Procedure : 2007/2204(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0074/2008

Ingediende teksten :

A6-0074/2008

Debatten :

PV 09/04/2008 - 22
CRE 09/04/2008 - 22

Stemmingen :

PV 10/04/2008 - 11.2
CRE 10/04/2008 - 11.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0122

VERSLAG     
PDF 204kWORD 166k
13.3.2008
PE 398.365v02-00 A6-0074/2008

over de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap

(2007/2204(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Riitta Myller

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie REGIONALE ONTWIKKELING
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap

(2007/2204(INI))

Het Europees Parlement,

–    gelet op Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap(1),

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 november 2006 over een thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu(2),

–    onder verwijzing naar zijn standpunt in eerste lezing van 14 november 2006 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Richtlijn mariene strategie)(3),

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2007 over een thematische strategie voor het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen(4),

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 september 2006 over de thematische strategie voor het stadsmilieu(5),

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over de thematische strategie voor bodembescherming(6),

–    onder verwijzing naar zijn standpunt van 14 november 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG(7),

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 september 2006 over de thematische strategie inzake luchtverontreiniging(8),

–    onder verwijzing naar zijn standpunt van 26 september 2006 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa(9),

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 februari 2007 over een thematische strategie inzake afvalrecycling(10),

–    onder verwijzing naar zijn standpunt van 13 februari 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen(11),

–    onder verwijzing naar zijn standpunt van 23 oktober 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(12),

–    onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 oktober 2007 over een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden(13),

–    onder verwijzing naar zijn standpunt van 23 oktober 2007 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(14),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6‑0074/2008),

A.  overwegende dat Europa zich nog niet op de weg bevindt naar een werkelijk duurzame ontwikkeling,

B.   overwegende dat de Commissie erkent dat er slechts beperkte vooruitgang is geboekt op een aantal fundamentele punten zoals de integratie van het milieubeheer in andere takken van beleid en een betere uitvoering van de Gemeenschapswetgeving,

C.  overwegende dat de Commissie erop wijst dat een groot aantal milieuproblemen feitelijk aan het toenemen zijn: de uitstoot van broeikasgassen stijgt overal ter wereld, het verlies aan biodiversiteit gaat in versneld tempo door, de vervuiling heeft nog altijd een belangrijke weerslag op de volksgezondheid, de Europese Unie produceert steeds meer afval en onze voetafdruk op het milieu wordt alsmaar duidelijker; overwegende dat een en ander serieuze vragen doet rijzen omtrent het uit milieuoogpunt contraproductieve effect van andere belangrijke beleidsonderdelen van de Europese Unie,

D.  overwegende dat duurzame ontwikkeling waarschijnlijk nooit zal worden bereikt zolang de milieuproblematiek niet volledig in alle belangrijke beleidsonderdelen wordt geïntegreerd,

E.   overwegende dat een schoon en gezond milieu van essentieel belang is voor het menselijk welzijn en voor goede maatschappelijke omstandigheden,

F.   overwegende dat een goed opgezet milieubeleid ook kan bijdragen tot het bereiken van andere doelstellingen, zoals verbetering van het concurrentievermogen, stimulering van de economische groei, bevordering van werkgelegenheid en innovatie en stimulering van wetenschappelijke vooruitgang door nieuwe en veilige technologieën te ontwikkelen,

1.   betreurt dat de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma bijna een jaar vertraging heeft opgelopen en betreurt het dat de Europese Unie zich in het algemeen niet aan het tijdschema houdt met betrekking tot de uitvoering van de maatregelen waarin het actieprogramma voorziet, in tegenstelling tot wat de Commissie in haar eigen tussentijdse evaluatie betoogt; herinnert eraan dat het Zesde Milieuactieprogramma, in tegenstelling tot zijn voorganger, is goedgekeurd volgens de medebeslissingsprocedure van artikel 251 van het EG-Verdrag; verlangt dat de EU al het mogelijke doet om de in het Zesde Milieuactieprogramma bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, omdat een mislukking op dit gebied de geloofwaardigheid van de EU zou schaden, onder andere in de ogen van burgers die zich zorgen maken over de milieusituatie;

2.   merkt op dat door het gebruik van thematische strategieën als nieuw procedure-instrument de prelegislatieve processen belangrijker zijn geworden en er extra mogelijkheden zijn ontstaan om de betrokkenheid van de belanghebbenden te vergroten en te komen tot een meer strategische aanpak van het wetgevingsbeleid van de EU; betreurt evenwel dat de thematische strategieën de duur van het beleidsvormingsproces op milieugebied ook hebben verlengd doordat de formulering van concrete beleidsvoorstellen en de goedkeuring van daarop gebaseerde maatregelen hierdoor vertraging oploopt;

3.   acht het van essentieel belang dat de functie van het Zesde Milieuactieprogramma als milieudimensie van de EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling meer tot haar recht komt;

4.   wijst erop dat thematische strategieën van weinig nut zijn als ze qua timing samenvallen met de behandeling van omvangrijke wetgevingsdossiers: ze zijn alleen zinvol hetzij in de periode die aan het verschijnen van het desbetreffende wetgevingsdocument voorafgaat, hetzij op basis van hun eigen merites;

5.   benadrukt dat er een direct verband bestaat tussen de kwaliteit van het menselijk leefmilieu en de volksgezondheid; verzoekt de Commissie derhalve om, met het oog op de implementatie van het principe dat gezondheid een integraal onderdeel moet uitmaken van alle beleidsterreinen, onderzoek te initiëren naar het causale verband tussen veranderingen in de kwaliteit van het milieu en de gezondheidstoestand van de mens;

Thematische strategieën

6.   is van mening dat de EU zich consequent heeft ingezet om de in het Zesde Milieuactieprogramma omschreven milieudiplomatieke doelstellingen te realiseren; wijst er echter nogmaals op dat de EU er wat betreft de doelstellingen en prioritaire maatregelen om de klimaatverandering tot stilstand te brengen niet in is geslaagd alle toezeggingen gestand te doen; is buitengewoon bezorgd over de toename van de emissies door het verkeer, alsook over het trage effect van de maatregelen die zijn getroffen om de energie-efficiëntie te verbeteren; herinnert de Commissie aan de oproep een mededeling over gekwantificeerde milieudoelstellingen voor een duurzaam transportstelsel te doen uitgaan; verwacht van de lidstaten dat zij de landenspecifieke verminderingsdoelstellingen inzake broeikasgasemissies overeenkomstig het Protocol van Kyoto tegen 2012 zullen halen;

7.   betreurt dat de doelstelling om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen tegen 2010 waarschijnlijk niet zal worden gehaald en dat de voorgestelde strategieën met betrekking tot de bescherming van het mariene milieu en de bodem tegen 2012 geen concrete milieuresultaten zullen opleveren; merkt op dat een grotere inspanning nodig is om te helpen bij de integratie van de biodiversiteitspolitiek in andere beleidsterreinen; vestigt er de aandacht op dat adequate financiering van Natura 2000 en andere daaraan nauw verwante prioritaire doelstellingen noodzakelijk is;

