VERSLAG over de bescherming van de prerogatieven van het Europees Parlement voor de nationale rechtbanken

4.6.2008 - (2007/2205(INI))

Commissie juridische zaken
Rapporteur: Giuseppe Gargani
Rapporteur voor advies (*): Jo Leinen, Commissie constitutionele zaken
(*) Medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement

Procedure : 2007/2205(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0222/2008
Ingediende teksten :
A6-0222/2008
Debatten :
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de bescherming van de prerogatieven van het Europees Parlement voor de nationale rechtbanken

(2007/2205(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A6‑0222/2008),

A. overwegende dat het Europees Parlement geen rechtspersoonlijkheid bezit en ten gevolge hiervan bij de verdediging van zijn prerogatieven voor nationale rechtbanken vaak wordt belemmerd door problemen die eigen zijn aan zijn specifieke aard,

B.  overwegende dat het Parlement het initiatiefrecht van de Commissie respecteert, maar wel opkomt voor zijn eigen recht om, krachtens artikel 192 van het EG-Verdrag, tot de Commissie verzoeken te richten tot indiening van wetgevingsvoorstellen,

C. overwegende dat het Europees Parlement uit hoofde van het Verdrag beschikt over een reeks middelen die garanderen dat voornoemde prerogatieven beschermd worden tegenover de andere instellingen van de Gemeenschap, zoals acties wegens in gebreke blijven (art. 232 van het EG-Verdrag) en acties tot nietigverklaring van communautaire handelingen (art. 230 van het EG-Verdrag),

D. overwegende dat, volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de lidstaten verantwoordelijk zijn indien zij nalaten hun uit de Verdragen voortvloeiende verplichtingen na te komen, ongeacht welk staatsorgaan door zijn activiteiten of het achterwege blijven daarvan deze nalatigheid veroorzaakt heeft, ook indien er sprake is van een grondwettelijk onafhankelijke instelling[1],

E.  overwegende dat het Europees Parlement echter niet over dezelfde directe middelen beschikt om zijn prerogatieven te beschermen voor de nationale rechtbanken, meer bepaald in geval van een uitspraak van een nationale rechter die tegen deze prerogatieven indruist, omdat het niet kan deelnemen in nationale gerechtelijke procedures noch zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden om zijn handelingen te verdedigen,

F.  overwegende dat het Europees Parlement evenmin als laatste optie de inbreukprocedure (overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag) tegen een lidstaat kan inleiden, aangezien alleen de Commissie hiertoe bevoegd is,

G. overwegende dat het ontbreken van adequate middelen om zijn prerogatieven effectief te verdedigen een belemmering kan vormen voor de doelmatigheid van het Europees Parlement als politiek en wetgevend orgaan,

H. overwegende dat de beginselen van loyale samenwerking tussen alle instellingen van de Europese Unie en van goed bestuur vereisen dat de werkzaamheden van de instellingen transparant en begrijpelijk zijn, zodat de redenen achter het al dan niet goedkeuren van een bepaald optreden voor iedereen duidelijk zijn,

I.   overwegende dat, om de hierboven beschreven problemen te voorkomen, de middelen ter bescherming van de parlementaire prerogatieven versterkt moeten worden, niet via een wijziging van het EG-Verdrag, maar door uit de ervaring van de nationale parlementen passende oplossingen te extrapoleren die afgestemd zijn op de specifieke situatie van het Europees Parlement,

J.   overwegende dat de bevindingen van het onderzoek dat met het oog daarop is verricht in een significant aantal lidstaten duidelijk aantonen dat de meeste nationale rechtsstelsels aan het nationale parlement van de betrokken lidstaat rechtsmiddelen bieden om de belangen van de assemblee in haar geheel, maar ook die van al haar leden te beschermen,

K. overwegende dat de lidstaten zich uit hoofde van artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap moeten houden aan het beginsel van oprechte en loyale samenwerking en dat het Hof van Justitie heeft bepaald dat de lidstaten moeten "voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de eerbiediging van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming kan verzekeren"[2],

