Procedure : 2008/2153(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0505/2008

Ingediende teksten :

A6-0505/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/01/2009 - 6.6
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0006

VERSLAG     
PDF 210kWORD 198k
15.12.2008
PE 414.317v02-00 A6-0505/2008

over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid

(2008/2153(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Mairead McGuinness

Rapporteur voor advies (*):

Manolis Mavrommatis, Commissie ontwikkelingssamenwerking

(*) Medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (*)
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid

(2008/2153(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 33 van het EG-Verdrag,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2007 over 'Stijgende prijzen voor diervoeders en levensmiddelen'(1), alsook zijn resolutie van 22 mei 2008 over 'Stijgende voedselprijzen in de Europese Unie en de ontwikkelingslanden'(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 november 2007 over 'Nieuwe impulsen voor de Afrikaanse landbouw – Voorstel voor landbouwontwikkeling en voedselzekerheid in Afrika'(3),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in de ontwikkelingslanden (COM(2008)0450),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over 'Het probleem van de stijging van de voedselprijzen aanpakken - Richtsnoeren voor maatregelen van de EU' (COM(2008)0321),

–   gezien de conclusies van de Wereldvoedseltop 1996 en de doelstelling om het aantal mensen dat honger lijdt vóór 2015 te halveren,

–   gezien de "Agricultural Outlook 2008-2017" van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),

–   gezien de aanbevelingen van de wereldraad voor de landbouw (International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development IAASTD),

–   gezien de uitkomsten van de 'gezondheidscontrole' van het gemeenschappelijk landbouwbeleid,

–   gezien de lopende WTO-onderhandelingen betreffende de ontwikkelingsronde van Doha,

–   gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp,

–   gelet op artikel 45 van het Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie industrie, onderzoek en energie, (A6‑0505/2008),

A. overwegende dat de wereld voor het eerst sinds de jaren '70 voor een acute voedselcrisis staat, die zowel door structurele, langetermijnfactoren als door andere elementen wordt bepaald, waarbij de maïsprijs sinds 2006 verdrievoudigd is, de mondiale tarweprijzen in twee jaar tijd met meer dan 180% zijn gestegen en de wereldvoedselprijzen over het algemeen met ongeveer 83%,

B.  overwegende dat deze aanzienlijke, onvoorziene prijsstijging heeft plaatsgehad in betrekkelijk korte tijd, namelijk tussen september 2006 en februari 2008; voorts overwegende dat de mondiale prijzen van andere voedingsmiddelen over de laatste twee jaar zijn verdubbeld en naar verwachting hoog zullen blijven, niettegenstaande de huidige prijsdaling bij een aantal tarwesoorten, zoals de futuresmarkten laten zien,

C. overwegende dat de stijging van de veevoederprijzen een weerslag heeft op de productiekosten, waardoor de veeteeltproductie dreigt af te nemen, ofschoon in met name de opkomende economieën er een stijgende vraag is en naar verwacht zal zijn naar veeteeltproducten,

D. overwegende dat volgens voorspellingen van de FAO en de OESO de grondstofprijzen weliswaar niet op het hoge niveau van vorig jaar zullen blijven, maar dat niet wordt verwacht dat ze zullen zakken tot de niveaus van vóór 2006; overwegende echter dat dramatische schommelingen in de grondstofprijzen mogelijk een opvallender kenmerk van de mondiale markt en een regelmatig terugkerend verschijnsel zullen worden; voorts overwegende dat hogere voedselprijzen zich niet altijd vertalen in hogere landbouwinkomens, voornamelijk door de snelheid waarmee de kosten van landbouwproductiemiddelen stijgen maar ook door de kloof tussen producenten- en consumentenprijzen, die door de tijd heen steeds groter is geworden,

E.  overwegende dat de wereldvoedselvoorraden een kritiek niveau hebben bereikt: terwijl de voorraden in de periode na de Tweede Wereldoorlog voldoende groot waren om een jaar lang in de voedselbehoefte te kunnen voorzien, was er in 2007 nog maar voedsel voor amper 57 dagen en in 2008 voor slechts 40 dagen,

F.  overwegende dat deze en andere factoren onmiddellijk ernstige gevolgen hebben gehad voor een aanzienlijk aantal mensen; overwegende dat de crisis in de voedselprijzen het aantal arme en hongerige mensen in de wereld met miljoenen heeft doen toenemen; voorts overwegende dat deze ontwikkelingen over de hele wereld tot rellen en onlusten hebben geleid, waardoor landen en regio’s verder gedestabiliseerd raken; verder overwegende dat zelfs in de EU de voorraden dermate zijn verminderd dat er op dit moment geen voedsel meer is voor het noodvoedselprogramma,

G. overwegende dat naar huidige schattingen van organisaties die zich inzetten voor de strijd tegen de honger in de wereld, op dit moment een op de vijf mensen in ontwikkelingslanden ondervoed is en chronisch honger lijdt, en dat er dagelijks wereldwijd meer dan 30 000 kinderen sterven aan honger en armoede,

H. overwegende dat de landbouw in ontwikkelingslanden meer dan 70% en in veel Afrikaanse landen meer dan 80% van de werkende bevolking voorziet van werk en levensonderhoud en dat bijgevolg het beleid inzake plattelandsontwikkeling van cruciaal belang is om de problemen van armoede en honger effectief op te lossen,

I.   overwegende dat vrouwen in ontwikkelingslanden tussen de 60 en 80% van de voedingsmiddelen produceren en daarmee verantwoordelijk zijn voor de helft van de wereldwijde voedselproductie, en dat vrouwen een uiterst belangrijke rol bij de gezinsverzorging spelen en beduidend moeilijker toegang hebben tot landbouw- en productiemiddelen dan mannen en daarom consequent moeten worden ondersteund en gestimuleerd,

J.   overwegende dat de huidige crisis het zwaarst drukt op lage-inkomenshuishoudens, zowel in de Europese Unie als de ontwikkelingslanden, waar tussen de 60 en 80% van het gezinsinkomen aan voedsel wordt besteed, vergeleken met minder dan 20% in de EU,

K. overwegende dat het Parlement en de Raad herhaaldelijk met klem hebben verzocht om een krachtige reactie op het mondiale voedselprobleem, vooral door het verstrekken van de noodzakelijke financiële middelen voor de aanschaf van landbouwproductiemiddelen en het verlenen van bijstand bij het gebruik van managementinstrumenten gebaseerd op marktwerking,

L.  overwegende dat de Europese Unie nog steeds een belangrijke voedselproducent is, die voor tarwe 17%, melk 25%, varkensvlees 20% en rundvlees 30% van de wereldproductie voor haar rekening neemt, maar tevens een grote importeur van landbouwproducten is, wier bevoorradingsgraad bij een groot aantal basislandbouwproducten ver verwijderd is van volledige zelfvoorziening,

M. overwegende dat de Europese Unie een voortrekkersrol vervult bij het vaststellen van de hoogst mogelijke voedselproductienormen, waarbij de aandacht primair uitgaat naar een systeem waarbij het voedsel van ‘boer tot bord’ kan worden getraceerd en naar het garanderen van de veiligheid van in de EU geproduceerd voedsel,

N. overwegende dat de Europese Unie ook een voortrekkersrol vervult bij milieubeschermingsinitiatieven, die weliswaar dienen voor het beschermen van natuurlijke hulpbronnen, maar die EU-landbouwers ook met extra kosten opzadelen,

O. overwegende dat de Europese Unie wereldwijd de grootste donor van humanitaire en ontwikkelingshulp is, maar dat op internationaal vlak het aandeel van de landbouwsteun, met name van de Europese Unie, sinds de jaren 1980 steeds kleiner is geworden,

P.  overwegende dat de Europese Unie van oudsher ongeveer 10% van alle ontwikkelingssamenwerking in de wereld financiert, naast de bijdragen van de afzonderlijke lidstaten (dit wordt bevestigd door de huidige bijdrage van ongeveer 1,8 miljard euro, waarvan 1 miljard wordt verstrekt via de nieuwe snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van voedselprijzen in ontwikkelingslanden, en de rest via reeds beschikbare communautaire instrumenten voor humanitaire en ontwikkelingshulp),

Q. overwegende dat de verwachting is dat de mondiale vraag naar voedsel tegen 2050 zal zijn verdubbeld en de mondiale voedselproductie bijgevolg zal moeten stijgen, terwijl de druk op de natuurlijke hulpbronnen toeneemt,

R.  overwegende dat volgens de FAO 30 miljard euro per jaar volstaat om te zorgen voor voedselzekerheid van een bevolking die tegen 2050 9 miljard zielen zal tellen,

S.  overwegende dat de internationale en regionale overeenkomsten tot nu toe ontoereikend zijn gebleken om de bevoorrading van de markt en de handel te normaliseren en dat de recente scherpe stijging van de voedselprijzen voor alle regeringen in de wereld een waarschuwing moet zijn dat ze de landbouwproductie niet als een vanzelfsprekende zaak moeten zien,

1.  bevestigt dat mondiale voedselzekerheid voor de Europese Unie een kwestie van de grootste urgentie is en verzoekt om onmiddellijke en voortdurende actie voor het realiseren van voedselzekerheid in zowel de EU als de rest van de wereld; is van mening dat het belangrijk is om alle voor voeding bestemde gewassen en landbouwvormen ter wereld naar waarde te schatten; benadrukt dat consumenten tegen redelijke prijzen voedsel moeten kunnen kopen en dat landbouwers een redelijke levensstandaard moeten hebben;

2.  benadrukt het belang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) als instrument voor het tot stand brengen van een betrouwbare voedselproductie in de Europese Unie; is van mening dat het GLB sinds zijn invoering voor een betrouwbare voedselvoorziening in de EU heeft gezorgd en daarnaast heeft bijgedragen aan de bescherming en verbetering van het plattelandsmilieu en ervoor heeft gezorgd dat de voedselproductienormen van de EU de hoogste in de wereld zijn; onderstreept de noodzaak dat de communautaire landbouw ook in de toekomst deze rol blijft vervullen;

3.  merkt echter op dat de vele GLB-hervormingen van de laatste 25 jaar hebben geleid tot een daling van enerzijds de uitgaven en anderzijds de landbouwproductie en de voorraden in de Europese Unie, omdat de nadruk is verlegd van overwegingen van kwantiteit naar marktgestuurde kwaliteitsproductie; is van mening dat EU-producenten door deze beleidsverschuiving potentiële markten hebben verloren en de EU afhankelijker is geworden van de invoer van voedsel uit derde landen, waar heel andere productienormen gelden, waardoor de landbouwproducten van de EU aan ongelijke concurrentievoorwaarden zijn blootgesteld;

