INTERIM-VERSLAG over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor de besluitvorming

8.4.2008 - (2008/2001(INI))

Tijdelijke Commissie klimaatverandering
Rapporteur: Karl-Heinz Florenz

Procedure : 2008/2001(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0136/2008

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor de besluitvorming

(2008/2001(INI))

Het Europees Parlement,

–    gezien zijn besluit van 25 april 2007 betreffende de instelling van een tijdelijke commissie klimaatverandering[1], dat krachtens artikel 175 van zijn Reglement is aangenomen,

–    gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Brussel op 8 en 9 maart 2007,

–   gezien de verklaring van de G8-top van 7 juni 2007, uitgegeven in Heiligendamm, getiteld “Climate Change, Energy Efficiency and Energy Security – Challenge and Opportunity for World Economic Growth”(Klimaatverandering, efficiënt energiegebruik en de continuïteit van energievoorziening – uitdagingen en kansen voor wereldwijde economische groei),

–   gezien de conclusies van het vierde beoordelingsrapport (AR4) van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC), bekendgemaakt in Valencia (Spanje) op 17 november 2007, en verdere studies in opdracht van nationale regeringen of verricht door andere VN-organen,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Verwezenlijking van de Kyoto-doelstellingen: een stand van zaken” (COM(2007)0757),

–   gezien de interparlementaire bijeenkomst over klimaatverandering van het Europees Parlement en de nationale parlementen op 1 en 2 oktober 2007,

–   gezien de dertiende Conferentie van de Partijen (COP 13) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de derde Conferentie van de Partijen die dient als het overleg van de Partijen bij het Protocol van Kyoto (COP/MOP3) die van 3 tot 15 december 2007 op Bali (Indonesië) heeft plaatsgehad,

–   gezien de openbare hoorzittingen en gedachtewisselingen met hooggeplaatste personen en de resultaten van de delegatiebezoeken van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering, in het bijzonder gezien de informatie die is verzameld via de presentaties van deskundigen en het daaropvolgende debat tijdens de themavergadering van 10 september 2007 over “Climate impact of different levels of warming” (De klimaateffecten van verschillende niveaus van opwarming),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het interim-verslag van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering (A6‑0316/2008),

A. overwegende dat de Tijdelijke Commissie klimaatverandering krachtens het aan haar verleende mandaat aanbevelingen dient te formuleren over het toekomstige geïntegreerde beleid van de EU inzake klimaatverandering; overwegende dat deze aanbevelingen gebaseerd moeten zijn op toponderzoek en de meest recente wetenschappelijke inzichten hierin niet mogen worden genegeerd,

B. overwegende dat het interim-verslag van de Tijdelijke Commissie uitsluitend betrekking heeft op de gevolgen en effecten van klimaatverandering die wetenschappelijk zijn bewezen; overwegende dat in een eindverslag voorstellen zullen worden geformuleerd voor het toekomstige geïntegreerde beleid van de EU inzake klimaatverandering die in overeenstemming zijn met het aan de Tijdelijke Commissie verleende mandaat en gebaseerd zijn op alle informatie die zij tijdens haar werkzaamheden heeft verzameld; overwegende dat in dit eindverslag ook het standpunt van het Parlement bij de onderhandelingen over het internationaal kader voor het klimaatbeleid na 2012 zal worden opgenomen, met het oog op de COP 14, die in december 2008 in Poznan (Polen) zal worden gehouden,

C. overwegende dat er een brede wetenschappelijke consensus bestaat over de oorzaken van klimaatverandering die wereldwijd zowel binnen het IPCC als daarbuiten wordt erkend; overwegende dat de wetenschappelijke kennis van en het inzicht in de onderliggende menselijke oorzaken van de huidige trend van de opwarming de aarde sinds het eerste beoordelingsrapport van het IPCC in 1990 enorm zijn toegenomen en nu worden beschouwd als wetenschappelijke feiten; overwegende dat er een hoge mate van wetenschappelijke consensus bestaat over de rol van antropogene broeikasgassen in het mondiale klimaat; overwegende dat, in het licht van de verrichte risicobeoordeling, onzekerheid eerder een reden is om in te grijpen dan om ingrijpen uit te stellen,

D. overwegende dat de tot nu toe via onderzoek en gegevensverzameling vergaarde kennis over klimaatverandering en de oorzaken van de opwarming van de aarde voldoende is om de aanzet te geven tot de politieke maatregelen en besluitvorming die voor een drastische vermindering van emissies en aanpassing aan een onvermijdelijke klimaatverandering dringend noodzakelijk zijn,

E. overwegende dat volgens het vierde IPCC‑rapport tussen 1970 en 2004 de uitstoot van koolstofdioxide wereldwijd met circa 80 % is toegenomen en deze toename hoofdzakelijk het gevolg is van het gebruik van fossiele brandstoffen,

F. overwegende dat onderzoek gebaseerd op waarnemingen en modelleringen wijst op het risico van ernstige gevolgen voor onze planeet als er geen maatregelen worden genomen om een verdere toename van CO2 en emissies van andere broeikasgassen, zoals vermeld in de IPCC-lijst van broeikasgassen, af te remmen of zelfs een halt toe te roepen,

G. overwegende dat er sinds de beoordelingsperiode en de daarop volgende publicatie van het vierde IPCC-rapport, tal van nieuwe wetenschappelijke studies zijn verricht die gegevens hebben gemeten en naar voren gebracht die de trend van de opwarming van de aarde bevestigen en een nadere beoordeling hebben gegeven van de implicaties van klimaatverandering voor de mensheid in sociaal, economisch en ecologisch opzicht, alsmede van de noodzaak tot aanpassing aan en matiging van deze klimaatverandering,

H.  overwegende dat in de Stern Review wordt geconcludeerd dat, wanneer geen maatregelen worden genomen, de kosten van de voorspelde klimaatverandering tegen 2005 jaarlijks tussen de 5% en 20% van het BBP bedragen; overwegende dat in hetzelfde rapport wordt geconcludeerd dat de klimaatdoelstellingen gehaald kunnen worden wanneer vanaf nu jaarlijks 1% van het BBP wordt uitgegeven aan maatregelen op dit terrein,

I. overwegende dat in het voortgaande wetenschappelijke debat de onderliggende oorzaken van de opwarming van de aarde en de klimaatverandering niet langer meer in twijfel worden getrokken; overwegende dat ieder wetenschappelijk debat slechts de wetenschappelijke vooruitgang tot uitdrukking brengt die gericht is op het wegnemen van de resterende onzekerheden en twijfels en die van oudsher wordt gekenmerkt door het streven naar een beter begrip van de invloed van de mens op natuurlijke processen,

J. overwegende dat recente wetenschappelijke studies nader bewijs hebben geleverd voor de antropogene verstoring van de atmosfeer van de aarde; overwegende dat in de natuurwetenschappelijke studie van de klimaatverandering wordt nagegaan welke de concrete gevolgen zijn van de reeds bestaande niveaus van mondiale opwarming die door historische emissies zijn veroorzaakt; overwegende dat de aldus verzamelde gegevens aantonen dat het dringend noodzakelijk is om aanpassings- en matigingsmaatregelen te nemen om alarmerende risico’s voor de mens, de biodiversiteit van flora en fauna, leefomgevingen en infrastructuur te beperken, in de allereerste plaats in de ontwikkelingslanden maar ook in Europa en andere welvarende delen van de wereld,

