Procedure : 2008/0091(CNS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0433/2008

Ingediende teksten :

A6-0433/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/12/2008 - 7.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0573

VERSLAG     *
PDF 178kWORD 227k
10.11.2008
PE 412.172v02-00 A6-0433/2008

over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren

(COM(2008)0240 – C6‑0204/2008 – 2008/0091(CNS))

Commissie visserij

Rapporteur: Struan Stevenson

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren

(COM(2008)0240 – C6‑0204/2008 – 2008/0091(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0240),

–   gelet op artikel 37 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6‑0204/2008),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6‑0433/2008),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2, van het EG‑Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Amendement  1

Voorstel voor een verordening

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7) Om stabiliteit van de vangstmogelijkheden te waarborgen, dient de verandering van de TAC’s ten opzichte van het voorgaande jaar te worden beperkt wanneer de omvang van het bestand meer bedraagt dan 75 000 ton.

(7) Om stabiliteit van de vangstmogelijkheden te waarborgen, dient de verandering van de TAC’s ten opzichte van het voorgaande jaar te worden beperkt.

Motivering

De verandering van de TAC's moet niet enkel worden beperkt wanneer de omvang van het bestand meer bedraagt dan 75 000 ton.

Amendement  2

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a) beperking van de visserijsterftecoëfficiënt tot 0,25 per jaar voor de relevante leeftijdsklassen als de omvang van het paaibestand meer dan 75 000 ton bedraagt;

(a) beperking van de visserijsterftecoëfficiënt tot 0,25 per jaar voor de relevante leeftijdsklassen voor het volgende jaar in de jaren wanneer de ICES en het WTECV schattingen kunnen voorleggen dat de omvang van het paaibestand 75 000 ton of meer bedraagt;

Amendement  3

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c) sluiting van de visserij als de omvang van het paaibestand tot minder dan 50 000 ton afneemt.

(c) te voorzien in een streng herstelplan gebaseerd op advies van de ICES en het WTECV als de omvang van het paaibestand tot minder dan 50 000 ton afneemt.

Motivering

A complete closure of the fishery could represent a disproportionate response to the change in the spawning of biomass of the stock, for example when this is specified as being only very slightly below the 50 000 tonnes trigger point. In these circumstances, after taking advice from STECF, the fishery could remain open with a strict recovery plan in place. The Commission's assessment is uncertain and although the closure of fishing activities will be needed at certain points, it is inappropriate for the fishery to be automatically closed when the spawning stock was estimated to be only slightly below 50 000 tonnes.

Amendement  4

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Het in lid 1 omschreven doel wordt bereikt met TAC’s die van jaar tot jaar met ten hoogste 15 % variëren als de omvang van het paaibestand meer bedraagt dan 75 000 ton.

3. Het in lid 1 omschreven doel wordt bereikt met TAC’s die van jaar tot jaar met ten hoogste 15 % variëren in elk jaar dat de omvang van het paaibestand meer bedraagt dan 75 000 ton en met TAC's die van jaar tot jaar met ten hoogste 20 % variëren in elk jaar dat het paaibestand minder dan 75 000 maar meer dan 50 000 ton bedraagt.

Motivering

De TAC mag elk jaar niet meer dan ongeveer 20 % variëren van de huidige TAC om de stabiliteit van de visvangst te kunnen behouden. Gelet op het belang van de visserij en de onzekerheid van de beoordeling, moeten verminderingen van de vangsten op een gecontroleerde en goed beheerde manier gebeuren, rekening houdend met sociaal-economische factoren. Deze beperking van de TAC laat toe dat de TAC's geleidelijk worden verlaagd indien het paaibestand net iets minder dan 75 000 ton bedraagt. Hiermee wordt eveneens voorkomen dat de TAC's drastisch worden verlaagd, op basis van twee verschillende streefwaarden voor de visserijsterfte.

Amendement  5

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Wanneer de biomassa van het paaibestand naar de mening van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) meer dan 75 000 ton zal bedragen in het jaar waarvoor de TAC moet worden vastgesteld, wordt de TAC vastgesteld op een niveau dat volgens het advies van het WTECV zal resulteren in een visserijsterftecoëfficiënt van 0,25 per jaar. Indien nodig wordt dat niveau bijgesteld overeenkomstig artikel 5.