Situatie en oorzaken

4.  wijst erop dat al vóór de meest recente stijging van de voedselprijzen, wereldwijd meer dan 860 miljoen mensen chronisch honger leden; merkt op dat de Wereldbank voorspelt dat door de scherpe stijging van de voedselprijzen nog eens honderd miljoen mensen in nog grotere armoede zullen vervallen;

5.  onderschrijft de opvatting van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) dat landen die netto-importeur van voedsel zijn het zwaarst worden getroffen door de stijgende voedselprijzen en dat veel van deze landen tot de minst ontwikkelde landen in de wereld behoren; stelt opnieuw dat armoede en afhankelijkheid van voedselimporten tot de belangrijkste oorzaken van voedselonzekerheid behoren; is het feit indachtig dat slechts een klein percentage van de mondiale voedselproductie daadwerkelijk op de internationale markten wordt verhandeld en dat dit steeds meer gebeurt door een klein aantal exportlanden;

6.  merkt op dat de graanoogsten voor 2007 en 2008 goed zijn geweest; merkt op dat de directe oorzaak van de voedselonzekerheid in 2007 de daling van het aanbod en de stijging van de grondstofprijzen was; is zeer verontrust over de lage graanvoorraden in de wereld, waarmee de wereldbevolking minder dan veertig dagen van graan kan worden voorzien;

7.  benadrukt dat de inspanningen om te voorzien in de eerste levensbehoeften van mensen, voornamelijk voedsel en water, vaak een bron van conflicten zijn; wijst erop dat de stijging van de wereldbevolking, die voor 2050 wordt geschat op 3 miljard, deze spanningen overal ter wereld zal doen toenemen; verzoekt dientengevolge rekening te houden met deze geostrategische dimensie bij de ontwikkeling van het toekomstige landbouwbeleid;

8.  is verontrust over de stijgende kosten van landbouwproductiemiddelen (prijsstijgingen voor meststoffen, zaaigoed, enz.), die zich hebben geuit in een stijging van de kosten waarvoor boeren (in het bijzonder in de veeteeltsector) niet allemaal op dezelfde manier zijn gecompenseerd en die een eventuele stijging van landbouwinkomens als gevolg van hogere grondstoffen- en voedselprijzen in belangrijke mate teniet hebben gedaan en zo de prikkel voor het verhogen van de productie hebben verzwakt; is bezorgd dat dramatische prijsstijgingen voor productiemiddelen tot minder gebruik van productiemiddelen en bijgevolg een lagere productie zullen leiden, hetgeen de voedselcrisis in Europa en de rest van de wereld nog ernstiger zal maken;

9.  merkt op dat de grondstoffenmarkten dit seizoen een scherpe daling van de prijzen hebben laten zien, hetgeen tot zorgen onder producenten en een eroderend vertrouwen bij landbouwers heeft geleid;

10. benadrukt dat het belangrijk is een samenhangend onderzoek te verrichten naar de stijgende voedselprijzen, rekening houdend met stijgende energieprijzen voor eindverbruikers, extremere weersverschijnselen en de ten gevolge van de groeiende wereldbevolking toegenomen vraag naar energie, en verzoekt de Commissie nader onderzoek te doen naar het mogelijke verband tussen hoge voedselprijzen en stijgende energieprijzen, met name die van brandstof; benadrukt voorts dat de nodige stappen moeten worden gezet om de landbouw door een efficiënter gebruik van energie en het ontwikkelen van energiezuinigere productiesystemen minder afhankelijk te maken van fossiele energiebronnen;

11. verzoekt om het ontwikkelen van beleidsinstrumenten voor het voorkómen van zulke dramatische en schadelijke prijsfluctuaties, die rekening houden met een redelijke levensstandaard voor producenten; is van mening dat de bedrijfstoeslagregeling landbouwers de mogelijkheid biedt om in te spelen op de marktbehoefte door op andere producten over te schakelen, maar dat deze regeling mogelijk ontoereikend is om het hoofd te kunnen bieden aan dramatische prijsfluctuaties op de markten;

12. vestigt de aandacht op structurele langetermijnoorzaken die spelen bij de recente prijsstijging voor landbouwgrondstoffen, zoals de gestaag toenemende mondiale vraag en de aanhoudende verlaging van de investeringen in productielandbouw; merkt op dat de stijging van de energieprijzen, en meer bepaald van de olieprijzen, wat een van bedoelde factoren is, een significant effect heeft gehad op de mondiale landbouwproductie (omdat daardoor de productie- en distributiekosten zijn gestegen) en op het ontstaan van de voedselcrises in de arme landen (vanwege de transportkosten voor voedsel in die landen zelf);

13. constateert dat in 2007 2% van de graanproductie in de EU naar de productie van biobrandstoffen is gegaan, terwijl dat jaar in de Verenigde Staten 25% van de maïsproductie naar de productie van ethanol ging; verzoekt om een wereldwijde beoordeling van deze tendens en van het effect ervan op de voedselprijzen, alsook om beleidscoördinatie op mondiaal niveau om te verzekeren dat de drang naar hernieuwbare energie niet de voedselvoorziening in gevaar brengt; dringt er tevens op aan dat in de internationale en regionale overeenkomsten verbintenissen worden opgenomen die verzekeren dat de voor biobrandstofproductie verstrekte subsidie de voedselveiligheid van de planeet niet in gevaar brengt en die beantwoorden aan regels, teneinde te voorkomen dat de concurrentie tussen de handelspartners wordt verstoord; verlangt desondanks een sterke betrokkenheid van de Europese Unie bij de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen van de tweede generatie;

14. onderstreept de noodzaak om een evenwicht te vinden wat betreft de productie van biobrandstoffen en bio-energie aan de ene kant, en de benodigde voedselreserve op wereldniveau aan de andere kant. De toename van de productie van biobrandstoffen en bio-energie kan een positieve impact hebben op de landbouw- en levensmiddelensector, die momenteel te lijden heeft van de hoge prijzen van voor de verwerkingsindustrie noodzakelijke grondstoffen, zoals mest, diesel, etc. Zodoende vormt de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen een levensvatbaar economisch en sociaal ontwikkelingsalternatief voor het platteland en, tegelijkertijd, een duurzaam geheel voor de bescherming van het milieu, vooral als de doelstellingen van de Europese Unie wat betreft hernieuwbare energie voor 2020 in ogenschouw worden genomen. Tegelijkertijd dienen er echter maatregelen genomen te worden om de negatieve effecten die de toename van de productie van energiegewassen kan hebben op de biodiversiteit, op de voedselprijzen en op de gebruikswijze van terreinen, te voorkomen;

15. merkt op dat de Europese Unie een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de stijging van het aanbod van landbouwgrondstoffen door de afschaffing van haar braakleggingsregeling;

16. wijst op de snel veranderende eetgewoonten, vooral in opkomende landen, waarbij een verschuiving optreedt naar meer vlees- en eiwitconsumptie, waardoor meer graan nodig is; constateert dat in landen als China en India een welkome stijging van het reëel inkomen plaatsvindt, wat de vraag naar landbouwproducten en verwerkte voedingsmiddelen verder zal opdrijven;

17. is van mening dat de toenemende marktconcentratie op de detailhandelsmarkt voor voedingsmiddelen moet worden gemonitord zodat er geen monopolies kunnen ontstaan, omdat de activiteiten van grote retailers mogelijk niet altijd in het beste belang van producenten, verwerkers of consumenten zijn;

18. vraagt alternatieve oplossingen aan te nemen die het evenwicht moeten herstellen ten gunste van de kleine producenten die geconfronteerd worden met hun onvermogen te onderhandelen met de grote retailers. Hoewel er op EU-niveau een kader van antimonopoliewetgeving bestaat dat misbruik door de grote producenten van hun dominante positie op de EU-markt moet tegengaan, is er nog geen specifieke reglementering die de monopoliserende praktijken moet bestrijden die door een deel van de grote winkels van het type supermarkt en hypermarkt worden gebezigd;

Reacties van de Europese Unie

19. is van mening dat het GLB ook na 2013 de hoeksteen van het EU-beleid inzake voedselzekerheid moet blijven; is van mening dat goed functionerende ecosystemen, vruchtbare bodem, stabiele watervoorraden en een veelzijdige kleinschalige landbouw essentieel zijn voor duurzame voedselzekerheid; is ook van mening dat het van fundamenteel belang is dat het GLB, samen met de andere communautaire beleidslijnen, een grotere bijdrage levert aan het mondiale voedselevenwicht;

20. is echter stellig van mening dat het GLB verder moet worden aangepast met het oog op voedselzekerheid; is teleurgesteld dat de Europese Commissie in haar voorstellen van mei 2008 voor de 'gezondheidscontrole' van het GLB deze uitdaging deels uit de weg is gegaan; is tegen de ontmanteling van maatregelen voor marktregulering en verlaging van landbouwsubsidies;

21. verzoekt in het licht van de begrotingsherziening 2008-2009 om een stabiel en constant uitgavenniveau van de EU en de lidstaten voor het GLB, dat voldoende hoog is om landbouwers van een redelijk inkomen te verzekeren; roept in herinnering dat landbouwers zonder stabiel overheidsbeleid geen toekomstplannen kunnen maken; wijst er in dit verband op dat de landbouw aanzienlijke waarde toevoegt aan de nationale en EU-economieën;

22. wijst erop dat de markt alleen producenten niet de noodzakelijke inkomenszekerheid kan verschaffen om hun landbouwactiviteiten voort te zetten, omdat de EU-normen inzake voedselproductie, voedselveiligheid, milieu en dierenwelzijn hoge kosten met zich meebrengen; is echter ingenomen met de toegenomen marktoriëntatie van het GLB; betreurt echter dat de doelstellingen voor de hervormingen van 2003, namelijk hogere marktprijzen en minder bureaucratie voor landbouwers, niet volledig zijn bereikt;

23. is van mening dat de vele regels met betrekking tot cross-compliance een negatieve prikkel vormen voor producenten en dat deze regels waar mogelijk minder ingewikkeld moeten worden gemaakt; is in dit verband ingenomen met de initiatieven tot vereenvoudiging die de Commissie heeft ontplooid;

