VERSLAG over de complementariteit en de coördinatie van het cohesiebeleid met maatregelen voor plattelandsontwikkeling

    3.2.2009 - (2008/2100(INI))

    Commissie regionale ontwikkeling
    Rapporteur: Wojciech Roszkowski

    Procedure : 2008/2100(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0042/2009
    Ingediende teksten :
    A6-0042/2009
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over de complementariteit en de coördinatie van het cohesiebeleid met maatregelen voor plattelandsontwikkeling

    (2008/2100(INI))

    Het Europees Parlement,

    –   gelet op de artikelen 158 en 159 van het EG-Verdrag,

    –   gelet op Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds[1], en met name op artikel 9 daarvan,

    –   gelet op Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)[2],

    –   gezien Besluit 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie[3],

    –   gezien Besluit 2006/144/EG van de Raad van 20 februari 2006 inzake communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling (programmeringsperiode 2007-2013)[4],

    –   gelet op de Territoriale Agenda van de Europese Unie en het eerste actieprogramma voor de uitvoering van de Territoriale Agenda van de Europese Unie,

    –   gezien het feit dat de Commissie een groenboek over territoriale cohesie voorbereidt,

    –   gezien het verslag van het Europees Waarnemingsnetwerk voor de ruimtelijke ordening (ESPON) getiteld "Territorial Futures – Spatial scenarios for Europe" (toekomstscenario's voor het Europese grondgebied),

    –   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6‑0000/2008),

    A. overwegende dat door de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling is omschreven wat een plattelandsgebied is, waarbij die definitie onder andere kenmerken omvat als een lage bevolkingsdichtheid en een gebrekkige toegang tot diensten, en overwegende dat deze definitie door de Commissie wordt gebruikt om ontwikkeldoelstellingen voor deze gebieden te bepalen en nader uit te werken,

    B.  overwegende dat de plattelandsgebieden in de Europese Unie zeer sterk van lidstaat tot lidstaat verschillen en dat weliswaar plattelandsgebieden in sommige regio's en lidstaten een demografische en economische groei kennen maar dat doorgaans de bevolking van veel van deze gebieden wegtrekt naar de steden of zich probeert om te scholen, hetgeen enorme uitdagingen met zich meebrengt voor plattelandsgebieden,

    C. overwegende dat plattelandsgebieden zo'n 80% van het grondgebied van de EU uitmaken,

    D. overwegende dat de behoeften van tussenliggende plattelandsgebieden, die gekenmerkt worden door een economische structuur die vergelijkbaar is met die van de aangrenzende stedelijke gebieden, verschillen van de behoeften van overwegend plattelands-, perifere of geïsoleerde gebieden,

    E.  overwegende dat het een van de doelstellingen van de Unie is om de economische en sociale vooruitgang en een hoge werkgelegenheid te bevorderen en een evenwichtige en duurzame ontwikkeling te verwezenlijken,

    F.  overwegende dat het mogelijk is om de economische, sociale en territoriale cohesie van de EU te vergroten door economische ontwikkeling, bevordering van de werkgelegenheid in plattelandsgebieden en stedelijke gebieden en gelijke toegang tot openbare diensten te garanderen,

    G. overwegende dat de hervorming van het structuurbeleid voor de periode 2007-2013 veranderingen met zich heeft meegebracht ten aanzien van de structuur van de fondsen en de basis waarop in het kader van dit beleid bijstand wordt verleend, evenals de oprichting van het nieuwe Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) dat onderdeel is van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en losgekoppeld is van het cohesiebeleid,

    H. overwegende dat de Leader-programma's in het verleden reeds hebben aangetoond dat regionale beleidsinstrumenten op succesvolle wijze kunnen bijdragen aan de bevordering van de plattelandsontwikkeling,

    I.   overwegende dat de sleutel tot het succes van het ELFPO ligt in de wederzijdse complementariteit tussen uit het ELFPO gecofinancierde activiteiten en activiteiten die gecofinancierd zijn uit de structuurfondsen, en dus in een adequate coördinatie van de bijstand uit, en verzekering van de complementariteit tussen de verschillende fondsen, met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds (CF) en het Europees Sociaal Fonds (ESF),

    J.   overwegende dat de oprichting van het ELFPO, alsook het feit dat de financiering van niet-agrarische activiteiten niet meer onder het cohesiebeleid valt en dat er een breder perspectief ontstaat ten aanzien van regionale ontwikkeling, ertoe kunnen leiden dat sommige doelstellingen (bijvoorbeeld milieubescherming en onderwijs) elkaar óf overlappen óf helemaal niet meer voorkomen,

    K. overwegende dat de oprichting van het ELFPO, alsook het feit dat de financiering van plattelandsontwikkeling is losgekoppeld van het cohesiebeleid en het breder perspectief van regionale ontwikkeling, er niet toe mogen leiden dat sommige doelstellingen (bijvoorbeeld milieubescherming, vervoer en onderwijs) elkaar óf overlappen óf helemaal niet meer voorkomen,

    L.  overwegende dat de voortdurende overdracht van middelen tussen het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het ELFPO, leidt tot onzekerheid op planningsvlak voor zowel landbouwers als initiatiefnemers van projecten voor plattelandsontwikkeling,

