VERSLAG over de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement en de Commissie over de wijze van toepassing van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999, als gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van 22 juli 2006, tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden
3.4.2008 - (C6-0009/2008 – 2008/2002(ACI))
Commissie constitutionele zaken
Rapporteur: Monica Frassoni
ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement en de Commissie over de wijze van toepassing van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999, als gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van 22 juli 2006, tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden
(C6--0009/2008 – 2008/2002(ACI))
Het Europees Parlement,
– gezien het schrijven van de Voorzitter van 27 maart 2008 ter toezending van het interinstitutioneel akkoord zoals goedgekeurd door de Conferentie van voorzitters op 12 december 2007,
– gelet op artikel 202 van het EG-Verdrag,
– onder verwijzing naar Besluit 2006/512/EG van 17 juli 2006 tot wijziging van Besluit 1999/468/EG van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[1]
– gezien het ontwerpakkoord tussen het Europees Parlement en de Commissie over de wijze van toepassing van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999, als gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van 22 juli 2006, tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (hierna 'het nieuwe akkoord')
– gelet op artikelen 81 en 120, lid 1 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A6‑0107/2008),
A. overwegende dat een aantal bepalingen van het nieuwe akkoord tussen het Europees Parlement en de Commissie over de modaliteiten voor toepassing van Besluit 1999/468/EG van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[2] ('het Akkoord van 2000') helaas zijn genegeerd door de Commissie, bijvoorbeeld de bepaling dat het Parlement tegelijk met de leden van de comités en onder dezelfde voorwaarden de verschillende comitologiedocumenten ontvangt, in zoverre dat deze documenten bijna steevast te laat aan het Parlement worden toegezonden en in elk geval niet op hetzelfde moment als aan de leden van de comités,
B. overwegende dat de modaliteiten voor de uitvoering van Besluit 1999/468/EG van de Raad hoogst onbevredigend waren en met uitzondering van de procedures voor de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing dat nog steeds zijn, onder meer vanwege de manier waarop de comitologiedatabank heeft gefunctioneerd overwegende dat documenten steeds onsystematisch en zonder duidelijke aanduiding van hun status worden verstuurd, en soms onder misleidende koppen, bijvoorbeeld nog niet goedgekeurde ontwerpuitvoeringsmaatregelen die worden gestuurd onder de kop "toetsingsrecht" als zij verzonden hadden moeten worden onder de kop 'informatierecht", waardoor het onduidelijk welke termijnen van toepassing zijn,
C. overwegende dat dit probleem in de praktijk de reeds zeer beperkte controlebevoegdheid van het Parlement over comitologiezaken nog verder reduceert,
D. overwegende dat de Commissie nu heeft toegezegd een elektronisch register op te zetten met alle documenten die worden toegezonden aan het Parlement, waartoe het Parlement rechtstreekse toegang zal hebben, dat een duidelijke opgave van de documenten waarop dezelfde procedure van toepassing is mogelijk maakt, alsook een opgave van de fase waarin de procedure zich bevindt en het tijdschema, een duidelijk onderscheid tussen de ontwerpmaatregelen die het Parlement ontvangt en het definitieve ontwerp na het advies van het comité, en een duidelijke vaststelling van alle wijzigingen ten opzichte van de reeds aan het Europees Parlement toegezonden documenten,
E. overwegende dat het nieuwe akkoord van groot praktisch belang is, niet alleen voor de regelgevingsprocedure met toetsing, maar voor alle comitologieprocedures; overwegende dat het nieuwe akkoord een precedent kan scheppen voor toekomstige interinstitutionele akkoorden met soortgelijke doelstellingen,
F. overwegende dat het nieuwe akkoord weliswaar maar voor een korte overgangsperiode geldt, maar dat de ervaring die wordt opgedaan in deze overgangsperiode zeer leerzaam kan zijn, en dat ervoor gezorgd moet worden dat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon alle comitologieprocedures tussen de drie instellingen bevredigend werken,
1. benadrukt dat, indien van toepassing, een verwijzing naar de regelgevingsprocedure met toetsing verplicht is voor alle drie instellingen en dat hierover niet gemarchandeerd of onderhandeld kan worden; verzoekt de Raad, de Commissie en alle parlementaire commissies hier naar behoren rekening mee te houden in alle desbetreffende wetgevingsprocedures;