24. is bezorgd over de mogelijk dramatische gevolgen van voorgestelde EU-wetgeving inzake bijvoorbeeld gewasbeschermingsproducten, omdat landbouwers worden beperkt in de instrumenten voor het maximaliseren van de productie, wat feitelijk tot een dramatische verlaging van de landbouwproductie in de EU kan leiden; verzoekt daarom alle voorgestelde maatregelen aan een uitvoerige effectbeoordeling te onderwerpen, in het bijzonder voor de gevolgen voor de voedselzekerheid;

25. verzoekt de Commissie met klem om te kijken naar het effect voor de landbouwsector van initiatieven voor het matigen van klimaatverandering; is van mening dat de landbouw zijn bijdrage moet leveren aan de strijd tegen de klimaatverandering, maar één van de meest klimaatgevoelige sectoren is, en dus ook de nodige instrumenten moet krijgen om de gevolgen van de klimaatverandering te verwerken, teneinde te voorkomen dat hierdoor de landbouwproductie in de EU daalt en EU-producten worden vervangen door producten uit derde landen;

26. is van mening dat de EU- en andere internationale systemen voor productie- en marktobservatie aan een onderzoek moeten worden onderworpen, zodat men sneller wordt gewaarschuwd voor bepaalde productietrends; is voorts van mening dat er behoefte is aan een mondiaal systeem van voedselinventarisatie en voedselvoorraden en dat de Europese Unie een voortrekkersrol moet vervullen bij het opzetten van een dergelijk systeem; verzoekt de Commissie met klem om samen te werken met onze mondiale partners en daartoe een voorstel in te dienen;

27. verzoekt verzekeringspolissen beschikbaar te stellen tegen grote fluctuaties in de prijzen en inkomens en tegen de invloed van het weer op de productie;

28. verzoekt de Commissie een efficiënt EU-marktobservatiesysteem te ontwerpen, dat in staat is de veranderingen en trends in de prijzen van landbouwproducten en in de kosten van landbouwproductiemiddelen bij te houden; is van mening dat een dergelijk systeem transparantie moet garanderen en grensoverschrijdende vergelijking tussen soortgelijke producten mogelijk moet maken;

29. is van mening dat het opportuun is in het kader van de FAO een internationale waarnemingspost voor prijzen van landbouwproducten, landbouwproductiemiddelen en levensmiddelen in te stellen, teneinde deze gegevens op internationaal vlak te kunnen monitoren;

30. merkt op dat bij opeenvolgende hervormingen van het GLB iets is gedaan aan marktverstorende elementen van het EU-landbouwbeleid die negatief uitwerken op landbouwers in ontwikkelingslanden, maar dat de handelsbetrekkingen nog steeds ongelijkwaardig zijn en dat er nog inspanningen moeten worden geleverd om een billijker systeem op te bouwen;

31. constateert echter dat de beleidshervormingen om te voldoen aan de WTO-voorschriften hebben geleid tot een heroriëntatie van de GLB-steun – in de zin dat steeds minder productiegerelateerde subsidies worden gegeven – de ontmanteling van maatregelen voor marktregulering en het openstellen van markten, waardoor consumenten en producenten steeds meer zijn blootgesteld aan instabiele wereldmarkten; verzoekt om bepalingen over voedselzekerheid op te nemen in het GLB-beleid en om gelijkwaardige inspanningen van partners om de handel dusdanig te reguleren dat de mondiale voedselzekerheid niet in gevaar wordt gebracht, vast te leggen in handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie om tijdens de WTO-onderhandelingen te pleiten voor een gekwalificeerde markttoegang, om zo te garanderen dat de hoge milieunormen van de EU-landbouw en het recht van ieder land op voedselzekerheid niet worden ondergraven door goedkope invoer;

32. constateert dat de Europese Unie conform de WTO-overeenkomsten doorgaat met het nemen van de noodzakelijke maatregelen om, zoals toegezegd, vóór 2013 alle exportrestituties af te schaffen en in het kader van de 'gezondheidscontrole' van het GLB verdere hervormingen van de instrumenten voor marktondersteuning doorvoert;

33. is van mening dat de snelleresponsfaciliteit tegen de scherpe stijging van voedselprijzen in ontwikkelingslanden een noodzakelijke eerste stap is voor het vervullen van de directe behoeften van degenen die het hardst door de voedselcrisis worden getroffen; benadrukt echter dat deze faciliteit een eenmalige maatregel is om middelen uit rubriek 4 van de EU-begroting te kunnen gebruiken voor het ondersteunen van kleinschalige landbouw in de zwaarst getroffen landen, welke middelen met extra investeringen moeten worden aangevuld; is van mening dat de Commissie moet controleren hoe deze middelen worden besteed, moet garanderen dat ze op duurzame wijze daar worden gebruikt waar de vraag het grootst is, en het Parlement regelmatig verslag moet doen van het resultaat van haar controles; verzoekt om het Parlement in de gelegenheid te stellen om via de regelgevingsprocedure met toetsing toezicht te houden op de uitvoering;

34. verzoekt de Commissie om versterking van de bestaande programma's gericht op voedselzekerheid in Europa en de rest van de wereld; verzoekt om versterking van het thematisch programma voedselzekerheid (2007-2010), waaraan op dit moment een bedrag van 925 miljoen euro is toegewezen voor de hele programmeringsperiode; verwelkomt het voorstel voor een verhoging van de kredieten voor het voedseldistributieprogramma voor de meest behoeftigen in de Gemeenschap dat de Commissie op 17 september 2008 heeft ingediend; verzoekt de Commissie een omvattende strategie te ontwikkelen voor alle kwesties die verband houden met de voedselzekerheid teneinde de samenhang te garanderen tussen de communautaire beleidslijnen van de Europese Unie;

35. is verontrust over de huidige mondiale financiële crisis, waardoor mogelijk minder financiële middelen voor de landbouw beschikbaar zullen zijn; verzoekt de Commissie de effecten van de financiële crisis op de landbouwsector te analyseren en na te denken over voorstellen voor het verzekeren van de stabiliteit van de sector, ook wat de toegang tot leningen en kredietgaranties betreft;

36. wijst op onderzoek waaruit blijkt dat de meeste consumenten zich niet bewust zijn van de essentiële voordelen die ze dankzij het GLB genieten, in de vorm van voedselzekerheid en redelijk geprijsde producten(4); verzoekt om een beleid inzake publieksvoorlichting en een hernieuwde toezegging tot vereenvoudiging, waardoor burgers zich meer bewust zouden worden van de instrumenten en voordelen van het GLB; stelt voor dat het publiek wordt voorgelicht over de kosten die het niet-bestaan van het GLB met zich mee zou brengen;

37. is van oordeel dat het GLB een belangrijke rol dient toe te komen in het buitenlands- en ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie, in het bijzonder het beleid inzake de externe voedselzekerheid; is van oordeel dat het GLB niet alleen kan bijdragen aan het waarborgen van de voedselproductie in de Europese Unie, maar ook kan helpen bij het tegemoetkomen aan de in de hele wereld stijgende vraag naar voedsel;

38. merkt op dat gewapende conflicten zeer negatieve gevolgen hebben voor de productie van en toegang tot voedsel; uit haar bezorgdheid over de ernstige gevolgen die het gevaar van conflicten kan hebben voor de voedselzekerheid, bijvoorbeeld door massale migratie, het stagneren van de landbouwproductie en schadelijke gevolgen voor de essentiële infrastructuur;

39. acht het van essentieel belang dat ontwrichtende gevechten om schaarse voedselbronnen worden voorkomen; roept daarom op tot effectievere EU-coördinatie op technisch niveau met niet-gouvernementele organisaties, de FAO en andere internationale agentschappen en op politiek niveau met de VN om de eerlijke toegang tot mondiale voedselbronnen te bevorderen en om de voedselproductie in belangrijke ontwikkelingslanden te vergroten, waarbij de criteria inzake biodiversiteit en duurzame ontwikkeling stelselmatig in acht worden genomen;

40. doet een dringend beroep op de Europese Unie om landen met een dreigend conflict te helpen om een sterk eigen landbouwbeleid te ontwikkelen op basis van eenvoudige toegang tot grondstoffen, kwalitatief goed onderwijs en toereikende financiering, en op basis van een betrouwbare infrastructuur; is van mening dat EU-steun gericht moet zijn op het verbeteren van zelfvoorziening op het gebied van de voedselproductie voor ontvangende landen, hetgeen de regionale voedselzekerheid en toegang tot voedsel voor de armste delen van de maatschappij zal verbeteren;

41. merkt op dat sommige groeiende economieën het plan zouden kunnen hebben om grote delen grond in armere delen van Afrika en Azië te pachten om daar gewassen te verbouwen en deze terug naar hun markten te verschepen om zodoende hun eigen voedselzekerheid te verbeteren; is van mening dat de Europese Unie samen met de FAO dit fenomeen serieus moet beschouwen als een ernstige dreiging voor de voedselzekerheid en voor een effectief landbouwbeleid in ontvangende landen;

Landbouw in ontwikkelingslanden

42. benadrukt dat het huidige voedselprobleem een vergroting van de voedselproductie noodzakelijk maakt om gelijke tred te kunnen houden met de toenemende vraag, in combinatie met een verbetering van de kwaliteit, verlaging van de kosten en meer duurzaamheid; acht daartoe een volledige herziening van het overheidsbeleid noodzakelijk, teneinde de productiemethoden, het beheer van de voorraden en de regulering van de wereldmarkten te verbeteren;

43. onderstreept de noodzaak van meer middellange- en langetermijnacties voor het ontwikkelen van de landbouw- en voedselproductie in ontwikkelingslanden, vooral in Afrika, rekening houdende met de aanbevelingen van de adviesraad van de Verenigde Naties (IAASTD); is van mening dat de ontwikkeling van de landbouw het startpunt voor een brede economische ontwikkeling in een land kan vormen;

44. is van mening dat de bestedingen uit het Europees Ontwikkelingsfonds meer moeten gaan naar landbouwprojecten, met name naar kleine landbouwbedrijven en naar de verdere verwerking ter plaatse van de producten, aangezien de overgrote meerderheid van de armen in de wereld in plattelandsgebieden leeft die sterk afhankelijk zijn van de landbouw; is bovendien van mening dat geprobeerd moet worden om voor de landbouwhandel regels vast te stellen die in alle landen voedselzekerheid garanderen; meent tevens dat de ontwikkelingslanden handelsvoordelen moeten krijgen die de nationale productie versterken; verzoekt de Commissie om deze overwegingen in aanmerking te nemen tijdens de WTO-onderhandelingen en de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) met ontwikkelingslanden;

