Procedure : 2008/2030(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0250/2008

Ingediende teksten :

A6-0250/2008

Debatten :

PV 09/07/2008 - 20
CRE 09/07/2008 - 20

Stemmingen :

PV 10/07/2008 - 5.8
CRE 10/07/2008 - 5.8
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0365

VERSLAG     
PDF 176kWORD 136k
10.6.2008
PE 402.699v04-00 A6-0250/2008

over ruimte en veiligheid

(2008/2030(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Karl von Wogau

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over ruimte en veiligheid

(2008/2030(INI))

Het Europees Parlement,

-     gezien de Europese veiligheidsstrategie met als titel "Een veilig Europa in een betere wereld", die de Europese Raad op 12 december 2003 heeft aangenomen,

-     gezien de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens, die de Europese Raad op 12 december 2003 heeft aangenomen,

-     gezien de resolutie van de Raad van 22 mei 2007 betreffende het Europese ruimtebeleid,

-     gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), zoals gewijzigd door het Verdrag van Lissabon, en de relevante bepalingen inzake Europees ruimtevaartbeleid (artikel 189 van het VWEU), de permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie (artikel 42, lid 6 en artikel 46 van het VEU en het bijbehorende protocol) en de nauwere samenwerking op civiel gebied (deel 6, titel III van het VWEU), alsmede de solidariteitsclausule (artikel 222 van het VWEU) en de bepalingen van wederzijdse bijstand in geval van gewapende aanval tegen een of meerdere lidstaten (artikel 42, lid 7 van het VEU),

-     onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 januari 2004 over het actieplan voor de uitvoering van het Europese ruimtevaartbeleid(1),

-     onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 april 2005 over de Europese veiligheidsstrategie(2),

–    gezien het in 1967 in werking getreden Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen (“het Ruimteverdrag”),

-     gezien de samenwerking tussen de EU en Rusland inzake ruimtebeleid, waaruit in 2006 de tripartiete ruimtedialoog tussen de Europese Commissie, het Europees Ruimteagentschap en Roscosmos (het Russische Ruimteagentschap) is voortgekomen,

-     gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

-     gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0250/2008),

A.  overwegende dat de vrijheid van dreigingen uit de ruimte en veilige, duurzame toegang tot en gebruik van de ruimte de grondbeginselen moeten zijn van het Europees ruimtebeleid,

B.   overwegende dat de diverse politieke en veiligheidsuitdagingen waarmee de Europese Unie in toenemende mate wordt geconfronteerd een autonoom Europees ruimtevaartbeleid tot een strategische noodzaak maken,

C.  overwegende dat het ontbreken van een gemeenschappelijke benadering van het ruimtebeleid tussen de EU-lidstaten resulteert in veel te kostbare programma's,

D.  overwegende dat de crisisbeheeroperaties in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) te lijden hebben van een gebrek aan interoperabiliteit tussen de ruimtemiddelen van de EU-lidstaten,

E.   overwegende dat er binnen de Europese Unie een gebrek is aan een omvattende Europese ruimtearchitectuur ten behoeve van veiligheid en defensie,

F.   overwegende dat de ontwikkeling van een nieuwe generatie draagraketten ongeveer 15 jaar in beslag neemt, en dat de huidige generatie draagraketten in de komende 20 jaar moet worden vervangen,

G.  overwegende dat de ontwikkeling van ruimtemiddelen door de VS, Rusland, Japan en andere opkomende ruimtevaartnaties, met name China, India, Zuid-Korea, Taiwan, Brazilië, Israël, Iran, Maleisië, Pakistan, Zuid-Afrika en Turkije, snel vordert,

H.  overwegende dat het Franse voorzitterschap van de Europese Unie gedurende het tweede halfjaar van 2008 het maken van vorderingen op het gebied van het Europese ruimtebeleid als een van zijn prioriteiten zal aanmerken,

I.    overwegende dat voorzien in "on orbit"-diensten met gebruikmaking van in situ middelen een van de kosteneffectiefste manieren is om een ruimtearchitectuur en duurzame ruimtesystemen op te bouwen,

Algemene opmerkingen

1.   constateert het belang van de ruimtedimensie voor de veiligheid van de Europese Unie en de behoefte aan een gemeenschappelijke aanpak voor het behartigen van Europese belangen in de ruimte;

2.   onderstreept de noodzaak van ruimtemiddelen om ervoor te zorgen dat de politieke en diplomatieke activiteiten van de Europese Unie kunnen steunen op onafhankelijke, betrouwbare en volledige informatie ter ondersteuning van conflictpreventiemaatregelen, crisisbeheeroperaties en globale veiligheid, in het bijzonder het toezicht op de proliferatie van massavernietigingswapens, alsmede daarvoor bedoelde transportmiddelen en de verificatie van internationale verdragen, de transnationale smokkel van lichte wapens en handvuurwapens, de bescherming van kritieke infrastructuur en van de grenzen van de Europese Unie, en de civiele bescherming in geval van natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen en crisissen;

3.   verwelkomt de goedkeuring van het Europese ruimtebeleid door de "Ruimteraad", zoals voorgesteld in een gezamenlijke mededeling van de Commissie en het Europees Ruimteagentschap, met name het hoofdstuk inzake veiligheid en defensie, maar betreurt dat in de “kernpunten voor de ontwikkeling van een strategie voor internationale betrekkingen”, zoals die worden opgesomd in de bijlage 3 bij resolutie 2007/C 136/01 van de Raad van 21 mei 2007(3)), niet wordt verwezen naar het gevaar van een wapenwedloop in de ruimte; beveelt derhalve aan dat in een herziene Europese veiligheidsstrategie terdege rekening wordt gehouden met dit beleid, en is van oordeel dat de problemen in verband met het ruimtebeleid dienen te worden behandeld in een eventueel Witboek over het veiligheids- en defensiebeleid;