K. overwegende dat de wetenschap een aantal zogenaamde “tipping-points” (omslagpunten) in het klimaatsysteem van de aarde heeft vastgesteld; overwegende dat deze “tipping-points” in de praktijk neerkomen op een onomkeerbare klimaatverandering, waarvan de gevolgen niet meer door de mens kunnen worden beheerd; overwegende dat deze “tipping-points” en de onstuitbare bio-geofysische processen die aldus worden teweeggebracht niet volledig kunnen worden opgenomen in de bestaande scenario’s voor het toekomstige klimaat; overwegende dat tot deze omslagpunten behoren: het smelten van de permanente ijslaag, resulterend in het vrijkomen van grote hoeveelheden methaan in de atmosfeer; het smelten van gletsjers, hetgeen leidt tot een grotere absorptie van zonlicht, en een lager oplosbaarheidsgehalte van CO2 in zeewater met temperatuurstijging; overwegende dat deze factoren bij stijgende temperaturen de opwarming van de aarde geleidelijk verergeren vanwege een positief terugkoppelingseffect,

L.  overwegende dat 20 à 30 % van alle soorten erger met uitsterven wordt bedreigd als de temperatuur met 1,5 à 2,5°C stijgt; overwegende dat dit percentage bij een stijging van 3,5°C 40 à 70 bedraagt en klimaatverandering dan ook binnen de perken moet worden gehouden om de biodiversiteit wereldwijd te behouden en ecosystemen intact te laten,

M. overwegende dat de wetenschappelijke consensus zoals neergelegd in het vierde IPCC‑rapport, leidt tot de conclusie dat de uitstoot van broeikasgassen op mondiaal niveau met 50 à 85 % moet worden teruggedrongen vergeleken met 2000 om ernstige risico's te vermijden; overwegende dat het steeds moeilijker zal worden om deze doelstelling te halen als de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tot 2020 en daarna blijft toenemen; overwegende dat bijna alle lidstaten goede vooruitgang boeken bij hun inspanningen om te voldoen aan hun afzonderlijke doelstellingen volgens de EU-lastenverdeling, waardoor het waarschijnlijker wordt dat de EU haar Kyoto-doelstelling tegen 2012 zal halen; overwegende dat de lidstaten, desondanks, na 2012 hun broeikasgasemissies op een ambitieuzere wijze zullen moeten verminderen om te voldoen aan de doelstellingen die tijdens de Europese Raad op 8 en 9 maart 2007 zijn goedgekeurd en die de ontwikkelde landen gezamenlijk moeten verwezenlijken, namelijk het terugdringen van hun broeikasgassen met 60 à 80 % tussen nu en 2050 vergeleken met 1990,

N. overwegende dat uit het vierde IPCC-rapport blijkt dat voor positieve terugkoppeling tussen opwarming en een afname van koolstofputten op het land en in oceanen een verdere ingrijpende emissieverlaging nodig is om de concentraties broeikasgassen te stabiliseren,

O. overwegende dat er in de EU politieke consensus bestaat over het essentiële belang van het verwezenlijken van de strategische doelstelling om de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging te beperken tot niet meer dan 2°C boven het pre-industriële niveau; overwegende dat in de afgelopen eeuw de mondiale temperatuur al met 0,74°C is gestegen, en onvermijdelijk met nog eens 0,5°C à 0,7°C zullen blijven stijgen door historische emissies,

P.  overwegende dat volgens het vierde IPCC-rapport de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen sinds het einde van het pre-industriële tijdperk is toegenomen en thans sneller toeneemt dan ooit tevoren, in de periode tussen 1970 en 2004 ten gevolge van menselijke activiteiten met 70% en sinds 1990 met maar liefst 24%; overwegende dat vele natuurlijke systemen op alle continenten en in de meeste oceanen al worden beïnvloed door regionale klimaatveranderingen als gevolg van stijgende temperaturen, veranderende regen- en windpatronen en een grotere schaarsheid van water,

Q. overwegende dat voor het klimaatsysteem alleen de totale hoeveelheid samengevoegde broeikasemissies in de atmosfeer van belang is, niet de relatieve emissies of relatieve verminderingen, en dus voor het voorkomen van gevaarlijke klimaatverandering de totale hoeveelheid emissies in de komende jaren en decennia het meest bepalend is,

R.  overwegende dat in het vierde IPCC-rapport voor het eerst bestaande, gedocumenteerde omvangrijke gevolgen van de veranderingen in het huidige klimaat voor Europa zijn vergeleken, zoals terugtrekkende gletsjers, langere groeiseizoenen, verschuiving van verspreidingsgebieden van soorten, en de gevolgen voor de gezondheid door temperatuurstijging zonder weerga; overwegende dat de waargenomen veranderingen overeenkomen met de veranderingen die voor de toekomstige klimaatverandering waren voorspeld; overwegende dat bijna alle Europese regio's negatief zullen worden beïnvloed door bepaalde toekomstige gevolgen van de klimaatverandering en dat vele economische en sociale sectoren hierdoor problemen zullen ondervinden; overwegende dat de regionale verschillen in Europa op het gebied van natuurlijke hulpbronnen naar verwachting zullen toenemen door de klimaatverandering, bijvoorbeeld ten aanzien van de beschikbaarheid van water,

S.  overwegende dat klimaatverandering tezamen met massale verstedelijking door groei van de bevolking naar verwachting zal leiden tot hogere temperaturen in steden, met rechtstreekse negatieve gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van stadbewoners,

T.  overwegende dat het huidige beleid voor matiging van klimaatverandering en aanverwante praktijken op het gebied van duurzame ontwikkeling, die in elk geval moeten worden geïntensiveerd, ontoereikend zijn om de komende decennia de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen voldoende te verminderen; overwegende dat volgens wetenschappelijke aanbevelingen, de wereldwijde concentratie van broeikasgassen uiterlijk in 2015, het jaar waarin de wereldwijde uitstoot zijn hoogtepunt zou moeten bereiken, met succes gestabiliseerd dient te zijn op een niveau dat overeenkomt met een waarschijnlijkheid van 50 % van behoud van klimaatverandering op 2°C,

U. overwegende dat in de bijdrage van werkgroep III aan het vierde IPCC-rapport wordt gesteld dat de partijen in bijlage I van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering (UNFCCC) als groep hun emissies tegen 2020 met 25 à 40 % dienen terug te dringen onder de niveaus van 1990 teneinde de laagste niveaus te bereiken die tot dusverre door de IPCC zijn vastgesteld en de potentiële schade in lijn daarmee te beperken,

V. overwegende dat het volgende IPCC-beoordelingsrapport waarschijnlijk pas in 2012 of 2013 zal worden gepubliceerd; overwegende dat aanvullende kennis die naar voren komt uit een beoordeling door vakgenoten van wetenschappelijke publicaties en wetenschappelijke rapporten die zijn opgesteld in opdracht van regeringen of andere internationale organen of VN-instellingen zoals de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) of de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bijdraagt aan een dieper inzicht in de huidige en toekomstige invloed van de klimaatverandering op de mens en het milieu, en aan aanpassing aan en matiging van klimaatverandering,

W. overwegende dat de meeste van deze aanvullende studies de dringende noodzaak onderstrepen om onverwijld actie te ondernemen in verband met de opwarming van de aarde; overwegende dat uit de laatste gegevens van de WMO, gepubliceerd in 2007, blijkt dat de periode van 1998 tot 2007 het warmste decennium was dat ooit is gemeten, waarbij 2007 wederom in de top tien van de warmste gemeten jaren zal komen met een verwachte positieve temperatuurafwijking van 0,41°C ten opzichte van het langjarige gemiddelde; overwegende dat in sommige delen van Europa in 2007 temperatuurafwijkingen van meer dan 4°C boven het langjarige gemiddelde voor de maanden januari en april werden gemeten,

