VERSLAG over het voorstel voor een beschikking van de Raad tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 168/2007, wat de vaststelling van een meerjarenkader voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor 2007-2012 betreft

    20.12.2007 - (COM(2007)0515 – C6‑0322/2007 – 2007/0189(CNS)) - *

    Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
    Rapporteur: Michael Cashman

    Procedure : 2007/0189(CNS)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0514/2007
    Ingediende teksten :
    A6-0514/2007
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het voorstel voor een beschikking van de Raad tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 168/2007, wat de vaststelling van een meerjarenkader

    voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor 2007-2012 betreft

    (COM(2007)0515 – C6‑0322/2007 – 2007/0189(CNS))

    (Raadplegingsprocedure)

    Het Europees Parlement,

    –   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2007)0515),

    –   gelet op artikel 5, lid 1 van Verordening van de Raad (EG) nr. 168/2007, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd,

    –   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6‑0514/2007),

    1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

    2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG‑Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

    3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

    4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

    5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

    Door de Commissie voorgestelde tekstAmendementen van het Parlement

    Amendement 1

    Overweging 1

    (1) Om het Bureau zijn taken naar behoren te laten uitoefenen moeten zijn precieze thematische werkterreinen in een meerjarenkader met een looptijd van vijf jaar worden vastgesteld, zoals bepaald in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 168/2007.

    (1) Om het Bureau zijn taken naar behoren te laten uitoefenen en in het licht van de doelstellingen van de oprichting van het Bureau moeten zijn precieze thematische werkterreinen in een meerjarenkader met een looptijd van vijf jaar worden vastgesteld, zoals bepaald in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 168/2007.

    Amendement 2

    OVERWEGING 2

    (2) Het kader moet als thematische werkterreinen van het Bureau mede de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en daarmee samenhangende onverdraagzaamheid omvatten.

    (2) Het kader moet als thematische werkterreinen van het Bureau mede de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en daarmee samenhangende onverdraagzaamheid omvatten, alsmede de bescherming van de rechten van personen die tot etnische of nationale minderheden behoren.

    Motivering

    In overweging 10 van Verordening (EG) nr. 168/2007 wordt vermeld dat niet alleen racisme en vreemdelingenhaat en daarmee samenhangende onverdraagzaamheid in het permanente programma van het Bureau moeten worden opgenomen, maar ook de bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren.

    Amendement 3

    Overweging 5

    (5) Het kader moet bepalingen omvatten ter waarborging van complementariteit met de werkzaamheden van andere organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap en de Unie, alsook met de Raad van Europa en andere internationale organisaties die actief zijn op het gebied van de grondrechten. De meest relevante agentschappen en organen van de Gemeenschap in verband met dit meerjarenkader zijn het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, opgericht bij Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, waarvan de doelstellingen in aanmerking moeten worden genomen.

    (5) Het kader moet bepalingen omvatten ter waarborging van complementariteit met de werkzaamheden van andere organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap en de Unie, alsook met de Raad van Europa en andere internationale organisaties die actief zijn op het gebied van de grondrechten. De meest relevante agentschappen en organen van de Gemeenschap in verband met dit meerjarenkader zijn het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, opgericht bij Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en de Europese ombudsman, waarvan de doelstellingen en taakomschrijving in aanmerking moeten worden genomen.

    Motivering

    De Europese ombudsman ontvangt klachten die rechtstreeks van burgers komen en vaak gevallen gaan over schendingen van de grondrechten en fundamentele vrijheden. De Europese ombudsman dient derhalve te worden opgenomen op de lijst van andere communautaire organen waarop de bevoegdheden van het Bureau voor de grondrechten een aanvulling vormen.

    Amendement 4

    Overweging 6 bis (nieuw)

     

    (6 bis.) Het Bureau mag buiten de in het meerjarenkader vastgelegde thematische werkterreinen zijn werkzaamheden verrichten op verzoek van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 3 van Verordening (EG) nr. 168/2007, mits er daarvoor voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn.

    Amendement 5

    Overweging 7 bis (nieuw)

     

    (7bis) In het meerjarenkader worden de thematische werkterreinen vastgelegd waarop het Bureau zijn werkzaamheden moet verrichten, terwijl de taken van het Bureau zijn vastgelegd in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 168/2007 waarin met name de taak wordt vermeld van het vergroten van het bewustzijn bij het publiek van de grondrechten en het actief bekendheid geven aan het werk van het Bureau.

    Amendement 6

    Overweging 7 ter (nieuw)

     

    (7ter) Alle mensen worden gelijk geboren en derhalve zijn de mensenrechten ondeelbaar en onschendbaar.

    Motivering

    Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de meest fundamentele van de universele en Europese waarden, wanneer de bescherming en bevordering van de grondrechten in het geding is.

