Procedure : 2007/2103(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0220/2007

Ingediende teksten :

A6-0220/2007

Debatten :

PV 19/06/2007 - 13
CRE 19/06/2007 - 13

Stemmingen :

PV 20/06/2007 - 5.9
CRE 20/06/2007 - 5.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0274

VERSLAG     
PDF 204kWORD 176k
11.6.2007
PE 388.523v02-00 A6-0220/2007

over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling – halverwege

(2007/2103(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Glenys Kinnock

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling – halverwege

(2007/2103(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de Millenniumverklaring van 8 september 2000 waarin de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling worden bepaald als collectief door de internationale gemeenschap vastgestelde criteria voor de uitbanning van armoede,

–   gezien de opeenvolgende verslagen van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties over de menselijke ontwikkeling (UNDP),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 april 2005 over de rol van het Europees Parlement bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling(1),

 gezien de Verklaring van Rome inzake harmonisatie, aangenomen op 25 februari 2003 na afloop van het Forum op hoog niveau over harmonisatie, en de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, aangenomen op 2 maart 2005, na afloop van het Forum op hoog niveau over tenuitvoerlegging, onderlinge afstemming en resultaatgericht beheer (hierna genoemd de "Verklaring van Parijs"),

 gezien de gezamenlijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus"(hierna Europese consensus voor ontwikkeling), ondertekend op 20 december 2005(2),

 gezien de mededeling van de Commissie "EU-strategie voor Afrika – Naar een Europees-Afrikaans pact voor snellere ontwikkeling van Afrika" (COM(2005)0489),

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 november 2005 over een ontwikkelingsstrategie voor Afrika(3),

 gelet op verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (hierna "instrument voor ontwikkelingssamenwerking" genoemd)(4),

 gezien de jaarlijkse rapporten van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over de uitvoering van de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties, waarvan het recentste dateert van juli 2006,

 gezien het rapport van de taakgroep van het millenniumproject van de Verenigde Naties onder leiding van professor Jeffrey Sachs "Investing in Development: a practical plan to achieve the Millennium Development Goals",

 gezien het rapport van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) – Minst Ontwikkelde Landen 2002: Ontsnappen aan de armoedeval,

 gezien de jaarlijkse rapporten van UNICEF over de situatie van kinderen in de wereld en gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989,

 gezien het verslag van de Europese Commissie over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling 2000-2004 (SEC(2004)1379),

 gezien de jaarlijkse wereldmonitoringrapporten van de Wereldbank, waarvan het recentste werd gepubliceerd in april 2007,

 gezien de het rapport over ontwikkelingssamenwerking 2006 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarvan de meest recente versie werd gepubliceerd in maart 2007(5),

 gezien de slotverklaringen en conclusies van internationale conferenties, in het bijzonder de Internationale Conferentie over financiering voor ontwikkeling (Monterrey, 2002), de wereldtop (New York, 2005), de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (Johannesburg, 2002), de derde Conferentie van de Verenigde Naties over de minst ontwikkelde landen (Brussel, 2001), de vierde Ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (Doha, 2001), de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) (Caïro, 1994), de buitengewone zitting van de Algemene Vergadering van de VN in 1999 inzake de vorderingen met betrekking tot de doelstellingen van ICPD ("Caïro + 5") en het Wereldforum over educatie (Dakar, 2000),

 gezien de nationale voorbehouden van EU-lidstaten in de slotverklaringen en conclusies van bovengenoemde conferenties,

 gezien de verplichtingen die de Europese Unie tijdens de top van Barcelona in maart 2002, voorafgaand aan de conferentie van Monterrey, is aangegaan,

 gezien de verplichtingen inzake de omvang van hulp, hulp aan zwart Afrika en de kwaliteit van hulp die de G8 in 2005 in Gleneagles zijn aangegaan,

 gezien het vierde evaluatierapport van Werkgroep II aan het intergouvernementeel panel over klimaatverandering getiteld "Klimaatverandering 2007: gevolgen, aanpassing en kwetsbaarheid" (hierna "Vierde evaluatierapport over klimaatverandering" genoemd),

 gezien de definitieve versie van het Stern-rapport over de economische gevolgen van klimaatverandering,

 gezien de conclusies van het UNDP, het millenniumproject van de VN en de Wereldbank in hun rapport van 2006 over energie en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG),

 gelet op de artikelen 177-181 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

 gezien de mededeling van de Commissie "EU-bijstand: meer, beter en sneller helpen" (COM(2006)0087),

 gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "De Europese ontwikkelingshulp doeltreffender maken: een gemeenschappelijk kader voor het opstellen van de nationale strategiedocumenten en de gezamenlijke meerjarenprogrammering" (COM(2006)0088),

 gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Sneller vorderingen boeken om de ontwikkelingsdoelstellingen van het Millennium te bereiken – Financiering met het oog op de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp" (COM(2005)0133),

 gezien de conclusies van de Europese Raad van Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 10 en 11 april 2006 over de financiering van de ontwikkelingshulp en de efficiëntie van de EU-bijstand,

 gezien de mededeling van de Commissie "EU-gedragscode inzake de taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid" (COM(2007)0072),

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 april 2006 over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in ontwikkelingslanden(6),

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 februari 2007 over de begrotingssteun voor ontwikkelingslanden(7),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6‑0220/2007),

A. stelt vast dat 2007 halverwege de periode voor het halen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in 2015 is en dat dit jaar bijgevolg een unieke gelegenheid biedt om de stand van zaken op te maken met betrekking tot hetgeen nog moet worden gedaan,

B.  overwegende dat vele landen in zwart Afrika niet op het goede spoor zitten om welke millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling ook te halen en dat er tevens in vele landen met middeninkomens regio's en etnische groepen zijn met miljoenen mensen die in onbevredigende mate vooruitgang boeken,

C. overwegende dat de Europese Raad in mei 2005, bij de vaststelling van de agenda voor de G8-top in juli 2005 in Gleneagles, overeenkwam dat tegen 2015 0,7 % van het bruto nationaal inkomen als officiële ontwikkelingshulp zou worden gedoneerd en dat deze toename van de hulp een fundamentele vereiste voor het halen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling is,

D. overwegende dat de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand (Development Assistance Committee, DAC) van de OESO toestaat dat de schuldenverlichting als officiële ontwikkelingshulp van donorlanden wordt meegeteld, hoewel het niet om een overdracht van nieuwe middelen van de donor aan de ontvangende landen gaat,

E.  overwegende dat schuldsanering een van de doelstellingen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling 8 is die er specifiek op gericht is "uitvoerig aandacht te besteden aan de schuldenproblematiek in de ontwikkelingslanden met behulp van nationale en internationale maatregelen om de schulden op de lange termijn beheersbaar te maken,

F.  is ingenomen met het feit dat 24 landen thans hebben geprofiteerd van schuldkwijtschelding, waaronder 18 in Afrika maar dat meer schuldkwijtschelding nog altijd nodig is,

G. overwegende dat 6,9 miljard EUR officiële ontwikkelingshulp nodig is om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling inzake basisonderwijs te halen en dat de mondiale officiële ontwikkelingshulp voor basisonderwijs op dit ogenblik rond 1,6 miljard EUR ligt – waarvan 0,8 miljard EUR wordt bijgedragen door de Europese Unie,

H. overwegende dat de financiering die naar schatting nodig is om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling inzake gezondheid te halen, 21 miljard EUR per jaar bedraagt, terwijl de huidige financiering maar 36% hiervan is, en dat zelfs met een versnelde verhoging van de officiële ontwikkelingshulp van de Europese Unie tegen 2010 de beschikbare middelen maar 41% van de vereiste 21 miljard EUR zullen dekken – zodat een financiële kloof van 11,9 miljard EUR per jaar blijft bestaan,

I.   overwegende dat ondanks aanmerkelijke vooruitgang inzake het algemeen lager onderwijs in de afgelopen jaren, er nog altijd 77 miljoen leerplichtige kinderen op dit moment niet naar de lagere school gaan, en dat het doel om de genderongelijkheid op lagere scholen in 2005 te corrigeren, niet is gehaald,

J.   overwegende dat de drie millenniumdoelstellingen op het gebied van gezondheid, te weten inzake kindersterfte, kraamvrouwensterfte en de bestrijding van HIV/aids, TB en malaria de minste kans maken om in 2015 te worden verwezenlijkt,

K. overwegende dat overeenkomstig het VN-rapport over de millenniumdoelstellingen van 2006 het aantal HIV/aids-infecties, ondanks vooruitgang in sommige landen, nog altijd toeneemt, en dat het aantal gevallen van 36,2 miljoen in 2003 tot 38,6 miljoen in 2005 is gestegen (waarvan de helft vrouwen), en overwegende dat het aantal sterfgevallen als gevolg van aids in 2005 ook is gestegen, ondanks een betere toegang tot antiretrovirale geneesmiddelen,

L.  het feit betreurend dat thans meer dan 90% van de middelen voor gezondheidsonderzoek wordt uitgegeven aan ziekten die slechts 10% van de wereldbevolking betreffen en overwegende dat octrooisystemen wellicht een aanmoediging zijn geweest voor O&O in ontwikkelingslanden, maar dat dit niet het geval is geweest voor verwaarloosde ziekten waardoor de armen worden getroffen,

