VERSLAG over een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën

    15.6.2007 - (2006/2299(INI))

    Commissie vervoer en toerisme
    Rapporteur: Willi Piecyk
    Rapporteurs voor advies(*):
    Satu Hassi, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
    Struan Stevenson, Commissie visserij
    (*) Nauwere samenwerking tussen commissies – Artikel 47 van het Reglement

    Procedure : 2006/2299(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0235/2007
    Ingediende teksten :
    A6-0235/2007
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën

    (2006/2299(INI))

    Het Europees Parlement,

    –       onder verwijzing naar het Groenboek van de Europese Commissie "Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën" (COM(2006)0275),

    –       gelet op artikel 299, 2e lid van het verdrag van de EU,

    –       gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

    –       gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie visserij en de Commissie regionale ontwikkeling (A6‑0235/2007),

    A.     overwegende dat de zeeën en oceanen een wezenlijke bijdrage leveren aan de geografische omvang en rijkdom van de EU en via de randgebieden aan de EU een kustlijn ‘bieden’ van 320.000 kilometer, waar een derde deel van de bevolking van Europa woont, waarvan 14 miljoen mensen op eilanden,

    B.     overwegende dat de maritieme industrie en dienstverlening, de grondstoffen buiten beschouwing gelaten, 3-6% en de kustregio's in totaal 40% bijdragen tot het bruto binnenlands product; overwegende dat 90% van de buitenlandse handel en 40% van de interne handel in de EU over zee gaat en de Europese vloot een aandeel van 40% van de wereldvloot heeft,

    C.     overwegende dat de toepassing van de strategie van Lissabon op het maritieme beleid niet alleen betrekking heeft op het verbeteren van de competitiviteit, maar ook een invloed moet hebben op andere pijlers van de strategie, zoals het tot stand brengen van een duurzamere en hoogwaardigere maritieme werkgelegenheid in de EU,

    D.     overwegende dat door de oceanen en zeeën van Europa grote transportroutes lopen waarlangs een aanzienlijk aandeel van het transportvolume plaatsvindt; overwegende dat de oceanen en zeeën mondiaal gezien nog over een groot potentieel aan capaciteit beschikken; overwegende dat de oceanen en zeeën derhalve niet alleen een belangrijke ecologische, maar ook een sociale en economische waarde hebben,

    E.     overwegende dat het scheepsverkeer een aandeel van circa 4% in de wereldwijde CO2-uitstoot heeft, wat overeenkomt met maximaal 1000 miljoen ton en overwegende dat maritieme emissies geen deel uitmaken van het Protocol van Kyoto; overwegende dat volgens een studie van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) de maritieme emissies van klimaatgassen tot 2020 met meer dan 70% zullen stijgen; overwegende dat naast CO2 ook grote hoeveelheden andere broeikasgassen jaarlijks uit de koelsystemen aan boord ontsnappen;

    F.     overwegende dat bij veel maritieme activiteiten de verbetering van de prestaties een gevolg is van innoverende ideeën met betrekking tot de scheepvaart; overwegende dat de Europese scheepsbouwindustrie samen met haar uitgebreide netwerk van producenten en dienstverleners over de hele wereld de drijvende kracht is achter de vernieuwing van maritieme uitrusting,

    G.     overwegende dat de scheepvaart minder broeikasgassen per tonkilometer produceert dan enige andere vervoerswijze en dat de efficiency binnen deze sector door technologische ontwikkeling voortdurend wordt verbeterd; overwegende dat er een sterke politieke wil bestaat om de scheepvaart te bevorderen als middel om de uitstoot van broeikasgassen door het goederenvervoer te reduceren,

    H.     overwegende dat volgens ramingen van het milieuprogramma van de Verenigde Naties circa 80% van de vervuiling van de zee door lozingen vanaf het land wordt veroorzaakt,

    I.      overwegende dat het zeevervoer ook verantwoordelijk is voor de lozing van aanzienlijke hoeveelheden van de meest uiteenlopende afvalwateren in zee, waaronder afvalwater van het reinigen van tanks, afvalwater van de boordkeukens, wasserijen en sanitaire installaties, ballastwater, onbedoelde olielozingen tijdens de vaart; overwegende dat ook de meest uiteenlopende vaste afvalstoffen bij de exploitatie van een schip ontstaan, en dat slechts een gering deel daarvan in de havenontvangstinstallaties wordt afgegeven, en het merendeel hetzij in volle zee wordt verbrand of eenvoudig over boord wordt gegooid,

    J.      overwegende dat grote schepen inmiddels grote hoeveelheden bunkerolie bij zich hebben, en dat deze olie bij een ongeluk of incident aanzienlijke milieuschade kan aanrichten en reeds aanzienlijke milieuschade heeft aangericht, met weinig mogelijkheden voor het aanwenden van rechtsmiddelen,

    K.     overwegende dat volgens officiële ramingen circa 80% van de ongevallen op zee het rechtstreeks gevolg is van menselijk falen,

    L.     overwegende dat enkele lidstaten, zoals Griekenland en Duitsland, reeds minimum quota voor Europese zeelieden op schepen vanaf een bepaalde omvang hebben ingevoerd, om de know-how in het land te houden,

    M.    overwegende dat thans het merendeel van de grote schepen aan het eind van hun gebruik in sloopwerven in ontwikkelingslanden onder onaanvaardbare sociale en ecologische omstandigheden worden gesloopt, en dat in de meeste gevallen de verkoop van deze schepen aan opkopers buiten Europa bedoeld is om het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende afvalstoffen en de verwijdering ervan te omzeilen, waarin staat dat deze schepen als speciaal afval een exportvergunning moeten hebben,

    N.     overwegende dat het zeewaterpeil is gestegen, waardoor de kustgebieden, alsmede de daar wonende bevolking en hun economische activiteiten, zoals het kusttoerisme, worden bedreigd,

    O.     overwegende dat de diversiteit van de activiteiten op zee en langs de kusten een flexibele ruimtelijke ordening door de lidstaten en hun autoriteiten vereist,

    P.     overwegende dat de EU zich bij andere middelen van vervoer wereldwijd in de voorste linies bevinden als het gaat om de beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen en dat daardoor de Europese industrie tot de meest innovatieve en wereldwijd meest vooraanstaande behoort, en dat een duurzame toekomst van de Europese industrie op lange termijn alleen door innovatie kan worden gewaarborgd,

    Q.     overwegende dat intussen het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (FRONTEX), het Visserijagentschap en het Milieuagentschap diverse agentschappen van de EU, met uiteenlopende, de zeeën betreffende taken zijn en dat er tussen deze agentschappen blijkbaar geen officiële uitwisseling van gegevens bestaat,

    R.     overwegende dat de snelwegen op zee sinds 2004 tot de 30 prioritaire projecten van het TEN-vervoersnetwerk behoren, maar dat er nauwelijks vooruitgang geboekt is,

    S.     overwegende dat de oceanen en zeeën de basis vormen voor elke vorm van leven op aarde en een belangrijke rol spelen bij de verandering van het klimaat; overwegende dat bescherming en duurzame waarborging van hun hulpbronnen een belangrijk doel van een geïntegreerd zeebeleid zou moeten zijn; overwegende dat een kwart van de mariene visbestanden gevaar loopt en dat van dit kwart 17% overbevist en 7% sterk achteruitgegaan is; overwegende dat slechts 1% van de bestanden zich langzaam herstelt en overwegende dat 52% van de visbestanden reeds zodanig wordt uitgebuit dat hun aantallen niet meer kunnen worden aangevuld, en dat wetenschappers waarschuwen dat de commerciële visvangst reeds in het midden van deze eeuw (2048) zou kunnen instorten,

    T.     overwegende dat de visserij een sterk gereguleerde economische sector is en er daarom maatregelen moeten genomen worden om ervoor te zorgen dat de regelgeving leidt tot een goede werkwijze en goede resultaten; overwegende dat ter wille van de duurzaamheid rekening moet worden gehouden met de vele uiteenlopende factoren die van invloed zijn op de situatie van de visbestanden, zoals de klimaatverandering, de aanwezigheid van predatoren, verontreiniging, aardolie- en aardgasexploratie en -boringen, windmolenparken op zee, en zand- en grindwinning,

    U.     overwegende dat de visserijsector van de EU over twintig jaar als gevolg van externe factoren zoals klimaatverandering en door menselijk toedoen een metamorfose zal hebben ondergaan, en overwegende dat het van cruciaal belang is de oorzaken van de klimaatverandering effectief aan te pakken, aangezien de situatie met betrekking tot de kabeljauw in de Noordzee duidelijk maakt dat deze transformatie al een feit is,

    V.     overwegende dat de zee en de oceanen een belangrijke rol spelen in de productie van energie uit alternatieve bronnen en de mogelijkheden voor een meer zekere energievoorziening verruimen,

    W.    overwegende dat de specifieke kenmerken van de Europese randgebieden en eilanden dient te worden onderkend, met name illegale immigratie, natuurrampen, transport en de bijdrage die ze leveren aan de biodiversiteit,

    X.     overwegende dat een groot deel van de buitengrenzen van de EU door zee wordt gevormd en de bewaking en de bescherming daarvan voor de aan zee gelegen lidstaten hogere kosten met zich meebrengen,

    Y.     overwegende dat de Middellandse Zee en de Zwarte Zee worden gedeeld door lidstaten van de EU en derde landen en dat laatstgenoemde over minder middelen beschikken om regelgeving op het gebied van milieu, beveiliging en veiligheid uit te voeren,

    1.      begroet de presentatie van "een toekomstig maritiem beleid voor de Europese Unie: een Europese visie op de oceanen en zeeën" door de Commissie en steunt de "geïntegreerde opzet" voor het zeebeleid, waarin in een eerste aanzet maritieme beleidsterreinen als werven, scheepvaart, scheepsveiligheid, toerisme, visserij, havenbeleid, zeemilieu, onderzoek, industrie, ruimtelijke ordening en andere worden geschetst en hun wederzijdse afhankelijkheid wordt verwoord; ziet voor de EU en de lidstaten een kans om een op de toekomst georiënteerd maritiem beleid te ontwikkelen, dat bestaat uit een verstandige combinatie van bescherming van het zeemilieu en een innovatief, intelligent gebruik van de zeeën, en waarbij het waarborgen van duurzaamheid in het maritiem beleid centraal blijft staan; de EU heeft de kans een voortrekkersrol te gaan spelen bij een innovatief en duurzaam maritiem beleid, hetgeen een gemeenschappelijke wil van de lidstaten impliceert; stelt vast dat het Parlement in de toekomst elk Raadsvoorzitterschap zal afrekenen op vooruitgang op het gebied van het Europees maritiem beleid;

    2.      begroet een maritiem beleid dat vraagt om de integratie van beleid, maatregelen en beslissingen die met maritieme kwesties verband houden en een betere coördinatie, een grotere openheid en meer samenwerking stimuleert tussen alle partijen van wie de maatregelen een effect op de Europese oceanen en zeeën hebben;

    3.      stelt vast dat men, aangezien de verantwoordelijkheid voor het beleid en de maatregelen met betrekking tot de zeeën verdeeld is over de autoriteiten van de EU, de nationale regeringen en regionale en locale autoriteiten, op alle bestuursniveaus zou moeten streven naar een meer gecoördineerde aanpak, zodat kan worden gegarandeerd dat er bij de door hen genomen maatregelenten ten volle rekening gehouden wordt met de veelvuldige interacties die daartussen optreden;

    4.      ondersteunt het principe om het Europees maritiem beleid in de strategie van Lissabon te verankeren teneinde economische groei en werkgelegenheid te bevorderen op een duurzame wijze die is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten; onderstreept het belang van de zeescheepvaart in termen van transportvolume en economische effecten; moedigt de Commissie aan om bestaande wetgeving te herzien in de geest en de context van het initiatief van de Commissie voor betere regelgeving, en van de strategie van Lissabon; onderstreept dat voorrang dient te worden gegeven aan een betere toepassing van bestaande wetgeving en de verbetering daarvan door de Europese Commissie en de lidstaten; wijst met nadruk op de toegvoegde waarde van Europa bij practische initiatieven, bijvoorbeeld om te komen tot meer coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten om aldus mogelijke overlappingen of contradicties te voorkomen;

    Klimaatverandering als grootste uitdaging van het maritiem beleid

    5.      onderstreept met het oog op de huidige discussie over klimaatverandering en de eerste publicaties in het vierde evaluatieverslag van het Intergouvernementeel Panel, dat alle betrokkenen zich ervan bewust moeten zijn dat de tijd om te handelen al lang gekomen is en dat de Gemeenschap nog maar dertien jaar heeft om door nieuwe technologieën een klimaatramp te voorkomen; stelt vast dat specifieke scenario's volgens het verslag gaan over de stijging van de zeespiegel, die vooral voor de aan zee gelegen landen schadelijk zijn, hittegolven, overstromingen, stormen, bosbranden en droogtes in de hele wereld; onderstreept dat er ook een potentieel probleem is met betrekking tot klimaatvluchtelingen, alsmede andere problemen op het gebied van internationale veiligheid, die het gevolg zijn van mogelijke conflicten rond gemeenschappelijke hulpbronnen;

    6.      onderstreept dat de EU in de strijd tegen klimaatverandering een vooraanstaande en richtinggevende rol moet spelen; onderstreept dat de Gemeenschap gebruik moet maken van haar sterke kanten op het gebied van onderzoek en innovatie, een voortrekkersrol moet spelen en op internationaal niveau als één blok moet optreden;

    7.      wijst erop dat op het land en op zee opgewekte windenergie zeer omvangrijke ontwikkelingsmogelijkheden omvat en in aanzienlijke mate kan bijdragen tot bescherming van het klimaat, en verzoekt de Commissie derhalve om maatregelen door een staf- of coördinatiepunt voor windenergie op te zetten en een actieprogramma voor windenergie op gang te brengen;

    8.      wijst erop dat klimaatverandering een realiteit is; onderstreept dat het Europees maritiem beleid een aanzienlijke bijdrage moet leveren aan de bestrijding van de klimaatverandering, door ten minste drie beleidsvormen: ten eerste moeten de emissies van schepen, zoals CO2, SO2 en stikstofoxide drastisch worden teruggebracht; ten tweede dienen ook in de scheepvaart de mogelijkheden voor emissiehandel zorgvuldig te worden bestudeerd; ten derde moet het gebruik en de bevordering van duurzame vormen van energie op schepen, zoals wind en zon, een feit worden;

    9.      is verontrust over berichten dat de uitworp van koolstofdioxide ten gevolge van activiteiten op zee omvangrijker zou zijn dan voorheen werd aangenomen; deze staat momenteel voor 5% van de mondiale uitworp en neemt naar verwachting in de komende 15 tot 20 jaar toe tot niet minder dan 75% tenzij maatregelen worden genomen om de ontwikkeling te keren; wijst erop dat de uitworp van broeikasgassen door vissersvaartuigen aanzienlijk is; neemt kennis van het gebrek aan vooruitgang dat de IMO ter zake boekt ondanks de taak die haar tien jaar geleden in het Protocol van Kyoto is toegewezen; verzoekt de Commissie wetgeving voor te stellen om de uitworp van broeikasgassen ten gevolge van activiteiten op zee daadwerkelijk terug te dringen en dringt er bij de EU op aan maatregelen van doorslaggevende betekenis te nemen om de maritieme sector op te nemen in de internationale klimaatverdragen;

    10.    erkent dat de uiteenlopende vormen van beleid, wil de mariene strategie de 'milieupijler' van het maritiem beleid zijn, elkaar volkomen dienen aan te vullen om te waarborgen dat de EU-aanpak consequent is; beseft dat de opslag van koolstofdioxide in geologische structuren onder de zeebodem deel kan vormen van een pakket maatregelen ter beperking van de uitworp van broeikasgassen in de atmosfeer en verzoekt om het opzetten van een duidelijk wet- en regelgevend kader voor het inzetten van deze technologie;

    11.    stelt met nadruk dat het voor de ontwikkeling van eilanden en kustgebieden van het allergrootste belang is dat er kwantitatieve grenzen worden gesteld aan de uitstoot van fosfor en stikstof in de Oostzee, omdat een goede toestand van deze zee voor het toerisme en aanverwante sectoren van fundamenteel belang is; stelt vast dat er behoefte is aan een duidelijk, begrijpelijk geheel van regels en een handboek waarin duidelijk uitleg wordt gegeven van de stimuleringsmaatregelen en hun consequenties;

    12.    dringt er, verontrust over de gevolgen die de klimaatverandering zelfs volgens de meest positieve draaiboeken voor bescherming van het klimaat met zich meebrengt voor de ecosystemen in zee, op aan dat de nodige aandacht wordt geschonken aan de extra kwetsbaarheid van het mariene milieu voor andere spanningselementen die deze gevolgen met zich meebrengen; dringt er met klem op aan dat de uitworp van broeikasgassen door activiteiten op zee zo snel mogelijk wordt aangepakt met doelmatige maatregelen zoals uitbreiding van de handel in uitworp tot het scheepvaartverkeer en uitbreiding van het gebruik van duurzame energie voor de aandrijving van schepen;

    13.    wijst er met klem op dat bij de planning van projecten, met name stadsontwikkeling, industrielocatie, havens en jachthavens, recreatielocaties, enz. langs de lange kust van de Gemeenschap uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering en de hiermee verband houdende stijging van de zeespiegel, o.m. het toenemende aantal en de toenemende kracht van stormen en de grotere golfhoogte; dringt er met klem op aan dat er in kustgebieden geen nieuwe kerncentrales worden gebouwd;

    14.    acht het van groot belang dat er een vroegtijdig waarschuwingssysteem komt langs de kusten van de Atlantische Oceaan die mogelijk door een tsunami kunnen worden getroffen;

    15.    meent dat het daarom van groot belang is een tijdschema te coördineren om marine strategische actieplannen op belangrijke programma’s op het niveau van de EU, zoals de structuurfondsen van de EU, af te stemmen ten einde daarmee het grootst mogelijke profijt te kunnen trekken van coördinatie met bestaande programma's; is van mening dat de actieplannen daarom uiterlijk in 2012 moeten zijn aangepast om zo de coördinatie met de opzet van structuurplannen vanaf 2014 te vergemakkelijken; benadrukt dat coördinatie met het fonds voor de landbouw van de EU van bijzonder groot belang is voor de regio’s waar landbouw voor een belangrijk deel van de lozingen in zee verantwoordelijk is;

    De betere Europese scheepvaart met het betere Europese schip

    16.    onderstreept dat zeevervoer een onmisbaar bestanddeel is van het wereldwijd economisch systeem, en dat het vervoer van goederen per schip thans voor het milieu een van de minst schadelijke vervoerswijzen is; is niettemin van mening dat scheepvaart aanzienlijke milieuvervuiling teweegbrengt en dat daarom een duurzaam evenwicht tussen milieubescherming en economisch gebruik van de Europese oceanen absoluut noodzakelijk is, waarbij het waarborgen van duurzaamheid de hoogste prioriteit dient te hebben; verzoekt de Commissie om dat evenwicht bij het uitwerken van (toekomstige) voorstellen inzake maritiem en havenbeleid te waarborgen;

    17.    benadrukt dat het aanmoedigen van maritiem vervoer als duurzame vervoerswijze de ontwikkeling en uitbreiding van havens en havengebieden noodzakelijk maakt; stelt vast dat de habitat-[1] en vogel[2]richtlijnen alleen de mogelijke negatieve effecten hiervan op lokaal niveau afwegen zonder de positieve effecten voor het milieu in overweging te nemen; vraagt dan ook om een juiste en uitgebreide afweging van alle milieuvoordelen van de ontwikkeling van havenprojecten tegenover een eventueel verlies en compensatie van habitat op locaal niveau, en wel op basis van artikel 6 van de Habitatrichtlijn; vraagt de Commissie richtsnoeren uit te werken die specifiek zijn gericht op het integreren van de milieuvoordelen van maritiem vervoer en havenontwikkeling op EU-niveau in een eerder stadium van de besluitvormingsprocedure waarin wordt voorzien in artikel 6 dan in de uitzonderingsmogelijkheid genoemd in artikel 6, lid 4; vraagt de Commissie tevens om bij haar herziening van de habitat- en vogelrichtlijn niet alleen rekening te houden met de ecologische, maar ook met de economische gevolgen van deze richtlijnen op de omgeving;

    18.    is van mening dat Europees maritiem beleid erop gericht dient te zijn de positie van de Europese maritieme bedrijfstakken en gespecialiseerde activiteiten te versterken en elk beleid te vermijden dat ertoe leidt dat men uitwijkt naar vlaggen van derde landen, de veiligheid en de bescherming van de zeeën in gevaar brengt en een verarming van de Europese economie met zich meebrengt; onderstreept dat de bescherming van het mariene milieu beter kan worden bereikt via een internationale regelgeving die geldt voor alle schepen, ongeacht de vlag waaronder ze varen en de havens waar ze aanlopen;

    19.    is van mening dat een innovatieve en concurrerende Europese scheepsbouw van cruciaal belang is voor een duurzame groei overeenkomstig de strategie van Lissabon; onderstreept dat, gezien de toenemende productiecapaciteit elders, de positieve ontwikkelingen op de Europese scheepswerven niet tot zelfgenoegzaamheid mogen leiden, en verlangt derhalve verdere inspanningen om het concurrentievermogen te vergroten en een vlak speelveld te waarborgen;

    20.    doet een beroep op de Commissie om de Europese scheepswerven, die voortdurend worden blootgesteld staan aan oneerlijke concurrentie van Aziatische scheepsbouwers, te ondersteunen door een interventie op het vlak van de WTO;

    21.    verwelkomt het werkdocument van de Commissie ‘LeaderSHIP 2015 Voortgangsverslag’ (COM(2007)0220), en wijst in het bijzonder op het success van de nieuwe, alomvattende aanpak van industriebeleid, waarin LeaderSHIP2015 als een van de eerste sectorale initiatieven een pioniersrol vervulde;