    Amendement 7

    Overweging 7 quater (nieuw)

     

    (7quater) Er moeten worden toegezien op de naleving door de instellingen van de EU en alle lidstaten van alle internationale verdragen inzake de mensenrechten waarbij de lidstaten partij zijn.

    Motivering

    Het is belangrijk om andermaal te wijzen op de bestaande verplichtingen van de lidstaten en de instellingen van de EU op het stuk van de mensenrechten.

    Amendement 8

    Overweging 7 quinquies (nieuw)

    (7bis) Het Bureau brengt regelmatig verslag uit aan het Europees Parlement.

    Amendement 9

    Artikel 1, lid 1 bis (nieuw)

     

    1bis. De Commissie kan op eigen initiatief of op initiatief van de Raad, het Europees Parlement of de raad van bestuur van het Bureau op zijn vroegst één jaar na de aanneming van het meerjarenkader een voorstel doen voor de herziening van het meerjarenkader overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 5, lid 1 van Verordening (EG) nr. 168/2007.

    Motivering

    Het idee van een vijfjarig kader zorgt voor stabiliteit in het werk van het Bureau, maar het moet mogelijk zijn het meerjarenkader in deze periode van vijf jaar bij te werken of te herzien, aangezien zich bij de bescherming van de mensenrechten nieuwe uitdagingen kunnen voordoen.

    Amendement 10

    Artikel 1, lid 2 bis (nieuw)

     

    2ter. De Commissie, de Raad en het Europees Parlement kunnen vragen dat het Bureau een onderzoek instelt naar specifieke acties of aangelegenheden.

    Amendement 11

    Artikel 1 bis (nieuw)

    Artikel 1 bis

    Taken

    Indien zich buitengewone en dwingende omstandigheden voordoen, mag het Bureau conclusies en adviezen formuleren en bekendmaken over thematische werkterreinen die niet vallen onder artikel 2. In dergelijke omstandigheden worden de Commissie, de Raad en het Europees Parlement van de aangevatte taken in kennis gesteld.

    Motivering

    Met het oog op de samenhang met de inhoud van amendement 7 van de rapporteur, volgens welk het Bureau taken op zich mag nemen op thematische werkterreinen die niet vallen onder lid 2, is het zaak dit nog eens te vermelden onder het kopje "Taken".

    Amendement 12

    Artikel 2, inleidende formule

    Het Bureau vervult zijn taken op de volgende werkterreinen:

    Bij zijn werkzaamheden op de volgende werkterreinen, onverminderd artikel 1, lid 2bis en artikel 1bis, tracht het Bureau de economische, sociale en culturele factoren af te bakenen die bijdragen tot de eerbiediging van de mensenrechten op die terreinen of die de fundamentele oorzaak kunnen vormen van schendingen van de mensenrechten:

    Motivering

    Dit amendement vloeit voort uit de vorige amendementen. Een doelmatige bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de bevordering van gelijke kansen en de strijd tegen discriminatie, vergt een begrip van de economische, sociale en culturele factoren die het mogelijk maken bepaalde rechten te genieten en actie te ondernemen om die factoren aan te pakken wanneer zij de oorzaak van schendingen vormen.

    Amendement 13

    ARTIKEL 2, LETTER b)

    b) discriminatie gebaseerd op geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid of van personen die tot minderheden behoren;

    b) discriminatie gebaseerd op geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid of van personen die tot traditionele nationale en linguïstische minderheden behoren en een combinatie van deze gronden (meervoudige discriminatie);

    Motivering

    Alle andere minderheden vallen onder de opsomming in het eerste gedeelte van de zin, behalve de traditionele nationale en linguïstische minderheden. Het is zeer belangrijk deze omissie recht te zetten.

    Amendement 14

    Artikel 2, letter j)

    j) toegang tot efficiënte en onafhankelijke rechtspraak.

    j) toegang tot efficiënte en onafhankelijke rechtspraak ten aanzien van de rechten van beklaagden en verdachten.

    Amendement 15

    Artikel 2, letter j) bis (nieuw)

    j bis) extreme armoede en sociale uitsluiting.

    Motivering

    Extreme armoede is een schending van de mensenrechten en een onaanvaardbare aantasting van de menselijke waardigheid (resolutie van 4 oktober 2001 (B5-0616, 0627,0635,0644 en 0654/2001). Het is onmogelijk voorbij te gaan aan de realiteit van miljoenen Europeanen die geen daadwerkelijke toegang tot de grondrechten hebben ten gevolge van de extreme armoede waarin zij moeten leven. Een en ander is gebaseerd op de volgende wetsteksten: artikel 21 en 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; artikel 30 van het herziene Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten; het rapport over mensenrechten en extreme armoede van Leandro Despouy uit 1996 voor de Commissie van de rechten van de mens van de VN; de definitie van extreme armoede van Joseph Wresinski en het rapport van de Economische en Sociale Raad (Frankrijk, februari 1987); de resolutie van de Subcommissie voor de bevordering en de bescherming van de mensenrechten van de VN van augustus 2006 "De richtsnoeren: extreme armoede en mensenrechten".