4.   neemt nota van het feit dat in het Verdrag van Lissabon een rechtsgrondslag voor het Europese ruimtevaartbeleid is opgenomen; verwelkomt de mogelijkheid die het Parlement en de Raad krijgen om volgens de gewone wetgevingsprocedure de maatregelen te formuleren die nodig zijn om een Europees ruimtevaartprogramma vorm te geven;   verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad een passend voorstel voor dergelijke maatregelen voor te leggen, alsmede een mededeling over de totstandbrenging van adequate betrekkingen met het Europees Ruimteagentschap; verwelkomt tevens de mogelijkheden van permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie en nauwere samenwerking op civiel gebied;

5.   spoort de lidstaten van de Europese Unie, het Europees Ruimteagentschap en de diverse belanghebbenden ertoe aan om meer en beter gebruik te maken van de bestaande nationale en multinationale ruimtesystemen en hun wederzijdse complementariteit te bevorderen; merkt in dit verband op dat er op zijn minst op de volgende terreinen gemeenschappelijke capaciteiten voor het EVDB vereist zijn: telecommunicatie, informatiebeheer, observatie en navigatie; beveelt aan deze gegevens te delen en uit te wisselen overeenkomstig het EU-concept voor een netwerkcentrische operatiearchitectuur ("Network Centric Operations Architecture");

6.   juicht de inspanningen toe van de International Academy of Astronautics en de International Association for the Advancement of Space Safety ter bevordering van oplossingen, kennis en maatregelen met betrekking tot ruimtepuin;

Autonome risicobeoordeling

7.   verzoekt de lidstaten de geospatiale inlichtingen die nodig zijn voor een autonome risicobeoordeling door de EU samen te brengen en uit te wisselen;

Aardobservatie en verkenning

8.   dringt erop aan dat het Satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC) ten volle wordt ontwikkeld, zodat het ten volle gebruik kan maken van zijn mogelijkheden; beveelt tevens de urgente sluiting aan van overeenkomsten tussen het EUSC en de EU-lidstaten, teneinde beeldmateriaal ter beschikking te stellen voor EVDB-operaties en bevelhebbers, en tegelijkertijd te zorgen voor complementariteit met de observatiecapaciteiten van de GMES (Gobal Monitoring for Environment and Security) en de daarvan afgeleide veiligheidsgerelateerde informatie; verwelkomt in dit opzicht het project voor een "Tactical Imagery Exploitation Station", dat gezamenlijk zal worden beheerd door het Europees Ruimteagentschap (EDA) en het EUSC;

9.   vraagt de lidstaten die toegang hebben tot de diverse soorten van radar-, optische en weerobservatiesatellieten en -verkenningssystemen (Helios, SAR-Lupe, TerraSAR-X, Rapid Eye, Cosmo-Skymed en Pleiades) met aandrang deze onderling compatibel te maken; verwelkomt de bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen de leidende EU-landen (bijvoorbeeld SPOT, ORFEO, het Helios-samenwerkingskader, de overeenkomst van Schwerin en het toekomstige MUSIS); beveelt aan dat het MUSIS-systeem in een Europees kader wordt geplaatst en gefinancierd wordt uit de EU-begroting;

10. beklemtoont het belang van GMES voor het buitenlands zowel als het veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie; dringt erop aan dat een begrotingslijn voor beleidsuitgaven wordt gecreëerd, teneinde te zorgen voor duurzame GMES-diensten die voorzien in de behoeften van de gebruikers;

Navigatie, plaatsbepaling en timing

11. onderstreept de noodzaak van Galileo voor autonome EVDB-operaties, voor het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), voor Europa’s eigen veiligheid en voor de strategische autonomie van de Unie; merkt in het bijzonder op dat de publiek gereguleerde dienst ervan van vitaal belang zal zijn op het gebied van navigatie, plaatsbepaling en timing, niet het minst om onnodige risico's te voorkomen;

12. wijst op de overeenkomst die in eerste lezing is bereikt tussen het Parlement en de Raad over het voorstel voor een verordening betreffende de voortzetting van de uitvoering van de Europese programma’s voor radionavigatie per satelliet (EGNOS en Galileo), waarin is bepaald dat de Gemeenschap eigenaar is van het systeem en dat de stationeringsfase ervan volledig zal worden gefinancierd uit de Gemeenschapsbegroting;

13. vestigt de aandacht op het standpunt dat het op 23 april 2008 heeft aangenomen(4), in het bijzonder op het feit dat de programma’s EGNOS en Galileo moeten worden beschouwd als een van de verwezenlijkingen van het toekomstige Europees Ruimteprogramma, en op het beheer van de programma’s, samen met het Galileo Interinstitutional Panel (GIP), dat als model kan dienen voor de ontwikkeling van een Europees ruimtevaartbeleid;

Telecommunicatie

14. onderstreept de noodzaak van veilige satellietcommunicatie voor EVDB-operaties (militair personeel van de EU, EU-hoofdkwartieren, inzetbare hoofdkwartieren) en voor door de EU-lidstaten in het kader van de VN, de NAVO of andere soortgelijke organisaties in te zetten strijdkrachten;

15. vraagt dat de huidige en toekomstige telecommunicatiesystemen via satelliet die ter beschikking worden gesteld van de EU-lidstaten (bijvoorbeeld Skynet, Syracuse, Sicral, SATCOM Bw en Spainsat) interoperabel worden gemaakt, teneinde de kosten te drukken;

16. steunt de gezamenlijke ontwikkeling van softwareradio (software defined radio - SDR) door de Commissie en het Europees Defensieagentschap; is van oordeel dat SDR zal bijdragen aan betere interoperabiliteit van het grondsegment van telecommunicatiesystemen;