L.  overwegende dat het wenselijk is dat aan het Europees Parlement zo niet dezelfde, dan toch vergelijkbare middelen worden toegekend om zijn prerogatieven te verdedigen voor de rechterlijke macht, ongeacht of het gaat om het Hof van Justitie dan wel de nationale rechtbanken, naar analogie met de beschermingsinstrumenten die de nationale rechtsstelsels ter beschikking stellen van de nationale parlementen,

1.  verlangt dat de Commissie rekening houdt met verzoeken van het Europees Parlement om een inbreukprocedure uit te voeren tegen iedere lidstaat die de parlementaire prerogatieven met voeten treedt; verzoekt om een uitvoerige verklaring met argumenten van de bevoegde commissaris, ingeval het College van commissarissen besluit de verzochte maatregel niet uit te voeren;

2.  stelt voor het statuut van het Hof van Justitie te wijzigen om het Parlement het recht te waarborgen om, in alle gevallen waarin zijn prerogatieven direct of indirect in het gedrang zijn, zijn opmerkingen bij het Hof in te dienen zodat het besluit om het Parlement in een zaak te betrekken, wanneer het niet formeel partij in het proces is, niet wordt overgelaten aan de discretie van het Hof van Justitie, zoals nu het geval is op grond van artikel 24, lid 2, van het Statuut van het Hof;

3.  stelt voor een diepgaand onderzoek in te stellen naar de vraag of het juridische model van artikel 300, lid 6, van het EG-Verdrag kan worden toegepast op gevallen waarin de prerogatieven van het Europees Parlement ernstig bedreigd worden, zodat het Parlement de mogelijkheid krijgt om het Hof van Justitie te verzoeken zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een bepaalde handeling van nationaal recht met het primaire gemeenschapsrecht, onverminderd de exclusieve bevoegdheid van de Commissie om al dan niet een inbreukprocedure in te leiden tegen een land dat zich schuldig zou hebben gemaakt aan een schending;

4.  verzoekt de bevoegde commissie een wijziging in artikel 121 van zijn Reglement voor te bereiden om ervoor te zorgen dat alle gerechtelijke procedures voor alle soorten van rechtbanken in aanmerking worden genomen en dat wordt voorzien in een vereenvoudigde procedure die wordt gevolgd wanneer zaken volgens een versnelde of dringende procedure bij het Hof van Justitie aanhangig worden gemaakt;

5.  acht het wenselijk de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale rechtbanken, naar het voorbeeld van wat in sommige lidstaten al vruchten afwerpt, in de hand te werken, door gerechtelijke praktijken te ontwikkelen die het het Parlement mogelijk maken deel te nemen aan gerechtelijke procedures die dienen voor nationale rechtbanken en die betrekking hebben op zijn prerogatieven;

6.  verzoekt de Commissie om passende wetgevende maatregelen voor te stellen om te garanderen dat het Parlement zijn rechten op het gebied van rechtsbescherming daadwerkelijk tot gelding kan brengen;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

  • [1]  Arrest van 18 november 1970 in Zaak 8170 Commissie vs. Italië (1970 JurHvJ, blz. 961).
  • [2]  Zaak C-50/00P, Unión de Pequenos Agricultores v. Raad (Jur. 2002, blz. I-6677).

TOELICHTING

Het Europees Parlement is vaker in de onmogelijkheid geweest - en dit is nog steeds vaak het geval - om zijn prerogatieven, die de Verdragen en het Europees Hof voor de rechten van de mens uitdrukkelijk aan het Parlement toekennen, effectief te beschermen. Het risico is dan ook niet denkbeeldig dat rechten en mogelijkheden die op communautair en Europees niveau worden geboden, louter op papier bestaan en niet effectief beschermd zijn. Op grond van de Verdragen is er dan ook behoefte aan de uitwerking en de versterking van middelen die het Parlement kan gebruiken om zijn prerogatieven, die zijn onafhankelijkheid en zijn functionaliteit garanderen, daadwerkelijk te beschermen.

