Procedure : 2008/2140(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0418/2008

Ingediende teksten :

A6-0418/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/11/2008 - 7.18
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0545

VERSLAG     
PDF 136kWORD 99k
21.10.2008
PE 409.473v02-00 A6-0418/2008

over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen

(2008/2140(INI))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: Christian Ehler

Rapporteur voor advies (*):

Gyula Hegyi, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

(*) Medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID (*)
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen

(2008/2140(INI))

Het Europees Parlement,

–    gezien de mededeling van de Commissie van 23 januari 2008 over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen (COM(2008)0013) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie over de effectbeoordeling (SEC(2008)0047),

-    gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (COM(2008)0016) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie over de effectbeoordeling (SEC(2008)0052),

-    gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 (COM(2008)0018) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie over de effectbeoordeling (SEC(2008)0054),

-    gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2007 met de titel “Een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-Plan): Naar een koolstofemissiearme toekomst” (COM(2007)0723) en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie waarin een overzicht wordt gegeven van de technologische stand van zaken (SEC(2007)1510) en de bestaande energieonderzoekscapaciteit (SEC(2007)1511), voor het Europees strategisch plan voor energietechnologie,

- gezien de mededeling van de Commissie van 23 januari 2008 met de titel “Naar 20-20 in 2020: Kansen van klimaatverandering voor Europa” (COM(2008)0030),

- gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 met de titel “Een energiebeleid voor Europa” (COM(2007)0001),

- onder verwijzing naar Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007 - 2013)(1),

–    gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–    gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6‑0418/2008),

A.  overwegende dat het gebruik van fossiele brandstoffen in de EU volgens de meest recente wetenschappelijke en technologische inzichten, zonder massale investeringen in onderzoek en ontwikkeling van andere technologieën, nog vele decennia nodig zal zijn om de continuïteit van de energievoorziening te garanderen,

B.   overwegende dat steenkool de enige in de EU aanwezige fossiele energiebron is die grenzen stelt aan de toenemende afhankelijkheid van olie- en gasimporten uit onbetrouwbare derde landen en daarom van strategisch belang is,

C.  overwegende dat, hoewel steenkool in veel lidstaten een belangrijke plaats inneemt in de energiemix, de steenkoolcentrales belangrijke vernieuwingen en investeringen behoeven om de uitstoot van aldus gegenereerde broeikasgassen terug te dringen,

D.  overwegende dat veel lidstaten over grote voorraden steenkool beschikken die naar schatting tot ver in de komende eeuw kunnen worden geëxploiteerd,

E.   overwegende dat toepassing op grote schaal van technologieën voor de afvang en opslag van kooldioxide (CCS- technologieën) in elektriciteitscentrales en op lange termijn ook in industriële sectoren met een hoge CO2-uitstoot, zou kunnen helpen om aan de ambitieuze klimaatdoelstellingen van de EU na 2020 te voldoen en dat de toepassing van deze technologieën een aanvulling is op de inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie aan zowel de vraag- als de aanbodzijde, evenals op het gebied van hernieuwbare energie,

F.   overwegende dat de energieproductie in veel opkomende economieën in de wereld afhankelijk is van het gebruik van steenkool en dat successen in het klimaatbeleid in deze regio’s ten nauwste samenhangen met de mogelijkheid om de uitstoot bij het gebruik van steenkool te verminderen,

G.  overwegende dat toepassing van CCS-technologieën in elektriciteitscentrales vanaf 2020 alleen mogelijk zal zijn als demonstratieprojecten nieuwe en noodzakelijke technologische ontwikkelingen met zich brengen, evenals een verbetering van het efficiëntieniveau en van de rendabiliteit en daarbij tegelijk de bescherming van het milieu gewaarborgd wordt,

H.  overwegende dat door vertragingen bij de bouw van demonstratie-installaties de toepassing van CCS-technologieën in elektriciteitscentrales – en daarmee de realisering van de klimaatdoelstellingen – op losse schroeven komt te staan,

I.    overwegende dat een adequaat en noodzakelijk wetgevingskader voor de toepassing van CCS-technologieën tot nu toe ontbreekt,

J.    overwegende dat de op dit gebied bestaande communautaire wetgeving zo snel mogelijk moet worden omgezet door middel van nationale of regionale regelingen en moet worden aangevuld met nieuwe wetgevingsvoorstellen, met name met betrekking tot de aanleg van transportinfrastructuur,

K.  overwegende dat het door het ontbreken van wettelijke regelingen voor bedrijven moeilijk is om beslissingen over investeringen te nemen en voor potentiële investeerders om actief te worden op de financiële markten,