8.   is van mening dat Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) en tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen(15) met betrekking tot chemicaliën een stap voorwaarts is om de risico's voor mens en milieu te verminderen, maar dat nog altijd niet is bewezen dat de verordening daar effectief en op een overtuigende manier in zal slagen, en betreurt het dat deze verordening niet in alle opzichten strookt met de in het Zesde Milieuactieprogramma neergelegde doelstellingen; acht het betreurenswaardig dat de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en dat de maatregelen voor de verbetering van de luchtkwaliteit en het stedelijk milieu en voor de terugdringing van lawaai ver bij de doelstellingen van het milieuactieprogramma achterblijven; roept de Commissie op zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen voor een herziene richtlijn betreffende nationale emissieplafonds; acht het noodzakelijk de richtlijn betreffende omgevingslawaai onverkort te handhaven;

9.   dringt er, aangezien de luchtkwaliteit in gesloten ruimten van invloed is op de gezondheid, bij de Commissie en de lidstaten op aan de werkzaamheden van de Wereldgezondheidsorganisatie op het gebied van de luchtkwaliteit in gesloten ruimten te ondersteunen, en verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk concrete wetgevingsmaatregelen met betrekking tot de luchtkwaliteit in gesloten ruimten voor te stellen;

10. ziet geen grote leemten in de specifieke doelstellingen voor waterbescherming waarin het Zesde Milieuactieprogramma voorziet; verzoekt de Commissie evenwel erop toe te zien dat de kaderrichtlijn water onverkort wordt uitgevoerd en de integratie van de EU-toezeggingen op het gebied van waterbescherming in andere beleidsterreinen opnieuw te evalueren; dringt er bovendien bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen voor een richtlijn ter beperking van de fosforbelasting in de landbouw, alsook in detergenten, in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EG) nr. 648/2004 van 31 maart 2004 van het Europees Parlement en de Raad over detergenten(16);

11. constateert dat er een nieuw waterbeleid nodig is dat zich richt op besparing en op een duurzaam waterbeheer;

12. acht het betreurenswaardig dat de thematische strategieën inzake natuurlijke hulpbronnen en afval de doelstellingen van het Zesde Milieuactieprogramma hebben afgezwakt; betreurt voorts dat op EU-niveau geen concrete doelstellingen zijn geformuleerd om economische groei los te koppelen van het gebruik van hulpbronnen door zich in te stellen op een duurzaam productie- en consumptiemodel; is het ermee eens dat er op het gebied van bioafval bijkomende maatregelen nodig zijn om het storten van afval nog verder terug te dringen en ervoor te zorgen dat de beste afvalverwerkingsopties, zoals die welke bijdragen tot het milderen van de klimaatverandering, worden toegepast; blijft ondersteuning van milieuvriendelijke vormen van afvalbehandeling aanmoedigen, naast strengere maatregelen om het storten van afval - ook een vorm van milieuvervuiling - tegen te gaan;

13. roept de Commissie en de lidstaten ertoe op alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er verstandig en zuinig wordt omgesprongen met natuurlijke hulpbronnen, en wel zo dat de biodiversiteit niet in gevaar wordt gebracht;

Implementatie en handhaving van bestaande wetgeving

14. herinnert eraan dat de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving een topprioriteit is, en is van mening dat bindende wetgeving nog steeds van essentieel belang is om de milieuproblematiek het hoofd te kunnen bieden; verzoekt de Commissie haar activiteiten als hoedster van de Verdragen uit te breiden; roept de begrotingsautoriteit van de EU er derhalve eveneens toe op om de Commissie te voorzien van alle nodige financiële en personele middelen om te zorgen dat er in alle lidstaten zo nauwlettend mogelijk wordt toegezien op de uitvoering en handhaving van de bestaande wetgeving;

15. onderstreept de noodzaak van een effectieve en correcte tenuitvoerlegging van communautaire milieuwetgeving en pleit ervoor om ten behoeve van regio's die problemen ondervinden bij de concretisering van dit aspect van het communautair acquis speciale ondersteunende maatregelen te treffen; dringt er bij de autoriteiten van de lidstaten op aan omzettingsstrategieën uit te werken en daarin duidelijk aan te geven wat de functies en taken van de nationale, regionale en lokale autoriteiten bij een correcte omzetting en uitvoering van de communautaire milieuwetgeving zijn;

16. is evenwel bezorgd over de van diverse zijden geopperde suggesties om de gemeenschappelijke regelgeving te beperken en af te zwakken of zelfs te vervangen door vrijwillige overeenkomsten of andere niet-bindende instrumenten; dringt er derhalve eens te meer op aan dat men zich via betere regelgeving dient te concentreren op ondubbelzinnige en transparante regels en normen welke uitgaan van wetgeving die is gekoppeld aan overeengekomen doelstellingen, alsook op een betere handhaving daarvan;

17. is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om de handhaving van de milieuwetgeving op nationaal niveau te versterken via een betere toegang tot de rechter en een geharmoniseerd gebruik van het strafrecht; merkt op dat de preventieve aspecten van het strafrecht bijdragen tot een betere handhaving en bescherming van het milieu;

18. dringt er daarnaast tevens op aan dat de milieubeleidsmaatregelen van de EU zo worden opgezet en heringericht dat zij zich sterker richten op de na te streven doelstellingen dan op de te gebruiken methoden, zodat lidstaten en landbouwers zelf kunnen bepalen wat de meest effectieve en doeltreffende middelen zijn om de gewenste doelstellingen te bereiken;

      Natuur, biodiversiteit en klimaatverandering

19. is van mening dat het Zesde Milieuactieprogramma moet inspelen op de bestaande problemen en op het feit dat heel wat lidstaten kennelijk niet bereid zijn uitvoering te geven aan de habitat- en Natura 2000-richtlijnen, en dat er daarom moet worden nagedacht over de invoering van stimulansen om bij grondbezitters en plaatselijke overheden een constructieve houding aan te kweken ten aanzien van de sanering en het behoud van de bewuste gebieden; pleit in dat verband, onder inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, voor belastingmaatregelen om optimale werkwijzen aan te moedigen en mensen ervan te weerhouden activiteiten te ontplooien die milieuvervuiling teweegbrengen;

20. attendeert de Commissie er evenwel op dat het vooruitzicht op strafrechtelijke gevolgen niet in alle gevallen voldoende is om illegaal en bovendien milieuvervuilend gedrag tegen te gaan; onderstreept derhalve de noodzaak om het strafrecht te laten voorzien in sancties post factum, vooral wegens illegaal storten van gevaarlijk afval op het grondgebied van andere landen;

Milieustimulansen en hervorming van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu

21. is ingenomen met het groenboek van de Commissie over marktconforme instrumenten voor milieubeleids- en aanverwante doelstellingen; is van mening dat een ruimer gebruik van marktconforme instrumenten, onder inachtneming van het milieueffect van alle productie- en distributieprocessen en consumptiepatronen, noodzakelijk is;