2. wijst erop dat de regelgevingsprocedure met toetsing toegepast moet worden op alle maatregelen van algemene strekking die bedoeld zijn tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van een basisbesluit dat is goedgekeurd overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag, waarbij de wijziging onder anderen schrapping van enkele van die onderdelen behelst of aanvulling van het besluit door de toevoeging van nieuwe niet-essentiële onderdelen;
3. verzoekt de Raad en de Commissie in twijfelgevallen waarin het onduidelijk is of de nieuwe regelgevingprocedure met toetsing of een andere comitologieprocedure moet worden toegepast, de regelgevingsprocedure met toetsing toe te passen,
4. benadrukt dat het enige doel van de regelgevingsprocedure met toetsing is het controlerecht van het Parlement te versterken, en dat dit op geen enkele manier verandering brengt in de reikwijdte van de uitvoeringsbevoegdheden die aan de Commissie kunnen worden verleend;
5. is van mening dat het nieuwe akkoord een stap in de goede richting is voor zover het gaat om de rechten en bevoegdheden van het Parlement met betrekking tot gedelegeerde wetgeving;
6. juicht het toe dat het nieuwe akkoord een nauwkeuriger omschrijving geeft van de verplichting van de Commissie om het Parlement krachtens artikel 7, lid 3 van Besluit 19999/468/EG te informeren, met de bepaling dat het op de hoogte moet worden gehouden van de werkzaamheden van de comités, en wel op een wijze die de transparantie en de efficiëntie van het systeem van toezending waarborgt, alsook een opgave van de toegezonden gegevens en van de onderscheiden fasen van de procedure mogelijk maakt;
7. verwacht dat de Commissie alle bepalingen van het nieuwe akkoord volledig nakomt, hetgeen helaas niet het geval is met het akkoord van 2000;
8. dringt aan op consequente versterking van goede beknopte verslagen met presentielijsten waarop ten minste de namen van de aanwezige personen bij betreffende vergadering, de instanties waartoe zij behoren en hun e-mailadressen zijn vermeld;
9. wijst erop dat het effectieve functioneren van het nieuwe register van doorslaggevende betekenis is voor de volledige en bevredigende uitvoering van het nieuwe akkoord, en dat het derhalve halsreikend uitziet naar de ingebruikname van het register; pleit ervoor dat het Parlement en de Commissie na de overgangsperiode van het nieuwe register de balans opmaken en eventueel optredende praktische problemen en tekortkomingen corrigeren; pleit ervoor dat het Parlement in de beginperiode door de betrokken partijen op de hoogte wordt gehouden van het functioneren van het register;
10. juicht uitdrukkelijk de nieuwe bepalingen toe volgens welke in het register duidelijk de status van alle ontvangen comitologiedocumenten moet worden aangegeven, alsmede elke eventueel verband met andere reeds toegezonden documenten en alle wijzigingen die zijn aangebracht;
11. verzoekt de Commissie in dit verband haar interne procedures te wijzigen om ervoor te zorgen dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds ontwerpmaatregelen die het Parlement tegelijkertijd met het betreffende comité moeten worden toegezonden krachtens zijn recht op informatie, en anderzijds ontwerpmaatregelen die het Parlement moeten worden toegezonden zodat het in staat is zijn toetsingsrecht uit te oefenen;
12. juicht de invoering toe van een 'systeem voor vroegtijdige waarschuwing', volgens welk het Parlement op de hoogte gesteld wordt zodra duidelijk wordt dat urgente ontwerpuitvoeringsmaatregelen aan een comité worden voorgelegd, maar dringt erop aan dat dit systeem niet mag worden gebruikt om niet-urgente zaken om te buigen in urgente, daar verkorte termijnen alleen mogen worden toegepast in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen;
13. wijst erop dat het Parlement om zijn toetsingsrecht op basis van adequate informatie te kunnen uitvoeren, regelmatig alle achtergrondinformatie moet ontvangen waarin wordt toegelicht waarom de Commissie bepaalde maatregelen voorstelt; is ingenomen met de bereidheid van de Commissie om het Parlement te helpen om te zorgen voor volledige samenwerking als het gaat om specifieke uitvoeringsmaatregelen, en verzoekt derhalve de Commissie het Parlement op verzoek achtergronddocumentatie met betrekking tot de ontwerpuitvoeringsmaatregel te verstrekken;
14. deelt niet het standpunt van de Commissie dat voorgelegde ontwerpmaatregelen niet openbaar mogen worden gemaakt vóór goedkeuring in het comité, en staat op zijn recht ieder gewenste persoon of organisatie te raadplegen over elke willekeurige ontwerpmaatregel; verzoekt de Commissie haar standpunt te herzien en alle ontwerpuitvoeringsmaatregelen openbaar te maken zodra deze formeel zijn voorgesteld;
15. hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het nieuwe akkoord en rekent op de volledige uitvoering ervan zodra het is goedgekeurd;
16. besluit het nieuwe akkoord als bijlage te voegen bij zijn Reglement, ter vervanging van Bijlage XII;
17. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.
