Procedure : 2008/2062(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0357/2008

Ingediende teksten :

A6-0357/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/10/2008 - 7.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0475

VERSLAG     
PDF 137kWORD 95k
10.9.2008
PE 405.774v02-00 A6-0357/2008

over de tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving met betrekking tot het wegvervoer

(2008/2062(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Alejandro Cercas

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving met betrekking tot het wegvervoer

(2008/2062(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (COM(2007)0266),

–   gezien het 23ste verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging in 2003‑2004 van verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (COM(2007)0622),

–   gezien verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer(1),

–   gezien richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen(2),

–   gezien verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad(3),

–   gezien richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van richtlijn 88/599/EEG(4),

–   gezien het arrest van 24 september 2004 in de gevoegde zaken C‑184/02 en C-223/02 Koninkrijk Spanje en Republiek Finland tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie(5), waarin het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft geoordeeld dat zelfstandige bestuurders niet blijvend mogen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van richtlijn 2002/15/EG,

–   gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité over de "Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Europa duurzaam in beweging - duurzame mobiliteit voor ons continent - Tussentijdse evaluatie van het Witboek Vervoer van 2001 van de Commissie"(6),

–   gezien de brieven van 21 juni en 29 juni 2007 van de voorzitter van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken aan respectievelijk de heer Vladimir Spidla, lid van de Commissie, en de heer Jacques Barrot, vice‑voorzitter van de Commissie, en het antwoord van vice-voorzitter Barrot van 3 oktober 2007,

–   gezien het verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden getiteld "Effecten van de arbeidstijdenrichtlijn op collectieve onderhandelingen in de sector van het wegvervoer"(7),

–   gelet op artikel 45 van zijn reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A6‑0357/2008),

A. overwegende dat sommige lidstaten de door verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad vereiste informatie over hun activiteiten op het gebied van inspectie en rechtshandhaving in de periode 2003-2004 niet binnen de vastgestelde termijnen hebben verschaft, zodat het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze verordening in de genoemde periode (COM(2007)0622) met anderhalf jaar vertraging is ingediend,

B.  overwegende dat het gemiddelde aantal geconstateerde overtredingen stabiel bleef, maar dat het totale aantal gemelde overtredingen in sommige lidstaten aanzienlijk steeg, met een tendens tot toename van het aantal inbreuken op de regels met betrekking tot onderbrekingen en rusttijden, en een afname van het aantal inbreuken op de regels met betrekking tot rijtijden,

C. overwegende dat het komende tweejaarlijkse verslag voor het eerst informatie moet bevatten over de omzetting van richtlijn 2002/15/EG,

D. overwegende dat het in het algemeen belang is dat de bepalingen inzake arbeidstijd en rij- en rusttijden voor zowel mobiele werknemers als zelfstandige bestuurders op de juiste wijze worden toegepast,

E.  overwegende dat bij richtlijn 2002/15/EG minimumnormen zijn ingevoerd met betrekking tot de organisatie van de arbeidstijd, teneinde de veiligheid en gezondheid van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer verrichten beter te beschermen, de verkeersveiligheid te verhogen en gelijke concurrentievoorwaarden te creëren,

F.  overwegende dat richtlijn 2002/15/EG op 23 maart 2002 van kracht is geworden en dat de lidstaten beschikten over een termijn van drie jaar, tot 23 maart 2005, om de bepalingen ervan ten uitvoer te leggen, maar dat de meeste lidstaten er niet in geslaagd zijn de richtlijn in de overgangsperiode van drie jaar om te zetten,

G. overwegende dat er twee jaar na verloop van de overgangsperiode voor de omzetting van richtlijn 2002/15/EG nog lidstaten zijn die nog steeds niet alle bepalingen ervan hebben omgezet,

H. overwegende dat zelfstandige bestuurders ten minste tot 23 maart 2009 zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van richtlijn 2002/15/EG,