2. Wanneer de biomassa van het paaibestand naar de mening van het WTECV meer dan 75 000 ton zal bedragen of 75 000 ton zal bereiken in het jaar waarvoor de TAC moet worden vastgesteld, wordt de TAC vastgesteld op een niveau dat volgens het advies van het WTECV zal resulteren in een visserijsterftecoëfficiënt van 0,25 per jaar. Indien nodig wordt dat niveau bijgesteld overeenkomstig artikel 5.

Amendement  6

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Wanneer de biomassa van het paaibestand naar de mening van het WTECV minder dan 75 000 ton maar meer dan 50 000 ton zal bedragen in het jaar waarvoor de TAC moet worden vastgesteld, wordt de TAC vastgesteld op een niveau dat volgens het advies van de WTECV zal resulteren in een visserijsterftecoëfficiënt van 0,2 per jaar.

3. Wanneer de biomassa van het paaibestand naar de mening van het WTECV minder dan 75 000 ton maar meer dan 50 000 ton zal bedragen in het jaar waarvoor de TAC moet worden vastgesteld, wordt de TAC vastgesteld op een niveau dat volgens het advies van de WTECV zal resulteren in een visserijsterftecoëfficiënt van 0,2 per jaar. De TAC mag elk jaar niet meer dan 20 % afwijken van de TAC van het voorgaande jaar. Indien nodig wordt dat niveau bijgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2 bis en artikel 5, lid 2 ter.

Motivering

De visserijsterfte moet geleidelijk worden verminderd, in overeenstemming met de regels voor het bepalen van de TAC's.

Amendement  7

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Wanneer de biomassa van het paaibestand naar de mening van het WTECV minder dan 50 000 ton zal bedragen in het jaar waarvoor de TAC moet worden vastgesteld, wordt de TAC vastgesteld op 0 ton.

4. Wanneer de biomassa van het paaibestand naar de mening van het WTECV minder dan 50 000 ton zal bedragen in het jaar waarvoor de TAC moet worden vastgesteld, wordt de TAC vastgelegd op basis van een streng herstelplan gebaseerd op advies van de ICES en het WTECV.

Motivering

A complete closure of the fishery could represent a disproportionate response to the change in the spawning of biomass of the stock, for example when this is specified as being only very slightly below the 50 000 tonnes trigger point. In these circumstances, after taking advice from STECF, the fishery could remain open with a strict recovery plan in place. The Commission's assessment is uncertain and although the closure of fishing activities will be needed at certain points, it is inappropriate for the fishery to be automatically closed when the spawning stock was estimated to be only slightly below 50 000 tonnes.

Amendement  8

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis. In elk jaar dat de ICES en het WTECV niet in staat zijn schattingen voor te leggen van de omvang van het paaibestand of van de visserijsterfte, moet de TAC van het voorgaande jaar behouden blijven. In het tweede jaar en elk daaropvolgend jaar dat er geen wetenschappelijke voorspelling beschikbaar is, moet de TAC echter worden verminderd met 10 % in vergelijking met het voorgaande jaar.

Motivering

Deze regels worden opgenomen om in overeenstemming te zijn met de voorzorgsaanpak wanneer de omstandigheden onduidelijker zijn.

Amendement  9

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. Wanneer de toepassing van artikel 4, lid 3, eerste zin, zou resulteren in een TAC die meer dan 20% groter is dan de TAC van het voorgaande jaar, stelt de Raad een TAC vast die slechts 20% groter is dan de TAC van dat jaar.

Motivering

Volgens de beleidsverklaring van de Commissie over de vangstmogelijkheden voor 2009 (10264/08 PECHE 130), is een plafond van 20% op de flexibiliteit van de quota van toepassing wanneer het bestand zich buiten biologisch veilige grenzen bevindt, en zal de Commissie de TAC verminderen met ten minste 20% wanneer de ICES sluiting aanbeveelt. Het is bijgevolg nodig een maximumvariatie van 20% per jaar vast te leggen voor TAC's wanneer de biomassa van het bestand tussen 50 000 en 75 000 ton ligt.