17. beveelt aan dat besparingen worden gedaan door het gedeelde gebruik van grondinfrastructuur ter ondersteuning van verschillende nationale telecommunicatiesystemen;

Ruimtecontrole

18. steunt de totstandbrenging van een Europees ruimtecontrolesysteem voor situatiekennis in de ruimte (dat onder meer GRAVES en TIRA omvat), teneinde toezicht te houden op ruimte-infrastructuur, ruimtepuin en mogelijke ander bedreigingen;

Op satellieten gebaseerde vroegtijdige waarschuwing tegen ballistische raketten

19. betreurt het feit dat de EU-lidstaten geen toegang hebben tot onmiddellijke gegevens over wereldwijd gelanceerde ballistische raketten; steunt derhalve projecten voor op satellieten gebaseerde vroegtijdige waarschuwing tegen de lancering van ballistische raketten (zoals het Franse Spirale); vraagt voorts dat de informatie die in de toekomst met deze systemen wordt verzameld ter beschikking wordt gesteld van alle lidstaten van de Europese Unie, teneinde de bevolking te beschermen en mogelijke tegenmaatregelen te ondersteunen, en bij te dragen aan het toezicht op de naleving van Non-proliferatieverdrag, en ten behoeve van EVDB-operaties en de bescherming van de Europese veiligheidsbelangen;

Signaalinlichtingen

20. ondersteunt de uitwisseling van signaalinlichtingen (elektronische inlichtingen, zoals Essaim, en communicatie-inlichtingen) op Europees niveau;

Autonome toegang tot de ruimte en internationaal milieu

21. pleit voor veilige, onafhankelijke en duurzame toegang van de Europese Unie tot de ruimte, als een van de voorafgaande voorwaarden voor haar autonome actie;

22. beveelt aan dat de lancering in de ruimte van Europese niet-commerciële satellieten met Europese draagraketten bij voorkeur vanaf EU-grondgebied plaatsvindt, waarbij rekening moet worden gehouden met de aspecten veiligheid van de voorziening en bescherming van de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDITB);

23. wijst erop dat de inspanningen om vóór 2015 over een versterkte Ariane 5 te kunnen beschikken dienen te worden opgevoerd;

24. beveelt aan zo spoedig mogelijk te zorgen voor strategische langetermijninvesteringen in nieuwe Europese draagraketten, teneinde niet achter te blijven bij de toenemende mondiale concurrentie; verlangt dat voor dit project een grotere mate van discipline aan de dag wordt gelegd in termen van begroting en tijdsbestek;

25. beveelt aan "on orbit"-diensten te ontwikkelen als ondersteuning, teneinde de duurzaamheid, de bestendigheid, de beschikbaarheid en de operationele efficiency van operationele ruimtesystemen te vergroten en terzelfder tijd de ingezette middelen en de onderhoudskosten te beperken;

Governance

26. spreekt zich uit voor nauwe samenwerking tussen pijlers op het gebied van ruimte en veiligheid waarbij alle relevante actoren (i.e. de Commissie, de Raad, het Europees Defensieagentschap en het EUSC) betrokken zijn, teneinde het veiligheidsbeleid en de gegevensveiligheid met betrekking tot het EVDB te garanderen;

27. beveelt ten zeerste aan dat binnen een versterkt EVDB-kader de gelijke toegang voor alle EU-lidstaten tot met behulp van ruimtesystemen verzamelde operationele gegevens wordt bevorderd;

28. beveelt aan dat het Europees Defensieagentschap administratieve en financiële capaciteiten voor het beheer van ruimtegerelateerde activiteiten ontwikkelt;

Financiering

29. wijst erop dat in de EU-begroting is voorzien in kredieten ten behoeve van gemeenschappelijke Europese ruimteactiviteiten ten bedrage van circa 5,25 miljard euro in de jaren 2007 tot 2013, wat neerkomt op een gemiddelde jaarlijkse uitgave van 750 miljoen euro in die periode;

30. vraagt de Europese Unie te voorzien in een operationele begroting voor ruimtemiddelen ter ondersteuning van het EVDB en om Europese veiligheidsbelangen te dienen;

31. uit zijn bezorgdheid over het feit dat gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten resulteert in schaarse middelen als gevolg van onnodige duplicatie van activiteiten; ondersteunt derhalve het idee dat de lidstaten gemeenschappelijke programma’s lanceren, zodat op langere termijn kosten kunnen worden bespaard;

32. merkt bovendien op dat de kosten van het ontbreken van een gemeenschappelijke Europese benadering inzake aankoop, onderhoud en werking van ruimtemiddelen worden geraamd op honderden miljoenen euro's;

33. wijst erop dat, zoals de ervaring heeft aangetoond, grootschalige gemeenschappelijke projecten niet op adequate wijze kunnen worden beheerd indien daarbij 27 verschillende nationale begrotingsautoriteiten betrokken zijn die het beginsel van de "fair return" toepassen; beveelt dan ook ten zeerste aan dat deze projecten en programma's worden gefinancierd uit de EU-begroting;

34. merkt op dat de schattingen van de beschikbare expertise aangeven dat het investeringsniveau dat vereist is om te voorzien in de Europese veiligheids- en defensiebehoeften op het gebied van telecommunicatie per satelliet, en de benodigde uitgaven van de Europese Unie voor aardobservatie en het verzamelen van inlichtingen, met inbegrip van signaalinlichtingen, aanzienlijk zouden moeten worden verhoogd om te kunnen voldoen aan de vereisten en ambities van een alomvattend ruimtebeleid;