    22.    benadrukt dat een betere (grensoverschrijdende) coördinatie en samenwerking tussen zeehavens en een meer evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden tussen havens op Europees niveau in aanzienlijke mate kunnen bijdragen tot het vermijden van niet-duurzaam vervoer over land;

    23.    beschouwt een voortrekkersrol van de EU met strengere grenswaarden niet als een belemmering, maar als een kans voor de Europese industrie; dringt er dan ook bij de lidstaten en de Gemeenschap op aan, het onderzoek naar en de ontwikkeling van efficiënte en schone scheeps- en haventechnieken sterker te stimuleren;

    24.    erkent dat de uitworp van luchtverontreinigende stoffen vanaf schepen binnen afzienbare tijd omvangrijker zal zijn dan die vanaf het land, verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van de thematische strategie voor de luchtkwaliteit nogmaals spoedig maatregelen te nemen om de uitworp door de scheepvaartsector te beperken en verzoekt de Commissie voorstellen te doen om

    –  een norm voor de uitworp van NOx te bepalen voor schepen die gebruik maken van havens in de EU,

    –  de Middellandse Zee en het Noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan aan te wijzen als beheersgebied voor SOx-emissie (SOxECA )overeenkomstig het MARPOL-Verdrag,

    –  het maximaal toegestane zwavelgehalte in voor gebruik in SOxCA op zee bestemde brandstoffen voor passagiersschepen te verlagen van 1,5 tot 0,5%,

    –  belastingmaatregelen in te voeren, zoals belastingen of heffingen op de uitstoot van SO2 en NOx door schepen,

    –  de invoering te stimuleren van verschillende tarieven voor het gebruik van havens en vaargeulen, die gunstiger zijn voor vaartuigen met een geringe uitworp van SO2 en NOx,

    –  het gebruik te bevorderen van vanaf de wal geleverde elektriciteit wanneer schepen in havens liggen,

    –  te komen tot een EU-richtlijn inzake de kwaliteit van voor de scheepvaart bestemde brandstoffen;

    25.    ziet grote mogelijkheden tot vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van CO2 in het maritieme vervoer, in het bijzonder door fiscale prikkels om dergelijke brandstoffen te gebruiken en het geven van meer stimulansen aan onderzoek en ontwikkeling en, onder meer door het gebruik van en het verdere onderzoek naar biobrandstoffen, alsmede het gebruik van windenergie voor de aandrijving van schepen te bevorderen; benadrukt evenwel de noodzaak van een bindende ecologische en sociale certificatie van biobrandstoffen om erop toe te zien dat het onbetwist vaststaat dat de klimaatefficiëntie en CO2-balans daarvan over de gehele productiecyclus positief is;

    26.    is van mening dat inspanningen met het oog op de preventie en aanpak van door schepen veroorzaakte vervuiling niet beperkt dienen te blijven tot de verontreiniging door olie, maar zich uit te strekken tot alle typen vervuiling, in het bijzonder die welke veroorzaakt worden door gevaarlijke en giftige stoffen; stelt vast dat de rol van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart daarbij van wezenlijk belang is en dat het geleidelijk meer taken zou moeten krijgen, ook al zouden deze aanvullend moeten zijn ten opzichte van de taken welke door de lidstaten bij de preventie en aanpak van vervuiling worden vervuld; is daarom van oordeel dat een passende financiering van de taken die aan het EMSA zijn toevertrouwd dient te worden gewaarborgd;

    27.    neemt met instemming kennis van de komst van CleanSeaNet, het operationele systeem voor bewaking en opsporing van vervuiling door schepen, waardoor het de kuststaten makkelijker wordt gemaakt om vervuilers in gebieden die onder hun jurisdictie vallen te localiseren en te identificeren; dringt bij de lidstaten aan op een spoedige aanpassing van Richtlijn 2005/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 zodat deze ook van toepassing wordt op vervuiling afkomstig van schepen, en op de invoering van straffen voor overtredingen[3];

    28.    waardeert de activiteiten van de Commissie op het gebied van scheeps- en zeeveiligheid na de scheepsrampen met de "Erika" en de "Prestige" die vooral zijn gebleken uit de pakketten maatregelen ten behoeve van de maritieme veiligheid;

    29.    verzoekt de Raad "Vervoer" nadrukkelijk zich snel te buigen over het "Derde pakket wetgeving ten behoeve van de maritieme veiligheid" en samen met het Europees Parlement een besluit te nemen om te voorkomen dat er een gebrek aan geloofwaardigheid ontstaat;

    30.    verzoekt de Commissie om in geval van ongelukken of incidenten alle middelen met betrekking tot de burgerlijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid in te zetten conform het subsidiariteitsbeginsel, het beginsel van verdeling der bevoegdheden en het internationaal juridisch kader;

    31.    herinnert aan de besluiten van het Europees Parlement over de verbetering van de veiligheid op zee (Mare-commissie) en verzoekt de Commissie bij de volgende maatregelen meer rekening te houden met de "menselijke factor";

    32.    stelt verontrust vast dat de Oostzee momenteel een van de meest vervuilde zeeën ter wereld is en wijst de Commissie andermaal op zijn vorige verzoek om een aanbeveling op te stellen voor een EU-strategie voor de Oostzee, waarin maatregelen worden voorgesteld ter verbetering van de milieusituatie van de Oostzee, met name ter beperking van de eutrofiëring van de Oostzee en ter voorkoming van de lozing in zee van olie en andere giftige en schadelijke stoffen; wijst er nogmaals op dat bestaande samenwerkingsinstrumenten zoals INTERREG-programma's ten volle moeten worden ingezet bij de tenuitvoerlegging van interregionale projecten ter verbetering van de situatie van de Oostzee;

    33.    verlangt voor ecologisch gevoelige en uit navigatieoogpunt moeilijke maritieme gebieden in de Oostzee, met name voor de vaargeul in het Sagerrak/Kattegatt, Grote Belt en Sont, de invoering van speciale zones, die niet meer door zeeschepen, vooral olietankers, zonder loods mogen worden bevaren, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de aanzet te geven dat de nodige stappen door de bevoegde internationale instanties, met name de IMO, worden genomen;

    34.    herinnert de Commissie aan zijn eis om zo spoedig mogelijk een voorstel voor te leggen aan de Raad en het Parlement, om ervoor te zorgen dat bunkerolie die gebruikt wordt als brandstof in nieuwe schepen ook in veilige dubbelwandige tanks wordt opgeslagen, omdat vracht- of containerschepen vaak zware stookolie als brandstof hebben, waarvan de hoeveelheid vaak veel groter kan zijn dan de vracht van kleine olietankers; vooraleer een dergelijk voorstel voor te leggen, dient de Commissie eerst na te gaan of de bestaande IMO-regels, zoals vastgelegd in resolutie 141(54) van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu (MEPC) al dan niet voldoende zijn om het veilig vervoer van bunkerolie die als brandstof gebruikt wordt te garanderen;

    35.    verzoekt de Commissie om een verscherpte waakzaamheid waar het gaat om de toepassing van de regelgeving inzake het verplicht gebruik van een dubbelwandig casco;

    36.    verlangt de hoogste veiligheidsnormen voor alle schepen die Europese havens aandoen en pleit in dit verband voor een voortrekkersrol voor Europa; is zich bewust van het feit dat deze eisen niet kunnen worden uitgebreid tot alle schepen in de 2000-mijlszone;

    37.    is bezorgd over het feit dat steeds minder goed opgeleide jonge Europeanen als officieren en manschappen op Europese schepen werken, en dat daardoor gevreesd moet worden voor een enorme brain drain; is van mening dat betere arbeidsvoorwaarden, conform de bepalingen zoals neergelegd door de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de IMO, ertoe kunnen bijdragen dat meer Europeanen voor een carrière op zee worden gewonnen;

    38.    spoort de lidstaten en de actoren in de maritieme sector aan om de loopbaanplanning en de mogelijkheden voor een opleiding gedurende het hele leven in de maritieme sector te herzien, ten eerste om een betere beoordeling van de verworven competenties en ervaring in praktijk te brengen, en ten tweede om systemen te introduceren waardoor het mogelijk wordt over te stappen tussen werk aan zee of op de wal, zodat de vakkennis bewaard blijft en de loopbaanperspectieven aantrekkelijker worden;

    39.    is van mening dat, zoals voorgesteld in bovengenoemd Groenboek, de uitsluiting van zeevarenden van sociale richtlijnen door de sociale partners dient te worden herzien;

    40.    verzoekt lidstaten en reders om voor de opleiding van goede zeelieden en officieren een partnerschap aan te gaan, zoals in Denemarken reeds met succes wordt gedaan, en door hun opleidings- en trainingsbeleid de kennis van en het enthousiasme voor het maritieme erfgoed te vergroten en daarmee extra prikkels te geven om te kiezen voor activiteiten en beroepen die met de zee samenhangen; verlangt dat de Commissie de nodige voorwaarden schept om deze partnerschappen financieel en met advies te steunen;

    41.    verlangt de invoering van een Europees kwaliteitsmerk voor schepen, conform het classificatieschema van de witte lijst van de IMO, die voldoen aan de nieuwste veiligheids- en sociale normen, waardoor deze schepen een prioritaire behandeling in het kader van de havenstaatcontrole wordt gegarandeerd;

    42.    wijst op de schaarste van deskundige en goed opgeleide beroepsmensen in de sector; stelt voor speciale opleidingscursussen te ontwikkelen voor schippers en bemanningen van vissersvaartuigen, zodat zij een basiskennis verwerven van de takken van wetenschap die voor hun sector van belang zijn, waaronder inzicht in het belang van milieuzorg en ‑duurzaamheid ter ondersteuning van de progressieve ontwikkeling van een ecosysteemgerichte aanpak van het succesvol visserijbeheer;

    43.    dringt er bij de Commissie op aan beroepsomscholingsprogramma's voor vissers te creëren, waarbij ze worden aangemoedigd om zich te concentreren op nieuwe praktijken die de benutting van de kennis inzake werken op zee bevorderen; wijst de aquacultuur op volle zee en ecotoerisme aan als mogelijke doelgroepen;

    44.    wijst op het belang van verbetering van het imago van de visserijsector, die momenteel laag in aanzien staat; is van mening dat een betere bescherming van de gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden aan boord van vissersvaartuigen en een betere salariëring en betere arbeidsvoorwaarden voor bemanningen alleen kunnen worden bewerkstelligd als de sector duurzaam en winstgevend kan opereren, en dat er meer middelen moeten worden besteed aan onderzoek en opleiding ter verbetering van kennis en vaardigheden;

    45.    merkt op dat de totstandbrenging van voorwaarden die de hygiëne, de veiligheid en het comfort van de werknemers in de visserijsector garanderen, zowel voor de vissers zelf als voor de werknemers in de toeleverende en afnemende sectoren, een hoofddoelstelling is van een beleid voor de zeeën en oceanen;

    46.    is van mening dat het denkbeeld van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in verband met het behoud van het mariene milieu van beperkte waarde is vergeleken met wetgeving, en dat een adequate wetgevende basis het Gemeenschapsprogramma voor milieubehoud daarom ook in de toekomst moet onderbouwen en dat het kan worden uitgebreid met vrijwillige maatregelen van bedrijven die willen laten zien dat zij verantwoord te werk gaan;

    47.    veroordeelt de voorwaarden waaronder thans schepen in de ontwikkelingswereld worden gesloopt, en dringt er bij de Commissie op aan voorstellen te ontwikkelen om de reders aan te moedigen tot het slopen onder aanvaardbare voorwaarden en alle mogelijkheden na te gaan welke het Hof van Justitie op strafrechtelijk gebied biedt, waarbij, zoals ook in andere branches, het beginsel "de vervuiler betaalt" moet worden toegepast; verzoekt de Commissie in dit verband een voorstel voor een "Groen paspoort" te ontwikkelen, dat bij de scheepspapieren moet worden bewaard en waarin alle giftige stoffen in een schip zijn vermeld en is van mening dat de Unie moet streven naar harmonisatie van de internationale normen op dit gebied; is van mening dat de Unie het probleem van de recycling van schepen dient aan te pakken door te komen tot een bindende internationale overeenkomst – voorzien voor 2008 of 2009 – en zich vooralsnog aan de richtlijnen van de IMO dient te houden;

    48.    is van mening dat de sectoren van de scheepswerven en de uitrusting van zeeschepen in de Unie erin zijn geslaagd concurrerend te blijven door te investeren in innovatieve producten en processen en door op kennis gebaseerde nichemarkten te ontwikkelen; is van mening dat een Europese maritieme strategie de juiste omstandigheden moet creëren om de leidende positie van de Unie op deze markten te kunnen behouden, daarbij, naast andere maatregelen, een stimulans gevend aan mechanismen voor de overdracht van maritieme technologie; is van mening dat het nodig is alert te zijn op elke mogelijke praktijk op de wereldmarkten die de concurrentie kan belemmeren en op moet treden als daarvan sprake is;

    49.    spoort de lidstaten aan maximaal te profiteren van de communautaire richtlijnen inzake overheidssteun voor zowel de kosten van arbeid als belastingen, met name het tonnage belastingsysteem; is van mening dat leaderSHIP 2015 positieve gevolgen heeft gehad en dat de maritieme sector in aanmerking moet blijven komen voor overheidssteun ter bevordering van innovatie;

    50.    dringt erop aan het overladen van olie of andere toxische stoffen op zee voortaan te beperken tot zorgvuldig afgebakende zones die worden bewaakt, zodat in geval van lozing gemakkelijker kan worden vastgesteld wie voor het lozen van vervuilende stoffen in zee verantwoordelijk is; stelt vast dat de scheepvaart door de introductie in zeeën en oceanen van uitheemse soorten via geloosd ballastwater en het gebruik van chemische stoffen in aangroeiwerende verf die de hormoonhuishouding van vissen verstoort bijdraagt aan de mariene vervuiling en potentieel ook aan de verstoring van het ecosysteem; benadrukt dat ook olievlekken een ernstige bedreiging vormen voor het mariene milieu;

    51.    verzoekt om opleiding en informatie door het bijeenbrengen, analyseren en verspreiden van goede praktijken, technieken, middelen om het legen van tanks te volgen en vernieuwingen / innovaties om vervuiling door olie en schadelijke en gevaarlijke stofen te bestrijden, en ook om de ontwikkeling van techniche oplossingen, met gebruikmaking van inspectie en satellietbewaking, om onbewuste of bewuste lozingen te volgen;

    Het beter Europees kustbeleid met betere Europese havens

    52.    acht de betrokkenheid van regionale en lokale actoren (stakeholder) voor het welslagen van een Europees maritiem beleid absoluut noodzakelijk; is derhalve ingenomen met de steeds nauwere samenwerking en vervlechting van de Europese kustregio's;

    53.    acht met name speciale inspanningen van de Commissie, de lidstaten en de regio's voor een groter maritiem bewustzijn noodzakelijk; is van mening dat daartoe bijvoorbeeld onderscheidingen voor voorbeeldige toerismeprojecten, milieuvriendelijke scheepvaart of bijzondere bijdragen aan de maritieme opleiding behoren; stelt daarom de instelling voor van een EU-'keurmerk' en prijzen om aan voorbeeldige maritieme regio's toe te kennen en zo de beste praktijk te bevorderen; onderstreept het belang van het voorstel, dat door de Commissie moet worden gesteund, tot instelling van een jaarlijks te vieren Europese maritieme dag; benadrukt dat door universiteiten met steun van de Commissie pilot studies "maritieme pedagogiek" zouden moeten worden aangeboden;

    54.    beveelt de regio's en de lidstaten aan de instrumenten van het cohesiebeleid te gebruiken om het maritiem beleid en het kustbeleid beter op elkaar af te stemmen, het ondernemerschap in de kustgebieden en de oprichting van kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen teneinde het probleem van de seizoensgebonden werkgelegenheid in deze gebieden te overwinnen; roept er met name toe op een netwerk van vooraanstaande maritieme regio's te creëren in het kader van de doelstelling inzake Europese territoriale samenwerking;

    55.    onderstreept het fundamentele belang rol van de havens als "bottle neck" voor de afwikkeling van de internationale handel, als economische aanjagers en werkverschaffers voor de kustregio's en als overslagplaatsen voor de visserij en als punten die voor veiligheidscontrole van cruciaal belang zijn;

    56.    verzoekt de lidstaten en de Commissie, met het oog op de schadelijke stoffen in de lucht van vele havensteden en regio's, de stimulansen voor de energievoorziening vanaf het land voor in de haven aangemeerde schepen duidelijk te verbeteren wanneer dit kosteneffectief is en voor het milieu voordelen met zich meebrengt; verlangt derhalve een herziening van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit[4] om de lidstaten die profiteren van de mogelijkheid van fiscale vrijstelling voor bunkerolie zoals bepaald in artikel 14 van deze richtlijn, te verplichten in dezelfde mate ook de stroom vanaf het land van belasting vrij te stellen;

    57.    verlangt een herziening van Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 inzake havenontvangstinstallaties voor scheepsafval en opslag[5], zodat alle schepen die de havens van een lidstaat aandoen, hun vaste en vloeibare afvalstoffen voor 100% verwijderen;

    58.    ziet toekomstige knelpunten voor het goederenvervoer minder in de opnamecapaciteiten van de havens maar veeleer in de koppeling van de havens aan de Europese vervoersnetwerken over land; vindt een optimale aansluiting aan het achterland van de Europese havens essentieel voor een optimaal gebruik van de beschikbare mogelijkheden van het maritiem vervoer en verlangt daarom, waar nodig, deze uit te breiden en daarbij vooral gebruik te maken van de milieuvriendelijkere vervoersmiddelen trein en binnenschip;

    59.    is van mening dat een nieuwe Europese maritieme strategie, gezien het grote belang van zeevervoer zowel binnen de interne markt als met de handelspartners van de Unie, een havenstrategie moet omvatten met het doel een gunstig klimaat te scheppen voor investeringen die een havencapaciteit mogelijk maken welke voldoende is om de groeiende stromen zeevracht af te handelen; verlangt dat een dergelijke strategie wordt uitgewerkt in samenhang met het thans gaande zijnde debat over een Europees havenbeleid, zodat dubbel werk wordt voorkomen en die de havens in staat stelt om zich te ontwikkelen conform de ontwikkelingen en de vraag op de markt en met inachtname van de relevante wetgeving;

    60.    merkt op dat Europa een populaire regio is voor jachttoerisme, de cruisevaart en het onderwatertoerisme; moedigt de maritieme gebieden aan te investeren in hun jachthaveninfrastructuur en andere toeristische infrastructuur, teneinde te profiteren van deze groeiende markt, maar daarbij te zorgen voor de bescherming van habitats, planten- en diersoorten en mariene ecosystemen in het algemeen; spoort de Commissie aan geharmoniseerde normen te helpen vaststellen voor faciliteiten en technische uitrusting, teneinde in de hele Unie een hoog dienstenniveau te verzekeren;

    61.    benadrukt het belang van de bijdrage die territoriale samenwerking en netwerken van kustregio's kunnen leveren aan een holistisch maritiem beleid door middel van de bevordering van gezamenlijke strategieën ter verbetering van het concurrentievermogen van de kustgebieden;

    62.    is voorstander van de creatie van meer maritieme clusters, waarbij gebruik gemaakt wordt van de positieve ervaringen en de goede praktijken die reeds op dit gebied bestaan en is van mening dat deze voorbeelden dienen te worden nagevolgd en bevorderd; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen ter versterking van het economische concurrentievermogen van kustgebieden door het aanmoedigen van zowel onderzoek, de oprichting van topcentra op het gebied van mariene wetenschap, technologische ontwikkeling en innovatie als samenwerkingsverbanden tussen bedrijven (netwerken, clusters, publieke partners) en de verschaffing van betere ondersteuningsdiensten met het doel de afhankelijkheid van die gebieden van een zeer beperkt aantal (traditionele) economische activiteiten te verkleinen;

    63.    bevestigt andermaal zijn standpunt van 14 november 2006 over de Richtlijn mariene strategie[6] met name voor wat betreft de verboden van en/of de criteria voor stelselmatige/opzettelijke lozing van vaste stoffen, vloeistoffen of gassen in de waterzuil, zeebodem/ondergrond; is voorts van mening dat de opslag van koolstofdioxide in de zeebodem en ondergrond afhankelijk moet zijn van vergunning overeenkomstig de internationale wetgeving, een voorafgaande milieueffectrapportage overeenkomstig Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten[7] en de desbetreffende internationale overeenkomsten, alsook van periodiek toezicht en controle;

    64.    is er dan ook van overtuigd dat duurzame reserves in het mariene milieu duurzaam kunnen en moeten worden gebruikt zodat de exploitatie ervan en de daaruit voortkomende economische voordelen op lange termijn behouden kunnen blijven; dringt in dit verband eveneens aan op intensiever gebruik van op het land en op zee opgewekte windenergie, ten einde de mogelijkheden daarvan voor het werkgelegenheids- en economisch beleid duurzaam te gebruiken;

    65.    wijst er echter met klem op dat één van de kerndoelen van het beheer van de kustgebieden het behoud van het mariene milieu dient te zijn en niet dat er symbolisch een paar beschermingsgebieden worden aangewezen, met name gelet op Aanbeveling 2002/413/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa[8];

    66.    is het in dit verband met de Commissie eens dat er wat betreft bevolkingsdichtheid en industrieactiviteit een natuurlijke grens is aan de menselijke activiteit die kustgebieden kunnen verdragen zonder dat het milieu ernstig en wellicht onomkeerbaar wordt aangetast; steunt derhalve het standpunt van de Commissie dat er een algemeen onderzoek nodig is om deze grenzen beter te kunnen bepalen en dienovereenkomstige prognoses en plannen op te stellen;