I.   overwegende dat de Commissie in haar verslag over de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van richtlijn 2002/15/EG de voor- en nadelen van het opnemen of uitsluiten van zelfstandige bestuurders toelicht, zonder dat zij daarbij evenwel tot definitieve conclusies komt,

J.   overwegende dat het Parlement er herhaaldelijk op heeft gewezen dat de in de sector veel voorkomende wanpraktijk waarbij werknemers ten onrechte worden ingedeeld als zelfstandige bestuurders, absoluut moet worden aangepakt,

K. overwegende dat de verschillen tussen de lidstaten moeten worden weggenomen en er moet worden bijgedragen aan eerlijke concurrentie in de sector van het wegvervoer door de zelfstandige bestuurders op te nemen in de regeling,

L.  overwegende dat het van belang is coherent te blijven met het toepassingsgebied van verordening (EEG) nr. 3820/85 ten aanzien van de lengte van rij- en rusttijden, zonder onderscheid tussen bestuurders,

M. overwegende dat de beperking van de arbeidstijd in de sector van het wegvervoer een veel ruimer positief effect zal hebben op de verkeersveiligheid indien de zelfstandige bestuurders worden opgenomen in de regeling,

N. overwegende dat de opneming van zelfstandige bestuurders hun mogelijkheden tot het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden voor de administratie of het beheer van de onderneming niet zal beperken, aangezien de werktijd in de zin van richtlijn 2002/15/EG beperkt is tot activiteiten die rechtstreeks verband houden met het wegvervoer,

O. overwegende dat er brede consensus bestaat bij de sociale actoren die in het Europees Economisch en Sociaal Comité vertegenwoordigd zijn om de zelfstandige bestuurders op te nemen, teneinde gelijke behandeling van alle werknemers in de sector te waarborgen, concurrentieverstoring te voorkomen en betere arbeidsvoorwaarden te bevorderen,

P.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen duidelijk heeft gesteld dat artikel 71 van het EG-Verdrag een toereikende rechtsgrond vormt voor de toepassing van richtlijn 2002/15/EG op zelfstandige bestuurders, met name omdat dit bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van verkeersveiligheid en het creëren van gelijke concurrentievoorwaarden,

Q. overwegende dat in de bovengenoemde mededeling van de Commissie en het bovengenoemde verslag van de Commissie over de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van richtlijn 2002/15/EG gewezen wordt op de nog steeds voortdurende, zorgwekkende vertraging bij de omzetting en tenuitvoerlegging van richtlijn 2002/15/EG in bepaalde lidstaten, en van andere sociale wetgeving voor de sector van het wegvervoer,

R.  overwegende dat de tweejaarlijkse tenuitvoerleggingsverslagen dienen te worden ingediend volgens het in de richtlijn vastgestelde tijdschema, ook al hebben sommige lidstaten richtlijn 2002/15/EG nog niet omgezet,

1.  betreurt dat er aanzienlijke verschillen blijven bestaan wat de tenuitvoerlegging en handhaving van verordening (EEG) nr. 3820/85 betreft; is van oordeel dat de lidstaten zich sterker voor een efficiënte en eenvormige tenuitvoerlegging van de verbeterde sociale voorschriften moeten inzetten;

2.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de tekortkomingen en vertragingen bij de omzetting en tenuitvoerlegging van richtlijn 2002/15/EG in sommige lidstaten; wenst dat die lidstaten onverwijld opheldering en uitleg verschaffen over de redenen voor het niet ten uitvoer leggen van de richtlijn, en daarbij aangeven welke obstakels er wat dat betreft nog kunnen bestaan;

3.  wijst erop dat in richtlijn 2002/15/EG "minimumvereisten" worden vastgesteld en dat de omzetting van de richtlijn niet mag leiden tot een lager niveau van bescherming van werknemers of minder strikte naleving van gunstiger voorwaarden, die in bepaalde lidstaten voortvloeien uit de algemene arbeidswetgeving of collectieve overeenkomsten;