22. stelt zich op het standpunt dat de EU-emissiehandelsregeling tot dusverre nog niet in een vermindering van de CO2-emissies heeft geresulteerd doordat er te royaal met de toewijzing van emissierechten is omgesprongen; wijst erop dat de EU zich tegen 2020 tot een vermindering van haar broeikasgasemissies met tenminste 20% ten opzichte van de niveaus van 1990 heeft verplicht; onderstreept dat de EU-emissiehandelsregeling voor de periode na 2012 o.a. moet voorzien in een voldoende stringente bovengrens, een regeling waarbij alle rechten worden geveild en een kwantitatieve en kwalitatieve beperking op het gebruik van gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's);

23. merkt niettemin op dat de rol van milieubelastingen beperkt blijft en geen opwaartse trend vertoont; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op zich krachtiger te beijveren voor milieuvriendelijke belastinghervormingen, o.a. in de vorm van een geleidelijke verschuiving van de belastingdruk van welvaartsnegatieve belastingen (bijvoorbeeld op arbeid) naar welvaartpositieve belastingen (bijvoorbeeld op activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, zoals het gebruik van hulpbronnen of vervuiling); wijst erop dat de Verdragen, in weerwil van het unanimiteitsvereiste op het gebied van belastingen, de mogelijkheid bieden om nauwer samen te werken en vestigt de aandacht op het bestaan van de open coördinatiemethode;

24. constateert dat hiermee een impuls wordt gegeven voor de afschaffing van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu; acht het evenwel onaanvaardbaar dat er voor de nabije toekomst geen concrete stappen worden verwacht in de richting van een hervorming van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu en verzoekt de Commissie derhalve tegen eind-2008 concrete voorstellen in te dienen om alle subsidieregelingen die schadelijk zijn voor het milieu over de eerstkomende vijf jaar geleidelijk af te schaffen;

Integratie van het milieubeleid, internationale samenwerking en stimulansen voor innovatie

25. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een verregaandere en consistentere integratie van het milieubeleid in alle beleidstakken van de EU te bevorderen; dringt er met het oog op de implementatie van het binnen de EU aangehangen principe dat gezondheid een integraal onderdeel moet uitmaken van alle beleidsterreinen op aan dat de milieu- en gezondheidsbeschermingsdimensie in alle beleidsonderdelen wordt geïntegreerd en dat ook regio´s en steden hierbij worden betrokken; betreurt zowel het uitblijven van integratie van deze aspecten in de respectieve milieuwetgevingen en bij de voorbereiding van nieuwe wetgeving als het gebrek aan integratie daarvan in wetgeving met andere primaire doelstellingen dan milieubescherming;

26. is van mening dat het, om ten aanzien van de integratie van milieuoverwegingen in andere economische sectoren concrete resultaten te behalen noodzakelijk is bindende doelstellingen en tijdschema's per sector vast te stellen; legt tegelijkertijd de nadruk op de verantwoordelijkheid van de economische actoren in de respectieve bedrijfssectoren om in termen van klimaat- en energiebeleid langetermijnresultaten te laten zien;

27. wijst met nadruk op het fundamentele verband tussen een efficiënt milieubeleid en een betere levenskwaliteit en onderstreept in dit verband het belang van de regionale dimensie bij de uitvoering van het Zesde Milieuactieprogramma, met name bij acties ter vermindering van en aanpassing aan de klimaatverandering; benadrukt het belang van voorlichtingscampagnes om het grote publiek beter bewust te maken van de doelstellingen van het Zesde Milieuactieprogramma en de uitvoering daarvan;

28. onderstreept dat in het kader van de regionale ontwikkelingsprogramma's rekening moet worden gehouden met het programma Natura 2000, ten einde ervoor te zorgen dat het beginsel van de bescherming van de Europese biodiversiteit in overeenstemming is met de ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit; is met het oog hierop van mening dat er een brede voorlichtingscampagne moet worden opgezet en dat goede praktijken moeten worden bevorderd om duidelijk te maken dat deze beide - ogenschijnlijk tegengestelde - benaderingen eenzelfde doel dienen;

29. benadrukt de noodzaak van beter gecoördineerde netwerken van regionale en lokale actoren met het oog op de verspreiding en toepassing van optimale praktijken in minder ontwikkelde regio's; is voorstander van de bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op milieugebied, zowel tussen lidstaten onderling als met landen en regio's die aan de Europese Unie grenzen zoals de Zwarte Zee- en de Oostzeeregio en het Middellandse Zeegebied, vooral ter voorkoming van grensoverschrijdende vervuiling;

30. maakt zich ongerust over de in diverse onafhankelijke studies(17)(18)(19)(20) geformuleerde bevindingen, namelijk dat de richtsnoeren van de Commissie inzake effectbeoordeling door haar eigen directoraten-generaal niet volledig worden opgevolgd, dat de vaststelling en kwantificering van economische effecten meer aandacht krijgt dan de ecologische, maatschappelijke en internationale effecten, dat de kosten van de wetgeving zwaarder wegen dan de voordelen die ze opbrengt, en dat kortetermijnoverwegingen de langetermijneffecten overschaduwen; is van mening dat dermate onevenwichtige effectbeoordelingen tegen het milieubeleid zelf en de integratie daarvan in andere EU-beleidsvormen ingaan; roept de Commissie ertoe op stappen te ondernemen om deze niet-aflatende tekortkomingen recht te zetten;

31. prijst de Commissie om haar krachtige inzet voor het versterken van de internationale dimensie van het milieubeleid; acht het noodzakelijk ervoor te zorgen dat het milieubeleid in alle externe beleidsmaatregelen van de EU wordt geïntegreerd en dat het internationale milieubeheer wordt verbeterd, spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan door te gaan met de bevordering van ambitieuze milieubeleidsinstrumenten en -eisen, bijvoorbeeld door de overdracht van technologie en de uitwisseling van optimale praktijken met ontwikkelingslanden te stimuleren;

32. beklemtoont dat de "klimaatdiplomatie" krachtiger en consistenter moet worden bevorderd in de handelsbetrekkingen van de EU met landen die niet gebonden zijn door multilaterale milieubeschermingsovereenkomsten zoals de Verenigde Staten, China en India, die om uiteenlopende redenen het Protocol van Kyoto niet toepassen;

33. pleit voor toevoeging van een duurzaamheidsclausule aan de GATT, waarin de beginselen van het milieubeleid - zoals het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt - worden gedefinieerd aan de hand waarvan handelsmaatregelen kunnen worden beoordeeld, ten einde te waarborgen dat de getroffen handelsregelingen niet ten koste gaan van de bescherming van het milieu en de milieuregelgeving niet wordt gebruikt voor protectionistische doeleinden;

