Procedure : 2007/0022(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0154/2008

Ingediende teksten :

A6-0154/2008

Debatten :

PV 19/05/2008 - 20
CRE 19/05/2008 - 20

Stemmingen :

PV 21/05/2008 - 5.3
CRE 21/05/2008 - 5.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0215

VERSLAG     ***I
PDF 264kWORD 489k
15.4.2008
PE 400.698v02-00 A6-0154/2008

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

(COM(2007)0051 – C6‑0063/2007 – 2007/0022(COD))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Hartmut Nassauer

Rapporteur voor advies (*):Dan Jørgensen, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

(*) Medeverantwoordelijke commissie - artikel 47 van het Reglement

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (*)
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

(COM(2007)0051 – C6‑0063/2007 – 2007/0022(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0051),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 175, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6‑0063/2007),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6‑0154/2008),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst  Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 4 bis (nieuw)

 

(4 bis) Duidelijk is dat het succes van de inspanningen om milieucriminaliteit in grensoverschrijdende context aan te pakken zal afhangen van een adequate rol voor organen die de internationale gerechtelijke actie vóór een proces coördineren (Europol, Eurojust, gemeenschappelijke onderzoeksteams) en meer doeltreffendheid van deze organen wat bevoegdheden en organisatie betreft.

Amendement 2

Overweging 5

(5) Indien het opleggen van sancties aan de gerechtelijke in plaats van aan de administratieve instanties wordt toevertrouwd, betekent dit dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de handhaving van de milieuregelgeving komt te liggen bij instanties die onafhankelijk zijn van de instanties die exploitatie‑ en lozingsvergunningen verlenen.

Schrappen

Motivering

Gaat voorbij aan het principe van "loyale samenwerking" en het bestaande rechtsbeginsel van het "effet utile". Bovendien bepaalt artikel 10 van het EG-Verdrag: "De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak".

Amendement 3

Overweging 6

(6) Om te komen tot een doeltreffende bescherming van het milieu is er met name behoefte aan meer afschrikkende sancties voor activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, die veelal aanzienlijke schade veroorzaken of kunnen veroorzaken aan de lucht, met inbegrip van de stratosfeer, de bodem, het water en dieren of planten, met inbegrip van de instandhouding van soorten.

(6) Om te komen tot een doeltreffende bescherming van het milieu is er met name behoefte aan meer afschrikkende sancties voor activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, die veelal aanzienlijke schade veroorzaken of kunnen veroorzaken aan het landschap, de lucht, met inbegrip van de stratosfeer, de vaste aardkorst, de bodem, het water en dieren of planten, met inbegrip van de instandhouding van soorten.

Motivering

In verband met de activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu is er geen sprake van de vaste aardkorst (lithosfeer). De bodem (waar die voorkomt) is louter een buitenste laag - tot 1,5 meter diep - bovenop het moedergesteente.

Afvalstoffen (die ook gevaarlijk of radioactief afval kunnen bevatten) worden ook gedumpt of opgeslagen in oude mijnen of groeven ( en dus in de vaste aardkorst zelf).

Met name open mijnen kunnen ecosystemen op het land ontwrichten en zo aanzienlijke schade veroorzaken.

Amendement 4

Overweging 6 bis (nieuw)

 

(6 bis) De in de bijlagen bij deze richtlijn genoemde wetgeving bevat bepalingen die gekoppeld moeten zijn aan strafrechtelijke maatregelen om te bewerkstelligen dat de regels inzake milieubescherming maximaal doeltreffend zijn.

Amendement 5

Overweging 6 ter (nieuw)

 

(6 ter) De verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn hebben alleen betrekking op de wetgevingsbepalingen in de bijlagen bij de richtlijn die inhouden dat de lidstaten bij de uitvoering van die wetgeving in verbodsmaatregelen voorzien.

Amendement 6

Overweging 9 bis (nieuw)

 

(9 bis) Deze richtlijn verplicht de lidstaten in hun nationale wetgeving strafrechtelijke sancties voor ernstige schendingen van het communautaire milieubeschermingsrecht op te nemen. Zij schept geen verplichtingen met betrekking tot de toepassing van deze sancties of andere beschikbare rechtsinstrumenten in individuele gevallen.

Motivering

Overeenkomstig de uitspraak van het Hof van Justitie van 23 oktober 2007 (C-440/05) kan de communautaire wetgever, hoewel strafrecht en de regels van het strafprocesrecht niet binnen de bevoegdheden van de Gemeenschap vallen, van de lidstaten eisen dat zij voorzien in sancties van deze soort, om ervoor te zorgen dat de wetten die hij op een specifiek terrein goedkeurt, volledig doeltreffend zijn.

Amendement 7

Overweging 11

(11) Bovendien is het wegens de aanzienlijke strafmaatverschillen tussen de lidstaten noodzakelijk om in bepaalde gevallen een onderlinge aanpassing van de strafmaat, afgestemd op de ernst van het delict, tot stand te brengen.

Schrappen

Motivering

Vloeit voort uit het arrest van het HvJ van 23 oktober 2007 (C440/05), waarin wordt bepaald dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap (zie par. 70).

Amendement 8

Overweging 12

(12) Een dergelijke onderlinge aanpassing is van bijzonder belang in het geval van delicten die ernstige gevolgen hebben of die worden gepleegd in het kader van criminele organisaties die een grote rol spelen bij milieucriminaliteit.

Schrappen

Motivering

Vloeit voort uit het arrest van het HvJ van 23 oktober 2007 (C440/05), waarin wordt bepaald dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap (zie par. 70).

Amendement 9

Overweging 12 bis (nieuw)

 

(12 bis) Wanneer blijkt dat een voortdurende activiteit na een bepaalde periode tot milieuschade leidt, die op zijn beurt aanleiding kan geven tot strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van deze richtlijn, moet de vraag of de veroorzaker van de schade opzettelijk of nalatig heeft gehandeld, met betrekking tot het tijdstip worden behandeld waarop de veroorzaker van de schade wist van de feiten van het delict, of deze had moeten weten, en niet met betrekking tot het tijdstip waarop de veroorzaker van de schade met zijn activiteiten begon. Er moet in dit verband op worden gelet dat een eerdere verlening van een vergunning, licensie of concessie onder dergelijke omstandigheden geen rechtvaardiging vormt.

Amendement 10

Overweging 12 ter (nieuw)

 

Het subjectieve kenmerk van de, overeenkomstig deze richtlijn door de lidstaat vast te stellen strafbare feiten, moet opzet of grove nalatigheid zijn. Daarom moet het aan de met vervolging belaste autoriteiten en de rechtbanken in de lidstaten worden overgelaten om strafbare feiten in verband met in het wild voorkomende dier- of plantensoorten, of delen of producten daarvan, niet te vervolgen wanneer de gewraakte handeling een te verwaarlozen hoeveelheid specimens betreft, en een te verwaarlozen invloed heeft op de instandhouding van de desbetreffende soorten, en wanneer de betrokken persoon of personen niet op de hoogte was/waren van de beschermde status van de wilde fauna of flora in kwestie.

Amendement 11

Overweging 13

(13) Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumregels, staat het de lidstaten vrij strengere bepalingen vast te stellen of te handhaven met het oog op de doeltreffende strafrechtelijke bescherming van het milieu.

Schrappen

Motivering

Vloeit voort uit het arrest van het HvJ van 23 oktober 2007 (C440/05), waarin wordt bepaald dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap (zie par. 70).

Amendement 12

Overweging 13 bis (nieuw)

 

(13 bis) Het Euratomverdrag en de daaruit afgeleide wetgeving over de toepassing ervan regelen de milieubescherming met betrekking tot nucleaire activiteit. De wederrechtelijkheid van acties die het milieu aantasten in het kader van nucleaire activiteiten kan bijgevolg alleen worden gedefinieerd door te verwijzen naar het Euratomverdrag en de daaruit afgeleide wetgeving over de toepassing ervan.

Motivering

Hoofdstuk III van het Euratomverdrag is de rechtsgrondslag voor het communautaire optreden op het gebied van milieubescherming met betrekking tot nucleaire activiteit. Het is bijzonder belangrijk dat de tekst wordt aangepast door te specificeren dat het Euratomverdrag de basis voor kwesties in verband met kernenergie blijft. Bijgevolg moet elke schending van op basis van het Verdrag goedgekeurd Gemeenschapsrecht die het gevolg is van nucleaire activiteit, als wederrechtelijk worden beschouwd.

Amendement 13

Overweging 15

(15) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk het garanderen van een doeltreffender bescherming van het milieu, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(15) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk het garanderen van een doeltreffender bescherming van het milieu, bijvoorbeeld door de bestrijding van op grote schaal georganiseerde misdaad die ernstige milieuschade veroorzaakt, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

Amendement 14

Artikel 1

Deze richtlijn stelt maatregelen vast op strafrechtelijk gebied teneinde het milieu doeltreffender te beschermen.