M. overwegende dat er volgens sommige ramingen in de ontwikkelingslanden thans een tekort is van ongeveer 2 miljoen onderwijzers en meer dan 4 miljoen gezondheidswerkers en dat er in de meeste gevallen geen strategieën bestaan voor opleiding en aanwerving,

N. verontrust over het feit dat de vorderingen bij de bestrijding van ondervoeding zo langzaam zijn, dat 27% van de kinderen ondervoed is en dat 53% van de sterfgevallen bij kinderen onder de vijf jaar samenhangen met ondervoeding,

O. overwegende dat tenminste 19 landen volgens het ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) hun behoeften aan millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling hebben vastgesteld, en dat nog eens 55 landen daarmee bezig zijn, maar dat tot dusverre nog niet één lage-inkomensland in Afrika de beloofde steun van de internationale gemeenschap heeft ontvangen om deze strategieën aan het uitvoeren is,

P.  betreurt het feit dat de basisstudie voor het toezicht op de Verklaring van Parijs die in 2006 werd verricht op teleurstellende resultaten te zien gaf met betrekking tot de verwezenlijking van toezeggingen inzake harmonisatie, onderlinge afstemming en eigen inbreng,

Q. ingenomen met het feit dat de EG, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Zweden, Ierland, Denemarken en Duitsland hun aandeel van de via algemene begrotingssteun verleende hulp verhogen,

R.  overwegende dat de kwaliteit van de ontwikkelingshulp net zo belangrijk is als de kwantiteit, rekening houdend met het absorptievermogen van de landen,

S.  overwegende dat het voor het bereiken van vooruitgang op het gebied van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling nodig is om radicale maatregelen te nemen om de structurele oorzaken van armoede aan te pakken, met inbegrip van de noodzaak van eerlijk en evenwichtig gereglementeerde handelssystemen, om de handel te bevorderen en de onevenwichtigheden van de wereldhandel te corrigeren, met name als het gaat om Afrika,

T.  overwegende dat het in zijn resolutie van 6 juli 2006 over eerlijke handel en ontwikkeling(8) de rol van een eerlijke handel voor de verbetering van de levensstandaard van kleine boeren en producenten in de ontwikkelingslanden heeft erkend, omdat daarmee een duurzaam productiemodel met een gegarandeerd inkomen voor de producent mogelijk is,

U. overwegende dat de grotere steun voor de particuliere sector, met name aan het MKB, een motor is voor de ontwikkeling en het ontstaan van nieuwe markten en voor de creëren van arbeidsplaatsen,

V. overwegende dat de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling een van de prioriteiten van de EU is en dat de essentiële rol van plaatselijke overheden bij de tenuitvoerlegging van deze doelstellingen door de Verenigde Naties is erkend,

W. overwegende dat naar schatting twee miljard mensen in de wereld geen toegang hebben tot moderne energiedragers en dat geen land in staat is geweest om de armoede substantieel te verlagen zonder het energieverbruik significant te verhogen,

X. overwegende dat uit het Stern-rapport over de economische gevolgen van klimaatverandering en het vierde evaluatierapport over klimaatverandering ondubbelzinnig blijkt dat klimaatverandering de grootste weerslag op ontwikkelingslanden heeft en dat voor veel van de meest kwetsbare gemeenschappen in de wereld klimaatverandering reeds een feit is,

Y. overwegende dat volgens eerste schattingen van de Wereldbank jaarlijks 10-40 miljard dollar nodig zal zijn voor een klimaatvriendelijke ontwikkeling in de armste landen; overwegende dat de bijdragen aan aanpassingsfondsen in het kader van het klimaatverdrag jaarlijks niet meer dan USD 150 tot 300 miljoen dollar bedragen,

Z.  overwegende dat in door conflicten geteisterde, instabiele staten 9% van de bevolking van de ontwikkelingslanden woont, maar dat 27% van de allerarmsten, bijna een derde van alle sterfgevallen onder kinderen en 29% van de 12-jarigen die hun lagere school in 2005 niet heeft afgemaakt, voor rekening van instabiele staten komen,

AA.     van mening dat goed bestuur en een verbetering van de institutionele capaciteit van essentieel belang zijn om te kunnen zorgen voor sociale basisdiensten, infrastructuren en veiligheid voor de burgers,

BB.     erkennende dat de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling niet alleen een reusachtige stap vertegenwoordigt voor een vermindering van de armoede en het lijden in de wereld, maar dat daarmee ook kan worden aangetoond dat het internationale systeem in staat is om praktische doelen voor een wereldwijd partnerschap vast te stellen en te volgen,

VERHOGING VAN DE STEUN

1.  onderstreept dat het overheersende doel van ontwikkelingssamenwerking de bestrijding van armoede is en behoort te zijn; wijst er echter op dat deze strijd niet beperkt blijft tot materiële groei en dat derhalve de opbouw van de democratie en de bevordering van de mensenrechten, de regels van de rechtsstaat en de beginselen van rechtvaardigheid, gelijkheid, transparantie en controleerbaarheid altijd centraal moeten staan bij dit soort samenwerking;

2.  herinnert aan de verplichting die de G8-landen in 2005 in Gleneagles zijn aangegaan om de hulp voor zwart Afrika tegen 2010 te verdubbelen en spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat de officiële ontwikkelingshulp, exclusief schuldenverlichting, voor zwart Afrika in 2006 "statisch" was;

3.  benadrukt dat de G8-donors, om hun financiële verplichtingen ten aanzien van Afrika na te komen, tegen 2010 elk 15 miljard EUR extra aan Afrika moeten verlenen, boven hun peil van 2004, maar dat zij voorlopig niet op het goede spoor zitten;

4.  is tevreden met de actie van vele EU-landen die de schuld van ontwikkelingslanden kwijtschelden; spreekt niettemin zijn bezorgdheid uit over het feit dat deze schuldkwijtscheldingen de cijfers over de hulp van de Europese Unie artificieel de hoogte in hebben gejaagd met bijna 30% in 2006, hetgeen betekent dat de lidstaten vorig jaar 0,31% van het bruto nationaal inkomen aan eigenlijke hulp hebben besteed, zodat zij de collectieve tussentijdse doelstelling van 0,33% niet hebben gehaald;

5.  dringt er bij de EU en de G8 op aan om de kwijtschelding en verlichting van schulden los te zien van de cijfers inzake steun, overeenkomstig de consensus van Monterrey van 2002 en de conclusies van de Raad van april 2006;

6.  betreurt het feit dat halverwege de uitvoeringsperiode voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling de officiële ontwikkelingshulp van de EU-15 als percentage van het bruto nationaal inkomen daalt van 0,44% officiële ontwikkelingshulp/BNI in 2005 tot 0,43% officiële ontwikkelingshulp/bruto nationaal inkomen in 2006;

7.  is ingenomen met het feit dat de door de Commissie verleende hulp in 2006 met 5,7% is gestegen tot 7,5 miljard euro, waaruit de verbeterde uitbetalingscapaciteit op grond van het hogere niveau van betalingsverplichtingen in recente jaren blijkt;

8.  prijst de lidstaten die de doelstelling van 0,7% officiële ontwikkelingshulp/BNI hebben gehaald of overschreden en degene die hun eigenlijke hulppeil verhogen, maar betreurt dat sommige landen van de EU-15 de tussentijdse doelstelling van 0,33% in 2006 bijlange niet hebben gehaald;

9.  stelt vast dat Italië als groot G8-land de doelstelling van 0,33% bijlange niet heeft gehaald, aangezien zijn hulp in 2006 maar 0,2% van zijn nationaal inkomen bedroeg, na een daling van het peil van de reële hulp met 30%;

10. stelt vast dat Portugal, dat tijdens zijn voorzitterschap de EU-Afrika-top zal organiseren, in 2006 maar 0,21% officiële ontwikkelingshulp/BNI heeft gehaald;

11. stelt vast dat de landen die hun hulp het meest kunstmatig opdrijven, Oostenrijk (57%), Frankrijk (52%), Italië (44%), Duitsland (53%) en het Verenigd Koninkrijk (28%) zijn en stelt voorts vast dat Duitsland, dat zowel voorzitter is van de Europese Unie als van de G8, de doelstelling van 0,33% officiële ontwikkelingshulp/BNI niet zou hebben gehaald zonder zijn hulp kunstmatig op te drijven;

12. verzoekt alle lidstaten die dit niet doen, de toezeggingen van Barcelona, Gleneagles en Monterrey na te komen en zich er zo spoedig mogelijk toe te verplichten de reële hulp in 2007 te verhogen; dringt er bij de Commissie op aan deze lidstaten te steunen bij een zorgvuldige planning van de financiële en organisatorische aspecten van aanstaande verhogingen van de hulp om ervoor te zorgen dat het interim-doel van de EU voor 2010 van 0,56% van het BNI, wordt gehaald;

13. betoogt dat bij de begrotingscontrole die in 2008 van start gaat, rekening moet worden gehouden met de steeds belangrijkere rol van de Europese Unie in de wereld en een stijging van de uitgaven voor ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt; in dit verband zou de EU kunnen besluiten nieuwe vormen voor de financiering van millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling ten uitvoer te leggen bijv. via de Europese Investeringsbank (EIB);

14. dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de grote waarschijnlijkheid dat het 10de EOF niet door alle lidstaten vóór 2010 wordt geratificeerd en dat zij er derhalve zo spoedig mogelijk voor moet zorgen dat gedurende de overgangsperiode (2008-2010) middelen beschikbaar zijn;

