VERSLAG over het GVB en de ecosysteembenadering van het visserijbeheer

8.12.2008 - (2008/2178(INI))

Commissie visserij
Rapporteur: Pedro Guerreiro

Procedure : 2008/2178(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0485/2008
Ingediende teksten :
A6-0485/2008
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het GVB en de ecosysteembenadering van het visserijbeheer

(2008/2178(INI))

Het Europees Parlement,

- gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982,

- gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[1] (GVB),

- gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De rol van het GVB bij de implementatie van een ecosysteembenadering van het beheer van de zeeën" (COM(2008)0187),

- gezien de conclusies van de Raad Landbouw en Visserij van 29 en 30 september 2008 over de bovengenoemde mededeling van de Commissie,

- gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

- gezien het verslag van de Commissie visserij (A6‑0485/2008),

A. overwegende dat in elk geografisch gebied alle levende organismen (mensen, planten, dieren en micro-organismen), hun fysieke omgeving (zoals bodem, water, lucht) en de natuurlijke cycli die ze in stand houden, met elkaar verbonden zijn,

B.  overwegende dat ontwikkelingen, interacties en veranderingen binnen dergelijke ecosystemen directe, vaak ongewenste of onvoorziene gevolgen hebben voor andere elementen, zowel binnen als buiten het systeem, en dat ontwikkelingen die zich buiten het systeem voordoen een onmiddellijk effect kunnen hebben op het systeem,

C. overwegende dat een ecosysteembenadering voor de visserij momenteel de beste basis vormt voor een omvattend beheer- en besluitvormingssysteem dat rekening houdt met alle betrokken belanghebbenden en elementen, hun eisen en behoeften, evenals toekomstige effecten op het systeem en zijn interacties,

D. overwegende dat de visserij in de wateren van de exclusieve economische zone (EEZ) van de verschillende lidstaten van belang is voor hun soevereiniteit en onafhankelijkheid, inzonderheid met betrekking tot de voedselvoorziening,

E.  overwegende dat onze kennis van de oceanen en de factoren waaraan deze blootgesteld zijn nog ontoereikend is, maar niettemin volstaat om te weten dat talloze commerciële en niet-commerciële visbestanden binnen de EU en daarbuiten uitgeput geraken, en dat, hoewel dit te wijten is aan vele factoren, in de meeste gevallen overbevissing de voornaamste oorzaak is,

F.  overwegende dat het wetenschappelijk onderzoek naar de duurzaamheid van de visbestanden vooronderstelt dat alle onterechte gissingen en vooroordelen overboord worden gezet en dat het voorstel om een ecosysteembenadering toe te passen bij de evaluatie van de visbestanden bijgevolg slechts kans van slagen heeft als het stoelt op wetenschappelijk getoetste gegevens,

G. overwegende dat een dergelijke ecosysteembenadering dynamisch en flexibel moet zijn als het gaat om haar toepassing en haar voorlichtings- en besluitvormingsprocessen, gezien de noodzaak om ze voortdurend aan te passen aan nieuwe wetenschappelijke kennis en nieuwe inzichten in de onderlinge relaties,

H. overwegende dat er, zoals blijkt uit de Mededeling van de Commissie COM(2008)0670, ondanks de pogingen tot vermindering van de communautaire vlootcapaciteit, nog steeds een groot aantal ernstige en verontrustende inbreuken op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt geconstateerd,

I.   overwegende dat bij de evaluatie van de visbestanden aandacht wordt besteed aan de duurzaamheid van de bestanden, die van fundamenteel belang is voor de visserijactiviteit, en dat het aan de lidstaten is om deze duurzaamheid te waarborgen,

J.   overwegende dat tijdens de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg in 2002 alle deelnemende landen zich ertoe hebben verbonden te streven naar de verwezenlijking van de doelstelling van maximale duurzame opbrengst,

K. overwegende dat de sterke inkomensdaling in de visserijsector te wijten is aan enerzijds het uitgeput raken van talloze commerciële visbestanden, waardoor het noodzakelijk is geworden beperkingen op te leggen aan de visserijactiviteit en anderzijds de stagnatie/daling van de prijzen bij de eerste verkoop en de exponentiële toename van de productiefactoren (diesel en benzine), en dat deze situatie met name ernstige vormen aanneemt in de landen waar de visserijsector met uitgesproken hoge kosten kampt, vooral omdat in vergelijking met andere landen geen of minder steun voor de visserij wordt uitgetrokken,