34. roept de Raad en de Commissie ertoe op tijdens bilaterale en regionale handelsbesprekingen ook handelsverplichtingen aan de orde te stellen die directe milieuvoordelen opleveren, zoals het bevorderen van handel in duurzame goederen en diensten en het zich verbinden tot de daadwerkelijke uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten; is van oordeel dat de EU zowel in het kader van deze onderhandelingen als daarbuiten samen met de lidstaten de dialoog met opkomende economieën moet intensiveren om te zorgen dat de gesprekken die worden gevoerd op gebieden van wederzijds belang, zoals klimaatverandering, afvalbeheer en illegale houtkap, daadwerkelijk resulteren in gezamenlijk uit te voeren programma's; steunt het voorstel van de Commissie om bij elke handelsovereenkomst een forum voor duurzame ontwikkeling in te stellen waaraan ook maatschappelijke organisaties kunnen deelnemen en dat een sterke klimaatcomponent heeft, en dringt erop aan dat hiervan ook bij de thans gevoerde onderhandelingen werk wordt gemaakt;

35. verzoekt de Commissie de ontwikkelingslanden bij te staan bij de invoering van duurzame en efficiënte technologieën, onder meer via mechanismen zoals capaciteitsopbouw, overdracht van technologie en financiële en institutionele ondersteuning; onderstreept voorts dat het bij alle projecten voor het verstrekken van ontwikkelingshulp via handel met ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld in de vorm van economische partnerschapsovereenkomsten, van groot belang is zich te houden aan de beginselen van een degelijk milieubeleid;

36. roept de Commissie ertoe op bij de in het kader van paragraaf 31, punt (i) van de Verklaring van Doha gevoerde onderhandelingen te blijven streven naar een ambitieus resultaat, en er daarbij de nadruk op te leggen dat deze op zich verschillende, maar gelijkwaardige internationale rechtsinstanties moeten samenwerken en met elkaar moeten interageren ter wille van de wederzijdse ondersteuning op het gebied van handels- en milieubeleid;

37. verzoekt de Commissie in het kader van de Doha-ronde te blijven streven naar een nulprocenttarief voor milieugoederen en -diensten en te werken aan een consensus over de definitie daarvan, die onder meer moet voorzien in duurzame productiemethoden, maar pleit ervoor daarbij als uitgangspunt specifiek te verwijzen naar de klimaatverandering;

38. roept de Commissie en de lidstaten ertoe op in alle beleidssectoren van de EU toe te werken naar een meer pragmatische en horizontale benutting van innovatie en nieuwe technologieën, zodat deze elementen een centrale rol kunnen vervullen bij de bevordering van het natuurbehoud; benadrukt dat voor de EU onverwijld moet worden gestreefd naar de introductie van een "top runner"-strategie, een meer ambitieus opgezet instrument voor permanente verbetering van de productie- en consumptiepatronen, om ervoor te zorgen dat voortaan alle producten op de EU-markt volgens duurzame criteria worden ontworpen, geproduceerd en gebruikt;

39. wijst er eens te meer op dat investeringen in innovatieve, milieuvriendelijke technologieën en in ecodesign, energie-efficiëntie bij het eindgebruik en verbetering van de energieprestaties van gebouwen op de korte termijn weliswaar hoge kosten met zich mee kunnen brengen, maar op de lange termijn zeer veel vruchten zullen afwerpen, en beklemtoont dat de regio's ondernemingen ertoe moeten aansporen dergelijke investeringen optimaal te benutten;

40. spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan daadwerkelijk "groene" regels voor overheidsaankopen vast te stellen, teneinde innovatie en duurzame consumptie- en productiepatronen te bevorderen;

41. verzoekt de Commissie de nationale, regionale en lokale instanties te helpen om gezamenlijk duurzaam in te kopen door een duidelijk kader te verschaffen om gemakkelijker meetbare doelstellingen en kwaliteitscriteria te kunnen formuleren;

42. onderstreept dat energiegewassen niet ten koste mogen gaan van de voedselvoorziening in Europa en daarbuiten;

43. dringt er bij de Commissie op aan zich krachtiger in te spannen voor de verwezenlijking van de 20%-doelstelling voor hernieuwbare energiebronnen en van de 10%-doelstelling voor het gebruik van biobrandstoffen; benadrukt dat het duurzaamheidsmechanisme waaraan momenteel wordt gewerkt moet uitgaan van de meest stringente duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen die uit derde landen worden ingevoerd;

44. onderstreept dat de landbouw in de EU zich steeds meer richt op de productie van veilig voedsel van hoge kwaliteit dat de gezondheid van de EU-burgers ten goede komt;

45. spoort de lidstaten en hun regionale en lokale instanties ertoe aan de nieuwe investeringsfaciliteiten uit hoofde van de structuurfondsen en de programma's in het kader van het nieuwe Europees nabuurschapsbeleid optimaal te benutten en ervoor te zorgen dat de daaronder ressorterende en met steun van de structuurfondsen opgezette programma's en projecten ertoe bijdragen dat de communautaire milieuwetgeving beter ten uitvoer wordt gelegd en dat de verwezenlijking van een EU-brede duurzame ontwikkeling als langetermijndoelstelling gestalte krijgt op een manier die in overeenstemming is met de andere thematische prioriteiten;

46. acht het, gelet op de problemen bij het gebruik van bijproducten, van essentieel belang dat er betere informatie wordt verspreid over het substitutiebeginsel, waarbij de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en de kosten van vervangingsproducten in aanmerking moeten worden genomen; wijst erop dat er ook rekening moet worden gehouden met de productie- en verbruiksprocessen die het gebruik van producten mogelijk maken welke geen gevaar voor het menselijk leven betekenen omdat ze niet rechtstreeks met menselijke wezens in contact komen;

      Beginselen van betere regelgeving in het milieubeleid

47. wijst erop dat, voor zover betere regelgeving op dit gebied inderdaad een streefdoel is, er behoefte bestaat aan herziening van elkaar overlappende wetgevingsonderdelen, die veel administratieve rompslomp teweegbrengen en de concurrentieverhoudingen ondermijnen; is van mening dat er een nieuw beleid van vereenvoudiging in de wetgeving moet worden ontwikkeld dat de essentiële doelstellingen en uitgangsprincipes handhaaft, maar tevens opnieuw kijkt naar de manier waarop de bijlagen bij richtlijnen en verordeningen totnogtoe zijn opgesteld;

48. is van mening dat de filosofische benadering die bij het herzieningsproces wordt gevolgd van kritische reflectie gespeend is en de redenen en oorzaken van de optredende vertragingen niet analyseert; stelt zich op het standpunt dat een en ander in de toekomst alleen kan worden rechtgezet door de oorzaken van deze vertragingen te analyseren en daarover na te denken;

49. wijst erop dat het - voor zover daadwerkelijk de wens bestaat om de wetgevingsmethoden te verbeteren en hanteerbare regels op te stellen die gemakkelijk door de bevoegde overheden, bedrijven en burgers kunnen worden toegepast - absoluut noodzakelijk is de interactie tussen de communautaire instellingen en organen en de burgersamenleving te verruimen, zodat beter op de bij de burger bestaande vragen en wensen kan worden ingespeeld en rekening kan worden gehouden met de besluiten en standpunten van regio's, gemeenteraden, belanghebbende industrietakken en aanverwante verenigingen; onderstreept daarnaast tevens dat ook de reële kosten van en de noodzaak tot aanpassing van de bestaande installaties in aanmerking moeten worden genomen;