    M. overwegende dat, gezien de budgettaire beperkingen, het risico bestaat dat de vanuit het EFRO beschikbare middelen grotendeels gebruikt zullen worden om het concurrentievermogen in de grotere stedelijke centra of de meest dynamische regio's te bevorderen, terwijl de financiering vanuit het ELFPO met name gericht is op het verbeteren van het concurrentievermogen in de landbouw - die de belangrijkste motor van de plattelandsgebieden blijft - en tevens voorziet in de ondersteuning van niet-agrarische activiteiten en de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf in plattelandsgebieden, zodat meer coördinatie nodig is om te voorkomen dat bepaalde terreinen uit de boot vallen,

    N. overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen, en met name microbedrijven en ambachtelijke ondernemingen, een essentiële rol spelen bij de instandhouding van het economische en sociale leven in plattelandsgebieden en het waarborgen van de stabiliteit van deze gebieden,

    O. overwegende dat de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid niet in strijd hoeven te zijn met de doelstellingen van Lissabon, mits deze ontwikkeling gebaseerd is op de toepassing van het mechanisme van het relatieve concurrentievermogen (betere kosten-batenverhouding), met name in de plaatselijke voedselverwerkende industrie en met betrekking tot de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) en van infrastructuur en dienstverlening, zoals toerisme, onderwijs en milieubescherming,

    P.  overwegende dat de natuurlijke relatie tussen en complementariteit van landbouwbeleid en plattelandsontwikkelingsbeleid onderkend moet worden,

    1.  is van mening dat de traditionele criteria voor het onderscheid tussen plattelandsgebieden en stedelijke gebieden (lagere bevolkingsdichtheid en urbanisatiegraad) niet altijd voldoende zijn om een volledig beeld geven; is daarom van mening dat de mogelijkheid van aanvullende criteria moet worden bestudeerd en verzoekt de Commissie dit te onderzoeken en concrete voorstellen op dit vlak te doen;

    2.  is van oordeel dat er met het oog op de grote verschillen tussen plattelandsgebieden in de diverse lidstaten, en omdat plattelandsgebieden ongeveer 80 procent van het grondgebied van de EU beslaan, een gerichte en geïntegreerde aanpak moet worden goedgekeurd en uitgevoerd voor de duurzame ontwikkeling van deze gebieden, die de bestaande ongelijkheden corrigeert en een economische dynamiek bevordert van stedelijke en plattelandsgebieden; onderstreept dat er voldoende middelen voor de betreffende maatregelen moeten worden uitgetrokken;

    3.  wijst er in dit verband op dat alle regio's in de gehele Europese Unie, inclusief afgelegen en plattelandsgebieden, in principe van dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden moeten kunnen profiteren, zodat verdere territoriale uitsluiting van de meest achtergestelde gebieden kan worden voorkomen;

    4.  benadrukt dat in een groot aantal plattelandsgebieden de moeilijke toegang tot openbare diensten, het tekort aan arbeidsplaatsen en de leeftijdsopbouw het ontwikkelingspotentieel reduceren, met name de mogelijkheden voor jongeren en vrouwen;

    5.  wijst erop dat er in sommige gebieden voor bepaalde landbouwproductievormen geen alternatieven bestaan en deze productievormen in veel gevallen tot elke prijs behouden moeten blijven om redenen van milieu- en regionaal beleid, met name in verafgelegen en bergachtige plattelandsgebieden die door woestijnvorming worden getroffen;

    6.  wijst erop dat de Europese Raad van 15 en 16 juni 2001 in Gotenburg de doelstellingen van Lissabon heeft uitgebreid tot de begrippen duurzaamheid en cohesie, en dat het beleid voor plattelandsontwikkeling gericht is op duurzame landbouw, behoud van plattelandsactiviteiten op andere gebieden dan de landbouw, maximale exploitatie van het lokale ontwikkelingpotentieel, bescherming van het milieu, een evenwichtige ruimtelijke ordening en de ontwikkeling van het MKB;

    7.  is van oordeel dat met het oog op de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden, het voor de correcte uitvoering van het plattelandsontwikkelingsbeleid van wezenlijk belang is dat er rekening wordt gehouden met de bestaande natuurlijke hulpbronnen en het specifieke karakter van elk gebied, en er aandacht wordt geschonken aan de bescherming, de ontwikkeling en het beheer van het landelijk erfgoed, en de ontwikkeling van de banden en interacties met stedelijke gebieden;

    8.  acht het tevens belangrijk dat geëvalueerd wordt op welke terreinen alternatieve economische activiteiten mogelijk zijn en welke kansen deze bieden voor diversifiëring van de beroepsactiviteiten van de inwoners;

    9.  is van mening dat de toekomstige vraagstukken waarmee het platteland wordt geconfronteerd een evenwichtige ontwikkelingspolitiek vereist waarbij alle sociale en economische actoren betrokken zijn, inclusief de kleine en micro-ondernemingen in de productie- en dienstverleningssector, gezien hun rol in de geïntegreerde lokale ontwikkeling;

    10. meent dat het plattelandsontwikkelingsbeleid in de nieuwe lidstaten gericht moet zijn op verbetering van de efficiency van de landbouw en verkleining van de kloof in economische ontwikkeling tussen stad en platteland, onder meer door het steunen van niet-agrarische activiteiten, hetgeen onder meer kan worden bereikt door gebruikmaking van de Structuurfondsen;

    11. juicht de doelstellen toe die zijn uiteengezet op de tweede Europese conferentie over plattelandsontwikkeling van Salzburg in 2003 maar betreurt het feit dat de financiering in het kader van de tweede pijler van het GLB in de laatste financiële vooruitzichten zo sterk is verminderd, waardoor de doeltreffendheid in gevaar komt en er een tegenstelling ontstaat tussen de agrarische ondernemers en de bewoners van het platteland;