L.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld om een debat te openen over een mogelijke hervorming van het GVB,

1.  juicht de bovengenoemde Mededeling van de Commissie toe en benadrukt dat dit initiatief ertoe bijdraagt een in sociaal, ecologisch en economisch opzicht duurzame exploitatie van de visbestanden te garanderen;

2.  acht het noodzakelijk dat de ecosysteembenadering van het visserijbeheer uitmondt in een dynamisch en flexibel systeem van beheer, wederzijdse kennisuitwisseling en onderzoek zodat andere variabelen kunnen worden opgenomen die in de toekomst kunnen voortkomen uit onvoorziene invloedsfactoren of andere wetenschappelijke disciplines;

3.  roept de Commissie ertoe op in haar voorstel methoden en instrumenten op te nemen die de wederzijdse uitwisseling van informatie en gegevens, en een permanent leerproces voor alle belanghebbenden mogelijk maken, opdat deze de ecosysteembenadering verder ontwikkelen en aantonen dat iedereen erbij gebaat is;

4.  herinnert eraan dat de visserijactiviteit van fundamenteel belang is voor het waarborgen van de voedselvoorziening en het voortbestaan van de mens, en is van oordeel dat dit de voornaamste doelstelling dient te zijn van ieder visserijbeleid;

5.  vestigt de aandacht erop dat de visserijsector uit economisch, sociaal en cultureel oogpunt van kapitaal belang is voor een aantal kustgemeenschappen in de EU;

6.  wijst er nogmaals op dat het GVB de modernisering en de duurzame ontwikkeling van de visserijsector moet bevorderen, de sociaaleconomische levensvatbaarheid van de sector en de duurzaamheid van de bestanden moet verzekeren en garanties moet bieden voor de voorziening van de bevolking van vis, soevereiniteit en voedselzekerheid, het behoud van de arbeidsplaatsen en een verbetering van de levensomstandigheden van de vissers;

7.  is van mening dat ieder visserijbeleid rekening moet houden met tal van verschillende dimensies – sociale, economische en milieueisen – die een geïntegreerde en evenwichtige aanpak vergen, hetgeen onverenigbaar is met een visie volgens welke deze dimensies hiërarchisch worden geordend krachtens een vooraf vastgestelde lijst van prioriteiten;

8.  benadrukt dat het GVB, gelet op de eigen doelstellingen ervan, niet ondergeschikt mag zijn aan andere vastgestelde communautaire beleidsacties; is daarentegen van oordeel dat deze beleidsacties de doelstellingen van het visserijbeleid moeten ondersteunen en integreren;

9.  onderstreept dat de duurzame ontwikkeling van een bepaalde kuststreek staat of valt met de erkenning van de interactie tussen de bewoners en hun natuurlijke omgeving en de bevordering van de levenskwaliteit van de visserijgemeenschappen; verklaart nogmaals dat het visserijbeleid gebaseerd moet zijn op het beginsel van onderlinge afhankelijkheid tussen enerzijds het welzijn van de visserijgemeenschappen en anderzijds de duurzaamheid van de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken;

10. pleit in dit verband voor erkenning van de specifieke kenmerken en het belang van de kleine kustvisserij en de ambachtelijke visserij;

11. benadrukt bijgevolg dat het bevredigen van de voedingsbehoeften van alle lidstaten, het waarborgen van de levensvatbaarheid van een strategische sector als de visserij en van de visserijgemeenschappen en het verzekeren van de duurzaamheid van de mariene ecosystemen geen onverzoenlijke doelstellingen zijn;

12. is van mening dat, om de visbestanden wereldwijd op peil te houden, er maxima moeten worden opgelegd aan het aantal visdagen;

13. onderstreept dat de implementatie van een ecosysteembenadering van het beheer van de zeeën noodzakelijkerwijs een multidisciplinaire en intersectorale aanpak vergt waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende maatregelen en acties die van invloed zijn op de mariene ecosystemen – en die veel verder reiken dan de beleidsmaatregelen op visserijgebied en daar om zo te zeggen boven staan; indien dat niet gebeurt, zullen de doelstellingen van de ecosysteembenadering onmogelijk verwezenlijkt kunnen worden;