In abstracto is een van de instrumenten die het Europees Parlement kan gebruiken wanneer zijn prerogatieven in het gedrang zijn het beroep wegens niet-nakoming, overeenkomstig artikel 227 van het EG-Verdrag.

Wanneer een van zijn door het gemeenschapsrecht gewaarborgde rechten met voeten wordt getreden, kan het Parlement de Commissie verzoeken een inbreukprocedure in de zin van artikel 226 van het EG-Verdrag in te leiden. In de praktijk echter kan dit de bescherming van de prerogatieven van het Parlement niet waarborgen aangezien het al dan niet inleiden van deze procedure aan de discretie van de Commissie wordt overgelaten.

Het is noodzakelijk dat, wanneer de Commissie besluit om geen enkele actie te ondernemen op grond van principes als goed bestuur, transparantie en interinstitutionele samenwerking, zij deze keuze motiveert. Het Parlement heeft het recht te verwachten, zo niet dat de Commissie actie onderneemt, dan toch dat het in kennis wordt gesteld van de redenen waarom zij heeft besloten geen actie te ondernemen, zodat het zich een oordeel kan vormen over de al dan niet correcte uitvoering van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie en om inzicht te krijgen in de criteria die haar keuzes bepalen.

Wat het recht van het Parlement betreft om partij te zijn in een proces, zou het wenselijk zijn dat de voorzitter van de Commissie juridische zaken gelegitimeerd wordt om namens de instelling deel te nemen aan dienende rechtszaken waarin de prerogatieven van het Europees Parlement in het geding zijn. In dat opzicht wordt voorgesteld artikel 19 van het Reglement van het Parlement te wijzigen in die zin dat aan de voorzitter van de Commissie juridische zaken uitdrukkelijk de bevoegdheid wordt toegekend het Parlement te vertegenwoordigen in alle zaken die betrekking hebben op de prerogatieven van het Europees Parlement.

Wat in het bijzonder de deelneming aan rechtszaken voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap betreft, bepaalt artikel 23 van het Statuut van het Hof dat het Parlement opmerkingen kan indienen in geval van prejudiciële beroepen die betrekking hebben op de geldigheid of de uitlegging van besluiten die in het kader van de medebeslissingsprocedure zijn aangenomen. Aangezien het Reglement van het Parlement echter niet tot deze categorie besluiten behoort, zou het wenselijk zijn dat het Hof van Justitie er op grond van artikel 24, lid 2, van zijn statuut, dat bepaalt dat "het Hof [...] eveneens aan de lidstaten en aan de instellingen die geen partij in het proces zijn, [kan] verzoeken alle inlichtingen te verstrekken welke het voor het proces nodig acht", voor zorgt dat het Parlement betrokken wordt in zaken waarin haar prerogatieven in het geding zijn.

Het zou voorts wenselijk zijn dat ook het Statuut wordt gewijzigd om het recht van het Parlement om zijn opmerkingen in te dienen uit te breiden tot alle zaken die direct of indirect betrekking hebben op de parlementaire prerogatieven.

De "plaatsen" waar een sterke aanwezigheid van het Europees Parlement dringend vereist is, zijn zonder enige twijfel de nationale rechtbanken. Directe deelneming van het Parlement aan processen voor nationale rechtbanken waarin zijn prerogatieven in het geding zijn, biedt diverse voordelen, zoals de mogelijkheid om het aantal inbreukprocedures en verzoeken om een prejudiciële beslissing te beperken, de doeltreffendheid van de procedures te verbeteren en tenslotte discriminatie tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement te vermijden.