4.  verzoekt de lidstaten het omzettingsproces te versnellen en zich ten volle in te zetten voor de tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving voor de sector van het wegvervoer, ter bevordering van de verkeersveiligheid voor het algemeen belang en ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van bestuurders, en om een duidelijk kader voor eerlijke concurrentie te verschaffen;

5.  verzoekt de Commissie het tenuitvoerleggingsverslag om de twee jaar op te stellen, zoals voorgeschreven door richtlijn 2002/15/EG, ook al zijn er nog lidstaten die de bepalingen van de richtlijn nog niet in hun nationale wetgeving hebben omgezet;

6.  uit zijn bezorgdheid over het constant hoge gemiddelde aantal overtredingen, met name op het gebied van het personenvervoer, en verwacht van de lidstaten een striktere handhaving van de regels; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij meer gemeenschappelijke initiatieven ter bevordering van de uitwisseling van informatie en personeel ontwikkelen, waarbij moet worden voorzien in gecoördineerde controles;

7.  vraagt de Commissie de door lidstaten gepleegde inbreuken op de communautaire wetgeving wat de sociale voorschriften voor de sector van het wegvervoer betreft met de grootste vastberadenheid aan te pakken, te voorzien in dwingende maatregelen in geval van niet-naleving ervan, en preventieve maatregelen te treffen, indien nodig langs gerechtelijke weg, om ervoor te zorgen dat de communautaire wetgeving strikt wordt nageleefd;

8.  verzoekt de Commissie op grond van de comitologieprocedure waarin is voorzien in verordening (EG) nr. 561/2006 tegen oktober 2008 richtsnoeren voor een eenvormige omschrijving en indeling van overtredingen voor te stellen;

9.  verzoekt de Commissie bij de opstelling van haar formele effectbeoordeling met het oog op de indiening van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van richtlijn 2002/15/EG, zoals bepaald in artikel 2, lid 1 van deze richtlijn, de gepaste prioriteit te geven aan de sociale dimensie van verkeersveiligheid en van gezondheid en veiligheid van bestuurders en andere weggebruikers in relatie met alle andere aspecten;

10. verzoekt de Commissie bij de opstelling van de bovengenoemde formele effectbeoordeling rekening te houden met de moeilijke arbeidsomstandigheden voor vrachtwagenchauffeurs die door Europa reizen, gezien het ontbreken van voldoende adequate rustzones, ondanks het feit dat in artikel 12 van verordening (EEG) nr. 561/2006 uitdrukkelijk het belang wordt erkend van voldoende veilige en bewaakte rustzones voor beroepschauffeurs langs het Europese autowegennet; verzoekt de Commissie dan ook gevolg te geven aan het door het Europees Parlement gelanceerde proefproject voor veilige en bewaakte stopplaatsen, rekening houdend met de maatregelen die worden aanbevolen in het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Europees beleid voor verkeersveiligheid en beroepschauffeurs — Veilige en bewaakte stopplaatsen"(8);

11. verzoekt de Commissie bij de opstelling van de bovengenoemde formele effectbeoordeling ten volle rekening te houden met het door het Parlement geformuleerde standpunt, met name zijn argumenten voor een volledige opneming van zelfstandige bestuurders in het toepassingsgebied van richtlijn 2002/15/EG;

12. verzoekt de Commissie bij de opstelling van de bovengenoemde formele effectbeoordeling rekening te houden met de algemene mening in de vervoersector dat zelfstandige bestuurders dienen te worden opgenomen en is van oordeel dat het uit juridisch oogpunt uiterst moeilijk zou zijn "schijnzelfstandige" werknemers te identificeren en te vervolgen, nog afgezien van de praktische en bureaucratische moeilijkheden die zouden moeten worden overwonnen om te voorkomen dat het concept ruim wordt toegepast teneinde de beperkingen ten aanzien van werkdagen te ontlopen;

13. verzoekt de Commissie tijdig de nodige maatregelen voor te stellen, zodat richtlijn 2002/15/EG in haar geheel en in al haar onderdelen ten volle in werking kan treden op 23 maart 2009 en het toepassingsgebied ervan kan worden uitgebreid tot zelfstandige bestuurders;

14. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de effectbeoordelingen met spoed worden voltooid, zodat zonder verdere vertraging een objectieve analyse kan worden verricht van de wijzigingen die in voorkomend geval in overweging moeten worden genomen;

15. verzoekt de Commissie de procedures voor de controles op het wegvervoer in alle lidstaten onder de loep te nemen en het Parlement daarover verslag uit te brengen; verzoekt de Commissie, indien mocht blijken dat er controleprocedures zijn die het vrije verkeer van goederen of personen belemmeren, de huidige wetgeving te herzien en verbeteringen voor te stellen, om tot eenvormige procedures voor de controles op het wegvervoer te komen;

16. verzoekt de lidstaten en de Commissie de informatie en de daarop steunende tenuitvoerleggingsverslagen sneller te verschaffen, zodat de op grond van de analyses van de tenuitvoerlegging noodzakelijk geachte correcties onverwijld in de wetgeving kunnen worden aangebracht;

17. is van oordeel dat de cijfers over overtredingen nogmaals zijn standpunt bevestigen dat er dringend behoefte is aan aanpassingen in de wetgeving; vertrouwt er gezien de inwerkingtreding van richtlijn 2006/22/EG en verordening (EG) nr. 561/2006 (in respectievelijk mei 2006 en april 2007) dan ook op dat de regels in de toekomst strikter en op eenvormiger wijze zullen worden gehandhaafd;

18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's.

(1)

PB L 370 van 31.12.1985, blz. 1.

(2)

PB L 80 van 23.3.2002, blz.35.

(3)

PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.

(4)

PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35.

(5)

Jurisprudentie [2004] I-7789.

(6)

PB C 161 van 13.7.2007, blz. 89.

(7)

http://www.eurofound.europa.eu/docs/eiro/tn0704039s/tn0704039s.pdf.

(8)

PB C 175 van 27.7. 2007, blz. 88.


TOELICHTING

Het vervoer over de weg speelt in Europa een rol van grote betekenis binnen de economische activiteiten, maakt een zeer dynamische ontwikkeling door en groeit voortdurend. Voor de werkgelegenheid is dit een zeer belangrijke sector, want in de gehele Unie zijn meer dan 3 miljoen mensen er rechtstreeks werkzaam. Helaas laat het naar nationaal recht omzetten van de sociale wetgeving op dit gebied, evenals de naleving ervan, veel te wensen over, in het bijzonder waar het gaat om regels met betrekking tot de organisatie van de arbeidstijden en de rijtijden en rusttijden, met alle gevolgen en risico’s die dit met zich meebrengt voor de veiligheid op de weg en voor de gezondheid en de veiligheid van de bestuurders, zoals het Parlement opmerkt.

Aan de andere kant is het vanwege de enorme concurrentie, zowel binnen de sector als met de andere vervoerssectoren, noodzakelijk duidelijke regels en toezichtprocedures en doeltreffende sanctiemaatregelen te hebben, om te voorkomen dat het niet naleven van de regelgeving van de Gemeenschap het beginsel van eerlijke concurrentie schaadt, terwijl dit een noodzakelijke voorwaarde is voor een samenhangend en redelijk functioneren van deze sector in de Europese economische ruimte. Her naleven van de voorwaarden voor eerlijke concurrentie en het zich strikt houden aan de regels met betrekking tot rijden, werk en rusten vormen twee keerzijden van één medaille: het zijn fundamentele vereisten voor zowel de verkeersveiligheid van de Europese burgers als de gezondheid en de veiligheid van bestuurders in het personen- en goederenvervoer.

Om deze grote en lastige uitdagingen aan te gaan, is veel wetgeving opgesteld, die helaas niet altijd even duidelijk en samenhangend is als zou moeten, en die vooral niet altijd met de vereiste snelheid wordt omgezet in nationale wetgeving en wordt toegepast op de vervoersactiviteiten in alle lidstaten.

