Procedure : 2007/2268(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0059/2008

Ingediende teksten :

A6-0059/2008

Debatten :

PV 09/04/2008 - 19
CRE 09/04/2008 - 19

Stemmingen :

PV 10/04/2008 - 9.13
CRE 10/04/2008 - 9.13
PV 23/04/2008 - 4.9
CRE 23/04/2008 - 4.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0172

VERSLAG     
PDF 147kWORD 99k
4.3.2008
PE 398.675v02-00 A6-0059/2008

over het voortgangsverslag 2007 over de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

(2007/2268(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Erik Meijer

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voortgangsverslag 2007 over de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

(2007/2268(INI))

Het Europees Parlement,

–    gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003, waarin alle westelijke Balkanlanden is toegezegd dat zij tot de Europese Unie kunnen toetreden,

–    gezien de resoluties 817 en 845 van 1993 van de VN Veiligheidsraad,

 gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de status van kandidaat-lidstaat van de EU toe te kennen, en de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van 15 en 16 juni 2006 en 14 en 15 december 2006,

  rekening houdend met de interim-overeenkomst van 1995 tussen de Republiek Griekenland en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

 gezien de conclusies van de vierde bijeenkomst van de Stabilisatie- en associatieraad EU-Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van 24 juli 2007,

 gezien Besluit 2006/57/EG van de Raad van 30 januari 2006 inzake de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europees Partnerschap met de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en tot intrekking van Besluit 2004/518/EG(1),

 gezien het voortgangsverslag 2007 van de Commissie over de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië(2) (SEC(2007)1432),

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2006 over de mededeling van de Commissie over de uitbreidingsstrategie en de belangrijkste uitdagingen voor 2006-2007(3),

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 juli 2007 over het voortgangsverslag 2006 over de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië(4),

 gezien de aanbevelingen van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van 29-30 januari 2007 en 26-27 november 2007,

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf(5),

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 oktober 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië(6),

 gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6‑0059/2008),

A. overwegende dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië weliswaar al in 2005 het statuut van kandidaat-lidstaat heeft gekregen, maar er tot op heden geen startdatum is vastgelegd voor de toetredingsonderhandelingen; overwegende dat deze aanhoudende situatie nog meer aanleiding geeft tot frustratie en onzekerheid gezien het voortdurende tempo van hervormingen dat de overheid van Skopje aanhoudt,

B.  wijzend op de Verklaring van de EU en de westelijke Balkanlanden die op 11 maart 2006 te Salzburg unaniem is goedgekeurd door alle ministers van Buitenlandse zaken van de lidstaten van de Europese Unie en door de ministers van Buitenlandse zaken van de westelijke Balkanlanden, en op het belang van goede burenrelaties en de behoefte om wederzijds aanvaardbare oplossingen te vinden voor uitstaande kwesties met buurlanden,

C. overwegende dat een lidstaat, Griekenland, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië midden in een onderhandelingsproces zitten, onder auspiciën van de Verenigde Naties, om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen voor de naam van de kandidaat-lidstaat,

1.  is verheugd over de hernieuwde politieke consensus over de toetreding van het land tot de Europese Unie, en de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt sinds het laatste voortgangsverslag van de Commissie van november 2007;

2.  is ingenomen met de goedkeuring van de wet inzake de openbare aanklagers en de wet inzake de raad van aanklagers, alsook de wet inzake het Comité voor interetnische betrekkingen, die een lijst bevat van wetten die aangenomen moeten worden volgens het beginsel van de dubbele meerderheid (Badinter-beginsel), en met het besluit over de benoeming van het laatste lid van de Raad voor de rechterlijke macht

3.  is ingenomen met de oprichting van de Nationale Raad voor Europese integratie, die onder leiding van de oppositieleider ernaar streeft partijoverschrijdende steun voor EU-gerelateerde hervormingen te verkrijgen, als belangrijke drijvende kracht achter het proces van toetreding tot de EU; constateert dat de Nationale Raad de institutionele prioriteiten van het land stelt in de voorbereidingsfase van het onderhandelingsproces, door toekenning van de benodigde institutionele structuren, personele en budgettaire middelen; moedigt de regering en het parlement aan dit orgaan het momentum van de hervorming te behouden en door te gaan met een niet-aflatende, regelmatige en constructieve dialoog tussen alle betrokken partijen, in een geest van samenwerking en consensus over de belangrijkste kwesties van de Europese agenda van het land

