VERSLAG over beleidscoherentie voor ontwikkeling en de gevolgen van exploitatie door de EU van bepaalde biologische natuurlijke hulpbronnen voor de ontwikkeling van West-Afrika

    8.4.2008 - (2007/2183(INI))

    Commissie ontwikkelingssamenwerking
    Rapporteur: Frithjof Schmidt
    Rapporteur voor advies (*):
    Carmen Fraga Estévez, Commissie visserij
    (*) Medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement

    Procedure : 2007/2183(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0137/2008

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over beleidscoherentie voor ontwikkeling en de gevolgen van exploitatie door de EU van bepaalde biologische natuurlijke hulpbronnen voor de ontwikkeling van West-Afrika

    (2007/2183(INI))

    Het Europees Parlement,

    –   gelet op artikel 178 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

    –   gelet op artikel 188d van het Verdrag van Lissabon,

    –   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus"[1],

    –   gezien het Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000[2], gewijzigd door de overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst, ondertekend te Luxemburg op 25 juni 2005[3]

    –   gezien de Gezamenlijke strategie EU-Afrika,

    –   gezien het eerste tweejaarlijkse "EU Report on Policy Coherence for Development" van de Commissie van 20 september 2007 (COM/2007/0545) en het bijbehorende Werkdocument van de Diensten van de Commissie (SEC(2007)1202),

    –   gezien de conclusies van de Raad van 21 en 22 december 2004, 24 mei 2005, 10 maart 2006, 11 april 2006, 17 oktober 2006, 5 december 2006, 15 december 2006 en 19-20 november 2007,

    –   gezien het Werkdocument van de Diensten van de Commissie inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling (Policy Coherence for Development - PCD), Werkprogramma 2006‑2007, 7 maart 2006,

    –   gezien de Millenniumverklaring van de VN van 18 september 2000,

    –   gezien de Consensus van Monterrey inzake ontwikkelingsfinanciering van 22 maart 2002,

    –   gezien het evaluatieonderzoek naar "The EU Institutions & Member States' Mechanisms for Promoting Policy Coherence for Development" van mei 2007 door ECDPM, PARTICIP en ICEI,

    –   gezien het Europees Coherentieprogramma van de Evert Vermeer Stichting en CONCORD,

    –   gezien de Mededeling van de Commissie van 18 september 2007 "Naar een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering tussen de Europese Unie en de arme ontwikkelingslanden die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen",

    –   gezien de uitkomst van de 13de zitting van de Conferentie van de Partijen (COP13) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de bijeenkomst van de partijen in het Protocol van Kyoto gehouden op Bali, Indonesië, van 3 t/m 14 december 2007,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2007 over het tot staan brengen van het verlies aan biodiversiteit tegen 2010[4],

    –   gezien het voorstel van de Commissie voor een EU-actieplan inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) van 21 mei 2003 (COM(2003)0251), dat werd geratificeerd door de conclusies van de Raad van ministers van Landbouw van 13 oktober 2003, en de Verordening van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 juli 2005 over de bespoediging van het EU‑actieplan inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT)[5],

    –   gezien de conclusies van de ministers van Milieubeheer van 20 februari 2007 inzake de EU-doelstellingen voor de verdere ontwikkeling van de internationale klimaatregeling voor de periode na 2012, waarin wordt "benadrukt dat concrete maatregelen en acties nodig zijn om emissies van kooldioxide ten gevolge van de ontbossing in de ontwikkelingslanden een halt toe te roepen en in de komende 2 tot 3 decennia te laten afnemen",

    –   gezien de Mededeling van de Commissie over een "geïntegreerd kader voor partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied met derde landen" van 23 december 2002 (COM(2002)637),

    –   gezien de Gedragscode voor een verantwoorde visserij van de Food and Agricultural Organisation (FAO) van 1995 en het Internationale actieplan van de FAO voor het beheer van de vangstcapaciteit van 1999,

    –   gezien het onderzoek voor de FAO in 2005 door John Kurien getiteld "Responsible Fish Trade and Food Security",

    –   gezien het voor het Europees Parlement uitgevoerde onderzoek van 16 juli 2007 naar "Policy Coherence for Development and the Effects of EU Fisheries Policies on Development in West Africa",

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2001 over visserij en armoedebestrijding[6],

    –   gezien het onderzoek "L'émigration irrégulière vers l'Union européenne au départ des côtes sénégalaises" door Juliette Hallaire van september 2007, gepubliceerd door de Internationale Organisatie voor Migratie,

    –   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie visserij (A6‑0137/2008),

    A. overwegende dat de Millenniumverklaring van de VN alle landen oproept te zorgen voor coherentie in het ontwikkelingsbeleid,

    B.  overwegende dat de EU vast besloten is te zorgen voor coherentie in het ontwikkelingsbeleid overeenkomstig artikel 178 van het EG-Verdrag, waarin wordt bepaald dat de Gemeenschap bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden, rekening houdt met de doelstellingen van het communautair beleid op het terrein van ontwikkelingssamenwerking,