Deze richtlijn stelt maatregelen vast op strafrechtelijk gebied teneinde het milieu doeltreffender te beschermen. De richtlijn betreft enkel de strafrechtelijke aansprakelijkheid, en laat de gemeenschapsrechtelijke of nationaalrechtelijke bepalingen en eventuele daarvan afgeleide bepalingen inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid voor milieuschade onverlet.

Motivering

Het is belangrijk te waarborgen dat strafrechtelijke vervolging de toepassing van de milieuaansprakelijkheidswetgeving, die gericht is op het herstellen van de schade, niet uitsluit.

Amendement 15

Artikel 2, letter (a)

(a) "wederrechtelijk": in strijd met het Gemeenschapsrecht of met een wettelijke bepaling, een bestuursrechtelijk voorschrift of een besluit van een ter zake bevoegd orgaan van een lidstaat gericht op de bescherming van het milieu.

a) "wederrechtelijk": in strijd met het in de bijlage vermelde Gemeenschapsrecht of met een wettelijke bepaling, een bestuursrechtelijk voorschrift of een besluit van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, ter uitvoering van dat Gemeenschapsrecht:

- met betrekking tot activiteiten die onder het Euratomverdrag vallen, in strijd met een communautaire wettelijke bepaling als vastgesteld in bijlage B;

Motivering

Hoofdstuk III van het Euratomverdrag is de rechtsgrondslag voor het communautaire optreden op het gebied van milieubescherming met betrekking tot nucleaire activiteit. Het is bijzonder belangrijk dat de tekst wordt aangepast door te specificeren dat het Euratomverdrag de basis voor kwesties in verband met kernenergie blijft. Bijgevolg moet elke schending van op basis van het Verdrag goedgekeurd Gemeenschapsrecht die het gevolg is van nucleaire activiteit, als wederrechtelijk worden beschouwd.

Amendement 16

Artikel 2, letter (a bis) (nieuw)

 

(a bis) "beschermde in het wild levende dier- en plantensoorten":

 

(i) met betrekking tot het delict conform artikel 3, letter g, de soorten die vermeld worden in:

 

- bijlage IV bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna1;

 

- bijlage 1 bij Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand2, waarnaar ook in artikel 4, lid 2 van deze richtlijn wordt verwezen en tevens

 

(ii) met betrekking tot het, in artikel 3, letter g) bis vermelde, de handel betreffende delict, de soorten die vermeld worden in:

 

- de bijlagen A of B bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer3.

__________________

 

1 PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368).

2 PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG (PB nr. L 363 van 20.12.2006, blz.368).

3 PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1332/2005 van de Commissie (PB L 215 van 19.8.2005, blz. 1).

Amendement 17

Artikel 2, letter a ter)

 

a ter) "beschermde habitat": een habitat van een soort waarvoor een gebied als speciale beschermingszone is ingedeeld overeenkomstig artikel 4, lid 1 of lid 2, van Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979, en elke natuurlijke habitat van een soort waarvoor een gebied als speciale beschermingszone is aangemerkt overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG.

Amendement 18

Artikel 2, letter b)

b) "rechtspersoon": iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of andere overheidslichamen in de uitoefening van hun soevereine rechten en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

b) "rechtspersoon": iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of publiekrechtelijke lichamen bij de uitoefening van soevereine rechten en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

Motivering

Standaardformulering van het begrip "rechtspersoon" in EG-wetten; redactionele wijziging.

Amendement 19

Artikel 2, letter b)

(b) "rechtspersoon": iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of andere overheidslichamen in de uitoefening van hun soevereine rechten en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

(b) "rechtspersoon": iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of andere openbare instellingen die in het kader van de uitoefening van hun publiekrechtelijke prerogatieven optreden, alsmede internationale publiekrechtelijke organisaties.

Motivering

De definities in de richtlijn moeten dezelfde zijn als in andere richtlijnen die door het Parlement zijn goedgekeurd, in dit geval P6_TA(2007)0145 op basis van COM (2006)0168, goedgekeurd op 25 april 2007.

Amendement 20

Artikel 3, inleidende zin

De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende handelingen strafbaar worden gesteld als zij opzettelijk of ten minste uit grove nalatigheid worden begaan:

De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende handelingen een strafrechtelijk delict vormen als zij wederrechtelijk en opzettelijk of ten minste uit grove nalatigheid worden begaan:

Amendement 21

Artikel 3, letter (a)

(a) het lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in de lucht, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen wordt veroorzaakt;

Schrappen

Amendement 22

Artikel 3, letter (b)

(b) het wederrechtelijk lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in de lucht, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(b) het wederrechtelijk lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in het aardoppervlak, of in de lucht, de vaste aardkorst, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, aardkorst, grond, gesteente of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Motivering

Het begrip "wederrechtelijk" is in het inleidend gedeelte van artikel 3 opgenomen en kan dus bij de afzonderlijke letters worden weggelaten.

Er wordt nagelaten de buitenste laag van de lithosfeer te vermelden, waar de topografische situatie (reliëf, blootstelling) een rechtstreekse invloed heeft op de verspreiding van ioniserende straling of andere stoffen.

Amendement 23

Artikel 3, letter (c)

(c) het wederrechtelijk verwerken, met inbegrip van verwijderen en opslaan, vervoeren, uitvoeren of invoeren van afvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijke afvalstoffen, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

c) het verzamelen, vervoeren, terugwinnen of verwijderen van afvalstoffen, waaronder het bedrijfstoezicht op deze procedures en de nazorg voor verwijderingsinstallaties, met inbegrip van de handelingen die door handelaren of makelaars worden verricht (beheer van afval), waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond, gesteente of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Motivering

1. Het begrip "wederrechtelijk" is in het inleidend gedeelte van artikel 3 opgenomen en kan dus bij de afzonderlijke letters worden weggelaten.

2. Wettelijke definitie van het begrip "beheer van afval" onder verwijzing naar "bedrijfstoezicht", conform de toekomstige richtlijn [.../...EG] van het Europees Parlement en de Raad over afvalstoffen (COD/2005/0281).

Amendement 24

Artikel 3, letter (d)

(d) het wederrechtelijk exploiteren van een bedrijf waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen of preparaten worden opgeslagen of gebruikt, waardoor buiten die inrichting de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(d) het exploiteren van een bedrijf waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen of preparaten worden opgeslagen of gebruikt, waardoor buiten die inrichting de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond, gesteente of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Motivering

Het begrip "wederrechtelijk" is in het inleidend gedeelte van artikel 3 opgenomen en kan dus bij de afzonderlijke letters worden weggelaten

Amendement 25

Artikel 3, letter e)

e) het illegaal overbrengen van afvalstoffen, als omschreven in artikel 2, punt 35, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad om het gewin en in niet verwaarloosbare hoeveelheden, ongeacht of de overbrenging tot stand komt door één enkele dan wel door meerdere, kennelijk met elkaar in verband staande verrichtingen;

e) het overbrengen van afvalstoffen, indien deze activiteit valt binnen de werkingssfeer van artikel 2, punt 35, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad om het gewin en in niet verwaarloosbare hoeveelheden;

Motivering

1. Het begrip "wederrechtelijk" is in het inleidend gedeelte van artikel 3 opgenomen en kan dus bij de afzonderlijke letters worden weggelaten.

2. Standaardformulering overeenkomstig de terminologie van de Europese afvalwetgeving.

3. De geschrapte zin behelst geen nieuwe bestanddelen waarvoor regelgeving nodig is en kan derhalve achterwege blijven.

Amendement 26

Artikel 3, letter (f)

(f) het wederrechtelijk vervaardigen, verwerken, opslaan, gebruiken, vervoeren, uitvoeren of invoeren van kernmateriaal of andere gevaarlijke radioactieve stoffen, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(f) het vervaardigen, verwerken, opslaan, gebruiken, vervoeren, verkopen, verdelen, uitvoeren of invoeren van kernmateriaal of andere gevaarlijke radioactieve stoffen, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, vaste aardkorst, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Motivering

De handel in en de distributie van gevaarlijke stoffen wordt niet vermeld

1. Het begrip "wederrechtelijk" is in het inleidend gedeelte van artikel 3 opgenomen en kan dus bij de afzonderlijke letters worden weggelaten.