X. overwegende dat het noodzakelijk is om de opwarming van de aarde en de verschillende aspecten van klimaatverandering te bezien vanuit het perspectief van andere mondiale problemen zoals armoede of wereldgezondheidsvraagstukken, aangezien deze problemen onder invloed van de stijgende temperaturen, droogte, overstromingen en steeds vaker voorkomende extreme klimatologische verschijnselen zullen verergeren; overwegende dat klimaatverandering een belemmering voor landen zou kunnen vormen om het pad van de duurzame ontwikkeling te volgen en de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken; overwegende dat klimaatverandering een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor de gevallen van succesvolle ontwikkeling en daarom een algemeen vraagstuk in de internationale samenwerking dient te zijn,  

1.  is verheugd over het feit dat de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC tijdens hun vergadering op Bali het vierde IPCC-rapport hebben erkend als het meest omvattende en gezaghebbende rapport over klimaatverandering ooit, niet alleen omdat het een geïntegreerd wetenschappelijk, technisch en sociaal-economisch perspectief biedt ten aanzien van belangrijke vraagstukken, maar ook omdat het aanmoedigt om gebruik te maken van de informatie die het verschaft bij de ontwikkeling en uitvoering van nationaal beleid op het gebied van klimaatverandering;

2.  is ervan overtuigd dat in de wetenschap vooruitgang wordt geboekt door geaccepteerde kennis en hypothesen tegenover concurrerende ideeën te stellen en door onderlinge beoordelingsprocedures toe te passen; prijst de IPCC voor zijn werk en zijn capaciteit de werkzaamheden van duizenden wetenschappers in aanmerking te nemen; is van mening dat de IPCC nieuwe argumenten serieus moet nemen om de geloofwaardigheid en de kwaliteit van zijn onderzoek te blijven waarborgen;

3.  beschouwt de bestudering van klimaatverandering als een gevestigde wetenschap en herinnert aan het belang dat het hecht aan de strategische doelstelling van de EU om de gemiddelde temperatuurstijging wereldwijd tot maximaal 2°C te beperken in vergelijking met het pre-industriële niveau, hetgeen volgens verschillende wetenschappelijke rapporten met een waarschijnlijkheid van circa 50 % kan worden bereikt bij een atmosferische concentratie van broeikasgassen van 400 à 450 ppm CO2-equivalent en dat volgens het vierde IPCC-rapport vereist dat de geïndustrialiseerde landen hun broeikasgasemissies tegen 2020 met 25%-40% verminderen ten opzichte van het niveau in 1990; is desondanks van mening dat alle inspanningen om de emissies af te remmen erop gericht dienen te zijn om ruim onder deze doelstelling van 2°C te blijven, aangezien een dergelijk niveau van opwarming al ernstige gevolgen zou hebben voor onze samenleving en individuele leefgewoonten, en ook belangrijke veranderingen in de ecosystemen en watervoorraden tot gevolg zou kunnen hebben;

4.  erkent dat uit de prognoses voor 2050 duidelijk blijkt dat het nu tijd is om actie te ondernemen; onderstreept dat het halverwege het volgende decennium geen zin meer zal hebben om nog te beginnen met de beperkende maatregelen die noodzakelijk zijn om de doelstelling van 2°C te halen;

5.  benadrukt dat wetenschappelijk is aangetoond dat op alle continenten en in de meeste oceanen vele natuurlijke systemen al zijn aangetast door de regionale klimaatveranderingen die het gevolg zijn van historische koolstofemissies uit de geïndustrialiseerde landen; beklemtoont dat wetenschappelijk is aangetoond dat de opwarming van de aarde hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door menselijk handelen en dat met behulp van de thans verzamelde kennis de antropogene verstoring van de atmosfeer van de aarde in voldoende mate kan worden aangetoond;

6.  benadrukt dat de verwachte verzuring van de oceanen ten gevolge van stijgende CO2‑niveaus zeer ernstige consequenties kan hebben voor mariene ecosystemen en roept op tot nader onderzoek op dit gebied voor een beter begrip van dit probleem zodat tevens kan worden vastgesteld wat dit inhoudt voor te voeren beleid;

7.  benadrukt dat wetenschappelijke resultaten duidelijk laten zien hoe de klimaatverandering in de nabije toekomst zal verlopen, dat zij verschillende regionale patronen zal volgen en dat de opwarming van de aarde zowel een ontwikkelingsvraagstuk is als een wereldwijd milieuvraagstuk, waarbij de armen en de ontwikkelingslanden het meest kwetsbaar zijn; is van mening dat aanpassingsmaatregelen om de onvermijdelijke gevolgen op te kunnen vangen van de opwarming van de aarde die is veroorzaakt door historische emissies uit de geïndustrialiseerde landen, even belangrijk zijn als intensieve matigingsmaatregelen om verdere, onbeheersbare opwarming van de aarde tegen te gaan;

8.  onderstreept dat omslagpunten, waaronder het afsterven van het Amazoneregenwoud, het wegsmelten van het ijs in Groenland en de ijslaag in het westelijke deel van Antarctica, een ineenstorting van de Indiase moesson en het op grote schaal vrijkomen van methaan in de Siberische toendra, moeilijk zijn te voorspellen, maar dat zij onder de huidige omstandigheden van klimaatverandering allemaal zeer mogelijk in de loop van deze eeuw hun kritische punt kunnen bereiken; benadrukt dat er harder moet worden gewerkt aan matiging van deze verandering dan wordt aangegeven in het vierde IPCC-rapport, als we deze omslagpunten willen voorkomen;

9.  verwelkomt, naar aanleiding van breed gedragen wetenschappelijk advies, in dit verband de resultaten van COP 13 en COP/MOP 3 en, met name de Routekaart van Bali, die tijdens COP 14 in 2008 wordt geëvalueerd en die zou moeten leiden tot een overeenkomst over een omvattende regeling tegen 2009; verwelkomt in het bijzonder de taak die is opgedragen aan de Groep deskundigen inzake technologieoverdracht om de hiaten en belemmeringen te beoordelen met betrekking tot het gebruik van en toegang tot de aan de ontwikkelingslanden verstrekte financiële middelen ter nakoming van hun verbintenis om op een meetbare, rapporteerbare en verifieerbare wijze de nationaal meest geschikte matigingsmaatregelen te treffen; is eveneens verheugd over de oprichting van het Adaptatiefonds en de opneming van bossen in een nieuwe overeenkomst voor de bescherming van het klimaat, die is gericht op het tegengaan van verdere ontbossing en door bos- en veenbranden veroorzaakte koolstofemissies, die ook de plaatselijke gemeenschappen enorme schade toebrengen, met inbegrip zelfs van de onteigening van hun eigen grond via illegale of semi-illegale procedures;

10. veroordeelt de pogingen om de resultaten van studies naar de oorzaken en gevolgen van klimaatverandering zonder wetenschappelijke argumentatie als dubieus, onduidelijk en aanvechtbaar af te schilderen; ziet echter in dat wetenschappelijke vooruitgang van oudsher wordt gekenmerkt door onzekerheden, het geleidelijk weer uitsluiten daarvan en het zoeken naar verklaringen of modellen die buiten de gangbare wetenschappelijke opvattingen vallen;

11. is daarom van mening dat verder onderzoek, gericht op een beter inzicht in de oorzaken en gevolgen van de opwarming van de aarde van wezenlijk belang is voor een verantwoorde besluitvorming; is niettemin van mening dat er thans voldoende kennis is verzameld om op korte termijn beleid op te stellen dat leidt tot het verminderen van broeikasgasemissies, waarmee klimaatverandering wordt beperkt tot een stijging van 2°C, en maatregelen voor de aanpassing aan de huidige klimaatverandering;