    67.    merkt op dat het driedimensionaal in kaart brengen van de zeebodem van zeer grote waarde zal blijken te zijn, niet alleen voor de visserij-industrie maar ook voor de energiesector, voor milieubeschermers en zelfs voor het defensieapparaat; is van mening dat het duidelijk is dat dergelijke kaarten van grote commerciële betekenis zijn en dat zij wellicht zelfs aan de financiering van dergelijke activiteiten kunnen helpen bijdragen; wanneer de hele mariene sector betere toegang krijgt tot de beschikbare gegevens, kunnen er wellicht ook betere weersprognoses worden opgemaakt, en komt er meer informatie beschikbaar omtrent golfhoogtes en over diverse andere aspecten, hetgeen ten goede zou komen aan de veiligheid en andere ontwikkelingen;

    68.    roept op tot de ontwikkeling van alle nodige maatregelen ter voorkoming en beheersing van het risico op schade aan kustgebieden als gevolg van natuurfenomenen zoals overstromingen, erosie, stormen en vloedgolven; benadrukt verder dat er communautaire maatregelen moeten worden genomen om gevaren voor Europese kustecosystemen die worden veroorzaakt door uiteenlopende menselijke activiteiten het hoofd te kunnen bieden;

    69.    is van mening dat de bouw van zeeweringen ter bescherming tegen de stijgende zeespiegel kan leiden tot de teloorgang van habitats, terwijl de stijging van de zeespiegel zelf al leidt tot "inklemming" van kwelders en slikwadden en erosie van zandduinen, die alle fungeren als waardevolle habitats voor flora en fauna; dringt aan op een langetermijnstrategie tot behoud van kustweringen, ter bescherming tegen de stijgende zeespiegel en om de teloorgang van habitats tot een minimum te beperken;

    70.    steunt de ontwikkeling van nieuwe netwerken voor de implementatie van projecten en activiteiten in de vorm van partnerschappen tussen de particuliere sector, non-gouvernementele organisaties (NGO’s), lokale overheden en regio’s, met het oog op het ontwikkelen van meer dynamiek, vernieuwingen en efficiëntie, alsmede het verbeteren van de kwaliteit van leven in de kustgebieden;

    71.    wijst erop dat het in het kader van een holistisch maritiem beleid van belang is om een beleid voor geïntegreerd beheer van kustgebieden (GBKG) te ontwikkelen en uit te voeren, waarin aandacht besteed wordt aan de vele exploitatiemogelijkheden van de kustgebieden en aan het effect hiervan op het ontwikkelingsbeleid; pleit in dit verband voor een betere onderlinge afstemming van relevante nationale wetgeving en het Gemeenschapsrecht;

    72.    beklemtoont dat de aantrekkingskracht van kustregio’s als gebieden om zich te ontspannen, maar ook om in te wonen, te werken en te investeren, moet worden vergroot door de bereikbaarheid en de interne vervoersinfrastructuur te verbeteren; verzoekt verder om de invoering van maatregelen ter verbetering van diensten van algemeen belang (gezondheidszorg, onderwijs, water en energie, informatie, communicatietechnologieën (ICT), postdiensten, afvalwater- en afvalverwerking), daarbij rekening houdend met seizoensgebonden demografische veranderingen;

    73.    verzoekt de lidstaten, met het oog op het significante aandeel van de maritieme vervuiling vanaf het land in de totale vervuiling van de Europese zeeën, met klem alle vigerende en toekomstige Europese wetten terzake spoedig om te zetten; dringt er daarnaast bij de Commissie op aan een actieplan voor de vermindering van deze vervuiling in te dienen; is van mening dat daarbij ook de financiële steun van projecten ter beperking van vervuiling in derde landen een rol moet spelen, omdat in deze landen het niveau van de filter- en zuiveringssystemen vaak ver achterblijven bij de Europese normen en dat daarom de gebruikte financiële middelen een groter effect kunnen hebben;

    74.    betreurt dat de effecten van de de agrarische sector in het Groenboek onvoldoende zijn meegewogen; onderstreept dat de agrarische sector behoort tot de sectoren die de grootste bijdrage leveren aan de hoeveelheid voedingsstoffen in zee; benadrukt dat men, om tot duurzaamheid van het milieu te komen, op EU-niveau de nodige maatregelen zal dienen te nemen;

    75.    stelt vast dat de verontreiniging van het mariene milieu meestal afkomstig is van het vasteland, bij voorbeeld maar niet uitsluitend: afvoer van landbouwactiviteiten en uitworp door de industrie, die met name vernietigende gevolgen hebben voor ingesloten en halfopen zeeën; wijst erop dat de EU bijzondere aandacht moet schenken aan deze gebieden en maatregelen moet nemen om verdere vervuiling te beperken en te voorkomen; is eveneens van mening dat de nieuwe Technologie voor wereldwijd toezicht ten behoeve van milieu en veiligheid (GMES) met succes voor dat doel kan worden gebruikt;

    76.    is, gezien het feit dat de maritieme sector een van de weinige gebieden is waar het beginsel dat de vervuiler betaalt niet van toepassing is, van mening dat bedrijven die afvalwater lozen, bedrijven die betrokken zijn bij de zand- en grindwinning, op zee actieve energiebedrijven en alle andere bedrijven die, hoewel op het land gelegen, als een bron van verontreiniging van het mariene milieu kunnen worden beschouwd, zouden moeten bijdragen in een EU-fonds dat zich richt op het herstel en de instandhouding van de mariene flora en fauna, waaronder de visbestanden en dat de Commissie grotere inspanningen moet doen voor een meer uniforme en effectieve toepassing van het principe dat de vervuiler betaalt;

    77.    roept de Commissie op tot maatregelen ter beperking van het gebruik van (tot mariene vervuiling leidende) verontreinigende stoffen die het gevolg zijn van afstroming uit landbouwgebieden, lozing van riool- of industrieel afvalwater en van vuilnis (vaak in de vorm van plastic afval), waarin zeezoogdieren, schildpadden en vogels kunnen verstikken; dit soort milieuverontreiniging vormt een steeds grotere bedreiging, die ernstige gevolgen heeft voor de visserijsector en voor het toerisme en ook de kwaliteit en de gezondheid van de visserijproducten voor menselijke consumptie aantast; verzoekt de Commissie met betrekking tot de zeescheepvaart, de lidstaten aan te sporen tot de invoering IMO MARPOL bijlage V, die het dumpen in zee van plastic afval en as van de verbranding van plastic verbiedt; verzoekt de Commissie om Richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen te amenderen om de geschiktheid en beschikbaarheid van deze voorzieningen in de EU te verbeteren en uiteindelijk de afvaldumping in de zee te verminderen;

    78.    verlangt dat de Europese Unie zich in het kader van het internationaal maritiem beleid actief inzet voor een herziening en actualisering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en van de Overeenkomst van 28 juli 1994 inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag (zie PB L 179 van 23.6.1998, blz. 129), en met name de internationale regelingen ten aanzien van de veiligheid van de zeescheepvaart, het voorkomen van vervuiling van de zee en de bescherming en het behoud van het mariene milieu te verbeteren; verlangt bovendien dat de EU-autoriteiten in het bijzonder bevorderen dat de EU-lidstaten effectief gebruik maken van de bindende arbitrage door het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee, dat op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee in 1996 werd opgericht en is gevestigd in Hamburg, aangezien de lidstaten geschillenbeslechting door het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee tot nu toe helaas uit de weg gaan;

    79.    moedigt de Commissie aan om in de maritieme regio’s onder andere specifiek wetenschappelijk milieukundig en socio-economisch statistisch onderzoek te doen, zodat de effecten van de ontwikkeling van economische activiteiten en van sport en recreatie in deze gebieden kunnen worden gecontroleerd en beheerd;

    80.    is bezorgd over het gebrek aan goed opgeleide arbeidskrachten in belangrijke maritieme bedrijfstakken op het land; is ook hier van mening dat gezamenlijke werkgelegenheidsoffensieven van de lidstaten met de betrokken ondernemingen zouden kunnen bijdragen aan een verzachting van het probleem;

    81.    roept de Commissie en de lidstaten op om alle partijen die met alle stadia van verbetering van het Europese maritieme beleid te maken hebben, bij zowel de toepassing en handhaving van bestaande wetgeving als in het ontwerpen van nieuwe voorstellen te betrekken;

    Duurzaam kusttoerisme

    82.    benadrukt dat toerisme, indien het verstandig wordt ontwikkeld, een duurzame bron van inkomsten vormt voor lokale economieën, die bovendien zorgt voor de bescherming en verbetering van het milieu en de promotie en het behoud van culturele, historische en natuurlijke kenmerken, ambachten en duurzaam maritiem toerisme; roept daarom in het bijzonder op tot investeringen in toeristische infrastructuur voor activiteiten als zeilen, duiken en cruises, en de bescherming en promotie van archeologische vondsten;

    83.    beklemtoont dat voor toeristisch beleid het subsidiariteitsbeginsel van toepassing is; onderstreept de noodzaak om nationale plannen die op ervaring en beste praktijken zijn gebaseerd, te respecteren;

    84.    onderstreept dat het ontbreken van bruikbare en vergelijkbare gegevens een van de kernproblemen is bij het verzamelen van betrouwbare informatie over de werkgelegenheid in het kusttoerisme;

    85.    voegt daaraan toe dat een schoon milieu en een goede lucht- en waterkwaliteit van cruciaal belang zijn voor het voortbestaan van de sector en dat daarom bij alle toekomstige Europese toerismeprojecten dient te worden nagegaan in hoeverre ze ecologisch verantwoord en duurzaam zijn;

    86.    stelt vast dat Europa een geliefde bestemming is voor cruises, onderstreept dat het dienstenaanbod op zodanige wijze dient te worden georganiseerd dat vrije concurrentie wordt gewaarborgd en dat tevens aan de behoefte van deze bedrijfstak aan betere infrastructuren moet worden tegemoetgekomen;

    87.    is van mening dat de traditionele seizoensgebonden bedrijvigheid zou moeten worden uitgebreid tot een programma voor het hele jaar; onderstreept dat de sector zou moeten durven kiezen voor duurzame toeristische activiteiten voor het hele jaar; is van mening dat uitbreiding van het seizoen werkgelegenheid en economisch profijt kan opleveren; benadrukt dat toeristische concepten die vanuit het oogpunt van duurzaamheid en milieueducatie voorbeelden zijn van "best practices" een buitengewoon grote invloed hebben op het concept toerisme; wijst erop dat het de bedoeling is dat zowel de sector als het milieu in de kustregio profiteren van een uitbreiding van de periode voor seizoensgebonden bedrijvigheid;

    88.    is van mening dat in de Europese Agenda 21 voor de duurzaamheid van het Europese toerisme rekening moet worden gehouden met het specifieke karakter van het kusttoerisme – en eilandtoerisme – en dat daarin nuttige initiatieven worden gepresenteerd en alle goede praktijken worden vermeld die effectief zijn bij de bestrijding van het seizoensgebonden karakter van het toerisme, bijvoorbeeld door ontwikkeling van het bejaardentoerisme;

    89.    dringt er bij de Commissie op aan om op basis van een geïntegreerde beleidsaanpak een voorstel te ontwikkelen voor een Europese strategie voor duurzaam maritiem toerisme;

    Duurzaam maritiem milieu

    90.    verwijst andermaal naar zijn resolutie van 14 november 2006 over een thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu[9] en herhaalt met name dat

    · de EU vooral moet streven naar duurzaam gebruik van de zeeën en behoud van de mariene ecosystemen, o.m. een krachtig EU-beleid inzake behoud van de zee, voorkoming van verder verlies van biologische verscheidenheid en achteruitgang van het mariene milieu,

    · een gezamenlijke, voor de hele EU geldende definitie van goede milieustatus moet worden opgenomen,

    · dat het Europees Milieuagentschap het mariene milieu regelmatig moet beoordelen, hetgeen verbeteringen vergt in de verzameling, verslaglegging en uitwisseling van nationale gegevens,

    · het belang moet worden erkend van voorafgaand overleg, coördinatie en samenwerking met buurlanden bij de goedkeuring en tenuitvoerlegging van de toekomstige richtlijn mariene strategie, waarop nadrukkelijk is gewezen in zijn standpunt van 14 november 2006[10];

    91.    erkent dat een gezond marien milieu de grondslag vormt voor de duurzame ontwikkeling van de scheepvaartsector in de EU en wijst er andermaal op dat de EU zich heeft verplicht tot verwerking van de milieudimensie in alle aspecten van het Gemeenschapsbeleid;

    92.    wijst er met nadruk op dat een schoon marien milieu, met voldoende biologische verscheidenheid om het naar behoren functioneren van de samenstellende ecosystemen te waarborgen, voor Europa van levensbelang is; wijst er voorts op dat de intrinsieke waarde van zeegebieden inhoudt dat de voordelen van een goede status van het mariene milieu in de EU veel verder gaan dan het mogelijke economische gewin van uitbating van de diverse bestanddelen van de zeeën, kustwateren en rivierbekkens en dat het mariene milieu in de EU derhalve behouden en in veel gevallen hersteld moet worden;

    93.    wijst andermaal op het beginsel dat de grondslag ligt aan de ecosystematische benadering van het beheer van menselijke activiteiten als een van de centrale elementen van de thematische strategie voor het mariene milieu; dringt erop aan dit beginsel eveneens met betrekking tot het maritieme beleid toe te passen;

    94.    kan er niet sterk genoeg op wijzen dat de normen die worden gebruikt voor een bevredigende milieusituatie voldoende strikt moeten zijn, daar deze kwaliteitsdoelen de actieprogramma's waarschijnlijk langdurig zullen bepalen;

    95.    is eveneens van mening dat snel maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit moeten worden vastgesteld en is dan ook verontrust over de duur van het tijdschema dat in het voorstel voor een richtlijn inzake een mariene strategie wordt voorgesteld;

    96.    dringt er met klem op aan de tenuitvoerlegging van een net van beschermde zeegebieden te versnellen;

    97.    is ervan overtuigd dat een schoon marien milieu van doorslaggevende betekenis is voor in zee levende soorten - zowel voor de handel bestemde vis als andere soorten die niet commercieel worden geëxploiteerd - en dat herstel van uitgeputte bestanden afhankelijk is van beperking van de vervuiling van de zee en van de visserijactiviteiten; is van mening dat vervuilende elementen in zee moeten worden beperkt om te waarborgen dat in de EU gebruikt vismeel niet verontreinigd is;

    98.    wijst op de soms rampzalige gevolgen die exotische organismen hebben voor het ecosysteem in de zee en erkent dat vreemde soorten die het systeem binnendringen een zeer belangrijke bedreiging vormen van de biologische verscheidenheid in de zee; verzoekt de Commissie dringend maatregelen te nemen om het overbrengen van organismen in ballastwater te voorkomen en doelmatige controle in te voeren op het lozen van ballastwater in EU-wateren;

    99.    is van mening dat het concept "groepering" gunstige gevolgen kan hebben voor het mariene milieu, als behoud van habitats, beheersing van vervuiling en andere milieutechnologieën vanaf de planningsfase worden opgenomen in ontwerp en tenuitvoerlegging van groepen;

    100.  spreekt zijn waardering uit voor de Commissie als zij erkent dat een algemeen stelsel van ruimtelijke ordening noodzakelijk is om een stabiel regelgevingsklimaat en een wettelijk bindende grondslag voor besluitvorming te waarborgen; acht het een wezenlijk criterium voor doelmatige op het ecosysteem gebaseerde ruimtelijke ordening dat activiteiten zodanig worden opgezet dat de gevolgen van voor het milieu schadelijke activiteiten voor ecologisch gevoelige gebieden worden verminderd en tegelijkertijd grondstoffen in alle andere sectoren op milieutechnisch duurzame wijze te gebruiken; dringt in dit verband aan op gebruik van het instrument van de strategische milieubeoordeling krachtens Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's[11];

    101.  stelt vast dat de verwezenlijking van een bevredigende milieustatus eveneens vereist dat buiten ecologisch gevoelige gebieden verrichte menselijke activiteiten strikt aan regels gebonden zijn, zodat eventuele ongunstige gevolgen voor het mariene milieu tot een minimum beperkt blijven;

    Geïntegreerd visserijbeleid

    102.  is van mening dat ook de visserij moet bijdragen aan het behoud van levensvatbare kustgemeenschappen; onderstreept dat dit kan worden verwezenlijkt door de visserij zowel voor kustvissers en kleine vissers als voor hengelaars open te stellen en dat dergelijke visserijactiviteiten het toerisme bevorderen, ons rijke erfgoed aan kustlandschappen beschermen en bijdragen aan de interne samenhang van onze kustgemeenschappen;

    103.  stelt met bezorgdheid vast dat de sector als gevolg van de bijkomende beperkingen die kunnen voortvloeien uit het Natura 2000-netwerk en andere beschermde mariene gebieden weliswaar bereid is een ecosysteemgerichte aanpak van het visserijbeheer te ontwikkelen, maar dat de onbeperkte toegang tot en de uitoefening van visserijactiviteiten in die gebieden wellicht zullen worden bemoeilijkt; stelt zich op het standpunt dat de ontwikkeling van visserijactiviteiten waardoor de beschermingsdoelstellingen niet in gevaar komen, binnen de beschermde mariene gebieden zouden moeten worden toegestaan; stelt zich tevens op het standpunt dat er wat betreft de visserijactiviteiten die de beschermingsdoelstellingen van de beschermde mariene gebieden schaden of zouden kunnen schaden, grotere inspanningen moeten worden gedaan, onder andere door onderzoek en ontwikkeling, om de visserijmethodes milieuvriendelijker te maken, zodat de toegang tot deze gebieden vergemakkelijkt kan worden wanneer dit verantwoord is;

    104.  merkt evenwel op dat de visserij in de toekomst overeenkomstig de voorzorgsaanpak zal moeten worden beperkt om de instandhouding van gezonde ecosystemen te waarborgen en om zeldzame, kwetsbare en waardevolle soorten en habitats te beschermen, en dat dit onvermijdelijk in een strengere milieubescherming zal resulteren dan voorheen, waarbij moet worden gedacht aan de instelling van een netwerk van beschermde mariene gebieden overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en aan een systeem van geïntegreerd beheer van kustgebieden, om te zorgen dat er een halt wordt toegeroepen aan de zinloze aantasting van habitats en de sterke achteruitgang van de biodiversiteit;

    105.  verzoekt de Commissie om naar behoren rekening te houden met eerder succesvol visserijbeheer door plaatselijke en regionale overheden, zodat deze ervaringen kunnen worden gebruikt als model voor andere gebieden, inzonderheid de ervaringen die geïntegreerd en duurzaam zeebeheer omvatten, door een verbod op niet-selectieve vistuigen, afstemming van de grootte van de vissersvloten op de beschikbare bestanden, kustplanning, regulering van toeristische activiteiten zoals walvisexcursies, opstellen van beheerplannen voor sites van het Natura 2000-netwerk en uitroeping tot beschermde gebieden;

    106.  onderstreept dat de waardevolle adviesrol van de regionale adviesraden moet worden erkend en de regionale adviesraden moeten geconsulteerd worden inzake marien beheer;

    107.  steunt het engagement dat de EU is aangegaan op de Wereldmilieutop in 2002 en heeft herhaald in de recente mededeling van de Commissie (verduurzaming van de EU-visserij op basis van de maximale duurzame opbrengst) om de vispopulaties waar mogelijk tegen 2015 te herstellen tot niveaus die een maximale duurzame opbrengst kunnen produceren; is van mening dat dit het best gebeurt door geen gebruik te maken van willekeurige referentiepunten die gebaseerd zijn op eenvoudige wiskundige modellen; is van mening dat een alternatieve interpretatie van maximale duurzame opbrengst, waarbij gebruik gemaakt wordt van een concept als het maximaliseren van de gecumuleerde vangsten over een vaste tijdsperiode (eventueel een decennium), een realistische en haalbare manier kan zijn om de toestand van de visserij in de EU te verbeteren;

    108.  is van mening dat een belangrijke manier om het overboord zetten te beperken, erin bestaat de selectiviteit te verbeteren door de vistuigen en vistechnieken aan te passen; beseft dat de samenwerking en kennis van vissers terzake van essentieel belang is en dat vissers die in deze zin innovatief zijn, moeten worden beloond;

    109.  dringt aan op meer maatregelen om een einde te maken aan de schandelijke praktijk waarbij ongewenste bijvangsten overboord worden gezet, en die een rechtstreeks uitvloeisel is van het in het kader van het GVB gangbare stelsel van totaal toegestane vangsten (TAC's) en van de daarbij toegepaste quotaregeling; stelt zich op het standpunt dat het hier een verfoeilijke praktijk betreft waarbij zeezoogdieren, zeevogels en schildpadden nodeloos als bijvangst worden opgeofferd, en dat hieraan een halt moet worden toegeroepen, en dat de schade die aan kwetsbare zeebodems wordt aangericht door vistuigen bovendien noopt tot speciale beschermingsmaatregelen; wijst erop dat ook het achterlaten van visnetten leidt tot spookvisserij, hetgeen kan resulteren in ernstige aantasting van visbestanden;

    110.  is er diep van overtuigd dat er dringend behoefte is aan de bevordering en implementatie van een karterings- en ruimtelijk planningsprogramma voor de communautaire wateren om te voorzien in de noodzaak tot instandhouding van een duurzame en geografisch representatieve visserijsector; is van mening dat het in kaart brengen van zones een goede voorbereiding is voor de bouw van offshorewindturbineparken of voor energieproductie, kooldioxideopslag en voor zand- en grindwinning of aquacultuur en dat het in kaart brengen van beschermde mariene gebieden, waaronder Natura 2000-gebieden en andere gevoelige habitats en soorten zou leiden tot een efficiënter en duurzamer gebruik van ons mariene milieu; onderstreept dat, om een efficiënte ruimtelijke planning mogelijk te maken, gebieden met visserijactiviteit in kaart moeten worden gebracht, en dit moet worden vergemakkelijkt door het verbeteren en standaardiseren van de volgsystemen voor vissersvaartuigen en de logboekgegevens van alle lidstaten; is van mening dat planningsbeslissingen betreffende communautaire wateren moeten worden genomen in volledig overleg met de visserijsector en de rechtstreeks daarbij betrokken gemeenschappen;