    C. overwegende dat in paragraaf 35 van de hierboven genoemde Europese consensus inzake ontwikkeling wordt bepaalt dat "De EU (...) vastbesloten [is] maatregelen te nemen om de samenhang tussen de ontwikkelingsaspecten van een aantal sectoren te bevorderen" en dat "Het (...) van belang [is] dat de beleidslijnen op andere gebieden dan ontwikkeling de inspanningen van ontwikkelingslanden ter verwezenlijking van de MDG's ondersteunen",

    D. overwegende dat het hierboven genoemde tweejaarlijkse verslag van de Commissie inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) onder meer concludeert:

         –   dat het PCD-concept nog niet voldoende is omgezet in besluitvormingsprocessen,

         –   dat de EU - ondanks alle inspanningen - bij de ontwikkeling van een doeltreffend          PCD-concept nog steeds in een vroeg stadium verkeert,

         –   dat het voornaamste obstakel voor een betere beleidscoherentie bestaat uit politieke     prioriteiten en belangenconflicten tussen de EU-lidstaten en tussen de   ontwikkelingslanden,

         –   dat er nog altijd een gebrek bestaat aan bewustzijn en kennis over PCD en de  noodzaak van het waarborgen van een continue politieke betrokkenheid op hoog   niveau,

         –   dat de visserij in kustlanden een grote rol kan spelen bij het waarborgen van de  voedselzekerheid, aangezien dit een belangrijke economische sector is,

    E.  overwegende dat de Europese Raad van mei 2005 er zich in zijn conclusies toe verbindt de coherentie in het ontwikkelingsbeleid van de EU te versterken, met name op twaalf prioritaire beleidsterreinen, met inbegrip van handel, visserij, milieu, klimaatverandering, migratie en werkgelegenheid,

    F.  overwegende dat de twee belangrijkste biologische natuurlijke hulpbronnen die de Europese Unie in West-Afrika exploiteert vis en hout zijn, aangezien volgens het Directoraat-generaal Handel van de Commissie ruim 80% van de door de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) uitgevoerde vis en hout naar de Europese Unie gaat,

    G. overwegende dat de VN West-Afrika omschrijft als de meest westelijke regio van Afrika die bestaat uit de volgende 16 landen: Benin, Burkina Faso, Kaapverdië, Ivoorkust, Gambia, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Liberia, Mali, Mauritanië, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Togo (d.w.z. de ECOWAS plus Mauritanië)[7], en overwegende bovendien dat Kameroen vaak als een deel van West-Afrika wordt beschouwd,

    Beleidscoherentie voor ontwikkeling (Policy Coherence for Development - PCD)

    1.  verwelkomt de verhoogde aandacht en inzet voor PCD bij de Commissie, de Raad en de lidstaten, zoals aangetoond door de 12 PCD Commitments, de tweejaarlijkse verslaglegging en enkele andere nieuwe mechanismen;

    2.  benadrukt het belang van beleidscoherentie als bijdrage van de Europese Unie aan de verwezenlijking van de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

    3.  onderstreept het feit dat de politieke wil en inzet om met de belangen van ontwikkelingslanden rekening te houden op alle beleidsterreinen die hen raken, van cruciaal belang is voor het bereiken van meer coherentie in het beleid;

    4.  wijst op de sterke koppelingen tussen het ontwikkelings- en visserijbeleid van de Europese Unie en het beleid op het gebied van ontwikkeling en houthandel, en benadrukt dat maatregelen binnen de communautaire beleidsterreinen visserij en hout grote invloed hebben op lokale duurzame ontwikkeling;

    5.  herinnert eraan dat de bovengenoemde VN-conferentie over klimaatverandering het significante aandeel heeft erkend van ontbossing in de emissie van broeikasgassen en daarmee in klimaatverandering, en onderstreept de noodzaak om ontwikkelingslanden te steunen bij hun streven naar instandhouding en duurzaam beheer van hun bossen; dringt erop aan dat de EU en de lidstaten substantiële financiële bijdragen leveren aan internationale initiatieven op het gebied van instandhouding en duurzaam gebruik en beheer van de bossen in ontwikkelingslanden en met name ondersteuning bieden aan Afrikaanse landen;

    Hout

    6.  vreest dat de tropische ontbossing een van de belangrijkste factoren is van de klimaatverandering, die verantwoordelijk is voor circa 20% van de totale door mensen veroorzaakte jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen en die het bestaansmiddel vernietigt van miljoenen lokale en inheemse gemeenschappen;

    7.  is bezorgd dat de goedkope invoer van illegaal hout en bosbouwproducten, in combinatie met de niet-naleving van de regels door sommige industriële spelers met minimale maatschappelijke en milieunormen, de internationale markten destabiliseert en de belastinginkomsten van de producerende landen drukt;

    8.   vindt het zorgwekkend dat, volgens gegevens van de FAO, minder dan 7% van de bosgebieden in de wereld een milieukeurmerk heeft en minder dan 5% van de tropische bossen duurzaam wordt beheerd;

    9.  is blij met het feit dat de Commissie in West-Afrika officiële onderhandelingen voert met Ghana en Kameroen en inleidende besprekingen met Liberia met het oog op de ondertekening van vrijwillige partnerschapsovereenkomsten voor toezicht op de wettelijkheid van de directe uitvoer van houtproducten naar de Europese Unie;