2. Redactionele wijziging.

Amendement 27

Artikel 3, letter (g)

(g) het wederrechtelijk bezitten, vangen of zich toe-eigenen, beschadigen, doden of verhandelen van specimens van beschermde in het wild levende dier- en plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan;

g) het bezitten, vangen of zich toe-eigenen, beschadigen, verwerken of doden van specimens van beschermde in het wild levende dier- en plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan en het doden of vernietigen van deze specimens, tenzij de handeling betrekking heeft op een verwaarloosbare hoeveelheid van deze specimens en een verwaarloosbaar effect heeft op de staat van instandhouding van de soort;

Amendement 28

Artikel 3, letter (g bis) (nieuw)

 

(g bis) het verhandelen van specimens van beschermde in het wild levende dier- en plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan, tenzij de handeling betrekking heeft op een verwaarloosbare hoeveelheid van deze specimens en een verwaarloosbaar effect heeft op de staat van instandhouding van de soort;

Amendement 29

Artikel 3, letter (h bis)

 

(h bis) het toebrengen van aanzienlijke schade aan een beschermde habitat, onder meer via bouwactiviteiten, steengroevenontginning, ontbossing, graaf- en aanplantingswerkzaamheden en brandstichting of soortgelijke ernstige handelingen;

Amendement 30

Artikel 3, letter (i)

i) het wederrechtelijk verhandelen of gebruiken van ozonafbrekende stoffen.

i) het verhandelen, produceren, op de markt brengen, distribueren of gebruiken van ozonafbrekende stoffen.

Amendement 31

Artikel 4

Deelneming en aanstichting

Uitlokking en medeplichtigheid

De lidstaten zorgen ervoor dat deelneming aan en aanstichting tot de in artikel 3 genoemde handelingen strafbaar worden gesteld.

De lidstaten zorgen ervoor dat uitlokking van en medeplichtigheid aan de in artikel 3 genoemde handelingen strafbaar worden gesteld.

Motivering

1. Beperking van uitlokking en medeplichtigheid tot opzettelijke handelingen.

2. Redactionele wijziging.

Amendement 32

Artikel 5

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de in de artikelen 3 en 4 genoemde delicten wordt bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.

1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het plegen van de in de artikelen 3 t/m 4 genoemde delicten wordt bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemde delicten wordt bestraft met een maximumstraf van ten minste een tot drie jaar gevangenis indien het delict uit grove nalatigheid wordt begaan en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten.

 

3. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de volgende delicten wordt bestraft met een maximumstraf van ten minste twee tot vijf jaar gevangenis:

 

(a) het in artikel 3, onder a), genoemde delict, indien het delict uit grove nalatigheid wordt begaan;

 

(b) de in artikel 3, onder b) tot en met f), genoemde delicten, indien het delict uit grove nalatigheid wordt begaan en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt;

 

(c) de in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemde delicten, indien het delict opzettelijk wordt gepleegd en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten;

 

(d) de in artikel 3 genoemde delicten, indien het delict wordt gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in Kaderbesluit [… inzake de bestrijding van de georganiseerde misdaad].

 

4. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de volgende delicten wordt bestraft met een maximumstraf van ten minste vijf tot tien jaar gevangenis:

 

(a) het in artikel 3, onder a), genoemde delict, indien het delict opzettelijk wordt gepleegd;

 

(b) de in artikel 3, onder b) tot en met f), genoemde delicten, indien het delict opzettelijk wordt gepleegd en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt.

 

5. De strafrechtelijke sancties waarin dit artikel voorziet, kunnen vergezeld gaan van andere sancties of maatregelen, met name:

 

(a) het uitsluiten van een natuurlijke persoon van het verrichten van activiteiten waarvoor officiële toestemming of goedkeuring vereist is, dan wel van het oprichten, beheren of leiden van een onderneming of stichting, wanneer de feiten die tot de veroordeling van die persoon hebben geleid, een duidelijk gevaar van herhaling van dergelijke strafbare activiteiten inhouden;

 

(b) de publicatie van de gerechtelijke uitspraak betreffende de veroordeling of eventuele opgelegde sancties of maatregelen;

 

(c) de verplichting om het milieu in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen.

 

Motivering

Redactionele wijziging.

Vloeit voort uit het arrest van het HvJ van 23 oktober 2007 (C440/05), waarin wordt bepaald dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap (zie par. 70).

Amendement 33

Artikel 7

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een rechtspersoon die aansprakelijk is gesteld voor een delict als bedoeld in artikel 6, kan worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, welke al dan niet strafrechtelijke geldboetes omvatten.

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon die aansprakelijk is gesteld voor een delict als bedoeld in artikel 6, kan worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties,

2. De in lid 1 bedoelde geldboetes bedragen:

 

(a) maximaal ten minste 300 000 tot 500 000 euro in gevallen waarin een in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemd delict uit grove nalatigheid wordt begaan en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten;

 

(b) maximaal ten minste 500 000 tot 750 000 euro in gevallen waarin:

 

(i) het in artikel 3, onder a), genoemde delict uit grove nalatigheid wordt begaan, of

 

(ii) een in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemd delict:

 

- uit grove nalatigheid wordt begaan en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt, of

 

- opzettelijk wordt gepleegd en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten, of

 

(iii) een in artikel 3 genoemd delict opzettelijk wordt gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in Kaderbesluit [… inzake de bestrijding van de georganiseerde misdaad];

 

(c) maximaal ten minste 1.500.000 tot 750 000 euro in gevallen waarin:

 

(i) een in artikel 3, onder a), genoemd delict opzettelijk wordt gepleegd, of

 

(ii) een in artikel 3, onder b) tot en met f), genoemd delict opzettelijk wordt gepleegd en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt.

 

De lidstaten kunnen systemen toepassen waarbij het bedrag van de geldboete evenredig is met de omzet van de rechtspersoon, het verkregen of te verwachten financieel voordeel als gevolg van het plegen van het delict of enige andere indicator van de financiële situatie van de rechtspersoon, op voorwaarde dat een dergelijk systeem voorziet in maximumgeldboetes die ten minste gelijk zijn aan het voor maximumgeldboetes vastgestelde minimum. Lidstaten die een dergelijk systeem willen toepassen ter omzetting van de richtlijn, stellen de Commissie in kennis van dit voornemen.

 

3. Lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd, passen de wisselkoers tussen de euro en hun eigen munt toe zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie op […].

 

4. De sancties waarin dit artikel voorziet, kunnen vergezeld gaan van andere sancties of maatregelen, met name:

 

(a) de verplichting om het milieu in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen;

 

(b) de uitsluiting van het voordeel van een gunstige regeling van de overheid of van overheidssteun;

 

(c) de tijdelijke of permanente uitsluiting van het uitoefenen van industriële of commerciële activiteiten;

 

(d) de plaatsing onder gerechtelijk toezicht;

 

(e) een rechterlijk bevel tot ontbinding;

 

(f) de verplichting om specifieke maatregelen te treffen ter eliminatie van de gevolgen van handelingen zoals die waarop de strafrechtelijke aansprakelijkheid was gebaseerd;

 

(g) de publicatie van de gerechtelijke uitspraak betreffende de veroordeling of eventuele opgelegde sancties of maatregelen.

 

Motivering

1. Redactionele wijziging.

2. Vloeit voort uit het arrest van het HvJ van 23 oktober 2007 (C440/05), paragraaf 66.

Vloeit voort uit het arrest van het HvJ van 23 oktober 2007 (C440/05), waarin wordt bepaald dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap (zie par. 70).

Amendement 34

Artikel 8

Artikel 8

Schrappen

Verslaglegging

 

Uiterlijk op …, en vervolgens elke drie jaar, verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over de uitvoering van deze richtlijn in de vorm van een verslag.

 

Op basis van die verslagen dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad.

 

Motivering

Anders dan in de derde pijler van de Europese verdragen beschikt de Commissie ten aanzien van het communautair recht over de passende instrumenten om naleving af te dwingen. Een verplichte verslaglegging is derhalve een overbodige bureaucratische maatregel.

Amendement 35

Artikel 8 bis (nieuw)

 

Artikel 83 bis

Vaststelling van nieuwe wetgeving

 

Telkens wanneer navolgende milieubeschermingsvoorschriften worden vastgesteld, wordt zo nodig aangegeven dat de bijlagen bij deze richtlijn moeten worden gewijzigd.