    111.  wijst op het toenemende sociaal-economische belang van de visteelt, nu de mariene visbestanden over de hele wereld teruglopen; is van mening dat de jaarlijkse verkoop van aquicultuurproducten de verkoop van de wilde vangst spoedig zal overtreffen; onderstreept dat de EU in deze spannende wedloop voorop loopt en moet trachten haar leiderschapspositie veilig te stellen en verdere ontwikkelingen in deze branche moet aanmoedigen op een manier die verenigbaar is met andere toepassingen in kust- en maritieme gebieden; onderstreept het belang van de visteelt voor vaak afgelegen, landelijke gemeenschappen waar voor de rest weinig werkgelegenheid voorhanden is; wijst erop dat binnen de context van een geïntegreerd beheer van kustgebieden, duidelijk afgebakende gebieden waar visteeltbedrijven kunnen worden gegroepeerd, bevorderd moeten worden en dat dit gekoppeld moet worden aan een vereenvoudigde regelgeving die ondernemingszin en duurzaamheid aanmoedigt; is van oordeel dat in de aquacultuursector nieuwe technieken dienen te worden ontwikkeld die een beter kwaliteitsbeheer mogelijk maken, de naspeurbaarheid over de volledige productie- en toegevoegdewaardeketens waarborgen en leiden tot de algemene erkenning van de visteelt als belangrijke actor van de maritieme sector;

    112.  vestigt de aandacht op het feit dat bepaalde aquacultuurpraktijken bijdragen tot de aantasting van sommige bestanden; wijst erop dat het vangen van jonge vissen van sommige soorten in de zee met het oog op vetmesting, ertoe leidt dat deze zich niet kunnen voortplanten om aldus het biologisch evenwicht tussen de soorten in stand te houden; is van mening dat de hoge prijzen die betaald worden voor sommige van deze soorten op bepaalde wereldmarkten er de oorzaak van zijn dat de noodzaak bepaalde mariene ecosystemen in stand te houden compleet wordt genegeerd;

    113.  merkt op dat ook militaire operaties van invloed zijn op de visserijsector, in die zin dat mariene schietterreinen gesloten zijn voor de visserij en andere vormen van scheepvaart, maar uit een oogpunt van biodiversiteit wel degelijk als een soort toevluchtsoord kunnen fungeren; dat neemt echter niet weg dat het gebruik van ultralagefrequentiesonar door met name onderzeeërs ernstige gevolgen heeft voor zeezoogdieren en visbestanden en strikt moet worden gereglementeerd en beperkt tot bepaalde zones;

    114.  benadrukt de noodzaak om toe te zien op de visvangst in internationale wateren, aangezien dit van invloed is op de visbestanden in EEZ's binnen de Europese Unie;

    Marien onderzoek, energie, techniek en innovatie

    115.  is van mening dat de meeste uitdagingen op het vlak van milieu en duurzaamheid een antwoord behoeven waarbij een juist gebruik wordt gemaakt van wetenschappelijke en technologische kennis die voor dat doel op de juiste wijze en met voldoende financiële middelen door de Europese Gemeenschap en de lidstaten dient te worden ondersteund; verzoekt de Commissie een strategie voor Europees maritiem onderzoek te ontwikkelen en voor een betere coördinatie en beter functionerende netwerken van Europese instituten voor marien onderzoek; verzoekt daarom om de oprichting van een ‘Europees marien wetenschappelijk consortium’ waarin door alle relevante Europese instellingen voor marien onderzoek wordt deelgenomen en dat steun ontvangt van de EU; dringt erop aan dat alle verworven kennis wordt ingevoerd en opgeslagen in een Europese mariene database waartoe alle mariene onderzoeksinstituten toegang hebben; pleit in dit verband voor het instellen van een regelmatig te houden Europese maritieme conferentie om daarmee aan onderzoekers en industrie een forum te bieden;

    116.  erkent dat behoorlijk beheer van de reserves in het mariene milieu een stevige informatiebasis vergt; wijst daarom met klem op het belang van degelijke wetenschappelijke kennis van het mariene milieu om bij te dragen tot kostenbesparende besluitvorming en om te voorkomen dat er maatregelen worden genomen die geen waarde toevoegen; dringt er daarom op aan het onderzoek van de zee bijzonder te behandelen bij de toewijzing van kredieten om duurzame en doelmatige verbeteringen aan het milieu te kunnen aanbrengen;

    117.  roept de Commissie en de lidstaten op een programma voor het verkennen van de Europese zeebodem en de Europese kustwateren op te stellen en te effectueren, op basis waarvan een Europese zeeatlas kan worden ontwikkeld;

    118.  is het eens met het standpunt dat in het Groenboek wordt ingenomen, namelijk dat er aanzienlijke en ernstige problemen bestaan in verband met de gegevens die beschikbaar zijn over de toestand het mariene milieu en de activiteiten die daar worden uitgevoerd of waarvan de gevolgen daar voelbaar zijn; steunt daarom het verzoek om veel betere programma's voor de verzameling van gegevens, cartografie en toezicht, het volgen van vaartuigen enz. in deze gebieden, waarbij de lidstaten, de Zeeverdragen, de Commissie en andere organen van de Gemeenschap zoals het Europees milieuagentschap en het EMSA worden betrokken; benadrukt de betekenis van uitwisseling van optimale werkmethoden op nationaal, regionaal en Europees niveau;

    119.  verlangt dat het maritiem onderzoek als een sectoroverschrijdend thema in het zevende kaderprogramma voor onderzoek van de EU en als een thematische prioriteit in toekomstige kaderprogramma’s voor onderzoek wordt verankerd; dringt erop aan om de potentiële bijdrage die de zeeën kunnen leveren aan het oplossen van de energieproblemen van Europa, tot de topprioriteit van te subsidiëren onderzoek te maken;

    120.  benadrukt dat de offshore-windenergie een zeer groot ontwikkelingspotentieel heeft en in aanzienlijke mate ertoe kan bijdragen dat Europa minder afhankelijk van energie-importen wordt en een bijdrage kan leveren aan de klimaatsbescherming, maar dat er nog enorme inspanningen noodzakelijk zijn om dit potentieel volledig te exploiteren; dringt er daarom bij de Commissie op aan om een actieplan voor offshore-windenergie op te stellen om een doelmatige Europese aanzet tot de offshore-technologie te geven, bij te dragen tot een verdergaande netwerkvorming en perspectieven aan te geven hoe tot het jaar 2020 hiermee een vermogen van tenminste 50 GW kan worden bereikt; spreekt daarom de verwachting uit dat een "one-stop shop"-aanpak wordt gekozen en dat een intelligente offshore netwerkinfrastructuur wordt bevorderd; stemt in met het voorstel van de Commissie om een Europees strategisch plan voor energietechnologie uit te werken en verlangt dat daarbij met name de grootschalige ontwikkeling van offshore-windenergie centraal zal staan;

    121.  erkent de betekenis van de kustgebieden voor de ontwikkeling en exploitatie van duurzame energie die een essentieel en onlosmakelijk deel vormt van de EU-acties ter bestrijding van de mondiale klimaatverandering; wijst erop dat adequate ruimtelijke ordening in de zin van een ruimtelijke indeling van de zee om de ontwikkeling van locaties voor het gebruik van wind-, getijden- en andere vormen van energie mogelijk te maken daarom noodzakelijk is om botsingen met andere gebruikers van het mariene milieu zo veel mogelijk te beperken en om milieubeschadiging te voorkomen, rekening houdend met milieueffectrapportage (MER); juicht het toe dat door de groeiende industrie van duurzame energie aanzienlijke kansen worden geboden voor de schepping van werkgelegenheid en de totstandbrenging van technische deskundigheid in de EU;

    122.wijst erop dat slechte praktijken weliswaar moeten worden geweerd, maar dat ook niet-visserijgerelateerde ontwikkelingen die compatibel zijn met de visserijsector een belangrijke rol kunnen vervullen, b.v. projecten voor het ontwerpen van energieproductie- of windturbineplatforms die de vorming van een goed gedijend ecosysteem helpen bevorderen en in stand houden, en zo de totstandkoming van kraamgebieden of paaigronden voor mariene soorten in zones waar geen visserij is toegestaan te stimuleren;

    123.  ondersteunt de overgang naar een koolstofvrije energieopwekking, maar wel met dien verstande dat het ontwerp en de locatie van installaties voor de opwekking van duurzame energie voldoende veiligheidsgaranties bieden voor het leven in zee; verzoekt daarom om een zorgvuldige planning van maritieme installaties voor de opwekking van duurzame energie; stelt vast dat er aan energieproductie veel risico's verbonden zijn die moeten worden vermeden; wijst erop dat kunstwerken die zijn bedoeld om de energie van wind of golven in te vangen gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke cycli in de diepere lagen van de zee; onderstreept dat estuaria hun waarde als foerageerplaatsen voor vogels tijdens laagwater kunnen verliezen wanneer er dammen worden aangelegd die het getijdenverschil verminderen; benadrukt dat op soortgelijke wijze veranderingen in de kracht van getijdenstromingen invloed kunnen hebben op paarden- en vijlmosselbanken, koraalalgen, zeeanemonen en zachte koralen;

    124.  is van mening dat er nog ruime mogelijkheden bestaan om de ontziltingstechnologie te verbeteren om de vervuiling van kustwateren te vermijden, in het bijzonder als als deze gebieden deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk; roept de bevoegde autoriteiten op het milieueffect van deze ontziltingsinstallaties te evalueren, vooral in de gebieden waar men met duurzamere middelen waterreserves kan opbouwen;

    125.  neemt kennis van de buitengewone ontwikkeling van zeewaterontziltingsinstallaties, die tonnen pekel en andere producten in zee lozen, en is van oordeel dat de Commissie een studie moet verrichten naar het effect van deze installaties op het plankton en de zeebodems en naar de veranderingen en mutaties die hierdoor worden veroorzaakt in het ecosysteem;

    126.  is ervan overtuigd dat het satellietnavigatiesysteem Galileo en GMES grote mogelijkheden bieden voor de maritieme sector; moedigt de Commissie aan de toepassing van deze systemen in het kader van de mariene strategie krachtiger te stimuleren;

    127.  onderstreept het belang van ICT in de havenlogistiek; is ervan overtuigd dat de nieuwe wetgevingsvoorstellen, zoals het voorstel inzake identificatie met radiogolven (RFID), erop moeten zijn gericht aan de toepassing van deze technologieën een nieuwe impuls te geven; verzoekt de Commissie communautaire ICT-standaarden voor alle havens in de Gemeenschap op te stellen en het voortouw te nemen in de onderhandelingen over de vaststelling van internationale technologiestandaarden;

    128.  wijst erop dat de meest perifere regio's zijn gelegen in gebieden van de Atlantische en Indische Oceaan die gunstig zijn gesitueerd voor het waarnemen van verschijnselen die verband houden met bijvoorbeeld weercycli en vulkanisme, en verder dat oceanografie, biodiversiteit, de kwaliteit van het milieu, het beheer van natuurlijke hulpbronnen, energie en water, volksgezondheid, gezondheidswetenschappen en nieuwe telecommunicatiesystemen en -diensten bij uitstek Europese onderzoeksgebieden vormen, moet er bij het plannen van toekomstige onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s met deze regio’s rekening worden gehouden;

    129.  beschouwt de blauwe biotechnologie als een van de meest veelbelovende technologieën van de komende decennia, met een groot aantal toepassingsmogelijkheden in farmaceutica en cosmetica, de voedingsindustrie en de milieusanering; is ervan overtuigd dat het onderzoek op dit terrein moet worden uitgebreid, dat lidstaten profijt zouden kunnen hebben van de invoering van blauwe investeringsfondsen, zoals in het Groenboek wordt voorgesteld en dat meer synergie kan worden bereikt wanneer de inspanningen van de lidstaten op dit terrein beter worden gecoördineerd; benadrukt dat elke ontwikkeling in de blauwe technologie sterk moet worden gereguleerd en op de juiste manier geëvalueerd om overexploitatie en verdere schade aan nu reeds kwetsbare en bedreigde mariene ecosystemen te voorkomen;

    130.  wijst erop dat sedimenten op de oceaanbodem grote hoeveelheden gashydraten bevatten die een aanvulling op, of een vervanging voor traditionele koolwaterstofproducten kunnen vormen; onderstreept het veiligstellen van de toegang tot deze hulpbronnen, het schatten van de omvang daarvan en het ontwikkelen van manieren om ze te exploiteren een belangrijke uitdaging vormen die door Europa minutieus dient te worden onderzocht; is van mening dat de uitbreiding door de lidstaten van de EU van hun deel van het continentaal plat tot 200 zeemijlen buiten de kust een gelegenheid biedt om de toegang tot deze potentiële aanvullende reserves zeker te stellen;

    Een gemeenschappelijk maritiem beleid

    131.  is het met de Commissie eens dat de schepping van een gemeenschappelijke maritieme ruimte kan leiden tot een aanzienlijk effectiever beheer van de internationale wateren en is van mening dat een dergelijke maritieme ruimte zal bijdragen tot de integratie van de interne markt voor maritiem vervoer en dienstverlening binnen de EU, in het bijzonder met betrekking tot de vereenvoudiging van douane- en administratieve procedures, dit met inachtneming van de overeenkomsten van het UNCLS en de IMO, met inbegrip van de ‘vrijheid van scheepvaart’ en het ‘recht van onschuldige doorvaart’ binnen de Exclusieve Economische Zone (EEZ) in internationale wateren (op volle zee); neemt er kennis van dat door de communautaire wetgeving reeds belangrijke stappen in die richting zijn gezet, maar dat de toepassing in de lidstaten in sommige gevallen nog achterloopt; verzoekt de lidstaten de Europese wetten onverwijld toe te passen;

    132.  wijst met nadruk op de voordelen en het potentieel van de kustvaart als een duurzame en efficiënte vervoerswijze die knelpunten op het land gemakkelijk omzeilt en voldoende groeicapaciteit bezit; verzoekt derhalve de Commissie om de kustvaart te ondersteunen en te bevorderen door de maatregelen betreffende de kustvaart volledig uit te voeren; acht het feit dat de korte vaart juridisch nog altijd als internationaal vervoer wordt gezien, een belemmering voor de groei ervan; verzoekt de Commissie daarom een voorstel in te dienen om deze korte verbindingsroutes in de Europese interne markt te integreren; onderstreept dat dit niet in strijd mag zijn met de overeenkomsten van het UNCLS en de IMO, met inbegrip van de "vrijheid van scheepvaart" en het "recht van onschuldige doorvaart" binnen de EEZ in internationale wateren (op hoge zee);

    133.  is teleurgesteld over de tot dusverre trage tenuitvoerlegging van TEN-project nr. 21 inzake maritieme snelwegen; verzoekt de Commissie een coördinator aan te stellen teneinde de realisering van maritieme snelwegen te versnellen;

    134.  is van oordeel dat in het nieuwe maritieme beleid van de Europese Unie ook het accent moet liggen op de bescherming en bevordering van onderzeese archeologische schatten;

    135.  is van mening dat volledige en tijdige tenuitvoerlegging van alle milieuwetgeving van de EU (o.m. waterkaderrichtlijn[12], habitatrichtlijn[13], vogelrichtlijn[14], nitraatrichtlijn[15], zwavelrichtlijn[16] en richtlijn sancties voor verontreiniging vanaf schepen[17]) dringend geboden is om de kwaliteit van het mariene milieu te behouden en dat de Commissie alle noodzakelijk druk moet uitoefenen om de lidstaten hiertoe te stimuleren en zo nodig zelfs gerechtelijke procedures moet aanspannen;

    136.  is ervan overtuigd dat het voorzorgsbeginsel overeenkomstig artikel 174, lid 2 van het EG-Verdrag de basis moet vormen van alle soorten uitbating van de maritieme gebieden van de EU; wijst er met nadruk op dat het ontbreken van wetenschappelijke zekerheid daarom niet mag worden gebruikt als excuus om preventieve maatregelen te vertragen;

    137.  stelt vast dat er in het groenboek enkele nuttige bijdragen worden vermeld die door de strijdkrachten kunnen worden geleverd, o.m zoek- en reddingsacties, hulp bij rampen en toezicht op zee; betreurt echter dat er geen melding wordt gemaakt van de milieuschade die kan worden veroorzaakt door defensie, zoals het testen van wapens, de bouw van marinebases en het gebruik van systemen van zeer intensieve onderwater sonar die voor walvisachtigen schadelijke gevolgen kunnen hebben met als gevolg doofheid, beschadiging van inwendige organen en massale strandingen met dodelijke afloop;dringt er in dit verband op aan militaire activiteiten volledig op te nemen in het maritiem beleid en hierop de milieueffectrapportage en aansprakelijkheid volledig toe te passen.

    138.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van het maritiem beleid grondig onderzoek te doen naar de in de Europese zeeën gedumpte munitie uit vroegere oorlogen en de daaraan verbonden risico’s voor mens en milieu en na te gaan welke veiligheids- en bergingsmaatregelen kunnen worden genomen;

    139.  dringt aan op een grotere rol van de Gemeenschap in internationale organisaties; benadrukt dat de Gemeenschap de EU-lidstaten niet kan vertegenwoordigen, laat staan vervangen, en dat ook niet moet doen; roept de Raad nogmaals op voor de Unie het lidmaatschap van de IMO aan te vragen;

    140.  wijst er nadrukkelijk op dat de EU zich actief moet opstellen met betrekking tot maritiem beheer op internationaal niveau ter bevordering van eerlijke mededingingsvoorwaarden voor de maritieme economie zonder haar doelen inzake de milieutechnische duurzaamheid van maritieme activiteiten in gevaar te brengen;

    141.  wijst er met nadruk op dat de naleving en de handhaving van wetgeving door de IMO, de IAO en de EU hebben geleid tot een veiligere, schonere en economisch meer levensvatbare maritieme sector; juicht het toe dat op 1 januari 2007 de herziene Bijlagen I en II van het MARPOL-Verdrag in werking zijn getreden; dringt bij de EU-lidstaten aan op een snelle ratificatie van alle relevante IMO- en ILO-verdragen, met name Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag, het Bunkerolieverdrag, het Internationaal verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen en het HNS-Verdrag; stelt voor ratificatie of niet-ratificatie als een criterium te hanteren voor scheepsinspecties in het kader van de havenstaatcontrole;

    142.  spoort de lidstaten en de Commissie aan actief deel te nemen aan discussies die onder auspiciën van het Internationaal fonds voor vergoeding van schade wegens verontreiniging door olie (IOPCF) worden gevoerd om het varen met schepen die niet aan de normen voldoen aan te pakken en de kwalitatief hoogwaardige scheepvaart te bevorderen; onderstreept dat op middellange termijn zou moeten worden nagedacht over herziening van het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid en het Internationaal fonds voor vergoeding van schade wegens verontreiniging door olie;

    143.  is van mening dat EMSA, FRONTEX, het Visserijagentschap en het Milieuagentschap over verscheidene instrumenten beschikken die op een nuttige manier kunnen worden gecombineerd om effectieve ondersteuning te bieden aan een Europees maritiem beleid; dringt er daarom bij de Commissie op aan niet alleen de belemmeringen voor samenwerking tussen deze agentschappen weg te nemen, maar deze samenwerking ook te formaliseren teneinde het volgende te bereiken: 1)veiligheid op zee en bescherming van het mariene milieu (m.i.v. controle op de visserij), bescherming tegen terrorisme, piraterij en misdrijven op zee en illegale, niet-gereglementeerde en niet-gemelde (IUU) visserij; 2) gecoördineerde visserij-inspecties en gelijke handhaving in de EU, waarbij door de rechtbanken in de lidstaten gelijke boetes en sancties worden toegepast; 3) strikte bewaking van bepaalde scheepvaartroutes en vervolging van illegale lozingen door schepen, een snel en gecoördineerd optreden bij ongelukken, het zo spoedig mogelijk treffen van de noodzakelijke maatregelen, waaronder begrepen het aanwijzen van vluchtplaatsen en vluchthavens en het bestrijden van illegale immigratie; verzoekt nogmaals om de instelling van een Europese kustwacht, zoals reeds in het slotrapport van de Tijdelijke commissie voor de verbetering van de veiligheid op zee (MARE) werd uiteengezet en dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk een haalbaarheidsstudie terzake voor te leggen;

    144.  verwacht dat het Europees Nabuurschapsbeleid terdege rekening houdt met het maritieme beleid van de Unie en de noodzaak om met de buurlanden van de EU samen te werken op het vlak van milieu en veiligheid van de zeeën en op zee;

    145.  is van oordeel dat illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde (IUU) visvangst een ernstig en steeds belangrijker wordend probleem is dat leidt tot de aantasting van waardevolle visbestanden en tot oneerlijke concurrentie tussen enerzijds de vissers die zich aan de regels houden en anderzijds de vissers die dat niet doen; merkt op dat in bepaalde visserij-industrieën in de EU, de illegale vangst een significant deel van de totale vangst uitmaakt; kijkt uit naar de volgende mededelingen en voorstellen van de Commissie ter bestrijding van de illegale visvangst en actualisering van het Actieplan van 2002 van de EU;

    146.  verzoekt om ook in de toekomst te streven naar een geïntegreerde aanpak van een Europees maritiem beleid; onderstreept dat daartoe in ieder geval regelmatig coördinerend overleg tussen de verantwoordelijke leden van de Commissie dient plaats te vinden alsmede een regelmatige publieke gedachtewisseling met de andere stakeholders, bijvoorbeeld in het kader van tweejaarlijkse conferenties; dringt erbij de toekomstige Raadsvoorzitters op aan in hun werkprogramma in te gaan op het maritieme beleid; verzoekt daarnaast de Europese Commissie jaarlijks een overzicht te geven van alle met EU-middelen gesteunde maritieme projecten;

    o

    o         o

    147.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's.