De weg effenen voor een gedragsaanpassing

50. wijst erop dat er behoefte is aan nieuwe manieren om welvaart te meten op basis van realistische waarden voor milieudiensten; is van mening dat het BBP op zich niet alle facetten en behoeften van een moderne samenleving kan weerspiegelen en daarom niet langer een adequaat instrument is om welzijn en ontwikkeling te meten; moedigt de EU ertoe aan voort te werken aan de ontwikkeling en het gebruik voor beleidsdoeleinden van een nieuwe indicator waarin de negatieve gevolgen van economische vooruitgang voor ons milieu en onze gezondheid zijn verwerkt en die ertoe bijdraagt economische groei los te leren zien van de druk op het milieu; is van mening dat deze nieuwe indicator bevorderlijk zou moeten zijn voor de ontwikkeling van een geïntegreerde samenleving en een impuls zou moeten geven voor betere integratie van de milieuzorg in andere beleidstakken;

51. dringt er bij de Commissie op aan de bescherming van de menselijke gezondheid als een van de prioriteiten voor milieubescherming primaire aandacht te geven;

52. is van mening dat de Europese Unie een voortrekkersrol moet vervullen bij de ontwikkeling van beleidsopties waarmee de weg wordt geëffend voor radicale gedragswijzigingen in het consumptie- en productiepatroon;

53. onderstreept dat het van belang is de consument te helpen zich in zijn gedragspatroon bewuster op te stellen, hetgeen - ook buiten het nationale rechtskader - een positief effect zou kunnen hebben op de mate waarin en de intensiteit waarmee marktspelers zich voor het milieu inzetten;

54. is van mening dat het verschaffen van behoorlijke informatie aan de burgers als een prioriteit moet worden beschouwd; spreekt zijn krachtige steun uit voor de ontwikkeling van een duidelijk en consistent etiketteringssysteem, aangezien dit er ten zeerste toe zou bijdragen de consument te helpen de "juiste keuze" te maken;

55. dringt erop aan dat de Commissie of een namens haar optredend instituut waaraan deze taak wordt toevertrouwd, een algehele evaluatie opmaakt van de resultaten van het Zesde Milieuactieprogramma, alvorens het voorstel voor het Zevende Milieuactieprogramma wordt afgerond;

56. stelt zich op het standpunt dat de eindevaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma moet worden uitgevoerd door een externe instantie die onafhankelijk van de Commissie opereert; dringt erop aan dat de Commissie of een externe instantie die namens haar optreedt een uitvoerige evaluatie opmaakt van de resultaten van elk hoofdstuk van het Zesde Milieuactieprogramma, alvorens de laatste hand wordt gelegd aan het voorstel voor het Zevende Milieuactieprogramma;

o

o o

57. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(2)

PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 131.

(3)

PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 86.

(4)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0154.

(5)

PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 182.

(6)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0504.

(7)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0509.

(8)

PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 176.

(9)

PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 103.

(10)

PB C 287 E van 29.11.2007, blz. 168.

(11)

PB C 287 E van 29.11.2007, blz. 136.

(12)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0444.

(13)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0467.

(14)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0445.

(15)

PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1. Gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1354/2007 van de Raad (PB L 304 van 22.11.2007, blz. 1).

(16)

PB L 104 van 8.4.2004, blz. 1.

(17)

European Environment and Sustainable Development Advisory Councils: "Impact Assessment of European Commission Policies: Achievements and Prospects", april 2006.

(18)

Institut for Miljøvurdering: "Getting Proportions Right - How far should EU impact assessments go ?", april 2006.

(19)

Institute for European Environmental Policy: "For Better of for Worse ? The EU's 'Better Regulation' Agenda and the Environment", november 2005.

(20)

Institute for European Environmental Policy: "Sustainable Development in the European Commission's integrated impact assessments for 2003", april 2004.


TOELICHTING

Tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van het Europees Parlement heeft geëvalueerd hoe goed de Europese Unie tot nu toe de engagementen van het in 2002 goedgekeurde en tot 2012 lopende Zesde Milieuactieprogramma is nagekomen. Uit deze evaluatie blijkt dat de uitvoering van het milieuactieprogramma voor de meeste primaire doelstellingen veel of bijzonder veel achterstand heeft opgelopen. Gelet op de tot nu toe uitgevoerde acties ziet het ernaar uit dat de primaire milieudoelstellingen van het Zesde Milieuactieprogramma tegen 2012 niet worden gehaald. Op grond van deze evaluatie kan de door de Commissies in haar eigen evaluatie geformuleerde stelling dat de EU in het algemeen op schema zit voor wat betreft de uitvoering van de maatregelen waarin het actieprogramma voorziet dus niet hard worden gemaakt.

Vóór de goedkeuring van het Zesde Milieuactieprogramma werd er uitvoerig gediscussieerd over de formulering van de EU-brede doelstellingen voor elk prioritair beleidsterrein. De rapporteur van het Parlement wilde duidelijker kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen en tijdschema's in het programma opgenomen zien. De Commissie was echter niet te vinden voor de vaststelling van duidelijke doelstellingen en tijdschema's. Volgens haar zou met deze eisen rekening worden gehouden in de op basis van het programma op te stellen thematische strategieën. Helaas zijn de thematische strategieën echter een teleurstelling gebleken; er staan bijzonder weinig specifieke doelstellingen in en áls die er al in staan, worden de met het Zesde Milieuactieprogramma beoogde doelstellingen er niet mee gehaald. Als voorbeeld zij verwezen naar de nog steeds onvoltooide luchtkwaliteitsrichtlijn.

Uit de evaluatie waartoe het Parlement opdracht heeft gegeven, kan nagenoeg ondubbelzinnig de conclusie worden getrokken dat het besluit van de Commissie om via de thematische strategieën specifieke voorstellen in te dienen over het algemeen niet het verhoopte resultaat heeft opgeleverd. Hoewel van de thematische strategieën kan worden gezegd dat zij de betrokkenheid van de belanghebbenden hebben vergroot en dat zij de strategische dimensie van het milieubeleid ten goede zijn gekomen, hebben zij tegelijkertijd het wetgevingsproces op milieugebied vertraagd doordat de opstelling en goedkeuring van specifieke wetgevingsvoorstellen erdoor op de lange baan is geschoven. De meeste vooruitgang heeft plaatsgevonden op die deelgebieden van het milieuactieprogramma waarvoor geen aparte thematische strategieën zijn opgesteld. Zo kan met betrekking tot de internationale toezeggingen op klimaatgebied worden gesteld dat de EU tot nu toe in haar opzet is geslaagd.