    12. wijst erop dat de noodzaak bestaat om een coherente langetermijnstrategie voor plattelandsontwikkeling te ontwikkelen teneinde een zo effectief en efficiënt mogelijke toepassing van alle beschikbare fondsen te bevorderen;

    13. verzoekt de lidstaten en de regionale autoriteiten om in samenwerking met de Commissie en in partnerschap met alle bevoegde instanties en maatschappelijke organisaties een transparante, duurzame strategie voor plattelandsontwikkeling op de lange termijn uit te werken op zowel nationaal als regionaal niveau, teneinde de prioriteiten en doelstellingen in de plattelandsontwikkeling duidelijk te kunnen vaststellen en de aanpassing, coördinatie en complementariteit van de steun uit de verschillende beschikbare financieringsbronnen te garanderen;

    14. verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale instanties om de belangenverenigingen van kleine en middelgrote ondernemingen, microbedrijven en ambachtelijke ondernemingen actief te betrekken bij de vaststelling van de prioriteiten teneinde zo goed mogelijk in te spelen op de behoeften en verwachtingen van het bedrijfsleven;

    15. erkent dat het plattelandsontwikkelingsbeleid een uiterst belangrijke rol speelt bij het aanpakken van specifieke problemen in plattelandsgebieden en is van mening dat de oprichting van het ELFPO voor de tweede pijler van het GLB een poging inhoudt om te zorgen voor een flexibele, strategische, thematische en geïntegreerde aanpak om te kunnen reageren op de diversiteit van situaties en de omvang van de uitdagingen waarvoor de plattelandsgebieden in de EU staan, de financieringsprocedures te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat financiële middelen op deze gebieden worden geconcentreerd;

    16. herinnert eraan dat de lidstaten zijn verzocht om voor de huidige programmeringsperiode twee strategische documenten op te stellen: een nationaal strategisch plan voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en een nationaal strategisch referentiekader voor regionaal beleid (structuurfondsen); wijst erop dat de lidstaten tevens zijn verzocht om synergieën te mobiliseren en faciliteiten voor operationele coördinatie tussen de verschillende fondsen op te zetten; betreurt het echter dat hierbij vooral de nadruk is gelegd op het aanbrengen van een scheidslijn tussen de diverse fondsen en programma's, en niet zozeer op het creëren van synergieën;

    17. is van mening dat een efficiënt plattelandsontwikkelingsbeleid alleen bereikt kan worden als de maatregelen uit hoofde van het ELFPO en het regionaal ontwikkelingsbeleid gecoördineerd worden en elkaar aanvullen, om dubbele financiering en hiaten te voorkomen; merkt bezorgd het gebrek aan coördinatie op tussen deze maatregelen die tijdens de lopende programmeringsperiode in de afzonderlijke lidstaten zijn uitgevoerd; verzoekt daarom de Commissie hervormingen voor te stellen om te komen tot betere coördinatie van de planning en de tenuitvoerlegging van maatregelen die in het kader van het cohesiebeleid en het GLB gecofinancierd worden; wijst erop dat de hervorming van het GLB en de structuurfondsen na 2013 een kans bieden om de verhouding tussen plattelandsontwikkeling enerzijds en het landbouw- en cohesiebeleid anderzijds opnieuw te bezien;

    18. onderkent dat het beleid voor plattelandsontwikkeling nog steeds tot hoofddoel heeft de inwoners op het platteland te houden en deze plattelandsbevolking een behoorlijke levensstandaard te verzekeren;

    19. is van mening dat deze benadering die is ingezet met de oprichting van het ELFPO en een scheiding aanbrengt tussen plattelandsontwikkeling en cohesiebeleid, zeer nauwlettend gevolgd moet worden teneinde de daadwerkelijke impact ervan op de ontwikkeling van plattelandsgebieden te beoordelen; merkt op dat het nieuwe systeem in 2007 is ingesteld en dat het derhalve te vroeg is om al conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de toekomst van dit communautaire beleid;

    20. herinnert eraan dat een van de prioriteiten van het beleid voor plattelandsontwikkeling is maatregelen te ontwerpen om te voorkomen dat de plattelandsbevolking de landbouw moet verlaten, en onder meer bij te dragen aan de bevordering van concurrerende bedrijven, de productie van de organische producten, de traditionele voedingsmiddelen en dranken van kwaliteit, enzovoort;

    21. merkt met belangstelling op dat as 3 en as 4 (LEADER) van de tweede pijler van het GLB (plattelandsontwikkelingsbeleid), die 15% uitmaken van de totale uitgaven uit het ELFPO, niet-agrarische activiteiten betreffen die met name gericht zijn op diversificatie van plattelandseconomieën; is van mening dat, gezien de aard van de maatregelen die worden gefinancierd uit hoofde van deze assen, die gelijkenis vertonen met bepaalde maatregelen die gefinancierd worden uit de structuurfondsen, er een risico is van overlappend beleid;

    22. onderstreept echter dat het noodzakelijk is rekening te houden met de vooruitzichten van met name de in de landbouw actieve bevolking, die centraal moet blijven staan bij de steunmaatregelen uit hoofde van het beleid voor plattelandsontwikkeling;