15. verzoekt de Commissie met klem te blijven zoeken naar innovatieve financieringsbronnen als alternatief voor het zekerstellen van financiering voor ontwikkelingsprogramma's, maar onderstreept dat dit bovenop de verplichting moet komen om 0,7% van het BNI voor officiële ontwikkelingshulp uit te trekken;

16. dringt er bij de EU-lidstaten op aan de vooruitgang in de richting van de doelstellingen inzake officiële ontwikkelingshulp geregeld te evalueren en is ingenomen met het Commissievoorstel om lidstaten van de EU nationale tijdschema's te laten instellen om ervoor te zorgen dat zij op de juiste weg zijn om de afgesproken landendoelstellingen voor ontwikkelingshulp in 2010/2015 te halen en om de voorspelbaarheid op lange termijn van hun hulpverlening te verbeteren;

17. dringt er bij de Europese Unie en de G8 op aan te erkennen dat nieuwe donors, met name China, steeds belangrijker worden, en met deze nieuwe donors een dialoog over methoden en normen op het gebied van externe hulp aan te gaan, waaronder het belang om internationaal erkende normen en standaards op de uitvoering van de hulpverlening toe te passen;

18. dringt er bij de G8-landen op aan alle hulp los te koppelen van hun nationale economische belangen, en stelt vast dat de G8 als groep thans 29% van hun hulp voor ontwikkelingslanden koppelen, hetgeen in strijd is met het totale donorgemiddelde van 24%;

SCHULDENVERLICHTING

19. onderstreept dat misschien wel 60 landen totale schuldkwijtschelding nodig hebben om nog een kans te maken de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te verwezenlijken en dat er nog meer landen zijn die verdere schuldsanering behoeven, waaronder een aantal landen met "schulden met een luchtje", zoals de schulden die zijn aangegaan door het voormalig Zuid-Afrikaanse apartheidsregime;

20. is ingenomen met de vaststelling van de Wereldbank dat landen die schuldenverlichting krijgen krachtens het HIPC-schuldeninitiatief voor arme landen met een zware schuldenlast, tussen 1999 en 2005 hun uitgaven voor projecten ter vermindering van armoede hebben verdubbeld;

21. verzoekt de landen hun verplichtingen na te komen en de als gevolg van de verlichting en kwijtschelding van schulden vrijgekomen middelen transparant en controleerbaar te gebruiken en is voorts van mening dat de schuldenverlichting alleen mag worden geweigerd wanneer er brede overeenstemming in het parlement en de organisaties van het maatschappelijk middenveld bestaat dat de normen voor transparantie en controleerbaarheid niet worden nageleefd;

22. onderstreept dat de beheersbaarheid van schulden op de lange termijn afhangt van een verantwoordelijk leenbeleid, het toekennen van een passende financiering, een gezond economisch beleid, een strikt schuldenbeheer en het naar behoren afleggen van verantwoording voor het aangaan van leningen door overheid en parlement, alsmede van de opbrengst en vooral de diversifiëring van de export;

23. verzoekt de lidstaten die schadelijke structurele voorwaarden verbinden aan schuldenverlichting, zoals privatiseringen, sectoriële herstructureringen, liberalisering van handel en financiën en koppeling met macro-economische doelen van het IMF, hieraan een einde te maken;

24. verzoekt alle donors en crediteuren alle informatie met betrekking tot leningen en schuldkwijtscheldingen in de partnerlanden gemakkelijk beschikbaar en toegankelijk te maken en bij commerciële crediteuren aan te dringen op dezelfde transparantie;

25. dringt er bij de lidstaten op aan actief te worden aan de "aanbodzijde" van corruptie door onderzoek te doen naar omkopers, deze te vervolgen en op een zwarte lijst te zetten en om arme landen te beschermen tegen "aasgierfondsen";

26. verzoekt de Wereldbank meer leningen op gunstige voorwaarden beschikbaar te stellen aan landen die proberen de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te verwezenlijken;

DE FINANCIERING VAN MENSELIJKE EN SOCIALE ONTWIKKELING

27. dringt er bij de Europese Unie op aan haar verplichtingen inzake officiële ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs op te trekken om de financieringskloof van 5,3 miljard EUR te dichten, en is van mening dat de Commissie, gelet op het feit dat de belangrijkste uitdaging voor het onderwijs voor iedereen - Fast Track-initiatief (FTI) een gebrek aan externe financiering is, moet worden geprezen voor het verrichten van inspanningen om de donortoezeggingen te verhogen, maar betreurt dat door de toezeggingen tijdens de donorconferentie van Brussel op 2 mei 2007 weliswaar een miljoen meer kinderen naar school kunnen gaan maar dat er nog altijd 76 miljoen overblijven zonder onderwijs;

28. verzoekt de Europese Unie haar huidige aandeel van 6,6% in de mondiale officiële ontwikkelingshulp op het gebied van gezondheid te verhogen, om een bijdrage te leveren aan de aanzuivering van het financieringstekort van 11,9 miljard EUR per jaar op het totaal van de 21 miljard EUR die naar schatting jaarlijks nodig zijn om in de mondiale behoeften op het gebied van uitgaven voor gezondheidszorg te voorzien, en vraagt om de voortzetting en verhoging van de voorspelbare steun voor het Wereldfonds ter bestrijding van aids, tuberculose en malaria;

29. verzoekt de Afrikaanse Unie (AU) haar steun voort te zetten voor de Verklaring van Abuja van 2001, waarin wordt gesteld dat landen minimum 15% van hun nationale begroting moeten toewijzen aan gezondheidszorg, maar betreurt dat maar twee Afrikaanse landen de belofte hierover zijn nagekomen;

30. onderstreept dat de regeringen van de ontwikkelingslanden in het afgelopen decennium een reële vooruitgang hebben geboekt met de verhoging van investeringen in gezondheid en onderwijs, maar dat de beloften in enkele gevallen niet zijn nagekomen en dringt er bij deze regeringen op aan een tijdschema vast te stellen om het doel te verwezenlijken om ten minste 20% van de overheidsbegroting in onderwijs en 15% van de overheidsbegroting in gezondheidszorg te investeren;

31. dringt er bij de Rekenkamer op aan in 2008 de verplichting van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking te controleren dat in 2009 20% van alle ontwikkelingshulp van de EG wordt toegewezen aan basisgezondheidszorg en aan lager en voortgezet onderwijs;

PRIORITEITEN BIJ DE MENSELIJKE EN SOCIALE ONTWIKKELING

32. onderstreept dat het een prioriteit is ervoor te zorgen dat kinderen die moeilijk kunnen worden bereikt - kinderen uit door conflicten getroffen, instabiele staten, met handicaps, uit verafgelegen regio's, uit chronisch arme gezinnen of kinderen die uitgesloten zijn op grond van ras - gebruik kunnen maken van hun recht op basisonderwijs;

33. dringt er bij de EU op aan dringend aandacht te besteden aan het onderwijs in door conflicten getroffen instabiele staten, die thans minder dan een vijfde van de mondiale hulp voor onderwijs ontvangen, hoewel daar meer dan de helft van de kinderen van de wereld wonen die geen onderwijs krijgen, en dringt er met name bij het Humanitair Bureau van de Europese Gemeenschap (ECHO) op aan duidelijke richtsnoeren te volgen voor ECHO-steun voor onderwijs in noodgevallen;

34. dringt er bij de EU op aan landen te helpen bij het versterken van hun capaciteit om leerprestaties te waarborgen en ervoor te zorgen dat een grotere toegang tot onderwijs ook kwaliteitsonderwijs oplevert;

35. betreurt het dat vrijwel geen enkel land in Afrika op koers ligt om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor de gezondheid van moeders en kinderen te verwezenlijken;

36. stelt vast dat vooruitgang bij de bestrijding van kindersterfte achterloopt bij andere millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling ondanks de beschikbaarheid van eenvoudige, goedkope middelen waarmee jaarlijks miljoenen doden kunnen worden voorkomen en onderstreept dat met behulp van orale rehydratietherapie, muskietennetten die met insecticiden zijn behandeld, borstvoeding en gewone antibiotica voor aandoeningen aan de luchtwegen naar schatting 63% van de kindersterfte te voorkomen is;

37. is van mening dat de infrastructuren voor gezondheidszorg een stabiele en duurzame financiële steun uit nationale begrotingen en internationale steun behoeven om de gezondheidsgerelateerde millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te kunnen halen, zoals het terugdringen van de kindersterfte door meer vaccinatie, het terugdringen van de kraamvrouwensterfte door de toegang tot geschoolde beroepskrachten te vergroten, ondersteunend onderzoek en ontwikkeling van en toegang tot nieuwe diagnoses en therapieën, de beschikbaarstelling van veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, de aanzienlijke vergroting van de wereldwijde toegang tot preventie, behandeling, zorg en ondersteuning bij HIV/aids, malaria, TB en andere ziekten;

38. dringt er bij de internationale donorgemeenschap op aan ontwikkelingslanden te helpen bij de ontwikkeling en uitvoering van overkoepelende actieprogramma's op het gebied van de gezondheid, en daarbij kwesties aan te pakken zoals de noodzaak om te zorgen voor duurzame financiering van de infrastructuur en de salarissen in de gezondheidszorg, de investeringen in opleidingen te verhogen en buitensporige "brain drain" als gevolg van de migratie van hooggeschoolde gezondheidswerkers te voorkomen;