Het Zesde Milieuactieprogramma spoort aan tot aanpassing van subsidiëringsregelingen met vergaande negatieve milieugevolgen en tot bevordering van duurzame productiemethoden en consumptiemodellen met behulp van fiscale middelen. Helaas is op dit gebied maar weinig vooruitgang geboekt, terwijl een effectievere inzet van marktconforme instrumenten ten zeerste zou helpen om de doelstellingen van het Zesde Milieuactieprogramma te bereiken. Evenzeer moet worden doorgegaan met het dichten van de gaten in de milieuwetgeving met nieuwe wetgevingsvoorstellen en moeten adequate middelen worden ingezet om ervoor te zorgen dat de communautaire milieuwetgeving in elke lidstaat correct wordt toegepast.

Tot slot zij herinnerd aan het feit dat het Zesde Milieuactieprogramma, in tegenstelling tot zijn voorganger, werd goedgekeurd volgens de medebeslissingsprocedure van artikel 251. Daarom is het belangrijker dan voorheen dat de EU al het mogelijke doet om de in het Zesde Milieuactieprogramma bepaalde doelstellingen te halen. Een mislukking op dit gebied zou de geloofwaardigheid van de EU schaden, onder andere in de ogen van burgers die zich zorgen maken over de verslechtering van de milieusituatie.


ADVIES van de Commissie internationale handel (19.12.2007)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake de tussentijdse herziening van het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap

(2007/2204(INI))

Rapporteur voor advies: Sajjad Karim

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van oordeel dat door het ontbreken van wereldwijde naleving van en inzicht in milieutargets en -doelstellingen, de inspanningen van de EU kunnen leiden tot een mondiaal concurrentienadeel voor in de EU gevestigde producenten, alsook tot een zeer bedenkelijke voorkeur voor niet-milieuvriendelijke, slecht gecontroleerde productiebronnen overal ter wereld;

2.   pleit voor toevoeging van een duurzaamheidsclausule aan de GATT, waarin de beginselen van het milieubeleid - zoals het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt - worden gedefinieerd aan de hand waarvan handelsregelingen kunnen worden beoordeeld, ten einde te waarborgen dat de getroffen handelsregelingen niet ten koste gaan van de bescherming van het milieu en de milieuregelgeving niet wordt gebruikt voor protectionistische doeleinden;

3.   roept de Commissie ertoe op bij de in het kader van paragraaf 31, punt (i) van de Verklaring van Doha gevoerde onderhandelingen te blijven streven naar een ambitieus resultaat, en er daarbij de nadruk op te leggen dat deze op zich verschillende, maar gelijkwaardige internationale rechtsinstanties moeten samenwerken en met elkaar moeten interageren ter wille van de wederzijdse ondersteuning op het gebied van handels- en milieubeleid;

4.   verzoekt de Commissie in het kader van de Doha-ronde te blijven streven naar een nulprocenttarief voor milieugoederen en -diensten en te werken aan een consensus over de definitie daarvan, die onder meer moet voorzien in duurzame productiemethoden, maar pleit ervoor daarbij als uitgangspunt specifiek te verwijzen naar de klimaatverandering;

5.   merkt op dat recente uitspraken van het Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB) van de WTO duiden op een voorkeur voor het multilateraal instellen van milieunormen; verzoekt de Commissie om politieke steun te zoeken voor de jurisprudentie van het DSB, zodat beleidsmakers beter in staat zijn om legitieme handelsmaatregelen te treffen om milieudoelstellingen te bereiken; is van oordeel dat het nu dringender is dan ooit om een openbare dialoog op gang te brengen over de oprichting van een internationale milieuorganisatie die bevoegd is voor alle kwesties betreffende mondiale milieubelangen;

6.   benadrukt dat, hoewel het handhavingsmechanisme van het Protocol van Kyoto - dat bepaalt dat wanneer een land zijn toegestane emissies in de eerste verbintenisperiode overschrijdt, het dit verschil in de tweede verbintenisperiode moet goedmaken - in theorie deugdelijk is, dit wel nog moet worden getest; verzoekt de Commissie en de lidstaten om het handhavingsmechanisme van het Protocol van Kyoto streng toe te passen en een bijdrage te leveren aan een ambitieus en veelomvattend kader voor de periode na 2012, waarbij billijke, gedifferentieerde en eerlijke doelen moeten worden nagestreefd; benadrukt dat tijdens de tweede verbintenisperiode absoluut die landen moeten toetreden welke niet hebben meegedaan tijdens de eerste periode, en dat de mogelijkheid moet worden onderzocht om aan het protocol deel te nemen overeenkomstig hun nationale situatie; is van mening dat in de tweede verbintenisperiode emissies zouden moeten worden toegewezen op sectorale basis, via internationaal overeengekomen benchmarks, die uiteindelijk gecombineerd worden met andere nationale toewijzingsdoelstellingen, waarin de beginselen van toewijzing per hoofd van de bevolking moeten terug te vinden zijn;

7.   erkent dat de ontwikkelingslanden de doelstellingen inzake emissiereductie niet kunnen halen zonder aanzienlijke bijstand in de sfeer van capaciteitsopbouw en technologische ontwikkeling; wijst erop dat het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) mogelijkheden biedt om emissiereducerende investeringen in de ontwikkelingslanden toe te passen, maar is van oordeel dat de ontwikkelde landen daarnaast ook bereid moeten zijn meer middelen beschikbaar te stellen via het Wereldmilieufonds om te helpen bij capaciteitsopbouw en technologische ontwikkeling;

8.   dringt er bij de Commissie op aan zich krachtiger in te spannen voor de verwezenlijking van de 20%-doelstelling voor hernieuwbare energiebronnen en van de 10%-doelstelling voor het gebruik van biobrandstoffen; benadrukt dat het duurzaamheidsmechanisme waaraan momenteel wordt gewerkt moet uitgaan van de meest stringente duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen die uit derde landen worden ingevoerd;

9.   roept de Raad en de Commissie ertoe op tijdens bilaterale en regionale handelsbesprekingen ook handelsverplichtingen aan de orde te stellen die directe milieuvoordelen opleveren, zoals het bevorderen van handel in duurzame goederen en diensten en het zich verbinden tot de daadwerkelijke uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten; is van oordeel dat de EU zowel in het kader van deze onderhandelingen als daarbuiten samen met de lidstaten de dialoog met opkomende economieën moet intensiveren om te zorgen dat de gesprekken die worden gevoerd op gebieden van wederzijds belang, zoals klimaatverandering, afvalbeheer en illegale houtkap, daadwerkelijk resulteren in gezamenlijk uit te voeren programma's; steunt het voorstel van de Commissie om bij elke handelsovereenkomst een forum voor duurzame ontwikkeling in te stellen waaraan ook maatschappelijke organisaties kunnen deelnemen en dat een sterke klimaatcomponent heeft, en dringt erop aan dat hiervan ook bij de thans gevoerde onderhandelingen werk wordt gemaakt;

10. beklemtoont dat de "klimaatdiplomatie" krachtiger en consistenter moet worden bevorderd in de handelsbetrekkingen van de EU met landen die niet gebonden zijn door multilaterale milieubeschermingsovereenkomsten zoals de Verenigde Staten, China en India, die om uiteenlopende redenen het Protocol van Kyoto niet toepassen;