Amendement 36

Artikel 9, lid 1, alinea 1

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op […] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

1. De lidstaten doen de nodige bepalingen in werking treden om uiterlijk op […] aan deze richtlijn te voldoen.

Motivering

De geschrapte bepaling moet in een overweging worden opgenomen

Amendement 37

Bijlage A (nieuw)

 

Bijlage A

 

LIJST VAN COMMUNAUTAIRE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN WAARVAN SCHENDING WORDT BESCHOUWD ALS WEDERRECHTELIJK HANDELEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 2, LETTER a VAN DEZE RICHTLIJN

 

- Richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (wordt op 2 januari 2013 ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad);

 

- Richtlijn 72/306/EEG van de Raad van 2 augustus 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (wordt op 2 januari 2013 ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr 715/2007);

 

- Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie;

 

- Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (wordt op 1 juni 2009 ingetrokken en vervangen door de REACH-Verordening - Verordening(EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad);

 

- Richtlijn 77/537/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid- Staten betreffende de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen;

 

- Richtlijn 78/176/EEG van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie;

 

- Richtlijn 79/117/EEG van de Raad van 21 december 1978 houdende verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bevattende bepaalde actieve stoffen;

 

- Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;

 

- Verordening (EEG) nr. 348/81 van de Raad van 20 januari 1981 betreffende een gemeenschappelijke regeling die van toepassing is op de invoer van producten afkomstig van walvisachtigen;

 

- Richtlijn 82/176/EEG van de Raad van 22 maart 1982 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector elektrolyse van alkalichloriden (intrekking voorgesteld);

 

- Richtlijn 83/513/EEG van de Raad van 26 september 1983 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium (intrekking voorgesteld);

 

- Richtlijn 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden( intrekking voorgesteld);

 

- Richtlijn 84/491/EEG van de Raad van 09.10.84 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium (intrekking voorgesteld);

 

- Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw;

 

- Richtlijn 86/280/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (intrekking voorgesteld);

 

- Richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen;

 

- Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;

 

- Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen;

 

- Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen;

 

- Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;

 

- Richtlijn 92/112/EEG van de Raad van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure voor de harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie;

 

- Richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations;

 

- Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's);

 

- Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken;

 

- Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines;

 

- Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;

 

- Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden;

 

Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad;

 

- Richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties;

 

- Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen;

 

- Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG;

 

- Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken;

 

- Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen;

 

- Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;

 

- Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval;

 

- Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;

 

- Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad;

 

- Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties;

 

- Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA);

 

- Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG;

 

- Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking;

 

- Richtlijn 2005/78/EG van de Commissie van 14 november 2005 tot uitvoering van Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking, en tot wijziging van de bijlagen I, II, III, IV en VI daarbij;

 

- Richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd;

 

- Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen;

 

- Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG;

 

- Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad;

 

- Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG;

 

- Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand;

 

- Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;

 

- Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (leidt per 2 januari 2013 tot intrekking van Richtlijn 70/220/EEG);

 

- Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is.

Amendement 38

Bijlage B (nieuw)

.

Bijlage B

LIJST VAN COMMUNAUTAIRE RECHTSREGELS WAARVAN SCHENDING WORDT BESCHOUWD ALS WEDERRECHTELIJK HANDELEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 2, LETTER A, TWEEDE ALINEA, VAN DEZE RICHTLIJN, MET BETREKKING TOT NUCLEAIRE ACTIVITEITEN:

 

- Beschikking 87/600/Euratom van de Raad van 14 december 1987 inzake communautaire regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar.

 

- Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren,

 

- Richtlijn 2003/122/Euratom van de Raad van 22 december 2003 inzake de controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen,

 

- Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof,

Motivering

Hoofdstuk III van het Euratomverdrag is de rechtsgrondslag voor het communautaire optreden op het gebied van milieubescherming met betrekking tot nucleaire activiteit. Het is bijzonder belangrijk dat de tekst wordt aangepast door te specificeren dat het Euratomverdrag de basis voor kwesties in verband met kernenergie blijft. Bijgevolg moet elke schending van op basis van het Verdrag goedgekeurd Gemeenschapsrecht die het gevolg is van nucleaire activiteit, als wederrechtelijk worden beschouwd.


TOELICHTING

I. Algemene achtergrond

De voorgeschiedenis van de ontwerprichtlijn is uitvoerig toegelicht in punt I van het werkdocument van de rapporteur van 12.06.2007, waarover de Commissie juridische zaken beschikt.

II. Arrest van het HvJ van 23.10.2007

Met zijn arrest van 23.10.2007 in de zaak "Commissie versus de Raad inzake het kaderbesluit van de Raad tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van verontreiniging vanaf schepen (C-440/05) heeft het HvJ voor het eerst duidelijk gemaakt dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap. Het voorstel van de Commissie voor de Richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (COM(2007)51) is in tegenspraak met dit arrest en moet dienovereenkomstig worden aangepast.

III. Het ontwerpverslag voor de Commissie juridische zaken

Samenvattend stelt de rapporteur de leden van de Commissie juridische zaken voor de volgende wijzigingen in het ontwerp van de Commissie aan te brengen:

1. In de artikelen 5 en 7 moet het arrest van het HvJ van 23.10.2007 tot uitvoering worden gebracht. Omdat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap, moeten de leden 2 e.v. worden geschrapt.

2. In artikel 2 worden enkele definities als gevolg van de vereiste van duidelijke bepaaldheid gepreciseerd of aangevuld. Gepreciseerd wordt onder meer de definitie van het begrip "wederrechtelijk". Hier worden impliciete bevoegdheden gecreëerd. Aangevuld worden de definities voor de begrippen "beschermde in het wild levende dier- en plantensoorten" en "beschermde habitat".

3. Bij de in artikel 3 bedoelde delicten moet onderscheid worden gemaakt tussen het opzettelijk en uit grove nalatigheid begaan van handelingen. Dit strookt met de structuur van het kaderbesluit van de Raad 2005/667/JBZ van 12.07.2005. Bij de afzonderlijke strafbare feiten moeten met het oog op de rechtszekerheid en de vereiste van duidelijke bepaaldheid enkele preciseringen of aanpassingen aan het nieuwe geldende recht worden aangebracht.

De door de Commissie voorgestelde verplichte verslaglegging door de lidstaten is bureaucratisch en op dit vlak overbodig, omdat met het oog op het communautaire recht - anders dan in de derde pijler van de Europese verdragen - passende instrumenten ter beschikking staan om naleving af te dwingen.

*****


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (*) (27.2.2008)

aan de Commissie juridische zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

(COM(2007)0051 – C6‑0063/2007 – 2007/0022(COD))

Rapporteur voor advies(*): Dan Jørgensen

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement

BEKNOPTE MOTIVERING

Algemene achtergrond

In 1998 heeft de Raad voor het eerst tot actie besloten om het milieu te beschermen door middel van het strafrecht, waarna in 2001 de Commissie met een voorstel voor een richtlijn kwam. Vervolgens bracht het Parlement in 2002 zijn verslag in eerste lezing uit.

Het voorstel beoogde een doeltreffender toepassing van het gemeenschapsrecht inzake milieubescherming, door omschrijving van een minimale reeks delicten die in heel de Gemeenschap strafbaar zouden zijn. De Raad heeft het voorstel van het Parlement en de Commissie echter niet behandeld maar in plaats daarvan in januari 2003 een Kaderbesluit vastgesteld, gebaseerd op de 3e pijler (EU-Verdrag).

Het Europees Hof van Justitie verklaarde dit kaderbesluit echter nietig op grond dat het naar zijn inhoud geheel op milieubescherming scheen te zijn gericht, hetgeen op de grondslag van artikel 175 EG (onder de eerste pijler) had kunnen en moeten gebeuren.

Het gevolg was een leemte in de wet- of regelgeving op dit terrein, want de Raad had zijn door het Hof nietig verklaarde besluit onder de derde pijler vastgesteld zonder dat er eerdere wetgeving onder de eerste pijler bestond.

Daarom meenden zowel het Parlement als de Commissie dat er een nieuw voorstel moest komen, dat vorig jaar werd voorgelegd (COM(2007)0051).

Het voorstel:

De twee meest essentiële en controversiële delen van dit voorstel van de Commissie behelzen: 1) een omschrijving van een aantal geharmoniseerde delicten die door alle lidstaten met strafrechtelijke sancties dienen te worden bestraft, en 2) de harmonisering of onderlinge aanpassing van sancties op bijzonder ernstige milieudelicten door hiervoor een gemeenschappelijk kader af te spreken.

Deze maatregelen werden met het oog op een doeltreffende bescherming van het milieu en een uniforme en evenwichtige wetshandhaving en uitvoering overal in de Gemeenschap nodig geacht.

Het onlangs door het Hof gewezen arrest in de zaak van het kaderbesluit scheepsverontreiniging (arrest van 23 oktober 2007 in zaak C-440/05) heeft deze noodzaak nog versterkt, vooral waar het gaat om de artikelen 5 en 7 van het onderhavige voorstel die strekken tot onderlinge aanpassing van sancties voor natuurlijke personen en rechtspersonen.

Het advies van de Commissie milieubeheer

De rapporteur voor advies acht dit door de Commissie ontworpen kader een geschikt middel voor een doeltreffende bescherming van het milieu en een uniforme en evenwichtige handhaving en uitvoering overal in de Gemeenschap.

Daarom stelt de rapporteur voor advies op deze specifieke punten geen schrappingen of wijzigingen in het voorstel van de Commissie voor.

