Procedure : 2007/0286(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0046/2009

Ingediende teksten :

A6-0046/2009

Debatten :

PV 10/03/2009 - 6
CRE 10/03/2009 - 6

Stemmingen :

PV 10/03/2009 - 8.12
CRE 10/03/2009 - 8.12
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0093

VERSLAG     ***I
PDF 294kWORD 481k
6.2.2009
PE 407.661v02-00 A6-0046/2009

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking)

(COM(2007)0844 – C6‑0002/2008 – 2007/0286(COD))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur voor advies: Holger Kramer

(Herschikking - Artikel 80 bis van het Reglement)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN
 BIJLAGE: ADVIES VAN DE ADVIESGROEP VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking)

(COM(2007)0844 – C6‑0002/2008 – 2007/0286(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0844)

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 175, lid 1, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6‑0002/2008),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–   gelet op de brief van 10 september 2008 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 80 bis, lid 3, van het Reglement,

–   gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie juridische zaken (A6‑0046/2009),

A. overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de ongewijzigd gebleven bepalingen van de bestaande teksten kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie hiervan behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.  gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie, met de technische aanpassingen die door de Commissie juridische zaken zijn goedgekeurd, en zoals dit hieronder is geamendeerd;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Amendement  1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis) Naleving van de in deze richtlijn vastgestelde emissiegrenswaarden moet beschouwd worden als een noodzakelijke, zij het niet voldoende voorwaarde om tegemoet te komen aan de doelstellingen op het gebied van de preventie en vermindering van vervuiling en een hoog niveau van bescherming van het milieu, bijvoorbeeld grondwater, lucht en bodem en het publiek te bereiken. Om deze doelstellingen te halen kan het noodzakelijk zijn om strengere grenswaarden vast te stellen voor de onder deze richtlijn vallende vervuilende stoffen, voor de emissiewaarden voor andere substanties en milieucomponenten, alsmede andere passende voorwaarden.

Motivering

Onderstreept moet worden dat het gebruik van de BBT een middel is om de specifieke doelstellingen van de richtlijn te realiseren; de vaststelling van grenswaarden moet daarom worden beschouwd als een algemene minimumvoorwaarde , die op zich zelf geen optimum vormt of voldoende is voor het bereiken van de noodzakelijke vermindering van vewrvuiling, blootstelling van het milieu en de daarmee samenhangende gezondheidseffecten, ongeacht de situatie waarin het milieu zich bevindt.

Amendement  2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5) Om de preventie en beheersing van verontreiniging te garanderen, mogen installaties alleen worden geëxploiteerd als daarvoor een vergunning is verleend of, in het geval van bepaalde installaties waar en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt, alleen als daarvoor een vergunning is verleend of indien zij zijn geregistreerd.

(5) Om de preventie en beheersing van verontreiniging te garanderen, mogen installaties alleen worden geëxploiteerd als daarvoor een vergunning is verleend of, in het geval van bepaalde installaties waar en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt, alleen als daarvoor een vergunning is verleend of indien zij zijn geregistreerd. Het totale gebruik van organische oplosmiddelen moet tot een minimum worden beperkt.

Motivering

Organische oplosmiddelen zijn een bron van vervuiling. Duurzame productie moet daarom berusten op technieken die geen andere oplosmiddelen dan water nodig hebben.

Amendement  3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9) De vergunning dient alle noodzakelijke maatregelen te bevatten om een hoog beschermingsniveau van het milieu als geheel tot stand te brengen, en dient voorts emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen, passende voorschriften ter bescherming van de bodem en het grondwater alsook monitoringvoorschriften te bevatten. De vergunningsvoorwaarden dienen te worden vastgesteld op basis van de beste beschikbare technieken.

(9) De vergunning dient alle noodzakelijke maatregelen te bevatten om een hoog beschermingsniveau van het milieu als geheel tot stand te brengen, en dient voorts emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen, passende voorschriften ter bescherming van de bodem en het grondwater alsook monitoringvoorschriften te bevatten en een lijst van de gebruikte gevaarlijke stoffen of preparaten, zoals gedefinieerd in Richtlijn 67/548/EG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen(1). De vergunningsvoorwaarden dienen te worden vastgesteld op basis van de beste beschikbare technieken.

 

1 OJ 196, 16.8.1967, p. 1.

Motivering

De vergunning dient een lijst te bevatten van de gevaarlijke substanties, die in de betrokken installatie worden gebruikt, ten einde meer transparantie te verschaffen ten aanzien van het gebruik van deze substanties en een behoorlijke basis te verstrekken voor de vaststelling van de aan de vergunning verbonden voorwaarden.