    23. onderstreept het belang van steunverlening aan jonge landbouwers om te voorkomen dat zij hun gebied verlaten, ook indien zij niet uitsluitend in de landbouw actief zijn, en van het bieden van stimulansen voor de ontwikkeling van andere, aanverwante activiteiten, zoals agrotoerisme en ondersteuning van het MKB op het platteland;

    24. is van mening dat de belangrijkste doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid alleen bereikt kunnen worden als dit beleid voldoende financiële middelen ontvangt, die worden gebruikt in overeenstemming met de prioriteiten die voor plattelandsgebieden zijn opgesteld, en als de middelen die door modulatie worden verkregen weer worden teruggegeven aan actieve landbouwgemeenschappen;

    25. is de mening toegedaan dat de coördinatie van het structuurbeleid met maatregelen voor plattelandsontwikkeling projecten met een grotere Europese meerwaarde mogelijk maakt; is van oordeel dat hier een kans ligt voor duurzame ontwikkeling van het platteland, bijvoorbeeld door maatregelen op het vlak van infrastructuur en milieubescherming;

    26. verzoekt de Commissie gedetailleerde gegevens en prognoses te verstrekken met betrekking tot het gebruik van het ELFPO en de structuurfondsen in plattelandsgebieden, alsook de synergie te onderzoeken die kan worden gerealiseerd door het ELFPO en de structuurfondsen op basis van de beschikbare middelen;

    27. roept de Commissie op om na te gaan of de regionale beleidsprogramma's kunnen bijdragen aan een betrouwbaar inkomen voor landbouwers, bijvoorbeeld via de uitvoering van activiteiten op het gebied van milieubescherming natuurbehoud en landschapsbeheer;

    28. benadrukt dat duurzame ontwikkeling, het inkomensniveau per inwoner, de toegankelijkheid, de toegang tot publieke goederen en diensten en de ontvolking de grootste uitdagingen voor het cohesiebeleid zijn blijven en dat hierin op de meest effectieve wijze verbetering kan worden gebracht via onder meer de ondersteuning van economische activiteiten in plattelandsgemeenschappen;

    29. roept de Commissie en de lidstaten op systematisch rekening te houden met het platteland in communautaire beleidmaatregelen en passende steun te verlenen aan projecten die gericht zijn op de ontwikkeling van het menselijk kapitaal, in het bijzonder door het bieden van opleidingsmogelijkheden voor agrarische en niet-agrarische ondernemers in plattelandsgebieden, met speciale aandacht voor jonge vrouwen, met als doel de werkgelegenheid te bevorderen en nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen;

    30. benadrukt dat bij de ontwikkeling in plattelandsgebieden meer aandacht en steun moet worden gegeven aan het behoud van het natuurlijke en agrarische landschap, ecotoerisme, de productie en het gebruik van hernieuwbare energie en plaatselijke initiatieven zoals lokale boerenmarkten en kwaliteitsbevordering van plaatselijke landbouwproducten;

    31. merkt op dat kleine en middelgrote ondernemingen van groot belang zijn voor de ontwikkeling van plattelandsgebieden en in aanzienlijke mate bijdragen tot het wegwerken van de verschillen tussen regio's en plaatselijke gemeenschappen; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale instanties zich vooral te richten op de versterking van het concurrentievermogen door ook andere bedrijfstakken te ondersteunen en het ondernemerschap in plattelandsgebieden te bevorderen, met name door administratieve, wettelijke en planologische belemmeringen op te heffen, te zorgen voor adequate IT-infrastructuur en meer stimulansen te bieden voor het opstarten van nieuwe ondernemingen en tevens meer steun te bieden voor niet-agrarische activiteiten, waarbij en tegelijkertijd de economische diversificatie in deze gebieden wordt bevorderd

    32. attendeert de Raad, de Commissie, de lidstaten en de plaatselijke instanties er nogmaals op dat in de plattelandsgebieden naar verwachting enkele miljoenen kleine bedrijven zullen verdwijnen, waardoor een enorm probleem zal ontstaan, met name vanwege de ernstige gevolgen van deze ontwikkeling voor de werkgelegenheid en dus ook voor de stabiliteit van het platteland; verzoekt om op alle niveaus, en in nauwe samenwerking met de economische en sociale partners, alle nodige maatregelen te nemen;

    33. merkt op dat de problemen bij de uitvoering van het plattelandsontwikkelingsbeleid voortkomen uit het feit dat het sectorale beleid gescheiden is van het territoriale cohesiebeleid, en de scheiding van de economische en sociale aspecten van beide beleidsvormen, evenals uit de talrijke modellen voor de organisatie van de bevoegdheden en de coördinatie van het beleid in de lidstaten; benadrukt in dit verband nogmaals dat er synergieën moeten worden gecreëerd tussen het ELFPO en de structuurfondsen, en verzoekt de Commissie de nationale, regionale en lokale instanties te helpen een goed inzicht te krijgen in de mogelijkheden van deze financiële instrumenten; verzoekt de lidstaten overleg tussen de beherende instanties te bevorderen om synergieën te creëren tussen de maatregelen van de verschillende fondsen en de doeltreffendheid ervan te verhogen;

    34. is van mening dat de Europese Commissie, voorafgaand aan de hervorming van de financiering voor de plattelandsgebieden, een grondige evaluatie moet uitvoeren van alle sectorale beleidsmaatregelen die van invloed zijn op plattelandsgebieden, en met name het GLB en het regionaal beleid, in de context van het cohesiebeleid, en een inventaris van positieve praktijkvoorbeelden moet opstellen voor het plattelandsontwikkelingsbeleid als geheel;