Op het punt van de delicten wil de rapporteur voor advies de formulering en de betekenis van een aantal aspecten graag versterken. De bescherming van habitats is een belangrijke prioriteit, maar volgens de kritiek vanuit de lidstaten zijn de voorstellen van de Commissie onduidelijk en dubbelzinnig. De rapporteur voor advies stelt daarom een amendement voor om duidelijker en preciezer te omschrijven wat onder "beschermde habitats" moet worden verstaan.

Voorts meent de rapporteur dat er meer nadruk zou moeten worden gelegd op de verantwoordelijkheid van de fabrikanten, exporteurs, importeurs, vervoerders enz.Wanneer er reden is om aan te nemen dat de producten of stoffen van het betrokken bedrijf de dood of ernstige verwonding van personen dan wel aanzienlijke schade aan het milieu kunnen veroorzaken, moeten de verwerking, verkoop, opslag en dergelijke als delict in de zin van de richtlijn worden aangemerkt.

Tenslotte stelt de rapporteur voor de verplichting van de lidstaten duidelijker te doen uitkomen om te zorgen voor meer middelen, personeel en scholing om de milieucriminaliteit volgens deze nieuwe benadering van de richtlijn te kunnen terugdringen.

AMENDEMENTEN

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Door de Commissie voorgestelde tekst  Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 5

(5) Indien het opleggen van sancties aan de gerechtelijke in plaats van aan de administratieve instanties wordt toevertrouwd, betekent dit dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de handhaving van de milieuregelgeving komt te liggen bij instanties die onafhankelijk zijn van de instanties die exploitatie- en lozingsvergunningen verlenen.

(5) Indien het opleggen van sancties aan de gerechtelijke in plaats van aan de administratieve instanties wordt toevertrouwd, betekent dit dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de handhaving van de milieuregelgeving komt te liggen bij de instanties van de lidstaat waar gevaarzetting voor het milieu volgens de wet een strafbaar feit oplevert, welke instanties onafhankelijk zijn van de instanties die exploitatie- en lozingsvergunningen verlenen.

Motivering

Het is belangrijk te bepalen waar de verantwoordelijke voor schade veroorzaakt aan het milieu of de dader van een opzettelijk gepleegd misdrijf dat de dood of ernstige verwonding veroorzaakt, zal worden vervolgd. Gezien het feit dat vervuilende stoffen doorgaans de grenzen overschrijden, zijn de best geplaatste instanties om de zaak te onderzoeken en sancties op te leggen niet de bevoegde instanties van het land waar het risico is ontstaan, maar wel deze van het land waar het milieu en de volksgezondheid schade lijden.

Amendement 2

Overweging 6

(6) Om te komen tot een doeltreffende bescherming van het milieu is er met name behoefte aan meer afschrikkende sancties voor activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, die veelal aanzienlijke schade veroorzaken of kunnen veroorzaken aan de lucht, met inbegrip van de stratosfeer, de bodem, het water en dieren of planten, met inbegrip van de instandhouding van soorten.

(6) Om te komen tot een doeltreffende bescherming van het milieu is er met name behoefte aan meer afschrikkende sancties voor activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, die veelal aanzienlijke schade veroorzaken of kunnen veroorzaken aan het landschap, de lucht, met inbegrip van de stratosfeer, de vaste aardkorst, de bodem, het water en dieren of planten, met inbegrip van de instandhouding van soorten.

Motivering

In verband met de activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu is er geen sprake van de vaste aardkorst (lithosfeer). De bodem (waar die voorkomt) is louter een buitenste laag - tot 1,5 meter diep - bovenop het moedergesteente.

Afvalstoffen (die ook gevaarlijk of radioactief afval kunnen bevatten) worden ook gedumpt of opgeslagen in oude mijnen of groeven ( en dus in de vaste aardkorst zelf).

Met name open mijnen kunnen ecosystemen op het land ontwrichten en zo aanzienlijke schade veroorzaken.

Amendement 3

Overweging 7

(7) Niet-naleving van een wettelijke verplichting om handelend op te treden kan hetzelfde effect hebben als een actieve handeling en derhalve dienen daarop ook dezelfde sancties van toepassing te zijn.

(7) Niet-naleving van een wettelijke verplichting om handelend op te treden kan even zware of nog zwaardere gevolgen hebben dan een actieve handeling en derhalve dienen daarop ook dezelfde sancties van toepassing te zijn.

Amendement 4

Overweging 9

(9) Om te komen tot een doeltreffende bescherming van het milieu moeten ook deelneming aan en aanstichting tot dergelijke activiteiten als strafbare feiten worden aangemerkt.

(9) Om te komen tot een doeltreffende bescherming van het milieu moeten ook deelneming aan en aanstichting tot dergelijke activiteiten of gedragingen bestaande in hetzij handelen hetzij nalaten die schade aan het milieu toebrengen of dreigen toe te brengen, als strafbare feiten worden aangemerkt, waarbij het voorwerp waarmee het feit is gepleegd, met het oog op een daadwerkelijke bescherming van het milieu en overeenkomstig het preventie- en voorzorgsbeginsel, vatbaar moet zijn voor reële voorzorgsmaatregelen.

Amendement 5

Artikel 1

Deze richtlijn stelt maatregelen vast op strafrechtelijk gebied teneinde het milieu doeltreffender te beschermen.

Deze richtlijn stelt maatregelen vast op strafrechtelijk gebied teneinde het milieu doeltreffender te beschermen. De richtlijn betreft enkel de strafrechtelijke aansprakelijkheid, en laat de gemeenschapsrechtelijke of nationaalrechtelijke bepalingen en eventuele daarvan afgeleide bepalingen inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid voor milieuschade onverlet.

Motivering

Het is belangrijk te waarborgen dat strafrechtelijke vervolging de toepassing van de milieuaansprakelijkheidswetgeving, die gericht is op het herstellen van de schade, niet uitsluit.

Amendement 6

Artikel 2, letter a)

(a) "wederrechtelijk": in strijd met het Gemeenschapsrecht of met een wettelijke bepaling, een bestuursrechtelijk voorschrift of een besluit van een ter zake bevoegd orgaan van een lidstaat gericht op de bescherming van het milieu;

(a) "wederrechtelijk": in strijd met het Gemeenschapsrecht of met een wettelijke bepaling, een bestuursrechtelijk voorschrift of een besluit van een ter zake bevoegd orgaan van een lidstaat gericht op de bescherming van het milieu en van de volksgezondheid;

Motivering

De delicten en sancties waarvan sprake in de artikelen 3, 5 en 7 van het voorstel hebben betrekking op kwesties die verband houden met diverse aspecten van het leven en de volksgezondheid alsook van het milieu. Artikel 7 voorziet in specifieke boetes en financiële schadevergoeding met betrekking tot delicten die de dood of ernstig letstel veroorzaken.

Amendement 7

Artikel 2, letter b)

(b) "rechtspersoon": iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of andere overheidslichamen in de uitoefening van hun soevereine rechten en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

(b) "rechtspersoon": iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met inbegrip van staten of andere overheidslichamen in de uitoefening van hun soevereine rechten en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

Motivering

Ook op overheidslichamen moet de milieuwetgeving of de strafrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn zoals voorgeschreven door deze richtlijn.

Amendement 8

Artikel 2, letter b bis) (nieuw)

 

(b bis) "beschermde habitat": elk gebied dat als speciale beschermingszone is aangewezen in de zin van artikel 4, leden 1 en 2 van Richtlijn 79/409/EEG of van artikel 4, lid 4 van Richtlijn 92/43/EEG.

Amendement 9

Artikel 3, letter a)

(a) het lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in de lucht, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen wordt veroorzaakt;

(a) het lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in het aardoppervlak, de lucht, de vaste aardkorst, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen of dieren wordt veroorzaakt;

Amendement 10

Artikel 3, letter b)

(b) het wederrechtelijk lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in de lucht, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(b) het wederrechtelijk lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in het aardoppervlak, de lucht, de vaste aardkorst, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, aardkorst, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Motivering

Er wordt nagelaten de buitenste laag van de lithosfeer te vermelden, waar de topografische situatie (reliëf, blootstelling) een rechtstreekse invloed heeft op de verspreiding van ioniserende straling of andere stoffen.

Amendement 11

Artikel 3, letter c)

(c) het wederrechtelijk verwerken, met inbegrip van verwijderen en opslaan, vervoeren, uitvoeren of invoeren van afvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijke afvalstoffen, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(c) het wederrechtelijk verwerken, met inbegrip van verwijderen en opslaan, vervoeren, uitvoeren of invoeren van afvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijke afvalstoffen, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, aardkorst, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Motivering

In verband met de activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu is er geen sprake van de vaste aardkorst (lithosfeer). De bodem (waar die voorkomt) is louter een buitenste laag - tot 1,5 meter diep - bovenop het moedergesteente.