In de allereerste plaats is het onontbeerlijk dat de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale rechtbanken wordt bevorderd. Er zijn op dat vlak in het verleden al positieve ervaringen opgedaan met de rechterlijke instanties in sommige lidstaten. Doel is deze goede praktijken verder te ontwikkelen en uit te breiden tot die lidstaten die er tot op vandaag minder belangstelling voor hebben getoond.

In dat verband zij ook verwezen naar artikel 8 van Protocol nr. 2 bij het Verdrag tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waarin, met betrekking tot de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, het volgende wordt bepaald: "Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen inzake ieder beroep wegens schending door een wetgevingshandeling van het subsidiariteitsbeginsel, dat op de wijze als bepaald in artikel 230 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt ingesteld door een lidstaat, of door een lidstaat overeenkomstig zijn rechtsorde wordt toegezonden namens zijn nationaal parlement of een kamer van dat parlement."

Gezien het feit dat de communautaire rechtsorde nationale parlementen het recht waarborgt om, in geval van niet-naleving van het subsidiariteitsbeginsel, klacht in te dienen bij het Hof van Justitie, zou het een onredelijke asymmetrie zijn om het Europees Parlement niet het recht toe te kennen om in rechte op te treden of ten minste partij te zijn in een proces dat betrekking heeft op zijn eigen prerogatieven en dat dient voor een nationale rechter.

Indien de nationale rechtsstelsels het Europees Parlement dat recht niet zouden toekennen, zouden terecht ernstige twijfels rijzen over de eerbiediging van en de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van oprechte en loyale samenwerking, als bedoeld in artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

In het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, waarin een impliciete bevoegdheid wordt erkend met betrekking tot de wetgevende maatregelen die noodzakelijk zijn om de volstrekte doelmatigheid te waarborgen van de bepalingen die worden uitgevaardigd in een sector die tot zijn bevoegdheid behoort (zoals strafrechtelijke maatregelen in geval van overtreding van de milieuwetgeving[1]), zijn wij van mening dat de voorschriften betreffende rechtszaken met betrekking tot de parlementaire prerogatieven tot het domein van deze impliciete bevoegdheid kunnen behoren, omdat zij onontbeerlijk zijn om de volstrekte doelmatigheid te garanderen van de bepalingen die aan het Europees Parlement bepaalde prerogatieven toekennen (bijvoorbeeld de bepalingen van Protocol nr. 36 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen).

Indien de gemeenschapswetgever echter geen wetgevingsmaatregelen in die zin meent te moeten nemen, zal noodzakelijkerwijs toch rekening moeten worden gehouden met de uitspraak van het Hof van Justitie, volgens welke "de lidstaten [...] dan ook [moeten] voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de eerbiediging van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming kan verzekeren"[2].

In het licht daarvan, en meer in het algemeen, van het beginsel van oprechte en loyale samenwerking als omschreven in artikel 10 van het EG-verdrag, zijn wij van mening dat de nationale rechtsstelsels in het algemeen, en de nationale rechtbanken in het bijzonder moeten toestaan dat het Europees Parlement partij kan zijn in alle rechtszaken waarin zijn prerogatieven in het geding zijn.

  • [1]  Hof van Justitie E.G., C-176/03, Commissie v. Raad, 2005.
  • [2]  Hof van Justitie E.G., C-50/00 P, Unión de Pequenos Agricultores v. Raad, 2002.

ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (28.5.2008)

aan de Commissie juridische zaken

inzake de bescherming van de prerogatieven van het Europees Parlement voor de nationale rechtbanken
(2007/2205(INI))

Rapporteur voor advies (*): Jo Leinen

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken

A. overwegende dat zij uit hoofde van artikel 47 van het Reglement medeverantwoordelijk is voor het verslag van Giuseppe Gargani over de bescherming van de prerogatieven van het Europees Parlement voor de nationale rechtbanken,