In feite bestaan er twee wetgevingsinstrumenten naast elkaar, die nog altijd niet samenvallen: een met betrekking tot rijtijden en rusttijden, die valt onder de bevoegdheid van de Commissie vervoer en toerisme en die recentelijk gewijzigd is(1), en een met betrekking tot de organisatie van de arbeidstijden van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen, zoals omschreven in richtlijn 2002/15/EG van 11 maart 2002, die valt onder de bevoegdheid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en waarop het onderhavige rapport betrekking heeft.

In concreto staan aan het verwezenlijken van de in richtlijn 2002/15/EG genoemde doelstellingen op het gebied van gezondheid en veiligheid nog altijd twee soorten problemen in de weg:

1. Het eerste probleem heeft te maken met tekortkomingen bij de omzetting naar nationaal recht. Nadat deze richtlijn in werking was getreden, hadden de lidstaten drie jaar de tijd – dus tot 23 maart 2005 – om de bepalingen van de richtlijn om te zetten in nationaal recht. Op deze datum had eenderde van de lidstaten echter niet aan deze verplichting voldaan, en zelfs heden ten dagen hebben vier lidstaten nog geen nationale omzettingsmaatregelen meegedeeld; de Commissie is dan ook van mening dat zij niet in staat is haar eerste tweejaarlijkse verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn te publiceren, wat zij in maart 2007 had moeten doen;

2. Het tweede probleem is het feit dat de richtlijn nog altijd niet van toepassing is op zelfstandigen en de voortdurende onzekerheid die dat met zich meebrengt, terwijl het Parlement dit als eis had gesteld en het bij de Raad in een zware bemiddelingsprocedure op moeizame wijze voor elkaar had gekregen. De Commissie heeft aan haar verplichting voldaan en op 23 mei 2007 het rapport gepubliceerd over de gevolgen van het uitsluiten van zelfstandige bestuurders van het toepassingsbereik van richtlijn 2002/15/EG (COM(2007)266). In dit rapport had zij duidelijkheid moeten scheppen over de reikwijdte van de wetgevingsinitiatieven om de richtlijn, zoals bepaald in artikel 2 lid 1 van de bovengenoemde richtlijn, met ingang van 23 maart 2009 ook van toepassing te laten zijn op zelfstandige bestuurders. In haar rapport concludeert de Commissie echter dat zij nog niet in staat is het bedoelde wetsvoorstel te presenteren en dat zij nader onderzoek moet doen en daarbij rekening moet houden met andere dingen, zoals de nieuwe verordening (EG) nr. 561/2006 inzake rijtijden en rusttijden. Uit het rapport blijkt voor velen duidelijk dat de Commissie niet meer zo sterk als voorheen pleit voor het erin opnemen van zelfstandigen en dat economische overwegingen nu belangrijker zijn geworden dan sociale overwegingen of hier zelfs lijnrecht tegenover staan.

Op 21 juni en 29 oktober 2007 heeft de heer Jan Andersson, voorzitter van de Commissie van werkgelegenheid en sociale zaken, zich namens deze commissie gericht tot de heer Vladimir Spidla, lid van de Europese Commissie, en de heer Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie met een officiële mededeling, waarin hij aangaf verheugd te zijn dat deze commissie bleef vasthouden aan de mening dat een verkorting van de arbeidstijd voor de gehele sector, met inbegrip van de zelfstandige bestuurders, een positieve uitwerking zou hebben op de verkeersveiligheid. Als afsluiting riep hij in herinnering dat het inderdaad van belang is dat er samenhang blijft bestaan met de verordening inzake rijtijden en rusttijden, dat moet worden voorkomen dat de sector uiteenvalt omdat veel werknemers (onterecht) worden beschouwd als zelfstandige bestuurders en dat eerlijke concurrentie mogelijk moet worden gemaakt door de richtlijn toe te passen op de gehele sector van het wegvervoer.

