dit besluit stellen de lidstaten de Raad en de Commissie in kennis van de bestaande overeenkomsten of regelingen in de zin van lid 1 die zij willen blijven toepassen. |
4. Binnen [… jaar] na het van kracht worden van dit kaderbesluit stellen de lidstaten het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in kennis van de bestaande overeenkomsten of regelingen in de zin van lid 1 die zij willen blijven toepassen. |
Motivering | |
Ook het Europees Parlement moet betrokken worden bij verdere maatregelen die het kaderbesluit van de Raad betreffen. | |
Amendement 68 Artikel 36, lid 5 | |
|
5. De lidstaten stellen de Raad en de Commissie ook in kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling in de zin van lid 2, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan, dan wel, voor de instrumenten die reeds vóór de aanneming van dit besluit waren ondertekend, binnen drie maanden na de inwerkingtreding daarvan. |
5. De lidstaten stellen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie ook in kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling in de zin van lid 2, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan, dan wel, voor de instrumenten die reeds vóór de aanneming van dit kaderbesluit waren ondertekend, binnen drie maanden na de inwerkingtreding daarvan. |
Motivering | |
Ook het Europees Parlement moet betrokken worden bij verdere maatregelen die het kaderbesluit van de Raad betreffen. | |
Amendement 69 Artikel 37, lid 2 | |
|
2. De lidstaten delen het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie de tekst mede van de bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit besluit in hun nationaal recht omzetten. Bij deze mededeling kan iedere lidstaat laten weten dat hij dit besluit onmiddellijk zal toepassen in zijn betrekkingen met de lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben gedaan. |
2. De lidstaten delen het secretariaat-generaal van de Raad de tekst mede van de bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in hun nationaal recht omzetten. Bij deze mededeling kan iedere lidstaat laten weten dat hij dit kaderbesluit onmiddellijk zal toepassen in zijn betrekkingen met de lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben gedaan. Het secretariaat-generaal van de Raad stuurt de ontvangen kennisgevingen door aan de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie. |
Motivering | |
Coördinatie van artikel 37 met artikel 33. | |
Amendement 70 Artikel 37 bis (nieuw) | |
|
|
Artikel 37 bis |
|
|
1. De Raad voert iedere twee jaar een evaluatie uit van de administratieve, technische en financiële toepassing en tenuitvoerlegging van dit kaderbesluit. |
|
|
2. De uitvoeringsvoorwaarden van het geautomatiseerde bevragen en vergelijken van DNA en gegevens in verband met vingerafdrukken worden zes maanden na inwerkingtreding van dit kaderbesluit geëvalueerd. De eerste evaluatie van gegevens inzake de registratie van voertuigen vindt plaats drie maanden na die datum. |
|
|
3. Evaluatieverslagen worden doorgestuurd aan het Europees Parlement en de Commissie. |
ADVIESVAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGRONDSLAG
De heer Jean-Marie Cavada
Voorzitter
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
BRUSSEL
Betreft: Advies inzake de rechtsgrondslag van initiatief het met het oog op de aanneming van het besluit van de Raad inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (2007/0804(CNS))
Geachte heer Cavada,
Bij schrijven van 19 april 2007 hebt u, overeenkomstig artikel 35, lid 2 van het Reglement, de Commissie juridische zaken verzocht de geldigheid en juistheid van de rechtsgrondslag her voorgestelde besluit na te gaan.
De commissie behandelde dit punt op haar vergadering van 2 mei 2007.
De rechtsgrondslag is artikel 34, lid 2, sub c) van het EU-Verdrag. De rapporteur van de commissie ten principale, de heer Correia, meent echter dat het juister zou zijn om een kaderbesluit overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub b) in plaats van een besluit overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub c).