    35. verzoekt de Raad een gezamenlijke informele Raad bijeen te roepen van de ministers die verantwoordelijk zijn voor het landbouw- en regionaal beleid, om te bespreken wat de beste methoden zijn om het cohesiebeleid en de ontwikkeling van de plattelandsgebieden op elkaar af te stemmen, en op deze vergadering de raadgevende EU-organen (Comité van de regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité) uit te nodigen, alsmede vertegenwoordigers van regionale en lokale bestuursinstanties;

    36. verlangt dat de Commissie in het kader van de "check-up" van het GLB voor 2011 een werkgroep op hoog niveau instelt die met voorstellen zal komen om de toekomst van de plattelandseconomie en de mensen die na 2013 in plattelandsgebieden wonen, veilig te stellen;

    37. verzoekt de Commissie om een werkelijke governance en een partnerschap op alle niveaus in te stellen of te versterken, met de rechtstreekse betrokkenheid van alle actoren, met inbegrip van het MKB en microbedrijven, en alle economische en sociale partners, met het oog op de vaststelling van prioriteiten voor maatregelen die het meest aansluiten op de ontwikkelingsbehoeften van de plattelandsgebieden;

    38. merkt op dat de plattelandsontwikkeling moet worden afgestemd op de belangen van de gebieden rond de steden en nauw gecoördineerd moet worden met de bevordering van de stedelijke ontwikkeling, en onderstreept dat het ontbreekt aan voldoende en doelmatige synergieën tussen het beleid voor plattelandsontwikkeling en het beleid voor stedelijke ontwikkeling;

    39. erkent het potentieel van de plattelandsgemeenschap om een positieve bijdrage te leveren aan het milieu door haar betrokkenheid bij milieuvriendelijke activiteiten en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen zoals biobrandstoffen, met name gezien de vier nieuwe uitdagingen die omschreven worden in het plattelandsontwikkelingsbeleid zoals geformuleerd in de check-up van het GLB, zoals biodiversiteit en hernieuwbare energie;

    40. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

    • [1]  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
    • [2]  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.
    • [3]  PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
    • [4]  PB L 55 van 25.2.2006, blz. 20.

    TOELICHTING

    De hervorming van het structuurbeleid voor de periode 2007-2013 heeft veranderingen met zich meegebracht ten aanzien van de financiële regelingen en de basis waarop in het kader van dit beleid bijstand wordt verleend.

    Een belangrijke verandering was het nieuwe Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) dat onderdeel is van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

    Hoewel in de financiële vooruitzichten voor 2000-2006 de financiering van plattelandsontwikkeling werd ondergebracht bij de structuurfondsen en het cohesiebeleid, en werd losgekoppeld van de financiering in het kader van het GLB, maakt het ELFPO in het nieuwe financiële kader voor 2007-2013 deel uit van toewijzingen in het kader van het GLB en valt het daardoor niet meer onder het cohesiebeleid.

    Met het scheiden van het ELFPO van de structuurfondsen en de koppeling ervan aan het GLB hadden de wetgevers zich ten doel gesteld het gebruik van dit type financiering te vereenvoudigen en het gemakkelijker te maken om in plattelandsgebieden een geïntegreerde aanpak te volgen.

    De sleutel tot het succes van deze veranderingen lag echter bij een adequate coördinatie van de bijstand uit de verschillende fondsen, met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds (CF) en het Europees Sociaal Fonds (ESF), en de complementariteit daarvan.

    Nu deze veranderingen zijn ingevoerd, rijst de vraag of deze scheiding daadwerkelijk tot een effectiever gebruik van de beschikbare middelen heeft geleid.

    De koppeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aan de financiering van plattelandsontwikkeling is slechts een schijnbare vereenvoudiging van begrotingsregelingen. In werkelijkheid betekent het dat de financiering van niet-agrarische activiteiten niet meer onder het cohesiebeleid valt en dat er een breder perspectief ontstaat ten aanzien van regionale ontwikkeling, en dientengevolge dat op beide terreinen sommige doelstellingen (bijvoorbeeld milieubescherming en onderwijs) elkaar óf overlappen óf niet meer voorkomen.

    Er bestaat daarom een risico dat, gezien de huidige budgettaire beperkingen, de vanuit het EFRO beschikbare middelen grotendeels gebruikt zullen worden om het concurrentievermogen in de grotere stedelijke centra of de meest dynamische regio's te bevorderen, terwijl de financiering vanuit het ELFPO met name gericht zal zijn op het verbeteren van het concurrentievermogen in de landbouw.

    In deze situatie zouden de uitgaven voor de ondersteuning van niet-agrarische activiteiten en de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf in plattelandsgebieden door geen van beide fondsen worden gedekt.

    Er zou ook een tekort aan middelen kunnen ontstaan voor de financiering van openbare basisvoorzieningen en investeringen in de infrastructuur in plattelandsgebieden, waaraan het Cohesiefonds ook dient bij te dragen.

    Tegen deze achtergrond wordt het van groot belang om met een transparante strategie voor plattelandsontwikkeling voor de lange termijn te komen op zowel nationaal als regionaal niveau, teneinde de prioriteiten en doelstellingen in de plattelandsontwikkeling duidelijk te kunnen vaststellen en het gebruik van de verschillende beschikbare financieringsbronnen daaraan aan te passen.