Amendement  10

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 – lid 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 ter. Wanneer de toepassing van artikel 4, lid 3, eerste zin, zou resulteren in een TAC die meer dan 20% kleiner is dan de TAC van het voorgaande jaar, stelt de Raad een TAC vast die slechts 20% kleiner is dan de TAC van dat jaar.

Motivering

Volgens de beleidsverklaring van de Commissie over de vangstmogelijkheden voor 2009 (10264/08 PECHE 130), is een plafond van 20% op de flexibiliteit van de quota van toepassing wanneer het bestand zich buiten biologisch veilige grenzen bevindt, en zal de Commissie de TAC verminderen met ten minste 20% wanneer de ICES sluiting aanbeveelt. Het is bijgevolg nodig een maximumvariatie van 20% per jaar vast te leggen voor TAC's wanneer de biomassa van het bestand tussen 50 000 en 75 000 ton ligt.

Amendement  11

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Lid 3 is niet van toepassing op vaartuigen die dagelijks hun vangstaangifte doorgeven aan het krachtens artikel 3, lid 7, van Verordening (EG) nr. 2847/93 ingestelde visserijcontrolecentrum van de vlaggenlidstaat met het oog op de opneming van die gegevens in de geautomatiseerde gegevensbank van dat centrum.

4. Lid 3 is niet van toepassing op vaartuigen die dagelijks hun vangstaangifte doorgeven aan het krachtens artikel 3, lid 7, van Verordening (EG) nr. 2847/93 ingestelde visserijcontrolecentrum van de vlaggenlidstaat, en dit vóór ze het gebied ten westen van Schotland verlaten, met het oog op de opneming van die gegevens in de geautomatiseerde gegevensbank van dat centrum.

Motivering

Grote vaartuigen voor de pelagische visserij, zoals de vaartuigen die worden gebruikt om in het gebied ten westen van Schotland op haring te vissen, kunnen informatie over vangststatistieken elektronisch doorsturen zonder naar de haven te moeten terugkeren. Door ervoor te zorgen dat vaartuigen de relevante vangstaangifte doorsturen naar het visserijcontrolecentrum voor ze het gebied ten westen van Schotland verlaten, wordt voorkomen dat vangststatistieken verkeerd worden aangegeven.

Amendement  12

Voorstel voor een verordening

Artikel 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indien de Commissie op basis van een advies van het WTECV vaststelt dat de in artikel 3, lid 2, gespecificeerde visserijsterftecoëfficiënten en daaraan gerelateerde biomassaniveaus van het paaibestand niet geschikt zijn om het in artikel 3, lid 1, omschreven doel te bereiken, neemt de Raad op basis van een voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over de herziening van deze waarden.

Indien de Commissie op basis van een advies van het WTECV vaststelt dat de in artikel 3, lid 2, gespecificeerde visserijsterftecoëfficiënten en daaraan gerelateerde biomassaniveaus van het paaibestand niet geschikt zijn om het in artikel 3, lid 1, omschreven doel te bereiken, neemt de Raad, in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 37 van het Verdrag, een besluit over de herziening van deze waarden.

Motivering

De herziening van de minimale visserijsterftecoëfficiënten en de daaraan gerelateerde biomassaniveaus van het paaibestand vormen een wezenlijk onderdeel van het plan, en moeten volgens de normale huidige wetgevingsprocedure worden aangenomen, na raadpleging van het Europees Parlement. Volgens de recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (zaak C-133/06), is een afgeleide rechtsgrondslag in strijd met het Gemeenschapsrecht.

Amendement  13

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De Commissie wint elk jaar het advies in van het WTECV en van de regionale adviesraad voor de pelagische bestanden over de mate waarin de streefwaarden van het meerjarenplan worden gehaald. Indien uit het advies blijkt dat de streefwaarden niet worden gehaald, neemt de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over aanvullende en/of alternatieve maatregelen om ervoor te zorgen dat de streefwaarden worden gehaald.