    Amendement 16

    Artikel 3, lid 1

    1. Voor de uitvoering van dit kader zorgt het Bureau voor de nodige coördinatie met de betrokken organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap, de lidstaten, internationale organisaties en het maatschappelijke middenveld, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 10 van Verordening (EG) nr. 168/2007.

    1. Voor de uitvoering van dit kader zorgt het Bureau voor de nodige samenwerking en coördinatie met de betrokken organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap, de lidstaten, internationale organisaties en het maatschappelijke middenveld, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 10 van Verordening (EG) nr. 168/2007.

    Motivering

    Samenwerking verleent, meer dan alleen maar coördinatie, een meerwaarde aan gemeenschappelijke activiteiten van de instanties voor de mensenrechten.

    Amendement 17

    Artikel 3, lid 2 bis (nieuw)

    2bis. Het Bureau werkt actief met kandidaat-lidstaten samen op het gebied van de grondrechten om de naleving door deze landen van het Gemeenschapsrecht te vergemakkelijken.

    Amendement 18

    ARTIKEL 3, LID 3

    3. Het Bureau behandelt kwesties betreffende discriminatie op grond van geslacht alleen als onderdeel van, en in de mate dat dit relevant is voor zijn werkzaamheden inzake algemene discriminatiekwesties, zoals vermeld in artikel 2, onder b), rekening houdend met het feit dat het de algemene doelstelling van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006, is bij te dragen tot en het versterken van de bevordering van gendergelijkheid, waaronder de integratie van de genderdimensie in het gehele communautaire beleid en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, en tot de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, alsmede een grotere bewustwording van gendergelijkheid onder de burgers van de Unie te bewerkstelligen, door technische bijstand te verlenen aan de communautaire instellingen, met name de Commissie, en aan de autoriteiten van de lidstaten.

    3. Het Bureau behandelt kwesties betreffende discriminatie op grond van geslacht, en in het bijzonder gevallen van meervoudige discriminatie, alleen als onderdeel van, en voor zover dit relevant is voor zijn werkzaamheden inzake algemene discriminatiekwesties, zoals vermeld in artikel 2, onder b), met inachtneming van de doelstellingen en de taakomschrijving van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006. De modaliteiten van de samenwerking tussen het Bureau en genoemd instituut worden vastgesteld in een memorandum van overeenstemming overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 168/2007.

    TOELICHTING

    De rapporteur en het Europees Parlement als zodanig zijn verheugd over de oprichting van het Bureau voor de grondrechten begin dit jaar. De omzetting van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat in een volwaardig Bureau voor de grondrechten verschaft de instellingen van de EU essentiële instrumenten om de wetgevers en de Europese Commissie bij te staan in de verdediging en verdere bevordering van de grondrechten in de gehele EU.

    Hoewel uw rapporteur de uitstekende interinstitutionele samenwerking die heeft geleid tot de aanneming van Verordening (EG) nr. 168/2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten toejuicht en erkent, is hij niettemin teleurgesteld dat de andere instellingen veel minder enthousiast lijken te zijn in hun medewerking bij het vaststellen van het meerjarenkader voor het Bureau. Het lijkt ietwat ironisch dat de Commissie en het voorzitterschap van de Raad het Europees Parlement dringend verzoeken om voor eind 2007 zijn standpunt te bepalen (een ultrakorte termijn gezien de termijnen bij het indienen van het voorstel), wanneer noch de Commissie noch de Raad het bereiken van overeenstemming over dit dossier en de benoeming van een directeur als een belangrijke prioriteit lijken te zien.

    Ten gevolge van de langdurige onderhandelingen over Verordening (EG) nr. 168/2007 is het Bureau pas op 1 maart 2007 officieel ingesteld (men had gehoopt dat het per 1 januari 2007 al zou functioneren). Ondanks zijn officiële oprichting blijft het Bureau in een vacuüm, aangezien het niet over de basiselementen beschikt die het in staat zouden stellen om volledig operationeel te worden (dat wil zeggen een directeur en een meerjarenkader).