Het cruciale verschil, voor wat het Europees Parlement betreft, tussen besluiten overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub c en kaderbesluiten die overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub b worden goedgekeurd is dat het Europees Parlement wel wordt geraadpleegd overeenkomstig artikel 39 lid 1, van het EU-Verdrag over het besluit of kaderbesluit zelf, maar dat artikel 34, lid 2, sub c de Raad vervolgens de bevoegdheid geeft om met gekwalificeerde meerderheid zonder raadpleging van het Parlement uitvoeringsmaatregelen goed te keuren.
De desbetreffende bepalingen van het EU-Verdrag
Artikel 34
1. Op de in deze titel genoemde gebieden vindt tussen de lidstaten wederzijdse informatie en onderling overleg plaats in de Raad, teneinde hun optreden te coördineren. De lidstaten brengen te dien einde een samenwerking tussen hun bevoegde overheidsdiensten tot stand.
2. De Raad neemt maatregelen en bevordert samenwerking, in een passende vorm en volgens passende procedures zoals bepaald in deze titel, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Daartoe kan de Raad met eenparigheid van stemmen op initiatief van elke lidstaat of van de Commissie:
|
a) |
|
gemeenschappelijke standpunten aannemen waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid wordt omschreven;
|
|
|
b) |
|
kaderbesluiten aannemen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze kaderbesluiten zijn verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking;
|
|
|
c) |
|
besluiten aannemen voor elk ander doel dat met de doelstellingen van deze titel verenigbaar is, met uitsluiting van elke onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze besluiten zijn verbindend en hebben geen rechtstreekse werking; met gekwalificeerde meerderheid van stemmen neemt de Raad de maatregelen aan die nodig zijn om deze besluiten op het niveau van de Unie uit te voeren;
|
|
|
d) |
|
overeenkomsten vaststellen, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt. De lidstaten beginnen de toepasselijke procedures binnen een door de Raad te bepalen termijn. Tenzij in de overeenkomsten anders wordt bepaald, treden zij, zodra zij door ten minste de helft van de lidstaten zijn aangenomen, ten aanzien van deze lidstaten in werking. De maatregelen ter uitvoering van de overeenkomsten worden in de Raad aangenomen met een meerderheid van twee derde van de stemmen van de Verdragsluitende Partijen. |
|
Doel en inhoud van het initiatief voor een besluit van de Raad
Het voorgestelde besluit van Raad is bedoeld ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende misdaad door grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen en te intensiveren d.m.v. de uitwisseling van informatie tussen instanties die met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten zijn belast.
De gedachtegang achter dit rechtsinstrument kan worden afgeleid uit de preambule: Met het oog op effectieve internationale samenwerking is het van fundamenteel belang dat nauwkeurige informatie snel en efficiënt kan worden uitgewisseld. Doel is procedures te introduceren ter bevordering van middelen voor snelle, efficiënte en goedkope gegevensuitwisseling. Met het oog op het gezamenlijk gebruik van gegevens zal m.b.t. die procedures een verantwoordingsplicht gelden, en moeten de procedures de nodige waarborgen bieden wat betreft de juistheid en de beveiliging van de gegevens bij transmissie en opslag, en zullen er procedures zijn voor de registratie van uitgewisselde gegevens en beperkingen op het gebruik van die gegevens. Aan deze vereisten wordt voldaan door het Verdrag van Prüm van 27 mei 2005 tussen België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie. Opdat alle lidstaten kunnen voldoen aan de essentiële vereisten van het Haags programma en tevens het tijdschema daarvan gehaald kan worden, moeten de fundamentele onderdelen van het Verdrag van Prüm voor alle lidstaten van toepassing zijn. Dit besluit van de Raad is daarom gebaseerd op de voornaamste bepalingen van het Verdrag van Prüm.
Doel en inhoud van het document kunnen, aan de hand van de preambule, als volgt worden geanalyseerd:
De tweede overweging stelt dat een van de doelen van de Europese Unie is de burgers een hoog niveau van zekerheid te verschaffen in die ruimte van vrijheid, veiligheid en recht “door in de lidstaten gemeenschappelijke procedures op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken te ontwikkelen”.