35. is van oordeel dat de Europese Unie, het Europees Ruimteagentschap, het Europees Defensieagentschap en de lidstaten moeten zorgen voor betrouwbare en adequate financiële middelen voor de beoogde ruimteactiviteiten en het daaraan verbonden onderzoek; hecht groot belang aan financiering uit de EU-begroting, zoals voor het Galileo-project;

Bescherming van de ruimte-infrastructuur

36. onderstreept de kwetsbaarheid van strategische ruimtemiddelen en van de infrastructuur die nodig is om toegang tot de ruimte te verschaffen, bijvoorbeeld draagraketten en ruimtehavens; beklemtoont dan ook de noodzaak deze adequaat te beveiligen door middel van op de grond geïnstalleerde raketafweersystemen ("theatre missile defence"), vliegtuigen en ruimtecontrolesystemen; steunt daarnaast het uitwisselen van gegevens met internationale partners ingeval satellieten worden uitgeschakeld door een vijandige actie;

37. vraagt dat de kwetsbaarheid van toekomstige Europese satellietsystemen wordt verminderd via anti-jamming, afweerschilden, "on orbit"-diensten en architecturen met multi-orbitale constellatie;

38. beklemtoont dat de beschermende maatregelen geheel conform de internationale normen met betrekking tot het vreedzame gebruik van de kosmische ruimte en de gemeenschappelijk overeengekomen transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen (TCBM’s) dienen te zijn; verzoekt de EU-lidstaten de mogelijkheid te onderzoeken om wettelijk of politiek bindende ‘verkeersregels’ voor ruimte-exploitanten te ontwikkelen, samen met een verkeersbeheersysteem voor de ruimte;

39. onderstreept dat geavanceerde communicatie als gevolg van deze kwetsbaarheid niet volledig afhankelijk mag worden gemaakt van ruimtegebaseerde technologieën;

Internationale wettelijke regeling voor het gebruik van de ruimte

40. wijst opnieuw op het belang van het beginsel van het gebruik van de ruimte voor vreedzame doeleinden, neergelegd in het Verdrag inzake de kosmische ruimte van 1967; uit derhalve zijn bezorgdheid over de mogelijkheid dat de ruimte in de toekomst als een wapen wordt gebruikt;

41. onderstreept dat het Europese ruimtebeleid in geen geval tot een algehele militarisering van en wapenwedloop in de ruimte mag bijdragen;

42. wenst een aanscherping van de internationale wettelijke regeling, teneinde een niet-agressief gebruik van de ruimte te reguleren en te beschermen, en een versterking van de TCBM’s, in het kader van de opstelling door de VN-Commissie voor het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte (COPUOS) van richtsnoeren voor de vermindering van het ruimtepuin die consistent zijn met die van het Inter-Agency Debris Coordination Committee, alsmede de opstelling door de VN-Ontwapeningsconferentie van een multilaterale overeenkomst over de voorkoming van een wapenwedloop in de kosmische ruimte (PAROS); vraagt het EU-voorzitterschap bovendien de EU proactief in de COPUOS te vertegenwoordigen; verzoekt de instellingen van de EU zich in te zetten voor een conferentie voor de herziening van het Verdrag inzake de kosmische ruimte, teneinde het te versterken en de draagwijdte ervan uit te breiden met het oog op een volledig verbod op het gebruik van wapens in de ruimte;

43. roept alle internationale actoren ertoe op af te zien van het gebruik van offensieve apparatuur in de ruimte; uit met name zijn bezorgdheid over het gebruik van middelen om satellieten te vernietigen, zoals het Chinese antisatellietsysteem dat in januari 2007 is getest, en de gevolgen van een massale toename van het ruimtepuin voor de veiligheid in de ruimte; beveelt dan ook de invoering aan van wettelijk bindende internationale instrumenten met het oog op het uitbannen van het gebruik van wapens tegen ruimtemiddelen en het stationeren van wapens in de ruimte;

44. roept alle ruimtegebruikers ertoe op hun satellieten, met inbegrip van militaire satellieten, te registreren, als een vertrouwenwekkende maatregel voor het waarborgen van de veiligheid in de ruimte, die tevens de transparantie bevordert; ondersteunt het streven van de Raad naar een algemene EU-gedragscode inzake ruimteobjecten; wenst dat deze gedragscode een wettelijk bindend instrument wordt;

45. vraagt de Verenigde Naties en de Europese Unie met aandrang te streven naar de actieve vermindering van en de bescherming tegen ruimtepuin dat schadelijk is voor satellieten;

Transatlantische samenwerking inzake ruimtebeleid en raketafweer

46. verzoekt de Europese Unie en de NAVO met aandrang een strategische dialoog te lanceren over ruimtebeleid en raketafweer, in het bijzonder over de complementariteit en de interoperabiliteit van systemen voor satellietcommunicatie, ruimtecontrole en vroegtijdige waarschuwing tegen ballistische raketten, alsmede over de bescherming van de Europese strijdkrachten door een systeem van verdediging van het inzetgebied tegen raketten ("theatre missile defence system"), en daarbij rekening te houden met de wettelijke verplichting om elke actie te vermijden die onverenigbaar kan zijn met het beginsel van het vreedzame gebruik van de ruimte;

47. verzoekt de Europese Unie en de Verenigde Staten een strategische dialoog over het gebruik van ruimtemiddelen aan te gaan en zowel binnen als buiten de VN het voortouw te nemen, teneinde ervoor te zorgen dat de kosmische ruimte uitsluitend voor vreedzame doeleinden wordt gebruikt;

Andere vormen van internationale samenwerking

48. verwelkomt de nauwere samenwerking tussen de Europese Unie en de Russische Federatie in het kader van de tripartiete ruimtedialoog die in 2006 is gelanceerd tussen de Europese Commissie, het Europees Ruimteagentschap en Roscosmos (het Russische ruimteagentschap), inclusief ruimtemiddelen (satellietnavigatie, aardobservatie en satellietcommunicatie), alsmede toegang tot de ruimte (draagraketten en toekomstige ruimtetransportsystemen);

-o0o-

49. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Ruimteagentschap, de parlementen van de lidstaten, de secretarissen-generaal van de Verenigde Naties, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.