    Voor een koppeling tussen de tweede pijler en maatregelen in het kader van het cohesiebeleid zou er echter sprake dienen te zijn van een nauwe coördinatie van activiteiten op nationaal niveau.

    Voorts moeten de bijkomende factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling en de wijze van financiering van plattelandsontwikkeling nader worden bekeken.

    1.  Wat een plattelandsgebied is, moet nog nauwkeurig worden omschreven. Dit betekent dat wanneer we over plattelandsontwikkeling spreken, het van wezenlijk belang is om na te denken over hoe plattelandsgebieden kunnen worden omschreven op basis van hun kenmerken en ontwikkelingsdoelstellingen.

    Traditioneel onderscheidden plattelandsgebieden zich van stedelijke gebieden door hun lagere bevolkingsdichtheid, andere werkgelegenheidsstructuur, lagere inkomensniveau en slechtere toegang tot publieke goederen. Vanuit het oogpunt van territoriale cohesie zou een lagere bevolkingsdichtheid niet het doorslaggevende kenmerk moeten zijn.

    Een van de ontwikkelingsdoelstellingen van de Unie is om de sociale structuren te moderniseren, met inbegrip van de werkgelegenheidsstructuren. Het is bijgevolg mogelijk om de territoriale cohesie te vergroten door de werkgelegenheidsstructuren in plattelandsgebieden en stedelijke gebieden op één lijn te brengen. Het inkomensniveau en de toegang tot publieke goederen blijven daardoor de grootste uitdagingen voor de territoriale cohesie en hierin kan op zeer effectieve wijze verbetering worden gebracht via ondersteuning van niet-agrarische activiteiten in plattelandsgemeenschappen. De financiering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling mag echter niet ten koste gaan van de middelen die bestemd zijn voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers.

    2.  In de komende jaren kunnen er belangrijke wijzigingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) worden verwacht. De eerste gelegenheid om wijzigingen door te voeren zou de "health check" van het GLB kunnen zijn. In vorige discussies over de structuur van het GLB overheerste de opvatting dat deze middelen de diversificatie van de economie van de EU versterken zonder het concurrentievermogen te vergroten. Op basis van het huidige financiële beleid van de Unie is deze opvatting gedeeltelijk gerechtvaardigd, maar het hangt er echt van af hoe de communautaire middelen worden besteed. Met name de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid hoeven niet in strijd te zijn met de doelstellingen van Lissabon, mits deze ontwikkeling gebaseerd is op de toepassing van het mechanisme van het relatieve concurrentievermogen (betere kosten-batenverhouding), met name in de plaatselijke voedselverwerkingsindustrie en de ontwikkeling van infrastructuur en diensten, zoals toerisme, onderwijs en milieubescherming.

    3.  Met betrekking tot het ELFPO werden voor de periode 2007-2013 de volgende prioriteiten vastgesteld: 1. Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector. 2. Verbetering van het milieu en het platteland. 3. Verbetering van de kwaliteit van het bestaan op het platteland en bevordering van diversificatie van de plattelandseconomie. 4. Ontwikkeling van de plaatselijke capaciteit voor werkgelegenheid en diversificatie (LEADER). De vraag is echter of de tweede pijler van het GLB een "politiek correct" mechanisme voor indirecte landbouwsteun moet blijven. Moeten de middelen ook worden ingezet voor begunstigden op het platteland buiten de landbouwsector en begunstigden die, hoewel zij op het platteland blijven wonen, vanuit de landbouw naar andere beroepssectoren overstappen? Indien plattelandsontwikkeling onderdeel blijft van het GLB, zou dat dan niet betekenen dat landbouwers de eerdere financieringswijzen van de Unie worden ontnomen?

    4.  Gezien de inspanningen om het gemeenschappelijke karakter van het GLB in stand te houden, zal de omvang van de rechtstreekse betalingen aan de landbouw (eerste pijler) en het aandeel van de nationale cofinanciering een van de belangrijkste geschilpunten in het GLB-debat zijn. Het voorstel van de Commissie om de directe steun aan grote landbouwbedrijven te beperken en de tweede pijler van het GLB (d.w.z. plattelandsontwikkeling) te versterken door het modulatiepercentage te verhogen, dient in overweging te worden genomen.

    5.  De problemen bij de uitvoering van het plattelandsontwikkelingsbeleid komen voort uit de scheiding van het sectorale beleid van het territoriale cohesiebeleid en de scheiding van de economische en sociale aspecten van beide beleidsvormen. Dit verklaart de zichtbare nadruk tot dusver op de verdeling van de verantwoordelijkheden in plaats van op de coördinatie van activiteiten. Maar de bedoeling van coördinatie is nu juist om een gecombineerde aanpak bij het gebruik van middelen te garanderen. In de afzonderlijke lidstaten bestaan verschillende modellen voor de coördinatie van activiteiten die verband houden met de toewijzing van middelen voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling. Het gaat te ver om te beweren dat de oplossing van één bepaald land model zou kunnen staan voor andere landen. Het ziet ernaar uit dat politieke wil doorslaggevender zou kunnen zijn voor succes dan de een of andere organisatorische regeling.

    Een geschikte oplossing zou daarom kunnen zijn om de open coördinatiemethode toe te passen op dit aspect van samenwerking op het niveau van de Unie.