Afvalstoffen (die ook gevaarlijk of radioactief afval kunnen bevatten) worden ook gedumpt of opgeslagen in oude mijnen of groeven ( en dus in de vaste aardkorst zelf).

Amendement 12

Artikel 3, letter d)

(d) het wederrechtelijk exploiteren van een bedrijf waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen of preparaten worden opgeslagen of gebruikt, waardoor buiten die inrichting de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(d) het onrechtmatig exploiteren, het gebrekkig functioneren tengevolge van verwijtbaar handelen, nalatigheid, onzorgvuldigheid, ondeskundigheid of slecht onderhoud, dan wel het wederrechtelijk exploiteren van een bedrijf waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen of preparaten worden opgeslagen of gebruikt, waardoor buiten die inrichting de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Amendement 13

Artikel 3, letter f)

(f) het wederrechtelijk vervaardigen, verwerken, opslaan, gebruiken, vervoeren, uitvoeren of invoeren van kernmateriaal of andere gevaarlijke radioactieve stoffen, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(f) het wederrechtelijk vervaardigen, verwerken, opslaan, gebruiken, vervoeren, verkopen, verdelen, uitvoeren of invoeren van kernmateriaal of andere gevaarlijke radioactieve stoffen, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, vaste aardkorst, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

Motivering

De handel in en de distributie van gevaarlijke stoffen wordt niet vermeld.

Amendement 14

Artikel 3, letter h)

h) het wederrechtelijk toebrengen van aanzienlijke schade aan een beschermde habitat;

h) elke gedraging die aanzienlijke schade toebrengt aan een beschermde habitat, onder meer via bouwactiviteiten, steengroevenontginning, ontbossing, graaf- en aanplantingswerkzaamheden en brandstichting;

Amendement 15

Artikel 3, letter i bis) (nieuw)

 

(i bis) Het vervaardigen, verwerken, opslaan, gebruiken, vervoeren, uitvoeren of invoeren van:

– genetisch gemodificeerde organismen, de introductie ervan in het milieu, het in de handel brengen van deze organismen en het niet openbaar maken van nieuwe bewijzen betreffende de risico's ervan,

 

– explosieven voor civiel gebruik,

 

– pyrotechnisch materiaal,

 

– chemische stoffen,

 

– biociden en gewasbeschermingsmiddelen

 

waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water, of aan dieren of planten wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt.

Amendement 16

Artikel 3, letter i ter) (nieuw)

 

(i ter) het in- en uitvoeren van illegaal gewonnen hout of biomassa;

Amendement 17

Artikel 3, letter 1 quater) (nieuw)

 

(i quater) het bezitten of in de vaart brengen van zeevervoersmiddelen die een wetenschappelijk bewezen ernstige negatieve invloed hebben op het milieu (onder meer het bezitten of in de vaart brengen van de als 'roestbakken' bekend staande enkelwandige schepen).

Amendement 18

Artikel 4

De lidstaten zorgen ervoor dat deelneming aan en aanstichting tot de in artikel 3 genoemde handelingen strafbaar worden gesteld.

De lidstaten zorgen ervoor dat deelneming aan en aanstichting tot de in artikel 3 genoemde handelingen als strafbare feiten worden aangemerkt, en meer in het algemeen dat gedragingen bestaande in handelen of nalaten die schade aan het milieu toebrengen of veroorzaken, eveneens strafbaar worden gesteld.

Amendement 19

Artikel 4, alinea 1 bis (nieuw)

 

De lidstaten zorgen ervoor dat voorwerpen waarmee het strafbaar feit is gepleegd, resulterend in dreigende dan wel feitelijke schade aan het milieu, met het oog op een daadwerkelijke bescherming van het milieu en overeenkomstig het preventie- en voorzorgsbeginsel, vatbaar zullen zijn voor reële voorzorgsmaatregelen (inbeslagneming).

Amendement 20

Artikel 5, lid 5, letter a)

(a) het uitsluiten van een natuurlijke persoon van het verrichten van activiteiten waarvoor officiële toestemming of goedkeuring vereist is, dan wel van het oprichten, beheren of leiden van een onderneming of stichting, wanneer de feiten die tot de veroordeling van die persoon hebben geleid, een duidelijk gevaar van herhaling van dergelijke strafbare activiteiten inhouden;

(a) het uitsluiten van een natuurlijke persoon of natuurlijke personen van het verrichten van activiteiten waarvoor officiële toestemming of goedkeuring vereist is, dan wel van het oprichten, beheren of leiden van een onderneming, coöperatie, vereniging of stichting, wanneer de feiten die tot de veroordeling van die persoon of deze personen hebben geleid, een duidelijk gevaar van herhaling van dergelijke strafbare activiteiten inhouden;

Amendement 21

Artikel 6, lid 1, inleidende formule

1. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in artikel 3 genoemde delicten die te hunnen voordele worden gepleegd door individueel of als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelende personen die in de rechtspersoon een leidende positie bekleden op grond van:

1. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen - naast hun civielrechtelijke aansprakelijkheid - aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in artikel 3 genoemde delicten die te hunnen voordele worden gepleegd door individueel of als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelende personen die in de rechtspersoon een leidende positie bekleden of zo'n positie bekleedden op het ogenblik dat het delict werd gepleegd of tijdens de periode waarin de nalatigheid plaatsvond, op grond van:

Amendement 22

Artikel 6, lid 1 bis (nieuw)

 

1 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon niet ophoudt wanneer de rechtspersoon ophoudt te bestaan, maar dat, wanneer de veroorzaakte schade en/of het gepleegde delict of de begane nalatigheid niet gedekt zijn, de leden van de rechtspersoon die lid waren van de rechtspersoon op het ogenblik dat het delict werd gepleegd of de nalatigheid plaatsvond, zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk aansprakelijk zijn.

Amendement 23

Artikel 6, lid 3 bis (nieuw)

 

3 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat natuurlijke personen die voor bovengenoemde daden aansprakelijk zijn, tijdelijk of permanent een verbod krijgen een openbaar ambt te bekleden.

Amendement 24

Artikel 7, lid 4, inleidende formule

4. De sancties waarin dit artikel voorziet, kunnen vergezeld gaan van andere sancties of maatregelen, met name:

4. De sancties waarin dit artikel voorziet, gaan zo nodig vergezeld van andere sancties of maatregelen, met name

Amendement 25

Artikel 7 bis (nieuw)

 

Artikel 7 bis

 

Voorzorgsmaatregelen

 

De lidstaten treffen of handhaven passende voorzorgsmaatregelen.

Amendement 26

Artikel 9, lid 1, alinea 1

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op […] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

1. De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om uiterlijk […..] aan deze richtlijn te voldoen. Zij dragen er zorg voor dat de betrokken diensten voldoende personeel en opleiding krijgen om de autoriteiten en rechterlijke instanties in staat te stellen om de opgave van aanzienlijke vermindering van milieucriminaliteit te volbrengen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

PROCEDURE

Titel

Bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

Document- en procedurenummers

COM(2007)0051 – C6-0063/2007 – 2007/0022(COD)

Commissie ten principale

JURI

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ENVI

15.3.2007

 

 

 

Medeverantwoordelijke commissie(s) - datum bekendmaking

12.7.2007

 

 

 

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Dan Jørgensen

24.5.2007

 

 

Behandeling in de commissie

19.12.2007

28.1.2008

 

 

Datum goedkeuring

26.2.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

54

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Margrete Auken, Liam Aylward, Pilar Ayuso, Irena Belohorská, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Magor Imre Csibi, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jill Evans, Karl-Heinz Florenz, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Urszula Krupa, Aldis Kušķis, Peter Liese, Jules Maaten, Linda McAvan, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Dagmar Roth-Behrendt, Guido Sacconi, Karin Scheele, Carl Schlyter, Richard Seeber, María Sornosa Martínez, Antonios Trakatellis, Evangelia Tzampazi, Thomas Ulmer, Marcello Vernola, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman, Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Iles Braghetto, Kathalijne Maria Buitenweg, Philip Bushill-Matthews, Genowefa Grabowska, Jutta Haug, Erna Hennicot-Schoepges, Johannes Lebech, Jiří Maštálka, Alojz Peterle, Lambert van Nistelrooij


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (27.3.2008)

aan de Commissie juridische zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

(COM(2007)0051 – C6‑0063/2007 – 2007/0022(COD))

Rapporteur voor advies: Luis Herrero-Tejedor

BEKNOPTE MOTIVERING

De rapporteur voor het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken wenst aan de rapporteur van de Commissie juridische zaken onderstaande opmerkingen voor te leggen met betrekking tot het voorstel van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht(1).

De rapporteur voor advies is van mening dat wetgeving tot bescherming van het milieu in verregaande mate moet worden gehandhaafd door middel van strafrechtelijke sancties, daar alleen deze voldoende ontmoedigend en afschrikwekkend werken.