(1)

PB C 96 E van 21.4.2004, blz. 136.

(2)

PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 580.

(3)

PB C 136 van 20.6.2007, blz. 1.

(4)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0167.


TOELICHTING

1. Inleiding

In de Europese veiligheidsstrategie van 2003 wordt veiligheid begrepen in ruime zin. De taken die uit de strategie voortvloeien, omvatten vresdeshandhavingsoperaties, bescherming van kritische infrastructuur en van de gemeenschappelijke buitengrenzen, contraproliferatie en verificatie van verdragen.

Of deze uitdagingen haalbaar zijn, hangt nu al af en zal steeds meer afhangen van de beschikbaarheid van systemen op basis van satellieten. Om de bestaande capaciteitslacunes op dit gebied aan te vullen stelt de rapporteur voor dat nauwer wordt samengewerkt om gemeenschappelijke Europese systemen op het gebied van ruimtetechnologie te ontwikkelen.

2. Europees ruimtebeleid

In het verslag spreekt de rapporteur zijn tevredenheid uit over de goedkeuring door de Raad van de Europese Unie van het Europees ruimtebeleid zoals dit in de gemeenschappelijke mededeling van de Commissie en het Europees Ruimteagentschap wordt voorgesteld, met name het hoofdstuk over veiligheid en defensie.

De Raad wordt verzocht een verwijzing naar het Europees ruimtebeleid in een witboek over de uitvoering van de Europese veiligheidsstrategie op te nemen.

Bovendien wordt met het Verdrag van Lissabon een rechtsgrondslag voor het Europees ruimtebeleid vastgesteld, alsmede de mogelijkheid gecreëerd van permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie en nauwere samenwerking op civiel gebied.

3. Systemen op basis van satellieten

De op satellieten gebaseerde systemen inzake aardobservatie en verkenning, telecommunicatie, navigatie, plaatsbepaling en timing zijn de ogen en oren van wie ze bezit. Zij kunnen een militair of civiel karakter hebben.

Daarom is het voor de EU-landen van cruciaal belang dat zij toegang hebben tot gegevens die door middel van deze systemen worden verkregen, om de beleidsmakers in het kader van het EVDB en het GBVB behoorlijke informatie te kunnen verstrekken. Aangezien algemeen wordt erkend dat ruimteapparatuur nodig is voor de crisisbeheersoperaties van de EU en dat zij de EU cruciale effectiviteit kan bezorgen met betrekking tot de monitoring van proliferatie en de verificatie van internationale verdragen, moeten de EU-lidstaten, het Europees Ruimteagentschap en de diverse belanghebbenden worden aangemoedigd de bestaande nationale en multinationale ruimtesystemen zo goed mogelijk te gebruiken en de onderlinge complementariteit ervan te bevorderen.

De capaciteit in kwestie kan evenwel een achilleshiel worden, als zij het doelwit wordt van een vijandige staat of niet-overheidsactoren of gewoon in botsing komt met ruimteafval. Daarom verdient het aanbeveling een ruimtecontrolesysteem te bouwen dat voor een betere bescherming van de Europese satellieten zorgt.

Via aardobservatie is permanente en langeafstandscontrole mogelijk, voor een constant bijgewerkte monitoring van de situatie en kartering van het terrein. De telecommunicatiesatellieten (Satcoms) zijn vaak het enige haalbare middel voor de totstandbrenging van een volledig werkende “informatieketen”. Zij kunnen worden gebruikt om gegevens die op grote afstand zijn verzameld, te verzenden naar verafgelegen hoofdkwartieren, alsmede om informatie op het terrein door te geven aan de verschillende units.

Aanzienlijke verdere normalisatie en standaardisatie op Europees niveau op het gebied van onderzoek, technische ontwikkeling en productie is mogelijk, zowel wat aardobservatie als wat Satcoms betreft. Bijgevolg kan dubbel werk waardoor middelen worden verspild, worden voorkomen en kunnen schaalvoordelen en besparingen worden gerealiseerd.

Bovendien kunnen de EVDB-operaties het voordeel genieten van een hoger niveau van interoperabiliteit tussen de ruimteapparatuur van de verschillende EU-lidstaten.

De EU-lidstaten hebben diverse ruimtesystemen ontwikkeld om in hun veiligheidsbehoeften te voorzien op nationale basis. Budgettaire beperkingen en de behoefte aan interoperabiliteit zijn argumenten voor een meer geïntegreerde Europese aanpak. Frankrijk loopt in deze evolutie voorop: het ontwikkelt bilaterale of multilaterale kaderakkoorden met andere EU-lidstaten (Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Spanje).

3.1. Aardobservatie en verkenning

Diverse landen hebben hun eigen aardobservatiesystemen ontwikkeld of zijn bezig met de ontwikkeling hiervan: Frankrijk (sinds 1986 met SPOT 1 tot Helios B en Pleiades), Italië (Cosmo-SkyMed), Duitsland (SAR-Lupe), Spanje (SEOSAT, in het kader van het Europese GMES-project), Zweden (het SVEA-project – toestemming voor het gebruik ervan door de strijdkrachten is er nog niet) en Groot-Brittannië (Topsat). Sommige hiervan waren bedoeld voor tweeërlei gebruik en andere om te worden gebruikt door meer dan een land. De EU-lidstaten die de diverse typen van radars, optische en meteorologische observatiesatellieten en verkenningssystemen beheren, moeten zorgen voor de compatibiliteit ervan.