    10. benadrukt dat programma's voor de instandhouding van bossen, met inbegrip van de Forest Carbon Partnership Facility (FCPF) en het EU-actieplan inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT), de traditionele en gewoonterechten van autochtone en lokale gemeenschappen op het gebruik van hun bossen moeten waarborgen in overeenstemming met de VN-verklaring over de rechten van inheemse volkeren;

    11. roept de Commissie op positief te reageren op verzoeken om financiering van duurzame initiatieven op het gebied van bosbeheer in het kader van hulpprogramma's en nationale strategiedocumenten;

    12. verzoekt de Commissie een Mededeling in te dienen ter vaststelling van de Europese aanpak van, betrokkenheid bij en steun aan bestaande en toekomstige financieringsmechanismen ter bevordering van de bosbescherming en de verlaging van emissies ten gevolge van de ontbossing, onder meer overeenkomstig het UNFCCC/Protocol van Kyoto en de Forest Carbon Partnership Facility; in deze Mededeling moet het engagement van de Europese Unie worden vastgelegd voor het leveren van fondsen om ontwikkelingslanden te helpen bij de bescherming van hun bossen, de financiering van beschermde bosgebieden en de bevordering van economische alternatieven voor de vernietiging van bossen;

    13. roept de Commissie en de lidstaten op de tenuitvoerlegging te bespoedigen van het bovengenoemde EU FLEGT actieplan en de richtlijn met het doel illegale houtkap en -handel te bestrijden, het gebruik van duurzaam geproduceerde houtproducten uit te breiden en het aantal partnerlanden aanzienlijk te verhogen;

    14. roept de Commissie met name op om tijdens deze zittingsperiode een uitvoerig wetsvoorstel te presenteren ter voorkoming van het in de handel brengen van hout en houtproducten afkomstig uit illegale en destructieve bronnen;

    15. dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan de aanneming en tenuitvoerlegging te bespoedigen van een groen beleid van overheidsopdrachten op Europees, nationaal en lokaal niveau, dat de aankoop begunstigt van houtproducten met een milieukeurmerk, en dan vooral houtproducten die zijn gecertificeerd volgens de normen van de Raad voor Goed Bosbeheer (Forest Stewardship Council);

    Vis

    16. onderstreept de grote afhankelijkheid van de West-Afrikaanse landen van de visserij als bron van werk, voedselzekerheid, eiwitten, overheidsinkomsten en buitenlandse valuta; zoals wordt aangetoond in een recente casestudy van de Internationale Organisatie voor Migratie, waarin de neergang van de lokale visindustrie wordt aangewezen als een van de belangrijkste oorzaken van de migratie vanuit Senegal;

    17. neemt met voldoening kennis van de op dit gebied geboekte vooruitgang en moedigt deze aan, maar toont zich ook verder bezorgd over het langzame tempo en de terughoudendheid van sommige landen in de regio als het gaat om de bescherming van hun eigen bestanden; betreurt dat de duurzaamheid van de natuurlijke biologische rijkdommen, waaronder de visbestanden, en de voordelen van een duurzame exploitatie ondanks de inspanningen van de EU in het kader van de overeenkomsten nog steeds geen prioriteit hebben voor deze landen, maar vaak ondergeschikt zijn aan politieke en economische belangen;

    18. dringt er dan ook bij de Commissie op aan dat zij onderzoek doet naar deze kwestie en naar het duidelijke verband tussen de migratieniveaus van immigranten uit West-Afrikaanse landen naar de Europese Unie en het sterke verval van de visbestanden voor de kust van West-Afrika;

    19. roept de Commissie en de regeringen van de West-Afrikaanse landen er toe op de illegale visvangst in te dammen en de visbestanden te monitoren en te controleren om een einde te maken aan het sterke verval van de visbestanden voor de kust van West-Afrika;

    20. vindt dat de visstanden in West-Afrika significante mogelijkheden bieden voor lokale ontwikkeling en als bijdrage aan de voedselzekerheid; stelt met bezorgdheid vast dat volgens de meest recente wetenschappelijke analyses van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan in 2006, veel bestanden in West-Afrika overbevist worden en ten minste één bestand met uitsterven wordt bedreigd;

    21. vindt dat een evaluatie van de coherentie tussen het ontwikkelings- en het visserijbeleid van de Gemeenschap tal van aspecten omvat die verder reiken dan de bilaterale visserijpartnerschapsovereenkomsten die met verschillende derde landen in West-Afrika zijn gesloten; van even groot belang is het communautair beleid op het gebied van:

         –     de monitoring van, de controle en het toezicht op de wateren voor de kust van West- Afrika, en de bijdrage van de EU aan de strijd tegen de illegale, niet-aangegeven en   niet-gereglementeerde visserij;

         –     ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek naar visbestanden en de structuur van  het ecosysteem;

         –     de export en het omvlaggen van communautaire vaartuigen naar West-Afrika;

         –     fytosanitaire normen voor de invoer van vis en andere niet-tarifaire      handelsbelemmeringen;