12. benadrukt dat de consequenties van klimaatverandering, zoals de gevolgen voor de economische concurrentiepositie, de energiekosten en de maatschappelijke ontwikkeling in Europa, de rol van het bodemgebruik, bossen en ontbossing, de rol van het mariene milieu en de berekening van de externe klimaatkosten van de industriesector, en niet in de laatste plaats van de vervoerssector, met inbegrip van de kwantificatie van de effecten van luchtvaartvervuiling, verder moeten worden geanalyseerd en onderzocht; is van mening dat verder onderzoek moet worden verricht om ervoor te zorgen dat aanpassing en risicovermindering integraal deel gaan uitmaken van maatregelen op het gebied van ontwikkeling en armoedebestrijding;

13. pleit voor aanvullend onderzoek naar de impact van beleid ter bevordering van biobrandstoffen en het effect hiervan op de toename van ontbossing, de toename van de bebouwde landoppervlakte en de wereldvoedselvoorziening;

14. is van mening dat de verspreiding van het wetenschappelijk bewijs voor de invloed van de mens op het wereldklimaat het belangrijkste element moet zijn van bredere inspanningen om het bewustzijn van het publiek te verhogen en vervolgens publieke steun te werven en vast te houden voor politieke maatregelen om koolstofemissies terug te dringen, zoals interactie met de verschillende sociale actoren, niet alleen in de geïndustrialiseerde landen maar ook in de opkomende economieën; vraagt de IPCC een overzicht van zijn beoordelingsrapporten te publiceren voor het publiek; is voorts van mening dat individuele veranderingen in het leefpatroon hierbij noodzakelijk zijn en deel moeten uitmaken van programma's waarmee het publiek kennis wordt bijgebracht over de oorzaken en gevolgen van de opwarming van de aarde;

15. roept de wetenschappelijke gemeenschap en politieke vertegenwoordigers dan ook op hun krachten te bundelen en het publiek te wijzen op "de kleine dingen die ertoe doen" en zich daarvoor sterk te maken, met de kanttekening dat zelfs gemeenschappen die zeer goed in staat zijn zich aan de effecten van klimaatverandering aan te passen, kwetsbaar blijven voor extreme situaties en onvoorspelbare gebeurtenissen;

16. benadrukt dat de gedetailleerde informatie die nodig is voor voorlichting over een levenspatroon met een laag koolstofverbruik, bijvoorbeeld verklaringen over de voetafdruk van broeikasgassen op consumentengoederen en vermelding van de bijdrage aan broeikasgassen, op dit moment nog weinig voorstelt en op korte termijn moet worden uitgewerkt; benadrukt dat dergelijke initiatieven idealiter zijn gebaseerd op gemeenschappelijke standaarden en dat emissies van broeikasgassen van ingevoerde producten hierin ook moeten worden meegenomen;

17. verzoekt de Tijdelijke Commissie klimaatverandering haar werk voort te zetten en aan het eind van haar mandaat aan het Parlement een verslag voor te leggen en daarin zo nodig aanbevelingen te doen voor te nemen maatregelen of initiatieven en aanpassings- en matigingsmaatregelen, met betrekking tot het toekomstige geïntegreerde communautaire beleid inzake klimaatverandering, die in overeenstemming zijn met de doelstelling van de EU om de mondiale temperatuurstijgingen tot onder 2°C te beperken en met de bevindingen van het vierde IPCC-rapport;

18. roept de Commissie, de Raad en het Parlement op om op het hoogste niveau te pleiten voor onderhandelingen over en de bespreking van de strategische uitbreiding naar alle partnerlanden in de EU en daarbuiten van zeer effectieve strategieën, principes en standaarden van EU-lidstaten of niet-EU-lidstaten op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en acties voor het aanpakken van klimaatverandering, overeenkomstig de aanbevelingen van de wetenschappelijke gemeenschap;

19. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

  • [1]  PB C 74 E, 20.3.2008, blz. 652.

TOELICHTING

Prioriteiten en doelstellingen van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering

Het momentum in de strijd tegen klimaatverandering heeft het laatste jaar een drastische vlucht genomen, te beginnen met het tijdens de voorjaarsbijeenkomst van 2007 genomen besluit om tegen 2020 de emissievermindering, het gebruik van hernieuwbare energie en de energie-efficiëntie met 20% te vergroten. Dit besluit werd gevolgd door andere belangrijke gebeurtenissen op internationaal niveau, zoals de G8-top in Heiligendamm, het debat in de VN-Veiligheidsraad over de gevolgen van klimaatverandering voor vrede en veiligheid, de door de VS belegde vergadering van landen met de grootste uitstoot, de Nobelprijs voor de vrede voor Al Gore en de intergouvernementele werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), de ratificatie door Australië van het Kyoto-protocol en als laatste de goedkeuring van het “Bali-actieplan” dat hopelijk zal leiden tot het sluiten van een nieuwe internationale overeenkomst inzake klimaatverandering in Kopenhagen in december 2009.

Met het opzetten van een tijdelijke commissie om verschillende standpunten uit de vele aan klimaatverandering gerelateerde beleidsgebieden samen te voegen, draagt het Europees Parlement bij aan de bewustmaking van klimaatverandering, waarmee deze kwestie hoog op de internationale agenda wordt geplaatst.

Met haar horizontale aanpak en haar 60 leden uit alle partijen van het Europees Parlement, zal de Tijdelijke Commissie klimaatverandering voorstellen doen voor het beleid van de EU inzake klimaatverandering en het standpunt van het Europees Parlement coördineren in de onderhandelingen voor een toekomstige internationale overeenkomst inzake klimaatverandering.

Na het besluit van 19 april 2007 van de Conferentie van voorzitters om het Europees Parlement voor te stellen een Tijdelijke Commissie klimaatverandering op te zetten, en na het besluit van de plenaire vergadering van 25 april 2007, hield de nieuw opgezette Tijdelijke Commissie klimaatverandering haar oprichtingvergadering op 22 mei 2007.

De Tijdelijke Commissie klimaatverandering is belast met de volgende taken en bevoegdheden:

(a) het formuleren van voorstellen voor het toekomstige geïntegreerde beleid van de EU inzake klimaatverandering en het coördineren van het standpunt van het Europees Parlement in de onderhandelingen inzake het internationaal kader voor het klimaatbeleid na 2012;

(b) het analyseren en evalueren van de mate van klimaatverandering en het voorstellen van passende maatregelen op alle niveaus, vergezeld van een beoordeling van zowel de financiële gevolgen als de kosten van niets doen;

(c) het opstellen van een zo volledig mogelijk overzicht van onlangs geboekte vooruitgang en toekomstperspectieven aangaande de strijd tegen klimaatverandering, teneinde het Europees Parlement te voorzien van de nauwkeurige analyse van deze ontwikkelingen, die het nodig heeft om zijn politieke verantwoordelijkheid te nemen;

(d) het onderzoeken van de gevolgen op het gebied van milieu en volksgezondheid alsook de juridische, economische, sociale, geopolitieke en regionale gevolgen van de onlangs geboekte vooruitgang en de toekomstperspectieven;

(e) het analyseren en evalueren van de toepassing tot nu toe van de relevante Gemeenschapswetgeving;

(f) het daartoe tot stand brengen van de nodige contacten en het houden van hoorzittingen met de parlementen en regeringen van de lidstaten en van derde landen, de Europese instellingen en internationale organisaties alsook vertegenwoordigers van de wetenschappelijke gemeenschap, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, waaronder de netwerken van lokale en regionale overheden;

Aan het einde van haar mandaat legt de tijdelijke commissie aanbevelingen aan het Europees Parlement voor aangaande te nemen maatregelen of op te zetten initiatieven. De taken en bevoegdheden van de vaste commissies van het Europees Parlement die verantwoordelijk zijn voor de goedkeuring, de follow-up en de tenuitvoerlegging van Gemeenschapswetgeving betreffende de klimaatveranderingsproblematiek, blijven echter ongewijzigd.