39. is ingenomen met de verklaring van Johannesburg op de derde gewone bijeenkomst van de Conferentie van ministers van Volksgezondheid van de Afrikaanse Unie (AU) van 9 t/m 13 april 2007 over de verbetering van volksgezondheidstelsels voor gerechtigheid en ontwikkeling als een belangrijk initiatief op weg naar het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling op het gebied van gezondheid; dringt er bij de EU op aan de lidstaten van de AU te steunen bij de uitvoering van de op deze verklaring gebaseerde programma's;

40. dringt er bij de Europese Unie op aan een voortrekkersol te blijven spelen wat de inspanningen ter ondersteuning van seksuele en reproductieve gezondheidsrechten betreft, door het financieringspeil te handhaven voor de tenuitvoerlegging van het actieprogramma van de internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) en betreurt dat de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara de hoogste kraamvrouwensterfte hebben, maar ook het laagste cijfer voor het gebruik van voorbehoedmiddelen ter wereld (19%) en dat 30% van alle gevallen van kraamvrouwensterfte op het continent het gevolg is van onveilige abortussen;

41. wijst erop dat de VN voornemens zijn een nieuwe doelstelling bij de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling 5 inzake de universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid vast te stellen en neemt derhalve nota van het Actieplan van Maputo voor een continentaal beleidskader voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten 2007-2010, dat werd goedgekeurd door de speciale zitting van de Conferentie van ministers van Volksgezondheid van de AU van 18 t/m 22 september 2006 (actieplan van Maputo);

42. onderstreept de noodzaak om op geslacht gebaseerd geweld in al zijn vormen aan te pakken, omdat geweld van invloed is op de toegang van meisjes tot het onderwijs en de gezondheidszorg, en één van de belangrijkste verspreiders van de HIV-pandemie en derhalve één van de allergrootste belemmeringen voor het verwezenlijken van gendergelijkheid in de ontwikkelingslanden is;

43. verzoekt de Commissie haar eigen engagement te verhogen bij de bestrijding van HIV/aids in ontwikkelingslanden en ervoor te zorgen dat de meest getroffen groepen een steeds betere toegang krijgen tegen betaalbare prijzen tot preventiemiddelen en ‑beleidsvormen, antiretrovirale behandelingen en gezondheidsdiensten (infrastructuur, personeel en geneesmiddelen), zodat aan de groeiende behoeften kan worden voldaan;

44. stelt vast dat alle millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling er in essentiële mate vanaf hangen of de aids-epidemie een halt kan worden toegeroepen en verzoekt de Commissie de hoogste prioriteit te geven aan de bestrijding van deze wereldwijde epidemie door middel van een intensieve en alomvattende reactie; wijst erop dat deze reactie moet zorgen voor een universele toegang tot bestaande preventie en behandeling, alsmede voor adequate investeringen in de ontwikkeling van en de universele toegang tot een breed scala van preventietechnologieën waaronder microbiciden en vaccins; doet een beroep op de EU om een grotere deelneming van de industrie, een beter gecoördineerde wetenschappelijke inspanning, en beleidsvormen en programma's te bevorderen waardoor het testen van nieuwe vaccins en microbiciden wordt bespoedigd;

45. dringt er bij de EU op aan de financiële middelen te verhogen om ervoor te zorgen dat vooruitgang wordt geboekt met het fundamenteel onderzoek en met biomedische resultaten inzake nieuwe en betaalbare geneesmiddelen, vaccins en diagnoses voor verwaarloosde ziekten, om de ontwikkelingsfasen van O & O te ondersteunen en om te zorgen voor het gebruik van nieuwe producten door "vergeten" bevolkingsgroepen;

46. dringt er bij de EU op aan de volledige tenuitvoerlegging van de Verklaring van Doha over de TRIPS-overeenkomst en volksgezondheid van de WTO-ministersconferentie van 9 t/m 14 november 2001 te steunen, en ervoor te zorgen dat de geneesmiddelen betaalbaar zijn voor die ontwikkelingslanden die maatregelen nemen overeenkomstig de Verklaring en dringt er voorts bij de EU op aan technische bijstand te verlenen aan ontwikkelingslanden voor de tenuitvoerlegging van publieksvriendelijke gezondheidsmaatregelen in het octrooirecht;

47. dringt aan op de noodzaak van een algemene herziening van de vigerende stelsels waarmee het probleem van de toegang tot het geneesmiddelen niet kan worden opgelost, waaronder het voorleggen van aanbevelingen aan de WTO ter wijziging van haar voorschriften voor de uitvoer van geneesmiddelen in het kader van een dwanglicentie, die bekend staat als het besluit van 30 augustus;

48. wijst erop dat volgens sommige schattingen 2 miljoen onderwijzers en meer dan 4 miljoen gezondheidswerkers moeten worden aangeworven om gezondheid en onderwijs voor iedereen tot een realiteit te maken en dat elk jaar 10 miljard euro moet worden geïnvesteerd in opleidingen en salarissen voor goede leraren en gezondheidswerkers;

49. dringt er bij de regeringen van arme landen op aan de salarissen van de gezondheidswerkers en leraren vast te stellen op een waardig niveau in samenwerking met hun vakbonden;

50. dringt er bij de regeringen van arme landen op aan ervoor te zorgen dat parlementen en burgers betrokken worden bij het toezicht op de overheidsdiensten, en de participatie van de maatschappelijke organisaties en plaatselijke autoriteiten bij de plaatselijke en nationale planning en de begrotingsprocedure te vergemakkelijken, waaronder overeenkomsten en contracten met donors;

51. wijst erop dat in sommige landen de ondervoedingspercentages stijgen en dat voor geheel Afrika naar schatting 3,7 miljoen meer kinderen ondervoed zullen zijn in 2015 dan op dit moment en dringt er bij de EU op aan opnieuw te bekijken en te evalueren of haar indirecte investeringen ook een doeltreffend effect hebben op ondervoeding;

52. verzoekt de EU-donors onverwijld, met gebruikmaking van internationaal afgesproken indicatoren voor voeding, verslag te gaan uitbrengen over vooruitgang op het gebied van voedselzekerheid, veiligheidsnetwerken en sociale bescherming, deugdelijk bestuur, water, sanitaire voorzieningen en gezondheid;

KWALITEIT VAN DE STEUN EN FOCUS VAN DE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING OP ARMOEDE

53. benadrukt dat de Commissie en de lidstaten de gedragscode inzake donorcoördinatie moeten eerbiedigen om te garanderen dat de uitgaven en programma's op het gebied van gezondheid en onderwijs beter worden gecoördineerd en te zorgen voor meer aandacht voor landen die op het gebied van hulp zijn veronachtzaamd, met inbegrip van landen in een crisissituatie en instabiele staten;

54. dringt er bij alle lidstaten op aan de overeengekomen Verklaring van Parijs voor de verbetering van de doeltreffendheid van hulp volledig toe te passen en onderstreept dat door de EU meer moet worden gedaan op het stuk van het afleggen van wederzijdse verantwoording, de eigen inbreng van partnerlanden en de herziening van technische steun, omdat de DAC-landen op deze drie gebieden in het jongste basisoverzicht van de OESO over de uitvoering van de Verklaring van Parijs slechte resultaten hebben behaald;

55. dringt er bij de EU op aan partners te steunen bij de opbouw van capaciteit in hun land om een coherent ontwikkelingsbeheer te voeren, omdat dit de sleutel blijft om legitieme eigen inbreng van landen en de sturing van hun eigen ontwikkelingsproces te waarborgen;

56. is van mening dat microfinanciering een van de belangrijkste instrumenten is in de strijd tegen armoede, omdat de armen daarmee de mogelijkheid krijgen om actief aan deze strijd deel te nemen;

57. is van mening dat in het kader van het communautaire ontwikkelingsbeleid een nieuwe scherpstelling nodig is op genderspecifieke prioriteiten en kinderrechten als basisrechten en als onderdeel van de criteria inzake deugdelijk bestuur die in het kader van de Overeenkomst van Cotonou(9) en elders worden toegepast;

58. is ingenomen met het EU-partnerschap inzake gendergelijkheid voor ontwikkeling en vrede dat onlangs van start is gegaan, met het doel ervoor te zorgen dat genderkwesties niet aan de kant komen te staan bij de uitvoering en de herziening van de Verklaring van Parijs;

59. is van mening dat beleidsdocumenten voor armoedebestrijding (Poverty Reduction Strategy Papers) en landenstrategiedocumenten (Country Strategy Papers) potentieel belangrijke instrumenten zijn om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te halen, maar dat zij opgesteld, uitgevoerd, gecontroleerd en geëvalueerd moeten worden in overleg met de parlementen in de ACS-landen en lidstaten, het Parlement, de maatschappelijke organisaties en lokale autoriteiten, en dat hierin vooral moet worden gelet op het halen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

60. maakt zich zorgen over het gebrek aan flexibiliteit van de EG-programma's waarin beperkte prioriteiten worden gedefinieerd bij het begin van een programmacyclus en waarin het vervolgens niet meer mogelijk is nieuwe gebieden te ondersteunen, zelfs als dit rechtstreeks wordt gevraagd door partnerregeringen;