         –     het marktbeleid van de EU en de soorten en hoeveelheden vis die uit West-Afrika      worden geïmporteerd;

    22. verzoekt de Commissie om, aangezien er nog geen volledige overeenstemming is over de te ondertekenen economische partnerschapsovereenkomsten (EPA's) met de West-Afrikaanse landen, verder te gaan volgens de agenda voor coherentie in het ontwikkelingsbeleid bij de onderhandelingen over overeenkomsten over hout en vis in het kader van het EPA-proces;

    23. maant de Commissie nogmaals tot stappen richting het uiteindelijke doel van de EPA's: bevordering van regionale integratie en versterking van de economische positie van de ACS-landen, en benadrukt in dit verband met name de positie van de West-Afrikaanse landen;

    24. is van mening dat het visserijbeleid van de Europese Unie, inclusief de betrekkingen met West-Afrika, in overeenstemming moet zijn met de FAO-gedragscode voor een verantwoorde visserij van 1995;

    25. spreekt zijn voldoening uit over het feit dat zeven West-Afrikaanse landen visserijovereenkomsten met de Europese Unie hebben gesloten volgens de nieuwe formule van associatieovereenkomsten waarin naast de oorspronkelijke doelstelling inzake de bescherming van de belangen van de communautaire vloot clausules zijn opgenomen op grond waarvan een derde land programma's moet opstellen die een duurzame exploitatie van de visbestanden waarborgen;

    26. is van mening dat de toegenomen vangstcapaciteit in een regio met een relatief zwak visserijbeheersysteem en onvoldoende middelen om toezicht en controle uit te oefenen op de activiteiten van vissersboten, heeft bijgedragen aan de problematische situatie van de visstand in de regio; en verwelkomt daarom het stopzetten in 2005 van subsidies voor de overdracht van vangstcapaciteiten van de Gemeenschap naar West-Afrika;

    27. merkt op dat wanneer de EU haar activiteiten in de West-Afrikaanse wateren vermindert, haar plek mogelijk wordt ingenomen door vloten uit andere landen, die wellicht niet dezelfde duurzaamheidsbeginselen hanteren;

    28. is van mening dat met name met betrekking tot de visbestanden het accent in de eerste plaats moet worden gelegd op de volgende aspecten:

         –   regelmatige evaluatie van de visbestanden via onderzoekscampagnes van          oceanografische schepen met onderzoekers uit de EU en uit het betrokken derde land   met betrekking tot de visbestanden die beschikbaar zijn in alle EEZ van landen   waarmee partnerschapsovereenkomsten inzake de visserij zijn gesloten,

         –   verbetering van de infrastructuur op het land, zowel de haveninfrastructuur als de           voorziening- en vervoersinfrastructuur, met als doel de toegang van schepen van de   EU en andere landen voor herstelwerkzaamheden, lossen, overslag, enz., te   verbeteren, hetgeen derde landen extra inkomsten oplevert,

         –   aanpassing van de hygiëne- en gezondheidsvoorschriften, aangezien de meeste van        deze landen op dit gebied ernstig tekortschieten, hetgeen hen in een aantal gevallen   zelfs belet te profiteren van de mogelijke preferentiële toegang van hun export tot de   communautaire markt,

         –   diensten voor controle en toezicht, via de oprichting van controlecentra, de opleiding     van inspecteurs of de aanschaf van patrouilleboten en vliegtuigen, aangezien deze   landen niet over de noodzakelijke technische en personele middelen beschikken om   deze taken te vervullen,

         –   totstandbrenging van een juridisch kader om de bescherming van de huidige en  potentiële communautaire investeringen te waarborgen die hoofdzakelijk voortvloeien   uit de oprichting van gemengde vennootschappen die momenteel met te veel   belemmeringen worden geconfronteerd om in het derde land te investeren,   voornamelijk als gevolg van het verloren gaan van de controle over de bedrijven en de   rechtsonzekerheid in vrijwel alle landen in de regio; dergelijke joint ventures mogen   niet leiden tot een extra toename van de vangstcapaciteit op lokaal noch op regionaal   niveau,

         –   invoering van programma's inzake duurzaam visserijbeheer waarmee de activiteiten       van de lokale sectoren worden geregeld en de algemeen geldende, maar biologisch   onhoudbare praktijk van de vrije toegang aan banden wordt gelegd;

    29. roept de Gemeenschap op de hoogte van de betaling voor overeenkomsten los te koppelen van de omvang van de vangstmogelijkheden die in ruil daarvoor worden verleend, omdat dat het derde land kan ontmoedigen om de toegang te beperken wanneer de voorraden zijn uitgeput of kan leiden tot een plotse en significante vermindering van de inkomsten voor de regering van het derde land;

    30. roept de Europese Unie op de volgende maatregelen te nemen met het doel de visserijactiviteiten in West-Afrika duurzaam te maken en af te stemmen op het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap, ongeacht of die activiteiten plaatsvinden volgens de voorwaarden van een partnerschaps- of onderhandse overeenkomst:

         –   het verrichten van een betrouwbare beoordeling van de desbetreffende visstand            alvorens tot vangst over te gaan, en vervolgens met regelmatige tussenpozen,