4.  is ingenomen met de standvastige inspanningen en bereikte resultaten van de regering en het parlement met betrekking tot de uitvoering van de kaderovereenkomst van Ohrid en de toegenomen erkenning van het multi-etnische karakter van de staat; is ingenomen met de inzet van de regering en het parlement om de interetnische relaties verder te bevorderen, hetgeen heeft geleid tot de goedkeuring van wetgeving zoals de op 8 februari 2007 aangenomen wijzigingen van de Wet Openbare feestdagen die de verschillende etnische en religieuze feestdagen vastlegt, en de ruimere begrotingsmiddelen ter bevordering van de culturele waarden en tradities van minderheden; wijst op de noodzaak de eerlijke vertegenwoordiging van leden van minderheden te verbeteren, vooral in het openbaar bestuur, de politie en het leger, en is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over de keuze van 45 wetsontwerpen die alleen met de Badinter-meerderheid kunnen worden aangenomen;

5.  wijst erop dat het hernieuwde politieke momentum op het gebied van de Europese integratie van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voortkomt uit een solide engagement dat is uitgesproken door alle politieke machten; is ingenomen met de regelmatige en intensieve dialoog tussen de leiders van de vier grootste politieke partijen (VMRO-DPMNE, SDSM, DPA en DUI), die heeft geresulteerd in een aantal wetten, evenals maatregelen die belangrijk zijn voor verdere EU-integratie;

6.  is verder ingenomen met het feit dat, in overeenstemming met de kaderovereenkomst van Ohrid , meer vertegenwoordigers van etnische minderheden in overheidsdienst worden aangenomen, en hoopt dat de uitvoering van deze kaderovereenkomst consistent wordt voortgezet;

7.  prijst de inzet van de leiders van de grootste politieke partijen die zijn vertegenwoordigd in het parlement om te blijven werken aan de oplossing van de resterende kwesties waarover geschillen bestaan, zoals het gebruik van talen en het sociale pakket voor de slachtoffers van het conflict in 2001;

8.  is ingenomen met het feit dat duidelijk vooruitgang is geboekt in de bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie in 2007, en aanzienlijke vooruitgang is geboekt in de bestrijding van mensen- en drugshandel; roept de regering op door te gaan met de uitvoering van anti-corruptiewetgeving en de hervorming van de rechtspraak, die moet leiden tot versterking van de onafhankelijkheid en de capaciteit van het gerechtelijk apparaat;

9.  prijst de regering om de vooruitgang die zij heeft geboekt op economisch gebied, waarbij de macro-economische stabiliteit in stand is gehouden; is ingenomen met fiscaal beleid en de grotere fiscale discipline, die hebben geleid tot hogere ontvangsten van de staatsbegroting; verheugt zich over het verbeterde bedrijfsklimaat en de maatregelen om de wettelijke en administratieve barrières voor het opstarten van een bedrijf te verminderen;

10. ziet uit naar de goedkeuring van de nieuwe Bankwet in overeenstemming met het communautaire acquis; wijst op het belang van de goedkeuring in 2008 van een nieuwe wet over de nationale bank, waarmee zowel de onafhankelijkheid van de bank als de administratieve controlemogelijkheden worden versterkt;

11. is bezorgd over de aanhoudende hoge werkeloosheid en dringt er bij de regering op aan dit probleem aan te pakken; wijst in het bijzonder op de situatie in de dorpen in het grensgebied van Kosovo, waar de aanpak van de werkeloosheid van fundamenteel belang is om de bevolking kansen te geven een legaal inkomen te verdienen;

12. wijst op de noodzaak van de voortgezette uitvoering van de kaderovereenkomst van Ohrid als instrument ter bevordering van het transnationaal opbouwen van vertrouwen, wat essentieel is voor de stabiliteit in de regio;

13. herinnert eraan dat de wet inzake het gebruik van gemeenschapsvlaggen van 2005 minderheden die een meerderheid vormen in de gemeente toestaat hun vlaggen te gebruiken; merkt op dat volgens de uitspraak van het Constitutioneel hof van 24 oktober 2007 het recht van een gemeenschap om haar vlag te voeren naast de staatsvlag is bevestigd en dat tevens het recht om een etnische vlag te voeren is uitgebreid tot alle etnische gemeenschappen in een gemeente, en het recht van etnische Albanezen om de Albanese staatsvlag te gebruiken als hun etnische symbool is bevestigd; benadrukt dat het hof tevens heeft getracht de grenzen van dit recht te verduidelijken, omdat het van mening was dat de staatsvlag en gemeenschapsvlaggen een verschillende betekenis hebben, en heeft geconcludeerd dat gemeenschapsvlaggen niet permanent gevoerd mogen worden, bijvoorbeeld tijdens officiële staatsbezoeken of op staatsgebouwen; roept alle partijen op deze kwestie te bespreken in de geest van de kaderovereenkomst van Ohrid en de internationale normen;

14. is ingenomen met de maatregelen van de regering om snel te reageren op de aanbevelingen van het voortgangsverslag 2007 van de Europese Commissie en het herziene Nationale plan voor de overname van het acquis goed te keuren, in overeenstemming met de prioriteiten van het voorgestelde toetredingspartnerschap van 2008;

