VERSLAG over de perspectieven voor een dialoog met de burger in het kader van het Verdrag van Lissabon

4.12.2008 - (2008/2067(INI))

Commissie constitutionele zaken
Rapporteur: Genowefa Grabowska

Procedure : 2008/2067(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0475/2008
Ingediende teksten :
A6-0475/2008
Debatten :
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de perspectieven voor een dialoog met de burger in het kader van het Verdrag van Lissabon

(2008/2067(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat op 13 december 2007 te Lissabon is ondertekend[1],

–   gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 februari 2008 over het Verdrag van Lissabon[2],

–   onder verwijzing naar diverse door het Europees Parlement in de lopende zittingsperiode ingediende resoluties inzake het maatschappelijk middenveld,

–   gezien de workshop met vertegenwoordigers van organisaties uit het maatschappelijk middenveld op 3 juni 2008,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A6-0475/2008),

A. overwegende dat een democratische Europese Unie die dicht bij de burger staat vereist dat de Europese instellingen en de lidstaten op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau nauw samenwerken met het maatschappelijk middenveld,

B.  overwegende dat de bereidheid van Europese instellingen en nationale, regionale en lokale autoriteiten tot dialoog en samenwerking met de burgers en het maatschappelijk middenveld de basisvoorwaarde is om hen te betrekken bij de regelgeving en het bestuur op alle niveaus,

C. overwegende dat het Verdrag van Lissabon de rechten van de EU-burgers tegenover de Unie versterkt, waardoor burgers en representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld gemakkelijker kunnen deelnemen aan debatten over het "Europa van de burgers",

D. overwegende dat de huidige bepalingen, die tevens in het Verdrag van Lissabon zijn opgenomen, weliswaar het vereiste juridisch kader voor een dialoog met de burger op Europees niveau scheppen, maar dat de toepassing ervan in de praktijk niet altijd bevredigend is,

E.  overwegende dat het maatschappelijk middenveld zich in de 27 lidstaten in een ander ontwikkelingsstadium bevindt en in verschillende mate betrokken is bij participatieve democratie, deelname aan de regelgeving en dialoog met de desbetreffende nationale, regionale en lokale autoriteiten,

F.  overwegende dat de term "maatschappelijk middenveld" betrekking heeft op de talrijke vrijwillig door burgers opgerichte niet-gouvernementele en organisaties zonder winstoogmerk, die een rol spelen in het openbare leven en waarin de belangen, ideeën en ideologieën van hun leden of anderen tot uitdrukking komen, die gebaseerd zijn op ethische, culturele, politieke, wetenschappelijke, religieuze of filantropische overwegingen,

G. overwegende dat de representativiteit van het maatschappelijk middenveld vaak wordt betwijfeld en dat het volume en de efficiëntie waarmee sommige organisaties uit het maatschappelijk middenveld hun ideeën naar voren brengen, niet altijd even evenredig zijn aan hun mate van representativiteit,

H. overwegende dat de Europese instellingen ten aanzien van de dialoog met de burger elk een andere benadering volgen,

1.  is verheugd over de bijdrage van de Europese Unie aan de ontwikkeling van de dialoog met de burger, zowel op Europees niveau als op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

2.  onderstreept dat het maatschappelijk middenveld in Europa een belangrijke rol in het Europese integratieproces speelt, omdat het de standpunten en eisen van de burgers van de Unie onder de aandacht van de Europese instellingen brengt; wijst op het belang van de expertise die door het maatschappelijk middenveld ter beschikking wordt gesteld van de instellingen en benadrukt het belang van informatieverstrekking en voorlichting over de dialoog met de burger, met name bij de bevordering en verspreiding van de acties en doelstellingen van de Europese Unie, de ontwikkeling van een samenwerkingsnetwerk in Europa en de versterking van de Europese identiteit en identificatie in het maatschappelijk middenveld;

3.  benadrukt dat voor de verwezenlijking van de politieke doelstellingen van de Unie een ruimer openbaar debat, een efficiëntere dialoog met de burger en een groter politiek bewustzijn noodzakelijk zijn;

4.  wijst op zijn bijzondere inzet voor de dialoog met de burger en op het belang dat in het Verdrag van Lissabon aan deze dialoog wordt gehecht, waardoor deze de status van overheersend beginsel heeft gekregen waarop alle werkzaamheden van de Europese Unie worden afgestemd;