14. wijst nogmaals op de noodzaak om maatregelen te bestuderen en aan te nemen betreffende tal van factoren die een grote invloed hebben op de duurzaamheid van de mariene ecosystemen en de toestand van de visbestanden en derhalve ook op de visserijactiviteit, zoals vervuiling aan de kust en op volle zee, afvalwater van industrie en landbouw, het omleggen van rivieren, baggerwerken in mariene gronden, havenactiviteiten, maritiem vervoer en toerisme;

15. benadrukt dat er belangrijke verschillen bestaan tussen de diverse mariene gebieden en hun respectieve visbestanden, en ook tussen de verschillende vloten en het gebruikte vistuig en de gevolgen daarvan voor de ecosystemen, zodat gediversifieerde, specifieke en aan de omstandigheden aangepaste beheermaatregelen zoals technische aanpassingen van netten, het sluiten van bepaalde visgebieden en het reduceren van de visserijinspanning, moeten worden ontwikkeld;

16. dringt aan op de toepassing van mechanismen voor subsidiëring of compensatie van vissers die getroffen worden door de economische en sociale gevolgen van de meerjarige herstel- en beheerplannen en de maatregelen ter bescherming van de ecosystemen;

17. onderstreept dat de - noodzakelijkerwijze progressieve - toepassing van een algemene, interdisciplinaire en intersectorale benadering van het beheer van de zeeën een voortdurende verbetering en verdieping van de wetenschappelijke kennis vereist om te waarborgen dat maatregelen worden aangenomen die gebaseerd zijn op wetenschappelijk getoetste gegevens;

18. vestigt de aandacht erop dat de Commissie de visserij moet opnemen in een intersectoraal plan voor de instandhouding van het mariene milieu overeenkomstig de bepalingen uit de Kaderrichtlijn mariene strategie[2], de milieupijler van het nieuwe Europees maritiem beleid;

19. benadrukt dat het wetenschappelijk onderzoek op visserijgebied een essentieel instrument vormt voor het beheer van de visserij en met name onontbeerlijk is om de factoren in kaart te brengen die van invloed zijn op de ontwikkeling van de visbestanden, deze factoren vanuit kwantitatief oogpunt te analyseren en modellen op te zetten waarmee de ontwikkeling van de bestanden kan worden voorspeld, maar ook om de kwaliteit van het vistuig, de vissersvaartuigen en de arbeids- en veiligheidsvoorwaarden van vissers te verbeteren, dit alles met inachtneming van de kennis en de ervaring van de vissers;

20. stelt voor om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren naar de herverdeling van de door de visserij geëxploiteerde mariene soorten ten gevolge van de recente evolutie van de fysisch-chemische parameters van het water, die te wijten is aan de klimaatverandering; is van mening dat op basis van dit onderzoek een aantal geldende herstelplannen voor visbestanden, zoals het herstelplan voor heek en langoustine voor de kust van het Iberisch Schiereiland, moet worden herzien;

21. vestigt de aandacht erop dat het noodzakelijk is projecten te ontwikkelen om te onderzoeken in hoeverre aquacultuur een manier kan zijn om de meest bedreigde soorten te herbevolken;

22. onderstreept in dit verband de noodzaak om te investeren in de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, toereikende financiële middelen vrij te maken en de samenwerking tussen de verschillende overheidsinstanties van de lidstaten te bevorderen;

23. onderstreept dat bij het wetenschappelijk onderzoek rekening moet worden gehouden met de sociale, economische en milieucomponenten van de visserijactiviteit; acht het van essentieel belang dat onderzoek wordt verricht naar het effect van de verschillende systemen/instrumenten van het visserijbeheer op de werkgelegenheid en de inkomsten van de visserijgemeenschappen;

24 onderstreept dat het visserijbeheer, als activiteit waarbij zichzelf vernieuwende hulpbronnen worden geëxploiteerd, in de eerste plaats tot taak heeft de totale visserijinspanning (rechtstreeks of onrechtstreeks) binnen de perken te houden, zodat de bovengenoemde doelstelling van de Top van Johannesburg in 2002 kan worden verwezenlijkt;