45. ziet het als een ernstig obstakel voor verhoging van de landbouwproductie in ontwikkelingslanden dat kleine boeren geen leningen kunnen sluiten of microkredieten kunnen opnemen om in verbeterd zaaigoed, meststoffen en irrigatiemachines te investeren; benadrukt dat in de meeste gevallen geen leninggaranties beschikbaar zijn; verzoekt de Europese Investeringsbank om te bezien hoe voor programma’s voor lokale voedselproducenten in ontwikkelingslanden leninggaranties kunnen worden gegeven, zodat boeren een krediet of microkrediet kunnen opnemen;

46. verklaart opnieuw overtuigd te zijn van de noodzaak van regionaal geïntegreerde landbouwmarkten; verzoekt de Commissie regionale samenwerking en integratie te ondersteunen; herinnert de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) aan het succes van landbouwintegratie in Europa en de stabiliteit die dit meer dan vijftig jaar lang heeft opgeleverd; spoort derhalve de regionale economische gemeenschappen van de ACS-landen aan om hun acties op het gebied van landbouw te versterken en roept de ontwikkelingslanden op om de onderlinge handelsbarrières te verlagen;

47. benadrukt verder het feit dat de landbouw moet worden omgevormd van een systeem van zelfvoorziening tot een rurale economie die werkgelegenheid genereert; is verder van mening dat om robuuste agrarische sectoren te ontwikkelen de nadruk moet worden gelegd op maatregelen om jonge landbouwers in ontwikkelingslanden te steunen; is van mening dat de Europese Unie de samenwerking moet opvoeren en de modernisering van voedselketens in ontwikkelingslanden moet steunen teneinde deze effectiever te maken; is verder van mening dat de Europese Unie initiatieven als het gemeenschappelijk zadenprogramma van de Afrikaanse Unie en haar nationale en regionale partners moet steunen;

48. is van mening dat het onontbeerlijk is dat de ontwikkelingslanden, in het kader van een eigen efficiënt ontwikkelingsbeleid, een nationale of ook gemeenschappelijke regionale strategie voor de landbouwontwikkeling verkrijgen, waarin duidelijke maatregelen zijn opgenomen voor de ondersteuning van de producenten en de producten; is van mening dat in een dergelijk kader de ontwikkelingssteun van de EU geen gefragmenteerd karakter zal hebben maar deel zal uitmaken van de genoemde medegefinancierde, nationale of gemeenschappelijke regionale strategie voor landbouwontwikkeling;

49. eist de instelling van een permanent fonds voor voedselzekerheid waaruit de armsten in de wereld worden ondersteund, op te nemen onder rubriek 4 van de algemene begroting van de Europese Unie, als aanvulling op andere ontwikkelingsmaatregelen die door de Europese Unie worden gefinancierd;

50. verwelkomt mondiale initiatieven zoals de VN-task force op hoog niveau voor de wereldwijde crisis in de voedselprijzen, en is van mening dat de Europese Unie en de task force hun inspanningen moeten coördineren; benadrukt het belang van de door de leden van de FAO aangenomen vrijwillige richtlijnen inzake een mensenrecht op voedsel; stelt bovendien voor om de beschikbaarheid van voedsel te garanderen door het creëren van een mondiaal programma voor verplichte voedselopslag en een beter basisopslagsysteem voor essentiële productiemiddelen (eiwitten, meststoffen, zaaigoed, pesticiden), dat bij voorkeur moet zijn gefundeerd op private partijen, waaronder landbouwcoöperaties;

51. is indachtig de EU-verbintenissen jegens de ontwikkelingslanden en onze huidige en toekomstige verplichtingen binnen de WTO; verzoekt de EU steun te verlenen voor het verwezenlijken van de doelstellingen zoals de Afrikaanse regeringen die in de Verklaring van Maputo van 2002 hebben verwoord; roept de lidstaten op de verbintenissen na te komen die ze met betrekking tot de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zijn aangegaan, in het bijzonder de doelstelling om 0,7% van het bruto nationaal product aan ontwikkelingshulp te geven; is echter van mening dat de kwaliteit van de ontwikkelingshulp belangrijker is dan de hoogte van de bedragen die hieraan worden besteed;

52. betreurt dat het percentage van de ontwikkelingshulp dat naar landbouw en plattelandsontwikkeling gaat, is verminderd, welk percentage in 1980 17% bedroeg en in 2006 slechts 3%; verzoekt de Commissie met klem erop toe te zien dat de financiële steun van de EU gaat naar projecten voor het bevorderen van groei die wordt aangedreven door de landbouwsector en alles in het werk te stellen zodat de regeringen 10% van de nationale begroting aan de landbouwsector spenderen, zoals ze hebben toegezegd (bijvoorbeeld door gerichte doelstellingen vast te stellen voor hun nationaal landbouwbeleid);

53. bevestigt andermaal dat voor landen die tot de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) behoren, de landbouw meer dan overige sectoren in staat is groei te genereren voor de arme plattelandsbevolking, waardoor de landbouw een tastbare bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de eerste millenniumdoelstelling voor ontwikkeling van het uitroeien van extreme armoede en honger, en benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om direct te handelen en grotere investeringen in landbouw en plattelandsontwikkeling te bevorderen;

54. benadrukt dat agrarische ontwikkeling primair uit moet gaan van het recht op voedsel en het recht om voedsel te produceren, waardoor alle mensen het recht hebben op veilig, voedzaam en cultureel passend voedsel, geproduceerd op een ecologisch verantwoorde en duurzame manier in een landbouweconomische structuur die is gebaseerd op zelfvoorziening;

55. roept de Europese Unie op het recht van voedselsoevereiniteit voor ontwikkelingslanden te erkennen en dit recht met doelgerichte maatregelen te ondersteunen waarbij het vooral zaak is de aanwezige structuren en bronnen zoals zaaigoed, mest en productiemiddelen te gebruiken en uit te breiden en om regionale integratie te bevorderen;

56. roept de Europese Unie op landbouw weer centraal te stellen in haar ontwikkelingsagenda, waarbij extra prioriteit wordt gegeven aan programma’s voor agrarische ontwikkeling, met inbegrip van duidelijke streefcijfers voor armoedebestrijding en haalbare doelstellingen, in het bijzonder maatregelen die de kleinschalige landbouw bevorderen en de productie ondersteunen van voedingsmiddelen voor de lokale markten door benutting van de biodiversiteit, met speciale aandacht voor capaciteitsuitbreiding voor kleinschalige landbouwers en voor vrouwen;

57. roept de Europese Unie op om de krachten te bundelen met de lidstaten, de regeringen van de ACS-staten, internationale organisaties, regionale ontwikkelingsbanken, particuliere stichtingen, niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke autoriteiten, om nieuwe projecten en interventieprogramma’s voor de gestegen voedselprijzen beter in de regionale programma’s op te nemen;

58. vraagt om maatregelen ter verbetering van opleidingen, zodat jonge mensen hoger landbouwonderwijs kunnen volgen en onderricht krijgen in het naleven van de Europese normen op sanitair en fytosanitair gebied, alsmede voor het creëren van arbeidsmogelijkheden voor mensen die zijn afgestudeerd in de landbouw, met als doel armoede te bestrijden en de migratie van het platteland naar stedelijke regio’s en zeker van ontwikkelingslanden naar ontwikkelde landen in te perken om een braindrain te voorkomen;

59. verwijst naar de 'Code of Good Conduct in Food Crisis Prevention and Management' uit 2008 van het Food Crisis Prevention Network (FCPN) en roept op tot uitvoering en naleving van deze gedragscodes binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid; roept daarnaast op tot inspanningen om het maatschappelijk middenveld hierin te betrekken, inspanningen die specifiek zouden moeten leiden tot de ondersteuning van vrouwen, organisaties voor kleinschalige landbouw en producentenorganisaties om voedselzekerheid en zelfvoorziening te garanderen;

60. is zeer bezorgd over het feit dat in veel gevallen de defensiebegroting groter is dan de begroting voor landbouw en voedselproductie;

61. is van mening dat kleine boeren de hoeksteen van de ontwikkeling van de landbouwsector vormen; wijst met nadruk op de ernstige problemen waar kleine boeren in ontwikkelingslanden mee te maken hebben, zoals moeilijk toegankelijke markten, land en opleiding, en gebrek aan financiering, productiemiddelen en technologie; bevestigt opnieuw het belang van het ontwikkelen van plattelandsinfrastructuur en van investeringen in kleine landbouwbedrijven en traditionele aan de locatie aangepaste extensieve productiemethoden;

62. wijst erop dat één van de opvallende kenmerken van de mondiale voedselproductie de geringe handel in levensmiddelen is; merkt op dat volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties de mondiale rijstproductie in 2007 is toegenomen, terwijl de handel in rijst datzelfde jaar afnam;

63. is van mening dat een verdere, niet gereguleerde liberalisering van de handel in landbouwproducten tot meer prijsstijgingen voor levensmiddelen en zelfs een grotere prijsvolatiliteit zal leiden; benadrukt dat de meest kwetsbare, voedselimporterende ontwikkelingslanden hier het hardst door zullen worden getroffen; benadrukt voorts dat de wereldhandelsvoorschriften het recht van landen en regio´s om hun landbouw te ondersteunen om de voedselveiligheid van hun bevolking te waarborgen nimmer mogen ondermijnen;

64. is van mening dat het beleid voor openstelling van de markt voor landbouwproducten in het kader van de WTO en bilaterale vrijhandelsovereenkomsten aanzienlijk hebben bijgedragen tot het verlies van voedselveiligheid in veel ontwikkelingslanden, tevens in samenhang met de huidige mondiale crisis in de voedselbevoorrading; roept de Commissie op haar vrijemarktbenadering van het landbouwbeleid dienovereenkomstig te herzien;

65. roept de grote voedselexporterende landen (Brazilië, Argentinië, Thailand, enz.) op zich op te stellen als betrouwbare leveranciers van basisproducten en exportbeperkingen te vermijden, die in het bijzonder voor arme voedselimporterende ontwikkelingslanden desastreuze gevolgen kunnen hebben;

66. is verontrust over de huidige mondiale financiële crisis die ertoe zou kunnen leiden dat er minder overheidssteun beschikbaar is voor ontwikkeling; verzoekt de Commissie de gevolgen van de financiële crisis voor de ontwikkelingssector te onderzoeken en om voorstellen te blijven bestuderen teneinde de landbouw in de armste landen te ondersteunen;