    Uw rapporteur erkent het belang van de snelle vaststelling van een meerjarenkader voor het Bureau, alsmede van de benoeming van een directeur om het Bureau in staat te stellen eindelijk volledig operationeel te worden en een begin te maken met het bijstaan van de instellingen en de burgers van de EU. Te dien einde wordt in het verslag uitdrukkelijk getracht het meerjarenkader op een minimumaantal gebieden te amenderen. Het is te hopen dat dit teken van goede wil van de zijde van uw rapporteur een snelle vaststelling van het meerjarenkader door de instellingen van de EU zal vergemakkelijken. Dit gezegd zijnde, zou uw rapporteur er bij de Commissie en de Raad op aan willen dringen alles in het werk te stellen om het proces van het selecteren van kandidaten voor de functie van directeur, evenals het werk inzake het meerjarenkader te bespoedigen. Dit is volgens uw rapporteur van essentieel belang, wanneer we ervoor willen zorgen dat het meerjarenkader zo snel mogelijk in werking treedt (iets dat uw rapporteur en het EP graag willen zien gebeuren).

    Uw rapporteur zou het uiteraard toejuichen en wensen dat de andere instellingen het Europees Parlement zoveel mogelijk bij dit proces betrekken. Dit draagt bij tot de legitimiteit van zowel de onderhandelingen over het meerjarenkader als van het Bureau als orgaan, wanneer het programma eenmaal is vastgesteld.

    De Commissie en het voorzitterschap van de Raad zijn de instellingen die hun verbondenheid met de grondrechten moeten tonen en het initiatief en leiderschap in dit dossier op zich moeten nemen. Hoewel het Europees Parlement over dit dossier slechts wordt geraadpleegd, zou uw rapporteur andermaal willen wijzen op de ondeelbaarheid en onschendbaarheid van alle grondrechten als de belangrijkste en fundamenteelste waarde binnen de EU wier verdediging het Europees Parlement zeer ter harte gaat. Het Europees Parlement zal toezicht blijven houden op de rol van de andere instellingen bij de ontwikkeling van het Bureau, de vaststelling van het meerjarenkader en het werk op het gebied van de verdediging en bevordering van de grondrechten. Onze burgers zullen een afzwakking van onze basiswaarden ten koste van politieke, economische of sociale kortetermijnoverwegingen niet accepteren.

    Amendementen van uw rapporteur

    Zoals hierboven reeds werd vermeld, heeft uw rapporteur uitdrukkelijk besloten om het aantal amendementen te beperken om een snelle overeenstemming met de andere instellingen over het dossier te vergemakkelijken. De amendementen die hij in zijn verslag heeft ingediend, zijn echter voor het Europees Parlement van fundamenteel belang.

    Uw rapporteur heeft een aantal van de, zijns inziens, sleutelelementen van Verordening (EG) nr. 16872007 als amendementen in zijn verslag opgenomen. Hij is van oordeel dat het zaak is om een aantal van de basisonderdelen van het mandaat van het Bureau en de door het Bureau te verrichten werkzaamheden in het verslag over het meerjarenkader op te nemen.

    Vandaar een nieuwe overweging 6 bis die overweging 13 van Verordening (EG) nr. 168/2007 overneemt. Overweging 7 bis is gelijk aan overweging 15 van Verordening (EG) nr. 168/2007. Door deze punten duidelijk in zijn verslag te herhalen wil uw rapporteur de instellingen en het Bureau zelf nog eens wijzen op de flexibiliteit en opties die voor het Bureau open staan naast de thematische werkterreinen die door artikel 2 worden voorgeschreven. Deze flexibiliteit is van essentieel belang wil het Bureau in staat zijn om zowel proactief als reactief op te treden bij plotselinge negatieve ontwikkelingen of een verslechtering van de mensenrechtensituaties op bepaalde terreinen of in geografische gebieden.

    De weinige amendementen van uw rapporteur op de artikelen zijn in dezelfde geest als de amendementen op de overwegingen ingediend, namelijk om andermaal te wijzen op de sleutelaspecten van de verordening tot oprichting van het Bureau voor de grondrechten. Aldus is artikel 1 bis (nieuw) een directe reproductie van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 168/2007. Uw rapporteur is van oordeel dat het van essentieel belang is om in een verslag over het meerjarenkaderprogramma van het Bureau voor de grondrechten nog eens te wijzen op de basistaken van het Bureau.

    Evenzo is artikel 1 ter (nieuw) overgenomen van artikel 5, lid 3 van Verordening (EG) nr. 168/2007. Andermaal is dit een herinnering voor iedereen aan het feit dat het Bureau, op verzoek van de instellingen van de EU, taken mag vervullen buiten die welke in het thematische programma worden belicht (artikel 2).