Deze duidelijke taakverdeling, alsook de noodzaak klimaatverandering aan te pakken in een context van betrekkingen met parlementaire vergaderingen van derde landen, heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van een constructieve en coöperatieve samenwerking tussen de tijdelijke commissie, de vaste commissies en de interparlementaire delegaties teneinde te zorgen voor een onderling afgestemde, coherente en doeltreffende bijdrage van het Europees Parlement.

Werkmethodes en werkprogramma’s

Klimaatverandering heeft ernstige gevolgen, niet alleen voor ecosystemen maar ook voor de economie als geheel, de volksgezondheid, de veiligheid van water en voedsel, en migratie. Daarom moeten maatregelen op het gebied van industrie en energie, transport, onderzoek en ontwikkeling, landbouw en milieu op elkaar aansluiten en beter worden gecoördineerd teneinde de verminderingsdoelen in de strijd tegen klimaatverandering te verwezenlijken.

Daar beleid inzake klimaatverandering voor verschillende commissies van belang is, leek een horizontale aanpak de meest geschikte. Dit werd weerspiegeld in de gekozen werkmethodes en het werkprogramma van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering.

De werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering omvatten specifieke en belangrijke sleutelthema’s die zowel de EU als onze internationale partners aangaan en die worden onderzocht, te beginnen met de beoordeling van de stand van zaken in het wetenschappelijk debat over klimaatverandering en de uitdaging om een nieuw internationaal kader overeen te komen, en waarbij wordt gekeken naar mogelijke oplossingen op verschillende gebieden, zoals de primaire emissiebronnen over de gehele wereld, nieuwe technologieën, de emissiebronnen in de energiesector, de gevolgen van klimaatverandering voor de internationale veiligheid, de exploitatie van land en bossen, of de ontvankelijkheid van de maatschappij voor deze kwesties.

Thematische bijeenkomsten

De commissie besloot voor elk sleutelthema een openbare hoorzitting te organiseren (“thematische bijeenkomst”), met deelname van prestigieuze, belangrijke sprekers voor de thematoespraken en een panel van deskundigen teneinde het onderwerp zo goed mogelijk te onderzoeken. Om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk leden actief zouden bijdragen aan de werkzaamheden van de commissie, werd de rapporteur bij elk sleutelthema bijgestaan door een “themaleider” uit de leden, die verantwoordelijk zou zijn voor het leiden van de discussie tijdens de thematische bijeenkomst en voor het opstellen van een werkdocument met een samenvatting en conclusies als blauwdruk voor het eindverslag.[1]

Op 10 september 2007 vond de eerste thematische bijeenkomst plaats over “Climate impact of different levels of warming” (klimaateffecten van verschillende niveaus van opwarming), met de ondervoorzitter van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering, Vittorio Prodi, als “themaleider”. Het belangrijkste doel van de thematische bijeenkomst was het verzamelen van informatie over de huidige stand van zaken in het wetenschappelijk debat over klimaatverandering en met name over de volgende vragen: wat is gevaarlijke klimaatverandering, welke gevolgen kunnen worden verwacht van de verschillende niveaus van opwarming op basis van het laatste IPCC-verslag, welke atmosferische concentraties en emissieniveaus komen overeen met de 2°C-doelstelling van de EU, en wat zijn de gevolgen van wereldwijde klimaatverandering voor ons cultureel erfgoed. De thematoespraak werd gehouden door Prof. Hans Joachim Schellnhuber van het instituut voor klimaatonderzoek in Potsdam.

Tijdens het debat kwamen een aantal belangrijke conclusies naar voren: deskundigen benadrukten dat uit wetenschappelijk bewijs uit alle continenten en oceanen blijkt dat veel natuurlijke systemen worden beïnvloed door klimaatverandering, en dat voldoende recente wetenschappelijke studies de antropogene verstoring van de atmosfeer van de aarde zonder enige twijfel bewijzen. De ernstige en dreigende problemen die klimaatverandering veroorzaakt, maken vastbesloten en onmiddellijke actie noodzakelijk om de strategische doelstelling, een beperking van de gemiddelde mondiale temperatuurstijging tot minder dan 2°C ten aanzien van het pre-industriële niveau, te verwezenlijken.

De tweede thematische bijeenkomst werd gehouden op 4 oktober 2007 en gewijd aan “The Climate Protection Challenge Post-2012” (de uitdaging van klimaatbescherming na 2012). Satu Hassi was “themaleider”. Doel van de themabijeenkomst was het verzamelen van informatie over de huidige stand van zaken in het internationale debat over een mogelijk mondiaal kader voor na 2012, en over de visies van de wetenschappelijke gemeenschap, het bedrijfsleven en de NGO’s over de uitwerking van een dergelijk kader. De thematoespraken werden gehouden door John Ashton, speciaal vertegenwoordiger inzake klimaatverandering van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken, en Yvo de Boer, uitvoerend secretaris van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Er kwam duidelijk naar voren dat de wetenschappelijke en algemene kennis van mondiale opwarming sinds de goedkeuring van het Kyoto-protocol aanzienlijk is verdiept en dat deze kennis door de werkzaamheden en wetenschappelijke activiteiten van het IPCC-panel uitvoerig is geïntensiveerd en uiteengezet. Het verzamelen en beoordelen van een groot aantal wetenschappelijke publicaties en bevindingen heeft, zonder enige serieuze wetenschappelijke twijfel, geleid tot de overtuiging dat de mens de oorzaak is van mondiale klimaatverandering en dat het klimaat negatieve gevolgen blijft ondervinden tenzij menselijke activiteit in de nabije toekomst aanzienlijk verandert.

De sprekers waren het erover eens dat de termijnen en randvoorwaarden voor klimaatbeleid door de natuur worden vastgesteld. Voor het klimaatsysteem is alleen de totale hoeveelheid samengevoegde broeikasemissies in de atmosfeer van belang, niet de relatieve emissies of relatieve verminderingen. Voor de voorkoming van gevaarlijke klimaatverandering is de totale hoeveelheid emissies in de komende jaren en decennia van doorslaggevend belang. Regulering is van essentieel belang bij het verwezenlijken van klimaatdoelstellingen en moet er dringend voor zorgen dat langetermijninvesteringen verenigbaar zijn met het klimaat.

Op 19 november 2007 werd de derde thematische bijeenkomst gehouden over “The social and economic dimension, R&D, new technologies, transfer of technologies, innovation and incentives” (de sociale en economische dimensie, O&O, nieuwe technologieën, overdracht van technologie, innovatie en stimulansen). Tijdens deze bijeenkomst stond Philippe Busquin de rapporteur van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering bij als “themaleider”. Prof. Carlo Rubbia, winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde, hield de thematoespraak. Vicevoorzitter van de Europese Commissie Günter Verheugen leverde tevens een grote bijdrage. De houder van de thematoespraak, de vicevoorzitter en de deskundigen spraken onder andere over het onderzoek op wetenschappelijk gebied en in de industrie. Hun visies leidden tot het oordeel dat, hoewel de oplossingen voor het bestrijden van broeikasgassen op dit moment nog niet overal operationeel en beschikbaar zijn, het intensiveren van technologisch onderzoek en ontwikkeling ze een stuk dichterbij kan brengen.

Het samenbrengen van wetenschap en industrie voor de ontwikkeling en toepassing van de nieuwste technologie en toekomstige technologie kan van groot belang zijn voor de leidende positie van Europa in de strijd tegen klimaatverandering door middel van schone technologieën.