67. merkt op dat de wereldwijde voedselcrisis tot de grote bedreigingen voor vrede en veiligheid in de wereld behoort; is in verband daarmee ingenomen met de recente inspanningen van de Commissie om te onderzoeken op welke wijze de kwestie van de wereldwijde voedselzekerheid dient te worden aangepakt; verzoekt de lidstaten initiatieven op dit gebied op nationaal en lokaal niveau te steunen;

Onderzoek en ontwikkeling

68. bevestigt opnieuw zijn betrokkenheid bij het investeren in technologie en innovatie in de landbouwproductie en boerenbedrijven;

69. benadrukt het belang van met overheidsgeld gefinancierd onderzoek dat dient ter bevordering van de voedselzekerheid in plaats van zich eenzijdig op het bedrijfsleven te concentreren; pleit voor investeringen niet alleen in onderzoek naar individuele nieuwe technologieën, maar ook naar totale systemen voor de landbouw die de voedselzekerheid op de lange termijn bevorderen; benadrukt in dat verband de voortrekkersrol die bijvoorbeeld een Europees technologisch platform voor onderzoek op het gebied van de ecologische landbouw op dit vlak zou kunnen spelen;

70. benadrukt zowel het belang van onderzoek als van de overdracht van verworven kennis aan afzonderlijke boerenbedrijven via een effectieve landbouwvoorlichtingsdienst, vooral in ontwikkelingslanden; roept op tot versterking van landbouwonderzoek en het creëren van kennis;

71. is bezorgd dat de nadruk die in de Europese Unie wordt gelegd op "cross-compliance" nadelig uitwerkt op onderzoek en advies inzake de productie op boerenbedrijven; benadrukt dat beide noodzakelijk zijn;

72. verzoekt om een spoedprogramma voor onderzoek en ontwikkeling op het terrein van de duurzame, aan de locatie aangepaste en energie-efficiënte landbouw; moedigt de lidstaten aan onderzoek te ondersteunen dat is gericht op productiviteitsvergroting door toepassing van biotechnologie in de landbouw; is indachtig de zorgen van EU-consumenten;

Duurzame landbouw in de wereld

73. is verontrust over de veranderingen in de weerpatronen die door de klimaatverandering teweeg worden gebracht, waardoor volgens de voorspellingen droogte en overstromingen vaker zullen voorkomen, met als gevolg dat landbouwopbrengsten lager worden en de mondiale landbouwproductie minder voorspelbaar;

74. is bezorgd dat de uitvoering van voorstellen voor het verder verminderen van broeikasgassen in de Europese Unie een nadelig effect op de EU-voedselproductie zal hebben, met name de veeteelt;

75. erkent dat de energie-efficiëntie in de landbouwsector, die voor een aanzienlijk deel van de totale CO2-emissies verantwoordelijk is, verbeterd moet worden;

76. is van mening dat een verhoogde productie van biobrandstoffen en bio-energie een positief effect kan hebben op de landbouw- en voedingsmiddelensector, die nu lijdt onder de hogere grondstofprijzen, zoals meststoffen, pesticiden en diesel, maar ook onder de vervoers- en verwerkingskosten;

77. erkent dat in veel ontwikkelingslanden landbouw de bron van levensonderhoud is voor de meerderheid van de bevolking, en dringt er daarom bij deze landen op aan om een mechanisme van stabiel en transparant landbouwbeleid te ontwikkelen dat garant staat voor planning op lange termijn en duurzame ontwikkeling;

78. vraagt de Commissie de veranderingen in bodemgebruik, prijs van en toegang tot voedselgrondstoffen als gevolg van de stijgende productie van bio-energie in de Europese Unie en in derde landen nauwlettend te volgen;

79. herhaalt dat prikkels voor duurzame teelt van energiegewassen de voedselproductie niet in gevaar mogen brengen;

80. verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek en ontwikkeling gericht op voorkoming van en aanpassing aan klimaatverandering te bevorderen, waaronder onderzoek naar toekomstige generaties biobrandstoffen, met name hoogrenderende energiegewassen, milieuvriendelijke meststoffen die zo effectief mogelijk zijn, nieuwe landbouwtechnologieën met minimale negatieve gevolgen voor grondgebruik, de ontwikkeling van nieuwe plantensoorten die bestand zijn tegen klimaatverandering en daarmee samenhangende plantenziektes en onderzoek naar het hergebruik van afvalstoffen in de landbouw;

81. is van mening dat er behoefte is aan verder landbouwonderzoek om de productiviteit van duurzame landbouw te verbeteren en roept de lidstaten op de mogelijkheden die hiervoor door het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling worden gecreëerd ten volle te benutten en maatregelen te treffen die de landbouwproductie op een duurzame en energiezuinige wijze zullen doen toenemen.

82. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 263E van 16.10.2008, blz. 621.

(2)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0229.

(3)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0577.

(4)

Onderzoek van Agri Aware TNS/Mrbi, uitgevoerd in Ierland, augustus 2008, 'Hats off to the CAP'.


TOELICHTING

Voedselzekerheid – toegang tot voldoende, veilige en voedzame voeding – is tegenwoordig een hoofdprioriteit in de politiek, zowel op EU- als wereldniveau.

Nog voordat de huidige problemen door de crisis in de voedselprijzen ontstonden, leden wereldwijd al meer dan 860 miljoen mensen aan chronische honger en ondervoeding. De ongekende en onvoorziene stijging van de prijzen van voedselgrondstoffen in de wereld die in 2006 plaatshad, heeft deze situatie nog verslechterd en ertoe geleid dat nog eens honderd miljoen mensen in een situatie van chronische honger en armoede zijn vervallen.

Deze prijsstijging komt nadat de voedselprijzen in reële termen decennialang zijn gedaald. Hoewel de mondiale grondstofprijzen recentelijk wat zijn gedaald, verwachten deskundigen dat de voedselprijzen op een hoger niveau dan vroeger zullen blijven en dat op korte, middellange en lange termijn maatregelen nodig zijn om de mondiale voedselproductie veilig te stellen en de meest kwetsbare mensen te helpen om in hun basisvoedselbehoefte te voorzien.

Tussen september 2006 en februari 2008 zijn de mondiale prijzen voor landbouwgrondstoffen met zeventig procent gestegen.

Verder zijn de wereldvoedselvoorraden op een gevaarlijk laag niveau: terwijl de voorraden in de periode na de Tweede Wereldoorlog voldoende groot waren om een jaar lang in de voedselbehoefte te kunnen voorzien, was er in 2003 nog maar voedsel voor 133 dagen en in 2008 voor 40 dagen;

Terwijl deskundigen voorspellen dat de tendens van dalende wereldmarktprijzen voor landbouwproducten– de zogenoemde ‘landbouwtredmolen’ – is gestopt, zullen de fluctuaties in deze prijzen waarschijnlijk groter worden. Deze prijsfluctuaties zullen dramatische schommelingen in voedselprijzen en landbouwinkomens tot gevolg hebben, wat het moeilijker zal maken om te zorgen voor een stabiel aanbod van redelijk geprijsd voedsel.

Een cruciale uitdaging voor beleidsmakers is het ontwikkelen van een landbouw- en voedselbeleid om te voorzien in de behoeften van een groeiende wereldbevolking: verwacht wordt dat de wereldbevolking tegen 2050 met veertig procent zal zijn gegroeid en dat de mondiale vraag naar voedsel tegen die tijd zal zijn verdubbeld.

Op de kortere termijn moet de aandacht worden toegespitst op het verzachten van de ergste gevolgen van de stijgende voedselprijzen voor de armsten in de wereld. Het fonds van één miljard euro dat door de Europese Commissie wordt voorgesteld om arme ontwikkelingslanden te helpen met het kopen van zaaigoed en meststoffen, maakt onderdeel uit van die kortetermijnreactie. Voor het realiseren van voedselzekerheid zijn echter meer middellange- en langetermijninspanningen nodig, zeker in ontwikkelingslanden. Het is nodig dat opnieuw de aandacht wordt gericht op landbouwontwikkeling, landbouwonderzoek en landbouwvoorlichting in die landen, waarbij gekeken moet worden naar manieren om de landbouwproductie te stimuleren in regio’s met productiepotentieel.

Het is ook uit politiek oogpunt noodzakelijk om op te treden, aangezien de stijging van de voedselprijzen in veel ontwikkelingslanden heeft geleid tot voedselrellen en politieke onlusten

De VN heeft voorspeld dat de doelstelling om het aantal hongerige en ondervoede mensen vóór 2015 te halveren, door de evolutie in de voedselprijzen pas jaren later gerealiseerd zal worden.

Daarnaast bestaat het gevaar dat de ontwikkelde landen door de mondiale financiële en bankcrisis terugkomen op hun hulptoezeggingen aan de ontwikkelingslanden, wat de rapporteur zeer zou betreuren.

De begrotingen voor voedselhulp komen door de hogere voedselprijzen in de problemen nu het aanleggen van voedselreserves voor noodsituaties stukken duurder is geworden.

Het effect van de hogere grondstofprijzen is nog verergerd doordat voedselexporterende landen uit overwegingen van interne voedselzekerheid de export van voedsel extra belasten of beperken.

Het is ook nuttig om te weten dat de binnenlandse productie van ontwikkelingslanden bij lange na niet voldoende is om hun snel groeiende bevolking voedselzekerheid te geven. Vandaar dat alleen in de toenemende behoefte van ontwikkelingslanden aan geïmporteerd voedsel kan worden voorzien wanneer de geïndustrialiseerde landen op hun beurt meer voedsel produceren en exporteren.

Dit vereist productiviteitsverbeteringen in de landbouw die moeilijk te realiseren zullen zijn, daar de landbouwproductiviteit sinds de ‘groene revolutie’ van de jaren zestig en zeventig een dalende lijn vertoont.

De mate van de voedselprijsstijging en het grote verschil tussen de vraag naar en het aanbod van voedsel dat daaraan ten grondslag ligt, was voor een belangrijk deel niet voorzien. Dit duidt op de noodzaak van mondiale informatiesystemen waarmee voortdurend de productie-, consumptie- en voorraadniveaus in de gaten kunnen worden gehouden en die van tevoren waarschuwen voor dramatische veranderingen in de hoogte van de voedselvoorraden.

De EU is met zestig procent van de totale ontwikkelingshulp de grootste donor in de wereld. Ze bevindt zich in een unieke positie om invloed uit te oefenen op het verloop van de huidige crisis. Daarvoor moet wel de samenhang tussen het handels-, landbouw- en ontwikkelingsbeleid worden vergroot en dient ze op mondiaal niveau een leiderschapsrol te vervullen bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de crisis. In de jaren tachtig ging ongeveer zeventien procent van de ontwikkelingshulp naar de landbouw, in 2006 was dit gedaald tot amper drie procent.