Onderhavig Commissievoorstel vervangt het voorstel voor een richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (2001/0076(COD)) met het oog op tenuitvoerlegging van het arrest van het Europees Hof van Justitie (EHvJ) in de zogeheten "milieuzaak"(2) waarbij kaderbesluit 2003/80/JBZ werd geannuleerd. In deze zaak heeft het EHvJ besloten dat de Gemeenschap met betrekking tot het strafrecht van de lidstaten de maatregelen mag nemen die zij noodzakelijk acht om de volledige doeltreffendheid van de inzake milieubescherming vastgestelde normen te verzekeren. Het voorstel uit 2001 moest daarom worden ingetrokken en er moest een nieuw voorstel worden ingediend. In de nieuwe tekst worden de artikelen 1 - 7 van het geannuleerde kaderbesluit in overweging genomen, daar deze hadden moeten worden aangenomen op de grondslag van artikel 175 van het EG-Verdrag en niet op de grondslag van Titel VI van het VEU.

Doel is te zorgen voor gedeeltelijke harmonisatie met betrekking tot de ernstige overtredingen van de milieuwetgeving die in de hele EU moeten worden beschouwd als strafbare feiten. Deze overtredingen moeten kunnen worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties, en in de ernstigste gevallen is de harmonisatie eveneens van toepassing op het niveau van de sancties.

Onlangs heeft het Europees Hof van Justitie (EHvJ) op 23 oktober 2007 arrest gewezen in de zogeheten zaak "verontreiniging vanaf schepen"(3). In dit geval heeft het EHvJ zijn oordeel van 13 september 2005 (milieuzaak) bevestigd. Op de vraag of de Gemeenschap bevoegd was tot bepaling van soort en niveau van de strafrechtelijke sancties die de lidstaten moesten vaststellen, heeft het EHvJ echter duidelijk ontkennend geantwoord(4). Uw rapporteur voor advies betreurt ten zeerste dat het EHvJ deze laatste kwestie niet heeft toegelicht, en de redenering die tot dit besluit heeft geleid, blijft onduidelijk. Met name indien wordt bedacht welke logica achter het voorstel zit (grensoverschrijdende aard van milieumisdrijven) is dit een teleurstellend aspect. Het houdt in dat overtreders de bestaande verschillen tussen wetgevingen van lidstaten nog steeds tot hun eigen voordeel kunnen gebruiken (daar het niveau van de sancties die in verschillende lidstaten voor soortgelijke delicten worden opgelegd zeer verschillend is), aangezien harmonisatie van het niveau van de strafmaatregelen op Gemeenschapsniveau in de huidige situatie kennelijk niet is toegestaan. Uw rapporteur voor advies is dan ook van mening dat harmonisatie van het niveau van strafmaatregelen, om het milieu daadwerkelijk te beschermen, van het allerhoogste belang is en hij betreurt dat deze mogelijkheid de Gemeenschap door het EHvJ wordt onthouden.

Het staat nog te bezien wat het Verdrag van Lissabon (dat vermoedelijk in 2009 in werking treedt) ons op dit punt brengt, daar op dat moment door middel van de medebeslissingsprocedure minimumvoorschriften kunnen worden bepaald met betrekking tot de definitie van strafrechtelijke delicten en sancties(5).

Gezien de grensoverschrijdende aard van milieumisdrijven zou een vastgesteld geheel van minimumnormen inzake milieumisdrijven en sancties een nuttig instrument vormen voor de handhaving van een alomvattende en doelmatige strategie voor bescherming van het milieu.

De rapporteur voor advies geeft de rapporteur van de Commissie juridische zaken dan ook in overweging rekening te houden met onderstaande amendementen:

AMENDEMENTEN

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Door de Commissie voorgestelde tekst  Amendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 11

(11) Bovendien is het wegens de aanzienlijke strafmaatverschillen tussen de lidstaten noodzakelijk om in bepaalde gevallen een onderlinge aanpassing van de strafmaat, afgestemd op de ernst van het delict, tot stand te brengen.

Schrappen

Motivering

Gelet op het arrest van het Hof van 27 oktober 2007 kan deze overweging beter geschrapt worden omdat daarin sprake is van harmonisatie van de strafmaat.

Amendement 2

Overweging 12

(12) Een dergelijke onderlinge aanpassing is van bijzonder belang in het geval van delicten die ernstige gevolgen hebben of die worden gepleegd in het kader van criminele organisaties die een grote rol spelen bij milieucriminaliteit.

(12) Wanneer deze delicten in het kader van criminele organisaties worden gepleegd, moet dat als verzwarende omstandigheid worden aangemerkt.

Motivering

Amendement sluit aan op amendement tot schrapping van overweging 11. Wel is het wenselijk dat het feit dat een ernstig milieudelict in het kader van een criminele organisatie wordt gepleegd als verzwarende omstandigheid geldt. Daardoor wordt de bevoegdheid van de lidstaten om de aard van de straf en de strafmaat te bepalen geenszins aangetast.

Amendement 3

Artikel 3, letter a)

a) het lozen, uitstoten of anderszins introduceren van een hoeveelheid materie of ioniserende straling in de lucht, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen wordt veroorzaakt;

Schrappen

Motivering

Om te kunnen worden bestraft als strafrechtelijk misdrijf, moet een bepaalde handeling noodzakelijkerwijs onwettig zijn (d.w.z. een overtreding vormen van de Gemeenschapswetgeving of van een wet). De mogelijkheid strafrechtelijke sancties op te leggen wegens een handeling die niet onwettig is, moet dan ook worden uitgesloten.

Amendement 4

Artikel 3, letter h bis) (nieuw)

 

h bis) het introduceren in het milieu van niet door de Europese Unie goedgekeurde genetisch gemodificeerde organismen (GGO's);

Motivering

De risico's van GGO's voor mens en milieu zijn nauwelijks bekend. Daarom moeten er überhaupt geen GGO's in het milieu worden geïntroduceerd. Worden er toch GGO's in het milieu geïntroduceerd, dan mag dat alleen met toestemming van de Europese Unie gebeuren. Doelbewuste introductie van niet-goedgekeurde GGO's moet als delict gelden.

Amendement 5

Artikel 4

De lidstaten zorgen ervoor dat deelneming aan en aanstichting tot de in artikel 3 genoemde handelingen strafbaar worden gesteld.

De lidstaten zorgen ervoor dat deelname aan en aanstichting tot de in artikel 3 genoemde opzettelijke handelingen strafbaar worden gesteld.

Motivering

Vanuit juridisch oogpunt kan deelname aan of aanzetting tot onachtzaam gedrag nauwelijks als strafrechtelijk misdrijf worden beschouwd. Uitsluitend opzettelijke deelname en aanzetting kunnen als zodanig worden beschouwd.

Amendement 6

Artikel 5, lid 1

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de in de artikelen 3 en 4 genoemde delicten wordt bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de in de artikelen 3 en 4 genoemde delicten stelselmatig wordt bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties van strafrechtelijke aard.

Motivering

Deze formulering maakt duidelijker dat delicten als genoemd in de artikelen 3 en 4 altijd strafrechtelijk moeten worden vervolgd, waarbij echter niet wordt uitgesloten dat een lidstaat daarnaast niet-strafrechtelijke sancties oplegt (zie mijn amendement op artikel 5, lid 5).

Amendement 7

Artikel 5, lid 2

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemde delicten wordt bestraft met een maximumstraf van ten minste een tot drie jaar gevangenis indien het delict uit grove nalatigheid wordt begaan en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten.

Schrappen

Motivering

In zijn arrest van 23 oktober 2007 (C-440/05, Commissie tegen Raad), bepaalt het Hof van Justitie duidelijk dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap. Om ervoor te zorgen dat het Commissievoorstel strookt met het arrest moeten deze leden worden geschrapt.

Amendement 8

Artikel 5, lid 3

3. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de volgende delicten wordt bestraft met een maximumstraf van ten minste twee tot vijf jaar gevangenis:

Schrappen

(a) het in artikel 3, onder a), genoemde delict, indien het delict uit grove nalatigheid wordt begaan;

 

(b) de in artikel 3, onder b) tot en met f), genoemde delicten, indien het delict uit grove nalatigheid wordt begaan en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt;

 

(c) de in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemde delicten, indien het delict opzettelijk wordt gepleegd en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten;

 

(d) de in artikel 3 genoemde delicten, indien het delict wordt gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in Kaderbesluit [… inzake de bestrijding van de georganiseerde misdaad].

 

Motivering

In zijn arrest van 23 oktober 2007 (C-440/05, Commissie tegen Raad), bepaalt het Hof van Justitie duidelijk dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap. Om ervoor te zorgen dat het Commissievoorstel strookt met het arrest moeten deze leden worden geschrapt.