25. spoort de Commissie ertoe aan de rol van het huidige systeem van totale toegelaten vangsten (TAC's) en quota als belangrijkste instrument voor het beheer van de mariene hulpbronnen, en het nut ervan in het licht van de huidige beperking op de visserij, te herzien;

26. spoort de Commissie ertoe aan meer sluitende toezicht- en controlesystemen toe te passen op aangelande vangsten, illegale vangsten en teruggooi van ongewenste bijvangst;

27. is van mening dat genoemde maatregelen van wezenlijk belang zijn voor een correcte evaluatie van de toestand van de visbestanden door de bevoegde wetenschappelijke instanties;

28. erkent dat de huidige instrumenten voor het visserijbeheer, die gebaseerd zijn op de TAC's, rechtstreeks van invloed zijn op de vangsten en onrechtstreeks ook de visserijinspanning beïnvloeden; wijst erop dat sturing van de visserijinspanning nodig is om deze methode optimaal te laten werken; spoort de Commissie ertoe aan onderzoek te doen naar de diverse instrumenten voor het beheer van de visbestanden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de bestaande instrumenten niet worden gewijzigd aangezien er geen alternatief bestaat dat waarborgen biedt voor een adequatere exploitatie van de visbestanden;

29. benadrukt dat de verdeling van de TAC's over de vloten en het vistuig, met inachtneming van het beginsel van relatieve stabiliteit, onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten valt; is van oordeel dat bij de verdeling van de vangstquota in de verschillende lidstaten rekening moet worden gehouden met het soort vistuig (sleepnetten of andere methoden) en de respectieve vangsten;

30. maakt zich ernstige zorgen over de mogelijkheid dat in het GVB wijzigingen worden aangebracht die leiden tot een concentratie van de visserijactiviteit en daarmee het recht op toegang tot de visbestanden in gevaar brengen;

31. onderstreept dat de reductie en de concentratie van quota in een klein aantal exploitanten niet noodzakelijkerwijs een beperking van de visserijinspanning inhoudt, maar slechts een concentratie van de exploitatie van de visbestanden teweegbrengt;

32. verwelkomt de positieve discriminatie ten aanzien van de hernieuwing van de vloot in een aantal ultraperifere regio's (UPR's) van de EU en is van mening dat het van wezenlijk belang is dat deze steun ook na het huidige financieel kader 2007-2013 behouden blijft teneinde ook daar een duurzame en milieuvriendelijke visserij te kunnen garanderen;

33. is van oordeel dat de afwijking van de regels betreffende toegang tot de territoriale wateren in een zone van minstens twaalf mijl absoluut dient te worden gehandhaafd ter bescherming van de duurzaamheid van de mariene ecosystemen langs de kust, de traditionele visserijactiviteiten en het voortbestaan van de visserijgemeenschappen; wenst dat deze afwijking een permanent karakter krijgt;

34. dringt erop aan dat de exclusieve economische zones in de UPR's permanent worden beschouwd als "zones met exclusief toegangsrecht" om de duurzaamheid van de mariene ecosystemen, de visserijactiviteit en de lokale visserijgemeenschappen te waarborgen;

35. acht het ongepast de visserijinspanning op uniforme wijze te meten, zonder aandacht te besteden aan de eigen kenmerken van de verschillende vloten en het gebruikte vistuig; is van oordeel dat bij het beperken van de visserijinspanning rekening dient te worden gehouden met de verschillende soorten, het gebruikte vistuig en het effect van de vangsten op elk van de populaties;

36. is van oordeel dat de nadruk op een visserijinspanning uitgedrukt in kilowattdagen slechts zin heeft voor de trawlvisserij, en onbruikbaar is in de overige gevallen;

37. is van oordeel dat de ruimtelijke beperkingen (gesloten of beschermde gebieden, waaronder de beschermde mariene gebieden) een goed onderbouwde multidisciplinaire wetenschappelijke basis moeten hebben, met name voor wat betreft de invloed van de diverse activiteiten en factoren die een reële impact hebben op de ecosystemen en de daadwerkelijke voordelen die aan het vaststellen van dergelijke beperkingen verbonden zijn, waarbij bijzondere aandacht dient te worden besteed aan het verrichten van specifieke, diepgaande studies naar het milieueffect en de sociaaleconomische gevolgen van die beperkingen voor de visserijgemeenschappen;