De negende overweging wijst erop dat voor nauwkeurige informatie met het oog op “effectieve internationale samenwerking” procedures in de lidstaten nodig zijn “ter bevordering van middelen voor snelle, efficiënte en goedkope gegevensuitwisseling”.
De preambule verklaart voorts de noodzaak van een "hit/no hit" systeem opdat bevragende lidstaten toegang hebben tot gegevens uit de nationale DNA-analysebestanden en geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen van andere lidstaten. Lidstaten moeten het recht van toegang hebben tot elkaars DNA-analysebestanden. Dit alles moet worden bereikt door het opzetten van een netwerk van nationale databestanden.
Verder is het de bedoeling dat dit een nauwe samenwerking tussen politie-autoriteiten mogelijk maakt waaronder gezamenlijk veiligheidsoptreden en grensoverschrijdende interventie.
De preambule noemt voorts het garanderen van het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens. Aangezien bij grensoverschrijdende toegang tot gegevens geen voorafgaande controles op dit punt mogelijk zijn, dient er controle achteraf plaats te vinden. Overweging 18 maakt het duidelijk dat de lidstaten zorg dragen voor de “efficiënte uitvoering van alle in dit besluit vervatte gegevensbeschermingsregels”.
Hoofdstuk 2 betreft on-line toegang en verzoeken om nadere gegevens, en bevat voorschriften betreffende DNA-profielen en dactyloscopische gegevens en gegevens over kentekenregistratie. Alle secties verwijzen naar "nationale contactpunten" die bevoegd zijn voor het verstrekken competent van gegevens en die vallen onder het “hiervoor geldende nationale recht” (artikel 6, artikel 11 en artikel 12).
Hoofdstuk 3 over “grootschalige evenementen” maakt het duidelijk dat het verstrekken van andere dan persoonsgegevens “overeenkomstig het nationale recht van de verstrekkende lidstaat” moet zijn toegestaan (artikel 13).
Hoofdstuk 4 verwijst naar het verstrekken van informatie ter voorkoming van terroristische misdrijven en stelt dat de informatieverstrekkende lidstaat de voorwaarden vaststelt voor het gebruik dat de ontvangende lidstaat van de gegevens maakt – die daaraan gehouden is “met inachtneming van het nationale recht” (artikel 16).
Hoofdstuk 5 betreft overige vormen van samenwerking, zoals gezamenlijke vormen van optreden, waarvoor dient te worden verwezen naar hetgeen “naar het recht van de lidstaat is toegestaan” en, voor wat betreft de burgerlijke aansprakelijkheid, naar “het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij optreden”(artikel 17 en artikel 21).
Hoofdstuk 6 bevat de algemene bepalingen inzake gegevensbescherming en maakt duidelijk dat alle lidstaten "in hun nationale recht” een mate van bescherming moeten garanderen die ten minste gelijk is aan die welke voortvloeit uit het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen (artikel 25 en artikel 27).
Het probleem
De brief van de voorzitter van de commissie ten principale stelt:
‘Het initiatief beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Onder de omstandigheden meent de rapporteur dat een kaderbesluit overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub b juister zou zijn dan een besluit overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub c.’
Het is derhalve de vraag of het voorgestelde instrument wel is bestemd voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten, en zo ja dan moet het instrument de vorm krijgen van een kaderbesluit in de zin van artikel 34, lid 2, sub b en niet van een besluit overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub c, omdat die bepaling uitdrukkelijk elke onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten uitsluit.
Algemene overwegingen inzake de rechtsgrondslag vanuit de jurisprudentie gezien
Alle communautaire maatregelen moeten zijn gebaseerd op een in het Verdrag vastgelegde rechtsgrondslag (of op een wettelijk besluit dat zij moeten uitvoeren). De rechtsgrondslag omschrijft de bevoegdheid ratione materiae van de Commissie en geeft aan hoe deze bevoegdheid dient te worden uitgeoefend, namelijk via eventueel te gebruiken wetgevingsinstrument(en) alsmede de besluitvormingsprocedure.