Amendement 9

Artikel 5, lid 4

4. De lidstaten zorgen ervoor dat het plegen van de volgende delicten wordt bestraft met een maximumstraf van ten minste vijf tot tien jaar gevangenis:

Schrappen

(a) het in artikel 3, onder a), genoemde delict, indien het delict opzettelijk wordt gepleegd;

 

(b) de in artikel 3, onder b) tot en met f), genoemde delicten, indien het delict opzettelijk wordt gepleegd en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt.

 

Motivering

In zijn arrest van 23 oktober 2007 (C-440/05, Commissie tegen Raad), bepaalt het Hof van Justitie duidelijk dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap. Om ervoor te zorgen dat het Commissievoorstel strookt met het arrest moeten deze leden worden geschrapt.

Amendement 10

Artikel 5, lid 5

5. De strafrechtelijke sancties waarin dit artikel voorziet, kunnen vergezeld gaan van andere sancties of maatregelen, met name:

5. Deze strafrechtelijke sancties kunnen vergezeld gaan van aanvullende sancties of maatregelen van bestuurs- of civielrechtelijke aard, zoals:

(a) het uitsluiten van een natuurlijke persoon van het verrichten van activiteiten waarvoor officiële toestemming of goedkeuring vereist is, dan wel van het oprichten, beheren of leiden van een onderneming of stichting, wanneer de feiten die tot de veroordeling van die persoon hebben geleid, een duidelijk gevaar van herhaling van dergelijke strafbare activiteiten inhouden;

(a) het uitsluiten van een natuurlijke persoon van het verrichten van activiteiten waarvoor officiële toestemming of goedkeuring vereist is, dan wel van het oprichten, beheren of leiden van een onderneming of stichting, wanneer de feiten die tot de veroordeling van die persoon hebben geleid, een duidelijk gevaar van herhaling van dergelijke strafbare activiteiten inhouden;

(b) de publicatie van de gerechtelijke uitspraak betreffende de veroordeling of eventuele opgelegde sancties of maatregelen;

(b) de publicatie van de gerechtelijke uitspraak betreffende de veroordeling of eventuele opgelegde sancties of maatregelen;

(c) de verplichting om het milieu in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen.

(c) de verplichting om het milieu in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen.

Amendement 11

Artikel 5, lid 5 bis (nieuw)

 

5 bis. De lidstaten dragen er zorg voor dat het als verzwarende omstandigheid wordt aangemerkt wanneer de in artikel 3 en 4 genoemde delicten worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in het kaderbesluit van de Raad [... ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (COM(2005)0006].

Motivering

Het is wenselijk dat het feit dat een ernstig milieudelict in het kader van een criminele organisatie wordt gepleegd als verzwarende omstandigheid geldt. Daardoor wordt de bevoegdheid van de lidstaten om de aard van de straf en de strafmaat te bepalen geenszins aangetast.

Amendement 12

Artikel 7, lid 2

2. De in lid 1 bedoelde geldboetes bedragen:

Schrappen

(a) maximaal ten minste 300 000 tot 500 000 euro in gevallen waarin een in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemd delict uit grove nalatigheid wordt begaan en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten;

 

(b) maximaal ten minste 500 000 tot 750 000 euro in gevallen waarin:

 

i) het in artikel 3, onder a), genoemde delict uit grove nalatigheid wordt begaan, of

 

(ii)            een in artikel 3, onder b) tot en met h), genoemd delict:

 

- uit grove nalatigheid wordt begaan en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt, of

 

- opzettelijk wordt gepleegd en aanzienlijke schade veroorzaakt aan de lucht, de grond, het water, dieren of planten, of

 

iii) een in artikel 3 genoemd delict opzettelijk wordt gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in Kaderbesluit [… inzake de bestrijding van de georganiseerde misdaad];

 

(c) maximaal ten minste 750 000 tot 1 500 000 euro in gevallen waarin:

 

(i) een in artikel 3, onder a), genoemd delict opzettelijk wordt gepleegd, of

 

(ii)           een in artikel 3, onder b) tot en met f), genoemd delict opzettelijk wordt gepleegd en de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt.

 

De lidstaten kunnen systemen toepassen waarbij het bedrag van de geldboete evenredig is met de omzet van de rechtspersoon, het verkregen of te verwachten financieel voordeel als gevolg van het plegen van het delict of enige andere indicator van de financiële situatie van de rechtspersoon, op voorwaarde dat een dergelijk systeem voorziet in maximumgeldboetes die ten minste gelijk zijn aan het voor maximumgeldboetes vastgestelde minimum. Lidstaten die een dergelijk systeem willen toepassen ter omzetting van de richtlijn, stellen de Commissie in kennis van dit voornemen.

 

Motivering

In zijn arrest van 23 oktober 2007 (C-440/05, Commissie tegen Raad), bepaalt het Hof van Justitie duidelijk dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap. Om ervoor te zorgen dat het Commissievoorstel strookt met het arrest moeten deze leden worden geschrapt.

Amendement 13

Artikel 7, lid 3

3. Lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd, passen de wisselkoers tussen de euro en hun eigen munt toe zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie op […].

Schrappen

Motivering

In zijn arrest van 23 oktober 2007 (C-440/05, Commissie tegen Raad), bepaalt het Hof van Justitie duidelijk dat de vaststelling van soort en niveau van strafrechtelijke sancties niet behoort tot de bevoegdheden van de Gemeenschap. Om ervoor te zorgen dat het Commissievoorstel strookt met het arrest moeten deze leden worden geschrapt.

PROCEDURE

Titel

Bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

Document- en procedurenummers

COM(2007)0051 – C6-0063/2007 – 2007/0022(COD)

Commissie ten principale

JURI

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

LIBE

15.3.2007

 

 

 

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Luis Herrero-Tejedor

20.3.2007

 

 

Behandeling in de commissie

18.12.2007

26.3.2008

 

 

Datum goedkeuring

26.3.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alexander Alvaro, Philip Bradbourn, Giusto Catania, Carlos Coelho, Elly de Groen-Kouwenhoven, Esther De Lange, Panayiotis Demetriou, Gérard Deprez, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Bárbara Dührkop Dührkop, Armando França, Urszula Gacek, Patrick Gaubert, Lilli Gruber, Jeanine Hennis-Plasschaert, Lívia Járóka, Ewa Klamt, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Stavros Lambrinidis, Henrik Lax, Roselyne Lefrançois, Sarah Ludford, Rareş-Lucian Niculescu, Martine Roure, Inger Segelström, Vladimir Urutchev, Ioannis Varvitsiotis, Manfred Weber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Edit Bauer, Anne Ferreira, Ignasi Guardans Cambó, Luis Herrero-Tejedor, Sophia in ‘t Veld, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Metin Kazak, Jean Lambert, Jörg Leichtfried, Siiri Oviir, Nicolae Vlad Popa

(1)

COM(2007)0051 van 9 februari 2007.

(2)

C-176/03, van 13 september 2005.

(3)

C-440/05 (Commissie tegen Raad).

(4)

Paragraaf 70 van het arrest.

(5)

Artikel 69 (f) paragraaf 2, zij het dat het VK, Ierland en Denemarken (en andere lidstaten) aan de "noodrem" kunnen trekken om de vaststelling van desbetreffende strafrechtelijke maatregelen tegen te houden.


PROCEDURE

Titel

Bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

Document- en procedurenummers

COM(2007)0051 – C6-0063/2007 – 2007/0022(COD)

Datum indiening bij EP

9.2.2007

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

JURI

15.3.2007

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

ENVI

15.3.2007

LIBE

15.3.2007

 

 

Medeverantwoordelijke commissie(s)

       Datum bekendmaking

ENVI

12.7.2007

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Hartmut Nassauer

10.4.2007

 

 

Behandeling in de commissie

25.6.2007

26.2.2008

27.3.2008

 

Datum goedkeuring

8.4.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

11

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Carlo Casini, Titus Corlăţean, Marek Aleksander Czarnecki, Bert Doorn, Monica Frassoni, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Piia-Noora Kauppi, Klaus-Heiner Lehne, Alain Lipietz, Antonio López-Istúriz White, Antonio Masip Hidalgo, Hans-Peter Mayer, Manuel Medina Ortega, Hartmut Nassauer, Aloyzas Sakalas, Francesco Enrico Speroni, Daniel Strož, Diana Wallis, Rainer Wieland, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Sharon Bowles, Mogens Camre, Vicente Miguel Garcés Ramón, Jean-Paul Gauzès, Arlene McCarthy, Georgios Papastamkos, Michel Rocard, József Szájer, Jacques Toubon

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Reinhard Rack

Datum indiening

15.4.2008

Juridische mededeling - Privacybeleid