Bilaterale en multilaterale akkoorden tussen de belangrijkste EU-landen moeten daarom krachtig worden ondersteund, als middel om belastinggeld te besparen. Frankrijk en Italië hebben het Torino-akkoord ondertekend, dat betrekking heeft op de combinatie van hun respectieve capaciteit (optische en radarobservatie - ORFEO(1)), als aanvulling van de programma's van beide landen. Om dezelfde reden is in 2002 ook tussen Frankrijk en Duitsland een bilateraal akkoord over capaciteitsuitwisseling ondertekend, dat betrekking heeft op SAR Lupe en Helios II (Schwerin-akkoord). Het Europees Parlement kan zijn steun hechten aan de creatie van een geëuropeaniseerd verkenningssysteem, zoals het geplande MUSIS(2).

Wat de capaciteit van de Europese Unie op het gebied van aardobservatie betreft, levert het Satellietcentrum van de Europese Unie (EU Satellite Centre, EUSC) in Torrejon (Spanje) synthetische beeldanalyses met het oog op veiligheid ter ondersteuning van EVDB-operaties, waarbij open bronnen en bronnen van de lidstaten worden gebruikt. Zolang tussen het EUSC en de EU-lidstaten geen akkoorden zijn gesloten om beschikbare beelden voor EVDB-operaties te verstrekken, benut het EUSC niet zijn volle potentieel.

GMES (Global Monitoring for Environment and Security, Wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid) tot slot is een Europees initiatief dat wordt beheerd door de Commissie en bedoeld is om diensten te verlenen op het gebied van civiele veiligheid in verband met het milieu en humanitaire zaken, maar ook als bijdrage tot de verificatie van een aantal ontwapeningsverdragen. GMES zal gebaseerd zijn op observatiegegevens van aardobservatiesatellieten en op aarde verzamelde informatie. Zodra de eerste diensten in 2008 klaar zijn (kartering, steun voor crisisbeheer en voorspellingen), moet het GMES beschikbaar zijn om EVDB-operaties te ondersteunen en moet een operationele begrotingslijn in de communautaire begroting worden opgenomen.

Voorts moeten de EU-lidstaten geospatiale inlichtingen samenbrengen en uitwisselen, niet alleen voor EVDB-operaties, maar ook voor autonome EU-risicobeoordeling.

3.2. Telecommunicatie

De militaire gemeenschap en de veiligheidsdiensten steunen steeds meer op commerciële systemen om ruimere bandbreedte voor complexe militaire systemen te verkrijgen. Veilige communicatie is nodig voor elke EVDB-operatie, wil deze slagen. De bestaande militaire Satcom-architecturen bestaan vooral uit twee dienstenniveaus: onbeschermde communicatie en streng beschermde militaire transmissies. In Europa hebben maar weinig landen capaciteit ontwikkeld met een hoog veiligheidsniveau (als gevolg van technologische en budgettaire moeilijkheden) en twee hiervan (Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) beschikken over kernwapens. Het Verenigd Koninkrijk gebruikt zijn eigen Skynet-systeem, waarbij de laatste Skynet V-versie is opgevat voor tweeërlei gebruik. De Franse strijdkrachten hebben, na gebruikmaking van het civiele satellietplatform (Telecom-2), geopteerd voor een uitsluitend militair programma (Syracuse III). Italië en Spanje hebben hun eigen militaire Satcom (respectievelijk SICRAL en Spainsat). Bovendien zijn de Franse, de Italiaanse en de Britse capaciteit, aan elkaar gekoppeld, door de NAVO gekozen om een eerste zogenaamde “Satcom Post-2000”-architectuur voor communicatie te leveren. Tot slot zullen in 2009 twee nieuwe Duitse militaire satellieten worden gelanceerd (met de naam SatcomBw).

De rapporteur vraagt dat de bestaande en toekomstige telecommunicatiesystemen via satelliet die ter beschikking van de EU staan, wederzijds interoperabel zijn. Idealiter wordt voor de lancering en financiering van toekomstige generaties Satcoms veel meer samengewerkt dan nu het geval is.

Voorts moet steun worden verleend aan de lopende ontwikkeling van een softwareradio (Software-Defined Radio) door het Europees Defensieagentschap in samenwerking met de Commissie voor volledige interoperabiliteit van het grondsegment van telecommunicatiesystemen.

3.3. Navigatie-plaatsbepaling-timing

In het kader van het gemeenschappelijke initiatief van de Commissie en het Europees Ruimteagentschap krijgt Europa uiterlijk in 2013 een nieuw mondiaal satellietnavigatiesysteem (Global Navigation Satellite System, GNSS) met de naam Galileo: een constellatie van 30 satellieten die gebruikers met de juiste ontvanger de mogelijkheid biedt met extreme nauwkeurigheid hun positie te bepalen. De rapporteur is tevreden met het compromis dat de EU in november 2007 heeft bereikt en onderstreept dat Galileo volledig beschikbaar moet zijn voor autonome EVDB-operaties (bijvoorbeeld de gereguleerde gouvernementele dienst ervan).

3.4. Op satellieten gebaseerde vroegtijdige waarschuwing tegen ballistische raketten

Projecten die leiden naar systemen voor vroegtijdige waarschuwing tegen de lancering van ballistische raketten (zoals het Franse Spirale) moeten steun krijgen. De informatie die met deze systemen wordt verzameld, moet in de toekomst, als de systemen eenmaal klaar zijn, met alle EU-lidstaten worden uitgewisseld.

3.5. Signaalinlichtingen

De ontwikkeling en uitwisseling van signaalinlichtingen (elektronische inlichtingen, zoals het Franse Essaim, en communicatie-inlichtingen) is aanbevolen op Europees niveau, met het oog op de ondersteuning van ESDP-operaties.