Onze vierde thematische bijeenkomst is gehouden op 29 januari 2008 over “Climate change and the world’s water, with a specific focus on sustainable development, land use change and forests” (klimaatverandering en het water in de wereld, met bijzondere aandacht voor duurzame ontwikkeling, verandering in bodemgebruik en bossen). Cristina Gutiérrez-Cortines zal de “themaleider” zijn voor deze bijeenkomst en Achim Steiner, uitvoerend directeur van het Milieuprogramma van de VN, zal de thematoespraak houden.

In maart 2008 werden nog twee thematische bijeenkomsten gehouden: respectievelijk op 3 maart 2008 over “Sources of emission from the industry and energy sector and transport emissions at global level” (emissiebronnen uit de industrie- en energiesector en verkeersemissies op mondiaal niveau) en 26 maart 2008 over “How to engage other main actors - climate change, adaptation in third countries and global security” (Hoe andere belangrijke actoren te betrekken - klimaatverandering, aanpassing in derde landen en mondiale veiligheid).

Delegatiebezoeken en samenwerking met interparlementaire delegaties

Het mandaat van de commissie omvat ook het tot stand brengen van de nodige contacten met parlementen en regeringen van derde landen. Dit is wat we noemen “de diplomatie van de klimaatverandering”, hetgeen op dit punt bijzonder belangrijk is aangezien een mondiale internationale overeenkomst na 2012 vereist is, waarin zo veel mogelijk landen worden samengebracht, ten eerste uit de geïndustrialiseerde wereld, maar ook ontwikkelingslanden en opkomende landen.Om deze taak te vervullen, besloot de commissie haar delegatiebezoeken te richten op twee van de meest cruciale landen in de context van de internationale onderhandelingen over een toekomstige overeenkomst: China, waaraan een bezoek werd gebracht op 5 t/m 7 november 2007, en India en Bangladesh, waar van 4 t/m 7 februari 2008 een bezoek heeft plaatsgevonden

.[2]

De belangrijkste doelstellingen van de delegatiebezoeken zijn (i) het bestuderen van de acties en initiatieven die door de autoriteiten van deze landen ondernomen en gepland zijn om klimaatverandering aan te pakken, (ii) het beter begrijpen van hun standpunt in de context van het internationale debat over een raamverdrag inzake klimaatverandering na 2012, en (iii) het steunen van het voorzitterschap en de Commissie bij de onderhandelingen met de regeringen door middel van contacten met parlementaire tegenhangers.

Naast deze bezoeken heeft de Tijdelijke Commissie klimaatverandering ook een vruchtbare samenwerking tot stand gebracht, bijvoorbeeld wat betreft het uitwisselen van informatie, voorbereidende briefings en voortgangsverslagen, met de delegaties die verantwoordelijk zijn voor de betrekkingen met landen en/of regio’s van bijzonder belang in het kader van klimaatverandering.

Deelname aan de dertiende conferentie van partijen bij het Raamverdrag inzake klimaatverandering van de VN (Bali, Indonesië, 3 t/m 15 december 2007)

Een zeer belangrijke gebeurtenis in de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering was de deelname van haar leden in de EP-delegatie aan COP 13 die als belangrijkste doel het overeenkomen van een onderhandelingsmandaat had, met het oog op een internationale overeenkomst voor na het verlopen van de eerste verbintenisperiode van het Kyoto-protocol in 2012.

In overeenstemming met het besluit van de Conferentie van voorzitters werd de Tijdelijke Commissie klimaatverandering in de vijftienkoppige EP-delegatie formeel vertegenwoordigd door haar bureau en rapporteur. Echter, gezien de sectoroverschrijdende samenstelling van de commissie, waren alle leden van de EP-delegatie, waaronder de vertegenwoordigers van de Commissie milieu en de Commissie industrie, tevens lid van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering.

Conferentiedeelname werd voorbereid met een aan het kader voor na 2012 gewijde thematische bijeenkomst (zie hierboven). De commissie gaf tevens opdracht aan Satu Hassi, de themaleider voor deze thematische bijeenkomst (zie hierboven), om een resolutie op te stellen, die werd goedgekeurd door het Europees Parlement op 15 november 2007, die op de conferentie het standpunt van het EP vertegenwoordigde[3].

Voor aanvang van de conferentie werd nog een informele briefing met Europees commissaris Dimas georganiseerd over de belangrijkste onderhandelingspunten en de strategie van de EU.

Tijdens de conferentie organiseerde de EP-delegatie een rondetafelgesprek met parlementariërs, nam deel aan talloze bijeenkomsten op hoog niveau met andere delegaties en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, en onderhield dagelijks de banden met de Europese Commissie en de Raad. De EP-delegatie vergaderde onder andere met de Amerikaanse senator John Kerry, de speciale gezant van de VN voor klimaatverandering Ricardo Lagos, de Britse adviseur inzake klimaatverandering Sir Nicholas Stern en met parlementariërs van alle vijf de continenten.[4]

Een resolutie over de resultaten van de conferentie wordt momenteel voorbereid en tijdens de tweede vergaderperiode van januari ter goedkeuring voorgelegd.

Gedachtewisselingen met hooggeplaatste personen

Naast de in de context van de thematische bijeenkomsten en delegatiebezoeken gehouden vergaderingen en gedachtewisselingen met hooggeplaatste personen, wisselde de Tijdelijke Commissie klimaatverandering ook nuttige en interessante gedachten met:

· Sigmar Gabriel, minister van milieu van Duitsland, over de resultaten van de G8-top in Heiligendamm, op 27 juni 2007

· Hans-Gert Pöttering, voorzitter van het Europees Parlement, over de rol van het EP bij het aanpakken van klimaatverandering, op 4 oktober 2007

· Janez Podobnik, minister van milieu en ruimtelijke ordening van de Republiek Slovenië, over de door het Sloveense voorzitterschap te ondernemen acties en initiatieven op het gebied van klimaatverandering (gepland op 23 januari 2008)

Betrekkingen met nationale parlementen

De Tijdelijke Commissie klimaatverandering zorgde tevens voor de totstandbrenging en ontwikkeling van de betrekkingen met nationale parlementen over de klimaatveranderingsproblematiek. In deze context, leverde zij - door in de werkgroepen te onderzoeken onderwerpen voor te stellen en door de actieve deelname van haar leden - een bijdrage aan de gezamenlijke parlementaire vergadering die op 1 en 2 oktober 2007 werd georganiseerd door de voorzitter van het EP en de voorzitter van het Portugees parlement[5].

Op 20 en 21 januari 2008 zal de voorzitter van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering deelnemen aan, en de thematoespraak houden op de vergadering van de voorzitters van de voor energie en milieu verantwoordelijke commissies van de nationale parlementen en het Europees Parlement, die wordt georganiseerd door het Sloveense nationale parlement.

In het kader van de bilaterale betrekkingen met nationale parlementen namen de voorzitter van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering en de rapporteur deel aan een hoorzitting en een gedachtewisseling met de Europese delegatie van het Franse nationale parlement op 17 oktober 2007.

Het verzamelen van informatie over de klimaatveranderingsproblematiek

Overeenkomstig haar mandaat is het de taak van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering om informatie te verzamelen over de klimaatveranderingsproblematiek, teneinde het Europees Parlement te voorzien van een gedetailleerde analyse zodat het zijn politieke verantwoordelijkheden kan nemen.

De commissie maakte daartoe uitgebreid gebruik van het toegekende expertisebudget en gaf, via de beleidscommissies van het Europees Parlement, opdracht tot een aantal externe onderzoeken en briefingnota’s die belangrijke input opleverden voor de thematische bijeenkomsten en delegatiebezoeken alsook voor andere activiteiten van de commissie.