    • [1]  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
    • [2]  Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand.
    • [3]  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11.
    • [4]  PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.
    • [5]  PB L 332 van 28.12.2000, blz. 81.
    • [6]  Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0482.
    • [7]  PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.
    • [8]  PB L 148 van 6.6.2002, blz. 24.
    • [9]  Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0486.
    • [10]  Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0482.
    • [11]  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.
    • [12]  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327, 22.12.2000, blz. 1).
    • [13]  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, 22.7.1992, blz. 7).
    • [14]  Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, 25.4.1979, blz. 1).
    • [15]  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375, 31.12.1991, blz. 1).
    • [16]  Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG (PB L 121, 11.5.1999, blz. 13).
    • [17]  Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 255, 30.9.2005, blz. 11).

    TOELICHTING

    Met de indiening van "een toekomstige maritieme beleid van de Unie: een Europese visie op de oceanen en zeeën" door de Europese Commissie worden in velerlei opzicht nieuwe wegen ingeslagen. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat in het Europees Parlement een controversiële discussie werd gevoerd over de vraag welke commissie ten principale bevoegd zou moeten zijn. Daaruit blijkt dat de geïntegreerde, dan wel holistische benadering, die de Commissie nastreeft, dus de verschillende beleidssectoren zoals werven, scheepvaart, scheeps- en zeeveiligheid, toerisme, visserij, havenbeleid, maritiem milieu, onderzoek, industrie, ruimtelijke ordening en andere telkens met elkaar in verband te brengen, geen automatisme is. Een blik op de sterk gefragmenteerde administratieve en politieke bevoegdheden voor het maritieme beleid in de lidstaten toont aan, hoe moeilijk een geïntegreerde aanpak in de praktijk zal zijn. Ook bepaalde directoraten-generaal van de Commissie hebben voorstellen het licht doen zien, die, ondanks het Groenboek, eerder particularistisch dan holistisch lijken.

    Na de geschetste aanloopproblemen in het Europees Parlement hebben de rapporteur (Commissie vervoer en toerisme) en de co-rapporteurs (Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, Visserijcommissie, Commissie industrie, onderzoek en energie, Commissie regionale ontwikkeling) zich aaneengesloten tot een werkgroep, om reeds bij het opstellen van deelverslagen een zo groot mogelijke overeenstemming voor het gemeenschappelijke eindverslag tot stand te brengen. Los van de formalistische procedure van de commissiesamenwerking kon zo buitengewoon coöperatief worden gewerkt. Zo kon onder meer op 20 maart 2007 onder deelname van het Duitse Raadsvoorzitterschap en het Portugese "vervolgvoorzitterschap" een door alle betrokken commissies gezamenlijk georganiseerde hoorzitting met vertegenwoordigers en deskundigen van de verschillende sectoren worden gehouden. In het voorliggende ontwerpverslag zijn daarom bijna alle voorstellen van de co-rapporteurs reeds vervat.

    Als geheel lijkt er bij de lidstaten, de betrokken sectoren, de regio's brede overeenstemming te zijn over de geïntegreerde aanpak van het maritieme beleid door de Commissie. Dat zou er ook aan kunnen liggen dat de graad van abstractie van bepaalde beleidsterreinen relatief hoog is, dat constateringen worden voorkomen en dat in twijfelgevallen de aanvoegende wijs een uitweg biedt.

    Bij de formulering van concrete beleidsgebieden zal blijken of de algemene instemming met het Groenboek standhoudt. Uit de omgang van de Raad, of de lidstaten met de besluiten van het Parlement over de zeven wetsvoorstellen van het Erika III-pakket, die nadrukkelijk in het Groenboek als belangrijk bestanddeel van de Europese scheeps- en zeeveiligheid worden genoemd, zal blijken hoe serieus een toekomstig maritiem beleid wordt genomen.

    Uw rapporteur stelt derhalve voor in het advies van het Europees Parlement een reeks concrete eisen aan de Commissie, maar ook aan de lidstaten te stellen. Deze eisen betreffen zowel een grotere steun voor alle maritieme bedrijfstakken, voor maritiem onderzoek en innovatie, maar ook verplichtingen met betrekking tot een grotere duurzaamheid.

    Uw rapporteur beschouwt maritiem vervoer als een belangrijke pijler van de Europese economie. Dit te bevrijden van bureaucratie en te stimuleren moet derhalve een doel zijn van het Europees maritiem beleid. Het vervoer per schip heeft duidelijk de voorkeur boven het vervoer over de weg of de lucht, op grond van zijn naar vergelijking geringere schade voor het milieu.

    Toch is het maritieme vervoer niet "schoon". Het heeft, nog afgezien van opzienbarende ongelukken, duidelijke bijwerkingen in de vorm van milieuvervuiling door uitlaatgassen, legale en illegale lozingen van olie en chemicaliën. Er moeten maatregelen worden genomen die het vervoer over zee milieu- en ook klimaatvriendelijker maken.

    In het Groenboek wordt heel beknopt het klimaatbeleid aan de orde gesteld. De rapporteur en de co-rapporteurs zijn van mening dat in een toekomstige maritiem beleid zeer speciale aandacht moet worden geschonken aan de klimaatverandering en de bestrijding daarvan. Emissiehandel in de scheepvaart, regeneratieve energie zoals wind en zon voor het aandrijven van schepen, de energievoorziening van schepen in de havens vanaf het land, offshore windenergie en dergelijke moeten in de toekomst sterker de agenda van het Europees beleid bepalen.

    Uw rapporteur ziet in deze maatregelen geen belemmering voor de Europese industrie. In tegendeel: de Europese industrieën hebben alleen een toekomst wanneer zij innovatief zijn. Standaardproducten, vooral in de scheepsbouw, kunnen in Europa nauwelijks nog tegen concurrerende prijzen worden vervaardigd.

    De Europese Unie heeft de kans om een voortrekkersrol te gaan spelen in een innovatief en duurzaam maritiem beleid. Dat impliceert de gemeenschappelijke wil van de lidstaten. Het Europees Parlement moet in het vervolg elk Raadsvoorzitterschap afrekenen op vooruitgang in het Europees maritiem beleid.

    ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid(*) (10.5.2007)

    aan de Commissie vervoer en toerisme


                           inzake naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën
    (2006/2299(INI))

    Rapporteur voor advies: Satu Hassi

    (*) Nauwere samenwerking tussen commissies - Artikel 47 van het Reglement

    BEKNOPTE MOTIVERING

    Het Groenboek over de toekomst van het maritiem beleid is een uiterst nuttig document daar wij - zoals in het Groenboek zelf wordt gezegd - uitsluitend kunnen blijven profiteren van wat onze zeeën bieden als wij een diepe eerbied voor hen aan de dag leggen als hun bestanden onder zware druk dreigen te raken doordat wij over steeds meer technieken beschikken om deze uit te baten. De versnelde afname van de biodiversiteit in zee ten gevolge van met name vervuiling, klimaatverandering en overbevissing zijn waarschuwingen die wij niet in de wind kunnen slaan (blz. 5 en 6)

    Het is hoog tijd dat de Commissie het initiatief neemt en probeert een gecoördineerd en samenhangend maritiem beleid van de grond te krijgen.

    In het Groenboek wordt niet alleen veelvuldig gewezen op de mate waarin het maritieme milieu achteruit is gegaan, er worden eveneens andere belangrijke dingen gezegd waarmee uw rapporteur voor advies instemt:

    - door verslechtering van het maritieme milieu worden de mogelijkheden van werkgelegenheid beperkt;

    - alle beleid van de EU moet in een internationaal kader worden opgezet;

    - ontwikkeling en invoering van nieuwe technieken ter waarborging van milieuduurzaamheid kunnen werkgelegenheid en exportmogelijkheden met zich meebrengen;

    - gegevens over het gebruik van het maritieme milieu zijn gebrekkig ( zij ontbreken geheel of kunnen niet worden vergeleken tussen lidstaten) en er worden verbeteringsvoorstellen gedaan.

    Er is dringend behoefte aan een stelsel van ruimtelijke ordening voor maritieme activiteiten op basis van een ecosystematische benadering in het kader waarvan activiteiten, zo nodig, zouden worden beperkt (zie blz. 34). In het Groenboek wordt gesteld dat het maritiem beleid moet rusten op twee pijlers - de strategie van Lissabon en de Thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu. Uw rapporteur voor advies ziet in dat het moeilijk kan zijn de eisen van economische groei te combineren met die van milieubehoud, maar zij is van mening dat te veel nadruk op de korte-termijnvoordelen van economische groei op langere termijn aanzienlijke economische en milieuschade kan veroorzaken. Uit het Groenboek blijkt duidelijk dat de Commissie zich bewust is van de mogelijkheden voor economische groei die kunnen voortkomen uit een inzet voor het behoud van het mariene milieu - genoemd worden energiewinning op zee, schonere vormen van vervoer over zee, scheepsbouw en andere technologieën ter waarborging van milieuduurzaamheid.

    Uw rapporteur voor advies verzoekt de commissie met klem erop toe te zien dat de richtlijn inzake het zeebeleid, de wetgevende pijler onder de verplichting die de EU op zich neemt tot behoud van de zee, goedkeuring niet wordt afgezwakt tijdens de procedure van definitieve goedkeuring of als gevolg van de gedachtewisselingen over het maritiem beleid. Het is van bijzonder belang de daarin opgenomen definitie van goede milieustatus vast te houden, en de lidstaten ertoe aan te zetten andere milieuwetgeving zoals o.a. de habitatrichtlijn en Natura 2000 ten volle ten uitvoer te leggen.

    Klimaatverandering is voor de EU en de rest van de wereld van dermate fundamentele betekenis dat de EU-campagne tot beperking van de uitworp een van haar hoogste prioriteiten dient te zijn. Vervoer in alle verschijningvormen (lucht, weg en zee) is in toenemende mate verantwoordelijk voor de uitworp van broeikasgassen en de Commissie moet zo spoedig mogelijk een voorstel indienen ter beperking daarvan, met als bijkomend voordeel dat er door de ontwikkeling van de technologische deskundigheid die andere landen nodig zullen hebben, een bijdrage wordt geleverd tot de werkgelegenheid.

    Eén onderwerp is ten slotte opvallend afwezig in het Groenboek. De strijdkrachten worden slechts genoemd wegens de positieve bijdrage die zij kunnen leveren aan een maritiem beleid via zoek- en reddingsacties, handhaving van de wet enz. Geen woord over de milieuvernietiging die kan worden veroorzaakt door de militaire structuren van de lidstaten en hun activiteiten. Deze tekortkoming moet in de resolutie ter sprake worden gebracht.

    SUGGESTIES

    De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  verwijst andermaal naar zijn resolutie van 14 november 2006 over een Thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu[1] en herhaalt met name dat

    · de EU vooral moet streven naar duurzaam gebruik van de zeeën en behoud van de mariene ecosystemen, o.m. een krachtig EU-beleid inzake behoud van de zee, voorkoming van verder verlies van biologische verscheidenheid en achteruitgang van het mariene milieu,

    · een gezamenlijke, voor de hele EU geldende definitie van goede milieustatus moet worden opgenomen,

    · dat het Europees Milieuagentschap het mariene milieu regelmatig moet beoordelen, hetgeen verbeteringen vergt in de verzameling, verslaglegging en uitwisseling van nationale gegevens,

    · het belang moet worden erkend van voorafgaand overleg, coördinatie en samenwerking met buurlanden bij de goedkeuring en tenuitvoerlegging van de toekomstige richtlijn mariene strategie (COM(2005)0505 - C6-0346/2005 - 2005/0211(COD)), waarop nadrukkelijk is gewezen in zijn standpunt van 14 november 2006[2];

    2.  erkent dat een gezond marien milieu de grondslag vormt voor de duurzame ontwikkeling van de scheepvaartsector in de EU en wijst er andermaal op dat de EU zich heeft verplicht tot verwerking van de milieudimensie in alle aspecten van het Gemeenschapsbeleid;

    3.  wijst er met nadruk op dat een schoon marien milieu, met voldoende biologische verscheidenheid om het naar behoren functioneren van de samenstellende ecosystemen te waarborgen, voor Europa van levensbelang is; wijst er voorts op dat de intrinsieke waarde van zeegebieden inhoudt dat de voordelen van een goede status van het mariene milieu in de EU veel verder gaan dan het mogelijke economische gewin van uitbating van de diverse bestanddelen van de zeeën, kustwateren en rivierbekkens en dat het mariene milieu in de EU derhalve moet worden behouden en in veel gevallen hersteld;

    4.  wijst andermaal op het beginsel van de ecosystematische benadering van het beheer van menselijke activiteiten, een van de centrale elementen van de thematische strategie voor het mariene milieu; dringt erop aan dit beginsel eveneens met betrekking tot het maritieme beleid toe te passen;

    5.  is er dan ook van overtuigd dat duurzame reserves in het mariene milieu duurzaam kunnen en moeten worden gebruikt zodat de exploitatie ervan en de daaruit voortkomende economische voordelen op lange termijn behouden kunnen blijven; dringt in dit verband eveneens aan op intensiever gebruik van op het land en op zee opgewekte windenergie, ten einde de mogelijkheden daarvan voor het werkgelegenheids- en economisch beleid duurzaam te gebruiken;

    6.  wijst erop dat op het land en op zee opgewekte windenergie zeer omvangrijke ontwikkelingsmogelijkheden omvat en in aanzienlijke mate kan bijdragen tot bescherming van het klimaat, en verzoekt de Commissie derhalve om maatregelen door een staf- of coördinatiepunt voor windenergie op te zetten en een actieprogramma voor windenergie op gang te brengen;

    7.  kan er niet genoeg op wijzen dat de normen die worden gekozen voor een bevredigende milieusituatie voldoende strikt moeten zijn, daar deze kwaliteitsdoelen de actieprogramma's waarschijnlijk langdurig zullen bepalen;

    8.  is eveneens van mening dat snel maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit moeten worden vastgesteld en is dan ook verontrust over de duur van het tijdschema dat in het voorstel voor een richtlijn inzake een mariene strategie wordt voorgesteld;

    9.  acht het dan ook belangrijk het tijdschema voor de opstelling van actieprogramma's voor de mariene strategie te coördineren met belangrijke programma's op EU-niveau zoals de structuurfondsen van de EU, om zo veel mogelijk coördinatiewinsten met bestaande programma's te boeken; de opstelling van het actieprogramma moet derhalve uiterlijk in 2012 plaats hebben om coördinatie met de opstelling van het structuurprogramma vanaf 2014 te vergemakkelijken; wijst erop dat coördinatie met het landbouwfonds van de EU (ELFPO) van bijzondere betekenis is voor de regio's waar de uitstoot in zee voor een groot deel wordt veroorzaakt door de landbouw;

    10. dringt er met klem op aan de tenuitvoerlegging van een net van beschermde zeegebieden te versnellen;

    11. dringt er, verontrust over de gevolgen die de klimaatverandering zelfs volgens de meest positieve draaiboeken voor bescherming van het klimaat met zich meebrengt voor de ecosystemen in zee, op aan dat de nodige aandacht wordt geschonken aan de extra kwetsbaarheid van het mariene milieu voor andere spanningselementen die deze gevolgen met zich meebrengen; dringt er met klem op aan dat de uitworp van broeikasgassen door activiteiten op zee zo snel mogelijk wordt aangepakt met doelmatige maatregelen zoals uitbreiding van de handel in uitworp tot het scheepvaartverkeer en uitbreiding van het gebruik van duurzame energie voor de aandrijving van schepen;

    12. is van mening dat stikstofdioxide en fijnstof aanzienlijk zouden kunnen worden beperkt als schepen terwijl zij in de haven liggen vanaf het land van energie werden voorzien, en verzoekt de Commissie dan ook dienovereenkomstige maatregelen te steunen;

    13. is verontrust over berichten dat de uitworp van koolstofdioxide ten gevolge van activiteiten op zee omvangrijker zou zijn dan voorheen werd aangenomen; deze staat momenteel voor 5% van de mondiale uitworp en neemt naar verwachting in de komende 15 tot 20 jaar toe tot niet minder dan 75% tenzij maatregelen worden genomen om de ontwikkeling te keren; wijst erop dat de uitworp van broeikasgassen door vissersvaartuigen aanzienlijk is; neemt kennis van het gebrek aan vooruitgang dat de IMO ter zake boekt ondanks de taak die haar tien jaar geleden in het Protocol van Kyoto is toegewezen en verzoekt de Commissie wetgeving voor te stellen om de uitworp van broeikasgassen ten gevolge van activiteiten op zee daadwerkelijk terug te dringen en om ervoor te zorgen dat de EU maatregelen van doorslaggevende betekenis neemt om de maritieme sector op te nemen in de internationale klimaatverdragen;

    14. stelt vast dat de verontreiniging van het mariene milieu meestal afkomstig is van het vasteland, bij voorbeeld maar niet uitsluitend: afvoer van landbouwactiviteiten en uitworp door de industrie, die met name vernietigende gevolgen hebben voor ingesloten en halfopen zeeën; wijst erop dat de EU bijzondere aandacht moet schenken aan deze gebieden en maatregelen moet nemen om verdere vervuiling te beperken en te voorkomen; is eveneens van mening dat de nieuwe technologie voor Wereldwijd Toezicht ten behoeve van Milieu en Veiligheid (GMES) met succes voor dat doel kan worden gebruikt;

    15. erkent dat de uitworp van luchtverontreinigende stoffen vanaf schepen binnen afzienbare tijd omvangrijker zal zijn dan die vanaf het land, verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van de thematische strategie voor de luchtkwaliteit nogmaals spoedig maatregelen te nemen om de uitworp door de scheepvaartsector te beperken en verzoekt de Commissie voorstellen te doen om

    - een norm voor de uitworp van NOx te bepalen voor schepen die gebruik maken van havens in de EU,

    - de Middellandse Zee en het Noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan aan te wijzen als beheersgebied voor SOx-emissie (SOxECA )overeenkomstig het MARPOL-Verdrag,

    - het maximaal toegestane zwavelgehalte in voor gebruik in SOxCA op zee bestemde brandstoffen voor passagiersschepen te verlagen van 1,5 tot 0,5%,

    - belastingmaatregelen in te voeren, zoals belastingen of heffingen op de uitstoot van SO2 en NOx door schepen,

    - de invoering te stimuleren van verschillende tarieven voor het gebruik van havens en vaargeulen, die gunstiger zijn voor vaartuigen met een geringe uitworp van SO2 en NOx,

    - het gebruik te bevorderen van vanaf de wal geleverde elektriciteit wanneer schepen in havens liggen,

    - te komen tot een EU-richtlijn inzake de kwaliteit van voor de scheepvaart bestemde brandstoffen;

    16. stelt verontrust vast dat de Oostzee momenteel een van de meest vervuilde zeeën ter wereld is en wijst de Commissie andermaal op zijn vorige verzoek om een aanbeveling op te stellen voor een EU-strategie voor de Oostzee, waarin maatregelen worden voorgesteld ter verbetering van de milieusituatie van de Oostzee, met name ter beperking van de eutrofiëring van de Oostzee en ter voorkoming van de lozing in zee van olie en andere giftige en schadelijke stoffen; wijst er nogmaals op dat bestaande samenwerkingsinstrumenten zoals INTERREG-programma's ten volle moeten worden ingezet bij de tenuitvoerlegging van interregionale projecten ter verbetering van de situatie van de Oostzee;

    17. wijst erop dat maatregelen ter ontwikkeling van wetenschappelijke en technologische innovatie op het gebied van zeeonderzoek moeten worden opgenomen in de gezamenlijke Europese onderzoekprogramma's, eveneens door verruiming van de financiering hiervan;

    18. is ervan overtuigd dat een schoon marien milieu van doorslaggevende betekenis is voor in zee levende soorten, zowel voor de handel bestemde vis als andere soorten die niet worden geëxploiteerd, en dat herstel van uitgeputte bestanden afhankelijk is van beperking van de vervuiling van de zee en van de visserijactiviteiten; is van mening dat vervuilende elementen in zee moeten worden beperkt om te waarborgen dat in de EU gebruikt vismeel niet verontreinigd is;

    19. is van mening dat volledige en tijdige tenuitvoerlegging van alle milieuwetgeving van de EU (o.m. waterkaderrichtlijn[3], habitatrichtlijn[4], vogelrichtlijn[5], nitraatrichtlijn[6], zwavelrichtlijn[7] en richtlijn sancties voor verontreiniging vanaf schepen[8]) dringend geboden is om de kwaliteit van het mariene milieu te behouden en dat de Commissie alle noodzakelijk druk moet uitoefenen om de lidstaten hiertoe te stimuleren en zo nodig zelfs gerechtelijke procedures moet aanspannen;

    20. wijst op de soms rampzalige gevolgen die exotische organismen hebben voor het ecosysteem in de zee en erkent dat vreemde soorten die het systeem binnendringen een belangrijke bedreiging vormen van de biologische verscheidenheid in de zee; verzoekt de Commissie dringend maatregelen te nemen om het overbrengen van organismen in ballastwater te voorkomen en doelmatige controle in te voeren op het lozen van ballastwater in EU-wateren;

    21. herhaalt, in het kader van de verbetering van de handhaving van de milieuwetgeving van de EU en de voorkoming van vervuiling van de zee, zijn eerdere eis dat de Commissie nagaat of de oprichting van een Europese kustwacht haalbaar is;

    22. erkent dat behoorlijk beheer van de reserves in het mariene milieu een stevige informatiebasis vergt; wijst daarom met klem op het belang van degelijke wetenschappelijke kennis van het mariene milieu om bij te dragen tot kostenbesparende besluitvorming en om te voorkomen dat er maatregelen worden genomen die geen waarde toevoegen; dringt er daarom op aan het onderzoek van de zee bijzonder te benadrukken bij de toewijzing van kredieten om duurzame en doelmatige verbeteringen aan het milieu te kunnen aanbrengen;