1. De Commissie wint elk jaar het advies in van het WTECV en van de regionale adviesraad voor de pelagische bestanden over de mate waarin de streefwaarden van het meerjarenplan worden gehaald. Bovendien houdt de Commissie eveneens rekening met een tweede en onafhankelijke aangroei-index voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland. Indien uit het advies blijkt dat de streefwaarden niet worden gehaald, neemt de Raad, in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 37 van het Verdrag, een besluit over aanvullende en/of alternatieve maatregelen om ervoor te zorgen dat de streefwaarden worden gehaald.

Motivering

1. In het verkennend netonderzoek (MIK) van 2008 en 2009 wordt aanbevolen dat de gegevens waarop de wetenschappelijke beoordeling van het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland zijn gebaseerd, moeten worden verbeterd.

2. De herziening van het plan moet worden goedgekeurd volgens de normale huidige wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement. Volgens de recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (zaak C-133/06), is een afgeleide rechtsgrondslag in strijd met het Gemeenschapsrecht.

Amendement  14

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Met ingang van de vaststellingsdatum van deze verordening evalueert de Commissie ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid en de werking van het meerjarenplan. De Commissie wint over deze evaluatie het advies in van het WTECV en van de regionale adviesraad voor de pelagische bestanden. Zo nodig besluit de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot passende bijstelling van het meerjarenplan.

2. Met ingang van de vaststellingsdatum van deze verordening evalueert de Commissie ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid en de werking van het meerjarenplan. De Commissie wint over deze evaluatie het advies in van het WTECV en van de regionale adviesraad voor de pelagische bestanden. Zo nodig besluit de Raad, in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 37 van het Verdrag, tot passende bijstelling van het meerjarenplan.

Motivering

De herziening van het plan moet worden goedgekeurd volgens de normale huidige wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement. Volgens de recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (zaak C-133/06), is een afgeleide rechtsgrondslag in strijd met het Gemeenschapsrecht.

Amendement  15

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis. Voor de toepassing van artikel 21, onder a), punt i), van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds, worden de maatregelen voor de toepassing van artikel 3, lid 2, onder a), aangemerkt als herstelplan in de zin van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

Motivering

Aangezien de beschikbaarheid van financiering verschilt voor de beheersfase en de herstelfase van een plan, is het noodzakelijk dit nieuwe lid in te voegen in de context van maatregelen voor de toepassing van artikel 3, lid 2, onder c), van deze verordening.


TOELICHTING

Voorstellen van de Commissie

De Commissie heeft een voorstel ingediend voor een verordening van de Raad inzake de invoering van een meerjarenplan voor het beheer van het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland. Het gebied ten westen van Schotland wordt aangemerkt als internationale en EU-wateren in ICES-zones Vb en VIb en het noordelijke deel van ICES-zone Via, exclusief de Clyde. Het voorstel is gebaseerd op het advies van WTECV en ICES, dat inhoudt dat duurzame visserij kan worden bedreven door de jaarlijkse sterfte (hoeveelheid vangsten) te handhaven op 0,25 wanneer het bestand kleiner is dan 75 000 ton maar groter dan 50 000 ton. In dit voorstel wordt de visserij stopgezet als het paaibestand zakt onder het niveau van 50 000 ton. De maximumvariatie in de TAC wordt vastgesteld op 15 % per jaar wanneer het paaibestand groter blijft dan 75 000 ton.

Deze strategie zou in lijn zijn met de verplichting om visserij te bedrijven op basis van maximale duurzame opbrengsten, waarbij tegelijkertijd wordt gestreefd naar een progressieve uitvoering van een op ecosystemen gebaseerde aanpak van het visserijbeheer. Daarnaast zou deze strategie ervoor zorgen dat de exploitatie van het bestand wordt uitgevoerd op een manier die samengaat met duurzame ecologische, economische en sociale omstandigheden.