L.   overwegende dat de bouw van minstens twaalf demonstratie-installaties moet worden gesteund en dat de demonstratieprojecten op het niveau van de EU geselecteerd moeten worden op basis van het feit of ze de nodige inzichten zullen opleveren met betrekking tot de afzonderlijke technologieën en de verschillende mogelijkheden voor transport en opslag,

1.   benadrukt dat de klimaatbeleidsmaatregelen van de EU tot doel dienen te hebben om wereldwijd de emissie van broeikasgassen te verminderen;

2.   herinnert aan het speciaal verslag betreffende CCS van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) uit 2005, waarin CCS werd aangewezen als een veelbelovende technologie voor een snelle vermindering van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, waarmee voor 2100 een reductie van maximaal 55% kan worden bereikt;

3.   erkent dat de toepassing van CCS-technologieën kan bijdragen tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU na 2020; maar wijst erop dat de steun voor de toepassing van CCS-technologieën een aanvulling is op de inspanningen die worden geleverd om de energie-efficiëntie te verbeteren en om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te verhogen;

4.   herinnert aan de belofte die de Europese Raad op 8 en 9 maart 2007 heeft gedaan om de bouw en ingebruikname voor 2015 van maximaal twaalf demonstratie-installaties voor duurzame technologieën voor fossiele brandstoffen in de commerciële energiesector te stimuleren;

5.   benadrukt dat het noodzakelijk is nationale debatten te organiseren, en alle experts op dit gebied in te schakelen om de belangrijke rol van demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen uiteen te zetten;

6.   onderschrijft de veronderstelling dat in de EU minstens twaalf demonstratie-installaties moeten worden gebouwd om de gewenste toepassing van CCS–technologieën in elektriciteitscentrales te realiseren en de veilige opslag van CO2 te garanderen vanaf 2020; is in dit verband van mening dat, indien mogelijk, de demonstratie van CCS-technologieën nog voor 2020 ook in andere industriële sectoren moet worden ondersteund; wijst erop dat de demonstratie van CCS-processen tijdens de afvang-, transport- en opslagfase moet uitwijzen of CCS-technologieën veilig kunnen worden toegepast en of ze een kosteneffectieve oplossing zijn voor het probleem van de klimaatverandering;

7.   beschouwt de verdere ontwikkeling en toepassing van CCS–technologieën als een mogelijkheid om de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van energiezekerheid, klimaatbescherming en concurrentievermogen in gelijke mate te bespoedigen;

8.   is van mening dat, gezien de positie van fossiele brandstoffen in de energiemix van veel landen wereldwijd, CCS-technologieën in de EU, naast de inspanningen die al worden geleverd om de energie-efficiëntie te verbeteren en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te verhogen, een bijdrage zouden kunnen leveren aan energiezekerheid en klimaatbescherming;

9.   benadrukt dat er bindende en strenge criteria moeten worden vastgesteld om de veiligheid van opslagplaatsen op lange termijn te garanderen;

10. is van oordeel dat opslag onder de zeebodem in geval van een ongeluk een bedreiging kan vormen voor de ecosystemen in zee;

11. is van mening dat de door de Commissie geschetste maatregelen niet voldoende zijn om de financiële voorwaarden te scheppen die nodig zijn om voor 2015 minstens twaalf demonstratie-installaties te bouwen;

12. verzoekt de Commissie een gedetailleerde analyse te maken van de kosten van en het aandeel van particuliere en openbare financiering in elk van de twaalf demonstratie-installaties;

13. is van oordeel dat een directe financiële voorziening nodig is om de bouw van twaalf demonstratie-installaties te garanderen;

14. wijst erop dat investeringsbeslissingen en het aantrekken van kapitaal voor demonstratieprojecten op de financiële markt aanzienlijk worden bemoeilijkt door het ontbreken van een wetgevingskader, met name op het niveau van de lidstaten en de regio’s, en doordat er onzekerheid bestaat over de toekomstige prijsontwikkeling van de emissierechten;

15. is van mening dat de tijdspanne tussen de potentiële mogelijkheden voor steun via de emissiehandel vanaf 2013 en de noodzakelijke plannings- en bouwfase van demonstratie-installaties kan worden overbrugd door financiële middelen beschikbaar te stellen;