    23. is ervan overtuigd dat het voorzorgsbeginsel overeenkomstig artikel 174, lid 2 van het EG-Verdrag de basis moet vormen van alle soorten uitbating van de maritieme gebieden van de EU; wijst er met nadruk op dat het ontbreken van wetenschappelijke zekerheid daarom niet mag worden gebruikt als excuus om preventieve maatregelen te vertragen;

    24. is van mening dat het denkbeeld van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in verband met het behoud van het mariene milieu van beperkte waarde is vergeleken met wetgeving, en dat een adequate wetgevende basis het Gemeenschapsprogramma voor milieubehoud daarom ook in de toekomst moet onderbouwen en dat het moet worden uitgebreid met vrijwillige maatregelen van bedrijven die willen laten zien dat zij verantwoord te werk gaan;

    25. wijst er nadrukkelijk op dat de EU zich actief moet opstellen met betrekking tot maritiem beheer op internationaal niveau ter bevordering van eerlijke mededingingsvoorwaarden voor de maritieme economie zonder haar doelen inzake de milieutechnische duurzaamheid van maritieme activiteiten in gevaar te brengen;

    26. erkent de betekenis van de kustgebieden voor de ontwikkeling en exploitatie van duurzame energie die een essentieel en onlosmakelijk deel vormt van de EU-acties ter bestrijding van de mondiale klimaatverandering; wijst erop dat adequate ruimtelijke ordening in de zin van een ruimtelijke indeling van de zee om de ontwikkeling van locaties voor het gebruik van wind-, getijden- en andere vormen van energie mogelijk te maken daarom noodzakelijk is om botsingen met andere gebruikers van het mariene milieu zo veel mogelijk te beperken en om milieubeschadiging te voorkomen, rekening houdend met milieueffectrapportage (MER); juicht het toe dat door de groeiende industrie van duurzame energie aanzienlijke kansen worden geboden voor de schepping van werkgelegenheid en de totstandbrenging van technische deskundigheid in de EU;

    27. bevestigt andermaal zijn standpunt van 14 november 2006 over de richtlijn Mariene Strategie met name voor wat betreft de verboden van en/of de criteria voor stelselmatige/opzettelijke lozing van vaste stoffen, vloeistoffen of gassen in de waterzuil, zeebodem/ondergrond; is voorts van mening dat de opslag van koolstofdioxide in de zeebodem en ondergrond afhankelijk moet zijn van vergunning overeenkomstig de internationale wetgeving, voorafgaande milieueffectrapportage overeenkomstig Richtlijn 85/337/EEG[9] van de Raad en de desbetreffende internationale overeenkomsten, alsook van periodiek toezicht en controle;

    28. erkent dat de uiteenlopende vormen van beleid, wil de mariene strategie de 'milieupijler' van het maritiem beleid zijn, elkaar volkomen dienen aan te vullen om te waarborgen dat de EU-aanpak consequent is; beseft dat de opslag van koolstofdioxide in geologische structuren onder de zeebodem deel kan vormen van een pakket maatregelen ter beperking van de uitworp van broeikasgassen in de atmosfeer en verzoekt om het opzetten van een duidelijk wet- en regelgevend kader voor het inzetten van deze technologie;

    29. wijst er met klem op dat bij alle projecten (stadsontwikkeling, industrielocaties, havens en jachthavens, recreatielocaties enz.) langs de lange kust van de Gemeenschap uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering en de daarmee verband houdende stijging van de zeespiegel, o.m. het toenemende aantal en de toenemende kracht van stormen en de grotere golfhoogte; dringt er met klem op aan dat er in kustgebieden geen nieuwe kerncentrales worden gebouwd;

    30. is van mening dat het concept "groepering" gunstige gevolgen kan hebben voor het mariene milieu, als behoud van habitats, beheersing van vervuiling en andere milieutechnologieën vanaf de planningsfase worden opgenomen in ontwerp en tenuitvoerlegging van groepen; stelt vast dat gezamenlijke toepassing van de beste milieutechnologieën en betere (grensoverschrijdende) samenwerking tussen havens alsook doelmatiger gebruik van vrije havencapaciteit een belangrijk deel dient te vormen van het groepenconcept;

    31. spreekt zijn waardering uit voor de Commissie als zij erkent dat een algemeen stelsel van ruimtelijke ordening noodzakelijk is om een stabiel regelgevingsklimaat en een wettelijk bindende grondslag voor besluitvorming te waarborgen; acht het een wezenlijk criterium voor doelmatige op het ecosysteem gebaseerde ruimtelijke ordening dat activiteiten zodanig worden opgezet dat de gevolgen van voor het milieu schadelijke activiteiten buiten ecologisch gevoelige gebieden worden gehouden en tegelijkertijd grondstoffen in alle andere sectoren op milieutechnisch duurzame wijze te gebruiken; dringt in dit verband aan op gebruik van het instrument van de strategische milieubeoordeling[10];

    32. wijst er echter met klem op dat één van de kerndoelen van het beheer van de kustgebieden het behoud van het mariene milieu dient te zijn en niet dat er symbolisch een paar beschermingsgebieden worden aangewezen, met name gelet op Aanbeveling 2002/413/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa[11];

    33. is het in dit verband met de Commissie eens dat er wat betreft bevolkingsdichtheid en industrieactiviteit een natuurlijke grens is aan de menselijke activiteit die kustgebieden kunnen verdragen zonder dat het milieu ernstig en wellicht onomkeerbaar wordt aangetast; steunt derhalve het standpunt van de Commissie dat er een algemeen onderzoek nodig is om deze grenzen beter te kunnen bepalen en dienovereenkomstige prognoses en plannen op te stellen;

    34. stelt vast dat de verwezenlijking van een bevredigende milieustatus eveneens vereist dat buiten ecologisch gevoelige gebieden verrichte menselijke activiteiten strikt aan regels gebonden zijn, zodat eventuele ongunstige gevolgen voor het mariene milieu tot een minimum beperkt blijven;

    35. is het eens met het standpunt dat in het Groenboek wordt ingenomen, namelijk dat er aanzienlijke en ernstige problemen bestaan in verband met de gegevens die beschikbaar zijn over de toestand het mariene milieu en de activiteiten die daar worden uitgevoerd of waarvan de gevolgen daar voelbaar zijn; steunt daarom het verzoek om veel betere programma's voor de verzameling van gegevens, cartografie en toezicht, het volgen van vaartuigen enz. in deze gebieden, waarbij de lidstaten, de Zeeverdragen, de Commissie en andere organen van de Gemeenschap zoals het Europees milieuagentschap en het Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart worden betrokken; benadrukt de betekenis van uitwisseling van optimale werkmethoden op nationaal, regionaal en Europees niveau;

    36. stelt vast dat er in het groenboek enkele nuttige bijdragen worden vermeld die door de strijdkrachten kunnen worden geleverd, o.m zoek- en reddingsacties, hulp bij rampen en toezicht op zee; betreurt echter dat er geen melding wordt gemaakt van de milieuschade die kan worden veroorzaakt door defensie, zoals het testen van wapens, de bouw van marinebases en het gebruik van systemen van zeer intensieve onderwater sonar die voor walvisachtigen schadelijke gevolgen kunnen hebben met als gevolg doofheid, beschadiging van inwendige organen en massale strandingen met dodelijke afloop;dringt er in dit verband op aan militaire activiteiten volledig op te nemen in het maritiem beleid en hierop de milieueffectrapportage en aansprakelijkheid volledig toe te passen.

    PROCEDURE

    Titel

    Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën

    Procedurenummer

    2006/2299(INI)

    Commissie ten principale

    TRAN

    Advies uitgebracht door

    Datum bekendmaking

    ENVI
    14.12.2006

    Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

    14.12.2006

    Rapporteur voor advies
      Datum benoeming

    Satu Hassi
    23.1.2007

    Vervangen rapporteur voor advies

    Behandeling in de commissie

    21.3.2007

     

     

    Datum goedkeuring

    8.5.2007

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    41
    0
    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Adamos Adamou, Georgs Andrejevs, Margrete Auken, Irena Belohorská, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Hiltrud Breyer, Martin Callanan, Dorette Corbey, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Jill Evans, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Urszula Krupa, Marie-Noëlle Lienemann, Linda McAvan, Alexandru-Ioan Morţun, Roberto Musacchio, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Daciana Octavia Sârbu, Karin Scheele, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Kathy Sinnott, Antonios Trakatellis, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman, Glenis Willmott

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

    Christofer Fjellner, Adam Gierek, Alojz Peterle, Andres Tarand

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

    • [1]  P6_TA(2006)0486.
    • [2]  P6_TA(2006)0482.
    • [3]  PB L 327, 22.12.2000, blz. 1(Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid).
    • [4]  PB L 206, 22.7.1992, blz. 7 (Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna).
    • [5]  PB L 103, 25.4.1979, blz. 1 (Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand).
    • [6]  PB L 375, 31.12.1991, blz. 1(Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen).
    • [7]  PB L 121, 11.5.1999, blz. 13 (Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG).
    • [8]  PB L 255, 30.9.2005, blz. 11 ( 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken).
    • [9]  PB L 175, 5.7.1985, blz. 40. (Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten).
    • [10]  PB L 197, 21.7.2001, blz. 30 (Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's).
    • [11]  PB L 148 van 6.6.2002, blz. 24.

    ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (4.5.2007)

    aan de Commissie vervoer en toerisme


    Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën
    (2006/2299 (INI))

    Rapporteur voor advies: Jorgo Chatzimarkakis

    BEKNOPTE MOTIVERING

    Europa kan worden beschouwd als een groot schiereiland dat wordt omringd door oceanen en zeeën en wordt geïrrigeerd door een groot aantal rivieren en kanalen. Het belang van de zeeën en oceanen als een natuurlijke, onderbenutte bron met een veelheid aan gebruiken en economische activiteiten kan niet voldoende worden benadrukt. Het potentieel van Europa's maritieme dimensie is weliswaar duidelijk, maar het beleid van de EU inzake maritiem vervoer, industrie, kustgebieden, energiewinning op zee, visserij en het mariene milieu is tot nu toe gefragmenteerd en soms zelfs tegenstrijdig geweest. De ontwikkeling van een alomvattend maritiem beleid dat gericht is op de duurzame versterking van de maritieme economie van Europa, is daarom van het grootste belang. Het groenboek bevat de belofte de nog niet aangeboorde mogelijkheden van synergie te verkennen en een nieuwe visie te ontwikkelen op het beheer van onze relatie met de oceanen.

    De maritieme industrieën en diensten omvatten een breed arsenaal van sectorale economische activiteiten, variërend van scheepsbouw en havens tot aquacultuur en de exploratie van energiewinning op zee. In totaal genereren mariene activiteiten naar schatting 3 tot 5 procent van het BBP van Europa en bieden ze werk aan meer dan drie miljoen mensen.

    De maritieme clusters van Europa zijn uiterst succesvol en mondiale marktleiders. Europese scheepswerven zijn leiders op de wereldmarkt op het punt van omzet en innovatieve producten en processen. Europa beheert 40 procent van de wereldhandelsvloot en domineert internationale lijnbootdiensten. Tevens is Europa, met een aandeel van 35 procent van de wereldmarkt, een wereldleider in de uitrusting van zeeschepen, een uiterst competitieve en op kennis gebaseerde markt.

    De zee speelt ook een belangrijke rol in de energievoorziening en biedt interessante mogelijkheden voor de opwekking van hernieuwbare energie, want windenergie op zee, oceaanstromingen, golven en getijdenbewegingen zijn een gigantische bron van energie.

    Mariene biotechnologie wordt beschouwd als een van de meest opwindende opkomende technologiesectoren, met een enorm potentieel om een waardevolle bijdrage te leveren in bijna elke bedrijfssector, van de gezondheidszorg tot bioremediatie en van cosmetica tot nutraceutica, met inbegrip van algen.

    De sectoren met het hoogste groeipotentieel zijn de cruisevaart, aquacultuur, hernieuwbare energie, onderzeese telecommunicatie en mariene biotechnologie. Voor deze potentiële zakelijke kansen zijn verdere O&O-inspanningen nodig. De Europese industrie moet kennisgestuurd zijn om op mondiaal niveau te kunnen concurreren. Daarom zijn een geschoolde beroepsbevolking en continue innovatie nodig. Innovatieve ICT-oplossingen, van het verzamelen en het gebruik van mariene gegevens tot de exploitatie van havens (Galileo-project en GMES-initiatief), zijn belangrijke instrumenten.

    De EU moet een mondiale speler worden op het gebied van het maritieme beleid, hetzij in onderzoek hetzij op andere gebieden. Tot nu toe is het beleid van de EU gefragmenteerd geweest en spreekt de Unie niet met één stem. We moeten slagen, vooral omdat de rest van de wereld van ons verwacht dat we een mondiale speler zijn.

    SUGGESTIES

    De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  is zeer verheugd over de uitwerking van een alomvattend Europees maritiem beleid dat gericht is op de duurzame versterking van de maritieme economie van de Unie;

    2.  is van mening dat de sectoren van de scheepswerven en de uitrusting van zeeschepen in de Unie erin zijn geslaagd concurrerend te blijven door te investeren in innovatieve producten en processen en door op kennis gebaseerde nichemarkten te ontwikkelen; is van mening dat een Europese maritieme strategie de juiste omstandigheden moet creëren om de leidende positie van de Unie op deze markten te kunnen behouden, daarbij, naast andere maatregelen, een stimulans gevend aan mechanismen voor de overdracht van maritieme technologie;

    3.  benadrukt de betekenis van hooggekwalificeerde arbeidskrachten voor het behoud van het concurrentievermogen van de Europese geïntegreerde maritieme economie en doet derhalve een beroep op de Commissie om maritieme beroepsopleidingen aantrekkelijker te maken en maatregelen te treffen om het huidige gebrek aan vakkundige werknemers te bestrijden;

    4.  doet een beroep op de Commissie om de Europese scheepswerven, die voortdurend worden blootgesteld staan aan oneerlijke concurrentie van Aziatische scheepsbouwers, te ondersteunen door een interventie op het vlak van de WTO;

    5.  merkt op dat Europa een populaire regio is voor jachttoerisme, de cruisevaart en het onderwatertoerisme; moedigt de maritieme gebieden aan te investeren in hun jachthaveninfrastructuur en andere toeristische infrastructuur, teneinde te profiteren van deze groeiende markt, maar daarbij te zorgen voor de bescherming van habitats, planten- en diersoorten en mariene ecosystemen in het algemeen; spoort de Commissie aan geharmoniseerde normen te helpen vaststellen voor faciliteiten en technische uitrusting, teneinde in de hele Unie een hoog dienstenniveau te verzekeren;

    6.  is van oordeel dat in het nieuwe maritieme beleid van de Europese Unie ook het accent moet liggen op de bescherming en bevordering van onderzeese archeologische schatten;

    7.  is van mening dat het Galileo-satellietnavigatiesysteem en het GMES-systeem de maritieme sector grote mogelijkheden bieden; moedigt de Commissie aan het gebruik van deze systemen beter te bevorderen in het kader van de maritieme strategie;

    8.  neemt kennis van de buitengewone ontwikkeling van zeewaterontziltingsinstallaties, die tonnen pekel en andere producten in zee lozen, en is van oordeel dat de Commissie een studie moet verrichten naar het effect van deze installaties op het plankton en de zeebodems en naar de veranderingen en mutaties die hierdoor worden veroorzaakt in het ecosysteem;

    9.  wijst op het belang van ICT in de havenlogistiek; is ervan overtuigd dat nieuwe wetgevingsvoorstellen, zoals het voorstel inzake radiofrequentie-identificatie (RFID), erop gericht moeten zijn het gebruik van deze technologieën te stimuleren; spoort de Commissie aan EU-brede ICT-standaarden vast te stellen voor alle havens in de Unie en een leidende rol te spelen in de onderhandelingen over de vaststelling van internationale technologiestandaarden;

    10. constateert dat de oceaan een gecompliceerd systeem vormt, dat moeilijk door rechtstreekse waarneming is te doorvorsen en dringt er daarom bij de Commissie op aan om zorg te dragen voor de harmonisatie van de verzameling van data en de uitwisseling daarvan tussen de lidstaten, zulks door de oprichting van een "Europees Netwerk voor maritieme observatie en informatie"; merkt op dat ook voor de tenuitvoerlegging van communautaire beleidsterreinen, zoals de Kaderrichtlijn voor water, Natura 2000 en andere, de ontwikkeling van gecoördineerde observatienetwerken vereist is;

    11. is van mening dat een nieuwe Europese maritieme strategie een havenstrategie moet omvatten, gezien het enorme belang van zeevervoer, zowel binnen de interne markt als met de handelspartners van de Unie;

    12. erkent dat de opslag van kooldioxide in onderzeese geologische structuren een belangrijk onderdeel vormt van een portefeuille van maatregelen ter vermindering van de emissie van broeikasgassen; dringt aan op de totstandkoming van een duidelijk wetgevend en regelgevend kader voor de toepassing van deze technologie;

    13. ziet grote mogelijkheden tot vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van CO2 in het maritieme vervoer, onder meer door het gebruik van en het verdere onderzoek naar biobrandstoffen, alsmede het gebruik van windenergie voor de aandrijving van schepen te bevorderen; benadrukt evenwel de noodzaak van een bindende ecologische en sociale certificatie van biobrandstoffen om erop toe te zien dat het onbetwist vaststaat dat de klimaatefficiëntie en CO2-balans daarvan over de gehele productiecyclus positief is;

    14. benadrukt het belang dat wind-, zeestroom-, golf- en getijdenenergie in het bijzonder voor de kustgebieden van Europa kunnen hebben, zowel voor de opwekking van elektriciteit als ook voor de economische ontwikkeling en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen;

    15. erkent dat een grondige wetenschappelijke kennis van het mariene milieu en zijn karakteristieken kan leiden tot kwalitatief hoogwaardige, milieuvriendelijke en economisch rendabele innovaties; dringt er daarom op aan dat speciaal belang wordt geschonken aan het zeeonderzoek, bij voorbeeld door hiervoor meer middelen beschikbaar te stellen;

    16. onderstreept het belang van de ontwikkeling van een Europese strategie voor de bestudering en voorspelling van de effecten van de klimaatsverandering, welke ook rekening houdt met het mariene milieu en de kustgebieden, zulks met het oog op de voorkoming of verzachting van de ecologische en economische gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien;

    17. benadrukt dat de offshore-windenergie een zeer groot ontwikkelingspotentieel heeft en in aanzienlijke mate ertoe kan bijdragen dat Europa minder afhankelijk van energie-importen wordt en een bijdrage kan leveren aan de klimaatsbescherming, maar dat er nog enorme inspanningen noodzakelijk zijn om dit potentieel volledig te exploiteren; dringt er daarom bij de Commissie op aan om een actieplan voor offshore-windenergie op te stellen om een doelmatige Europese aanzet tot de offshore-technologie te geven, bij te dragen tot een verdergaande netwerkvorming en perspectieven aan te geven hoe tot het jaar 2020 hiermee een vermogen van tenminste 50 GW kan worden bereikt; spreekt daarom de verwachting uit dat een "one-stop shop"-aanpak wordt gekozen en dat een intelligente offshore netwerkinfrastructuur wordt bevorderd; stemt in met het voorstel van de Commissie om een Europees strategisch plan voor energietechnologie uit te werken en verlangt dat daarbij met name de grootschalige ontwikkeling van offshore-windenergie centraal zal staan;

    18. beschouwt blauwe biotechnologie als een van de meest veelbelovende technologieën van de komende decennia, met veel mogelijke toepassingen in de farmacie, cosmetica, de levensmiddelenindustrie en het milieuherstel; is van mening dat de onderzoeksinspanningen op dit gebied moeten worden versterkt en dat een betere synergie kan worden bereikt door de onderzoekinspanningen van de lidstaten op dit gebied beter te coördineren;

    19. benadrukt het potentieel dat een Europese dimensie heeft voor maritiem onderzoek en ontwikkeling, door versterking van in netwerken gekoppelde initiatieven waaraan universiteiten, openbare onderzoekcentra en technische scholen deelnemen, initiatieven die ook de opstelling van gezamenlijke programma's en de uitwisseling van studenten en onderzoekers in deze sector inhouden, met als doel de totstandkoming van een netwerk van "Europese instituten voor maritiem onderzoek";

    20. is van mening dat de Unie milieu- en veiligheidsnormen moet vaststellen voor de ontmanteling van schepen binnen haar rechtsgebied en dat zij moet streven naar harmonisatie van de internationale normen op dit gebied;

    21. is van oordeel dat er concrete doelstellingen moeten worden ontwikkeld op het gebied van de veiligheid en kwaliteit van het vervoer, zowel ten aanzien van de mensen als ten aanzien van het milieu; is van mening dat onderzoek naar betere technologie en opleiding van vakmensen van grote betekenis zijn bij het realiseren van deze doelstellingen;

    22. dringt bij de Commissie aan op een diepgaande bestudering van de effecten van het zeevervoer op het milieu in al zijn dimensies, zoals de kwaliteit van de gebruikte brandstoffen, de emissies van uitlaatgassen in de atmosfeer en de lozingen vanaf schepen, en verzoekt haar om maatregelen voor te stellen voor de duurzame ontwikkeling van de scheepvaart;

    23. ziet maritieme ruimtelijke ordening als essentieel voor een goede coördinatie van de verschillende activiteiten die in de maritieme omgeving worden ontplooid; is van mening dat de Commissie het voortouw moet nemen in deze coördinatie;

    24. is van oordeel dat een doelmatig geïntegreerd beheer van de kustgebieden een absolute voorwaarde vormt voor het welslagen van een globaal maritiem beleid en acht het daarom noodzakelijk dat er een impuls wordt gegeven aan het interdisciplinair onderzoek op het gebied van het kustbeheer en ruimtelijke ordening van de zeegebieden, waarbij de geïnteresseerde partijen nauwer hierbij moeten worden betrokken, opdat bij de wetenschappelijke activiteiten op dit gebied een optimale mate van transparantie, consensus en participatie van de belanghebbenden kunnen worden gegarandeerd.