In 1997 werd samen met Noorwegen een soortgelijk plan geïntroduceerd voor Noordzeeharing, dat in het algemeen een succes is geweest. De Commissie heeft uitgebreide besprekingen gevoerd over de voorstellen voor de haring in het gebied ten westen van Schotland, in het bijzonder met de Pelagic RAC. Het advies dat bij deze besprekingen werd ingewonnen hield in dat de bestanden in 2007 licht werden overbevist ten opzichte van de criteria voor maximale duurzame opbrengsten. Fisheries Science Services (FSS) sluit zich aan bij het advies van ICES dat dit bestand op dit moment op een laag niveau fluctueert en iets boven de maximale duurzame opbrengst wordt geëxploiteerd. Met het oog op de problemen die onder het huidige kabeljauwherstelplan worden ondervonden bij het heropbouwen van de uitgeputte kabeljauwbestanden in de Noordzee, is de Commissie van mening dat nu het juiste moment is om een langetermijnplan op te zetten om de duurzaamheid van de haring in het gebied ten westen van Schotland veilig te stellen, nu de bestanden nog in redelijke conditie zijn. FSS stelt dat de voorstellen voor het beheersplan met TAC-restricties van jaar tot jaar is getest en in overeenstemming is gebleken met de voorzorgsbenadering.

De totale TAC voor 2007 bedroeg 34 000 ton, waarvan de EU 33 340 ton voor haar rekening nam. De TAC was in 2007 als volgt opgebouwd:

IERLAND 15,1 %

DUITSLAND 11,2 %

FRANKRIJK 2,1 %

NEDERLAND 11,2 %

VERENIGD KONINKRIJK 60,4 %

Traditioneel worden vangsten in dit gebied gedaan door drie visserijvloten:

i.  Een Schotse binnenlandse spannetvloot en de Noord-Ierse vloot, die opereerden in ondiepe kustgebieden en voornamelijk visten in de Minches en rond het eiland Barra in het zuiden, waar jongere haring leeft. Deze vloot is in de afgelopen jaren kleiner geworden.

ii.    De Schotse korvloot van enkele boten en ringzegenvloot, met tanks met gekoeld zeewater, voornamelijk gebruikt voor haring in de noordelijke Noordzee, maar ook actief in het noordelijke gedeelte van VIa (N). Deze vloot wordt nu vooral gebruikt met korren, maar een groot aantal vaartuigen kan met beide uitrustingen worden gebruikt.

iii.   Dieper water nabij de rand van het continentale plat, waar oudere vis leeft, wordt traditioneel bevist door een internationale diepvrieskorvloot. Het merendeel van deze schepen staat geregistreerd in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Engeland, maar de meeste zijn in Nederlands bezit.

De Pelagic RAC heeft ingestemd met de invoering van een meerjaarlijks beheersplan, afhankelijk van bepaalde technische problemen. De Commissie stelt dat zo’n plan de huidige vangstniveaus niet drastisch zou veranderen en dat het vaststellen van TAC’s in het kader van een meerjarenplan zou leiden tot een beter beheer. De Commissie stelt voor om het beheersplan elke vier jaar te evalueren.

Voor het meerjarenplan moeten bepaalde acties worden ondernomen door de Gemeenschap ingeval het bestand zou slinken tot niveaus onder 75 000 ton. Dergelijke acties vallen onder de directe bevoegdheid van de Gemeenschap en zijn noodzakelijk onder het evenredigheidsbeginsel, aangezien verschillende lidstaten, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Nederland, Duitsland en Frankrijk historische visrechten hebben, die hun toestaan om in dit gebied te vissen. De Commissie stelt voor om het meerjarenplan direct te baseren op artikel 37 van het Verdrag in plaats van op artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

Vaartuigen die dit bestand bevissen zullen moeten beschikken over speciale vergunningen, en deze vaartuigen mogen tijdens één vaart niet zowel binnen als buiten het gebied ten westen van Schotland vissen, tenzij zij dagelijks hun vangstaangifte doen aan de visserijautoriteiten in hun vlaggenstaat. De controle van visserijvaartuigen met vergunning om te vissen in het gebied zal worden uitgevoerd met behulp van elektronische logboeken, met dagelijkse overdracht van vangstaangiften aan het visserij­controlecentrum van de vlaggenlidstaat, VMS en administratieve kruiscontrole tussen aanvoeraangiften en geregistreerde vangsten.