Het EU-beleid inzake voedselzekerheid komt aan de orde in artikel 33, lid 39, van het Verdrag van Rome, waarin de interne doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zijn vastgelegd:

●  de productiviteit van de landbouw doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren;

●  de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard verzekeren;

●  de markten stabiliseren;

●  de voedselvoorziening veiligstellen;

●  aan de consumenten redelijke prijzen verzekeren.

De rapporteur gaat in op de rol van het landbouwbeleid bij het realiseren van voedselzekerheid voor burgers, meer in het bijzonder de wijze waarop via het GLB in de behoeften op dit terrein wordt voorzien en welk effect dit heeft op het voedselzekerheidsbeleid voor de rest van de wereld.

In het verslag wordt gekeken naar de wijze waarop opeenvolgende hervormingen van het GLB het zwaartepunt van het Europese landbouwbeleid hebben verlegd van kwantiteit naar kwaliteit en hoe deze verschuiving is gerelateerd aan de nieuwe wereldwijde zorgen over voedselzekerheid.

In de 'gezondheidscontrole' van het GLB wordt deze nieuwe situatie expliciet erkend door het afschaffen van braaklegging, waardoor grond weer in productie wordt genomen. Maar de inspanningen voor het verminderen van de productiebeperkingen voor melk in de aanloop naar de afschaffing van de quotaregeling, zijn minder ambitieus. De nieuwe realiteit met betrekking tot voedselzekerheid komt in de 'gezondheidscontrole' onvoldoende aan de orde. Toch moet deze nieuwe politieke realiteit scherp in de gaten worden gehouden wanneer na 2013 eventueel nieuwe veranderingen aan het GLB worden doorgevoerd. De nadruk moet liggen op het veiligstellen van de productiebasis voor voedsel in de EU en het voorzien in de groeiende vraag naar voedsel in de wereld.

De uitdaging van de klimaatverandering wordt onder meer aangegaan door van de landbouwsector te eisen dat hij zijn bijdrage levert aan mitigatiemaatregelen. Ironisch genoeg is ontbossing het gevolg van initiatieven voor vergroting van de hoeveelheid landbouwgrond op aarde, hetgeen het probleem van de klimaatverandering nog verergert. Daarnaast zal de wereldvoedselproductie op de lange termijn negatief worden beïnvloed door de gevolgen van de klimaatverandering.

Het verslag verkent ook de conflicten rond grondgebruik en de kwestie van tegenstrijdige beleidsdoelstellingen. Kan de wereld voldoen aan de behoefte aan alternatieve hernieuwbare energiebronnen zonder dat dit gevolgen heeft voor de wereldvoedselprijzen? Kan een goed evenwicht worden gevonden tussen de productie van voedsel, diervoeder en brandstof? De hoofdoorzaak voor de toegenomen vraag in de EU naar graan en oliezaad, is de groeiende vraag naar bio-energie.

De milieuwetgeving van de EU, zowel de vigerende als de geplande, heeft gevolgen voor de landbouwproductie. Vandaar dat de rapporteur vraagt om alle nieuwe wetgevingsvoorstellen op aspecten van voedselzekerheid te beoordelen.

Voor het oplossen van de problemen rond voedselzekerheid moet de aandacht opnieuw worden gericht op onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector. Het onderzoek moet zich vooral richten op het complexe vraagstuk van de schaarse natuurlijke hulpbronnen –waaronder land en water – de milieudruk, de klimaatverandering en de uitputting van fossiele brandstoffen, waar de landbouw zwaar van afhankelijk is.

In het verslag wordt bovenal de aandacht gevestigd op het feit dat de landbouw in opeenvolgende begrotingsprogramma’s voor ontwikkelingshulp voortdurend is veronachtzaamd en wordt ertoe opgeroepen de aandacht opnieuw te richten op landbouwbeleid en -programma’s die aansluiten bij de behoeften van ontwikkelingslanden.

Maar ook binnen de EU moet meer in landbouwonderzoek en -ontwikkeling worden geïnvesteerd, zodat de sector het hoofd kan bieden aan nieuwe uitdagingen en de productiviteit kan worden verbeterd.

Hoofdprioriteit voor beleidsmakers moet het ontwikkelen van beleid zijn dat landbouwers – zowel in ontwikkelings- als ontwikkelde landen – in staat stelt om met de productie van voedsel een fatsoenlijk inkomen te verdienen. Dit is cruciaal voor het veiligstellen van de voedselvoorziening. Wanneer de markt voedselproducenten geen fatsoenlijk inkomen kan verschaffen, zal de politiek dat moeten doen.

Ofschoon hogere grondstofprijzen de productie stimuleren, is dit effect de laatste tijd voor een belangrijk deel teniet gedaan door een aanzienlijke stijging van de prijzen voor landbouwproductiemiddelen.

Wat de toekomst betreft, zal de hervorming van het GLB na 2013 worden voortgezet. De ontwikkeling in de richting van volledig losgekoppelde inkomenssteun zal doorgaan. Verder zal in de begrotingsherziening van 2009 worden gekeken naar alle uitgaven en ontvangsten van de EU, waarbij ongetwijfeld ook de GLB-begroting nauwkeurig zal worden onderzocht. In die analyse moet ook het vraagstuk van de voedselzekerheid worden meegenomen en rekening worden gehouden met de noodzaak van beleid voor het vergroten van de voedselzekerheid.

De mislukte WTO-besprekingen zullen op enig moment weer worden hervat. Wanneer dat gebeurt, moet het vraagstuk van de voedselzekerheid naar behoren aan de orde komen, aangezien de besprekingen zijn mislukt omdat India en China zich zorgen maakten over de gevolgen van de verwachte golf van importproducten voor hun plattelandsbevolking.

Een WTO-overeenkomst die zorgt voor eerlijke handelsregels en tegelijkertijd oog heeft voor de zorgen van de afzonderlijke landen over de nationale voedselzekerheid, is eveneens noodzakelijk.

Door in toekomstige WTO-overeenkomsten het accent te leggen op voedselzekerheid, worden landen mogelijk gemotiveerd om tot een akkoord te komen

De hoge voedselprijzen hebben over het algemeen bijzonder ernstige gevolgen gehad voor de bijna één miljard arme, hongerige en ondervoede mensen in de wereld. Maar die gevolgen hebben mogelijk ook voor de noodzakelijke stimulans gezorgd om actie te ondernemen om het probleem te verzachten, te beginnen door de inspanningen veel duidelijker te concentreren op het vergroten van de landbouwproductie en het verbeteren van de productiviteit in de landbouw.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (*) (6.11.2008)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de wereldwijde voedselzekerheid

(2008/2153(INI))

Rapporteur voor advies (*): Manolis Mavrommatis

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat naar huidige schattingen van organisaties die zich inzetten voor de strijd tegen de honger in de wereld, op dit moment een op de vijf mensen in ontwikkelingslanden ondervoed is en chronisch hongerlijdt, en dat er dagelijks wereldwijd meer dan 30 000 kinderen sterven aan honger en armoede,

B.  overwegende dat de landbouw in ontwikkelingslanden meer dan 70% en in veel Afrikaanse landen meer dan 80% van de werkende bevolking voorziet van werk en levensonderhoud en dat bijgevolg het beleid inzake plattelandsontwikkeling van cruciaal belang is om de problemen van armoede en honger effectief op te lossen,

C.  overwegende dat vrouwen in ontwikkelingslanden tussen de 60 en 80% van de voedingsmiddelen produceren en daarmee verantwoordelijk zijn voor de helft van de wereldwijde voedselproductie en met inachtneming van de extreem belangrijke rol van vrouwen bij de gezinsverzorging benevens het feit dat vrouwen beduidend moeilijker toegang hebben tot landbouw- en productiemiddelen dan mannen en daarom consequent moeten worden ondersteund en gestimuleerd,

1.  bevestigt andermaal dat voor landen die tot de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) behoren, de landbouw meer dan overige sectoren in staat is groei te genereren voor de arme plattelandsbevolking, waardoor de landbouw een tastbare bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de eerste millenniumdoelstelling voor ontwikkeling van het uitroeien van extreme armoede en honger, en benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om direct te handelen en grotere investeringen in landbouw en plattelandsontwikkeling te bevorderen;

2.  benadrukt dat agrarische ontwikkeling primair uit moet gaan van het recht op voedsel en het recht om voedsel te produceren, waardoor alle mensen het recht hebben op veilig, voedzaam en cultureel passend voedsel, geproduceerd op een ecologisch verantwoorde en duurzame manier in een landbouweconomische structuur die is gebaseerd op zelfvoorziening;

3.  roept de Europese Unie op het recht van voedselsoevereiniteit voor ontwikkelingslanden te erkennen en dit recht met doelgerichte maatregelen te ondersteunen waarbij het vooral zaak is de aanwezige structuren en bronnen zoals zaaigoed, mest en productiemiddelen te gebruiken en uit te breiden en om regionale integratie te bevorderen;

4.  roept de Europese Unie op landbouw weer centraal te stellen in haar ontwikkelingsagenda, waarbij extra prioriteit wordt gegeven aan programma’s voor agrarische ontwikkeling, met inbegrip van duidelijke streefcijfers voor armoedebestrijding en haalbare doelstellingen, in het bijzonder maatregelen die de kleinschalige landbouw bevorderen en de productie ondersteunen van voedingsmiddelen voor de lokale markten door benutting van de biodiversiteit; met speciale aandacht voor capaciteitsuitbreiding voor kleinschalige landbouwers en voor vrouwen;

5.  roept de regeringen van de ACS-staten op om de landbouwsector op te nemen in hun politieke prioriteiten, teneinde de toezegging na te komen die is gedaan in de Verklaring van Maputo van 2003, om ten minste 10% van de overheidsuitgaven te reserveren voor de landbouw; vraagt de Commissie om deze regeringen hierin aan te moedigen, in het bijzonder ter gelegenheid van de tussentijdse evaluatie van het 10de EOF;

6.  vraagt in het bijzonder om directe aanvullende financiering op de korte termijn voor voedselhulp en humanitaire hulp aan de ontwikkelingslanden met de laagste inkomens en de grootste behoeften en is daarom ingenomen met het initiatief om 1 miljard euro beschikbaar te stellen in een snelle respons op de sterk stijgende voedselprijzen in ontwikkelingslanden, dringt er echter op aan dat deze faciliteit en de voedselhulp op korte termijn deel worden van een breder beleid voor de lange termijn op het gebied van investeringen in landbouw;