15. prijst het werk dat wordt uitgevoerd in de overheidsinstanties ter voorbereiding van de toetredingsonderhandelingen; roept de autoriteiten op de hervorming van het openbaar bestuur voort te zetten de volledige depolitisering, professionaliteit, deskundigheid en efficiëntie ervan te garanderen en af te zien van acties die schadelijk kunnen zijn voor de reeds opgebouwde bestuurlijke capaciteit;

16. beschouwt het als een gezamenlijke uitdaging voor alle politieke krachten en etnische gemeenschappen in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om te laten zien dat het land voortaan vrij is van in binnenland en buitenland als negatief beoordeelde conflicten die verder gaan dan de normale politieke meningsverschillen, waaronder het boycotten van democratische overheidsinstellingen, en daarmee aan te tonen dat het land rijp is voor integratie in de Europese Unie;

17. steunt het initiatief van het in Thessaloniki gevestigde Centrum voor democratie en verzoening in Zuidoost-Europa en de Soros-stichting om leerboeken te publiceren over de geschiedenis van de Balkan, in zowel de Albanese als de Macedonische taal, die bedoeld zijn voor geschiedenisleraren en leerlingen van de middelbare school, en die gericht zijn op het samenbrengen van verschillende zienswijzen met betrekking tot het gemeenschappelijke verleden, waardoor een evenwichtig perspectief wordt geboden en verzoening wordt bevorderd;

18. constateert dat het wetsontwerp inzake herziening van de kieswet, dat voorziet in een uitbreiding van het parlement met 13 zetels ten gunste van de vertegenwoordiging van de kleine etnische minderheden en van staatsburgers die in het buitenland wonen, op 27 september 2007 is behandeld: uit zijn bezorgdheid over het feit dat het wetsontwerp het effect heeft dat de toepassing van de Badinterregel inzake de meerderheid, als beoogd de in kaderovereenkomst van Ohrid wordt omzeild; benadrukt dat eerbiediging van het beginsel 'pacta sunt servanda' van cruciaal belang is voor de versterking van het wederzijdse vertrouwen; acht het daarom wenselijk dat een brede consensus, met deelneming van de Albanese vertegenwoordigers, bereikt wordt over iedere herziening van de kieswet, en vertrouwt erop dat er verder overleg zal plaatsvinden om dit te bereiken;

19. vestigt de aandacht op de voortdurende discriminatie van de Roma-gemeenschap, vooral op het gebied van onderwijs, sociale bescherming, gezondheidszorg, huisvesting en werkgelegenheid; hoopt dat de nationale strategie voor Roma ingevoerd wordt in overeenstemming met de vastgestelde doelen in de nabije toekomst;

20. is ingenomen met de inwerkingtreding van de overeenkomst over visumfacilitering en overnameovereenkomsten met de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; merkt echter op dat de toegang tot EU-landen voor Macedonische burgers en in het algemeen voor burgers uit de landen van de westelijke Balkan nog steeds een groot probleem is; onderstreept dat de toegangsregels voor dit land minstens gelijkwaardig moeten zijn aan die welke voor Kroatië worden toegepast; steunt derhalve de dialoog die de Europese Commissie heeft gelanceerd over visumliberalisering met als doel tot een routekaart te komen die uiteindelijk moet leiden tot een visumloze regeling, en verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om deze dialoog snel af te ronden;

21. wijst in dit verband op de invoering door de regering van paspoorten met biometrische beveiligingen, de invoering van het nationaal visuminformatiesysteem en het visumcentrum, en de tenuitvoerlegging van het geïntegreerd grensbeheersysteem;

22. is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe wet inzake de wettelijke status van kerken, religieuze gemeenschappen en religieuze groeperingen, die vanaf mei 2008 zal worden toegepast en die de mogelijkheid schept om definitief een eind te maken aan klachten van kleine geloofsgemeenschappen, in het bijzonder gemeenschappen die in de afgelopen decennia zijn ontstaan of uitgegroeid als resultaat van buitenlandse zending of door afsplitsing uit bestaande kerken, over het verbod om gebouwen die dienen als gebedsruimten te bouwen, bezitten of te gebruiken;

23. is ingenomen met de succesvolle start van de tweede fase van de fiscale decentralisatie in juli 2007, toen 42 van de 84 gemeenten het proces hebben ingevoerd en nog eens negen gemeenten zich hebben aansloten;

24. wijst erop dat extra maatregelen zijn genomen ter bevordering van de vrouwenrechten, en in het bijzonder van gelijke kansen; dringt er echter op aan dat de bescherming van vrouwen tegen alle vormen van geweld moet worden uitgebreid;