    Niettemin moet duidelijk worden gemaakt dat het plattelandsontwikkelingsbeleid een enorme invloed heeft op de territoriale cohesie. Om die reden lijkt het niet te rechtvaardigen om de maatregelen voor plattelandsontwikkeling te scheiden van het cohesie- en regionaal ontwikkelingsbeleid. Dit beleid biedt meer mogelijkheden dan het GLB om de niet-agrarische problemen in verband met plattelandsontwikkeling op te lossen, bijvoorbeeld het omscholen van mensen voor werk in productievere economische sectoren.

    Desondanks is het alleen mogelijk om het plattelandsontwikkelingsbeleid te koppelen aan het cohesie- en regionaal ontwikkelingsbeleid als de plattelandsontwikkeling voldoende wordt gefinancierd. Deze financiering moet dan worden toegepast in overeenstemming met de prioriteiten die voor plattelandsgebieden zijn opgesteld.

    ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (11.9.2008)

    voor de Commissie regionale ontwikkeling

    inzake de complementariteit tussen en coördinatie van het cohesiebeleid en plattelandsontwikkelingsmaatregelen
    (2008/2100(INI))

    Rapporteur voor advies: Bernadette Bourzai

    SUGGESTIES

    De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling de volgende suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  is van oordeel dat bij de "earmarking" van de Structuurfondsen voor de uitvoering van de doelstellingen van de Lissabon-strategie voor de programmeringsperiode 2007-2013 rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de regio's om te voorkomen dat de toewijzing ten koste gaat van de doelstellingen van territoriale cohesie en vermindering van de regionale verschillen;

    2.  benadrukt dat het beleid voor plattelandsontwikkeling de maatregelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) moet begeleiden en aanvullen, en rekening moet houden met de algemene doelstellingen ervan, zoals de verhoging van de landbouwproductie, de ondersteuning van het landbouwinkomen, de stabilisering van de markten en de bevoorrading met voldoende levensmiddelen;

    3.  benadrukt dat de plattelandsgebieden waarschijnlijk grote problemen zullen hebben om zich aan te passen aan deze nieuwe richting van het regionale beleid, vanwege hun specifieke eigenschappen: vergrijzing, onvoldoende en daardoor moeilijk toegankelijke communicatie- en transportmiddelen, een voortdurende uittocht van het platteland, een lager opleidingsniveau van de plattelandsbevolking, gebrek aan infrastructuur en openbare diensten, diversiteit van de activiteiten op het platteland, ontbreken van de technologie voor het opzetten van projecten en expertisecentra waaraan ondernemingen en onderwijs- en onderzoeksinstellingen deelnemen;

    4.  wijst er in dit verband op dat alle regio's in de gehele Europese Unie, inclusief afgelegen en plattelandsgebieden, in principe van dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden moeten kunnen profiteren, zodat verdere territoriale uitsluiting van de meest benadeelde gebieden kan worden vermeden;

    5.  benadrukt dat in een groot aantal plattelandsgebieden de moeilijke toegang tot openbare diensten, het tekort aan arbeidsplaatsen en de leeftijdsopbouw het ontwikkelingspotentieel reduceren, met name de mogelijkheden voor jongeren en vrouwen;

    6.  wijst erop dat er in bepaalde regio's voor bepaalde landbouwproductievormen geen alternatieve oplossingen bestaan en deze productievormen vaak tot elke prijs behouden moeten worden om redenen van milieu- en regionaal beleid, met name in de verafgelegen en bergachtige plattelandsgebieden die door woestijnvorming worden getroffen;

    7.  wijst erop dat de Europese Raad van 15 en 16 juni 2001 in Gotenburg de doelstellingen van Lissabon heeft uitgebreid tot de begrippen duurzaamheid en cohesie, en dat het beleid voor plattelandsontwikkeling juist gericht is op duurzame landbouw, behoud van plattelandsactiviteiten op andere gebieden dan de landbouw, met name exploitatie van potentieel voor lokale ontwikkeling, bescherming van het milieu, een evenwichtige ruimtelijke ordening en de ontwikkeling van het MKB;

    8.  benadrukt dat een duurzame en evenwichtige territoriale ontwikkeling alleen kans van slagen heeft, als de wisselwerking tussen plattelandsgebieden en steden - bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, integratie, voorziening van levensmiddelen, afvalverwerking, energieverbruik en milieubescherming – gebaseerd is op een evenredige vertegenwoordiging van de belangen van stedelijke en plattelandsgebieden; onderstreept verder dat er in dit verband speciale programma's zouden moeten komen die gericht zijn op de betrekkingen tussen de steden en het platteland;

    9.  is van mening dat de situatie waarmee het platteland wordt geconfronteerd een evenwichtige ontwikkelingspolitiek vereist waar alle economische en sociale actoren aan deelnemen, inclusief de kleine en micro-ondernemingen voor productie en dienstverlening, waarbij rekening wordt gehouden met hun rol in de geïntegreerde ontwikkeling van de gebieden;

    10. stelt dat het plattelandsontwikkelingsbeleid van de nieuwe lidstaten ook oog moet hebben voor het efficiënter maken van de agrarische activiteiten en het verkleinen van de economische ontwikkelingsverschillen tussen plattelands- en stedelijke gebieden, onder meer door het steunen van niet-agrarische activiteiten; een doel dat onder andere door gebruikmaking van de Structuurfondsen kan worden bereikt;