5.  is verheugd over de versterking van de representatieve en participatieve democratie door het Verdrag van Lissabon, met name het zogenaamde "burgerinitiatief" dat in de mogelijkheid voorziet dat een miljoen burgers uit meerdere lidstaten de Commissie kan verzoeken een wetgevingsvoorstel voor te bereiden;

6.  verzoekt de Europese instellingen en de nationale, regionale en lokale autoriteiten in de lidstaten de bestaande juridische kaders en goede praktijken zoveel mogelijk voor de ontwikkeling van de dialoog met de burger en het maatschappelijk middenveld te benutten; is met name van mening dat de voorlichtingsbureaus van het EP in elke lidstaat een actieve rol zouden moeten spelen bij de bevordering, de organisatie en het beheer van forums die ten minste een keer per jaar met het Parlement en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in die lidstaat worden gehouden, en benadrukt dat het belangrijk is dat EP- leden, zowel van de lidstaat in kwestie als van andere lidstaten, regelmatig aan deze forums deelnemen;

7.  verzoekt de Europese instellingen alle belangstellende vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld bij de dialoog met de burger te betrekken; acht het in dit verband van essentieel belang dat de stem van de jonge EU-burgers, die het "Europa van morgen" vorm geven en hiervoor de verantwoordelijkheid opnemen, een bijzonder gewicht krijgt;

8.  verzoekt de Europese instellingen ervoor te zorgen dat alle EU-burgers - vrouwen en mannen, ouderen en jongeren, uit de stad en van het platteland - actief, zonder discriminatie en met gelijke kansen aan de dialoog met de burger kunnen deelnemen en dat met name de leden van taalminderheden hun moedertaal in dit soort forums kunnen gebruiken; wijst erop dat de Europese Unie in deze context moet bijdragen aan de verwezenlijking van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen, en bij de tenuitvoerlegging ervan zowel binnen als buiten de EU een voorbeeldfunctie moet vervullen;

9.  verzoekt de Europese instellingen in een interinstitutioneel akkoord bindende richtsnoeren voor de benoeming van vertegenwoordigers uit het maatschappelijk middenveld, methodes voor de organisatie van raadplegingen en de financiering daarvan vast te stellen en daarbij rekening te houden met de algemene beginselen en minimumnormen voor raadpleging van betrokken partijen[3]; wijst erop dat alle EU-instellingen hiervoor geactualiseerde registers van alle relevante, in de lidstaten actieve en niet actieve en/of op de EU-instellingen gerichte niet-gouvernementele organisaties moeten bijhouden;

10. verzoekt de Europese instellingen de dialoog met de burger te integreren in alle Directoraten-generaal van de Commissie, alle werkgroepen van de Raad en alle commissies van het Europees Parlement en daarbij rekening te houden met het transparantiebeginsel en met een evenwichtige verhouding tussen de openbare en de particuliere sector;

11. verzoekt de Europese instellingen met het oog op betere communicatie, betere coördinatie en een betere communicatiestroom betreffende hun overleg met de samenleving, te streven naar nauwere samenwerking bij de ontwikkeling van de dialoog met de burger in Europa en het Europese standpunt ten aanzien van de EU-burgers actief te verwoorden; wijst erop dat in verband hiermee regelmatige bijeenkomsten van het maatschappelijk middenveld en leden van de Commissie in forums in de lidstaten zeer wenselijk zouden zijn, om de als zodanig ervaren kloof tussen de EU en de Europese burger te kunnen verkleinen;

12. verzoekt de Raad van de Europese Unie de toegang tot zijn werkzaamheden te vergemakkelijken en te vereenvoudigen, aangezien dit een basisvoorwaarde is om een echte dialoog met het maatschappelijk middenveld op gang te brengen;

13. benadrukt het belang van een goed ontwikkeld Europees communicatiebeleid om bij de communicatie met de EU-burgers nieuwe middelen en methoden te kunnen gebruiken (o.a. het internet, e-technologie en moderne audiovisuele technieken);

14. spreekt zich uit voor de voortzetting van bestaande, deugdelijke EU-initiatieven voor méér betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het Europese integratieproces, zoals Europe by Satellite, Burger-Agora, burgerfora over specifieke thema's (bijv. Your Europe), discussies op het internet, enz.;

15. wijst met name op het belang van professionele enquêtes in Europa om de behoeften en verwachtingen van de burgers in de EU ten aanzien van de werking van de Unie te identificeren en beter te begrijpen; verzoekt zowel de EU-instellingen als het maatschappelijk middenveld in de lidstaten met klem bij hun interacties en discussies aan deze verwachtingen te denken;