61. onderstreept dat het langetermijndoel van ontwikkelingssamenwerking moet zijn dat voorwaarden worden geschapen voor een duurzame economische, sociale en milieuontwikkeling; onderstreept in dit verband dat het noodzakelijk is openbaar-particuliere groei-initiatiefpartnerschappen te bevorderen met inbegrip van steunmaatregelen voor het MKB om de productiviteit en de werkgelegenheid te verhogen;

62. wijst op het grote potentieel van buitenlandse directe investeringen in ontwikkeling, duurzame economische groei, de overdracht van kennis, ondernemerschap, technologie en het creëren van banen; onderstreept in dit verband het belang van een transparant, voorspelbaar en gunstig investeringsklimaat, met zo min mogelijk bureaucratie voor de bedrijven, eerbiediging van eigendomsrechten, bevordering van mededinging en het streven naar een gezond macro-economisch beleid;

63. verzoekt donors en begunstigden hun steun te geven aan betere gegevens voor de uitvoering en monitoring van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

64. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat wanneer de financiële middelen worden uitgegeven aan infrastructuur, de armoedebestrijding het belangrijkste aspect van alle projecten blijft;

65. erkent dat met de huidige middelen en faciliteiten van de EU, zoals de infrastructuurfaciliteit, de waterfaciliteit en de energiefaciliteit, belangrijke zaken worden aangepakt, maar vraagt zich af of deze hetzij individueel of collectief een bijdrage leveren aan een significante, op millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling gerichte steun;

66. verzoekt de Europese Unie haar partnerschappen met de ontwikkelingslanden zo te intensiveren dat het afleggen van wederzijdse verantwoording en wederzijdse verplichtingen worden aangemoedigd dankzij het vastleggen van vaste ijkpunten en tijdslimieten voor verhogingen van de officiële ontwikkelingshulp, om de planning van de ontvangende landen inzake verhogingen van overheidsinvesteringen te vergemakkelijken;

67. onderstreept dat alle middelen moeten worden gebruikt om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te halen en dat het daarvoor nodig is dat de breedst mogelijke partnerschappen van belanghebbenden worden aangegaan, met name met de nationale parlementen, maatschappelijke organisaties, plaatselijke autoriteiten en particuliere partners in de ontwikkelingslanden;

68. vertrouwt erop dat overeenstemming zal worden bereikt tijdens het opstellen van de gezamenlijke Afrika-EU-strategie over het fundamentele belang van het behalen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in 2015;

ALGEMENE BEGROTINGSSTEUN

69. dringt erop aan dat de Europese Unie en partnerregeringen ervoor zorgen dat begrotingssteun altijd de vorm aanneemt van sectorspecifieke begrotingssteun waarin geld wordt vastgelegd voor een specifieke sector waarin de middelen moeten worden uitgegeven, dat zij armoedegerelateerde streefcijfers gebruiken die rechtstreeks de resultaten van beleidsvormen meten in plaats van budgettaire input en output en dat zij monitoringinstrumenten instellen om ervoor te zorgen dat een adequaat deel van de algemene begrotingssteun gaat naar de voorziening in basisbehoeften, met name gezondheidszorg en onderwijs, en benadrukt dat dit gepaard moet gaan met ondersteuning van capaciteitsopbouw en dringt erop aan dat een percentage van 0,5% van de toegekende begrotingssteun exclusief gereserveerd moet worden voor waakhonden uit het maatschappelijk middenveld;

70. verzoekt de EU om ondersteuning van een coherent beheer, in het kader van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, van de algemene begrotingssteun dwars door de verschillende delen van de uitvoerende en wetgevende macht, en om steun voor het toezicht op de begrotingssteun door het parlementair maatschappelijk middenveld en de lokale overheden ten einde te zorgen voor een sterke en duidelijke relatie tussen begrotingssteun en het behalen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

71. dringt aan op betrokkenheid van de nationale parlementen en maatschappelijke organisaties bij een doeltreffende begrotingscontrole met behulp van PETS (public expenditure tracking surveys, onderzoek voor het natrekken van overheidsuitgaven), waarin gedetailleerd de "inkomsten" en "uitgaven" worden vergeleken volgens de criteria van de OESO (DAC);

72. verzoekt de EU het aandeel van de hulp via rechtstreekse begrotingssteun te verhogen voor landen die blijk hebben gegeven van goed bestuur, eerbiediging van de mensenrechten en de beginselen van de democratie;

73. wijst erop dat begrotingssteun in zijn gewone vorm in feite een soort kort lopende overeenkomst tussen donors en regeringen is en dat weinig overeenkomsten langer duren dan drie jaar, en verzoekt de donors de termijn van de door hen gedane toezeggingen te verruimen, zo mogelijk conform de richtlijnen die worden door de Commissie voorgesteld voor "millenniumdoelstellingen voor ontwikkelingcontracten" welke periodes van zes jaar omvatten, alsmede heldere definities en duidelijkheid over het tijdstip en de wijze waarop dergelijke steun wordt opgeschort;

74. verzoekt de landen vooral te letten op de gevolgen van de algemene begrotingssteun voor de gelijkheid van vrouwen en genderrelaties omdat algemene verhogingen van de financiering niet noodzakelijkerwijze een oplossing zijn voor de ongelijke toegang en de status van randgroepen, waaronder vrouwen en mensen met een handicap;

DEUGDELIJK BESTUUR

75. herinnert eraan dat de partnerschapsovereenkomst van Cotonou over een kader beschikt voor een dialoog tussen de EU en ACS-landen over bestuurskwesties en dringt er bij de EU op aan dit kader te versterken in plaats van nieuwe initiatieven, strategieën en beleidsvormen toe te voegen;

76. betreurt het feit dat in het bestuursinstrument van de Commissie dat wordt gepresenteerd als een prestatiegerelateerde tranche voor begrotingssteun, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling worden gereduceerd tot slechts één van 23 indicatoren, samen met andere indicatoren zoals vrijhandel, bestrijding van terrorisme en migratie welke irrelevant zijn voor de uitvoering van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en is van mening dat het bestuursinstrument gericht moet zijn op de verplichting van het partnerland om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling uit te voeren;

77. dringt er bij de Commissie op aan de gelegenheid aan te grijpen die wordt geboden door de herziening van het bestuursprofiel 2008 om te luisteren naar de standpunten van Europese en Afrikaanse parlementen en maatschappelijke organisaties, en van lidstaten en Afrikaanse regeringen, en haar bestuursconcept dienovereenkomstig aan te passen;

VREDE EN VEILIGHEID

78. herinnert eraan dat vrede en veiligheid van essentieel belang zijn om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te halen en dringt er derhalve bij de EU op aan ervoor te zorgen dat haar ontwikkelingsbeleid een positieve invloed heeft op de vredesopbouw;

79. herinnert aan de verplichting om conflictgevoeligheid in alle vormen en instrumenten van het EU-beleid op te nemen, zoals bepleit in het programma ter preventie van gewelddadige conflicten van Göteborg (2001), en verzoekt de EU de meest recent aangenomen instrumenten om conflicten te voorkomen toe te passen zoals de EU-strategie over handvuurwapens en kleine wapens, het EU-beleidskader voor de hervorming van de veiligheidssector en het gemeenschappelijk EU-concept inzake ontwapening, demobilisatie en reïntegratie (DDR);

80. is ingenomen met het feit dat het Verdrag over de wapenhandel thans de steun heeft van 80% van de regeringen in de wereld en dringt er bij de EU op aan ervoor te helpen zorgen dat een internationaal, wettelijk bindend verdrag kan worden gesloten;

HANDEL

81. verzoekt de Europese Unie in het kader van haar handels-, visserij- ontwikkelingssamenwerkings- en gemeenschappelijk landbouwbeleid coherent op te treden om directe of indirecte negatieve gevolgen voor de economie van de ontwikkelingslanden te voorkomen;

82. onderstreept dat de liberalisering van de handel een van de meest doeltreffende aanjagers van de economische groei kan zijn, maar dat deze moet worden aangevuld met nationale maatregelen voor herverdeling en met sociale beleidsmaatregelen om de armoede te kunnen terugdringen;

83. benadrukt de belofte van de Doha-ontwikkelingsronde en de behoefte aan eerlijke, billijke en op regels gebaseerde internationale handelssystemen die ontworpen zijn om de onevenwichten in de wereldhandel te corrigeren, met name wat Afrika betreft; dringt er bij de EU op aan er alles aan te doen om een eind te maken aan de patstelling in de WTO-onderhandelingen;

84. stelt vast dat volgens het voorzitterschap van de vastgelopen Doha-Ronde, de EU, om een ontwikkelingsvriendelijke overeenkomst te vergemakkelijken, haar handelsverstorende subsidies op de landbouwuitvoer met naar schatting 70% moet verlagen en dat overeenstemming moet worden bereikt over subsidie- en tariefverlagingen om het mogelijk te maken dat de onderhandelingen eind 2007 worden afgerond;

85. is van mening dat eerlijke handel een belangrijk middel is voor de opbouw van duurzame handel met billijke inkomsten voor producenten in de ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie te reageren op de resolutie van het Parlement over eerlijke handel en ontwikkeling met een aanbeveling ter ondersteuning van eerlijke handel, zoals geschetst in de paragrafen 1 en 2 van de resolutie;

86. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat haar handelsovereenkomsten een bijdrage leveren aan het behalen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in plaats van deze te belemmeren; is van oordeel dat de Commissie met name ervoor moet zorgen dat de economische partnerschapsovereenkomsten (EPA's) instrumenten voor de ontwikkeling van de ACS-landen en de uitbanning van de armoede in deze landen zijn;

87. is van mening dat intellectuele-eigendomsbepalingen moeten worden uitgesloten van de onderhandelingen over EPA's en vrijhandelsovereenkomsten (FTA's), met name TRIPs-plus-bepalingen die verder gaan dan de TRIPs-overeenkomst, zoals de exclusiviteit van gegevens en beperkingen op grond van dwanglicenties;

88. is van oordeel dat alle ACS-landen het ondubbelzinnige recht moeten hebben om te kiezen of de onderhandelingen ook verder moeten gaan dan alleen over de handel in goederen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat intellectuele-eigendomsrechten en de punten van Singapore (mededingingsbeleid, openbare aanbestedingen en investeringen) van de onderhandelingsagenda worden gehaald wanneer ACS-landen niet over deze punten wensen te onderhandelen;

89. neemt nota van recente studies van de UNCTAD en andere studies waaruit blijkt dat extensieve handelsliberalisering in de minst ontwikkelde landen (MOL) een gering effect heeft gehad op een duurzame en substantiële indamming van de armoede en heeft bijgedragen tot achteruitgang op het vlak van de handel van ontwikkelingslanden, met name van Afrikaanse landen, en dringt er bij de EU op aan een duurzame, oprechte campagne te starten om de exportcapaciteit van deze MOL werkelijk uit te breiden door de technische steun te verhogen om de fytosanitaire normen, het eigendomsrecht, bedrijfsvaardigheden en programma's inzake toegevoegde waarde te bevorderen;

90. verzoekt de Commissie haar samenwerkings- en handelsbeleid zoveel mogelijk aan te passen om de regeringen van ontwikkelingslanden te helpen overheidsdiensten in stand te houden en te ontwikkelen, met name die diensten waarmee toegang van de gehele bevolking wordt gewaarborgd tot drinkwater, gezondheidszorg, onderwijs en vervoer;

91. dringt erop aan dat volledig rekening wordt gehouden met het feit dat ACS-landen vaak sterk afhankelijk zijn van grondstoffen, die bijzonder gevoelig zijn voor prijsschommelingen en tariefescalatie, en onderstreept het belang van diversifiëring, de ontwikkeling van verwerkende industrieën en het MKB in dit soort landen;

92. onderstreept het belang van een opbouw van capaciteit voor de handel en de noodzaak van extra middelen uit de EU om het vermogen van de ACS-landen te verbeteren hun behoeften en strategieën te bepalen, om te onderhandelen over de regionale integratie en deze te steunen, om te diversifiëren en zich voor te bereiden op liberalisering door het verhogen van de productie, het aanbod en de handelscapaciteit en door compensatie voor aanpassingskosten, en om hun vermogen om investeringen aan te trekken te verbeteren;

93. dringt er bij de Commissie op aan haar handelsgerelateerde steun uit te breiden om de opbouw van capaciteit te ondersteunen die van essentieel belang is voor arme landen willen zij de grotere concurrentie als gevolg van marktliberalisering het hoofd kunnen bieden;

94. dringt erop aan dat de middelen voor handelssteun bovenop de middelen krachtens het 10e EOF moeten komen, conform de ACS-eisen dat de EPA-aanpassing apart moet worden gefinancierd en bovenop het 10de EOF;

KLIMAATVERANDERING

95. verzoekt de EU met klem een voortrekkersrol te blijven spelen bij de bevordering van een schonere, efficiëntere benadering van een duurzame en koolstofarme ontwikkeling;

96. wijst erop dat de arme gemeenschappen in de ontwikkelingslanden het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar zeer zwaar te lijden zullen hebben onder de gevolgen ervan; verzoekt de Europese Unie aanzienlijke middelen ter beschikking te stellen om de ontwikkelingslanden in staat te stellen zich te wapenen tegen een stijging van het zeeniveau en de steeds grotere intensiteit en frequentie van extreme weersomstandigheden, zoals droogte, zware stormen, overstromingen, enz. en aan de directe gevolgen daarvan voor de volksgezondheid, de voedselproductie en watervoorziening, waardoor de ontwikkeling onder druk zou komen te staan en grootschalige migratie en bedreigingen voor de veiligheid zouden kunnen ontstaan;

97. verzoekt de EU aanzienlijke middelen ter beschikking te stellen van arme landen om zich aan te passen aan de klimaatverandering en onderstreept dat deze middelen niet eenvoudigweg van bestaande hulpbegrotingen kunnen worden overgeheveld en dat de betalingen extra en aanvullend zouden moeten zijn; is voorts van mening dat een groot deel van de inkomsten uit de veiling van toewijzingen in het kader van het Europese emissiehandelsstelsel en de belasting op koolstof gebruikt moet worden om een schone ontwikkeling in de ontwikkelingslanden te financieren;

98. onderstreept dat aanpassing niet slechts als een humanitaire kwestie of als een prioriteit alleen in verband met het klimaatverdrag mag worden behandeld; onderstreept dat risicovermindering en klimaatbeschermingsmaatregelen moeten worden opgenomen in de uitgebreide ontwikkelingsagenda, en ook in PRSPs en CSPs;

99. verzoekt de EU noodmaatregelen in te voeren om de arme landen in staat te stellen geoctrooieerde schone ontwikkelingstechnologie te vervaardigen, om te helpen de energiearmoede te bestrijden en het probleem te voorkomen dat de emissies in arme landen, wanneer zij groeien, snel omhoog gaan;

100.    onderstreept dat, hoewel energie in de millenniumverklaring niet uitdrukkelijk wordt genoemd, de beschikbaarstelling van moderne energiediensten voor de armen een essentiële voorwaarde is om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te halen; wijst erop dat de voorwaarden voor hernieuwbare energietechnologieën in vele ontwikkelingslanden uitstekend zijn en een doeltreffende wijze vormen om het hoofd te bieden aan de drastisch stijgende oliekosten en de energiebehoeften en om tevens verdere schadelijke gevolgen voor het klimaat te voorkomen; betreurt dat door de EU onvoldoende financiële middelen beschikbaar werden gesteld om de uitdaging van het gebrek aan energie onder controle te krijgen; onderstreept derhalve de noodzaak van extra middelen alsook een versterkte ondersteuning van particuliere investeringen in hernieuwbare energietechnologieën;

AGENDA VOOR DE PERIODE NA DE MILLENNIUMONTWIKKELINGSDOELSTELLINGEN

101.    benadrukt dat, als de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling worden gehaald, het aantal mensen dat in armoede leeft, binnen een decennium zal worden gehalveerd, hetgeen een enorme verwezenlijking is, maar dat dan niettemin honderden miljoenen van de armste en de meest kwetsbare mensen in chronische armoede gevangen blijven;

102.    verzoekt de EU een datum vast te stellen voor overeenstemming over een strategie ter uitbanning van de armoede na 2015;

103.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredingslanden, de Interparlementaire Unie, de Verenigde Naties en de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO.

(1)

PB C 33E van 9.2.2006, blz. 311.

(2)

PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(3)

Aangenomen teksten van die dag, P6_TA(2005)0445.

(4)

PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

(5)

Gepubliceerd in maart 2007, ISBN-nummer 9789264031050.

(6)

Aangenomen teksten van die dag, P6_TA(2006)0141.

(7)

Aangenomen teksten van die dag, P6_TA(2007)0043.

(8)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0320.

(9)

Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3), zoals gewijzigd door de Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst, ondertekend in Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27).


TOELICHTING

INLEIDING

De millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zijn tijdsgebonden, meetbare doelstellingen voor mondiaal partnerschap. Terwijl in vele delen van de wereld aanzienlijke vooruitgang in de richting van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling is geboekt, is zwart Afrika, de armste regio ter wereld, nog altijd niet op het juiste spoor.

HULP

In 2005 zegden de EU-15 toe tegen 2015 0,7% van het bruto nationaal inkomen aan officiële ontwikkelingshulp te besteden, met een tussentijdse doelstelling van 0,56% in 2010. Op zijn minst de helft van de geplande stijging van 26,5 miljard EUR tot 50 miljard EUR moet naar Afrika gaan. De Commissie heeft in haar evaluatie van de EU-strategie voor Afrika al gesteld dat deze doelstellingen zullen worden gehaald.

Vastgesteld zij evenwel dat de officiële ontwikkelingshulp in 2005 uitzonderlijk hoog lag, als gevolg van grote schuldenverlichtingsoperaties van de Club van Parijs. In 2006 steeg de bilaterale hulp aan zwart Afrika met 23% in reële cijfers tot 21 miljard EUR, maar zonder de schuldenverlichting voor Nigeria steeg de bilaterale hulp aan de regio maar met 2%. Volgens de berekeningsmethoden van de OESO mogen donors de nominale waarde van schuldkwijtscheldingen meetellen als hulp, maar de realiteit is dat schuldenverlichting geen transfer van nieuwe middelen voor ontwikkeling is. Overeenkomstig de consensus van Monterrey moet schuldenverlichting uit alle cijfers worden gehaald die bedoeld zijn om een duidelijk beeld van de eigenlijke hulp aan Afrika te geven.