25. herinnert aan de wenselijkheid om in overeenstemming met de in november 2005 aangenomen wet inzake omroepactiviteiten de onafhankelijkheid van de publieke omroep ten opzichte van staatsorganen te handhaven en ruimte te geven aan de bestaande verscheidenheid van opinies en daarbij te voorkomen dat andere media worden gehinderd door overheidsbemoeienis; dringt er bij de autoriteiten op aan te zorgen voor publieke naleving van de normen van de EU en de Raad van Europa om de heropleving van haatdragende uitlatingen, vooral in de media, tegen aangrenzende EU-lidstaten, tegen te gaan

26. constateert dat de eenzijdige steun aan bepaalde mediaproducten, bijvoorbeeld in de vorm van regeringscampagnes en reclame door overheidsbedrijven, leidt tot concurrentieverstoring in de mediasector en dus schadelijk is voor andere media, met inbegrip van de media die kritisch staan tegenover de regering;

27. is ingenomen met de start van de voorbereidingen voor de invoering van de Politiewet, waarvan de volledige en effectieve toepassing een cruciale uitdaging is en die een van de belangrijkste prioriteiten vormt voor de Europese vereniging;

28. constateert dat de inspanningen ten aanzien van de bescherming van de waterkwaliteit moeten worden versterkt op basis van de nieuwe waterwet; wijst in het bijzonder op de noodzaak van bescherming van de waterkwaliteit en controle op de vervuiling van de rivier Vardar, waarop het grootste deel van het land afwatert en die zich voortzet als de Axíos, waardoor gevaarlijk afval op Grieks grondgebied wordt gevoerd, alsook van de grensmeren Ohridsko Ezero, Prespansko Ezero en Dojransko Ezero, en benadrukt dat er met de buurlanden Albanië en Griekenland goede bilaterale akkoorden gesloten moeten worden, die vervolgens effectief moeten worden uitgevoerd;

29. erkent dat de goedkeuring van de wet afvalbeheer heeft geleid tot enige vooruitgang in de behandeling van asbest, afvalinzameling en afval van polychloorbifenyl (pcb) en ruwe grondstoffen;

30. vestigt de aandacht op het feit dat de houding ten opzichte van het milieu in zijn algemeenheid voor verbetering vatbaar is en dringt er bij de autoriteiten van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op aan zich blijven inzetten om haar milieuwetgeving op een lijn te brengen met de gangbare normen van de EU;

31. constateert dat op 7 november 2007 een grootscheeps politieoperatie in de buurt van Brodec, een dorp ten noorden van Tetovo heeft plaatsgevonden, om een aantal vermeende criminelen te arresteren, waarbij 6 leden van de zogenaamde “bende van Brodecom" het leven kwamen en 13 dorpsbewoners door het Ministerie van Binnenlandse Zaken zijn aangehouden; wijst erop dat er lichte en zware wapens in Brodec zijn gevonden, waaronder zware machinegeweren en anti-vliegtuigraketten; erkent dat volgens de Waarnemingsmissie van de Europese Unie en de OVSE dit politieoptreden op een professionele en efficiënte manier is uitgevoerd en dat er geen politie- en burgerslachtoffers zijn gevallen; juicht toe dat de regering publiekelijk heeft gezegd dat zij de moskee en alle andere infrastructurele schade zal herstellen; is bezorgd om een aantal berichten over mishandeling tijdens arrestaties; roept daarom de ombudsman op om de gebeurtenissen grondig te onderzoeken en benadrukt dat alle speciale klachten over het politieoptreden in Brodec op een open, transparante en wettelijke manier moeten worden onderzocht;

32. juicht de vooruitgang toe op het gebied van de wetgeving over intellectuele eigendomsrechten, maar benadrukt dat meer inspanningen moeten worden geleverd voor de uitvoering van de aangenomen wetten;

33. is verheugd over de actieve deelname van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in het Zuidoost-Europees Samenwerkingsproces en zijn bijdrage aan de oprichting van de Regionale Samenwerkingsraad; juicht ook zijn constructieve houding toe ten aanzien van de status van Kosovo; is echter bezorgd over de vertraging van de technische afbakening van de grens met Kosovo en is van mening dat deze kwestie moet worden opgelost volgens het voorstel van de heer Ahtisaari, de voormalige speciaal VN-gezant voor de status van Kosovo; juicht de actieve samenwerking met Kosovo toe op het gebied van handel, douane en politie en het feit dat intussen goede betrekkingen met de buurstaat Servië worden onderhouden; juicht ook de ondertekening toe van de vrijhandelsakkoorden met deze twee buurlanden en beveelt een gelijksoortig beleid aan voor de betrekkingen met Albanië, Bulgarije en Griekenland, vooral op het gebied van vervoer en verkeersverbindingen;