11. verzoekt de Commissie er zich in het kader van de WTO-overeenkomsten voor in te zetten dat er rekening wordt gehouden met de methode van ‘duurzaamheidseffectbeoordelingen’ en daarbij over de lange termijn te bekijken in hoeverre bij bilaterale en multilaterale overeenkomsten op de juiste manier rekening wordt gehouden met de classificatie van milieugoederen op het gebied van hernieuwbare energiebronnen;

12. verzoekt de lidstaten bij hun beleid ten aanzien van overheidsopdrachten ook criteria zoals rechtmatigheid en duurzaamheid te laten meewegen;

13. is van oordeel dat het beperken van ontbossing een uitermate efficiënte en voordelige manier is om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en het potentieel heeft om vrij snel tot aanzienlijke reducties te komen; verzoekt de Commissie de ondertekening van de EU-partnerschapsovereenkomsten voor de bosbouw inzake wetshandhaving, een goed bestuur en handel in versneld tempo door te zetten en deze regeling ook in andere verbruikslanden ingang te doen vinden; is van oordeel dat dit stelsel op de lange termijn moet evolueren naar een wereldwijd systeem om de handel in duurzaam hout te bevorderen; is voorts van oordeel dat de Commissie bedrijven ertoe moet aanmoedigen om actie te ondernemen om hun eigen toeleveringsketens voor hout en houtproducten te controleren, met inbegrip van de invoering van de eis dat bedrijven in hun jaarverslagen informatie moeten opnemen over de wetmatigheid en de duurzaamheid van de gebruikte producten;

14. verzoekt de Commissie de ontwikkelingslanden bij te staan bij de invoering van duurzame en efficiënte technologieën, onder meer via mechanismen zoals capaciteitsopbouw, overdracht van technologie en financiële en institutionele ondersteuning; onderstreept voorts dat het bij alle projecten voor het verstrekken van ontwikkelingshulp via handel met ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld in de vorm van economische partnerschapsovereenkomsten, van groot belang is zich te houden aan de beginselen van een degelijk milieubeleid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.12.2007

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

27

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Francisco Assis, Graham Booth, Daniel Caspary, Christofer Fjellner, Ignasi Guardans Cambó, Jacky Hénin, Syed Kamall, Sajjad Karim, Alain Lipietz, Caroline Lucas, Marusya Ivanova Lyubcheva, Erika Mann, Helmuth Markov, David Martin, Vural Öger, Georgios Papastamkos, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Gianluca Susta, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Iuliu Winkler, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Stavros Arnaoutakis, Jean-Pierre Audy, Jan Marinus Wiersma, Zbigniew Zaleski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Guy Bono, Ulrich Stockmann


ADVIES van de Commissie REGIONALE ONTWIKKELING (23.1.2008)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap

(2007/2204(INI))

Rapporteur voor advies: Rumiana Jeleva

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Commissie, gezien het feit dat de Europese Raad op 15 en 16 juni 2006 een herziene EU-strategie voor duurzame ontwikkeling heeft vastgesteld, duurzame ontwikkeling aan de lijst van essentiële milieuprioriteiten toe te voegen en de doelstellingen van het Zesde Milieuactieprogramma dienovereenkomstig aan te passen, teneinde de kwaliteit van het bestaan van alle burgers te verbeteren;

2.  benadrukt dat er een direct verband bestaat tussen de kwaliteit van het menselijk leefmilieu en de volksgezondheid; verzoekt de Commissie derhalve om, met het oog op de implementatie van het principe dat gezondheid een integraal onderdeel moet uitmaken van alle beleidsterreinen, onderzoek te initiëren naar het causale verband tussen veranderingen in de kwaliteit van het milieu en de gezondheidstoestand van de mens;

3.  onderstreept de noodzaak van een effectieve en correcte tenuitvoerlegging van communautaire milieuwetgeving en pleit ervoor om ten behoeve van regio's die problemen ondervinden bij de concretisering van dit aspect van het communautair acquis speciale ondersteuningsmaatregelen te treffen; dringt er bij de autoriteiten van de lidstaten op aan omzettingsstrategieën uit te werken en daarin duidelijk aan te geven wat de functies en taken van de nationale, regionale en lokale autoriteiten bij een correcte omzetting en uitvoering van de communautaire milieuwetgeving zijn;

4.  roept op tot meer samenwerking op Gemeenschapsniveau op het gebied van rampenpreventie, zoals uiteengezet in het Zesde Milieuactieprogramma; verzoekt om de oprichting van een Europese interventie-eenheid voor noodsituaties, zoals reeds werd voorgesteld in het rapport van commissaris Barnier, en betreurt de inertie en het uitblijven van follow-up in dezen; benadrukt in dit verband dat moet worden voortgegaan met de ontwikkeling van een snellereactiecapaciteit die gebaseerd is op de civiele beschermingseenheden van de lidstaten, overeenkomstig het door de Europese Raad van juni 2006 verleende mandaat; dringt er bij de Commissie op aan rampenpreventie tot een van de doelstellingen bij de aanpak van de klimaatverandering te maken;

5.  onderstreept dat het van belang is de consument te helpen zich in zijn gedragspatroon bewuster op te stellen, hetgeen - ook buiten het nationale rechtskader - een positief effect zou kunnen hebben op de mate waarin en de intensiteit waarmee marktspelers zich voor het milieu inzetten;

6.  wijst met nadruk op het fundamentele verband tussen een efficiënt milieubeleid en een betere levenskwaliteit en onderstreept in dit verband het belang van de regionale dimensie bij de uitvoering van het Zesde Milieuactieprogramma, met name bij acties ter vermindering van en aanpassing aan klimaatverandering; benadrukt het belang van voorlichtingscampagnes om het grote publiek bewust te maken van de doelstellingen van het Zesde Milieuactieprogramma en de uitvoering daarvan;

7.  onderstreept dat in het kader van de regionale ontwikkelingsprogramma's rekening moet worden gehouden met het programma Natura 2000 ten einde ervoor te zorgen dat het beginsel van de bescherming van de Europese biodiversiteit in overeenstemming is met de ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit; is met het oog hierop van mening dat er een brede voorlichtingscampagne moet worden opgezet en dat goede praktijken moeten worden bevorderd om duidelijk te maken dat deze beide - ogenschijnlijk tegengestelde - benaderingen eenzelfde doel dienen;

8.  benadrukt de noodzaak van beter gecoördineerde netwerken van regionale en lokale actoren met het oog op de verspreiding en toepassing van optimale praktijken in minder ontwikkelde regio's; is voorstander van de bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op milieugebied, zowel tussen lidstaten onderling als met landen en regio's die aan de Europese Unie grenzen zoals de Zwarte Zee- en de Oostzeeregio en het Middellandse Zeegebied, vooral ter voorkoming van grensoverschrijdende vervuiling;

9.  wijst er eens te meer op dat investeringen in innovatieve, milieuvriendelijke technologieën en in ecodesign, energie-efficiëntie bij het eindgebruik en verbetering van de energieprestaties van gebouwen op de korte termijn weliswaar hoge kosten met zich mee kunnen brengen, maar op de lange termijn zeer veel vruchten zullen afwerpen, en beklemtoont dat de regio's ondernemingen ertoe moeten aansporen dergelijke investeringen optimaal te benutten;