Duidelijk is dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling niet zullen worden gehaald, tenzij de armste ontwikkelingslanden als aanvulling van de inzet van hun binnenlandse middelen, meer en betere hulp ontvangen. De Verenigde Naties, de Afrikaanse Unie, de G8 en de Europese Unie moeten ertoe worden aangespoord om te reageren op de huidige ramingen, die tonen dat de donors begrotingen moeten opstellen met verhogingen van ongeveer 3,7 miljard EUR per jaar, zodat de doelstelling van 18,7 miljard EUR aan reële middelen voor Afrika tegen 2010 kan worden gehaald.

Er moet ook meer engagement komen voor de uitvoering van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, waardoor essentiële financiering waarop op lange termijn kan worden gerekend, kan worden gegarandeerd.

Een andere factor die moet worden begrepen is dat er steeds meer donors zijn buiten de DAC, waaronder Rusland, China en EU-lidstaten die geen lid zijn van de DAC. Met hun betrokkenheid moet rekening worden gehouden, met name de invloed van sommige op deugdelijk bestuur, het economisch beleid en de transparantie.

MEER MIDDELEN VOOR ONTWIKKELING

Met de uitgaven voor ontwikkeling moet naar behoren rekening worden gehouden, wanneer de grondige controle van de communautaire uitgaven plaatsheeft, die in 2008 van start gaat.

Ook moeten innoverende financieringsbronnen worden onderzocht als alternatieve bronnen bovenop de officiële ontwikkelingshulp. Met de obligaties van de internationale financieringsfaciliteit voor immunisatie is 0,75 miljard EUR bijeengebracht voor immunisatie via de Wereldalliantie voor vaccins en immunisering (Global Alliance for Vaccines and Immunisation). De Franse vliegbiljetbelasting zal naar verwachting 187 miljoen EUR per jaar opleveren. Acht Afrikaanse en vier ontwikkelde landen hebben de eerste stappen voor de invoering van een luchtvaartbelasting gezet.

Nu zowel de EU-begroting als het tiende Europees Ontwikkelingsfonds tot 2013 zijn vastgesteld en beide maar een minieme stijging vertonen, moet een toename van de financiering waarschijnlijk worden gerealiseerd via de bilaterale hulppakketten van de lidstaten, hetgeen tot een proportionele verlaging van het bedrag van de EU-steun in vergelijking met de door individuele EU-lidstaten verstrekte hulp leidt. De lidstaten moeten strategieën ontwikkelen om meer geld via de Commissie te kunnen versluizen. Een suggestie was de oprichting van een specifiek fonds voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling waarmee zou worden gefocust op activiteiten om de armoede in alle arme landen terug te dringen en dat op transparante wijze en met aflegging van rekenschap zou worden beheerd.

SCHULDENVERLICHTING

De in Gleneagles gedane belofte van 100% schuldkwijtschelding voor arme landen met een zware schuldenlast (Heavily Indebted Poor Countries, HIPC) is nagekomen. Sierra Leone was het zeventiende land dat het HIPC-eindpunt haalde, eind 2006. Acht landen bevinden zich op dit ogenblik op het punt waarop een besluit wordt genomen en nog eens acht zitten in de fase vóór een besluit. Door schuldenverlichting kon 420 miljoen EUR een nieuwe bestemming krijgen als sociale uitgave in Afrika, bijvoorbeeld voor de afschaffing van schoolgelden in een aantal landen.

HANDEL

De Afrikaanse Unie heeft de internationale gemeenschap verzocht eerlijk en billijke handelssystemen in te stellen en de toegang tot haar markten te vergemakkelijken. Nu de Europese Unie als één handelsblok aan de onderhandelingen in het kader van de Doha-ronde deelneemt, is dit duidelijk een terrein waar Europa de grootste mogelijkheid heeft om veranderingen teweeg te brengen.

Op internationaal niveau en op het niveau van de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten moeten voorwaarden voor markttoegang, technische handelsbelemmeringen en beperkende oorsprongsregels worden aangepakt, alsmede ernstige capaciteitsbeperkingen.

KLIMAATVERANDERING

Het Intergouvernementeel Panel over klimaatverandering van de Verenigde Naties heft onderstreept dat de armste landen ter wereld het minst tot het probleem van de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar het zwaarst onder het verschijnsel te lijden hebben.

De Europese Unie heeft zich er al toe verplicht de broeikasgasemissies tegen 2020 met 20% te verminderen en met 30%, als er soortgelijke steun is van andere geïndustrialiseerde landen. De donors hebben tussen 2000 en 2005 ook hun financiering voor milieuprogramma's verhoogd, maar meer is nodig om arme, kwetsbare landen te helpen om zich aan te passen aan een stijging van het zeepeil, ontberingen, een toename van de droogte en extremere weersomstandigheden. De Europese Unie moet ook met de ontwikkelingslanden samenwerken om inspanningen te ontwikkelen om deze verschijnselen te beperken, door de overdracht van schone, energiebesparende en efficiënte technologie en investeringen voor het verifiëren van de gevolgen voor de koolstofemissies te ondersteunen.

TOEGANG TOT ONDERWIJS

De vooruitgang in de richting van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling inzake universeel onderwijs is volgens de Wereldbank bemoedigend, maar nog 50 miljoen Afrikaanse kinderen moeten in een school worden ingeschreven, als we de doelstellingen tegen 2010 willen halen. De eerste millenniumdoelstelling voor ontwikkeling inzake gendergelijkheid – het dichten van de genderkloof op het gebied van onderwijs – was voor 2006 vastgelegd en is niet gehaald.

Zowel door de UNESCO als in het kader van het Fast Track-initiatief van de Wereldbank wordt opgemerkt dat strategieën moeten worden gevolgd om te garanderen dat moeilijk te bereiken kinderen hun recht op basisonderwijs kunnen uitoefenen – inclusief kinderen met een handicap, kinderen uit afgelegen gebieden, kinderen uit chronisch arme gezinnen en kinderen die worden uitgesloten op grond van ras.

De kwaliteit van het onderwijs moet worden verbeterd en de UNESCO heeft erop gewezen dat het aantal leerkrachten in lagere scholen in zwart Afrika moet toenemen van 2,4 miljoen tot 4 miljoen tegen 2015, om universeel lager onderwijs van goede kwaliteit te garanderen. Internationaal ondersteunde inspanningen zijn ook nodig om landen te helpen nationale capaciteit op te bouwen om de resultaten van onderwijs op te sporen en te volgen.

De internationale partners moeten nu werken aan het dichten van de bestaande mondiale financieringskloof, die ongeveer 5,3 miljard EUR per jaar bedraagt. De Commissie verdient lof voor het feit dat zij de EU-donors in mei 2007 heeft samengebracht om toezeggingen voor basisonderwijs te doen.

TOEGANG TOT BASISGEZONDHEIDSZORG EN BESTRIJDING VAN ZIEKTEN

De beschikbaarheid van behandeling voor specifieke ziekten verbetert, maar de gezondheidsstelsels zijn zo zwak dat de vooruitgang op het gebied van de inspanningen om kinderziekten en het sterftecijfer van kinderen, zuigelingen en kraamvrouwen, terug te dringen, hopeloos traag is. Miljoenen kinderen sterven ondanks de beschikbaarheid van eenvoudige, goedkope preventieve middelen. Op dezelfde manier sterven miljoenen vrouwen in het kraambed of door zwangerschapsgerelateerde oorzaken. In Afrika is het schokkende cijfer van het overlijdensrisico bij vrouwen die bevallen, 1 op 6.

De migratie van Afrikaanse beroepslui uit de gezondheidssector vergroot deze problemen nog. Oxfam rekent voor dat in 12 landen in zwart Afrika maar 10 percent van de bevolking door de activiteiten van gezondheidswerkers wordt gedekt.

De totale uitgaven voor gezondheid zijn tussen 1990 en 2002 toegenomen van 4,1 tot 5,6% van het bruto nationaal inkomen, maar in sommige landen zijn de binnenlandse uitgaven gestagneerd of zelfs gedaald. Er blijft een groot financieringstekort om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling inzake gezondheid te halen, dat door de Wereldbank behoudend wordt geraamd op een bedrag tussen 18,7 en 37,5 miljard EUR per jaar. Ook hier is het nodig dat het Wereldfonds de toezegging krijgt van aanzienlijke vaste financiering op lange termijn.

Op dit ogenblik wordt meer dan 90% van de middelen voor onderzoek op het gebied van gezondheid besteed aan ziekten die maar tien percent van de wereldbevolking treffen. Octrooisystemen hebben misschien gefungeerd als stimulans voor onderzoek en ontwikkeling in de ontwikkelde landen, maar dit is niet het geval geweest voor de veronachtzaamde ziekten die armen treffen.

In 2000-2001 in Abuja zegden de Afrikaanse regeringen toe minimum 15% van hun begroting te besteden voor het halen van de doelstellingen op het gebied van gezondheid. Sindsdien hebben maar een paar Afrikaanse landen het gezondheidsstelsel in het kader van hun algemeen ontwikkelingsprogramma aangepakt en maar twee, Botswana en Gambia, hebben de doelstellingen van Abuja gehaald.

EEN OP RECHTEN GEBASEERDE AANPAK OM DE MILLENNIUMDOELSTELLINGEN VOOR ONTWIKKELING TE HALEN

In het Wereldontwikkelingsrapport 2006 – "Billijkheid en ontwikkeling" wordt genderongelijkheid de archetypische ongelijkheidsval genoemd. De ongelijkheid wordt weerspiegeld in de slechtere prestaties die vrouwen en meisjes voor vele millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling leveren. Diepgewortelde discriminatie tegen vrouwen blijft een grote belemmering voor het soort van vooruitgang dat het halen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling mogelijk zal maken.