Amendement  4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11) Teneinde rekening te houden met bepaalde specifieke omstandigheden dient de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te worden geboden afwijkingen toe te staan waarbij hogere emissiegrenswaarden worden vastgesteld dan de emissieniveaus die samenhangen met de beste beschikbare technieken als omschreven in de BBT-referentiedocumenten. Dergelijke afwijkingen dienen gebaseerd te zijn op welomschreven criteria, en de in deze richtlijn vastgestelde emissiegrenswaarden mogen daarbij niet worden overschreden.

(11) Teneinde rekening te houden met bepaalde specifieke omstandigheden dient de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te worden geboden emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters of technische maatregelen vast te stellen die kunnen leiden tot hogere emissies dan de emissieniveaus die samenhangen met de beste beschikbare technieken als omschreven in de BBT-referentiedocumenten.

Motivering

En général, les valeurs limites d'émission fixées dans les permis correspondent à un maximum sur une courte période donnée. Elles peuvent, par conséquent, être supérieures aux niveaux d’émissions associés aux meilleures techniques disponibles (qui sont indiqués dans les documents de référence MTD) et malgré tout permettre d’atteindre ces niveaux d'émission associés aux meilleures techniques disponibles. La formulation «… qui résultent en ... » doit être ajoutée afin de prendre en compte la différence qui existe entre les valeurs limites d’émissions ”instantanées” et les niveaux d’émissions associés aux meilleures techniques disponibles (qui sont indiqués dans les documents de référence MTD) qui représentent une valeur moyenne.

Amendement  5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16) Er moet op worden toegezien dat de exploitatie van een installatie niet resulteert in een verslechtering van de kwaliteit van de bodem en het grondwater. De vergunningsvoorwaarden dienen daarom ook de monitoring van de bodem en het grondwater te behelzen, en de exploitant dient het terrein te saneren nadat de activiteiten definitief zijn stopgezet.

(16) Er moet op worden toegezien dat de exploitatie van een installatie niet resulteert in een aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit van de bodem en het grondwater. De vergunningsvoorwaarden dienen daarom, indien nodig en zinvol, ook de monitoring van de bodem en het grondwater te behelzen, en de eis het terrein te saneren nadat de activiteiten definitief zijn stopgezet, in overeenstemming met de voorwaarden in het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving. Zodra communautaire wetgeving tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG of inzake de bescherming van de bodem in werking treedt, dient de Commissie over te gaan tot herziening van de bepalingen over de bescherming van bodem en grondwater, waarin deze richtlijn voorziet, zodat de samenhang wordt bevorderd en overlapping wordt vermeden.

Amendement  6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17) Teneinde een doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van deze richtlijn te garanderen, dienen de exploitanten regelmatig bij de bevoegde autoriteit verslag uit te brengen over de naleving van de vergunningsvoorwaarden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de exploitant en de bevoegde autoriteit in geval van niet-naleving van deze richtlijn de noodzakelijke maatregelen treffen, en zij moeten voorzien in een systeem van milieu-inspecties.

(17) Teneinde een doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van deze richtlijn te garanderen, dienen de exploitanten regelmatig bij de bevoegde autoriteit verslag uit te brengen over de naleving van de vergunningsvoorwaarden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de exploitanten deze voorwaarden naleven en dat de exploitant en de bevoegde autoriteit in geval van niet-naleving van deze richtlijn de noodzakelijke maatregelen treffen, en zij moeten voorzien in een systeem van milieu-inspecties. Het is aan de lidstaten om vast te stellen wat de meest geschikte regelingen zijn om de richtlijn te handhaven en hoe de emissiegrenswaarden moeten worden gerespecteerd.

Motivering

De regelingen tot handhaving van de richtlijn moeten door de lidstaten worden vastgesteld.

Amendement  7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18) Doeltreffende publieksparticipatie in de besluitvorming is noodzakelijk om het publiek in staat te stellen meningen en zorgpunten kenbaar te maken die relevant kunnen zijn voor de besluiten in kwestie en de besluitvormer in staat te stellen daar rekening mee te houden, wat de controleerbaarheid en de transparantie van het besluitvormingsproces vergroot en de bewustwording van milieuvraagstukken en de steun voor de genomen besluiten bij het publiek ten goede komt. Leden van het betrokken publiek dienen toegang te hebben tot de rechter, aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat passend is voor de gezondheid en het welzijn van elke persoon.