    PROCEDURE

    Titel

    Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën

    Procedurenummer

    2006/2299(INI)

    Commissie ten principale

    TRAN

    Advies uitgebracht door

    Datum bekendmaking

    ITRE
    14.12.2006

    Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

    0.0.0000

    Rapporteur voor advies
      Datum benoeming

    Jorgo Chatzimarkakis
    4.10.2006

    Vervangen rapporteur voor advies

     

    Behandeling in de commissie

    28.2.2007

    26.3.2007

    3.5.2007

     

     

    Datum goedkeuring

    3.5.2007

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    39
    0
    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Šarūnas Birutis, Renato Brunetta, Jerzy Buzek, Pilar del Castillo Vera, Jorgo Chatzimarkakis, Silvia Ciornei, Lena Ek, Nicole Fontaine, Adam Gierek, Norbert Glante, Fiona Hall, David Hammerstein Mintz, Erna Hennicot-Schoepges, Mary Honeyball, Romana Jordan Cizelj, Romano Maria La Russa, Pia Elda Locatelli, Angelika Niebler, Reino Paasilinna, Miloslav Ransdorf, Vladimír Remek, Herbert Reul, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Andres Tarand, Catherine Trautmann, Claude Turmes, Nikolaos Vakalis, Alejo Vidal-Quadras

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

    Ivo Belet, Philip Dimitrov Dimitrov, Robert Goebbels, Satu Hassi, Eija-Riitta Korhola, Erika Mann, John Purvis, Hannes Swoboda, Silvia-Adriana Ţicău

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Zuzana Roithová

    Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

    ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (11.5.2007)

    aan de Commissie vervoer en toerisme


    inzake “Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën”
    (2006/2299 (INI))

    Rapporteur voor advies: Yiannakis Matsis

    SUGGESTIES

    De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  benadrukt dat toerisme, indien het verstandig wordt ontwikkeld, een duurzame bron van inkomsten vormt voor lokale economieën, die bovendien zorgt voor de bescherming en verbetering van het milieu en de promotie en het behoud van culturele, historische en natuurlijke kenmerken, ambachten en duurzaam maritiem toerisme; roept daarom in het bijzonder op tot investeringen in toeristische infrastructuur voor activiteiten als zeilen, duiken en cruises, en de bescherming en promotie van archeologische vondsten;

    2.  spoort de Commissie en de lidstaten aan steun te verlenen aan traditionele economische activiteiten, die onschadelijk zijn voor mariene ecosystemen, lokale producten een meerwaarde geven en een realistisch alternatief vormen voor sectoren waarin concurrentievermogen belangrijker is;

    3.  roept de lidstaten op beter gebruik te maken van de structuur- en cohesiefondsen voor de verdere ontwikkeling van intermodale vervoersdiensten in havens, opdat de overgang van vervoer over land naar vervoer over water wordt vereenvoudigd, energie efficiënter wordt gebruikt en de CO2-uitstoot van het Europese vervoerssysteem wordt teruggedrongen;

    4.  moedigt de Commissie aan om in de maritieme regio’s onder andere specifiek wetenschappelijk milieukundig en socio-economisch statistisch onderzoek te doen, zodat de effecten van de ontwikkeling van economische activiteiten in deze gebieden kunnen worden gecontroleerd en beheerd;

    5.  wijst erop dat het in het kader van een holistisch maritiem beleid van belang is om een beleid voor geïntegreerd beheer van kustgebieden (GBKG) te ontwikkelen en uit te voeren, waarin aandacht besteed wordt aan de vele exploitatiemogelijkheden van de kustgebieden en aan het effect hiervan op het ontwikkelingsbeleid; pleit in dit verband voor een betere onderlinge afstemming van relevante nationale wetgeving en het Gemeenschapsrecht;

    6.  spoort de Commissie en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid aan om in nauwe samenwerking de invoering van regels te bevorderen op het gebied van havenactiviteiten, visserij, behoud van mariene ecosystemen en erfgoed, vervuiling, teledetectie en satellietplaatsbepalingssystemen, die eveneens in derde landen kunnen worden toegepast om een duurzaam beheer van de oceanen mogelijk te maken en om wereldwijd de effecten van oneerlijke concurrentie te verminderen;

    7.  beveelt de regio’s en de lidstaten aan de instrumenten van het cohesiebeleid te gebruiken om het maritiem beleid en het kustbeleid beter op elkaar af te stemmen, het ondernemerschap in de kustgebieden en de oprichting van kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen teneinde het probleem van de seizoensgebonden werkgelegenheid in deze gebieden te overwinnen; roept er met name toe op een netwerk van vooraanstaande maritieme regio’s te creëren in het kader van de doelstelling inzake Europese territoriale samenwerking;

    8.  roept, gezien het grote aantal ministeries en andere organen dat direct betrokken is bij het beheer van de zeeën, op tot de oprichting van mariene beheersorganen (Marine Management Organisations (MMO)) in elke lidstaat met een kust, zodat het kustbeheer kan worden gestroomlijnd;

    9.  roept op tot de ontwikkeling van alle nodige en passende maatregelen ter voorkoming en beheersing van het risico op schade aan kustgebieden als gevolg van natuurrampen (zoals overstromingen, erosie, stormen, vloedgolven, vulkanen en orkanen) en van de gevolgen van de klimaatverandering, zoals de stijging van de zeespiegel, droogte, woestijnvorming en daling van het grondwater en daarbij rekening te houden met de uiteenlopende behoeften inzake bescherming van de diverse kustgebieden van de EU en ervoor te zorgen dat de aanleg van voorzieningen om de kusten te beschermen niet verder gaat dan wat noodzakelijk is ten einde geen onnodige schade aan het milieu toe te brengen; benadrukt verder dat er wereldwijd en op het niveau van de EU maatregelen moeten worden genomen om het hoofd te kunnen bieden aan gevaren voor Europese kustecosystemen die worden veroorzaakt door natuurverschijnselen en uiteenlopende menselijke activiteiten, zoals de bouw van woningen en wegen, toeristische voorzieningen en de ontwikkeling van commerciële en industriële gebieden;

    10. verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem de vorming van partnerschappen tussen universiteiten en hun onderzoekscentra enerzijds en ondernemingen anderzijds te bevorderen teneinde strategieën en praktische projecten te ontwikkelen ter bevordering van duurzame groei en werkgelegenheid in de verschillende gebieden van de maritieme wereld;

    11. benadrukt dat een alomvattend systeem voor ruimtelijke ordening noodzakelijk is om een stabiel regelgevingskader te kunnen garanderen, zodat bij de planning van alle projecten aan de lange kustlijn van de Gemeenschap met inbegrip van het achterland rekening wordt gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering en wordt uitgegaan van een ecosysteemgerichte aanpak; merkt met name op dat menselijke activiteiten buiten ecologisch gevoelige gebieden die schadelijk zijn voor het mariene milieu, ook aan strikte regels moeten worden gebonden om de schadelijke gevolgen tot het minimum te beperken;

    12. benadrukt het belang van de bijdrage die het cohesiebeleid van de EU door middel van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” en het opzetten van netwerken van kust-, insulaire en ultraperifere regio’s, alsook het Europees nabuurschapsbeleid kunnen leveren aan een holistisch maritiem beleid door middel van de uitwisseling van beste praktijken en de bevordering van gezamenlijke strategieën ter verbetering van het concurrentievermogen van deze regio's; roept ook op tot toepassing van beste praktijken bij het ontwikkelen van interregionale initiatieven;

    13. stelt voor een Europees Maritiem Platform op te richten om beste praktijken uit te wisselen en te bevorderen onder de belanghebbenden op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau, in het bijzonder inzake regionale economische groeperingen, onderzoeksnetwerken, ruimtelijke ordening, behoud van de natuurlijke rijkdommen en goed bestuur; verzoekt de Commissie een lijst op te stellen van projecten in het kader van het maritiem beleid die al een financiële bijdrage van de Gemeenschap hebben ontvangen met de bedoeling de promotie en toetsing van goede praktijken te vergemakkelijken;

    14. verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen ter versterking van het concurrentievermogen van kustgebieden door het aanmoedigen van zowel onderzoek, de oprichting van topcentra op het gebied van mariene wetenschap, technologische ontwikkeling en innovatie als samenwerkingsverbanden tussen bedrijven (netwerken, clusters, publieke partners) en de verschaffing van betere ondersteuningsdiensten met het doel de afhankelijkheid van die gebieden van een zeer beperkt aantal (traditionele) economische activiteiten te verkleinen;

    15. dringt er bij de Commissie op aan om bij het uitwerken van communautair maritiem beleid meer rekening te houden met de specifieke kenmerken van alle insulaire gebieden, zowel door het bieden van compensatie voor de natuurlijke nadelen als door het optimaal benutten van de waarde van hun geografische situatie teneinde hun integratie in de EU te bevorderen; roept op tot invoering van specifieke programma’s en maatregelen voor insulaire gebieden ter verbetering van de infrastructuur van havens om een betere toegang tot de continentale markten te waarborgen;

    16. wijst erop dat de ultraperifere gebieden gezien hun geografische ligging en diepgaande kennis van de zeeën een sleutelrol moeten spelen bij het bepalen en implementeren van de toekomstige Europese maritieme strategie; wijst met name op de belangrijke bijdrage die de ultraperifere gebieden kunnen leveren voor het promoten van het concept "Europa der zeeën" in andere continenten;

    17. benadrukt de behoefte aan een evenwichtige strategie voor maritieme regio’s inzake milieu en economie, aangezien deze beide even belangrijk zijn voor een duurzame ontwikkeling en de leefomstandigheden in deze gebieden; onderstreept daarom de behoefte aan een evenwicht tussen de mariene en de maritieme strategie van de Gemeenschap en roept de Commissie op dit evenwicht te waarborgen;

    18. benadrukt het belang van het binnenland en de interactie tussen gebieden, waterwegen en rivieren in het binnenland, enerzijds, en kustgebieden en de zee, anderzijds bij het ontwikkelen van een holistisch maritiem beleid;

    19. steunt de ontwikkeling van nieuwe netwerken voor de implementatie van projecten en activiteiten in de vorm van partnerschappen tussen de particuliere sector, non-gouvernementele organisaties, lokale overheden en regio’s om meer dynamiek, innovatie en efficiëntie te bewerkstelligen en de levenskwaliteit in de kustgebieden te verbeteren;

    20. benadrukt de noodzaak van het ondersteunen en versterken van de inspanningen om een Europees maritiem onderzoeksbeleid te ontwikkelen dat spoort met het internationaal maritiem beleid van vandaag en dat ook oog heeft voor de bescherming van het milieu en het vitale belang van de zee, niet alleen voor de EU maar voor de hele internationale gemeenschap;

    21. benadrukt de noodzaak om te zorgen voor sociale, economische en territoriale cohesie voor de kustgebieden en insulaire regio’s, en om maatregelen ten uitvoer te leggen met name op het gebied van zeevervoer, energie, het garanderen van adequate watervoorraden en de bescherming van het kwetsbare milieu van deze gebieden;

    22. benadrukt de noodzaak om de gebruikelijke technologieën te vervangen door milieuvriendelijke en roept de Commissie en de lidstaten op financiële stimuleringsmaatregelen te nemen en/of belastingverlichting te verlenen, alsmede hulp in de vorm van innoverende onderzoeksprogramma’s die een dergelijke verandering aanmoedigen en vergemakkelijken;

    23. moedigt onderzoekscentra in heel Europa aan samen onderzoek te doen naar innoverende technologieën voor de vervaardiging van scheepsmotoren; stelt dat dit onderzoek in het licht moet staan van de bescherming van het milieu, in het bijzonder van de strijd tegen zee- en kustvervuiling en de vernietiging van ecosystemen; pleit voor de totstandbrenging van een "Europees netwerk voor oceanografisch onderzoek" met het oog op de bevordering van gezamenlijk Europees maritiem onderzoek in de overtuiging dat dit de Europese Unie een positie als wereldleider op dit gebied zou bezorgen;

    24. moedigt de oprichting aan van een informele ‘taskforce’, bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese Commissie en relevante actoren, met het doel toezicht te houden op de duurzame maritieme samenwerking op de Europese zeeën en ter voorbereiding van ambitieuzere doelstellingen voor na 2013;

    25. beklemtoont dat kustregio’s op duurzame wijze moeten worden ontwikkeld zodat ze ook voor komende generaties aantrekkelijk blijven als gebieden om in te wonen, te werken en te investeren, door de toegankelijkheid en de interne vervoersinfrastructuur te verbeteren, met name door meer flexibiliteit aan de dag te leggen wat betreft het verlenen van financiële steun voor het vervoer; wijst erop dat rekening moet worden gehouden met de effecten van seizoensgebonden demografische veranderingen en dat daarom maatregelen moeten worden genomen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel ter verbetering van diensten van algemeen belang (gezondheidszorg, onderwijs, water en energie, informatie, communicatietechnologieën (ICT), postdiensten, afvalwater- en afvalverwerking);

    26. roept de Commissie op speciale aandacht te schenken aan het feit dat steeds minder EU-burgers in een aan de zee gerelateerde sector werken, terwijl hun gemiddelde leeftijd stijgt; meent dat verdere stappen moeten worden ondernomen om opleiding en levenslang leren voor deze werknemers te bevorderen;

    27. benadrukt de noodzaak tot verbetering van de registratie van maritieme gegevens door steun te verlenen aan het voorstel voor de oprichting van een European Marine Observation and Data Network (EMODN), dat bestaande en nieuwe gegevens zal samenvoegen, waardoor een langetermijncontrole en een hoogwaardige procedure voor risicobeoordeling mogelijk wordt;

    28. beklemtoont dat een Europees holistisch maritiem beleid een dimensie inzake buitenlandse betrekkingen moet hebben, vooral met derde landen die in de directe nabijheid liggen, om in te kunnen spelen op inspanningen om de volle zee buiten de Europese wateren te beheren, alsook op internationale reguleringsprocessen, die het nationaal beleid van lidstaten zullen beïnvloeden;

    29. stelt dat Europese territoriale samenwerking een belangrijke rol speelt bij het opzetten van regionale onderzoekcentra, het gezamenlijk beheer van water en riviermondingen, het beheer van energiebronnen, land, zeekusten en veiligheid en het stimuleren van sociale ontwikkeling en strategische planning in de verschillende sectoren die samen de maritieme wereld vormen; meent dat deze strategie moet worden uitgevoerd met optimale gebruikmaking van de mogelijkheden die het ENB biedt;

    30. meent dat een toekomstig maritiem beleid van de Unie de verplichtingen moet respecteren die de lidstaten zijn aangegaan in het kader van internationale verdragen (zoals het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR)) en moet voldoen aan mogelijke verplichtingen binnen toekomstige EU-kaders of deze moet versterken;

    31. roept de Commissie op ook te overwegen om de gelden die zijn vrijgekomen dankzij de n+2- of n+3-regel, een nieuwe bestemming te geven en wel voor de financiering van structurele maatregelen in het kader van het toekomstige maritieme EU-beleid, in het bijzonder waar het gaat om verbetering van de kwaliteit van het leven in kustgebieden, het mariene milieu en de lokale werkgelegenheid in de maritieme industrie;

    32. benadrukt de behoefte aan meer wetenschappelijk onderzoek naar de interactie tussen verschillende delen van het mariene ecosysteem en de effecten die zij ondervinden van klimaatverandering en de menselijke exploitatie van natuurlijke rijkdommen;

    33. juicht alle initiatieven en activiteiten van FRONTEX toe en pleit voor een betere coördinatie en nauwere samenwerking tussen de eilanden, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk eiland, om illegale migratie en drugshandel effectief te kunnen bestrijden;

    34. verzoekt de Commissie nadrukkelijk te onderzoeken of er een Europese kustwacht moet worden opgericht die insulaire regio’s, kustgebieden en de lidstaten bijstaat in de bewaking van de buitengrenzen van de EU; verzoekt de Commissie daarnaast ook onderzoek te doen naar de rol die een dergelijke Europese kustwacht zou kunnen spelen in de bestrijding van illegale en ongereguleerde visserij in de Europese zeeën;

    35. roept de lidstaten op in hun onderwijs- en opleidingsbeleid begrip en waardering te kweken voor het maritieme erfgoed en werving voor aan de zee gerelateerde activiteiten en beroepen aan te moedigen; roept tevens op tot een betere afstemming van het onderwijs op de specifieke behoeften in de verschillende kringen van de maritieme wereld;

    36. verzoekt de Commissie en de lidstaten de lokale en regionale autoriteiten adequaat te betrekken bij de uitvoering van een geïntegreerd maritiem beleid en het beheer van de kustgebieden; pleit ook voor steun aan thematische regionale netwerken voor het uitwerken van gezamenlijke projecten op het gebied van vervoer, infrastructuur, milieubescherming, coördinatie van de visserij en commerciële samenwerking

    37. roept de Commissie op te onderzoeken hoe ruimtelijke ordening en geïntegreerd beheer van kustgebieden succesvol kunnen worden geïmplementeerd, vooral in verband met de bijzondere situatie van de eilanden.

    PROCEDURE

    Titel

    “Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën”

    Procedurenummer

    2006/2299(INI)

    Commissie ten principale

    TRAN

    Advies uitgebracht door

    Datum bekendmaking

    REGI
    14.12.2006

    Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

     

    Rapporteur voor advies
      Datum benoeming

    Yiannakis Matsis
    6.11.2006

    Vervangen rapporteur voor advies

     

    Behandeling in de commissie

    12.4.2007

     

     

     

     

    Datum goedkeuring

    2.5.2007

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    42
    1
    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Alfonso Andria, Stavros Arnaoutakis, Jean Marie Beaupuy, Rolf Berend, Antonio De Blasio, Vasile Dîncu, Gerardo Galeote, Iratxe García Pérez, Eugenijus Gentvilas, Gábor Harangozó, Marian Harkin, Jim Higgins, Alain Hutchinson, Gisela Kallenbach, Tunne Kelam, Evgeni Kirilov, Constanze Angela Krehl, Mario Mantovani, Miguel Angel Martínez Martínez, Yiannakis Matsis, Miroslav Mikolášik, Lambert van Nistelrooij, Jan Olbrycht, Maria Petre, Markus Pieper, Elisabeth Schroedter, Stefan Sofianski, Grażyna Staniszewska, Oldřich Vlasák, Vladimír Železný

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

    Bastiaan Belder, Silvia Ciornei, Brigitte Douay, Den Dover, Riitta Myller, Zita Pleštinská, Christa Prets, Miloslav Ransdorf, Richard Seeber, László Surján, Károly Ferenc Szabó

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Véronique De Keyser, Henrik Lax, Samuli Pohjamo

    Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

    ADVIES van de Commissie visserij(*) (22.5.2007)

    aan de Commissie vervoer en toerisme


    inzake "Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën"
    (2006/2299(INI))

    Rapporteur voor advies: Struan Stevenson

    SUGGESTIES

    De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A. overwegende dat het coördineren van de diverse sectoren die bij maritieme aangelegenheden zijn betrokken essentieel is om de maritieme belangen van de EU volledig tot hun recht te laten komen,

    B.  overwegende dat de toepassing van de strategie van Lissabon op het maritieme beleid niet alleen betrekking heeft op het verbeteren van de competitiviteit, maar ook een invloed moet hebben op andere pijlers van de strategie, zoals het tot stand brengen van een duurzamere en hoogwaardigere maritieme werkgelegenheid in de EU,

    C. overwegende dat de visserij een sterk gereguleerde economische sector is en er daarom maatregelen moeten genomen worden om ervoor te zorgen dat de regelgeving leidt tot een goede werkwijze en goede resultaten; overwegende dat ter wille van de duurzaamheid rekening moet worden gehouden met de vele uiteenlopende factoren die van invloed zijn op de situatie van de visbestanden, zoals de klimaatverandering, de aanwezigheid van predatoren, verontreiniging, aardolie- en aardgasexploratie en -boringen, windmolenparken op zee, en zand- en grindwinning,

    D. overwegende dat de visserijsector van de EU over twintig jaar als gevolg van externe factoren zoals klimaatverandering en door menselijk toedoen een metamorfose zal hebben ondergaan, en overwegende dat het van cruciaal belang is de oorzaken van de klimaatverandering effectief aan te pakken, aangezien de situatie met betrekking tot de kabeljauw in de Noordzee duidelijk maakt dat deze transformatie al een feit is,

    E.  overwegende dat het belangrijkste doel van het Europese maritieme beleid is op een duurzame manier de levenskwaliteit te optimaliseren van de mensen die leven in kustgebieden of wier levens beïnvloed worden door maritieme aangelegenheden, en overwegende dat dit beleidsmaatregelen vereist die rekening houden met de specifieke behoeften en problemen van kustgemeenschappen en die de economische, sociale en milieugebonden aspecten van duurzame ontwikkeling tegen elkaar afwegen,

    F.  overwegende dat er bij de invoering van een Europees maritiem beleid ten volle rekening moet worden gehouden met het subsidiariteitsbeginsel, onder specifieke erkenning van de constitutionele, wettelijke en bestuurlijke structuren binnen iedere lidstaat,

    1.  dringt er bij elke kustlidstaat op aan na te gaan hoe het mariene beheer kan worden gestroomlijnd, gelet op het brede scala aan overheidsdiensten, directoraten-generaal van de Commissie en andere organen, waaronder plaatselijke en regionale autoriteiten, die een directe invloed uitoefenen op het mariene beheer; de waardevolle adviesrol van de regionale adviesraden moet ook erkend worden en de regionale adviesraden moeten geconsulteerd worden inzake marien beheer;