    In de andere voorgestelde amendementen op artikel 1 wordt dit thema verder uitgewerkt. Uw rapporteur tracht een tegenwicht te vinden voor het rigide karaker van het thematische programma door in bepaalde gevallen voor een meer flexibele benadering te kiezen. Flexibiliteit is de sleutel om het Bureau in staat te stellen zijn mandaat volledig waar te nemen.

    Ten aanzien van artikel 2 (thematische werkterreinen) heeft uw rapporteur bewust geprobeerd geen onrealistische eisen aan het Bureau of de instellingen te stellen. Om deze reden (en ondanks vele verzoeken om de reikwijdte van artikel 2 te verruimen door nieuwe werkterreinen toe te voegen) heeft uw rapporteur ervoor gekozen om de lijst slechts op één klein, doch belangrijk punt aan te vullen. Onder punt b) heeft uw rapporteur het begrip "meervoudige discriminatie" toegevoegd. Aangezien discriminatie in de EU helaas weer toeneemt, is het belangrijk dat het Bureau het begrip meervoudige discriminatie analyseert en goed onder de loep neemt. Mensen kunnen niet gemakkelijk in verschillende sociale groepen worden ingedeeld (en dit zou ook niet mogen gebeuren gezien de ondeelbaarheid van de grondrechten voor alle burgers) Vaak worden mensen echter gediscrimineerd zonder dat zij goed weten op welke grond. Discriminatie kan plaatsvinden om één reden of een combinatie van redenen (bijv. discriminatie van een joodse vrouw vanwege haar geslacht of haar religie of beide; of discriminatie van een homofiele Koerdische man vanwege zijn etnische herkomst of zijn seksuele geaardheid of beide). Deze meervoudige discriminatie zou onder het meerjarenkader moeten vallen om de omvang van het probleem te evalueren en te trachten methoden te vinden om deze complexe vorm van discriminatie aan te pakken.

    Tevens zij vermeld dat uw rapporteur en de Commissie burgerlijke vrijheden op 18 oktober 2007 een hoorzitting hebben gehouden met NGO's die werkzaam zijn op het gebied van de grondrechten. Alvorens dit verslag op te stellen wilde uw rapporteur de standpunten en opvattingen van maatschappelijke organisaties horen. Uw rapporteur constateert dat de bijeenkomst een gevarieerd en uitgebreid scala aan meningen heeft opgeleverd. Er werd veel kritiek geuit op de reikwijdte van de thematische werkterreinen (artikel 2), alsmede op het algehele gebrek aan ambitie en samenhang (geen brede visie of allesomvattend kader) op communautair niveau wanneer het gaat om een gecoördineerd doelgericht beleid inzake de grondrechten.

    Uw rapporteur en de aanwezige NGO's merkten op dat het onsamenhangend en onlogisch is om stringente regels inzake de naleving van de grondrechten door kandidaatlanden te hanteren (als onderdeel van de criteria van Kopenhagen) zonder over een daadwerkelijke follow-up/herzieningsmechanisme na de toetreding te beschikken om ervoor te zorgen dat lidstaten wetgeving en regels inzake de mensenrechten blijven toepassen en handhaven, zoals tot aan de toetreding het geval was.

    Allen die de bijeenkomst bijwoonden, waren het erover eens dat de burgers op het stuk van de verdediging van de grondrechten het best bediend zijn, wanneer wij alles doen wat in onze macht staat om overeenstemming over het meerjarenkader te vergemakkelijken en zo spoedig mogelijk een volledig operationeel Bureau instellen.

    Conclusie

    Uw rapporteur is verheugd over de oprichting van het Bureau en dringt er bij alle instellingen en belanghebbenden op aan om de nodige stappen te nemen om te zorgen dat zo spoedig mogelijk een samenhangend en allesomvattend meerjarenkader wordt vastgesteld. In combinatie met de snelle benoeming van een directeur van het Bureau hoopt het Europees Parlement dat het Bureau eindelijk in staat zal zijn zijn belangrijke en noodzakelijke werkzaamheden op het gebied van de grondrechten in de EU in de nabije toekomst aan te vatten.

    Het Europees Parlement wil gaarne zijn rol vervullen zowel bij het opstellen van het meerjarenkader als bij het benoemen van de directeur. De Commissie burgerlijke vrijheden, hoopt voor het einde van het jaar een hoorzitting met de voorgedragen kandidaten te houden, zodat het EP zijn zegje kan doen bij de benoeming van de kandidaat voor deze belangrijke post. Voorts heeft de Commissie burgerlijke vrijheden alle door het Parlement aangenomen resoluties over de grondrechten nog eens uitgebreid bekeken. Dit had voornamelijk tot doel ervoor te zorgen dat het Parlement het Bureau efficiënt kan controleren en volgen op de probleemgebieden die het EP in het verleden aan de orde heeft gesteld. We hopen dat het Bureau op die gebieden op constructieve wijze met het EP zal samenwerken, wanneer het EP op grond van recentelijk aangenomen resoluties het Bureau verzoekt een onderzoek in te stellen naar mogelijke schendingen van of inbreuken op de grondrechten.

    ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (29.11.2007)

    aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    inzake het voorstel voor een beschikking van de Raad tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 168/2007, wat de vaststelling van een meerjarenkader voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor 2007-2012 betreft
    (COM(2007)0515 – C6‑0322/277 – 2007/0189(CNS))

    Rapporteur voor advies: Libor Rouček

    BEKNOPTE MOTIVERING

    Het Europees Parlement is een van de belangrijkste institutionele actoren van de EU, wanneer het gaat om de bevordering en de bescherming van grond- en mensenrechten binnen en buiten de Europese Unie. Het allang noodzakelijke Bureau werd uiteindelijk in februari 2007 opgericht. Het Bureau kan echter niet doeltreffend functioneren, omdat het meerjarenkader nog niet is aangenomen en de functie van directeur nog steeds niet is bezet. Er dienen onverwijld maatregelen te worden genomen om de functie van directeur te bezetten en het Europees Parlement moet bij dit proces worden betrokken. De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de Commissie alle passende maatregelen te nemen om deze situatie recht te trekken.

    Zoals is vermeld in de op 15 februari 2007 aangenomen Verordening (EG) nr. 168/2007) van de Raad is de belangrijkste taak van het Bureau om de instellingen van de EU en de lidstaten te helpen hun, conform het EU- en communautair recht bestaande plicht te vervullen en bij hun beleid de grondrechten in acht te nemen, wanneer zij binnen de werkingssfeer van het communautair recht actief worden. Vooral het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie weerspiegelt, met inachtneming van zijn status en de daarbij behorende toelichtingen, deze grondrechten. Overeenkomstig artikel 5 van de verordening worden de thematische werkterreinen van het Bureau door de Raad door middel van een meerjarenkader vastgesteld.

    De belangrijkste doelstellingen van de rapporteur voor advies zijn de volgende:

    Hij wijst op zijn resolutie inzake de bevordering en de bescherming van de grondrechten en de mensenrechten: de rol van nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de grondrechten, en met name op zijn voorstellen voor uitbreiding van de principes van de bescherming van de mensenrechten buiten de Europese Unie.

    Hij steunt de maatregelen die zijn genomen ter voorkoming van dubbel werk en ter waarborging van een passende coördinatie van de activiteiten van internationale organisaties die op dit gebied werkzaam zijn (OESO, VN en met name de Raad van Europa).

    Hij is van mening dat de dialoog over de mensenrechten van buitengewoon groot belang is voor de betrekkingen van de Unie met derde landen. Hij is ingenomen met het feit dat het Bureau openstaat voor deelname door kandidaat-lidstaten. Hij bekrachtigt dat de ruimte van stabiliteit, veiligheid en welvaart niet zonder de dialoog met de buurlanden over mensenrechten- en democratiekwesties kan worden geschapen en dat op dit gebied verschillende instellingen doeltreffender zouden moeten samenwerken.

    Hij is van mening dat het Bureau de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het buitenlands- en veiligheidbeleid moet steunen, zodra het hervormingsverdrag van kracht is geworden en dat deze functie met name met het oog op de samenwerking met derde landen op het gebied van de mensenrechtendialoog, immigratie, georganiseerde misdaad of mensenhandel wordt gecreëerd.

    AMENDEMENTEN

    De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

    Door de Commissie voorgestelde tekstAmendementen van het Parlement

    Amendement 20

    Overweging 7 bis (nieuw)

    (7bis) Het Bureau brengt regelmatig verslag uit aan het Europees Parlement.

    Amendement 21

    Artikel 2, letter f)

    f) asiel;

    f) asiel, met inbegrip van de kwestie van gedwongen terugkeer;

    Amendement 22

    Artikel 2, letter j) bis (nieuw)

    jbis) gevolgen van maatregelen ter bestrijding van terrorisme voor de grondrechten in de Europese Unie;

    Amendement 23

    Artikel 2, letter j) ter (nieuw)

    jter) de kwestie van de mensenrechten in het handels- en ontwikkelingsbeleid van de EU en haar betrekkingen met derde landen.

    Amendement 24

    Artikel 3, lid 2 bis (nieuw)

    2bis. Het Bureau werkt actief met kandidaat-lidstaten op het gebied van de grondrechten samen, om de aanpassing van deze landen aan het communautaire recht te vergemakkelijken.