(18) Met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus is doeltreffende publieksparticipatie in de besluitvorming noodzakelijk om het publiek in staat te stellen meningen en zorgpunten kenbaar te maken die relevant kunnen zijn voor de besluiten in kwestie en de besluitvormer in staat te stellen daar rekening mee te houden, wat de controleerbaarheid en de transparantie van het besluitvormingsproces vergroot en de bewustwording van milieuvraagstukken en de steun voor de genomen besluiten bij het publiek ten goede komt. Leden van het betrokken publiek dienen toegang te hebben tot de rechter, aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat passend is voor de gezondheid en het welzijn van elke persoon.

Motivering

Het amendement beoogt een verwijzing op te nemen naar een concreet document van de EU, dat op 25 juni 1998 in Aarhus werd opgesteld en betrekking heeft op toegang tot informatie, medezeggenschap van het publiek bij de besluitvorming en rechtstoegang in milieukwesties.

Amendement  8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(24) Installaties die titaandioxide produceren, kunnen aanzienlijke verontreiniging van lucht en water veroorzaken. Om deze effecten te verminderen, moeten op Gemeenschapsniveau strengere emissiegrenswaarden voor bepaalde verontreinigende stoffen worden vastgesteld.

(24) Installaties die titaandioxide produceren, kunnen aanzienlijke verontreiniging van lucht en water veroorzaken en kunnen een toxicologische bedreiging vormen. Om deze effecten te verminderen, moeten op Gemeenschapsniveau strengere emissiegrenswaarden voor bepaalde verontreinigende stoffen worden vastgesteld.

Motivering

Titaniumdioxide vormt een toxicologische dreiging, want het heeft een irriterende werking op de huid, de ogen en de slijmvliezen van de ademhalingswegen.

Amendement  9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(26) Met name dient de Commissie te worden gemachtigd criteria vast te stellen voor het toestaan van afwijkingen van de emissieniveaus die samenhangen met de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-referentiedocumenten en voor het vaststellen van de frequentie van de periodieke monitoring en de inhoud van het situatierapport, alsook de criteria voor de evaluatie van milieurisico's. Voorts moet de Commissie worden gemachtigd om maatregelen te nemen in samenhang met de ontwikkeling en toepassing van technieken in opkomst, om in bepaalde gevallen een gemiddelde emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide vast te stellen, om de datum vast te stellen vanaf welke continumetingen van de emissies van zware metalen, dioxinen en furanen in de lucht worden uitgevoerd, om de aard en de vorm vast te stellen van de gegevens die de lidstaten de Commissie moeten verstrekken over de uitvoering van deze richtlijn, en om de bijlagen V tot en met VIII aan te passen aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang. In het geval van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties kan dit de vaststelling behelzen van criteria voor het toestaan van afwijkingen van de continue monitoring van de totale uitstoot van stofdeeltjes. Aangezien deze maatregelen van algemene aard zijn en ten doel hebben niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen of deze richtlijn aan te vullen door de toevoeging van nieuwe niet-essentiële elementen, moeten zij worden aangenomen volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Schrappen.

Motivering

Het subsidiariteitsbeginsel moet in acht worden genomen. Voorts is het essentieel dat belangengroepen, bijvoorbeeld deskundigen uit het bedrijfsleven, aan de procedure deelnemen. Technische deskundigheid is nodig om technisch perfecte en uitvoerbare suggesties te ontwikkelen.

Amendement  10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 27

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(27) De lidstaten moeten regels vaststellen inzake de straffen die van toepassing zijn op overtredingen van deze richtlijn, en erop toezien dat deze worden toegepast. Die straffen moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn.

(27) Overeenkomstig het beginsel "de vervuiler betaalt" moeten de lidstaten regels vaststellen inzake de straffen die van toepassing zijn op overtredingen van deze richtlijn, en erop toezien dat deze worden toegepast. Die straffen moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn.

Motivering

Het amendement beoogt de betreffende bepaling duidelijker te maken en het voor de lidstaten gemakkelijker te maken gerechtelijke sancties te treffen tegen vervuilers.

Amendement  11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 32 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(32 bis) Voor de aanpak van grote problemen die ontstaan door de emissie van dioxine, furanen en andere verontreinigende stoffen door installaties voor de productie van gietijzer en staal en vooral sintering van ijzererts, moet de procedure die in deze richtlijn is vastgelegd, bij voorrang op dergelijke installaties worden toegepast, en wel uiterlijk op 31 maart 2011.