De heer Barrot heeft in zijn antwoord aangegeven dat het beschikbare onderzoek geen definitieve uitspraak doet over het wel of niet toepassen van de richtlijn op zelfstandige bestuurders, waardoor de zaak nader dient te worden beschouwd. Er is dus een formeel onderzoek in gang gezet naar de gevolgen, waarbij de volgende drie opties denkbaar waren:

a. de richtlijn handhaven, wat inhoudt dat alle zelfstandige bestuurders met ingang van 23 maart 2009 automatisch onder deze richtlijn vallen;

b. de richtlijn versterken met bepalingen die ten doel hebben dat bestuurders die niet echt zelfstandig zijn wel onder de richtlijn vallen en de echt zelfstandige bestuurders erbuiten blijven vallen;

c; het toepassingsbereik van de richtlijn uitbreiden tot alle zelfstandige bestuurders, met uitzondering van bestuurders die zich slechts toeleggen op vervoersactiviteiten op nationaal niveau.

Nu er al zoveel tijd verstreken is, moet het Parlement zich hier wel over uitspreken, waarmee een tweeledig doel gediend wordt: dat de richtlijn voor het einde van de huidige zittingsduur echt wordt toegepast in heel Europa en dat de Commissie eraan herinnerd wordt dat het Parlement zich er altijd en onafgebroken voor heeft ingezet dat de wetgeving inzake de organisatie van de arbeidstijden van toepassing zou zijn op de gehele sector, wat de enige manier is om tegelijkertijd doeltreffend te zorgen voor:

-  verkeersveiligheid,

-  gezondheid en veiligheid van de bestuurders,

-  eerlijke concurrentie binnen de sector en binnen de gemeenschappelijke Europese ruimte.

(1)

Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz.1), en richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG (PB L 112 van 11.4.2006, blz.35).


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (1.7.2008)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving met betrekking tot het wegvervoer

(2008/2062(INI))

Rapporteur voor advies: Helmuth Markov

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat sommige lidstaten de vereiste informatie over hun activiteiten op het gebied van inspectie en rechtshandhaving in de periode 2003-2004 overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer(1) niet binnen de vastgestelde termijnen hebben verschaft, zodat het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze verordening in de genoemde periode (COM(2007)0622) met anderhalf jaar vertraging is ingediend,

B.  overwegende dat het komende tweejaarlijkse verslag voor het eerst informatie moet bevatten over de omzetting van Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen(2),

C. overwegende dat vijf lidstaten (België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Oostenrijk) in de periode 2003-2004 een groter aantal werkdagen, en de overige lidstaten minder werkdagen hebben gecontroleerd, waarbij Portugal en Zweden onder het voorgeschreven minimum zijn gebleven,

D. overwegende dat het gemiddelde aantal geconstateerde overtredingen stabiel bleef, maar dat het totale aantal gemelde overtredingen in sommige lidstaten aanzienlijk steeg, met een tendens tot toename van het aantal overtredingen met betrekking tot onderbrekingen en rusttijden, en tot afname van het aantal overtredingen met betrekking tot rijtijden,

1.  betreurt dat er nog altijd grote verschillen bestaan wat de tenuitvoerlegging en handhaving van Verordening (EEG) nr. 3820/85 betreft; is van oordeel dat de lidstaten zich sterker voor een efficiënte en eenvormige tenuitvoerlegging van de verbeterde sociale voorschriften moeten inzetten;

2.  is bezorgd over het constant hoge gemiddelde aantal overtredingen, met name in het personenvervoer, en verwacht van de lidstaten een striktere handhaving van de regels; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij meer gemeenschappelijke initiatieven ter bevordering van de uitwisseling van informatie en personeel ontwikkelen, waarbij moet worden voorzien in gecoördineerde controles;

3.  verzoekt de Commissie de procedures voor de controles op het wegvervoer in alle lidstaten onder de loep te nemen en het Parlement daarover verslag uit te brengen; verzoekt de Commissie, als blijkt dat er controleprocedures zijn die het vrije verkeer van goederen of personen belemmeren, de huidige wetgeving te herzien en verbeteringen voor te stellen, om tot eenvormige procedures voor de controle op het wegvervoer te komen;