16. verzoekt de nationale, regionale en lokale autoriteiten in de lidstaten de dialoog met de burger te bevorderen, met name in de landen en regio's en op de gebieden waar deze nog niet volledig ontwikkeld of ingeburgerd is; verzoekt deze instanties voorts met klem actief de ontwikkeling van regionale interactiviteit van het maatschappelijk middenveld tussen lidstaten alsmede grensoverschrijdende initiatieven te bevorderen; is van mening dat het opbouwen van clusters in de lidstaten ook als middel ter bevordering van de uitwisseling van ideeën en ervaringen in de EU moet worden onderzocht;

17. roept de vertegenwoordigers van de Europese samenleving op een actieve rol te vervullen in de dialoog met de burger en in de formulering van Europese programma's en beleidsgebieden, zodat het mogelijk wordt het besluitvormingsproces te beïnvloeden;

18. moedigt de EU-burgers aan zich meer te mengen in Europese debatten en discussies en aan de komende Europese verkiezingen deel te nemen;

19. wijst erop dat voor de dialoog met de burger op alle niveaus - Europees, nationaal, regionaal en lokaal - adequate financiële middelen noodzakelijk zijn, en verzoekt de autoriteiten die bij deze dialoog betrokken en ervoor verantwoordelijk zijn, een toereikende financiering ervan te waarborgen;

20. onderstreept dat, afgezien van een dialoog met het maatschappelijk middenveld, er ook een open, transparante en regelmatige dialoog tussen de Unie en kerken en religieuze gemeenschappen nodig is, zoals bepaald in het Verdrag van Lissabon;

21. beveelt de Europese instellingen aan, tezamen informatie over de representativiteit en de werkterreinen van organisaties uit het maatschappelijk middenveld beschikbaar te stellen, bijvoorbeeld via een openbare en gebruiksvriendelijke gegevensbank;

22. verzoekt de Commissie een nieuw voorstel over Europese verenigingen voor te leggen, zodat Europese organisaties uit het maatschappelijk middenveld zich kunnen baseren op een gemeenschappelijke rechtsgrondslag;

23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de parlementen van de lidstaten, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

  • [1]  PB C 306 van 17.12.2007, blz. 1.
  • [2]  Aangenomen teksten P6_TA(2008)0055.
  • [3]  Zie de mededeling van de Commissie van 11 december 2002 "Naar een krachtige cultuur van raadpleging en dialoog - Voorstel inzake algemene beginselen en minimumnormen voor raadpleging van de betrokken partijen door de Commissie" (COM(2002)0704).

TOELICHTING

"Wij voegen geen staten samen, wij verenigen mensen."

Jean Monnet

"Niets over ons zonder ons" – dat is wat de Europese burgers van de instellingen van de Europese Unie verwachten. Door de opeenvolgende uitbreidingen van de Unie neemt niet alleen het aantal lidstaten toe, maar ook het aantal burgers dat aan de communautaire wetgeving onderworpen is. Hoewel de Unie een project is dat stelselmatig veranderingen en transformaties ondergaat, is de communicatie tussen de Unie en de burger er helaas niet in geslaagd gelijke tred te houden met deze ontwikkelingen. Ten gevolge daarvan is tussen de Unie en de burgers een zichtbare communicatiekloof ontstaan, die onder meer tot uiting is gekomen in het Franse en het Nederlandse 'nee' tegen de Grondwet voor Europa en in de Ierse afwijzing van het Verdrag van Lissabon. Deze kloof lijkt evenwel te verkleinen dankzij de initiatieven en projecten die door de Europese instellingen op touw worden gezet. Deze maatregelen tonen duidelijk aan dat het mogelijk is om de ontwikkeling van een participatieve democratie rond EU-vraagstukken op lokaal, regionaal, nationaal en supranationaal niveau bewust te beïnvloeden.

Sinds de jaren 1990 stellen de Europese instellingen zich langzaam maar zeker open voor de burgers. Ze erkennen in toenemende mate de rol van het maatschappelijk middenveld, dat ook steeds vaker wordt geraadpleegd. De dialoog tussen de Europese instellingen en non-gouvernementele organisaties, die een onderdeel is geworden van een brede waaier van Europese beleidsterreinen, wordt voortaan de "dialoog met de burger" genoemd.