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis) De emissieniveaus die samenhangen met de beste beschikbare technieken (BBT-AELs) zijn een reeks emissieniveaus die voortvloeien uit de toepassing, onder normale exploitatie-omstandigheden, van de beste beschikbare technieken, zoals omschreven in de BBT- referentiedocumenten en uitgedrukt in de vorm van een gemiddelde over een bepaalde peiode en onder bepaalde omstandigheden;

Amendement  13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 - punt 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12) ‘betrokken publiek’: publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of de bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden;

(12) ‘betrokken publiek’: publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of de bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden; in de zin van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de eisen van het geldende nationaal recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn.;

Motivering

De schrapping door de Commissie van de laatste zinsnede is een schending van het Verdrag van Aarhus en moet dan ook ongedaan worden gemaakt.

Amendement  14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13) ‘techniek in opkomst’: een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als zij commercieel wordt ontwikkeld, een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu of grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande beste beschikbare technieken;

(13) ‘techniek in opkomst’: een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als zij zich technisch bewijst en commercieel wordt ontwikkeld, een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu of tenminste hetzelfde beschermingsniveau en grotere kostenbesparingen zou opleveren dan de bestaande beste beschikbare technieken;

Motivering

Betere omschrijving

Amendement  15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15) ‘situatierapport’: gekwantificeerde informatie over de toestand inzake bodem- en grondwaterverontreiniging door gevaarlijke stoffen;

(15) ‘situatierapport’: gekwantificeerde informatie over de toestand inzake bodem- en grondwaterverontreiniging door significante hoeveelheden van relevante gevaarlijke stoffen;

Amendement  16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 17 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 bis) milieu-inspectie": iedere activiteit die betrekking heeft op het controleren of een installatie voldoet aan de geldende milieu-eisen;

Motivering

Het begrip "milieuinspectie" wordt door de verschillende lidstaten op uiteenlopende wijze geïnterpreteerd. Er is daarom een duidelijke definitie nodig met het oog op een uniforme rapportering over de uitvoering van de richtlijn.

Amendement  17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 34 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(34 bis) "algemene bindende regels": grenswaarden of andere voorwaarden, zoals geformuleerd in milieuwetgeving, op sectorieel of hoger niveau, die zijn vastgesteld met het doel om rechtstreeks te worden gebruikt bij het vaststellen van vergunningsvoorwaarden.

Motivering

Een duidelijke definitie van "algemene bindende regels" is noodzakelijk.

Amendement  18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Een vergunning kan betrekking hebben op twee  of meer installaties of delen van installaties die door dezelfde exploitant op dezelfde locatie of op verschillende locaties  worden geëxploiteerd.

2. Lidstaten mogen bepalen dat een vergunning betrekking kan hebben op twee of meer installaties of delen van installaties die door dezelfde exploitant op dezelfde locatie of op verschillende locaties worden geëxploiteerd.

Wanneer een vergunning betrekking heeft op twee of meer installaties, dient elke installatie aan de eisen van deze richtlijn te voldoen.

Wanneer een vergunning betrekking heeft op twee of meer installaties, dient elke installatie individueel aan de eisen van deze richtlijn te voldoen.

Motivering

Het voorgestelde compromis moet duidelijk maken dat deze mogelijkheid aan de lidstaten wordt geboden en dat zij niet verplicht zijn deze flexibiliteit te hanteren (bijvoorbeeld indien het orgaan dat de vergunning verstrekt een dergelijk systeem niet kan goedkeuren).

Amendement  19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen kunnen gezamenlijk de exploitant zijn van een installatie c.q. een stookinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, of zij kunnen de exploitanten zijn van verschillende delen van een installatie.

De lidstaten kunnen bepalen dat twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen gezamenlijk de exploitant mogen zijn van een installatie c.q. een stookinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, of zij kunnen de exploitanten zijn van verschillende delen van een installatie. Eén natuurlijke of één rechtspersoon wordt aangewezen voor het dragen van de verantwoordelijkheid inzake de naleving van de verplichtingen die in de richtijn zijn opgenomen.

Amendement  20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1) de exploitant ten minste om de twaalf maanden bij de bevoegde autoriteit een verslag indient over de naleving van de vergunningsvoorwaarden;

(1) de exploitant tenminste om de vierentwintig maanden, bij de bevoegde autoriteit de relevante gegevens indient over de naleving van de vergunningsvoorwaarden, die onverwijld op internet beschikbaar worden gesteld. Wanneer een overtreding van de vergunningsvoorwaarden wordt vastgesteld tijdens een inspectie overeenkomstig artikel 25, wordt de rapportagefrequentie verhoogd tot tenminste één maal in de twaalf maanden.