16. stelt in dit verband voor om de middelen uit de financieringsfaciliteit met risicodeling die bij de vaststelling van het zevende kaderprogramma voor onderzoek werden vastgehouden tot de tussentijdse evaluatie, voor CCS-demonstratie-installaties te bestemmen, zodat tijdig middelen voor financiële steun beschikbaar zijn, en deze mogelijk, zoals door de Commissie is geopperd, in samenwerking met de Europese Investeringsbank aan te vullen met andere financieringsmiddelen;

17.  acht het in verband met het emissiehandelssysteem van de EU (EU ETS) voorts noodzakelijk om de financiële prikkels voor de productie met CCS-technologie te verhogen door binnen het EU ETS certificaten toe te kennen voor de verwachte productie met CCS-technologie met een meerwaarde van minstens 25 % vanaf 2013, maar is ook van mening dat deze certificaten minstens twee jaar voor de bouw moeten worden toegekend zodat ze kunnen worden verhandeld; is van oordeel dat anders zou moeten worden overwogen om 500 miljoen quota vast te stellen voor de ondersteuning van installaties in de EU; verder worden de lidstaten aangemoedigd om de opbrengsten uit de veiling van de emissiecertificaten in het kader van het EU ETS aan te wenden om CCS technologieën en de nodige infrastructuur te ondersteunen;

18.  acht het dringend geboden dat de minstens twaalf te steunen demonstratie-installaties alle mogelijke combinaties van de drie CCS- technologieën met de verschillende energiebronnen en opslagmogelijkheden omvatten en dat bij de lokalisering van de installaties een maximale geografische spreiding binnen de Europese Unie voor ogen wordt gehouden;

19.  beveelt ten zeerste aan dat in de selectie elektriciteitscentraleprojecten worden opgenomen met een voorgestelde minimumcapaciteit van 180MW;

20. vindt dat op nationaal en regionaal niveau snel de voorwaarden moeten worden geschapen die nodig zijn voor het toekennen van vergunningen voor transport en opslag;

21.  acht Europese betrokkenheid ook noodzakelijk om de ontwikkeling van de nodige transportinfrastructuur te vergemakkelijken, wijst daarbij op het feit dat de vergunningsprocedures die lidstaten voor andere transportinfrastructuren kennen, jaren in beslag kunnen nemen, en wijst er in dat verband op dat het belangrijk is om deze procedures te verkorten teneinde de bouw tegen 2020 te garanderen;

22.  beschouwt de mogelijkheid om gelden uit de structuurfondsen voor demonstratie-installaties voor CCS aan te wenden slechts dan als een optie, indien de regio’s de middelen nog niet voor andere langlopende projecten hebben bestemd, en maakt duidelijk dat het draagvlak voor de inspanningen voor klimaatbescherming zal afnemen wanneer bij de besteding van de middelen de verbetering van de economische en sociale samenhang moet concurreren met maatregelen voor klimaatbescherming;

23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.


TOELICHTING

Met de mededeling van de Commissie “Steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen” heeft de Commissie de basis gelegd voor een discussie over de te nemen beleidsmaatregelen. Deze variëren van initiatieven ter verbreding van het draagvlak voor de technologie, maatregelen die voorzien in de noodzakelijke wetgeving of juridische belemmeringen wegnemen tot steunmaatregelen via de emissiehandel, de Europese Investeringsbank en de structuurfondsen.

Er bestaat overeenstemming over het feit dat de Europese Unie haar ambitieuze klimaatdoelstellingen na 2020 alleen zal halen wanneer de grootschalige toepassing van CCS-technologieën in elektriciteitscentrales kan worden gewaarborgd. Vertragingen bij demonstratieprojecten zullen leiden tot vertragingen in de mogelijkheid om de technologie na 2020 toe te passen.

Gezien het belang van steenkool voor betaalbare energieprijzen en voor de continuïteit van de energievoorziening van onze burgers zijn we aangewezen op steenkool als onderdeel van de energiemix. Daarom moet een klimaatvriendelijke exploitatie van steenkool met kracht worden gestimuleerd.

Het probleem is volgens uw rapporteur dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen niet tijdig genoeg zullen zijn gerealiseerd om de demonstratieprojecten vóór 2015 te kunnen voltooien. Bovendien worden beslissingen om te investeren in demonstratie-installaties voor CCS en het aantrekken van financieringsmiddelen bemoeilijkt doordat de noodzakelijke wetgeving ontbreekt. Terwijl momenteel op Europees niveau hard wordt gewerkt aan een richtlijn betreffende de geologische opslag van CO2, worden op nationaal en regionaal niveau nauwelijks initiatieven op dit gebied genomen, met name waar het gaat om de noodzakelijke transportinfrastructuur.