4. Ruimtecontrole en bescherming van ruimte-infrastructuur

Momenteel is Europa grotendeels afhankelijk van de ruimtecontrole (systematisch volgen van ruimteobjecten) met radars en optische telescopen die wordt uitgevoerd door de Verenigde Staten en Rusland. Het Europees Ruimteagentschap en de Commissie hebben evenwel een dialoog opgestart over de definitie van de mogelijke creatie van een Europees ruimtecontrolesysteem dat leidt tot situatiekennis in de ruimte ("space situation awareness"). De Duitse radar TIRA en de Franse radar GRAVES kunnen deel van dit systeem uitmaken.

Deze activiteit is van vitaal belang, als de EU haar satellieten beter wil beschermen. De kwetsbare strategische ruimteapparatuur alsmede de infrastructuur die toegang tot de ruimte biedt, moeten op adequate wijze worden beschermd. Voorgesteld wordt dat gegevens worden uitgewisseld met internationale partners ingeval satellieten onbruikbaar worden door vijandige actie.

5. Autonome toegang tot de ruimte en internationaal milieu

Volgens de rapporteur is veilige, onafhankelijke en duurzame toegang van de EU tot de ruimte een van de voorwaarden voor autonome EU-actie. Daarom wordt, rekening houdend met de aspecten van continuïteit van de voorziening en bescherming van de technologische en industriële basis voor de Europese defensie, aanbevolen de Europese niet-commerciële satellieten te lanceren met Europese draagraketten, van op EU-grondgebied. Een strategische langetermijninvestering in nieuwe Europese draagraketten moet zo spoedig mogelijk van start gaan. Het zal in de nabije toekomst noodzakelijk zijn de Ariane 5-draagraket te verbeteren door ze te voorzien van een herstartbare motor, zodat ze haar concurrentievoordelen kan handhaven.

6. Governance

In de toekomst moet een geïntegreerde Europese ruimtearchitectuur worden gecreëerd met een kader voor nauwe samenwerking tussen pijlers, waarbij de Commissie, de Raad, het Europees Defensieagentschap, het EUSC en het Europees Ruimteagentschap zijn betrokken. Een versterkt EVDB-kader moet worden ingesteld om de kleinere EU-landen met beperkte mogelijkheden om eigen ruimteapparatuur te financieren te voorzien van toegang tot operationele gegevens.

7. Financiering

De rapporteur vraagt de EU te zorgen voor betrouwbare en adequate financiering van de geplande ruimteactiviteiten en een operationeel budget te creëren voor diensten die ter ondersteuning van het EVDB en de Europese veiligheidsbelangen door ruimteapparatuur worden geleverd.

Het gebrek aan coördinatie tussen de EU-landen resulteert in schaarse middelen en om die reden moeten door de EU-lidstaten gemeenschappelijke programma's worden opgestart, zodat op lange termijn kosten kunnen worden bespaard. Het is opvallend dat de kost van het ontbreken van een gemeenschappelijke Europese aanpak voor aankoop, onderhoud en werking van ruimteapparatuur wordt geraamd op honderden miljoenen EUR.

Toekomstige satellietgebaseerde capaciteiten voor veiligheids- en defensiedoeleinden zoals MUSIS dienen te worden gefinancierd uit de EU-begroting.

8. Internationale wettelijke regeling voor het gebruik van de ruimte

In het verslag spreekt de rapporteur zijn bezorgdheid uit over het vooruitzicht dat de ruimte mogelijk tot wapen wordt gemaakt en wijst hij opnieuw op het belangrijke principe dat de ruimte wordt gebruikt voor vreedzame doeleinden, neergelegd in het Verdrag inzake de kosmische ruimte van 1967.

Voorts moet de internationale wettelijke regeling voor de regulering en bescherming van een niet-agressief gebruik van de ruimte worden verstrengd, in het bijzonder in het kader van de Commissie van de Verenigde Naties voor het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte (COPUOS), die richtsnoeren opstelt voor de vermindering van ruimtepuin. Deze activiteiten moeten overeenkomen met die van het Inter-Agency Space Debris Coordination Committee (Interinstitutioneel coördinatiecomité voor ruimtepuin), alsmede met die van de Ontwapeningsconferentie van de Verenigde Naties, die momenteel een multilateraal akkoord opstelt over de voorkoming van een wapenwedloop in de kosmische ruimte (Prevention of an Arms Race in Outer Space, PAROS). Het EU-voorzitterschap moet de EU in de bovengenoemde VN-organen proactief vertegenwoordigen.

Alle internationale spelers moeten afzien van het gebruik van offensief materiaal in de ruimte, zoals de Chinese test van een antisatellietwapen in januari 2007, waarbij een alarmerende hoeveelheid ruimtepuin werd geproduceerd. De Verenigde Naties en de Europese Unie moeten zich inzetten voor een actieve vermindering van en bescherming tegen ruimtepuin dat schadelijk is voor satellieten.

Ondanks de bestaande praktijk en in strijd met hun verplichtingen registreren niet alle ruimtegebruikers hun satellieten, inclusief militaire satellieten. De registratie moet worden gehandhaafd, als vertrouwensopbouwende maatregel voor veiligheid in de ruimte. Daarnaast kan het streven van de Raad naar een algemene gedragscode van de EU inzake ruimteobjecten voor een veiligere ruimte zorgen.

9. Transatlantische en andere internationale samenwerking op het gebied van ruimtebeleid

Terwijl de nauwere samenwerking tussen de EU en Rusland in het kader van de ruimtedialoog met drie partijen (Tripartite Space Dialogue) die in 2006 is opgestart tussen de Commissie, het Europees Ruimteagentschap en Roscosmos (het Russische ruimtevaartagentschap) erg welkom is, loopt de samenwerking met de Verenigde Staten en de NAVO achterop.