Op het gebied van communicatie en met name wat de dialoog met de burger betreft, heeft de Europese Unie echter nog een grote achterstand in te halen. Het spreekt voor zich dat het Europese project niet tot stand kan komen zonder de burgers en, meer nog, dat de communicatie met de burgers van wezenlijk belang is voor een gezonde democratie. Omgekeerd is het enkel mogelijk om de belangstelling van de burgers voor de Unie te wekken en hun steun voor Europese projecten te verkrijgen door hen volledige informatie te verschaffen, een levendig en open debat met hen te voeren en de burgers actief bij Europese vraagstukken te betrekken, overeenkomstig het volgende beginsel: "Iedere burger heeft het recht aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen. De besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk is" (artikel 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie).

Dit verslag wil in de eerste plaats de cruciale rol en betekenis van de dialoog met de burger in de Europese Unie onderstrepen, met name in de context van het Verdrag van Lissabon. Voorts wil de rapporteur de aandacht vestigen op de nieuwe vormen die deze dialoog aanneemt en de mogelijkheden die hij biedt, alsmede op de noodzaak om duidelijke en doorzichtige criteria vast te stellen voor de ontwikkeling van deze dialoog op Europees niveau.

De dialoog met de burger heeft in het Verdrag van Lissabon de status van overheersend beginsel gekregen waarop nagenoeg alle beleidsterreinen en werkzaamheden van de Europese Unie worden afgestemd (Titel II "Bepalingen inzake de democratische beginselen" van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in het bijzonder artikel 11). Er kan echter geen sprake zijn van een dialoog met de burger zonder het maatschappelijk middenveld hierbij te betrekken. Met het oog hierop heeft de rapporteur in juni 2008 in het Europees Parlement een seminar georganiseerd over de ontwikkelingsperspectieven van de dialoog met de burger na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Dit seminar, dat op een brede participatie van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld kon rekenen, was een groot succes. De interessante conclusies van deze bijeenkomst liggen onder meer aan de basis van dit verslag.

De Europese Unie beschikt noch in de EU-wetgeving, noch in de praktijk over een eenduidige, algemeen aanvaarde definitie van de dialoog met de burger. Afgezien van enkele documenten van de Europese Commissie over raadpleging en het communicatiebeleid in de Europese Unie[1], zijn er geen regels die de structuur, het kader of de procedures voor deze dialoog vastleggen. Het feit dat de verschillende Europese instellingen elk een andere benadering volgen ten aanzien van dit concept, maakt het nog moeilijker te vatten wat de dialoog met de burger precies inhoudt. Zo worden er grote vraagtekens geplaatst bij de representativiteit van de non-gouvernementele organisaties die worden uitgenodigd om deel te nemen aan de dialoog, bij de voor de Europese burgers hermetische werking van de Raad en bij de te grote vrijheid waarmee deze dialoog (in de eerste plaats door de Commissie) wordt gevoerd.

De rapporteur is van mening dat het van fundamenteel belang is om het concept van de dialoog met de burger op het niveau van de Europese Unie te definiëren (of te omschrijven) en om regels vast te leggen aangaande de representativiteit van de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld die aan de dialoog deelnemen.

Om het beginsel van de representativiteit van het maatschappelijk middenveld in praktijk te brengen, moeten bij deze dialoog organisaties worden betrokken waarmee de burgers zich kunnen identificeren en die hun belangen zo goed mogelijk, dus op de meest volledige en deskundige manier, vertegenwoordigen. Het succes van de dialoog met de burger zal immers in de eerste plaats afhankelijk zijn van deze representativiteit, of anders gezegd, van de betrokkenheid van alle belangrijke partners (partijen) die belang hebben bij het onderwerp van de gevoerde dialoog (Europese instellingen; nationale, regionale en lokale autoriteiten van de lidstaten; Europese politieke partijen; non-gouvernementele organisaties en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld).

De dialoog met de burger heeft van nature een bilateraal en wederkerig karakter. Het volstaat dus niet om de burgers over de activiteiten van de Unie te informeren. Er moet ook tijd uitgetrokken worden om naar hun mening te luisteren. Daarenboven moeten de burgers de garantie hebben dat hun ideeën en hun bezorgdheid serieus worden genomen en door de Europese instellingen in aanmerking worden genomen. Het wederkerigheidsbeginsel veronderstelt dat de deelnemers feedback krijgen, dus dat ze op de hoogte worden gehouden van het gevolg dat aan de tijdens de dialoog geopperde voorstellen wordt gegeven. Is het niet op deze manier dat de invloed van de sociale partners op de besluitvorming in de Europese Unie moet worden versterkt?