Dit ontwerpverslag spreekt zich uit voor steun ten behoeve van de bouw van minstens twaalf demonstratie-installaties met een minimumcapaciteit van 200 MW. Daarvoor is het in de eerste plaats noodzakelijk dat er haast wordt gemaakt met het opstellen en aannemen van de vereiste wetgeving, zowel voor de geologische opslag als voor de transportinfrastructuur. In de tweede plaats moeten er vóór 2013 financiële stimuleringsmaatregelen zijn getroffen. Daarvoor komen de FFRD-middelen ten bedrage van vijfhonderd miljoen euro in aanmerking die door het Parlement tot aan de tussentijdse evaluatie werden vastgehouden en in de toekomst worden geoormerkt voor demonstratie-installaties voor CCS. Samen met de medefinanciering door de EIB zouden middelen ter grootte van een miljard euro beschikbaar kunnen zijn. Daarnaast moet - meer dan tot nu toe was voorzien - gebruik worden gemaakt van de ETS door eerder certificaten ter ondersteuning van demonstratie-installaties toe te kennen.

Bij de selectie van de demonstratieprojecten die door de EU worden gesteund, moet worden gewaarborgd dat de projecten de nodige inzichten zullen opleveren met betrekking tot de afzonderlijke technologieën en de verschillende mogelijkheden voor transport en opslag. Daarom dienen de projecten zodanig te worden geselecteerd dat ze alle mogelijke combinaties van de drie CCS-technologieën met de verschillende energiebronnen en opslagmogelijkheden omvatten.


ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID (*) (9.10.2008)

voor de Commissie industrie, onderzoek en energie

over steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen

(2008/2140(INI))

Rapporteur (*): Gyula Hegyi

(*) Medeverantwoordelijke commissies - Artikel 47 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de Europese klimaatbeleidsmaatregelen tot doel dienen te hebben om wereldwijd de emissie van broeikasgassen te verminderen;

2.  herinnert aan het speciaal verslag betreffende de afvang en opslag van kooldioxide (CCS) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) uit 2005, waarin CCS werd aangewezen als een veelbelovende technologie voor een snelle vermindering van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, waarmee voor 2100 een reductie van maximaal 55% kan worden bereikt;

3.  herinnert aan het feit dat volgens de meeste voorspellingen de primaire energievoorziening minimaal tot het midden van de eeuw gedomineerd zal blijven worden door fossiele brandstoffen, en dat CCS daarom een aanvullende technologie is die onmisbaar is om voor 2050 de vereiste reducties van de CO2-uitstoot te bereiken, in combinatie met verbeteringen in de energie-efficiëntie en de ontwikkeling van duurzame energiesoorten;

4.  herinnert aan de belofte die de Europese Raad op 8 en 9 maart 2007 heeft gedaan om de bouw en ingebruikname voor 2015 van maximaal twaalf demonstratiecentrales voor duurzame technologieën voor fossiele brandstoffen in de commerciële energiesector te stimuleren;

5.  is van oordeel dat, ondanks dat CCS een “end-of-pipe”-technologie is, deze deel kan uitmaken van het Europese klimaatbeleid op voorwaarde dat de veiligheid en milieu-integriteit in de gehele keten gewaarborgd kunnen worden; benadrukt echter dat dit niet mag leiden tot vermindering van het aantal energie-efficiënte maatregelen en van het aantal investeringen in hernieuwbare energiebronnen;

6.  benadrukt dat er bindende, strenge criteria moeten worden vastgesteld om de veiligheid van opslagplaatsen op lange termijn te garanderen;

7.  benadrukt dat demonstratie van CCS in een vroeg stadium op industriële schaal in de EU van essentieel belang is om brede commerciële inzet van milieuveilige CCS vanaf 2020 wereldwijd mogelijk te maken;

8.  is van oordeel dat opslag onder de zeebodem in geval van een ongeluk een bedreiging kan vormen voor de ecosystemen in zee;

9.  is van oordeel dat CCS, vanwege de hoge technische en financiële kosten, een energiestructuur kan bevorderen die bestaat uit enkele zeer krachtige energiecentrales, terwijl daarentegen kleine gedecentraliseerde centrales met warmtekrachtkoppeling beter geschikt zijn om het Europese energierendement met 20 % te doen toenemen;

10. is van oordeel dat CCS de efficiëntie van energiecentrales vermindert;

11. is van mening dat het een verstandige en onontbeerlijke maatregel is om bij de elektriciteitsproductie op basis van steenkool op grotere schaal gebruik te maken van de nieuwste koolstofarme technologieën voor de verbranding van steenkool, die niet alleen een hoge energie-efficiëntie hebben, maar ook veel minder schadelijk zijn voor het milieu;