De rapporteur verzoekt de Europese Unie en de Verenigde Staten daarom een strategische dialoog over het gebruik van ruimteapparatuur op te starten.

De Europese Unie en de NAVO wordt met aandrang verzocht een soortgelijke dialoog op te starten over ruimtebeleid en raketafweer, in het bijzonder over complementariteit en interoperabiliteit van systemen voor satellietcommunicatie, ruimtecontrole en vroegtijdige waarschuwing tegen ballistische raketten, alsmede de bescherming van de Europese strijdkrachten door verdediging van het inzetgebied tegen ballistische raketten (Theatre Ballistic Missile Defence).

(1)

ORFEO – Optical and Radar Federated Earth Observation ("Gecombineerde optische en radarobservatie van de aarde"), Frans-Italiaans akkoord dat Cosmo-Skymed en Pleiades omvat.

(2)

MUSIS- Multinational Space-Based Imaging System for Surveillance, reconnaissance and observation ("Multinationaal ruimteafbeeldingssysteem voor controle, verkenning en observatie") (gebaseerd op het BOC-document – "Besoin Opérationnel Commun" ("Gemeenschappelijke operationele behoefte"))


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (30.5.2008)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake ruimte en veiligheid

(2008/2030(INI))

Rapporteur voor advies: Romana Jordan Cizelj

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gelet op het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat op 13 december 2007 in Lissabon is ondertekend, waarin een nieuw artikel 172 bis is opgenomen onder de titel Onderzoek en technologische ontwikkeling, dat de Unie een rechtsgrondslag biedt voor het opstellen van een Europees ruimtevaartbeleid,

Algemene overwegingen

1.  uit zijn tevredenheid over de toevoeging van artikel 172 bis over een Europees ruimtevaartbeleid in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en verwelkomt de mogelijkheid die het Parlement en de Raad krijgen om binnen de gebruikelijke wetgevingsprocedure de maatregelen te formuleren die nodig zijn om een Europees ruimtevaartprogramma te ontwikkelen;

2.  verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad een passend voorstel voor dergelijke maatregelen te doen toekomen, alsmede een mededeling inzake de vestiging van gepaste betrekkingen met het Europees Ruimteagentschap;

Navigatie - plaatsbepaling

3.  wijst op de overeenkomst die het in eerste lezing heeft bereikt met de Raad over het voorstel voor een verordening betreffende de voortzetting van de uitvoering van de Europese programma’s voor radionavigatie per satelliet (EGNOS en Galileo) waarin is vastgesteld dat de Gemeenschap de eigenaar is van het systeem en dat de stationeringsfase volledig zal worden gefinancierd uit de Gemeenschapsbegroting;

4.  vestigt de aandacht op zijn standpunt dat is aangenomen op 23 april 2008(1), in het bijzonder op het feit dat de programma’s EGNOS en Galileo moeten worden gezien als een van de successen van het toekomstige Europese ruimtevaartprogramma, en op het beheer van de programma’s, in samenwerking met het Galileo Interinstitutioneel Panel (GIP), dat als voorbeeld kan dienen voor de ontwikkeling van een Europees ruimtevaartbeleid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.5.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Šarūnas Birutis, Jan Březina, Philippe Busquin, Jerzy Buzek, Jorgo Chatzimarkakis, Giles Chichester, Dragoş Florin David, Pilar del Castillo Vera, Lena Ek, Adam Gierek, Norbert Glante, Umberto Guidoni, András Gyürk, Fiona Hall, David Hammerstein, Erna Hennicot-Schoepges, Ján Hudacký, Romana Jordan Cizelj, Anne Laperrouze, Eugenijus Maldeikis, Eluned Morgan, Angelika Niebler, Reino Paasilinna, Atanas Paparizov, Aldo Patriciello, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Anni Podimata, Miloslav Ransdorf, Vladimír Remek, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Paul Rübig, Andres Tarand, Patrizia Toia, Catherine Trautmann, Claude Turmes, Alejo Vidal-Quadras

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gabriele Albertini, Alexander Alvaro, Ivo Belet, Manuel António dos Santos, Robert Goebbels, Satu Hassi, Edit Herczog, Pierre Pribetich, Bernhard Rapkay, Silvia-Adriana Ţicău, Lambert van Nistelrooij

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)

Emmanouil Angelakas, Nicolae Vlad Popa

(1)

Aangenomen teksten P6_TA(2008)0167.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.6.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Monika Beňová, André Brie, Colm Burke, Philip Claeys, Véronique De Keyser, Hanna Foltyn-Kubicka, Georgios Georgiou, Bronisław Geremek, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Alfred Gomolka, Klaus Hänsch, Anna Ibrisagic, Jelko Kacin, Ioannis Kasoulides, Maria Eleni Koppa, Helmut Kuhne, Willy Meyer Pleite, Philippe Morillon, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Baroness Nicholson of Winterbourne, Raimon Obiols i Germà, Alojz Peterle, Tobias Pflüger, João de Deus Pinheiro, Samuli Pohjamo, Raül Romeva i Rueda, Libor Rouček, Katrin Saks, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, István Szent-Iványi, Inese Vaidere, Ari Vatanen, Jan Marinus Wiersma, Luis Yañez-Barnuevo García, Zbigniew Zaleski, Josef Zieleniec

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Badia i Cutchet, Giulietto Chiesa, Alexandra Dobolyi, Árpád Duka-Zólyomi, Evgeni Kirilov, Jaromír Kohlíček, Miloš Koterec, Doris Pack, Rihards Pīks, Jean Spautz, Karl von Wogau

Juridische mededeling - Privacybeleid