38. stelt vast dat de vangstcapaciteiten voornamelijk zijn beperkt middels het uitvaardigen van maatregelen ter bevordering van de sloop van vissersvaartuigen en dat dit niet op uniforme wijze is geschied in de verschillende lidstaten; benadrukt derhalve dat bij het aanpassen van de verschillende nationale vloten aan de visbestanden rekening moet worden gehouden met de reeds verwezenlijkte beperking van de visserijinspanning;

39. acht het ongepast en onverantwoord om een beleid te implementeren dat de onwillekeurige sloop van vissersvaartuigen bevordert zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende vloten, de visbestanden, de consumptiebehoeften van de lidstaten en de sociaaleconomische gevolgen van een dergelijke maatregel;

40. is dan ook van oordeel dat een van de eerste taken van het visserijbeheer erin moet bestaan op grond van wetenschappelijke gegevens aan te tonen of er al dan niet sprake is van te grote vloten en overbeviste bestanden, en om welke vloten en bestanden het precies gaat, zodat passende specifieke maatregelen kunnen worden genomen;

41. herinnert eraan dat de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer in Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad verwoord wordt als "het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie mag niet worden gebruikt als een motief voor het uitstellen of achterwege laten van beheersmaatregelen voor de instandhouding van de doelsoorten, de geassocieerde of afhankelijke soorten en de niet-doelsoorten en hun milieu";

42. onderstreept nogmaals het belang van de controle op de beheermaatregelen, die onder de bevoegdheid van de lidstaten valt;

43. verzoekt om steun voor de tenuitvoerlegging en modernisering van geëigende instrumenten voor de bewaking, het toezicht en de controle op de exclusieve economische zones door de lidstaten, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bestrijding van de illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO), de verbetering van de maritieme veiligheid en de instandhouding van de mariene ecosystemen;

44. acht het van essentieel belang dat de reeds vastgestelde maatregelen ter bestrijding van de IOO worden toegepast en verzoekt de lidstaten om hun controlemechanismen aan te scherpen;

45. roept de Commissie ertoe op maatregelen voor te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat ingevoerde visserijproducten die op de interne markt verhandeld worden aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen als de visserijproducten van de lidstaten;

46. dringt nogmaals aan op de noodzaak om de kwaliteit van het vistuig te blijven verbeteren, zodat het steeds selectiever wordt, hetgeen ongetwijfeld zal bijdragen aan de beperking van de accidentele bijvangst en het effect op het milieu; roept de Europese Commissie ertoe op concrete beleidsinstrumenten te ontwikkelen om vissers te stimuleren om zo veel mogelijk maatregelen te nemen om hun bijvangsten tot een minimum te beperken;

47. is van oordeel dat de invoering van industriële sleepnetten een verhoging van de visserijgerelateerde sterfte heeft veroorzaakt, zodat dit soort vistuig aan afzonderlijke controlemaatregelen moest worden onderworpen, waarvan bijvoorbeeld de opgelegde beperkingen met betrekking tot het visgebied (dicht bij of ver van de kust) gehandhaafd moeten blijven;

48. spoort de Commissie ertoe aan meer ecologische visserijpraktijken te promoten waarbij selectievere vistuigen worden gebruikt teneinde ongewenste bijvangst en het brandstofverbruik tijdens het vissen te kunnen beperken;

49. verzoekt de Commissie om zo snel mogelijk voortgang te maken met de totstandbrenging van een ecologisch keurmerk voor vis om een schonere en milieuvriendelijkere visserij te promoten;

50. benadrukt dat de visserijsector actief betrokken moet worden bij de vaststelling, toepassing en evaluatie van de GVB-maatregelen om een adequater en doeltreffender beleid te kunnen ontwikkelen;

51. onderstreept dat in het besluitvormingsproces van het GVB een belangrijke rol is weggelegd voor de regionale adviesraden, aangezien daarin zowel vissers als met de evaluatie van de visbestanden belaste onderzoekers vertegenwoordigd zijn; is van oordeel dat de werking van deze raden naar behoren gefinancierd dient te worden;

52. benadrukt dat in het kader van het regionaal en het nabuurschapsbeleid intensiever moet worden samengewerkt met niet-communautaire vloten die gedeelde visbestanden exploiteren, teneinde duurzaamheid van de visbestanden te garanderen;