De onderwerpen waarover tot nu toe studies zijn opgesteld, zijn: “National Legislation and national initiatives and programmes (since 2005) on topics related to climate change” (nationale wetgeving en nationale initiatieven en programma’s (vanaf 2005) over aan klimaatverandering gerelateerde onderwerpen (regelmatig bijgewerkt), “Climate change legislation and initiatives at EU level” (wetgeving inzake klimaatverandering en initiatieven op Europees niveau), “Climate change legislation/initiatives at the international level and post-2012 design options” (wetgeving en initiatieven inzake klimaatverandering op internationaal niveau en opties voor na 2012), “China’s energy policy in the light of climate change and options for co-operation with the EU” (het energiebeleid van China met het oog op klimaatverandering en mogelijkheden voor samenwerking met de EU), “China and climate change: Impacts and policy responses” (China en klimaatverandering: effecten en beleidsmaatregelen) en “China and climate change: recent articles and publications.” (China en klimaatverandering: recente artikelen en publicaties)[6].

Overige werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering

Om zo snel mogelijk te reageren op de specifieke kwestie van aanpassing aan onvermijdelijke klimaatverandering - een kwestie van sectoroverschrijdend belang die onder andere betrekking heeft op landbouw, regionaal beleid, visserij, ontwikkelingssamenwerking, transport, waarover de Commissie voornemens is tegen eind 2008 een wetsvoorstel in te dienen - heeft de commissie besloten een resolutie op te stellen inzake aanpassing en haar voorzitter opdracht gegeven dit te doen in samenwerking met de betrokken commissies. Met de resolutie zal tijdens de vergaderperiode van april het debat over een mondelinge vraag aan de Commissie worden afgesloten.

Toekomstige werkzaamheden

Een geïntegreerd beleid inzake klimaatverandering kan niet beperkt blijven tot de milieueffecten van mondiale opwarming en de directe gevolgen voor het energie-, industrie- en vervoersbeleid. Een aantal andere beleidsgebieden, zoals landbouw, visserij, ontwikkelingssamenwerking, regionaal en cohesiebeleid, internationale handel en internationale veiligheid, worden reeds beïnvloed door mondiale opwarming of zullen in de toekomst hierdoor worden beïnvloed. Om haar mandaat te vervullen en aanbevelingen over te nemen initiatieven en acties te formuleren heeft de Tijdelijke Commissie klimaatverandering besloten de complexe klimaatveranderingsproblematiek op sectoroverschrijdende wijze aan te pakken. In het eerste half jaar van haar werkzaamheden was het voor de commissie niet mogelijk al deze aspecten uitvoerig te onderzoeken.

Zoals reeds aangegeven vinden drie van de zes geplande thematische bijeenkomsten al plaats tussen januari en maart 2008, alsook het geplande delegatiebezoek naar India en Bangladesh, terwijl sommige aanvullende onderwerpen ook uitvoerig onderzoek behoeven. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn wat betreft de thematische bijeenkomsten over klimaatverandering en het water in de wereld met bijzondere aandacht voor duurzame ontwikkeling, bodemgebruik, verandering in bodemgebruik en bossen; emissiebronnen in de energiesector en verkeersemissies op mondiaal niveau; of hoe andere belangrijke actoren te betrekken. Vanuit het oogpunt van internationale betrekkingen blijkt uit de snelle veranderingen in de Amerikaanse publieke opinie en het bedrijfsleven, al gedeeltelijk weerspiegeld in het nieuwe standpunt inzake energie- en klimaatkwesties van het Amerikaans Congres, de noodzaak om de contacten met onze Amerikaanse tegenhangers te verdiepen, met name met het onlangs opgezette United States House Select Committee on Energy Independence and Global Warming (speciale commissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden inzake energieonafhankelijkheid en mondiale opwarming).

Gezien de onderlinge verbanden tussen verschillende aspecten van het onderwerp en het duidelijke verzoek van de plenaire vergadering, tijdens de goedkeuring van het mandaat van de commissie, om aanbevelingen te doen voor het toekomstige geïntegreerde beleid van de EU inzake klimaatverandering, zou het prematuur en ongepast zijn om voorlopige conclusies te trekken en aan de plenaire vergadering voor te leggen voordat het werk van de commissie is afgerond.

Overeenkomstig het besluit van de plenaire vergadering van 25 april 2007 loopt het mandaat van de commissie af op 9 mei 2008. Om het verslag binnen dit tijdsbestek op te stellen, te wijzigen en goed te keuren, zou het verzamelen en delen van informatie van een aantal thematische bijeenkomsten, alsook de resultaten van de delegatiebezoeken en de bevindingen van enkele externe studies waartoe al opdracht is gegeven, achterwege gelaten moeten worden.

Voorts moet worden opgemerkt dat het op de conferentie van Bali in december goedgekeurde onderhandelingsmandaat slechts het begin is van een onderhandelingsproces dat op de voet moet worden gevolgd door het Europees Parlement, en dat een belangrijk moment zal beleven op de veertiende conferentie van de partijen (COP 14) in Poznan, Polen, in december 2008.

In het licht van bovenstaande stelde de rapporteur voor, met goedkeuring van de coördinatoren van de commissie en de schaduwrapporteurs, om een interim-verslag op te stellen dat uitsluitend betrekking heeft op de gevolgen en effecten van klimaatverandering. Dit verslag moet worden goedgekeurd door de commissie met het oog op de vergaderperiode van mei 2008, oftewel voordat het huidige eenjarige mandaat afloopt. Artikel 151 van het Reglement wordt strikt toegepast bij dit interim-verslag.

Voorts zijn de coördinatoren overeengekomen een verlenging van het mandaat met 9 maanden (tot 9 februari 2009) te verzoeken, en hebben ze de voorzitter de opdracht gegeven de noodzakelijke stappen te ondernemen bij de Conferentie van voorzitters. Met een dergelijke verlenging kan, ten eerste, alle tijdens het huidige mandaat verzamelde informatie in het commissieverslag worden opgenomen, en bovendien kunnen, zoals eerder aangegeven, meer onderwerpen worden onderzocht. Tevens kan met een verlenging van het mandaat met 9 maanden het verslag worden goedgekeurd door de Tijdelijke Commissie klimaatverandering vóór COP 14 in Poznan, en kunnen de resultaten van de conferentie van Poznan in overweging worden genomen bij de stemming in de plenaire vergadering, hetgeen het voor het Europees Parlement mogelijk maakt nuttige input te leveren voor, en een grondige evaluatie van, de onderhandelingen voor een overeenkomst voor na 2012. Op 18 februari 2008 besloot het Parlement het mandaat van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering tot 9 februari 2009 te verlengen.

Het tijdschema voor het eindverslag van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering ziet eruit als volgt:

- Ontwerpverslag ter vertaling: 31 juli 2008

- Behandeling ontwerpverslag: 18 september 2008

- Termijn voor amendementen: 7 oktober 2008

- Behandeling amendementen: 4 november 2008

- Stemming in de Tijdelijke Commissie: 2 december 2008

- Plenaire vergadering: januari of februari 2009

Belangrijkste bevindingen van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering in de periode mei-december 2007 en conclusies en aanbevelingen van de rapporteur

De wetenschappelijke grondslag van klimaatverandering

Gezien bovenstaande heeft dit verslag uitsluitend betrekking op de wetenschappelijke feiten aangaande klimaatverandering die uitvoerig zijn besproken met wereldwijd erkende deskundigen op de eerste thematische bijeenkomst van de commissie in september 2007, alsmede tijdens de gezamenlijke parlementaire vergadering op 1 en 2 oktober 2007.