34. juicht de bijdrage van het land toe aan de EU-missie ALTHEA in Bosnië en Herzegovina, erkent de rol van het land in de regionale stabiliteit en betuigt zijn medeleven aan het land en aan de families van de 11 vredesmilitairen die tragisch om het leven zijn gekomen bij de crash van een Macedonische militaire helikopter op 12 januari 2008;

35. betreurt de ondertekening en ratificering door de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van een bilateraal immuniteitsakkoord met de Verenigde Staten, dat de burgers van dat land vrijwaart van de rechtspraak van het Internationaal Strafhof van Den Haag; benadrukt dat deze ondertekening indruist tegen de EU-normen en het EU-beleid dat gericht is op steun aan het Internationaal Strafhof alsook tegen de EU-richtsnoeren inzake bilaterale immuniteitsakkoorden; dringt er bij de Macedonische regering en het parlement op aan hun wetgeving op een lijn te brengen met de principes en normen van de EU-lidstaten;

36. constateert dat nieuwe investeringen nodig zijn om de verkeersverbindingen van het land met die van de buurlanden te ontwikkelen, wat ten goede zou komen aan de economische ontwikkeling en stabiliteit in de hele regio, en roept de regering op om het laatste deel van de spoorlijn tussen Skopje en Sofia snel te voltooien;

37. juicht de toenemende bilaterale samenwerking toe, alsook de intermenselijke contacten, tussen de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Griekenland; constateert tevreden dat sinds de goedkeuring van zijn resolutie van 12 juli 2007 de eerste bilaterale gesprekken in de regio hebben plaatsgevonden onder de auspiciën van de Verenigde Naties en met de assistentie van de Speciale gezant Matthew Nimitz, met als doel een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden voor de meningsverschillen over de naam van het land; wijst op het voorstel van de Speciale gezant van 19 februari 2008 en is verheugd over het feit dat beide landen het voorstel hebben aanvaard als kader voor verder overleg; roept beide partijen op meer inspanningen te leveren om een oplossing te vinden voor deze kwestie, die in geen geval een obstakel mag vormen voor het lidmaatschap van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië bij internationale organisaties, zoals is bepaald in het interim-akkoord van 1995, dat nog steeds van kracht is;

38. herinnert aan de Conclusies van de Raad Algemene zaken en Buitenlandse betrekkingen van december 2007 en benadrukt het belang van regionale samenwerking, goede burenrelaties en de noodzaak om wederzijds aanvaardbare oplossingen te vinden voor uitstaande kwesties in het toenaderingsproces tot de EU;

39. steunt de inspanningen van de regering van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië om gemengde comités inzake onderwijs en geschiedenis op te richten met naburige EU-lidstaten om mogelijke discrepanties en verkeerde interpretaties van de geschiedenis te herzien die aanleiding zouden kunnen geven tot onenigheid, en dringt er bij de autoriteiten op aan te stimuleren het gemeenschappelijke culturele en historische erfgoed van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, dat het deelt met de buurlanden, samen te vieren;

40. merkt op dat de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, hoewel het land aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt sedert 2005 toen het de status van kandidaat-lidstaat heeft gekregen, het enige van de drie kandidaat-lidstaten is waarmee nog geen toetredingsonderhandelingen hebben plaatsgevonden; meent dat het wenselijk is dat deze uitzonderingspositie wordt beëindigd; roept de Joegoslavische Republiek Macedonië op te verzekeren dat de nodige hervormingen worden uitgevoerd; dringt er bij de Europese Commissie op aan, in vervolg op haar Mededeling over de westelijke Balkanlanden, een aantal criteria te ontwikkelen, die, als ze door het land worden vervuld, zullen leiden tot de opening van de toetredingsonderhandelingen voor het einde van 2008, hetgeen zal leiden tot een grotere stabiliteit en duidelijkere toetredingsvooruitzichten voor de westelijke Balkanlanden;

41. is verheugd over de voorbereidingen van de regering van de uitvoering van het pretoetredingsinstrument, die het pad hebben geëffend voor de ondertekening van de Financieringsovereenkomst voor het pretoetredingsinstrument voor 2007 en de kaderovereenkomst voor 2007-2013; wijst nogmaals op het belang van dit instrument voor de voorbereiding van het toekomstige EU-lidmaatschap, roept zowel de regering als de Commissie op de voorbereidingen te bespoedigen om de snelle invoering van een gedecentraliseerd systeem voor het beheer van pretoetredingsinstrumenten mogelijk te maken, met het oog op een grotere efficiëntie en plaatselijk ownership van het proces;

42. verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

(1)

PB L 35 van 7.2.2006, blz. 57.

(2)

SEC(2007)1432.

(3)

PB C 317 E van 23.12.2006, blz. 480.

(4)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0352.

(5)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0454.

(6)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0453.