    2.  is van mening dat, hoewel vele aspecten van het maritieme beleid het best gecoördineerd worden op EU-niveau, de specifieke invoering van beheermaatregelen inzake visserij en andere gebieden van het maritieme beleid plaatsvindt op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau en dat ieder toekomstig Europees maritiem beleid bijgevolg in heel de EU werkzaam moet zijn op het niveau waar dat het meest gepast is, met volledige inachtneming van de standpunten en belangen van de bewoners van de Europese kustgemeenschappen;

    3.  roept op tot de oprichting van een Europees netwerk voor marien onderzoek dat zal aansporen tot informatie-uitwisseling onder Europese onderzoeksinstanties en -sectoren en dat de EU een voorsprong zal geven wat betreft innovatie en kennis van het mariene milieu;

    4.  is, gezien het feit dat de maritieme sector een van de weinige gebieden is waar het beginsel dat de vervuiler betaalt, niet van toepassing is, van mening dat bedrijven die afvalwater lozen, bedrijven die betrokken zijn bij de zand- en grindwinning en op zee actieve energiebedrijven zouden moeten bijdragen in een EU-fonds dat zich richt op de bescherming van de mariene biodiversiteit en ecosystemen in hun geheel, en inzonderheid op het herstel en de instandhouding van de visbestanden;

    5.. dringt met het oog op het feit dat de bouw van zeeweringen ter bescherming tegen de stijgende zeespiegel kan leiden tot de teloorgang van habitats, terwijl de stijging van de zeespiegel zelf al leidt tot "inklemming" van kwelders en slikwadden en erosie van zandduinen - die alle fungeren als waardevolle habitats voor flora en fauna - aan op een langetermijnstrategie tot behoud van kustweringen, ter bescherming tegen de stijgende zeespiegel en om de teloorgang van habitats tot een minimum te beperken, inzonderheid op eilanden;

    6.  stelt zich op het standpunt dat ook de visserijsector zal moeten bijdragen aan de instandhouding van levensvatbare kustgemeenschappen, door vissers en hengelaars toegang te verschaffen tot kleinschalige kustvisserij, en dat dergelijke activiteiten bevorderlijk zijn voor het toerisme, ons rijke kustpatrimonium helpen beschermen en de interne samenhang van onze kustgemeenschappen ten goede komen;

    7.  wijst op de schaarste van deskundige en goed opgeleide beroepsmensen in de sector; stelt voor speciale opleidingscursussen te ontwikkelen voor schippers en bemanningen van vissersvaartuigen, zodat zij een basiskennis verwerven van de takken van wetenschap die voor hun sector van belang zijn, waaronder inzicht in het belang van milieuzorg en -duurzaamheid ter ondersteuning van de progressieve ontwikkeling van een ecosysteemgerichte aanpak van het succesvol visserijbeheer;

    8.  dringt er bij de Commissie op aan beroepsomscholingsprogramma's voor vissers te creëren, waarbij ze worden aangemoedigd om zich te concentreren op nieuwe praktijken die de benutting van de kennis inzake werken op zee bevorderen; wijst de aquacultuur op volle zee en ecotoerisme aan als mogelijke doelgroepen;

    9.  wijst op het belang van verbetering van het imago van de visserijsector, die momenteel laag in aanzien staat; is van mening dat een betere bescherming van de gezondheid en veiligheid aan boord van vissersvaartuigen en een betere salariëring en betere arbeidsvoorwaarden voor bemanningen alleen kunnen worden bewerkstelligd als de sector duurzaam en winstgevend kan opereren, en dat er meer middelen moeten worden besteed aan onderzoek en opleiding ter verbetering van kennis en vaardigheden;

    10. merkt op dat de totstandbrenging van voorwaarden die de hygiëne, de veiligheid en het comfort van de werknemers in de visserijsector garanderen, zowel voor de vissers zelf als voor de werknemers in de toeleverende en afnemende sectoren, een hoofddoelstelling is van een beleid voor de zeeën en oceanen;

    11. roept op tot de oprichting van een Europees scholennetwerk voor mensen die werken in de maritieme sector, dat nauwe banden onderhoudt met het maritiem onderzoek en de opleiding tot hooggeschoolde vakmensen bevordert;

    12. stelt met bezorgdheid vast dat de sector als gevolg van de bijkomende beperkingen die kunnen voortvloeien uit het Natura 2000-netwerk en andere beschermde mariene gebieden weliswaar bereid is een ecosysteemgerichte aanpak van het visserijbeheer te ontwikkelen, maar dat de onbeperkte toegang tot en de uitoefening van visserijactiviteiten in die gebieden wellicht zullen worden bemoeilijkt; stelt zich op het standpunt dat de ontwikkeling van visserijactiviteiten waardoor de beschermingsdoelstellingen niet in gevaar komen, binnen de beschermde mariene gebieden zouden moeten worden toegestaan; stelt zich tevens op het standpunt dat er wat betreft de visserijactiviteiten die de beschermingsdoelstellingen van de beschermde mariene gebieden schaden of zouden kunnen schaden, grotere inspanningen moeten worden gedaan, onder andere door onderzoek en ontwikkeling, om de visserijmethodes milieuvriendelijker te maken, zodat de toegang tot deze gebieden vergemakkelijkt kan worden wanneer dit verantwoord is;

    13. merkt evenwel op dat de visserij in de toekomst overeenkomstig de voorzorgsaanpak zal moeten worden beperkt om de instandhouding van gezonde ecosystemen te waarborgen en om zeldzame, kwetsbare en waardevolle soorten en habitats te beschermen, en dat dit onvermijdelijk in een strengere milieubescherming zal resulteren dan voorheen, waarbij moet worden gedacht aan de instelling van een netwerk van beschermde mariene gebieden overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en aan een systeem van geïntegreerd beheer van kustgebieden, om te zorgen dat er een halt wordt toegeroepen aan de zinloze aantasting van habitats en de sterke achteruitgang van de biodiversiteit;

    14. benadrukt de noodzaak van meer wetenschappelijk onderzoek naar de interactie tussen de verschillende delen van het mariene ecosysteem en de invloed die het ecosysteem ondervindt van de klimaatverandering en de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen door de mens;

    15. verzoekt de Commissie om naar behoren rekening te houden met eerder succesvol visserijbeheer door plaatselijke en regionale overheden, zodat deze ervaringen kunnen worden gebruikt als model voor andere gebieden, inzonderheid de ervaringen die geïntegreerd en duurzaam zeebeheer omvatten, door een verbod op niet-selectieve vistuigen, afstemming van de grootte van de vissersvloten op de beschikbare bestanden, kustplanning, regulering van toeristische activiteiten zoals walvisexcursies, opstellen van beheerplannen voor sites van het Natura 2000-netwerk en uitroeping tot beschermde gebieden;

    16. steunt het engagement dat de EU is aangegaan op de Wereldmilieutop in 2002 en heeft herhaald in de recente mededeling van de Commissie (Verduurzaming van de EU-visserij op basis van de maximale duurzame opbrengst) om de vispopulaties waar mogelijk tegen 2015 te herstellen tot niveaus die een maximale duurzame opbrengst kunnen produceren; is van mening dat dit het best gebeurt door geen gebruik te maken van willekeurige referentiepunten die gebaseerd zijn op eenvoudige wiskundige modellen; is van mening dat een alternatieve interpretatie van maximale duurzame opbrengst, waarbij gebruik gemaakt wordt van een concept als het maximaliseren van de gecumuleerde vangsten over een vaste tijdsperiode (eventueel een decennium), een realistische en haalbare manier kan zijn om de toestand van de visserij in de EU te verbeteren;

    17. dringt aan op meer maatregelen om een einde te maken aan de schandelijke praktijk waarbij ongewenste bijvangsten overboord worden gezet, en die een rechtstreeks uitvloeisel is van het in het kader van het GVB gangbare stelsel van totaal toegestane vangsten (TAC's) en van de daarbij toegepaste quotaregeling; stelt zich op het standpunt dat het hier een verfoeilijke praktijk betreft waarbij zeezoogdieren, zeevogels en schildpadden nodeloos als bijvangst worden opgeofferd, en dat hieraan een halt moet worden toegeroepen, en dat de schade die aan kwetsbare zeebodems wordt aangericht door vistuigen bovendien noopt tot speciale beschermingsmaatregelen; wijst erop dat ook het achterlaten van visnetten leidt tot spookvisserij, hetgeen kan resulteren in ernstige aantasting van visbestanden;

    18. dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen tegen illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde (IUU) vangsten, die verantwoordelijk zijn voor de aantasting van talloze bestanden van belangrijke soorten; benadrukt dat de sterke achteruitgang van de bestanden van deze soorten door illegale praktijken desastreuze gevolgen kan hebben voor de instandhouding van mariene ecosystemen, wat behalve op de visserij ook direct of indirect een weerslag kan hebben op andere verwante activiteiten, zoals aquatisch ecotoerisme;

    19. is van mening dat een belangrijke manier om het overboord zetten te beperken, erin bestaat de selectiviteit te verbeteren door de vistuigen en vistechnieken aan te passen; beseft dat de samenwerking en kennis van vissers terzake van essentieel belang is en dat vissers die in deze zin innovatief zijn, moeten worden beloond;

    20. is van oordeel dat illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde (IUU) visvangst een groot en steeds belangrijker wordend probleem is dat leidt tot de aantasting van waardevolle visbestanden en tot oneerlijke concurrentie tussen enerzijds de vissers die zich aan de regels houden en anderzijds de vissers die dat niet doen; merkt op dat in bepaalde visserij-industrieën in de EU, de illegale vangst een significant deel van de totale vangst uitmaakt; kijkt uit naar de volgende mededelingen en voorstellen van de Commissie ter bestrijding van de illegale visvangst en actualisering van het Actieplan van 2002 van de EU;

    21. roept de Commissie op tot maatregelen ter beperking van het gebruik van (tot mariene vervuiling leidende) verontreinigende stoffen die het gevolg zijn van afstroming uit landbouwgebieden, lozing van riool- of industrieel afvalwater of van vuilnis (vaak in de vorm van plastic afval), waarin zeezoogdieren, schildpadden en vogels kunnen verstikken; dit soort milieuverontreiniging vormt een steeds grotere bedreiging, die ernstige gevolgen heeft voor de visserijsector en voor het toerisme en ook de kwaliteit en de gezondheid van de visserijproducten voor menselijke consumptie aantast; verzoekt de Commissie met betrekking tot de zeescheepvaart, de lidstaten aan te sporen tot de invoering IMO MARPOL bijlage V, die het dumpen in zee van plastic afval en as van de verbranding van plastic verbiedt; verzoekt de Commissie om Richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen te amenderen om de geschiktheid en beschikbaarheid van deze voorzieningen in de EU te verbeteren en uiteindelijk de afvaldumping in de zee te verminderen;

    22. dringt erop aan het overladen van olie of andere toxische stoffen op zee voortaan te beperken tot zorgvuldig afgebakende zones; er moeten gepaste regels worden opgesteld voor het overladen in deze zones en bij iedere overlading moet de bescherming van belangrijke gebieden gewaarborgd zijn, inzonderheid daar waar de overlaadzones overlappen met of grenzen aan Natura 2000-gebieden; tevens moet de naleving van de vogel- en habitatrichtlijn gewaarborgd zijn; de scheepvaart draagt door de introductie van uitheemse soorten via geloosd ballastwater en het gebruik van chemische stoffen in aangroeiwerende verf - die de hormoonhuishouding van vissen verstoort - bij aan de mariene vervuiling en potentieel ook aan de verstoring van het ecosysteem; ook olievlekken vormen een ernstige bedreiging voor het mariene milieu;

    23. verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen tot ratificatie van de internationale verdragen inzake ballastwater en aangroeiwerende middelen, en ook bij te dragen tot de efficiënte en praktische invoering van MARPOL 73/78, die samen de risico's en gevolgen van invasieve uitheemse soorten, ballastwater en aangroeiwerende scheepsverf behandelen;

    24. is er diep van overtuigd dat er dringend behoefte is aan de bevordering en implementatie van een karterings- en ruimtelijk planningsprogramma voor de communautaire wateren om te voorzien in de noodzaak tot instandhouding van een duurzame en geografisch representatieve visserijsector; het in kaart brengen van zones die zich goed lenen voor de bouw van offshorewindturbineparken of voor energieproductie dan wel kooldioxideopslag en voor zand- en grindwinning of aquacultuur of het in kaart brengen van beschermde mariene gebieden, waaronder Natura 2000-gebieden en de locatie van andere gevoelige habitats en soorten zou leiden tot een efficiënter en duurzamer gebruik van ons mariene milieu; om een efficiënte ruimtelijke planning mogelijk te maken, moeten gebieden met visserijactiviteit in kaart worden gebracht, en dit moet worden vergemakkelijkt door het verbeteren en standaardiseren van de volgsystemen voor vissersvaartuigen en de logboekgegevens van alle lidstaten; is van mening dat planningsbeslissingen betreffende communautaire wateren moeten worden genomen in volledig overleg met de visserijsector en de rechtstreeks daarbij betrokken gemeenschappen;

    25. wijst erop dat slechte praktijken weliswaar moeten worden geweerd, maar dat ook niet-visserijgerelateerde ontwikkelingen die compatibel zijn met de visserijsector een belangrijke rol kunnen vervullen, b.v. projecten voor het ontwerpen van energieproductie- of windturbineplatforms die de vorming van een goed gedijend ecosysteem helpen bevorderen en in stand houden, of om de totstandkoming van kraamgebieden of paaigronden voor mariene soorten in zones waar geen visserij is toegestaan te stimuleren;

    26. dringt erop aan dat de bouw van maritieme installaties voor hernieuwbare energie zorgvuldig wordt gepland; aan de productie van energie zijn talloze potentiële risico's verbonden, die moeten worden vermeden; installaties voor het omzetten van wind- of golfenergie kunnen de natuurlijke mariene onderstroomcycli ongunstig beïnvloeden; getijdengevoelige voedselvindplaatsen voor vogels in riviermondingen kunnen verloren gaan als gevolg van de aanleg van dammen, waardoor het verschil tussen eb en vloed wordt verkleind; bovendien kunnen getijstroomveranderingen van invloed zijn op de vorming van paardenmossel- en flameshellriffen, maerlbedden, zeeanemoon- en zachtkoraalformaties; wijst erop dat bepaalde gebieden die een hoog maritiem energiepotentieel hebben, zoals gebieden die zich ver van het vasteland bevinden, door hun geografische isolatie geen voordeel kunnen doen met de trans-Europese energienetwerken;

    27. wijst op het toenemende sociaal-economische belang van de visteelt, nu de mariene visbestanden over de hele wereld teruglopen; de jaarlijkse verkoop van aquicultuurproducten in de wereld zal die van de wilde vangst spoedig overtreffen; de EU loopt in deze spannende wedloop voorop en moet trachten haar leiderschapspositie veilig te stellen, en zij moet verdere ontwikkelingen in deze branche aanmoedigen op een manier die verenigbaar is met andere toepassingen in kust- en maritieme gebieden; het belang van de visteelt voor vaak afgelegen, landelijke gemeenschappen waar voor de rest weinig werkgelegenheid voorhanden is, kan niet genoeg worden benadrukt; binnen de context van een geïntegreerd beheer van kustgebieden, moeten duidelijk afgebakende gebieden waar visteeltbedrijven kunnen worden gegroepeerd, bevorderd worden en dit moet gekoppeld worden aan een vereenvoudigde regelgeving die ondernemingszin en duurzaamheid aanmoedigt; in de aquacultuursector dienen nieuwe technieken te worden ontwikkeld die een beter kwaliteitsbeheer mogelijk maken, de naspeurbaarheid over de volledige productie- en toegevoegdewaardeketens waarborgen en leiden tot de algemene erkenning van de visteelt als belangrijke actor van de maritieme sector;

    28. vestigt de aandacht op het feit dat bepaalde aquacultuurpraktijken bijdragen tot de aantasting van sommige bestanden; wijst erop dat het vangen van jonge vissen van sommige soorten in de zee met het oog op vetmesting, ertoe leidt dat deze zich niet kunnen voortplanten om aldus het biologisch evenwicht tussen de soorten in stand te houden; is van mening dat de hoge prijzen die betaald worden voor sommige van deze soorten op bepaalde wereldmarkten er de oorzaak van zijn dat de noodzaak bepaalde mariene ecosystemen in stand te houden compleet wordt genegeerd;

    29. merkt op dat ook militaire operaties van invloed zijn op de visserijsector, in die zin dat mariene schietterreinen gesloten zijn voor de visserij en andere vormen van scheepvaart, maar uit een oogpunt van biodiversiteit wel degelijk als een soort toevluchtsoord kunnen fungeren; dat neemt echter niet weg dat het gebruik van ultralagefrequentiesonar door met name onderzeeërs ernstige gevolgen heeft voor zeezoogdieren en visbestanden en strikt moet worden gereglementeerd en beperkt tot bepaalde zones;

    30. merkt op dat het driedimensionaal in kaart brengen van de zeebodem van zeer grote waarde zal blijken te zijn, niet alleen voor de visserij-industrie maar ook voor de energiesector, voor milieubeschermers en zelfs voor het defensieapparaat; dat dergelijke kaarten van grote commerciële betekenis zijn is duidelijk, en wellicht kunnen zij zelfs aan de financiering van dergelijke activiteiten helpen bijdragen; wanneer de hele mariene sector betere toegang krijgt tot de beschikbare gegevens, kunnen er wellicht ook betere weersprognoses worden opgemaakt en komt er meer informatie beschikbaar omtrent verwachte golfhoogtes;

    31. steunt de oprichting van een EU-kustwacht, aangezien dat niet alleen noodzakelijk is ter bestrijding van mariene vervuiling, illegale immigratie en terrorisme, maar ook om illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserij (IUU-activiteiten) tegen te gaan en om de maritieme veiligheidsnormen te verscherpen; het is de bedoeling dat het nieuwe Communautair Bureau voor visserijcontrole in Vigo de activiteiten van alle kustlidstaten gaat coördineren met het oog op een gezamenlijke aanpak van de maritieme surveillance; in de gehele EU moeten de regels op uniforme wijze worden toegepast en gehandhaafd, in die zin dat de rechtbanken in de lidstaten dezelfde straffen en sancties toepassen;

    32. herinnert eraan dat het in paragraaf 34 van zijn resolutie van 23 september 2003 over de verbetering van de veiligheid op zee naar aanleiding van de ramp met de Prestige[1] heeft opgeroepen tot de oprichting van een Europese kustwacht, een oproep die onlangs nog herhaald is (paragraaf 19 van zijn resolutie van 15 februari 2007 over de uitvoering van het EU-actieplan ter bestrijding van illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visserij[2]); dringt er bij de Commissie op aan hieromtrent tegen het einde van het jaar een specifiek voorstel in te dienen;

    33. benadrukt de noodzaak om toe te zien op de visvangst in internationale wateren, aangezien dit van invloed is op de visbestanden in EEZ's binnen de Europese Unie.

    PROCEDURE

    Titel

    "Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën"

    Procedurenummer

    2006/2299(INI)

    Commissie ten principale

    TRAN

    Advies uitgebracht door

    Datum bekendmaking

    PECH
    14.12.2006

    Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

    Rapporteur voor advies
      Datum benoeming

    Struan Stevenson
    21.12.2006

    Vervangen rapporteur voor advies

    Behandeling in de commissie

    25.1.2007

    11.4.2007

     

     

    Datum goedkeuring

    0.0.0000

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    18
    2
    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Jim Allister, Alfonso Andria, Stavros Arnaoutakis, Elspeth Attwooll, Marie-Hélène Aubert, Iles Braghetto, Niels Busk, Paulo Casaca, Zdzisław Kazimierz Chmielewski, Emanuel Jardim Fernandes, Carmen Fraga Estévez, Hélène Goudin, Pedro Guerreiro, Ian Hudghton, Heinz Kindermann, Rosa Miguélez Ramos, Philippe Morillon, Struan Stevenson, Catherine Stihler

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

    Raül Romeva i Rueda, Thomas Wise

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

    PROCEDURE

    Titel

    Toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën

    Procedurenummer

    2006/2299(INI)

    Commissie ten principale

            Datum bekendmaking toestemming

    TRAN
    14.12.2006

    Medeadviserende commissie(s)
      Datum bekendmaking

    ENVI
    14.12.2006

    ITRE
    14.12.2006

    PECH
    14.12.2006

    REGI
    14.12.2006

     

    Geen advies
      Datum besluit

     

     

     

     

     

    Nauwere samenwerking

            Datum bekendmaking

    ENVI                     PECH

     

    Rapporteur(s)
      Datum benoeming

    Willi Piecyk
    21.9.2006

     

    Vervangen rapporteur(s)

     

     

    Behandeling in de commissie

    12.4.2007

    7.5.2007

    4.6.2007

     

     

    Datum goedkeuring

    5.6.2007

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    38

    3

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Robert Atkins, Inés Ayala Sender, Etelka Barsi-Pataky, Paolo Costa, Michael Cramer, Arūnas Degutis, Christine De Veyrac, Saïd El Khadraoui, Robert Evans, Emanuel Jardim Fernandes, Luis de Grandes Pascual, Stanisław Jałowiecki, Georg Jarzembowski, Timothy Kirkhope, Dieter-Lebrecht Koch, Jaromír Kohlíček, Sepp Kusstatscher, Fernand Le Rachinel, Bogusław Liberadzki, Eva Lichtenberger, Marian-Jean Marinescu, Robert Navarro, Seán Ó Neachtain, Josu Ortuondo Larrea, Willi Piecyk, Luís Queiró, Reinhard Rack, Luca Romagnoli, Gilles Savary, Brian Simpson, Renate Sommer, Dirk Sterckx, Ulrich Stockmann, Silvia-Adriana Ţicău, Georgios Toussas, Yannick Vaugrenard, Roberts Zīle

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Markus Ferber, Pedro Guerreiro, Elisabeth Jeggle, Anne E. Jensen, Corien Wortmann-Kool

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

     

    Datum indiening

    15.6.2007

     

    Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)