         –   als de Afrikaanse visstand is uitgeput, moeten de Europese en andere buitenlandse        schepen de eerste stap nemen ter vermindering van de vangst,

         –   het opzetten van langetermijnprogramma's voor het verrichten van wetenschappelijke    beoordelingen van de status van en trends in de visstanden alsmede hun ecologische   relatie en de invloed van de vangst op die standen, en het ondersteunen van de West-  Afrikaanse onderzoekscapaciteit,

         –   het nauwkeurig, betrouwbaar en tijdig openbaar rapporteren van de vangsten en           activiteiten van Europese schepen in derde landen,

         –   het leveren van hulp voor het opzetten van referentielaboratoria om hen in staat te         stellen eenvoudiger te voldoen aan de fytosanitaire eisen voor export naar de EU,

         –   het samen met de West-Afrikaanse partners van de Europese Unie opstellen van een    programma ter bestrijding van illegale, niet gerapporteerde en niet gereguleerde   visvangst, met inbegrip van een regionaal surveillanceplan in de trant van de   overeenkomst die werd gesloten met de Commissie voor de Indische Oceaan; en de   West-Afrikaanse capaciteit ondersteunen voor een doeltreffend(e) beheer van en   controle op de visserijactiviteiten van zowel schepen uit het eigen land als het   buitenland,

         –   het raadplegen van plaatselijke gemeenschappen over de voorwaarden van de  overeenkomst,

         –   het nemen van maatregelen om na te gaan of lokale vissers en vloten prioritaire  toegang hebben tot visbestanden,

         –   het opzetten van langetermijnprogramma's die de toegevoegde waarde van de lokale    verwerkingsindustrieën vergroten door ervoor te zorgen dat lokaal gevangen vis ter   plaatse kan worden verwerkt en vervolgens naar de EU wordt geëxporteerd,

         –   het huidige stelsel van herkomstregels te herzien en aan te passen, zodat ze een  weerslag vormen van de plaatselijke omstandigheden en realiteit;

    31. moet toegeven dat, ondanks het feit dat de financiële tegenprestaties in het kader van de visserijovereenkomsten voortaan een essentieel deel van de totale begroting van sommige derde landen uitmaken waarbij de investeringen van de scheepseigenaren en de - ook financiële - medewerking van de lidstaten in bilateraal verband moeten worden opgeteld, de medewerking ten behoeve van duurzame ontwikkeling niet alleen van het gemeenschappelijk visserijbeleid kan komen, maar dat ook de overige communautaire beleidsterreinen, met name ontwikkelingssamenwerking, erbij moeten worden betrokken om de politieke en sociaaleconomische voorwaarden te creëren die deze landen in staat stellen via administratieve en financiële inspanningen het potentieel van hun natuurlijke biologische rijkdommen volledig en op duurzame wijze te benutten;

    32. dringt aan op betere coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten bij hun ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, inclusief het stellen van prioriteiten en doelen;

    33. betreurt het feit dat de duurzaamheidseffectbeoordeling (DEB) van de EU-ACS-economische partnerschapsovereenkomsten van mei 2007 in opdracht van de Commissie geen onderzoek doet naar de bosbouwsectoren en alleen kijkt naar visserijkwesties;

    34. verzoekt de Commissie

         –   in algemene zin steeds gedetailleerdere DEB's uit te voeren,

         –   aspecten van coherentie in het ontwikkelingsbeleid verder in de DEB's te          mainstreamen,

         –   opdracht te geven voor twee DEB's van de EPA's in West-Afrika met speciale  aandacht voor coherentie in het ontwikkelingsbeleid in de hout- en de visserijsector,   met inbegrip van een beoordeling van het effect op lokale en inheemse   gemeenschappen;

    35. concludeert dat het FLEGT-proces en de nieuwe generatie herziene visserijpartnerschapsovereenkomsten vanaf 2003 een belangrijk uitgangspunt vormen voor ontwikkelingsvriendelijk beleid, maar benadrukt dat het visserij- en houtbeleid van de EU ten opzichte van West-Afrika moet worden verbreed en uitgebreid teneinde een daadwerkelijke beleidscoherentie voor ontwikkeling mogelijk te maken;

    36. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretariaten van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, ECOWAS, de Afrikaanse Unie, de OESO, de Subregionale Visserijcommissie en de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, de regering van alle ECOWAS-landen alsmede aan Mauritanië en Kameroen.

    • [1]  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
    • [2]  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. Overeenkomst laatstelijk gewijzigd door Besluit nr. 1/2006 van de ACS-EG-Raad van Ministers (PB L 247 van 9.9.2006, blz. 22).
    • [3]  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27.
    • [4]  Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0195.
    • [5]  Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0300.
    • [6]  PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 353.
    • [7]  De VN-regio omvat eveneens het eiland St.-Helena,een Britse overzees gebied in het zuiden van de Atlantische Oceaan, dat in de onderhavige resolutie niet in aanmerking wordt genomen.