TOELICHTING

1. Prioriteiten in het tweede jaarrapport

Op 12 juli 2007 heeft de plenaire vergadering van dit parlement het eerste jaarrapport aangenomen met betrekking tot de kandidaat-lidstaat die door de Europese Unie en de meeste van haar lidstaten wordt aangeduid als "Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië" en die volgens de eigen grondwet "Republiek Macedonië" heet.

Dit rapport besteedde aandacht aan een veelheid van zaken, zoals de milieuproblemen, de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers en de publieke omroep. Meer dan deze en andere onderwerpen trokken toen drie hoofdpunten de aandacht: de positie van de grote Albanese bevolkingsgroep, de relatie met de zuidelijke buurstaat Griekenland en de startdatum voor onderhandelingen over toetreding tot de EU. De aandacht voor deze drie punten is in het afgelopen jaar nog groter geworden. Bovendien kunnen de eerste twee punten het derde in sterke mate beïnvloeden. In dit tweede jaarrapport ligt de prioriteit bij het zoeken van voortgang op elk van deze drie punten.

2. Banden tussen voormalig Joegoslavië en de EU

De Europese Gemeenschappen, voorlopers van de Europese Unie, en hun lidstaten hebben in de jaren 1957-1991 altijd goede betrekkingen onderhouden met de voormalige Federatieve Socialistische Republiek Joegoslavië. Die betrekkingen waren in belangrijke mate anders dan die met andere staten in Midden- en Oost-Europa die door zich communistisch noemende partijen werden bestuurd, en die door een ‘IJzeren Gordijn’ van het westen en zuiden van Europa gescheiden waren. Van Joegoslavië verwachtte niemand militaire dreiging. Dit land bleef buiten de ‘Koude oorlog’, ontwikkelde intensieve contacten met de Derde Wereld en trok internationaal de aandacht door de werknemers actief te betrekken in de bedrijfsdemocratie. Tussen bedrijven in het westen en zuiden van Europa en die in Joegoslavië bestond veel grensoverschrijdende samenwerking. Naar verhouding veel inwoners van Joegoslavië waren in de gelegenheid om staten in het westen en zuiden van Europa te bezoeken, of daar langdurig te werken. Voor velen in andere staten was Joegoslavië, vooral het Alpengebied, de kust en het Meer van Ohrid, een belangrijk vakantieland. Op het gebied van handel en verkeer was dit land bovendien een belangrijke verbindingsschakel tussen Griekenland en andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen. Indien Joegoslavië niet was uiteengevallen zou het waarschijnlijk reeds als geheel en mogelijk eerder dan sommige huidige lidstaten hebben kunnen toetreden tot de EU. Niet zozeer het uiteenvallen op zich, maar meer de gewelddadige gruwelen waarmee dit uiteenvallen gepaard ging, hebben die in een eerdere fase waarschijnlijke toetreding ernstig vertraagd. Inmiddels is het grondgebied van voormalig Joegoslavië (en het aangrenzende Albanië) volledig omringd door lidstaten van de EU.

3. Handhaving van voorsprong als kandidaat-lid

Van de voormalige Joegoslavische republieken is bij de grote uitbreiding in 2004 alleen Slovenië toegetreden tot de EU. De onderhandelingen met kandidaat-lidstaat Kroatië verlopen voorspoedig en zouden in 2009 kunnen worden afgerond, waardoor dit land binnen enkele jaren de 28e lidstaat wordt. Ook de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië heeft sinds 2005 de status van kandidaat-lidstaat, en had de verwachting dat het toetredingsproces tegelijk met dat van Kroatië zou kunnen plaatsvinden. Uitsluitend het feit dat deze staat ligt in het zuiden van voormalig Joegoslavië, dat altijd een zwakkere economie had dan het noorden, zou complicaties en vertragingen voor de afsluiting van de onderhandelingen kunnen opleveren.

Deze status van kandidaat-lidstaat gaf een voorsprong op de Joegoslavische opvolgerstaten Montenegro, Bosnië-Herzegovina en Servië. Dit geldt nog sterker voor de Servische autonome provincie Kosovo, die zich al sinds de jaren '90 als onafhankelijk beschouwt, na de oorlog van 1999 niet meer vanuit Servië kan worden bestuurd en naar verwachting in 2008 de gedurende 17 jaar nagestreefde internationale erkenning als onafhankelijke staat zal verwerven.