12. onderstreept dat toename van de verbranding van kolen zal leiden tot meer luchtvervuiling, waaronder de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), koolmonoxide (CO), stofdeeltjes en kwik;

13. wijst erop dat er binnen het kader van de richtlijn inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC-richtlijn) geen referentiedocument (BREF) voor de best beschikbare techniek (Best Available Technique (BAT)) inzake CCS bestaat; benadrukt derhalve dat er vóór 2015 een horizontaal BREF-document inzake CCS dient te worden opgesteld;

14. is van oordeel dat het gebruik van CCS onderhevig moet zijn aan concurrentie met andere koolstofbeheersende maatregelen op grond van de overeengekomen limieten van broeikasgasemissies, en dat CCS niet gesubsidieerd dient te worden; is van opvatting dat CCS-installaties gefinancierd dienen te worden door de energiesector, indien dit de meest geschikte oplossing is om de uitstoot van CO2 te verminderen;

15. is van mening dat CCS een energietechnologie is die een impuls krijgt door de noodzaak van de bestrijding van klimaatverandering en dat de economische levensvatbaarheid ervan volledig afhankelijk is van de CO2-prijs; is van mening dat de EU-regeling voor de emissiehandel (ETS) daarom een geschikt instrument is voor de instelling van een projectdemonstratiemechanisme dat gedurende de overgangsperiode de noodzakelijke stimulansen levert om vroegtijdige investering in het CCS-demonstratieprogramma mogelijk te maken;

16. stelt voor dat in de Richtlijn betreffende de EU ETS een reserve van maximaal 500 miljoen quota wordt vastgesteld die kunnen worden toegekend aan grootschalige commerciële demonstratieprojecten die zich bezighouden met de afvang en geologische opslag van kooldioxide op het grondgebied van de EU;

17. verzoekt de Commissie de noodzakelijke wetgevingsvoorstellen in te dienen voor de vaststelling van de procedures voor de identificatie en goedkeuring van de demonstratieprojecten en de toekenning van quota aan demonstratieprojecten, waarbij rekening dient te worden gehouden met de volgende criteria:

     -   er moet worden gezorgd voor de ontwikkeling van een breed scala aan CCS-technologieën, op kostenefficiënte wijze en evenwichtig verdeeld over verschillende locaties in de EU;

     -   quota moeten worden toegekend op basis van de geverifieerde geologische opslag van CO2;

     -   er moet worden voorzien in een grotere stimulans voor organisaties die eerder overschakelen en voor complexere technologie en/of transport- en opslagconfiguraties;

     -   er moet worden gewaarborgd dat de noodzaak van kostendekking binnen de demonstratieprojecten in evenwicht is en het risico van onverwachte winsten wordt vermeden, waarbij de potentiële bemiddelende rol van de Europese Investeringsbank op dit gebied moet worden onderzocht;

     -   de werking van het projectdemonstratiemechanisme moet beperkt blijven in tijd en omvang, om te voorkomen dat de industrie langdurig wordt gesteund.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.10.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

10

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Margrete Auken, Liam Aylward, Pilar Ayuso, Irena Belohorská, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Hiltrud Breyer, Martin Callanan, Magor Imre Csibi, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Jill Evans, Anne Ferreira, Elisabetta Gardini, Matthias Groote, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Urszula Krupa, Peter Liese, Jules Maaten, Marios Matsakis, Linda McAvan, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Guido Sacconi, Daciana Octavia Sârbu, Amalia Sartori, Richard Seeber, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Salvatore Tatarella, Antonios Trakatellis, Evangelia Tzampazi, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Iles Braghetto, Bairbre de Brún, Caroline Lucas, Miroslav Mikolášik

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (artikel 178, lid 2)

Dieter-Lebrecht Koch


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.10.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jerzy Buzek, Giles Chichester, Den Dover, Nicole Fontaine, Adam Gierek, Norbert Glante, András Gyürk, Fiona Hall, Ján Hudacký, Romana Jordan Cizelj, Anne Laperrouze, Anni Podimata, Miloslav Ransdorf, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Catherine Trautmann, Claude Turmes

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Etelka Barsi-Pataky, Ivo Belet, Daniel Caspary, Manuel António dos Santos, Christian Ehler, Juan Fraile Cantón, Malcolm Harbour, Pierre Pribetich, Silvia-Adriana Ţicău

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (artikel 178, lid 2)

Mikel Irujo Amezaga

Juridische mededeling - Privacybeleid