10. spoort de lidstaten en hun regionale en lokale instanties ertoe aan de nieuwe investeringsfaciliteiten uit hoofde van de structuurfondsen en de programma's in het kader van het nieuwe Europees nabuurschapsbeleid optimaal te benutten en ervoor te zorgen dat de daaronder ressorterende en met steun van de structuurfondsen opgezette programma's en projecten ertoe bijdragen dat de communautaire milieuwetgeving beter ten uitvoer wordt gelegd en dat de verwezenlijking van een EU-brede duurzame ontwikkeling als langetermijndoelstelling gestalte krijgt op een manier die in overeenstemming is met de andere thematische prioriteiten;

11. verzoekt de lidstaten er met name op toe te zien dat de projecten die gefinancierd worden uit de structuurfondsen in overeenstemming zijn met de doelstelling om het milieu te beschermen en te verbeteren, zoals vastgelegd in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(1);

12. verzoekt de Commissie de nationale, regionale en lokale instanties te helpen om gezamenlijk duurzaam in te kopen door een duidelijk kader te verschaffen om gemakkelijker meetbare doelstellingen en kwaliteitscriteria te kunnen formuleren;

13. verzoekt de Commissie in het kader van het Zesde Milieuactieprogramma een subsidieregeling uit te werken of de reikwijdte van bestaande economische ondersteuningsmaatregelen uit te breiden voor productiemethoden die het mogelijk maken energie uit hernieuwbare energiebronnen te integreren in het voor fossiele brandstoffen opgezette distributienetwerk; is van oordeel dat de Europese Unie zich moet inzetten voor het gebruik van landbouwafval voor de productie van biobrandstoffen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2008

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

51

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alfonso Andria, Emmanouil Angelakas, Elspeth Attwooll, Jean Marie Beaupuy, Rolf Berend, Jana Bobošíková, Victor Boştinaru, Antonio De Blasio, Bairbre De Brún, Petru Filip, Gerardo Galeote, Iratxe García Pérez, Eugenijus Gentvilas, Ambroise Guellec, Pedro Guerreiro, Zita Gurmai, Marian Harkin, Jim Higgins, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Mieczysław Edmund Janowski, Gisela Kallenbach, Tunne Kelam, Evgeni Kirilov, Constanze Angela Krehl, Jamila Madeira, Mario Mantovani, Sérgio Marques, Miroslav Mikolášik, James Nicholson, Lambert van Nistelrooij, Jan Olbrycht, Maria Petre, Markus Pieper, Pierre Pribetich, Wojciech Roszkowski, Grażyna Staniszewska, Catherine Stihler, Margie Sudre, Oldřich Vlasák, Vladimír Železný

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Peter Baco, Jan Březina, Brigitte Douay, Den Dover, Jill Evans, Emanuel Jardim Fernandes, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Dariusz Maciej Grabowski, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Christa Prets, Miloslav Ransdorf, Czesław Adam Siekierski, László Surján

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Vladimir Urutchev

(1)

PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (22.1.2008)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake de tussentijdse herziening van het zesde communautaire actieprogramma voor het milieu

(2007/2204(INI))

Rapporteur voor advies: Vincenzo Lavarra

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat ecoconditionaliteit, zoals toegepast in het kader van het randvoorwaardenstelsel, een geslaagd model is voor integratie van landbouw- en milieubeleid en als voorbeeld zou moeten dienen voor andere beleidsvormen;

2.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij de check-up van het GLB de toepassing van het ecoconditionaliteitsbeginsel te vereenvoudigen en criteria voor premies aan te leggen die landbouwers moeten stimuleren hun productie en hun landbouwbedrijf te innoveren volgens gezonde milieucriteria;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten alle maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er op een verstandige en zuinige manier gebruik wordt gemaakt van natuurlijke hulpbronnen en dat de biodiversiteit niet in gevaar wordt gebracht;

4.  constateert dat er een nieuw waterbeleid nodig is, gericht op besparing en het duurzaam beheer van waterreserves;

5.  onderstreept dat energiegewassen niet ten koste mogen gaan van de voedselvoorziening in Europa en daarbuiten;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer te investeren in biobrandstoffen van de tweede generatie, algenproductie en het gebruik voor energiedoeleinden van afvalproducten van bestaande productiesectoren zoals wijnbouw;

7.  onderstreept dat landbouw een grote bijdrage kan leveren aan de bestrijding van klimaatverandering, maar dat de landbouw hiervan tegelijkertijd de gevolgen draagt; is van mening dat er derhalve behoefte is aan aanpassingsmaatregelen om de kwetsbaarheid van de landbouw te verminderen en tegelijkertijd de milieuduurzaamheid van de sector te vergroten;

8.  dringt er daarnaast tevens op aan dat de milieubeleidsmaatregelen van de EU zo worden opgezet en heringericht dat zij zich sterker richten op de na te streven doelstellingen dan op de te gebruiken methoden, zodat lidstaten en landbouwers zelf kunnen bepalen wat de meest effectieve en doeltreffende middelen zijn om de gewenste doelstellingen te bereiken;

9.  wijst erop dat multifunctionele landbouw bijdraagt aan de instandhouding van het rurale landschap doordat leegloop van het platteland wordt voorkomen en daarmee ook het risico van branden en andere natuurrampen;

10. wijst erop dat de Europese landbouw zich steeds meer oriënteert op de productie van veilig voedsel van goede kwaliteit, dat de gezondheid van de Europese bevolking ten goede komt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2008

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

29

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Peter Baco, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, Gintaras Didžiokas, Constantin Dumitriu, Giovanna Corda, Carmen Fraga Estévez, Ioannis Gklavakis, Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, Esther Herranz García, Lily Jacobs, Elisabeth Jeggle, Heinz Kindermann, Vincenzo Lavarra, Diamanto Manolakou, Véronique Mathieu, Mairead McGuinness, Rosa Miguélez Ramos, Neil Parish, María Isabel Salinas García, Agnes Schierhuber, Willem Schuth, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Catherine Neris, Maria Petre, Markus Pieper, Struan Stevenson, Kyösti Virrankoski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 


RESULTAAT VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.2.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Irena Belohorská, Johannes Blokland, John Bowis, Dorette Corbey, Magor Imre Csibi, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jill Evans, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Marie Anne Isler Béguin, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Urszula Krupa, Aldis Kušķis, Peter Liese, Jules Maaten, Linda McAvan, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Vittorio Prodi, Guido Sacconi, Karin Scheele, Carl Schlyter, Richard Seeber, María Sornosa Martínez, Antonios Trakatellis, Evangelia Tzampazi, Thomas Ulmer, Marcello Vernola, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman, Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Kathalijne Maria Buitenweg, Philip Bushill-Matthews, Hélène Goudin, Genowefa Grabowska, Jutta Haug, Johannes Lebech, Lambert van Nistelrooij

Juridische mededeling - Privacybeleid