    Amendement 25

    Artikel 3, lid 3

    3. Het Bureau behandelt kwesties betreffende discriminatie op grond van geslacht alleen als onderdeel van, en in de mate dat dit relevant is voor zijn werkzaamheden inzake algemene discriminatiekwesties, zoals vermeld in artikel 2, onder b), rekening houdend met het feit dat het de algemene doelstelling van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006, is bij te dragen tot en het versterken van de bevordering van gendergelijkheid, waaronder de integratie van de genderdimensie in het gehele communautaire beleid en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, en tot de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, alsmede een grotere bewustwording van gendergelijkheid onder de burgers van de Unie te bewerkstelligen, door technische bijstand te verlenen aan de communautaire instellingen, met name de Commissie, en aan de autoriteiten van de lidstaten.

    3. Het Bureau behandelt kwesties betreffende discriminatie op grond van geslacht alleen als onderdeel van, en in de mate dat dit relevant is voor zijn werkzaamheden inzake algemene discriminatiekwesties, zoals vermeld in artikel 2, onder b), en met inachtneming van de noodzakelijke integratie van de kwestie van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de algemene benadering van de EU tot de grondrechten, rekening houdend met het feit dat het de algemene doelstelling van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006, is bij te dragen tot en het versterken van de bevordering van gendergelijkheid, waaronder de integratie van de genderdimensie in het gehele communautaire beleid en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, en tot de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, alsmede een grotere bewustwording van gendergelijkheid onder de burgers van de Unie te bewerkstelligen, door technische bijstand te verlenen aan de communautaire instellingen, met name de Commissie, en aan de autoriteiten van de lidstaten.

    PROCEDURE

    Titel

    Meerjarenkader voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor 2007-2012

    Document- en procedurenummers

    COM(2007)0515 - C6-0322/2007 - 2007/0189(CNS)

    Commissie ten principale

    LIBE

    Advies uitgebracht door

           Datum bekendmaking

    AFET

    27.9.2007

     

     

     

    Rapporteur voor advies

           Datum benoeming

    Libor Rouček

    3.10.2007

     

     

    Behandeling in de commissie

    5.11.2007

    27.11.2007

     

     

    Datum goedkeuring

    27.11.2007

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    34

    1

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Christopher Beazley, Elmar Brok, Véronique De Keyser, Hanna Foltyn-Kubicka, Ana Maria Gomes, Anna Ibrisagic, Metin Kazak, Helmut Kuhne, Vytautas Landsbergis, Francisco José Millán Mon, Raimon Obiols i Germà, Vural Öger, Cem Özdemir, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Samuli Pohjamo, Bernd Posselt, Michel Rocard, Libor Rouček, Katrin Saks, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, Hannes Swoboda, István Szent-Iványi, Inese Vaidere, Geoffrey Van Orden, Kristian Vigenin, Jan Marinus Wiersma, Josef Zieleniec

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Alexandra Dobolyi, Árpád Duka-Zólyomi, Kinga Gál, Jaromír Kohlíček, Aloyzas Sakalas, Luis Yañez-Barnuevo García

    29.11.2007

    ADVIES van de Commissie RECHTEN VAN DE VROUW EN GENDERGELIJKHEID

    aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    inzake het voorstel voor een beschikking van de Raad tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 168/2007, wat de vaststelling van een meerjarenkader voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor 2007-2012 betreft

    (COM(2007)0515 – C6‑0322/277 – 2007/0189(CNS))

    Rapporteur voor advies: Claire Gibault

    AMENDEMENTEN

    De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

    Door de Commissie voorgestelde tekstAmendementen van het Parlement

    Amendement 26

    OVERWEGING 5

    (5) Het kader moet bepalingen omvatten ter waarborging van complementariteit met de werkzaamheden van andere organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap en de Unie, alsook met de Raad van Europa en andere internationale organisaties die actief zijn op het gebied van de grondrechten. De meest relevante agentschappen en organen van de Gemeenschap in verband met dit meerjarenkader zijn het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, opgericht bij Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, waarvan de doelstellingen in aanmerking moeten worden genomen.

    (5) Het kader moet bepalingen omvatten ter waarborging van complementariteit met de werkzaamheden van andere organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap en de Unie, alsook met de Raad van Europa en andere internationale organisaties die actief zijn op het gebied van de grondrechten. De meest relevante agentschappen en organen van de Gemeenschap in verband met dit meerjarenkader zijn het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, opgericht bij Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens; er moet dus rekening worden gehouden met de doelstellingen en de taakomschrijving van deze instituten.

    Motivering

    Met het oog op een efficiënt gebruik van de middelen moet worden verduidelijkt dat de taakomschrijving van het Instituut voor gendergelijkheid in aanmerking moeten worden genomen. Dit amendement sluit aan bij het amendement op artikel 3, lid 3.