    TOELICHTING

    In de Europese Consensus over het ontwikkelingsbeleid van december 2005 maken de instellingen van de Europese Gemeenschap en de EU-lidstaten gezamenlijk hun doel kenbaar om beleidscoherentie voor ontwikkeling te verwezenlijken. Daaronder wordt de systematische controle verstaan op de gevolgen van verschillend EU-beleid - zoals het handels-, landbouw- of visserijbeleid - voor ontwikkelingslanden. Ook in artikel 35 van Europese consensus inzake ontwikkeling wordt het belang van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) benadrukt. Aangezien PCD intussen een belangrijk onderdeel uitmaakt van de ontwikkelingssamenwerking van de EU, behoort de controle van andere beleidsterreinen op overeenstemming met het ontwikkelingsbeleid tot de taken van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. Uit artikel 35 van de Europese consensus volgt derhalve een nieuwe wettelijke taak voor de Commissie ontwikkelingssamenwerking tot parlementaire controle van de omzetting van de coherentierichtsnoer.

    Op uitnodiging van de Raad heeft de Europese Commissie op 20 september 2007 voor het eerst een uitvoerig verslag over PCD overgelegd, dat vanaf nu om de twee jaar zal verschijnen. In dat omvangrijke document, dat berust op een enquête onder alle lidstaten, stelt de Commissie onder meer vast:

    Ø De EU staat wat betreft de omzetting van PCD nog aan de basis. Het concept is nog niet in voldoende mate op alle beleidsterreinen overgenomen.

    Ø Een belangrijk obstakel voor PCD is politieke prioriteits- en belangenverstrengeling tussen zowel EU-lidstaten als derde landen. PCD kan derhalve alleen gerealiseerd worden wanneer de hoogste politieke geledingen zich daarvoor inzetten.

    Ø Op veel vlakken bestaat momenteel nog een gebrek aan bewustzijn en kennis over de gevolgen van het beleid voor de ontwikkelingskansen van andere landen.

    Dankzij dit verslag besteedt nu ook het Parlement, dat in het verleden de falende coherentie vanuit het oogpunt van het ontwikkelingsbeleid herhaaldelijk heeft gehekeld, meer aandacht aan PCD als onderwerp. Om het onderwerp in de voor een eigen initiatiefverslag vastgestelde beknoptheid naar behoren te kunnen behandelen, moet het geografisch en thematisch worden begrensd.

    Bovendien is er een fundamenteel probleem aan het licht gekomen rond de controle op de coherentie door het Europees Parlement. Aangezien het gaat om samenwerking op verscheidene beleidsterreinen, beschikken meestal ook meerdere EP-commissies over een thematische bevoegdheid. Dat leidt tot institutionele bevoegdheidsconflicten. De leidende functie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking bij de controle vanuit ontwikkelingsoogpunt wordt deels in twijfel getrokken, temeer omdat de grotere bevoegdheid van de Commissie ontwikkelingssamenwerking in het relatief nieuwe DCI nog niet voldoende zichtbaar is. In het geval van dit verslag zijn we het er na lang debatteren met de Commissie visserij over eens geworden dat het verslag ingaat op de gevolgen van de exploitatie door de EU in West-Afrika van bepaalde natuurlijke, biologische hulpbronnen, met name hout en vis. Mijnbouw en oliewinning laten we bewust buiten beschouwing, aangezien die hulpbronnen niet meer aangroeien en niet duurzaam te exploiteren zijn.[1] Geografisch hebben we ons beperkt tot West-Afrika. Volgens de definitie van de VN behoren daar de ECOWAS-regio en Mauritanië toe. Ook Kameroen wordt regelmatig toegevoegd. Volgens de gegevens van het Directoraat-generaal handel van de EU, het DG TRADE, importeert de EU circa 80% van de uit de ECOWAS-landen geëxporteerde hout en vis. Als grootste afnemer oefent de EU daar aanzienlijke invloed uit.

    Hout en bosbouw

    De internationale gemeenschap heeft op Bali duidelijk erkend dat de vernietiging van bossen een van de voornaamste oorzaken is van de klimaatverandering en dat die dringend een halt moet worden toegeroepen. Afrika is nu al een van de regio's op aarde die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen. Daarom werd tijdens de 13e zitting van de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) een nieuw fonds (Forest Carbon Partnership Facility) in het leven geroepen ter ondersteuning van programma's ter bescherming van bossen in de armste landen ter wereld. De EU en haar lidstaten moeten dringend een grotere bijdrage aan dit fonds gaan leveren. De EU zou voor de financiering kunnen terugvallen op de regelmatig beschikbaar komende overschotten op haar landbouwbegroting.

    Uit onderzoeken komt bovendien duidelijk de relatie naar voren tussen de ontbossing, de door het klimaat bepaalde woestijnvorming en de grotere migratiedruk vanuit het Afrikaanse binnenland naar de kust. De Europese Unie moet conclusies uit die informatie trekken en deze samenhang in haar ontwikkelings- en buitenlands economisch beleid meer gewicht toekennen.