BIJLAGE
EUROPEES PARLEMENT
COMMISSIE
AKKOORD TUSSEN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE COMMISSIE
betreffende de wijze van toepassing van Besluit 1999/468/EG van de Raad vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van 22 juli 2006
Verstrekking van gegevens aan het Europees Parlement
1. Krachtens artikel 7, lid 3, van Besluit 1999/468/EG[1], houdt de Commissie het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de werkzaamheden van de comités[2], en wel op een wijze die de transparantie van het systeem van toezending waarborgt, alsook een opgave van de toegezonden gegevens en van de onderscheiden fasen van de procedure mogelijk maakt. Te dien einde ontvangt het Parlement, tegelijk met de leden van de comités en onder dezelfde voorwaarden, de ontwerpagenda's van de vergaderingen en de ontwerpen van uitvoeringsmaatregelen die deze comités worden voorgelegd krachtens de volgens de procedure van artikel 251 van het EG-Verdrag vastgestelde basisbesluiten, alsmede de uitslagen van de stemmingen, beknopte verslagen van de vergaderingen en de lijsten van de instanties en organisaties waartoe de personen behoren die door de lidstaten zijn aangewezen om hen te vertegenwoordigen.
Register
2. De Commissie stelt een register in van alle documenten die het Europees Parlement worden toegezonden[3]. Het Europees Parlement heeft rechtstreekse toegang tot dit register. Overeenkomstig artikel 7, lid 5, van Besluit 1999/468/EG, worden de gegevens van alle aan het Europees Parlement toegezonden documenten openbaar gemaakt.
3. Overeenkomstig de toezeggingen die de Commissie heeft gedaan in haar verklaring over artikel 7, lid 3, van Besluit 1999/468/EG[4], maakt, zodra aan de technische voorwaarden hiervoor is voldaan, het in punt 2 bedoelde register het volgende mogelijk:
- een duidelijke opgave van de documenten waarop dezelfde procedure van toepassing is en alle wijzigingen betreffende de uitvoeringsmaatregelen in elke fase van de procedure;
- een opgave van de fase van de procedure en het tijdschema;
- het maken van een duidelijk onderscheid tussen de ontwerpmaatregelen die het Europees Parlement op hetzelfde tijdstip als de leden van het comité uit hoofde van het recht op gegevensverstrekking ontvangt, en het aan het Europees Parlement toegezonden definitieve ontwerp na het advies van het comité;
- een duidelijke vaststelling van alle wijzigingen ten opzichte van de reeds aan het Europees Parlement toegezonden documenten.
4. Wanneer het Europees Parlement en de Commissie, na een overgangsperiode die ingaat bij de inwerkingtreding van dit akkoord, concluderen dat het systeem op bevredigende wijze functioneert, geschiedt de toezending van documenten aan het Europees Parlement door middel van een elektronische kennisgeving, die een link bevat naar het in punt 2 bedoelde register. Dit besluit wordt genomen door middel van een briefwisseling tussen de voorzitters van beide instellingen. Gedurende de overgangsperiode worden de documenten aan het Europees Parlement toegezonden als bijlage bij een elektronisch postbericht.
5. Voorts stemt de Commissie ermee in het Europees Parlement op verzoek van zijn bevoegde parlementaire commissie, ter kennisneming, specifieke ontwerpen van uitvoeringsmaatregelen toe te zenden waarvan de basisbesluiten niet volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag zijn vastgesteld, maar die voor het Europees Parlement van bijzonder belang zijn. Deze maatregelen worden opgenomen in het in punt 2 bedoelde register, met een kennisgeving aan het Europees Parlement.