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat de communautaire wetgever niet vrij is in de keuze van de rechtsgrondslag, maar dat deze moet worden vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die aan rechterlijke toetsing kunnen worden onderworden[1], zoals het doel en de inhoud van de desbetreffende maatregel[2]. Bovendien moet hierbij het hoofddoel van de maatregel de doorslag geven[3].
Beoordeling
Twee opmerkingen vooraf zijn terecht, hoewel de eerste niet rechtstreeks betrekking heeft op de juistheid van de door de Raad gekozen rechtsgrondslag maar toch verdient te worden gemaakt.
Tijdens de Top van Edinburg besloten de lidstaten dat het proportionaliteitsbeginsel vastgelegd in artikel 3 B (derde lid) van het EG-Verdrag (thans artikel 5) moet inhouden dat steeds wanneer wetgevende maatregelen van de Gemeenschap nodig zijn, de voorkeur moet worden gegeven aan richtlijnen boven verordeningen en aan kaderrichtlijnen boven gedetailleerde maatregelen. Ditzelfde standpunt werd later ondersteund in het protocol betreffende subsidiariteit en proportionaliteit bij het Verdrag van Amsterdam en in het Witboek betreffende Europese Governance[4].
Ten tweede, en deze opmerking is zeer relevant voor de vraag omtrent de juistheid van de gekozen rechtsgrondslag, heeft het Hof van Justitie in zijn vonnis van 16 juni 2005 in de Zaak C-105/03 Pupino zeer duidelijk gemaakt dat “de formulering van artikel 34, lid 2, sub b, EU zeer nauw aansluit bij die van artikel 249, derde alinea, EG. Artikel 34, lid 2, sub b, EU kent aan kaderbesluiten een dwingend karakter toe, in die zin dat zij ‘verbindend’ zijn voor de lidstaten ‘ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties [...] de bevoegdheid [laten] vorm en middelen te kiezen’” (par. 33). Dientengevolge staat een kaderbesluit gelijk met een richtlijn onder de eerste pijler, maar zonder rechtstreekse werking.
Aangezien "besluiten" in de zin van artikel 34, lid 2, sub c uitdrukkelijke elke onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uitsluiten, spreekt het vanzelf dat als het onderhavige initiatief een dergelijke onderlinge aanpassing inhoudt, het de vorm moet krijgen van een kaderbesluit overeenkomstig artikel 34, lid 2, sub b.
In dit verband zij erop gewezen dat Advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer, in zijn advies van 12 september 2006 in Zaak C-303/05 Advocaten voor de Wereld v. Leden van de Ministerraad, van oordeel was dat het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel een harmoniserende bepaling was om reden dat “Arrestatiebevelen vast geworteld [zijn] in het strafprocesrecht van de lidstaten en het kaderbesluit daaraan in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden grensoverschrijdende werking [toekent], waarvoor overeenstemming tussen de stelsels van de lidstaten is vereist” (par. 49). Hij merkte op (in par. 55): "De overige bronnen – kaderbesluiten, besluiten en overeenkomsten – zijn geëigend voor maatregelen die in nationaal recht moeten worden omgezet. Besluiten als bedoeld in artikel 34, lid 2, sub c, EU komen in dit geval evenwel niet in aanmerking, omdat zij geen enkele harmoniserende werking hebben, die voor het functioneren van het Europees aanhoudingsbevel onontbeerlijk is.”
Op dezelfde wijze gaat het onderhavige initiatief uit van bestaande mechanismen - procedures voor toegang tot geautomatiseerde DNA-bestanden, geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen en kentekenregistratiegegevens – en kent er, onder bepaalde omstandigheden en onder gespecificeerde voorwaarden, grensoverschrijdende werking aan toe, hetgeen, zo blijkt overduidelijk uit een analyse van de tekst, onderlinge aanpassing van de desbetreffende nationale regelgeving vereist. De tekst die momenteel door de Raad wordt bestudeerd, bevat bovendien een uitgebreid hoofdstuk over gegevensbescherming, hetgeen ook als onderlinge aanpassing van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen kan worden beschouwd.