    11. is van mening dat het de taak is van de Unie, vooral in de nieuwe lidstaten, om de herstructurering van de agrarische sector, de duurzame economische en sociale ontwikkeling en de evenwichtige verhouding tussen plattelands- en stedelijke gebieden te faciliteren;

    12. verheugt zich over de toekomstplannen van de tweede Europese conferentie over plattelandsontwikkeling van Salzburg in 2003 maar betreurt dat de financiering in het kader van de tweede pijler van het GLB door de recente financiële vooruitzichten zo sterk is verminderd, dat hierdoor de doeltreffendheid in gevaar komt en dat er een tegenstelling ontstaat tussen de agrarische ondernemers en de bewoners van het platteland;

    13. is van mening dat, om de nieuwe lidstaten de mogelijkheid te bieden hun landbouwstructuren te consolideren, de tweede pijler niet geconsolideerd mag worden door een overdracht van kredieten uit de eerste pijler maar wel door een bijdrage van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds aan de programma's voor plattelandsontwikkeling;

    14. adviseert de Europese Commissie om de toepassing en de financiële uitvoering van de regioprogramma's van de ELFPO-, EFRO- en ESF-fondsen op de voet te volgen, om te verifiëren dat de plattelandsgebieden bij de toekenning van de fondsen zich zoveel mogelijk verder kunnen ontwikkelen;

    15. herhaalt het verzoek van het Parlement om een nauwkeurige analyse uit te voeren van de voordelen voor de verschillende economische actoren op het platteland, zowel landbouwers als niet-landbouwers, alsmede van de behaalde resultaten, vooral waar het gaat om het scheppen en behouden van werkgelegenheid; vraagt opnieuw aan de Commissie een nauwkeurige studie uit te voeren per regio naar de noodzaak om die actoren te begeleiden bij het definiëren van de nieuwe plattelandspolitiek op een coherente basis;

    16. is van mening dat het noodzakelijk is governance en partnerschap te versterken door beter overleg tussen overheden en economische en sociale partners op Europees, nationaal en lokaal niveau inzake de definitie, uitvoering en follow-up van regionaal plattelandsbeleid;

    17. stelt voor om vanaf de nieuwe financieringsperiode in 2014 ernaar te streven dat de Structuurfondsen zich meer gaan inzetten voor de belangen van plattelandsgebieden en dat het financieringsbeleid binnen het kader van de tweede pijler van het GLB verder wordt ontwikkeld tot een geïntegreerd beleid voor plattelandsgebieden inclusief beleidsterreinen die buiten de landbouwsector vallen; verlangt derhalve versterking van de synergieën tussen het GLB en het cohesiebeleid; erkent de behoefte om de coördinatie tussen beide beleidsterreinen te verbeteren met als doel het stimuleren van methoden om regionaal en plattelandsontwikkelingsbeleid samen te voegen en onderling aan te aanvullen, zodat hun doelstellingen zo breed en geïntegreerd mogelijk kunnen worden geïmplementeerd;

    18. wijst erop dat de noodzaak bestaat om een coherente langetermijnstrategie voor plattelandsontwikkeling te ontwikkelen teneinde een zo effectief en efficiënt mogelijke toepassing van alle beschikbare fondsen te bevorderen;

    19. verlangt dat de Commissie in het kader van de "check-up" van het GLB voor 2011 een werkgroep op hoog niveau instelt die met voorstellen zal komen om de toekomst van de plattelandseconomie en de mensen die na 2013 in plattelandsgebieden wonen, veilig te stellen.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    10.9.2008

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    31

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Bernadette Bourzai, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, Giuseppe Castiglione, Giovanna Corda, Albert Deß, Constantin Dumitriu, Michl Ebner, Ioannis Gklavakis, Lutz Goepel, Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, Esther Herranz García, Lily Jacobs, Elisabeth Jeggle, Heinz Kindermann, Stéphane Le Foll, Mairead McGuinness, Rosa Miguélez Ramos, James Nicholson, Neil Parish, María Isabel Salinas García, Agnes Schierhuber, Willem Schuth, Alyn Smith, Andrzej Tomasz Zapałowski

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Katerina Batzeli, Gábor Harangozó, Astrid Lulling, Hans-Peter Mayer, Catherine Neris, Markus Pieper, Kyösti Virrankoski

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    20.1.2009

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    46

    0

    2

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Emmanouil Angelakas, Stavros Arnaoutakis, Elspeth Attwooll, Jean Marie Beaupuy, Rolf Berend, Jana Bobošíková, Victor Boştinaru, Wolfgang Bulfon, Giorgio Carollo, Antonio De Blasio, Gerardo Galeote, Iratxe García Pérez, Eugenijus Gentvilas, Monica Giuntini, Ambroise Guellec, Jim Higgins, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Mieczysław Edmund Janowski, Rumiana Jeleva, Gisela Kallenbach, Tunne Kelam, Evgeni Kirilov, Miloš Koterec, Constanze Angela Krehl, Florencio Luque Aguilar, Jamila Madeira, Sérgio Marques, Yiannakis Matsis, Miroslav Mikolášik, James Nicholson, Jan Olbrycht, Maria Petre, Markus Pieper, Pierre Pribetich, Giovanni Robusti, Wojciech Roszkowski, Grażyna Staniszewska, Catherine Stihler, Andrzej Jan Szejna, Oldřich Vlasák, Vladimír Železný

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Domenico Antonio Basile, Brigitte Douay, Madeleine Jouye de Grandmaison, Zita Pleštinská, Samuli Pohjamo, Richard Seeber