53. dringt aan op steun voor vissersverenigingen en beroepsorganisaties die bereid zijn om de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het GVB te delen (cobeheer);

54. pleit voor een grotere decentralisatie van het GVB, om vissers, hun vertegenwoordigende organisaties en de visserijgemeenschappen nauwer te betrekken bij het GVB en het visserijbeheer, waarbij tevens wordt toegezien op de naleving van coherente minimumnormen overal binnen de Gemeenschap;

55. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

  • [1]  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
  • [2]  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

TOELICHTING

De mededeling van de Commissie over "De rol van het GVB bij de implementatie van een ecosysteembenadering van het beheer van de zeeën" maakt deel uit van de waaier van initiatieven die de Commissie thans ontplooit om een debat te openen over een mogelijke hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid, die uiterlijk in 2012 moet zijn afgerond.

De Commissie stelt in haar mededeling tal van uiteenlopende en ingewikkelde kwesties aan de orde waarvan de rapporteur de meest essentiële punten wenst te onderstrepen.

De visserij is een activiteit die van fundamenteel belang is om de voedselvoorziening en het voortbestaan van de mens te waarborgen, wat dan ook de voornaamste doelstelling van ieder visserijbeleid dient te zijn. In dit verband onderstreept zij dat de visserij in de wateren van de EEZ van de verschillende lidstaten onontbeerlijk is om hun soevereiniteit en onafhankelijkheid te bewaren, inzonderheid met betrekking tot de voedselvoorziening.

Het visserijbeleid dient zich in de eerste plaats te richten op de visvangst en de visbestanden, maar er moet ook aandacht worden besteed aan de activiteiten naar de leveranciers en de afnemers toe en aan het onontbeerlijke wetenschappelijke onderzoek, met name aan de evaluatie en de te verwachten ontwikkeling van de visvangst en de biomassa van de visbestanden.

Kortom, het visserijbeleid is en kan geen beleid zijn voor de oceanen of het mariene milieu. Terwijl het zeebeleid zich toespitst op de zeeën wordt in het visserijbeleid prioritaire aandacht verleend aan de visserij. Het moet gebaseerd zijn op wetenschappelijke resultaten, niet op veronderstellingen en vooroordelen volgens welke de visserij de oorzaak zou zijn van het gebrek aan duurzaamheid van de ecosystemen. Bovendien moet rekening worden gehouden met tal van andere factoren die, los van de visserij, van invloed zijn op de ecosystemen.

Er zij nogmaals onderstreept dat het GVB de modernisering en de duurzame ontwikkeling van de visserijsector moet bevorderen, de sociaaleconomische levensvatbaarheid van de sector en de duurzaamheid van de bestanden moet verzekeren en garanties moet bieden voor de voorziening van de bevolking van vis, soevereiniteit en voedselzekerheid, het behoud van de arbeidsplaatsen en een verbetering van de levensomstandigheden van de vissers.

Voorts dient gezegd dat de sterke inkomensdaling in de visserijsector te wijten is aan enerzijds de beperkingen die aan de visserijactiviteit worden opgelegd en anderzijds de stagnatie/daling van de prijzen bij de eerste verkoop en de exponentiële toename van de productiefactoren (diesel en benzine).

In het visserijbeleid moet per definitie rekening worden gehouden met tal van verschillende dimensies – sociale, economische en milieueisen – die een geïntegreerde en evenwichtige aanpak vergen, hetgeen onverenigbaar is met een visie volgens welke deze dimensies hiërarchisch worden geordend krachtens een vooraf vastgestelde lijst van prioriteiten. Dit betekent dat het visserijbeleid niet ondergeschikt mag zijn aan andere communautaire beleidsacties; integendeel, die andere beleidsacties moeten de doelstellingen van het visserijbeleid ondersteunen en integreren.

Het visserijbeleid dient gebaseerd te zijn op het beginsel van onderlinge afhankelijkheid tussen enerzijds het welzijn van de visserijgemeenschappen en anderzijds de duurzaamheid van de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken, waarbij de specifieke kenmerken en het belang van de kleine kustvisserij en de ambachtelijke visserij moeten worden erkend.