De Afrikaanse Unie heeft een Handvest voor de rechten van vrouwen in Afrika ondertekend. De Europese Unie heeft zich ertoe verplicht gendergelijkheid te bevorderen in al haar acties, inclusief haar ontwikkelingssamenwerking. De Europese Unie heeft ook de Verklaring van Peking ondertekend en alle lidstaten zijn partij bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Convention on the Elimination of all Forms of Discrimination against Women, CEDAW).

Het leven van vrouwen redden houdt in dat vrouwen universele toegang wordt gegarandeerd tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en gezinsplanning, alsmede tot pre- en postnatale verzorging. De Europese Unie moet de op de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling in Caïro gedane beloften nakomen en een voortrekkersrol blijven spelen wat seksuele en reproductieve gezondheidsrechten betreft, door het financieringspeil voor alle diensten in verband met seksuele en reproductieve gezondheidsrechten te handhaven.

Net als genderrechten zijn de rechten van kinderen en personen met een handicap een horizontale kwestie, waarmee op alle beleidsterreinen en in het kader van alle programma's rekening moet worden gehouden.

VREDE EN VEILIGHEID

Vele landen boeken geen vooruitgang in de richting van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en vaak gaat het om landen die in crisis verkeren of een conflict achter de rug hebben. Een verbetering van de coördinatie op het gebied van veiligheid, stabiliseringsinpanningen, humanitair beleid en operaties met inspanningen voor ontwikkeling op lange termijn is van essentieel belang, net als de voorziening van de behoefte aan mechanismen om conflicten te voorkomen.

De Europese Unie moet vredesopbouw ondersteunen, maar ook dringend actie ondernemen op het gebied van kleine wapens, inclusief ondersteuning van het internationale wapenhandelsverdrag.

DEUGDELIJK BESTUUR

De Afrikaanse Unie heeft op zijn top van januari 2007 een handvest goedgekeurd over democratie, verkiezingen en deugdelijk bestuur en beschikt over een Afrikaans mechanisme van collegiale toetsing (African Peer Review Mechanism, APRM). Er moet nog meer worden gedaan, maar Ghana en Rwanda hebben bijvoorbeeld op hun toetsing gereageerd en ondernemen actie. Er is steun nodig voor civiele en parlementaire deelname, alsmede voor de politieke betrokkenheid van vrouwen. Corruptie en omkopen blijft een punt van zorg en vastgesteld zij dat het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (Extractive Industries Transparency Initiative) een grote stap voorwaart is.

De Europese Unie zal in het kader van EU-Afrika-strategie een aantal programma's inzake deugdelijk bestuur steunen en de partnerschapsovereenkomst van Cotonou maakt van deugdelijk bestuur een gedeelde verantwoordelijkheid.

BEGROTINGSSTEUN

Terwijl de begrotingssteun voor de ACS-landen de laatste jaren goed was voor bijna een kwart van de communautaire hulp, is de Commissie van plan dit aandeel in het kader van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds op te trekken tot meer dan 50%. Het is bijgevolg van belang dat mechanismen en monitoringinstrumenten voorhanden zijn, om ervoor te zorgen dat met de middelen die voor de algemene begroting bestemd zijn, rechtstreeks de inspanningen voor het halen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling worden gesteund.

De ontwikkelingslanden hebben steun nodig om hun eigen capaciteit voor de totstandbrenging van een coherent ontwikkelingsbeheersproces op te bouwen. Belangrijk element hierbij, vooral in Afrika, is de absorptievermogen – het is belangrijk dat het centrale karakter van dit vermogen voor het halen van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling wordt erkend.

De donors moeten ook geld schieten voor de opbouw van parlementaire capaciteit om de begrotingen en beleidsacties van regeringen te controleren. Er is ook meer toezicht nodig door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, aangezien het werk van dit orgaan betrekking heeft op de wettelijk bindende en contractuele relatie tussen de leden van het Europees Parlement en de parlementsleden van de ACS-landen.

NATIONALE STRATEGIEËN OM DE MILLENNIUMDOELSTELLINGEN VOOR ONTWIKKELING TE HALEN

Volgens het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties hebben op zijn minst 19 landen een evaluatie van de behoeften in verband met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voltooid en is in 55 andere het evaluatieproces aan de gang. Tot nu toe heeft evenwel nog geen enkel land met een laag inkomen in Afrika de beloofde steun van de internationale gemeenschap om de strategieën uit te voeren, ontvangen.

De Europese Unie, de Verenigde Naties en de financiële instellingen moeten de regeringen steunen om hun bestaande ontwikkelingsbeleid, bijvoorbeeld de strategiedocumenten voor armoedevermindering, op de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling af te stemmen, via participatieprocessen op ruime basis, en hun beloften nakomen om een verhoging als onderdeel van de nationale ontwikkelingsstrategieën te steunen.

FOCUS VAN DE COMMUNAUTAIRE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING OP ARMOEDE

Zowel in het kader van de Europese consensus voor ontwikkeling als in artikel 19 van de Overeenkomst van Cotonou en in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking wordt terugdringing en uitbanning van armoede als belangrijkste doelstelling van de communautaire samenwerking met de ontwikkelingslanden aangemerkt. Het Europees Parlement is bezorgd over het feit dat de communautaire hulp voor vervoer en andere infrastructuurprojecten in 2005 ongeveer 817miljoen EUR bedroeg, terwijl de uitgaven voor onderwijs en gezondheid respectievelijk 185 miljoen EUR en 239 miljoen EUR bedroegen – hoewel een analyse van de eigenlijke uitgaven in deze sectoren in het kader van begrotingssteun moeilijk is. Belangrijk is dat de communautaire steun voor de vervoerssector een duidelijke en expliciete link met de terugdringing van armoede moet hebben.

Es is bezorgdheid over het feit dat, terwijl de criteria voor communautaire steun mensenrechten en democratie omvatten, er ook elementen zijn die Europese economische en geopolitieke belangen in het programmeringsproces brengen. Het nationale en regionale ontwikkelingsbeleid moet democratisch worden bepaald door de bevolking zelf en de respectieve regeringen moeten via democratische instellingen verantwoording bij de bevolking afleggen, en dit beleid mag geen voorwaardelijk karakter hebben afhankelijk van de strategische belangen van de donors.

Het Europees Parlement wil graag een meer flexibel en aanpasbaar Europees Ontwikkelingsfonds zien, vooral omdat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zelf niet in steen gebeiteld zijn.

DONORCOÖRDINATIE

De EU-gedragscode inzake de taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid komt op een gepast moment en heeft het potentieel om de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten te verbeteren. Onzeker blijft evenwel hoeveel succes een vrijwillige code uiteindelijk kan hebben.

DE AGENDA VOOR DE PERIODE NA DE MILLENNIUMDOELSTELLINGEN VOOR ONTWIKKELING

Zelfs als de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling worden gehaald, zullen er nog altijd miljoenen chronisch arme mensen zijn die niet zijn bereikt. Een mondiale strategie voor de uitbanning van armoede heeft tijd nodig om tot stand te komen, zodat de EU tegen 2010 een strategie klaar moet hebben om dit probleem aan te pakken.

CONCLUSIE

De 100% kwijtschelding van multilaterale schulden was een geweldige doorbraak, maar wat hulp betreft, moet naar een hogere versnelling worden geschakeld, omdat de Europese hulp, afgezien van de schuldkenwijtschelding, niet voldoende stijgt om de beloften van Gleneagles na te komen. Wat handel betreft, is de vooruitgang teleurstellend, met name omdat een aanpassing van de handelsregels de armen meer zou helpen dan een vervijfvoudiging van de hulp.

In 2005 betoogden duizenden van onze burgers met spandoeken "Make Poverty History" (armoede de wereld uit) en Oxfam heeft verklaard dat al een reële verbetering in de levens van een aantal van de armste mensen ter wereld kan worden vastgesteld. Het is tijd om te erkennen dat er sociale en politieke verandering heeft plaatsgehad en het inzicht groeit dat we niet moeten vragen om liefdadigheid, maar om rechtvaardigheid.


PROCEDURE

Titel

De millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling – halverwege

Procedurenummer

2007/2103(INI)

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

DEVE

6.6.2007

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

FEMM
6.6.2007

INTA
6.6.2007

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

FEMM
8.5.2007

INTA
7.5.2007

 

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Glenys Kinnock
28.2.2007

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

11.4.2007

2.5.2007

4.6.2007

5.6.2007

 

Datum goedkeuring

5.6.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

18

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Margrietus van den Berg, Josep Borrell Fontelles, Danutė Budreikaitė, Corina Creţu, Nirj Deva, Alexandra Dobolyi, Fernando Fernández Martín, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Luisa Morgantini, José Javier Pomés Ruiz, Miguel Portas, Horst Posdorf, José Ribeiro e Castro, Toomas Savi, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Johan Van Hecke, Luis Yañez-Barnuevo García, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Pasqualina Napoletano, Anne Van Lancker, Ralf Walter

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Datum indiening

11.6.2007

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

 

 

Juridische mededeling - Privacybeleid