4.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de informatie en de daarop steunende uitvoeringsverslagen sneller te verschaffen, zodat de op grond van de analyses van de tenuitvoerlegging noodzakelijk geachte correcties onverwijld in de wetgeving kunnen worden aangebracht;

5.  is van oordeel dat deze cijfers nogmaals bevestigen dat er dringend behoefte is aan aanpassingen in de wetgeving; vertrouwt er gezien de inwerkingtreding van Richtlijn 2006/22/EG(3) en Verordening (EG) nr. 561/2006(4) (in resp. mei 2006 en april 2007) dan ook op dat de regels in de toekomst strikter en op eenvormiger wijze zullen worden gehandhaafd;

6.  verzoekt de Commissie op grond van de comitologieprocedure waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 561/2006 uiterlijk in oktober 2008 richtsnoeren voor een eenvormige omschrijving en indeling van overtredingen voor te stellen;

7.  bekritiseert de vertraging bij de tenuitvoerlegging en handhaving van Richtlijn 2002/15/EG, die uiterlijk op 23 maart 2005 in de nationale wetgevingen diende te zijn omgezet; wenst dat de tijdelijke vrijstelling voor zelfstandigen zoals gepland met ingang van 2009 wordt opgeheven, en dat de arbeidstijd over een periode van twee weken op maximaal honderd uur wordt gebracht;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te treffen om de noodzakelijke investeringen in de ontwikkeling van de wegvervoerinfrastructuur te garanderen, waarbij bij voorrang dient te worden voorzien in veilige parkeerfaciliteiten;

9.  verzoekt de Commissie de administratieve voorschriften te toetsen op efficiëntie en eenvoudigheid;

10. verzoekt de Commissie in het algemeen maatregelen te treffen om handhaving en controle te garanderen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.6.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Etelka Barsi-Pataky, Paolo Costa, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Arūnas Degutis, Christine De Veyrac, Petr Duchoň, Saïd El Khadraoui, Robert Evans, Francesco Ferrari, Brigitte Fouré, Mathieu Grosch, Georg Jarzembowski, Timothy Kirkhope, Dieter-Lebrecht Koch, Jaromír Kohlíček, Bogusław Liberadzki, Eva Lichtenberger, Seán Ó Neachtain, Josu Ortuondo Larrea, Paweł Bartłomiej Piskorski, Reinhard Rack, Brian Simpson, Renate Sommer, Dirk Sterckx, Silvia-Adriana Ţicău, Yannick Vaugrenard

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Margrete Auken, Philip Bradbourn, Lily Jacobs, Elisabeth Jeggle, Maria Eleni Koppa, Helmuth Markov, Rosa Miguélez Ramos, Vural Öger, Marie Panayotopoulos-Cassiotou

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)

Ioannis Gklavakis, Helmut Kuhne, Maria Petre, Eoin Ryan

(1)

PB L 370 van 31.12.1985, blz. 1.

(2)

PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35.

(3)

            Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35).

(4)

            Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1).


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.9.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

16

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Edit Bauer, Iles Braghetto, Philip Bushill-Matthews, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Jean Louis Cottigny, Jan Cremers, Proinsias De Rossa, Harald Ettl, Richard Falbr, Carlo Fatuzzo, Ilda Figueiredo, Roger Helmer, Stephen Hughes, Karin Jöns, Ona Juknevičienė, Jean Lambert, Bernard Lehideux, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Maria Matsouka, Mary Lou McDonald, Elisabeth Morin, Juan Andrés Naranjo Escobar, Csaba Őry, Siiri Oviir, Pier Antonio Panzeri, Rovana Plumb, Jacek Protasiewicz, Elisabeth Schroedter, José Albino Silva Peneda, Jean Spautz, Gabriele Stauner, Ewa Tomaszewska, Anne Van Lancker, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Petru Filip, Donata Gottardi, Rumiana Jeleva, Sepp Kusstatscher, Claude Moraes, Roberto Musacchio, Csaba Sógor

Juridische mededeling - Privacybeleid