Op basis van de informatie die tijdens deze bijeenkomsten is verzameld, komt de rapporteur tot de volgende conclusies:

· de wetenschappelijke inzichten betreffende klimaatverandering zijn wereldwijd erkend en aanvaard, en het is niet aan enige wetenschappelijke twijfel onderhevig dat de mens de oorzaak is van de huidige opwarming van de aarde;

· binnen de EU bestaat politieke consensus over het cruciale belang van de verwezenlijking van het strategische doel om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot niet meer dan 2°C ten opzichte van het pre-industriële niveau, en deze doelstelling vormt de basis voor het geïntegreerde beleid inzake klimaatverandering van de EU;

· alle inspanningen om emissies terug te dringen moeten echter ernaar streven om aanzienlijk onder het streefdoel van 2°C te blijven, aangezien een dergelijk niveau van opwarming al grote gevolgen zou hebben voor onze maatschappij en individuele leefgewoonten en tevens ingrijpende veranderingen in ecosystemen en watervoorziening teweeg zou brengen;

· het vierde IPCC-rapport (IPCC-AR4) vertegenwoordigt de meest uitvoerige en gezaghebbende beoordeling van klimaatverandering tot nu toe, waarin relevante kwesties vanuit een geïntegreerd wetenschappelijk, technisch en sociaal-economisch perspectief worden benaderd; het IPCC-AR4 zal daarom als uitgangspunt dienen voor de ontwikkeling van nationaal en internationaal beleid inzake klimaatverandering;

· de wetenschappelijke consensus zoals verwoord in het IPCC-AR4 beveelt een halvering aan van het mondiale emissieniveau tegen 2050, hetgeen steeds moeilijker te realiseren wordt indien mondiale emissies tot 2020 en daarna blijven toenemen door het cumulatieve effect van emissies van broeikasgassen in verleden, heden en toekomst, die bijdragen aan mondiale opwarming;

· de wetenschap heeft enkele zogeheten omslagpunten ('tipping-points') in het planetaire klimaatsysteem vastgesteld, die punten vertegenwoordigen waarna ernstige onomkeerbare klimaatverandering niet meer te vermijden is en waarvan de gevolgen niet meer beïnvloed of veranderd kunnen worden door de mens; deze omslagpunten en de teweeggebrachte onstuitbare fysische processen kunnen niet volledig in de bestaande toekomstige klimaatscenario’s worden opgenomen;

· bestaand beleid ter matiging van klimaatverandering en gerelateerde duurzame ontwikkelingspraktijken volstaan niet om mondiale emissies van broeikasgassen in de komende decennia te verminderen; volgens wetenschappelijke aanbevelingen blijft het tot 2015, wanneer de mondiale emissies hun hoogtepunt bereiken, mogelijk om deze emissies met succes te stabiliseren om te zorgen voor een kans van ten minste 50% om de 2°C-doelstelling te verwezenlijken;

· de verzamelde gegevens uit wetenschappelijke studies die de concrete gevolgen beoordelen van reeds bestaande niveaus van opwarming door emissies uit het verleden, onderstrepen dat dringend aanpassingsmaatregelen moeten worden genomen om ernstige schadelijke gevolgen voor de mens en de infrastructuur te voorkomen, met name in ontwikkelingslanden maar ook in Europa en andere meer welvarende gedeelten van de wereld;

· het verspreiden van het wetenschappelijk bewijs voor de invloed van de mens op het mondiale klimaat moet de hoofdmoot vormen van een bredere poging om steun bij het publiek te werven voor politieke maatregelen om CO2-emissies terug te dringen; de aanpassing van individuele leefgewoonten is noodzakelijk en moet deel uitmaken van een educatieve inspanning om de oorzaken en gevolgen van mondiale opwarming bekend te maken;

· ondanks de wetenschappelijke consensus die benadrukt dat technologische en wetenschappelijke oplossingen voor de bestrijding van broeikasgassen en de ontwikkeling van een industrie en maatschappij met lage CO2-emissies nog niet volledig beschikbaar zijn voor acceptabele prijzen, zijn er veelbelovende aanwijzingen dat deze oplossingen verder kunnen worden ontwikkeld middels wetenschappelijk en technologisch onderzoek, teneinde (eerst) de toename van broeikasgassen een halt toe te roepen en (vervolgens) de gevolgen van klimaatverandering te verkleinen;

Concluderend beschouwt de rapporteur de wetenschappelijke grondslag van klimaatverandering als een uitgemaakte zaak en beveelt hij aan dat de Tijdelijke Commissie haar werkzaamheden voortzet en na afloop van haar mandaat een verslag indient bij het Europees Parlement, waarin op passende wijze aanbevelingen worden gedaan voor acties of initiatieven die moeten worden ondernomen in het kader van het toekomstige geïntegreerde beleid inzake klimaatverandering van de EU, en die in overeenstemming zijn met de doelstelling van de EU om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot minder dan 2°C en met de bevindingen en aanbevelingen van het IPCC AR4.

De resultaten van de conferentie van Bali en de onderhandelingen over een internationaal klimaatverdrag voor na 2012

Het toekomstige internationaal klimaatverdrag is een cruciaal onderdeel van de mondiale inspanningen om de klimaatveranderingsproblematiek aan te pakken. Dit onderwerp is grondig bestudeerd tijdens de thematische bijeenkomst van oktober 2007 en was de belangrijkste kwestie die werd besproken tijdens de dertiende conferentie van partijen (COP 13) bij het Raamverdrag inzake klimaatverandering van de VN.

De rapporteur is verheugd over de goedkeuring van het “Bali-actieplan” en het van start gaan van formele onderhandelingen met als doel een internationaal klimaatverdrag voor de periode na 2012, alsmede over de overige belangrijke door COP 13 genomen beslissingen, met name betreffende technologie, het aanpassingsfonds en ontbossing. Ook is de rapporteur verheugd over het recente besluit van de nieuwe Australische regering om het Kyoto-protocol te ratificeren.

In het licht van de onderhandelingen op Bali benadrukt de rapporteur het constructieve standpunt dat ingenomen werd door de Chinese regering, alsmede de toezeggingen die de ontwikkelingslanden hebben gedaan om op nationaal niveau passende maatregelen te nemen om de uitstoot van broeikasgassen te matigen in het kader van duurzame ontwikkeling, ondersteund en mogelijk gemaakt door technologie, financiering en capaciteitsopbouw, en op een wijze die meetbaar, rapporteerbaar en verifieerbaar is.

Er zij echter aan herinnerd dat het Europees Parlement de resultaten van de conferentie op Bali zal becommentariëren in een afzonderlijke resolutie die zal worden aangenomen tijdens de tweede vergaderperiode van januari. Bijgevolg bevat het huidige verslag geen specifiek commentaar op dit onderwerp. De voortgang van de onderhandelingen over een overeenkomst voor de periode na 2012 zal worden bestudeerd en beoordeeld in de context van het eindverslag.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.4.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Liam Aylward, Etelka Barsi-Pataky, Johannes Blokland, John Bowis, Jerzy Buzek, Dorette Corbey, Chris Davies, Avril Doyle, Edite Estrela, Karl-Heinz Florenz, Matthias Groote, Rebecca Harms, Satu Hassi, Roger Helmer, Jens Holm, Romana Jordan Cizelj, Dieter-Lebrecht Koch, Marian-Jean Marinescu, Linda McAvan, Riitta Myller, Markus Pieper, Vittorio Prodi, Herbert Reul, María Sornosa Martínez, Csaba Sándor Tabajdi, Andres Tarand, Silvia-Adriana Ţicău, Antonios Trakatellis, Lambert van Nistelrooij, Åsa Westlund

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Adamos Adamou, Inés Ayala Sender, Giulietto Chiesa, Elisa Ferreira, Catherine Guy-Quint, Fiona Hall, Werner Langen, Johannes Lebech, Caroline Lucas, Justas Vincas Paleckis, Paul Rübig