7.  roept de Europese Unie op om de krachten te bundelen met de lidstaten, de regeringen van de ACS-staten, internationale organisaties, regionale ontwikkelingsbanken, particuliere stichtingen, niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke autoriteiten, om nieuwe projecten en interventieprogramma’s voor de gestegen voedselprijzen beter in de regionale programma’s op te nemen;

8.  moedigt de ACS-landen aan om te werken aan een betere coördinatie en een grotere betrokkenheid van regeringen, plaatselijke autoriteiten en zowel nationale als regionale parlementen bij de besluitvormingsprocessen met betrekking tot landbouwbeleid en voedselveiligheid, en om bovendien een sterkere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en landbouworganisaties te bevorderen;

9.  vraagt om maatregelen ter verbetering van opleidingen, zodat jonge mensen hoger landbouwonderwijs kunnen volgen en onderricht krijgen in het naleven van de Europese normen op sanitair en fytosanitair gebied, alsmede voor het creëren van arbeidsmogelijkheden voor mensen die zijn afgestudeerd in de landbouw, met als doel armoede te bestrijden en de migratie van het platteland naar stedelijke regio’s en zeker van ontwikkelingslanden naar ontwikkelde landen in te perken om een braindrain te voorkomen;

10.  vraagt aan de Raad en de Commissie om in nauw gemeenschappelijk overleg met de ACS-landen prioriteit te geven aan de kwestie van de EU-steun aan de landbouwexport en de invloed die deze steun heeft op de ACS-landen en zich in te zetten om te komen tot een concrete en duurzame oplossing om dumping van landbouwproducten te voorkomen in het licht van de verplichtingen die op dit gebied zijn aangegaan;

11.  verwijst naar de 'Code of Good Conduct in Food Crisis Prevention and Management' uit 2008 van het Food Crisis Prevention Network (FCPN) en roept op tot implementering en naleving van deze gedragscodes binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid, roept hiernaast op tot inspanningen om het maatschappelijk middenveld hierin te betrekken, inspanningen die specifiek zouden moeten leiden tot de ondersteuning van vrouwen, organisaties voor kleinschalige landbouw en producentenorganisaties om voedselzekerheid en zelfvoorziening te garanderen;

12.  herinnert de Raad en de Commissie eraan dat biobrandstoffen maar deels en tijdelijk een antwoord zijn op de gevolgen van de uitputting van oliebronnen en de invloed van de transportsector op de opwarming van de aarde en vraagt de Raad en de Commissie daarom te waken dat bij de productie van biobrandstoffen in Europa strikte criteria gerespecteerd worden voor duurzaamheid en dat deze productie niet concurreert met de productie van voedingsmiddelen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.11.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Josep Borrell Fontelles, Danutė Budreikaitė, Marie-Arlette Carlotti, Corina Creţu, Nirj Deva, Alexandra Dobolyi, Beniamino Donnici, Fernando Fernández Martín, Juan Fraile Cantón, Alain Hutchinson, Romana Jordan Cizelj, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Gay Mitchell, Toomas Savi, Pierre Schapira, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Johan Van Hecke, Anna Záborská, Jan Zahradil, Mauro Zani

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Csaba Őry, Renate Weber, Gabriele Zimmer


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (2.12.2008)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de mondiale voedselzekerheid

(2008/2153(INI))

Rapporteur: Bastiaan Belder

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   beschouwt voedselzekerheid als een belangrijke mondiale prioriteit; is van mening dat de landbouwproductie de basis van voedselzekerheid is;

2.   is van oordeel dat het GLB een belangrijk onderdeel van het beleid inzake de mondiale voedselzekerheid is;

3.   is van oordeel dat het GLB een belangrijke rol dient toe te komen in het buitenlands- en ontwikkelingsbeleid van de EU, in het bijzonder het beleid inzake de externe voedselzekerheid; is van oordeel dat het GLB niet alleen kan bijdragen aan het waarborgen van de voedselproductie in de EU, maar ook kan helpen bij het tegemoetkomen aan de in de hele wereld stijgende vraag naar voedsel;

4.   merkt op dat gewapende conflicten zeer negatieve gevolgen hebben voor de productie van en toegang tot voedsel; uit haar bezorgdheid over de ernstige gevolgen die het gevaar van conflicten kan hebben voor de voedselzekerheid, bijvoorbeeld door massale migratie, het stagneren van de landbouwproductie en schadelijke gevolgen voor de essentiële infrastructuur;

5.   vindt dat het van essentieel belang is dat ontwrichtende gevechten om schaarse voedselbronnen worden voorkomen; roept daarom op tot effectievere EU-coördinatie op technisch niveau met niet-gouvernementele organisaties, de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) en andere internationale agentschappen en op politiek niveau met de VN om de eerlijke toegang tot mondiale voedselbronnen te bevorderen en om de voedselproductie in belangrijke ontwikkelingslanden te vergroten, met het stelselmatig in acht nemen van de criteria inzake biodiversiteit en duurzame ontwikkeling;

6.   doet een dringend beroep op de EU om landen met een dreigend conflict te helpen om een sterk eigen landbouwbeleid te ontwikkelen op basis van eenvoudige toegang tot grondstoffen, kwalitatief goed onderwijs en toereikende financiering, en op basis van een betrouwbare infrastructuur; is van mening dat EU-steun gericht moet zijn op het verbeteren van zelfvoorziening op het gebied van de voedselproductie voor ontvangende landen, hetgeen de regionale voedselzekerheid en toegang tot voedsel voor de armste delen van de maatschappij zal verbeteren;

7.   merkt op dat sommige groeiende economieën zouden kunnen beogen grote delen grond in armere delen van Afrika en Azië te pachten om daar gewassen te verbouwen en deze terug naar hun markten te verschepen om zodoende hun eigen voedselzekerheid te verbeteren; is van mening dat de EU samen met de FAO dit fenomeen serieus moet nemen als een ernstige bedreiging van de voedselzekerheid en voor een effectief landbouwbeleid in ontvangende landen;

8.   is van oordeel dat stijgende voedselprijzen en een versnelde ontwikkeling op het vlak van de biotechnologieën niet mogen resulteren in een minder milieuvriendelijk standpunt ten aanzien van het gebruik van genetisch gemodificeerd voedsel.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.12.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Christopher Beazley, Angelika Beer, Bastiaan Belder, Monika Beňová, André Brie, Marco Cappato, Véronique De Keyser, Giorgos Dimitrakopoulos, Richard Howitt, Anna Ibrisagic, Maria Eleni Koppa, Helmut Kuhne, Vytautas Landsbergis, Francisco José Millán Mon, Philippe Morillon, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Raimon Obiols i Germà, Vural Öger, Ria Oomen-Ruijten, Ioan Mircea Paşcu, Flaviu Călin Rus, István Szent-Iványi, Charles Tannock

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Tunne Kelam


ADVIES van de Commissie internationale handel (13.11.2008)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselveiligheid

(2008/2153(INI))

Rapporteur voor advies: Béla Glattfelder

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van oordeel dat de Europese en mondiale voedselveiligheid steeds meer wordt bedreigd door de grote volatiliteit van de voedselprijzen, die onlangs tot uitdrukking kwam in scherpe prijsstijgingen na 30 jaar van dalende prijzen in reële termen; onderstreept dat het de armste bevolkingsgroepen zijn, in de ontwikkelingslanden evenzeer als in de ontwikkelde landen, die het zwaarst worden getroffen;

2.  is van mening dat de recente plotselinge stijging van de prijzen hoofdzakelijk kan worden verklaard door de structureel toenemende mondiale vraag naar landbouwproducten, die wordt veroorzaakt door de bevolkingsgroei, wijzigingen in de eetgewoonten en de toegenomen productie van agrobrandstoffen, alsook door ongunstige ontwikkelingen zoals slechte oogsten en speculatie op de wereldmarkten, wat significante problemen veroorzaakt voor de armere bevolkingsgroepen in Europa en met name ook in arme landen over de gehele wereld; onderstreept derhalve dat deze crisis niet van kortstondige duur zal zijn en dat een wereldwijde reactie voor de lange termijn noodzakelijk is;

3.  benadrukt dat de inspanningen om te voorzien in de eerste levensbehoeften van mensen, voornamelijk voedsel en water, vaak een bron van conflicten zijn; wijst erop dat de stijging van de wereldbevolking, die voor 2050 wordt geschat op 3 miljard, deze spanningen overal ter wereld zal doen toenemen; verzoekt dientengevolge rekening te houden met deze geostrategische dimensie bij de ontwikkeling van het toekomstige landbouwbeleid;

4.  benadrukt dat het huidige voedselprobleem een vergroting van de voedselproductie noodzakelijk maakt om gelijke tred te kunnen houden met de toenemende vraag, in combinatie met een verbetering van de kwaliteit, verlaging van de kosten en meer duurzaamheid; acht daartoe een volledige heroverweging van het overheidsbeleid noodzakelijk, teneinde de productiemethoden, het beheer van de voorraden en de regulering van de wereldmarkten te verbeteren;

5.  overwegende dat één van de opvallende kenmerken van de mondiale voedselproductie de geringe handel in levensmiddelen is; merkt op dat volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties de mondiale rijstproductie in 2007 is toegenomen, terwijl de handel in rijst datzelfde jaar afnam;

6.  is van mening dat een verdere, niet gereguleerde liberalisering van de handel in landbouwproducten tot meer prijsstijgingen voor levensmiddelen en zelfs een grotere prijsvolatiliteit zal leiden; benadrukt dat de meest kwetsbare, voedselimporterende ontwikkelingslanden hier het hardst door zullen worden getroffen; benadrukt ten slotte dat de wereldhandelsvoorschriften nimmer in tegenspraak mogen zijn met het recht van landen en regio´s om hun landbouw te ondersteunen om de voedselveiligheid van hun bevolking te waarborgen;

7.  is van mening dat het beleid voor openstelling van de markt voor landbouwproducten in het kader van de WTO en bilaterale vrijhandelsovereenkomsten aanzienlijk hebben bijgedragen tot het verlies van voedselveiligheid in veel ontwikkelingslanden, tevens in samenhang met de huidige mondiale crisis in de voedselbevoorrading; roept de Commissie op haar vrijemarktbenadering van het landbouwbeleid dienovereenkomstig te heroverwegen;