Het standpunt van de Pelagic RAC

De Pelagic RAC erkent dat op de lange termijn het belang van alle betrokkenen is gediend bij een goed beheer van de haringbestanden in het gebied ten westen van Schotland. Niettemin is de Pelagic RAC van mening dat de vangstregel die is voorgesteld door de Commissie te ‘grof’ is en voor volgend jaar kan leiden tot een reductie van de TAC voor haring in het gebied ten westen van Schotland van 52 %, hetgeen niet tot uitdrukking komt in de effectbeoordeling. Zulke drastische inperkingen van de TAC zouden indruisen tegen de beweringen van de Commissie dat haar voorstellen de huidige vangstniveaus niet drastisch zou[den] veranderen.” De RAC wijst erop dat het hernieuwde advies van ICES uit 2006 voor haring in het gebied ten westen van Schotland een herhaalde TAC van 34 000 ton inhield. Voor 2007 adviseerde de ICES echter een TAC van 15 000. Dergelijke drastische fluctuaties zouden schadelijk zijn voor de sector, en de RAC onderstreept dat vangststabiliteit een bepalende factor moet zijn bij de overgang naar een nieuw beheersplan voor de lange termijn.

De Pelagic RAC zou de vangstregel graag zo gewijzigd zien, dat de maximale verandering in TAC 20 % bedraagt indien de biomassa kleiner is dan 75 000 ton, maar minimaal 50 000 ton bedraagt. De RAC zou ook willen dat een bestandsherstelplan wordt ingevoerd wanneer de biomassa onder 50 000 ton zakt, in plaats van een volledige stopzetting van de visserij. Op dit moment wordt de biomassa van het paaibestand geschat op 66 510 ton.

Verder heeft de Pelagic RAC het Fisheries Research Services Marine Laboratory verzocht om in 2008 en 2009 een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek uit te voeren naar de bestandsaangroei van haring in het gebied VIa Noord. Deze onderzoeken zijn bedoeld om de haalbaarheid en doeltreffendheid te bepalen van de gebruikte methodologie voor het vaststellen van een aangroei-index voor haring in het gebied ten westen van Schotland, met het oog op een verkleining van de onzekerheid van de bestandsanalyse. Daarnaast achtte de Pelagic RAC het van belang dat het plan redelijke maatregelen zou bevatten wat betreft de overgang van geen overeengekomen beheersregeling voor dit bestand naar de implementatie van een meerjarenplan voor de lange termijn, om te voorkomen dat veranderingen in TAC tussen opeenvolgende jaren zo groot zijn, dat ze de sector zouden destabiliseren. De RAC adviseerde de Commissie om de TAC voor 2008 vast te stellen op 27 200 ton, wat neerkomt op een vermindering van 20 %, overeenkomstig haar gewijzigde voorstellen voor het beheersplan. Daarop werd de TAC voor 2008 vastgesteld op deze niveaus.

Aanbevelingen van de rapporteur

1.   De invoering van een meerjarenplan voor het beheer van het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland wordt toegejuicht.

2.   Ik deel de mening van de Commissie niet dat duurzame visserij kan worden bedreven door de jaarlijkse sterfte te handhaven op 0,25 wanneer het bestand kleiner is dan 75 000 ton maar groter dan 50 000 ton. Noch accepteer ik dat de visserij wordt stopgezet als de paaibestandniveaus afnemen tot onder 50 000 ton. Daarentegen accepteer ik wel het betoog van de Pelagic RAC, dat dergelijke vangstregels een ‘grof’ middel zijn dat zou kunnen leiden tot drastische en ongerechtvaardigde reducties in TAC en zo, zonder voldoende wetenschappelijke rechtvaardiging, de levensvatbaarheid van de visserij zou ondergraven en de sector zou destabiliseren.

3.   Ook accepteer ik het betoog van de Pelagic RAC, dat in die jaren waarin ICES en WTECV schattingen kunnen geven van het paaibestand van 75 000 ton of hoger, en een vangstprognose kunnen berekenen die overeenkomt met een specifieke vissterfte, de TAC voor het volgende jaar moet worden vastgesteld op een vissterfte van 0,25. Om de vangststabiliteit in de visserij te behouden, zou de TAC in elk gegeven jaar echter niet meer mogen variëren dan plus of min 15 % van de huidige TAC.

4.   Verder ben ik met de Pelagic RAC van mening dat in die jaren waarin ICES en WTECV de biomassa van het paaibestand inschatten op kleiner dan 75 000 ton maar minimaal 50 000 ton, de TAC voor het volgende jaar moet worden vastgesteld op 0,2. Om de vangststabiliteit in de visserij te behouden, zou de TAC in elk gegeven jaar echter niet meer mogen variëren dan plus of min 20 % van de huidige TAC.