B.  overwegende dat deze medeverantwoordelijkheid zich uitstrekt tot aangelegenheden betreffende interinstitutionele betrekkingen en het Reglement van het Parlement, die uit hoofde van deel XVIII van Bijlage VI van het Reglement onder de bevoegdheid van de Commissie constitutionele zaken vallen,

verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken om overeenkomstig artikel 47, vierde streepje, van het Reglement, zonder stemming te besluiten tot opneming van onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie:

1.   paragraaf 1 komt als volgt te luiden:

verlangt dat de Commissie rekening houdt met eventuele verzoeken van het Europees Parlement om de inbreukprocedure op gang te brengen tegen een lidstaat die ervan verdacht wordt een van de parlementaire prerogatieven met voeten te hebben getreden; wenst schriftelijk en tot in de kleinste details door de Commissie te worden geïnformeerd over de redenen die ten grondslag liggen aan haar besluit niet op te treden.

2.       paragraaf 3 komt als volgt te luiden:

pleit ervoor dat grondig wordt nagegaan of een juridisch mechanisme dat vergelijkbaar is met dat van artikel 300, lid 6, van het EG-Verdrag zou kunnen worden ontwikkeld om te voorzien in gevallen waarin de prerogatieven van het Europees Parlement ernstig bedreigd worden, zodat het Parlement de mogelijkheid krijgt om het Hof van Justitie te verzoeken zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een bepaalde handeling van nationaal recht met het primaire gemeenschapsrecht, onverminderd de exclusieve bevoegdheid van de Commissie om al dan niet een inbreukprocedure in te leiden tegen een land dat zich schuldig zou hebben gemaakt aan een schending;

3.  paragraaf 4 schrappen;

4.  paragraaf 6 komt als volgt te luiden:

verzoekt de Commissie om passende wetgevende maatregelen voor te stellen om te garanderen dat het Parlement zijn rechten op het gebied van rechtsbescherming daadwerkelijk tot gelding kan brengen;

5.  A. overwegende dat het Europees Parlement bij de verdediging van zijn prerogatieven voor nationale rechtbanken vaak wordt belemmerd door problemen die eigen zijn aan zijn specifieke aard,

6.  5 bis. volgende nieuwe overweging A bis inlassen:

     A bis. overwegende dat het Parlement het initiatiefrecht van de Commissie respecteert, maar wel opkomt voor zijn eigen recht om, krachtens art. 192 van het EGV, tot de Commissie verzoeken te richten tot indiening van wetgevingsvoorstellen,

7.  5 bis. overweging B als volgt wijzigen:

     B. overwegende dat het Europees Parlent uit hoofde van het Verdrag beschikt over een reeks middelen die garanderen dat voornoemde prerogatieven beschermd worden tegenover de andere instellingen van de Gemeenschap, zoals acties wegens in gebreke blijven (art. 232 van het EG-Verdrag) en acties om communautaire teksten te annuleren (art. 230 van het EG-Verdrag),

8.  5 ter. volgende nieuwe overweging B bis inlassen:

      B bis. overwegende dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaalt dat de lidstaten verantwoordelijk zijn indien zij nalaten hun uit de Verdragen voortvloeiende verplichtingen na te komen, ongeacht welk staatsorgaan door zijn activiteiten of het achterwege blijven daarvan deze nalatigheid veroorzaakt heeft, ook indien er sprake is van een grondwettelijk onafhankelijke instelling[1],

9.  5 quater. overweging C als volgt wijzigen:

     C. overwegende dat het Europees Parlement echter niet over dezelfde middelen beschikt om zijn prerogatieven effectief te beschermen voor de nationale rechtbanken, meer bepaald in geval van een uitspraak van een nationale rechtbank op het gebied van de communautaire wetgeving die tegen zijn prerogatieven indruist, omdat het zich niet kan voegen in nationale gerechtelijke procedures noch zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden om zijn handelingen te verdedigen,

10. 5 ter. overweging D als volgt wijzigen:

     D. overwegende dat het Europees Parlement evenmin de bevoegdheid heeft rechtstreeks een inbreukprocedure tegen een lidstaat in te leiden, aangezien het dit alleen via de Commissie kan doen,