8.  roept de grote voedselexporterende landen (Brazilië, Argentinië, Thailand, enz.) op zich op te stellen als betrouwbare leveranciers van stapelproducten en exportbeperkingen te vermijden, die desastreuze gevolgen kunnen hebben, in het bijzonder voor arme voedselimporterende ontwikkelingslanden;

9.  beklemtoont dat de EU bij moet dragen aan een voedselbalans overal ter wereld en dat alle vormen van landbouw nodig zijn om hierin te slagen; is eveneens van mening dat de EU haar voedselveiligheid zeker moet stellen door het in acht nemen van de fundamentele beginselen en doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB): redelijke prijzen, de bevoorradingen veilig stellen, de markten stabiliseren om te zorgen voor een redelijke levensstandaard en productiviteitstoename door technologische vooruitgang en gewasverbetering, en vangnetten creëren om te kunnen inspelen op crises als die van dit moment;

10. betreurt het dat de nieuwe maatregelen die de Commissie naar aanleiding van de 'health check' van het GLB heeft voorgesteld, onvoldoende rekening houden met de lessen die worden getrokken uit de huidige voedselcrisis;

11. vraagt de Commissie zich bij de productie van agrobrandstoffen te richten op die van de tweede generatie, teneinde een reductie van de voedselvoorziening te vermijden, en de productiedoelstellingen voor agrobrandstoffen te herzien en aan te passen op basis van duidelijk omlijnde economische, maatschappelijke en milieutechnische criteria.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.11.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Kader Arif, Daniel Caspary, Christofer Fjellner, Béla Glattfelder, Ignasi Guardans Cambó, Jacky Hénin, Caroline Lucas, Erika Mann, Helmuth Markov, David Martin, Vural Öger, Georgios Papastamkos, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Tokia Saïfi, Peter Šťastný, Gianluca Susta, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Iuliu Winkler, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Bastiaan Belder, Ole Christensen, Albert Deß, Eugenijus Maldeikis, Javier Moreno Sánchez, Zbigniew Zaleski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Sepp Kusstatscher, Michel Teychenné


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (3.12.2008)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de wereldwijde voedselzekerheid

(2008/2153(INI))

Rapporteur voor advies: Silvia-Adriana Ţicău

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat het belangrijk is een samenhangend onderzoek te verrichten naar de stijgende voedselprijzen, rekening houdend met stijgende energieprijzen voor eindverbruikers, extremere weersverschijnselen en de ten gevolge van de groeiende wereldbevolking toegenomen vraag naar energie, en verzoekt de Commissie nader onderzoek te doen naar het mogelijke verband tussen hoge voedselprijzen en stijgende energieprijzen, met name die van brandstof;

2.  merkt op dat de wereldwijde voedselcrisis tot de grote bedreigingen voor vrede en veiligheid in de wereld behoort; is in verband daarmee ingenomen met de recente inspanningen van de Commissie om te onderzoeken op welke wijze de kwestie van de wereldwijde voedselzekerheid dient te worden aangepakt; verzoekt de lidstaten initiatieven op dit gebied op nationaal en lokaal niveau te steunen;

3.  erkent dat in de landbouwsector, die voor een aanzienlijk deel van de totale CO2-emissies verantwoordelijk is, de energie-efficiëntie moet worden verbeterd;

4.  is van mening dat een verhoogde productie van biobrandstoffen en bio-energie een positief effect kan hebben op de landbouw- en voedingsmiddelensector, die nu lijdt onder de hogere grondstofprijzen, zoals meststoffen, pesticiden en diesel, maar ook onder de vervoers- en verwerkingskosten;

5.  erkent dat in veel ontwikkelingslanden landbouw de bron van levensonderhoud is voor de meerderheid van de bevolking, en dringt er daarom bij deze landen op aan om een mechanisme van stabiel en transparant landbouwbeleid te ontwikkelen dat garant staat voor planning op lange termijn en duurzame ontwikkeling;

6.  vraagt de Commissie de veranderingen in bodemgebruik, prijs van en toegang tot voedselgrondstoffen als gevolg van de stijgende productie van bio-energie in de EU en in derde landen nauwlettend te volgen;

7.  herhaalt dat prikkels voor duurzame aanbouw van energiegewassen de voedselproductie niet in gevaar mogen brengen;

8.  benadrukt dat er een evenwicht moet worden bereikt inzake duurzaamheidscriteria van biobrandstoffen, zodat enerzijds negatieve gevolgen van de stijgende productie van bio-energie voor de biodiversiteit, voedselprijzen en patronen voor grondgebruik worden vermeden en anderzijds de doelstellingen voor 2020 betreffende hernieuwbare energie niet worden ondermijnd;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek en ontwikkeling gericht op voorkoming van en aanpassing aan klimaatverandering te bevorderen, waaronder onderzoek naar toekomstige generaties biobrandstoffen, met name hoogrenderende energiegewassen, zo werkzaam mogelijke milieuvriendelijke meststoffen, nieuwe landbouwtechnologieën met minimale negatieve gevolgen voor grondgebruik, de ontwikkeling van nieuwe plantensoorten die bestand zijn tegen klimaatverandering en daarmee samenhangende plantenziektes en onderzoek naar het hergebruik van afvalstoffen in de landbouw;

10. is van mening dat er behoefte is aan verder landbouwonderzoek om de productiviteit van duurzame landbouw te verbeteren en roept de lidstaten op de mogelijkheden die hiervoor door het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling worden gecreëerd ten volle te benutten en maatregelen te treffen die de landbouwproductie op een duurzame en energiezuinige wijze zullen doen toenemen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.12.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Šarūnas Birutis, Jan Březina, Jerzy Buzek, Jorgo Chatzimarkakis, Giles Chichester, Dragoş Florin David, Den Dover, Nicole Fontaine, Adam Gierek, Norbert Glante, David Hammerstein, Erna Hennicot-Schoepges, Mary Honeyball, Ján Hudacký, Werner Langen, Anne Laperrouze, Pia Elda Locatelli, Eluned Morgan, Antonio Mussa, Angelika Niebler, Reino Paasilinna, Aldo Patriciello, Miloslav Ransdorf, Vladimír Remek, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Britta Thomsen, Patrizia Toia, Claude Turmes, Nikolaos Vakalis, Adina-Ioana Vălean

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Gabriele Albertini, Alexander Alvaro, Pierre Pribetich, John Purvis, Silvia-Adriana Ţicău, Vladimir Urutchev

BIJLAGE

D(2008)64227

                                                                             Neil Parish

                                                                             voorzitter

Commissie landbouw en plattelands-ontwikkeling

Betreft:  Ontwerpverslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid, INI 2008/2153 (rapporteur: Mairead McGuinness)

Geachte voorzitter,

De Begrotingscommissie heeft met grote belangstelling kennis genomen van bovengenoemd verslag. In het recente verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking over 'Een snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in de ontwikkelingslanden' heeft Gay Mitchell een groot aantal budgettaire aspecten aan de orde gesteld. Bovendien heeft het recente begrotingsoverleg van 21 november een doorbraak voor de Voedselfaciliteit opgeleverd. Daarom willen we onze opmerkingen niet in een formeel advies onder de aandacht brengen, maar in een brief.

Wij steunen de conclusies uit het ontwerpverslag van mevrouw McGuinness volledig, in het bijzonder het afschaffen van alle uitvoerrestituties voor 2013 en het doorvoeren van verdere hervormingen in overeenstemming met de WTO-overeenkomsten. Graag zou ik nogmaals aandacht willen vragen voor enkele begrotingsaspecten die daarmee verband houden.

1. Het Europees Parlement en de Raad zijn overeengekomen de 'snelle respons voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in ontwikkelingslanden' (de Voedselfaciliteit) gedurende een periode van 3 jaar met een bedrag van één miljard EUR te financieren binnen rubriek 4 ('De EU als mondiale partner') van het meerjarig financieel kader. Deze financiering zal als volgt over de jaren worden gespreid: 262 miljoen EUR in 2008, 568 miljoen EUR in 2009 en 170 miljoen EUR in 2010. De bedragen komen grotendeels beschikbaar door herschikking van het stabiliteitsinstrument, het flexibiliteitsinstrument en de reserve voor noodhulp. In 2008 zal voor dit doeleinde een extra bedrag van 240 miljoen EUR in vastleggingen worden opgenomen in de begroting van de reserve voor noodhulp. Tevens wordt de begrotingslijn van de Voedselfaciliteit ingevoerd. Voor 2009 zal een bedrag van 490 miljoen EUR in vastleggingen en 450 miljoen EUR in betalingen worden opgenomen in de begroting van de Voedselfaciliteit.

Naar verwacht zal het betalingsschema voor de Voedselfaciliteit er als volgt uitzien: 450 miljoen EUR in 2009, 350 miljoen EUR in 2010 en 200 miljoen EUR in 2011 en de volgende jaren, mits de begrotingsautoriteit de jaarlijkse goedkeuring verleent.

2. De Commissie is bij dezelfde gelegenheid verzocht ervoor te zorgen dat de Voedselfaciliteit in overeenstemming is met het EOF en dit aanvult.

3. Ook in het kader van de EU-bijdragen aan het Wereld Voedselprogramma en andere VN-programma's voor landbouw en voedselzekerheid moet consistentie worden nagestreefd. In de gezamenlijke verklaring die is opgesteld bij het overleg, is benadrukt dat het van belang is de zichtbaarheid van de hulp van de Commissie in het algemeen te vergroten.

4. In het kader van paragraaf 28 uit het verslag van mevrouw McGuinness wil ik wijzen op een amendement dat is opgenomen in het advies van de Begrotingscommissie van 24 september 2008 aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking. Dit amendement gaat over het belang van het faciliteren van microkredieten voor kleine landbouwers in ontwikkelingslanden die worden getroffen door de crisis. Het is de bedoeling dat deze faciliteit voor microkrediet in navolging van de bestaande instrumenten (het Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)) wordt ontwikkeld en de productie een impuls geeft.

Hoogachtend,

R. Böge

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.12.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Luis Manuel Capoulas Santos, Joseph Daul, Carmen Fraga Estévez, Elisabeth Jeggle, Heinz Kindermann, Stéphane Le Foll, Véronique Mathieu, Rosa Miguélez Ramos, Neil Parish, Agnes Schierhuber, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Milan Horáček, Astrid Lulling, Jan Mulder, Maria Petre, Kyösti Virrankoski

Juridische mededeling - Privacybeleid