    In Kameroen en andere West-Afrikaanse landen wordt de bosbouw door Europese bedrijven gedomineerd. Door gebrekkige regelgeving en controle wordt een belangrijk deel van het hout illegaal en niet duurzaam gekapt. Als reactie op deze situatie heeft de EU in 2005 de FLEGT-verordening (Forest Law Enforcement, Governance and Trade) uitgevaardigd. Die moet de illegale houtkap bestrijden. Maar daarbij gaat er te weinig aandacht uit naar de noodzaak van de ontwikkeling van ecologisch en sociaal duurzame bosbouw. Ook moet er meer rekening worden gehouden met de rechten en belangen van de bosbewoners en de bevolking die van het bos afhankelijk is. De EU moet plaatselijke initiatieven voor een duurzaam, ecologisch zinvol bosbeheer dat de mensenrechten eerbiedigt hoognodig sterker ondersteunen. Als leidraad moeten de criteria dienen die gelden voor het keurmerk van de Raad voor Goed Bosbeheer (Forest Stewardship Council - FSC). Ook de inkoop door instellingen van de EU en haar lidstaten moet stapsgewijs aan deze criteria worden aangepast met het doel alleen nog maar de import in de EU toe te staan van hout en houtproducten met een duidelijk certificaat van oorsprong uit duurzaam beheerde bossen. Tussenhandel via derde landen, zoals Rusland of China, moet in dit verband doeltreffend worden verhinderd.

    Vis en zeefauna

    De West-Afrikaanse economieën zijn voor een groot deel van de visserij afhankelijk als voedselbron, exportproduct en bedrijfstak voor werkgelegenheid. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de zee voor West-Afrika een van de sterkst beviste wateren van de wereld is. Voor tal van soorten bestaan duidelijke aanwijzingen van overbevissing. De internationale concurrentie van de vloten en de gebrekkige controlemechanismen voor de kust van West-Afrika leiden tot illegale vangst op grote schaal. Dat resulteert weer in een aanmerkelijke afname in de vangst van de lokale vissers.

    In het kader van de partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied wordt weliswaar sinds 2002 geprobeerd consequenties te trekken uit deze feiten, maar de overeenkomsten vervullen slechts ten dele de normen van de FAO-richtsnoeren voor verantwoordelijke visserij. Bovendien omvatten de partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied maar een deel van de betrekkingen in de maritieme sector tussen de EU en West-Afrika.

    Zo wordt onvoldoende rekening gehouden met de volgende gebieden:

    · handel,

    · wetenschappelijk onderzoek naar de visstand,

    · toezicht en controle op de visgronden,

    · uitvoer en uitvlaggen van EU-schepen.

    Vooral het toezicht op de visgronden moet meer aandacht en middelen krijgen. Noodzakelijk zijn:

    · programma's voor toezicht op de West-Afrikaanse visgronden - goede voorbeelden zijn het jaren lang door Luxemburg gefinancierde, maar jammer genoeg beëindigde programma en het huidige programma voor de Indische Oceaan. De programma's moeten ook strengere controles op de EU-vloot omvatten. In dat verband moet worden nagegaan in hoeverre in het kader van de ontwikkelingshulp van de Europese Unie gerichte steun kan worden verleend voor de systematische uitbouw van een systeem voor toezicht op de internationale visserijvloten in de West-Afrikaanse visgronden.

    · onderzoeksprogramma's op lange termijn voor de ontwikkeling van de visstand en de zeefauna in het algemeen.

    · studies over de vraag of de handel een oorzaak van de overbevissing is of op welke manier deze beter kan worden voorkomen dan tot nu toe het geval is geweest.

    · het onderzoek naar de milieu- en andere effecten van visserijovereenkomsten moet algemeen gezien omvattender en systematischer worden aangepakt.

    Uit een studie van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) van september 2007 blijkt met betrekking tot Senegal een direct verband te bestaan tussen de neergang van de lokale visserij-industrie en de toenemende emigratie. Nog volgens de IOM zijn in 2006 naar schatting 6.000 Afrikanen om het leven gekomen van de 31.000 die hebben geprobeerd de Middellandse Zee over te steken richting Europa. Volgens tal van experts zijn deze cijfers slechts een zeer voorzichtige schatting en moet worden uitgegaan van een veel tragischer situatie.

    Concluderend kan worden gesteld dat hout en vis twee sleutelproducten zijn voor de economische en sociale ontwikkeling van West-Afrika. De EU kan als grootste afnemer van deze producten een belangrijke rol spelen in de verdere ontwikkeling van de regio in die twee sectoren. Het FLEGT-proces en de nieuwe generatie visserijpartnerschapsovereenkomsten vormen hiervoor een wezenlijke basis. Toch zijn dringend verdere stappen van de Europese Unie nodig in de richting van meer beleidscoherentie. Wij staan immers voor de uitdaging van de kwalitatieve ontwikkeling en de uitbreiding van beide concepten als voorwaarde voor de duurzame ontwikkeling van West-Afrika.

    • [1]  Een resolutie van de ACS behandelt dit thema: ACP resolution on Good Governance, Transparency and Accountability in Relation to the Exploitation of Natural Resources in the ACP Countries.