Bovendien is het bij de keuze van de partners niet alleen van belang dat er voor een evenwichtige verhouding tussen de openbare en de particuliere sector wordt gezorgd, maar ook dat er wordt gegarandeerd dat de vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en experts op billijke wijze worden behandeld.

Transparantiebeginsel. De Europese instellingen dienen zoveel mogelijk transparantie aan de dag te leggen bij de keuze van de partijen die uitgenodigd worden om aan de dialoog deel te nemen. Met het oog hierop stelt de rapporteur onder meer voor om systematisch de lijst te publiceren van de organisaties die aan de raadpleging hebben deelgenomen en hun standpunten en voorstellen hebben geformuleerd. Zodra de raadpleging of dialoog is opgestart, zou door de Unie een persoon moeten worden aangewezen die verantwoordelijk is voor de betrekkingen met de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.

Anderzijds moeten de (Europese en nationale) non-gouvernementele organisaties voor beslissingen die het gevolg zijn van het Europees beleid op duidelijke en transparante wijze te kennen geven welke doelgroepen en belangen zij vertegenwoordigen. Hierdoor kunnen lobbyisten van de echte vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld onderscheiden worden.

Beginselen van de dialoog met de burger

Hier moet verwezen worden naar de mededeling van de Europese Commissie over "een krachtige cultuur van raadpleging en dialoog" (2002), waarin de voornaamste beginselen worden vastgelegd voor het door de Commissie gevoerde sociaal overleg. In de tekst wordt benadrukt dat alle belanghebbende doelgroepen bij het raadplegingsproces betrokken dienen te worden. Zij moeten over alle informatie kunnen beschikken die voor hen noodzakelijk is om een standpunt in te nemen over de documenten of projecten waarover ze worden geraadpleegd. Daarnaast moeten de geraadpleegde doelgroepen steeds een bevestiging krijgen dat de vrager hun mening heeft ontvangen. Deze beginselen zijn echter voornamelijk gericht op de kwaliteit van het overleg en de dialoog en leggen hiervoor geen kader en procedures vast. Daarom hoopt de rapporteur dat de Commissie deze beginselen opnieuw zal bekijken en ze aan de huidige behoeften zal aanpassen, zodat ze vervolgens door alle instellingen in gebruik kunnen worden genomen.

De belangrijkste rol met betrekking tot het ondersteunen en ontwikkelen van de dialoog met de burger, en met name tot het bevorderen van een sterkere betrokkenheid van de burgers bij die dialoog, is zonder enige twijfel weggelegd voor de nationale, regionale en lokale autoriteiten. De burgers zouden op deze drie niveaus geraadpleegd moeten worden en hun meningen, in het bijzonder betreffende EU-aangelegenheden, zouden aan de Europese instellingen moeten worden doorgegeven. In dit licht stelt de rapporteur voor om de nationale, regionale en lokale autoriteiten ertoe aan te zetten de methode van de dialoog met de burger te bevorderen en er zo vaak mogelijk gebruik van te maken. Door hun deelname aan deze dialoog zullen de Europese burgers vertrouwd raken met de praktische activiteiten van de participatieve democratie en zullen ze hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

In het kader van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet in de eerste plaats gewezen worden op het zogenaamde burgerinitiatief van "1 miljoen handtekeningen", dat de vorm aanneemt van een wetgevingsvoorstel dat aan de Commissie wordt voorgelegd. Dankzij dit initiatief kunnen alle spelers uit het democratische leven van de Europese Unie (burgers en non-gouvernementele organisaties) duidelijk uitdrukken wat hun verwachtingen ten aanzien van de Unie zijn en dit formeel melden.

Om de doeltreffendheid van de dialoog met de burger te vergroten, wenst de rapporteur ook de volgende kwesties onder de aandacht te brengen:

1.  Grotere openheid van de Raad van de Europese Unie: Het verbeteren en vereenvoudigen van de toegang tot de documenten van de Raad wordt als cruciaal beschouwd voor de totstandbrenging van een doeltreffende dialoog met het maatschappelijk middenveld. Daarenboven zou de informatie over de werkzaamheden van de afzonderlijke werkgroepen toegankelijker moeten zijn voor het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld.