De implementatie van een ecosysteembenadering van het beheer van de zeeën vergt noodzakelijkerwijs een multidisciplinaire en intersectorale aanpak waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende maatregelen en acties die van invloed zijn op de mariene ecosystemen – en die veel verder reiken dan de beleidsmaatregelen op visserijgebied en daar om zo te zeggen boven staan; indien dat niet gebeurt, zullen de doelstellingen van de ecosysteembenadering onmogelijk verwezenlijkt kunnen worden.

Anderzijds moet worden erkend dat er belangrijke verschillen bestaan tussen de diverse mariene gebieden en hun respectieve visbestanden, en ook tussen de verschillende vloten en het gebruikte vistuig en de gevolgen daarvan voor de ecosystemen, zodat gediversifieerde, specifieke en aan de omstandigheden aangepaste beheermaatregelen moeten worden ontwikkeld en, waar nodig, moet worden voorzien in steun voor de vissers om de sociaaleconomische gevolgen van de voornoemde maatregelen te compenseren.

De visserij is een activiteit waarbij zichzelf vernieuwende hulpbronnen worden geëxploiteerd en heeft daarom in de eerste plaats tot taak om de totale visserijinspanning (rechtstreeks of onrechtstreeks) binnen de perken te houden met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van maximale duurzame opbrengst.

De huidige instrumenten voor het visserijbeheer, die gebaseerd zijn op de totale toegestane vangsten (TAC's), gelden nog steeds als de beste methode om de totale visserijinspanning aan banden te leggen, aangezien zij rechtstreeks van invloed zijn op de vangsten en onrechtstreeks ook de visserijinspanning beïnvloeden.

De verdeling van de TAC's over de vloten en het vistuig, met inachtneming van het beginsel van relatieve stabiliteit, valt onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten.

De lidstaten moeten hun soevereiniteit uitoefenen over hun grondgebied, met inbegrip van de territoriale zee die is vastgesteld op twaalf mijl – en die kan worden uitgebreid op grond van de geografische kenmerken van elk gebied –, door de toegang tot deze zone te beperken tot hun nationale vloot, evenwel zonder de bestaande overeenkomsten tussen landen in het gedrang te brengen.

Evenzo is het van belang om de exclusieve economische zones in de ultraperifere regio's permanent te beschouwen als "zones met exclusief toegangsrecht" teneinde de duurzaamheid van de mariene ecosystemen, de visserijactiviteit en de lokale visserijgemeenschappen te waarborgen.

In dit verband zijn de voorstellen om de toegang tot de visbestanden te regelen middels een stelsel van individuele, overdraagbare quota een reden tot bezorgdheid, aangezien zij gevolgen hebben voor de concentratie van de visserijactiviteit en de individuele toe-eigening van visserijrechten.

Voorts zij erop gewezen dat een uniforme meting van de visserijinspanning zinloos is, daar rekening dient te worden gehouden met de specifieke kenmerken van de vloten, het gebruikte vistuig en de beviste soorten.

Met betrekking tot de ruimtelijke beperkingen (gesloten of beschermde gebieden, waaronder de beschermde mariene gebieden) moet worden aangedrongen op het belang van een goed onderbouwde multidisciplinaire wetenschappelijke basis.

Bovendien zij onderstreept dat het ongepast en onverantwoord is om een beleid te implementeren dat de onwillekeurige sloop van vissersvaartuigen bevordert zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende vloten, de visbestanden, de consumptiebehoeften van de lidstaten en de sociaaleconomische gevolgen van een dergelijke maatregel. Daarom moet op grond van wetenschappelijke gegevens worden aangetoond of er al dan niet sprake is van te grote vloten en overbeviste bestanden, en om welke vloten en bestanden het precies gaat.

Ten slotte wordt nogmaals onderstreept dat de visserijsector actief betrokken moet worden bij de vaststelling, toepassing en evaluatie van de GVB-maatregelen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.12.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Stavros Arnaoutakis, Elspeth Attwooll, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, David Casa, Emanuel Jardim Fernandes, Carmen Fraga Estévez, Ioannis Gklavakis, Pedro Guerreiro, Ian Hudghton, Heinz Kindermann, Willy Meyer Pleite, Rosa Miguélez Ramos, Philippe Morillon, Seán Ó Neachtain, Struan Stevenson, Catherine Stihler, Margie Sudre

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Raül Romeva i Rueda, Thomas Wise