5.   Ook ben ik met de Pelagic RAC van mening dat, wanneer de biomassa afneemt tot onder 50 000 ton, een bestandsherstelplan moet worden ingevoerd met als doel een snel herstel van het bestand tot boven 50 000 ton, in plaats van een volledige stopzetting van de visserij.

6.   Ik deel de mening van de Pelagic RAC dat in elk jaar waarin ICES en WTECV geen schattingen kunnen geven van de omvang van het paaibestand of vissterfte, de TAC ongewijzigd moet blijven ten opzichte van de TAC van het voorgaande jaar. Vanaf het tweede jaar waarin geen wetenschappelijke prognose beschikbaar is, moet de TAC echter elk jaar met 10 % worden verminderd ten opzichte van het jaar ervoor.

7.   Ik deel de mening van de Commissie dat de controle van visserijvaartuigen met vergunning om te vissen in het gebied moet worden uitgevoerd met behulp van elektronische logboeken, met dagelijkse overdracht van vangstaangiften aan het visserij­controlecentrum van de vlaggenlidstaat, VMS en administratieve kruiscontrole tussen aanvoeraangiften en geregistreerde vangsten.

8.   Ik deel de mening van de Commissie dat vaartuigen met de ééngebiedsvergunning niet mag worden toegestaan om tijdens dezelfde vaart te vissen buiten het gebied ten westen van Schotland. Echter, om onnodige terugkeer naar havens en foutieve meldingen van vangststatistieken te voorkomen, moet vaartuigen die dagelijks en altijd vóór vertrek uit het gebied ten westen van Schotland hun vangstaangifte doen aan het visserij­controlecentrum van de vlaggenlidstaat worden toegestaan om tijdens dezelfde vaart te vissen buiten het gebied ten westen van Schotland.

9.   Het is belangrijk dat de gegevens waarop de wetenschappelijke analysen van de haringbestanden ten westen van Schotland zijn gebaseerd, worden verbeterd. Daarom steun ik, naast de akoestische onderzoeken die nu worden uitgevoerd om bestandsdichtheidsindices te verkrijgen, het oriënterende (MIK-)netonderzoek in 2008 en 2009 voor het bepalen van de haalbaarheid en doeltreffendheid van deze methode, om te voorzien in een tweede en onafhankelijke aangroei-index voor haring in het gebied ten westen van Schotland, en ik beveel dit initiatief bij de Commissie aan.

10. Verder deel ik de mening van de Commissie dat het beheersplan elke vier jaar moet worden geëvalueerd op basis van advies van WTECV. Indien echter na een dergelijke evaluatie wijzigingen worden voorgesteld, mag dit slechts gebeuren na volledige raadpleging van de Pelagic RAC en het Europees Parlement.


PROCEDURE

Titel

Haringbestand in het gebied ten westen van Schotland

Document- en procedurenummers

COM(2008)0240 – C6-0204/2008 – 2008/0091(CNS)

Datum raadpleging EP

26.5.2008

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

PECH

4.6.2008

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

ENVI

4.6.2008

 

 

 

Geen advies

       Datum besluit

ENVI

28.5.2008

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Struan Stevenson

19.6.2008

 

 

Datum goedkeuring

5.11.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Stavros Arnaoutakis, Elspeth Attwooll, Marie-Hélène Aubert, Iles Braghetto, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, Paulo Casaca, Zdzisław Kazimierz Chmielewski, Avril Doyle, Emanuel Jardim Fernandes, Carmen Fraga Estévez, Hélène Goudin, Heinz Kindermann, Rosa Miguélez Ramos, Marianne Mikko, Philippe Morillon, Seán Ó Neachtain, Maria Grazia Pagano, Ulrike Rodust, Struan Stevenson, Catherine Stihler, Cornelis Visser

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Marie-Hélène Descamps, Michl Ebner, Véronique Mathieu, Josu Ortuondo Larrea, Raül Romeva i Rueda, Thomas Wise

Juridische mededeling - Privacybeleid