Aan de opvolgerstaten van Joegoslavië die nog geen status als kandidaat-lid hebben gekregen zijn tot nu toe alleen stabilisatie- en associatieakkoorden aangeboden, met sinds de Europese Raad van Thessaloniki in 2003 uitzicht op toetreding op de langere termijn. De vraag is thans actueel of de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de uit de status van kandidaat-lidstaat voortvloeiende voorsprong op andere opvolgerstaten kan behouden. Er wordt inmiddels gesproken over toekenning van het kandidaat-lidmaatschap aan Servië. De betekenis van die status wordt echter onduidelijk, omdat gedurende de afgelopen twee jaar de verwachte toetredingsonderhandelingen met de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië niet van start zijn gegaan. Hierdoor is dit land geplaatst in een uitzonderingspositie ten opzichte van de twee andere kandidaat-lidstaten. Niet alleen met Kroatië wordt onderhandeld, maar ook met Turkije dat bij de start van de onderhandelingen niet kon voldoen aan de criteria die in een later stadium beslissend zullen zijn voor het eindresultaat. De ontstane vertraging wordt in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië als uiterst teleurstellend ervaren. Indien een spoedige start van de onderhandelingen uitblijft, dreigt niet alleen voor dit land maar ook voor andere landen die kandidaat-lid willen worden de betekenis van deze status in sterke mate te worden uitgehold.

4. Verminderde opname- of integratiecapaciteit van de EU

Kort na het einde van de Koude Oorlog (1989) ontstond er veel aandacht en bijval voor uitbreiding van de toenmalige tot West- en Zuid Europa beperkte samenwerking met staten die tot dan toe werden gezien als deel van de "tegenpartij". Niet alleen politieke leiders maar ook de publieke opinie werden gewonnen voor het opnemen van een groot aantal nieuwe lidstaten. Dit grote prestige dat toen was verbonden met het welslagen van een omvangrijke uitbreiding naar het oosten ontbreekt thans. De publieke opinie is kritischer geworden, en verwacht in de eerste plaats aandacht voor een oplossing van die problemen welke worden gezien als een gevolg van eerdere uitbreidingen. Nieuwkomers worden strenger beoordeeld, zij moeten nu de prijs betalen voor wat er bij vorige uitbreiding niet goed is gegaan. Een zakelijke afweging met betrekking tot voor- en nadelen voor de EU en haar huidige lidstaten speelt nu veel meer dan toen een belangrijke rol. Verwachte problemen en voorspelbare kosten kunnen een reden zijn om geen haast te maken met uitbreiding.

Het noemen van einddata voor de toetreding van nieuwkomers, en het gelijktijdig toelaten van een groot aantal nieuwe lidstaten, zijn inmiddels taboe. Iedere staat wordt kritisch beoordeeld op de eigen verdiensten. Bovendien staan nu met betrekking tot de opvolgerstaten van voormalig Joegoslavië twee opvattingen tegenover elkaar:

a.        De in deze landen bestaande problemen, in het bijzonder op het gebied van de binnenlandse verstandhouding tussen leden van verschillende etnische groepen en de verhouding tot hun buurstaten, dienen duurzaam te zijn opgelost vóórdat toetreding tot de EU kan worden toegestaan.

b.        Toetreding tot de EU is urgent en wordt gezien als de beste garantie voor vrede, democratie, stabiliteit en economische ontwikkeling omdat wordt verwacht dat de EU een belangrijke bijdrage kan leveren aan het oplossen van problemen, waaronder de verhouding tussen bevolkingsgroepen en met buurstaten.

5. Etnische verscheidenheid en botsende belangen

Het gebied dat in het begin van de 20e eeuw bekend stond onder de naam Macedonië, dat was verdeeld tussen Joegoslavië, Griekenland en Bulgarije na het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk, wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid van volkeren. In het noordelijke deel van Macedonië, op het grondgebied van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, is de bevolkingsgroep die de Macedonische variant van de Slavische taalgroep spreekt het grootst. In het noordwesten van het land zijn daarentegen diegenen die de Albanese taal spreken in de meerderheid; zij vormen ongeveer een kwart van de bevolking. Daarnaast bestaan kleinere minderheden, zoals Roma, Turken en Vlachen.

In een aantal andere opvolgerstaten van Joegoslavië heeft de daar bestaande etnische verscheidenheid, die naar verhouding kleiner is, in de jaren '90 geleid tot gewelddadige conflicten en etnische zuiveringen. In vergelijking met Kroatië, Bosnië-Herzegovina en Servië (vooral Kosovo) is de toestand in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië overzichtelijk en vreedzaam gebleven. Na een kortstondig gewapend conflict in het Albanese noordwesten zijn akkoorden gesloten over gemeentelijke decentralisatie en wordt in plaats van een Slavische dominantie het multi-etnische karakter van de staat steeds meer benadrukt.