6. Naast de in punt 1 bedoelde beknopte verslagen van de vergaderingen, kan het Europees Parlement om inzage in de notulen van de comités verzoeken[5]. De Commissie onderzoekt elk verzoek per geval, volgens de in bijlage 1 bij het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie[6] vastgestelde regels.
Vertrouwelijke documenten
7 Vertrouwelijke documenten worden behandeld volgens de interne administratieve procedures die elke instelling daartoe heeft vastgesteld, zodat alle nodige waarborgen worden geboden.
Resoluties van het Europees Parlement op grond
van artikel 8 van Besluit 1999/468/EG
8. Op grond van artikel 8 van Besluit 1999/468/EG kan het Europees Parlement in een met redenen omklede resolutie verklaren, dat een ontwerp van maatregelen ter uitvoering van een volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag vastgesteld basisbesluit, de bij dit basisbesluit verleende uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt.
9. Het Europees Parlement neemt deze resoluties aan overeenkomstig zijn Reglement, binnen een termijn van een maand na ontvangst van het definitieve ontwerp van uitvoeringsmaatregelen in de aan de leden van het betrokken comité voorgelegde taalversies.
10. Het Europees Parlement en de Commissie komen overeen, dat er permanent een kortere termijn moet worden vastgesteld voor bepaalde typen urgente uitvoeringsmaatregelen waarover in het belang van een goed beheer een sneller besluit moet worden genomen. Dit geldt in het bijzonder voor bepaalde typen maatregelen met betrekking tot het externe beleid, met inbegrip van humanitaire en noodhulp, de bescherming van de gezondheid en van de veiligheid, alsmede de uitzonderingen op de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten. De betrokken typen maatregelen en de hiervoor geldende termijnen worden vastgelegd in een akkoord tussen het lid van de Commissie en de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie. Dit soort akkoorden kan op elk tijdstip door elk van beide partijen worden opgezegd.
11. Behoudens de in punt 10 bedoelde gevallen, is de termijn korter in urgente gevallen alsmede wanneer het gaat om maatregelen van dagelijks beheer en/of met een beperkte geldigheidsduur. In uiterst urgente gevallen, met name om redenen in verband met de volksgezondheid, kan de termijn zeer kort zijn. Het bevoegde lid van de Commissie stelt met opgave van redenen de termijn vast. Het Europees Parlement kan vervolgens een procedure volgen waarbij de toepassing van artikel 8 van Besluit 1999/468/EG aan zijn bevoegde parlementaire commissie kan worden gedelegeerd, die de Commissie binnen de betrokken termijn kan antwoorden.
12. Zodra de diensten van de Commissie voorzien, dat onder de punten 10 en 11 vallende ontwerpmaatregelen eventueel aan een comité moeten worden voorgelegd, delen zij dit informeel aan het secretariaat van de bevoegde parlementaire commissie of commissies mede. Zodra de eerste versie van de ontwerpmaatregelen aan de leden van het comité is voorgelegd, stellen de diensten van de Commissie het secretariaat van die parlementaire commissie of commissies in kennis van de urgentie ervan en van de termijnen die gelden wanneer het definitieve ontwerp is voorgelegd.
13. Na de aanneming door het Europees Parlement van een in punt 8 bedoelde resolutie, of een in punt 11 bedoeld antwoord stelt het bevoegde lid van de Commissie het Europees Parlement of eventueel de bevoegde parlementaire commissie in kennis van het gevolg dat de Commissie voornemens is hieraan te geven.
14. De in de punten 10 tot en met 13 bedoelde gegevens worden opgenomen in het register.
Regelgevingsprocedure met toetsing
15. Wanneer de regelgevingsprocedure met toetsing van toepassing is, stelt de Commissie, na de stemming in het comité, het Europees Parlement in kennis van de geldende termijnen. Onverminderd punt 16 beginnen deze termijnen pas te lopen vanaf de datum waarop het Europees Parlement alle taalversies heeft ontvangen.
16. Wanneer ingekorte termijnen gelden (artikel 5 bis, lid 5, onder b), van Besluit 1999/468/EG) en in urgente gevallen (artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG), begint de termijn te lopen vanaf de datum van ontvangst door het Europees Parlement van het definitieve ontwerp van uitvoeringsmaatregelen in de aan de leden van het comité voorgelegde taalversies, behoudens bezwaar van de voorzitter van de parlementaire commissie. De Commissie tracht in elk geval alle taalversies zo spoedig mogelijk aan het Europees Parlement te zenden. Zodra de diensten van de Commissie voorzien, dat de onder artikel 5 bis, lid 5, onder b), en lid 6, vallende ontwerpmaatregelen eventueel aan een comité moeten worden voorgelegd, delen zij dit informeel aan het secretariaat van de bevoegde parlementaire commissie of commissies mede.