    Amendement 27

    Artikel 3, lid 3

    3. Het Bureau behandelt kwesties betreffende discriminatie op grond van geslacht alleen als onderdeel van, en in de mate dat dit relevant is voor zijn werkzaamheden inzake algemene discriminatiekwesties, zoals vermeld in artikel 2, onder b), rekening houdend met het feit dat het de algemene doelstelling van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006, is bij te dragen tot en het versterken van de bevordering van gendergelijkheid, waaronder de integratie van de genderdimensie in het gehele communautaire beleid en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, en tot de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, alsmede een grotere bewustwording van gendergelijkheid onder de burgers van de Unie te bewerkstelligen, door technische bijstand te verlenen aan de communautaire instellingen, met name de Commissie, en aan de autoriteiten van de lidstaten.

    3. Het Bureau behandelt kwesties betreffende discriminatie op grond van geslacht, en in het bijzonder gevallen van meervoudige discriminatie, alleen als onderdeel van, en voor zover dit relevant is voor zijn werkzaamheden inzake algemene discriminatiekwesties, zoals vermeld in artikel 2, onder b), met inachtneming van de doelstellingen en de taakomschrijving van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1922/2006. De modaliteiten van de samenwerking tussen het Bureau en genoemd instituut worden vastgesteld in een memorandum van overeenstemming overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 168/2007.

    PROCEDURE

    Titel

    Meerjarenkader voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor 2007-2012

    Document- en procedurenummers

    COM(2007)0515 - C6-0322/2007 - 2007/0189(CNS)

    Commissie ten principale

    LIBE

    Advies uitgebracht door

           Datum bekendmaking

    FEMM

    27.9.2007

     

     

     

    Rapporteur voor advies

           Datum benoeming

    Claire Gibault

    16.10.2007

     

     

    Behandeling in de commissie

    21.11.2007

    17.12.2007

     

     

    Datum goedkeuring

    17.12.2007

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    28

    0

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Edit Bauer, Emine Bozkurt, Věra Flasarová, Claire Gibault, Zita Gurmai, Esther Herranz García, Piia-Noora Kauppi, Pia Elda Locatelli, Doris Pack, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Zita Pleštinská, Christa Prets, Karin Resetarits, Eva-Britt Svensson, Anne Van Lancker, Anna Záborská

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Gabriela Creţu, Iratxe García Pérez, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Donata Gottardi, Anna Hedh, Kartika Tamara Liotard, Marusya Ivanova Lyubcheva, Ria Oomen-Ruijten, Maria Petre

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Árpád Duka-Zólyomi, Manolis Mavrommatis, Paul Rübig

    PROCEDURE

    Titel

    Meerjarenkader voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor 2007-2012

    Document- en procedurenummers

    COM(2007)0515 - C6-0322/2007 - 2007/0189(CNS)

    Datum raadpleging EP

    25.9.2007

    Commissie ten principale

           Datum bekendmaking

    LIBE

    27.9.2007

    Medeadviserende commissie(s)

           Datum bekendmaking

    AFET

    27.9.2007

    FEMM

    27.9.2007

     

     

    Rapporteur(s)

           Datum benoeming

    Michael Cashman

    11.9.2007

     

     

    Behandeling in de commissie

    3.10.2007

    29.11.2007

    18.12.2007

     

    Datum goedkeuring

    18.12.2007

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    45

    0

    8

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Alexander Alvaro, Roberta Angelilli, Mihael Brejc, Kathalijne Maria Buitenweg, Michael Cashman, Giuseppe Castiglione, Giusto Catania, Jean-Marie Cavada, Carlos Coelho, Esther De Lange, Panayiotis Demetriou, Gérard Deprez, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Bárbara Dührkop Dührkop, Claudio Fava, Armando França, Urszula Gacek, Kinga Gál, Patrick Gaubert, Roland Gewalt, Lívia Járóka, Ewa Klamt, Stavros Lambrinidis, Henrik Lax, Roselyne Lefrançois, Sarah Ludford, Jaime Mayor Oreja, Claude Moraes, Javier Moreno Sánchez, Rareş-Lucian Niculescu, Martine Roure, Luciana Sbarbati, Inger Segelström, Csaba Sógor, Søren Bo Søndergaard, Vladimir Urutchev, Ioannis Varvitsiotis, Renate Weber, Manfred Weber, Tatjana Ždanoka

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Inés Ayala Sender, Edit Bauer, Simon Busuttil, Iratxe García Pérez, Genowefa Grabowska, Ignasi Guardans Cambó, Sophia in ‘t Veld, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jean Lambert, Antonio Masip Hidalgo, Bill Newton Dunn, Rainer Wieland

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Ģirts Valdis Kristovskis, Manuel Medina Ortega