Reeds voorafgaand aan het conflict van 2001 was in de regering van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië een partij vertegenwoordigd die voortkomt uit de Albanese bevolkingsgroep. In de vorige regering was dit de Partij voor Democratische Integratie (DUI), die is voortgekomen uit het conflict van 2001. Deze partij is onder de Albaneestalige kiezers inmiddels de grootste en zelfs de meerderheidspartij. Het feit dat de grootste partij onder deze bevolkingsgroep thans alleen op locaal niveau bestuursverantwoordelijkheid draagt, heeft spanningen opgeroepen. Anders dan in meertalige staten zoals België, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Italië bestaat er in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië tussen gemeenten en staat geen tussenbestuurslaag waarin een grote regionaal sterke partij de dominerende rol kan spelen. De DUI eist op nationaal niveau regeringsdeelname op, is van oordeel dat met de Albanese belangen minder rekening wordt gehouden dan was voorzen in het Raamwerkakkoord van Ohrid in 2001. Zij heeft een tijdlang uit protest daartegen de parlementszittingen geboycot. Inmiddels is er overeenstemming bereikt tussen de grootste regeringspartij VMRO-DPMNE en de DUI over een reeks van 45 wetsontwerpen die met een gekwalificeerde meerderheid ("Badinter-meerderheid") moeten worden behandeld, en is de parlementaire boycot beëindigd.

6. Beëindiging van het meningsverschil met Griekenland

EU-lidstaat Griekenland is sterk geïnteresseerd in de noordelijke buurstaat. Griekse bedrijven zijn daar de belangrijkste buitenlandse investeerders en Griekenland is voorstander van spoedige uitbreiding van de EU tot de aangrenzende en nabije staten. Het gebruik van de naam "Macedonië" als kenmerk voor de in 1991 onafhankelijk geworden noordelijke buurstaat is door Griekenland jarenlang afgewezen, omdat dit werd gezien als het maken van aanspraak op een deel van het Griekse grondgebied. Er werd uitsluitend gesproken over "Skopje" (genoemd naar de hoofdstad) of "Fyrom" (Engelstalige afkorting van Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië), dan wel verwezen naar het feit dat dit gebied binnen het voormalige koninkrijk Joegoslavië (1929-1941) werd aangeduid als de provincie Vardarska.

Deze Griekse positie ondergaat thans een belangrijke wijziging. Erkend wordt dat de noordelijke buurstaat een deel is van het vanouds als Macedonië aangeduide gebied, en dat de inwoners zich met die naam identificeren. In een interview met Dora Bakoyannis, Grieks minister van Buitenlandse Zaken, meldt het Atheense dagblad "Kathimerini" op 14-10-2007 dat zij zoekt naar een snelle en definitieve overeenstemming waarin de naam "Macedonië" kan worden betrokken. De Griekse voorkeur gaat thans uit naar een wederzijds aanvaardbare samengestelde naam die aangeeft dat het niet gaat om geheel Macedonië maar alleen om het noordelijke en hooggelegen deel daarvan dat thans wordt bestuurd door de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. De verkenningen door Matthew Nimetz namens de Verenigde Naties zijn hervat in december 2007, met een bezoek aan beide hoofdsteden. Mogelijk is de naamskwestie opgelost voordat eventuele besluitvorming in 2008 over toetreding van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië tot de NAVO aanleiding zou kunnen geven tot nieuwe gevoeligheden op dat gebied. Deze overeenstemming kan ook de voortzetting van het toetredingsproces tot de EU bespoedigen, mede omdat verwacht mag worden dat vanaf dat moment buurstaat Griekenland daarvoor een belangrijke pleitbezorger zal worden.


RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.2.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

56

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Monika Beňová, Elmar Brok, Colm Burke, Véronique De Keyser, Giorgos Dimitrakopoulos, Hanna Foltyn-Kubicka, Michael Gahler, Georgios Georgiou, Bronisław Geremek, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Alfred Gomolka, Klaus Hänsch, Richard Howitt, Jana Hybášková, Anna Ibrisagic, Metin Kazak, Maria Eleni Koppa, Helmut Kuhne, Joost Lagendijk, Vytautas Landsbergis, Johannes Lebech, Emilio Menéndez del Valle, Francisco José Millán Mon, Philippe Morillon, Pasqualina Napoletano, Vural Öger, Cem Özdemir, Justas Vincas Paleckis, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Hubert Pirker, Samuli Pohjamo, Bernd Posselt, Michel Rocard, Raül Romeva i Rueda, Libor Rouček, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, Hannes Swoboda, Charles Tannock, Geoffrey Van Orden, Ari Vatanen, Kristian Vigenin, Zbigniew Zaleski, Josef Zieleniec

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Mariela Velichkova Baeva, Cristian Silviu Buşoi, Giulietto Chiesa, Andrew Duff, Árpád Duka-Zólyomi, David Hammerstein, Evgeni Kirilov, Jaromír Kohlíček, Erik Meijer, Nickolay Mladenov, Borut Pahor, Józef Pinior, Antolín Sánchez Presedo, Inger Segelström, Marcello Vernola

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Renate Weber

Juridische mededeling - Privacybeleid