2.  Betere en nauwere samenwerking tussen de Europese instellingen op het gebied van de raadpleging van het maatschappelijk middenveld: Er zou met name een gemeenschappelijk platform moeten worden opgericht voor de samenwerking tussen het Europees Parlement en de Commissie, waarbij ook het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s worden betrokken.

3.  Ontwikkelen van nieuwe kanalen, methoden en mogelijkheden om met de burgers te communiceren en uitbreiding van de samenwerking met de media: Voor de schepping van nieuwe informatiekanalen moeten nieuwe technieken ontwikkeld worden en actief worden aangewend, zoals digitale technologieën en het internet. Wat de media betreft, wenst de rapporteur te benadrukken dat er op dit gebied aanzienlijke vooruitgang is geboekt. De lancering van de zender "Europe by Satellite" is hier een goed voorbeeld van.

Om de reacties van de publieke opinie (die van nature bijzonder complex zijn, aangezien ze een weerspiegeling zijn van nationale perspectieven en politieke keuzes) te kunnen voorspellen en begrijpen, moeten er eveneens mechanismen worden ontwikkeld (zoals de Europese denktanks) die het mogelijk maken om de Europese verwachtingen en de trends binnen de Europese Unie te analyseren.

4.   Financiering: Om een echte dialoog met de burgers tot stand te brengen, zijn adequate financiële middelen noodzakelijk. De rapporteur verwijst in deze context naar de goedgekeurde EU-verordening betreffende politieke partijen en stichtingen, die het resultaat is van de eerste fase van Plan D en er in belangrijke mate toe zal bijdragen dat de burgers bij een echte, permanente dialoog met kennis van zaken worden betrokken.

Met name tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen van 2009 moet er aandacht aan Europese aangelegenheden worden besteed. De Europese burgers moeten ervan overtuigd zijn dat ze door hun deelname aan de verkiezingen een aanzienlijke invloed kunnen uitoefenen (via de verkozen vertegenwoordigers) op de besluitvorming op Europees niveau, en met name op besluiten die van doorslaggevend belang zijn voor hun dagelijks leven. Ze moeten er eveneens van overtuigd raken en er zelfs zeker van kunnen zijn dat de Europese instellingen in aangelegenheden die hen aanbelangen geen enkel besluit zullen nemen zonder hen hierover te raadplegen, anders gezegd, zonder een beroep te doen op de dialoog met de burger. Het staat dan ook als een paal boven water dat de Europese middelen, die voor de verkiezingen van 2009 worden uitgetrokken, een uitstekende bijdrage zijn tot de ontwikkeling van de participatieve democratie.

Afhankelijk van de nationale context (met name de nationale tradities, ervaringen en organisatorische capaciteit) kan elke vorm van financiële steun, hoe beperkt ook, aan non-gouvernementele organisaties die op nationaal niveau actief zijn, de mechanismen van de dialoog met de burger aanzienlijk versterken.

Tot slot roept de rapporteur op om uitgebreide steun te verlenen aan initiatieven in het kader van de dialoog met de burger die succesvol zijn gebleken en hun plaats in het Europese landschap hebben gevonden (bijvoorbeeld Agora als forum waar de burgers en het Europees Parlement informatie kunnen uitwisselen), alsook om de tenuitvoerlegging van nieuwe gemeenschappelijke interinstitutionele projecten en activiteiten te bevorderen in het kader van het Europees communicatiebeleid.

  • [1]  Zie de volgende documenten van de Europese Commissie: Witboek inzake een Europees communicatiebeleid (COM(2006) 35); Plan D voor Democratie, Dialoog en Debat (COM(2005) 494); Actieplan tot verbetering van de communicatie over Europa door de Europese Commissie (SEC(2005) 985); Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma "Burgers voor Europa" ter bevordering van een actief Europees burgerschap (COM(2005) 116); Mededeling van de Commissie "Naar een krachtige cultuur van raadpleging en dialoog - Voorstel inzake algemene beginselen en minimumnormen voor raadpleging van de betrokken partijen door de Commissie" (COM(2002) 704); Witboek over Europese governance (COM(2001) 428).

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.12.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

10

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jim Allister, Richard Corbett, Andrew Duff, Maria da Assunção Esteves, Anneli Jäätteenmäki, Aurelio Juri, Íñigo Méndez de Vigo, Johannes Voggenhuber, Andrzej Wielowieyski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georgios Papastamkos, Jacek Protasiewicz, György Schöpflin