Financiële diensten
17. Overeenkomstig haar verklaring over artikel 7, lid 3, van Besluit 1999/468/EG verbindt de Commissie zich met betrekking tot financiële diensten ertoe:
- de functionaris van de Commissie die een vergadering van een comité voorzit, het Europees Parlement na elke vergadering van het comité desgevraagd verslag te doen uitbrengen over alle besprekingen over de aan het comité voorgelegde ontwerpen van uitvoeringsmaatregelen;
- eventuele vragen over de besprekingen betreffende aan een comité voorgelegde uitvoeringsbepalingen mondeling of schriftelijk te beantwoorden.
Ten slotte zorgt de Commissie ervoor, dat de toezeggingen die zijn gedaan tijdens de plenaire vergadering van het Parlement op 5 februari 2002[7] en een tweede maal tijdens de plenaire vergadering van 31 maart 2004[8], alsmede de toezeggingen in de punten 1 tot en met 7 van de brief van 2 oktober 2001[9] van Commissielid Bolkestein aan de voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement, worden nagekomen met betrekking tot de gehele sector financiële dienstverlening (met inbegrip van effecten, het bank- en verzekeringswezen, bedrijfspensioenen en boekhouding).
Jaarrooster van parlementaire werkzaamheden
18. Behalve wanneer ingekorte termijnen gelden of in urgente gevallen, houdt de Commissie bij het toezenden van documenten krachtens dit akkoord rekening met de recesperioden van het Europees Parlement (winterreces, zomerreces en de Europese verkiezingen), teneinde te waarborgen dat het Parlement zijn prerogatieven binnen de termijnen die in Besluit 1999/468/EG en dit akkoord zijn vastgelegd, kan uitoefenen.
Samenwerking tussen het Europees Parlement en de Commissie
19. De twee instellingen verklaren zich bereid, elkaar wederzijds bijstand te verlenen om te zorgen voor een volledige samenwerking bij de behandeling van bijzondere uitvoeringsmaatregelen. Hiertoe worden op administratief niveau de nodige contacten gelegd.
Vorige akkoorden
20. Het akkoord van 2000 tussen het Europees Parlement en de Commissie over de modaliteiten voor de toepassing van Besluit 1999/468/EG van de Raad[10] wordt hierbij vervangen. Het Europees Parlement en de Commissie achten voor wat hen betreft de volgende akkoorden vervallen en derhalve niet meer van kracht: het akkoord Plumb/Delors van 1988, het akkoord Samland/Williamson van 1996 en de modus vivendi van 1994[11].
---------------------------------------
- [1] PB L 184, 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).
- [2] In dit akkoord verwijst het woord 'comité ' naar de comités die overeenkomstig Besluit 1999/468/EG zijn ingesteld.
- [3] De streefdatum voor de instelling van het register is 31 maart 2008.
- [4] PB C 171 van 22.7.2006, blz. 21.
- [5] Zie het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 1999, zaak T-188/97, Rothmans/ Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-2463.
- [6] PB C 121 van 24.4.2004, blz. 122.
- [7] PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 19.
- [8] PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 446 en het Volledige verslag der vergaderingen (CRE) van de plenaire vergadering van het Parlement van 31 maart 2004, onder "Stemming".
- [9] PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 83.
- [10] PB L 256 van 10.10.2000, blz. 19.
- [11] PB C 102 van 4.4.1996, blz. 1.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
1.4.2008 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
17 1 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Enrique Barón Crespo, Bastiaan Belder, Richard Corbett, Jean-Luc Dehaene, Andrew Duff, Ingo Friedrich, Anneli Jäätteenmäki, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Rihards Pīks, Riccardo Ventre, Johannes Voggenhuber, Dushana Zdravkova |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Graham Booth, Costas Botopoulos, Elmar Brok, Carlos Carnero González, Monica Frassoni, Gérard Onesta, Georgios Papastamkos, Kathy Sinnott, Mauro Zani |
|||||