11. 5 quater. overweging E als volgt wijzigen:

     E. overwegende dat het ontbreken van adequate middelen om zijn prerogatieven effectief te verdedigen een belemmering kan vormen voor de doelmatigheid van het Europees Parlement als politiek en wetgevend orgaan,

12. 5 sexies. overweging G als volgt wijzigen:

     G. overwegende dat, om de hierboven beschreven problemen te omzeilen, de middelen ter bescherming van de parlementaire prerogatieven in het Europese juridische kader versterkt moeten worden, niet via een wijziging van het EG-Verdrag, maar eerder door nauwere samenwerking met de Commissie en/of door de Commissie aan te moedigen om in voorkomende gevallen gezamenlijke acties te voeren volgens de procedure van artikel 226 van het Verdrag, of door gebruik te maken van de mechanismen en praktijken voor juridische herziening, die door het Hof van Justitie zijn vastgesteld,

is tegen het door de Juridische Commissie ingediende amendement nr. 4, omdat dit over een kwestie gaat die reeds aan de orde wordt gesteld in een verslag dat door de Commissie constitutionele zaken wordt opgesteld op grond van een formeel verzoek van de Juridische Commissie.

BEKNOPTE MOTIVERING

1.  Het beginsel van juridische samenwerking tussen de Commissie en het Parlement vereist dat elk besluit betreffende een verzoek van het Parlement door het college wordt genomen. Zodra dit besluit genomen is, kan het college, binnen zijn bevoegdheden op het gebied van de interne organisatie, de taak om het Parlement van zijn besluit in kennis te stellen delegeren.

2.  Thans moet het Parlement alle mogelijke misverstanden vermijden betreffende zijn voornemen om nieuwe verzoeken in te dienen tot wijziging van het primaire EU-recht.

3.  De in het ontwerpverslag beschreven moeilijkheden rechtvaardigen niet dat de bevoegdheid van de Voorzitter van het Europees Parlement in twijfel getrokken wordt om het Parlement in juridische kwesties te vertegenwoordigen.

4.  De Commissie kan geen wetgevingsbesluiten nemen; zij kan alleen voorstellen daartoe indienen indien zij deze wenselijk acht.

5.  Het Parlement mag niet worden beschouwd als "voornaamste transnationale wetgevende instelling in Europa", aangezien het deze hoedanigheid deelt met de Raad. De specifieke aard van het Parlement is alleen een hindernis wanneer het gaat om de mogelijkheid om stappen te ondernemen bij nationale rechtbanken. Op het niveau van de Europese Unie zijn deze beperkte mogelijkheden een consequentie van het huidige institutionele evenwicht.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.5.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jim Allister, Richard Corbett, Brian Crowley, Hanne Dahl, Andrew Duff, Maria da Assunção Esteves, Ingo Friedrich, Anneli Jäätteenmäki, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Timothy Kirkhope, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Ashley Mote, Rihards Pīks, Adrian Severin, József Szájer, Johannes Voggenhuber, Dushana Zdravkova

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Graham Booth, Costas Botopoulos, Klaus Hänsch, György Schöpflin, Mauro Zani

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Philip Claeys, Glyn Ford, Sepp Kusstatscher, Michael Henry Nattrass, Renate Weber

  • [1]  Arrest van 18 november 1970 in Zaak 8170 Commissie vs. Italië (1970 JurHvJ, blz. 961).

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.5.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Carlo Casini, Bert Doorn, Monica Frassoni, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Neena Gill, Piia-Noora Kauppi, Katalin Lévai, Antonio Masip Hidalgo, Hans-Peter Mayer, Manuel Medina Ortega, Aloyzas Sakalas, Francesco Enrico Speroni, Diana Wallis, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Sharon Bowles, Luis de Grandes Pascual, Sajjad Karim, Georgios Papastamkos, Jacques Toubon

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Mario Mauro