    ADVIES van de Commissie visserij (*) (27.3.2008)

    aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

    inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling en de gevolgen van exploitatie door de EU van bepaalde biologische natuurlijke hulpbronnen voor de ontwikkeling van West-Afrika
    (2007/2183(INI))

    Rapporteur voor advies (*): Carmen Fraga Estévez

    (*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement

    SUGGESTIES

    De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  spreekt haar voldoening uit over het feit dat zeven West-Afrikaanse landen visserijovereenkomsten met de Europese Unie hebben gesloten volgens de nieuwe formule van associatieovereenkomsten waarin naast de oorspronkelijke doelstelling inzake de bescherming van de belangen van de communautaire vloot clausules zijn opgenomen op grond waarvan een derde land programma's moet opstellen die een duurzame exploitatie van de visbestanden waarborgen;

    2.  neemt met voldoening kennis van de op dit gebied geboekte vooruitgang en moedigt deze aan, maar toont zich ook verder bezorgd over het langzame tempo en de terughoudendheid van sommige landen in de regio als het gaat om de bescherming van hun eigen bestanden; betreurt dat de duurzaamheid van de natuurlijke biologische rijkdommen, waaronder de visbestanden, en de voordelen van een duurzame exploitatie ondanks de inspanningen van de EU in het kader van de overeenkomsten nog steeds geen prioriteit hebben voor deze landen, maar vaak ondergeschikt zijn aan politieke en economische belangen;

    3.  moet toegeven dat, ondanks het feit dat de financiële tegenprestaties in het kader van de visserijovereenkomsten voortaan een essentieel deel van de totale begroting van sommige derde landen uitmaken waarbij de investeringen van de scheepseigenaren en de - ook financiële - medewerking van de lidstaten in bilateraal verband moeten worden opgeteld, de medewerking ten behoeve van duurzame ontwikkeling niet alleen van het gemeenschappelijk visserijbeleid kan komen, maar dat ook de overige communautaire beleidsterreinen, met name ontwikkelingssamenwerking, erbij moeten worden betrokken om de politieke en sociaaleconomische voorwaarden te creëren die deze landen in staat stellen via administratieve en financiële inspanningen het potentieel van hun natuurlijke biologische rijkdommen volledig en op duurzame wijze te benutten;

    4.  is van mening dat met name met betrekking tot de visbestanden het accent in de eerste plaats moet worden gelegd op de volgende aspecten:

         -    regelmatige evaluatie van de visbestanden via onderzoekscampagnes van oceanografische schepen met onderzoekers uit de EU en uit het betrokken derde land met betrekking tot de visbestanden die beschikbaar zijn in alle EEZ van landen waarmee partnerschapsovereenkomsten inzake de visserij zijn gesloten,

         -    verbetering van de infrastructuur op het land, zowel de haveninfrastructuur als de infrastructuur voor ravitaillering en vervoer ten einde de toegang van schepen van de EU en andere landen te vergemakkelijken met het oog op herstelwerkzaamheden, lossen, overslag, enz., hetgeen derde landen extra inkomsten oplevert,

         -    aanpassing van de hygiëne- en gezondheidsvoorschriften, aangezien de meeste van deze landen op dit gebied ernstig tekortschieten, hetgeen hen in een aantal gevallen zelfs belet te profiteren van de mogelijke preferentiële toegang van hun export tot de communautaire markt,

         -    diensten voor controle en toezicht, via de oprichting van controlecentra, de opleiding van inspecteurs of de aanschaf van patrouilleboten en vliegtuigen, aangezien deze landen niet over de noodzakelijke technische en personele middelen beschikken om deze taken te vervullen,

         -    totstandbrenging van een juridisch kader om de bescherming van de huidige en potentiële communautaire investeringen te waarborgen die hoofdzakelijk voortvloeien uit de oprichting van gemengde vennootschappen die momenteel met te veel belemmeringen worden geconfronteerd om in het derde land te investeren, voornamelijk als gevolg van het verloren gaan van de controle over de bedrijven en de rechtsonzekerheid in vrijwel alle landen in de regio,

         -    invoering van programma's inzake duurzaam visserijbeheer waarmee de activiteiten van de lokale sectoren worden geregeld en de algemeen geldende, maar biologisch onhoudbare praktijk van de vrije toegang aan banden wordt gelegd.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    27.3.2008

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    23

    1

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Alfonso Andria, Stavros Arnaoutakis, Elspeth Attwooll, Iles Braghetto, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, Paulo Casaca, Zdzisław Kazimierz Chmielewski, Emanuel Jardim Fernandes, Carmen Fraga Estévez, Ioannis Gklavakis, Alfred Gomolka, Ian Hudghton, Heinz Kindermann, Rosa Miguélez Ramos, Seán Ó Neachtain, Struan Stevenson, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Cornelis Visser

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Ole Christensen, Constantin Dumitriu, Raül Romeva i Rueda, Thomas Wise

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Francesco Ferrari

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    1.4.2008

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    25

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Alessandro Battilocchio, Thijs Berman, Josep Borrell Fontelles, Marie-Arlette Carlotti, Nirj Deva, Hélène Goudin, Alain Hutchinson, Romana Jordan Cizelj, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Gay Mitchell, José Ribeiro e Castro, Toomas Savi, Pierre Schapira, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Luis Yañez-Barnuevo García, Anna Záborská, Mauro Zani

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Mihaela Popa, Anne Van Lancker, Renate Weber