Daarom is de Commissie juridische zaken van mening dat het initiatief het met het oog op de aanneming van het besluit van de Raad inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit de vorm moet krijgen van een kaderbesluit en moet worden gebaseerd op artikel 34, lid 2, sub b van het EU-Verdrag en niet de vorm van een besluit op basis van artikel 34, lid 2, sub c.
Op haar vergadering van 2 mei 2007 besloot de Commissie juridische zaken met algemene stemmen[5] u aan te bevelen het onderhavige initiatief het met het oog op de aanneming van het besluit van de Raad inzake de intensivering van de grens¬overschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (2007/0804 (CNS)) te baseren op artikel 34, lid 2, sub b van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Hoogachtend,
Giuseppe Gargani
- [1] Zaak 45/86, Commissie v. Raad [1987] EHvJ 1439, par. 5.
- [2] Zaak C-300/89, Commissie v. Raad [1991] EHvJ I-287, par. 10, en Zaak C-42/97, Europees Parlement v. Raad [1999] EHvJ I-869, par. 36.
- [3] Zaak C-377/98, Nederland v. Europees Parlement en Raad [2001] EHvJ I-7079, par. 27.
- [4] Zie Prechal, Adieu à la Directive? European Constitutional Law Review, 1: 481–494, 2005.
- [5] Bij de eindstemming waren aanwezig: Giuseppe Gargani (voorzitter), Cristian Dumitrescu (ondervoorzitter), Francesco Enrico Speroni (ondervoorzitter), Manuel Medina Ortega (rapporteur voor advies), Mario Borghezio, Mogens N.J. Camre, Carlo Casini, Bert Doorn, Klaus-Heiner Lehne, Eva Lichtenberger, Antonio Masip Hidalgo, Aloyzas Sakalas, Diana Wallis en Jaroslav Zvěřina.
PROCEDURE
|
Titel |
Verdrag van Prüm: Verdieping van de grensoverschrijdende samenwerking, met name ter bestrijding van het terrorisme en de grensoverschrijdende criminaliteit |
|||||||
|
Document- en procedurenummers |
6566/2007 - C6-0079/2007 - 2007/0804(CNS) |
|||||||
|
Datum raadpleging EP |
1.3.2007 |
|||||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
LIBE 13.3.2007 |
|||||||
|
Rapporteur(s) Datum benoeming |
Fausto Correia 20.3.2007 |
|
|
|||||
|
Betwisting rechtsgrondslag Datum JURI-advies |
JURI 2.5.2007 |
|
|
|
||||
|
Behandeling in de commissie |
20.3.2007 |
11.4.2007 |
23.4.2007 |
7.5.2007 |
||||
|
|
21.5.2007 |
|
|
|
||||
|
Datum goedkeuring |
21.5.2007 |
|
|
|
||||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
32 0 1 |
||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Alexander Alvaro, Giusto Catania, Mladen Petrov Chervenyakov, Carlos Coelho, Fausto Correia, Panayiotis Demetriou, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Claudio Fava, Kinga Gál, Patrick Gaubert, Lilli Gruber, Jeanine Hennis-Plasschaert, Magda Kósáné Kovács, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Barbara Kudrycka, Stavros Lambrinidis, Henrik Lax, Kartika Tamara Liotard, Sarah Ludford, Javier Moreno Sánchez, Martine Roure, Károly Ferenc Szabó, Søren Bo Søndergaard, Adina-Ioana Vălean, Ioannis Varvitsiotis, Manfred Weber, Tatjana Ždanoka |
|||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Inés Ayala Sender, Simon Busuttil, Iratxe García Pérez, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Bill Newton Dunn, Herbert Reul, Rainer Wieland |
|||||||
|
Datum indiening |
24.5.2007 |
|||||||