Amendement  21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9 – lid 2 – tweede alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indien een inbreuk  een gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu  oplevert en zolang niet gewaarborgd kan worden dat overeenkomstig punt b) van de eerste alinea weer aan de eisen wordt voldaan, wordt de  exploitatie  van de installatie c.q. de stookinstallatie, de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie opgeschort .

Indien een inbreuk  een aanzienlijk gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu  oplevert en zolang niet gewaarborgd kan worden dat overeenkomstig punt b) van de eerste alinea weer aan de eisen wordt voldaan, wordt de  exploitatie  van de installatie c.q. de stookinstallatie, de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie opgeschort .

Amendement  22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – punt 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8) bij de definitieve stopzetting van de activiteiten worden de nodige maatregelen getroffen om elk risico van verontreiniging te voorkomen en het exploitatieterrein weer in de overeenkomstig artikel 23, leden 2 en 3, omschreven toestand te brengen.

(8) bij de definitieve stopzetting van de activiteiten worden de nodige maatregelen getroffen om elk risico van verontreiniging te voorkomen en het exploitatieterrein weer in een tevredenstellende toestand te brengen overeenkomstig de voorwaarden in artikel 23, leden 2 en 3.

Amendement  23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1 – letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e) in voorkomend geval, een situatierapport;

(e) indien de activiteit betrekking heeft op aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen, een situatierapport met informatie over deze stoffen,

Amendement  24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1 – letter h

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(h) de maatregelen betreffende de preventie en de terugwinning van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;

(h) zo nodig, de maatregelen betreffende de preventie en de nuttige toepassing van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;

Motivering

Het is twijfelachtig of deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn voor een gegeven installatie, zoals een verbrandingsinstallatie met een thermische input van tussen de 20 en 50 MW (indien die binnen het bereik van de herschikte richtlijn valt). De voornaamste zorgen over dergelijke installaties betreffen de effecten van de emissies op de lucht, zodat een volledig geïntegreerde aanpak die maatregelen voor het beheersen van het effect van de emissies op land en in het water omvat naar onze mening overbodig zou zijn.

Amendement  25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1 – letter k

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(k) een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.

(k) een schets van de voornaamste relevante, door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.

Amendement  26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1 – tweede alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De aanvraag van een vergunning dient een niet-technische samenvatting van de in de eerste alinea genoemde gegevens te bevatten.

Een aanvraag voor een vergunning moet ook een niet-technische samenvatting bevatten van de details waarnaar in de eerste paragraaf wordt verwezen als ook, in voorkomend geval, een situatierapport ;

Motivering

Een situatierapport moet alleen van grotere installaties worden verlangd.

Amendement  27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

BBT-referentiedocumenten

BBT-referentiedocumenten en uitwisseling van informatie

1. De Commissie neemt BBT-referentiedocumenten aan op basis van de resultaten van de in artikel 29 bedoelde uitwisseling van informatie.

1. De Commissie organiseeert uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, vertegenwoordigers van de relevante bevoegde autoriteiten, exploitanten en leveranciers van technieken die het betrokken bedrijfsleven vertegenwoordigen, niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming en de Commissie, in verband met het volgende:

 

(a) de prestaties van installaties wat betreft emissies, verontreiniging, verbruik van grondstoffen, aard van de grondstoffen, energieverbruik en afvalproductie; en tevens

 

(b) de best beschikbare technieken, de daarmee samenhangende monitoring en de ontwikkelingen terzake.

 

De Commissie richt een Informatieuitwisselingsforum op, samengesteld uit de lidstaten, vertegenwoordigers van de relevante bevoegde autoriteiten, vertegenwoordigers van de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties voor het milieu, met het oog op de organisatie van de in lid 1 bedoelde uitwisseling van informatie.

 

De Commissie stelt richtsnoeren op voor de uitwisseling van informatie, met inbegrip van de vergaring van data en de vaststelling van de inhoud van de BBT-referentiedocumenten. De Commissie publiceert hierover een evaluatieverslag. Het verslag wordt op internet toegankelijk gemaakt.

 

1 bis. De Commissie publiceert de resultaten van de in lid 1 bedoelde uitwisseling van informatie in de vorm van een nieuw of bijgewerkt BBT-referentiedocumenten.

2. De BBT-referentiedocumenten bevatten met name een beschrijving van de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende emissieniveaus en de bijbehorende monitoring, de monitoring van bodem en grondwater en de sanering van het terrein alsook de technieken in opkomst, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de in bijlage III genoemde criteria. De Commissie toetst en actualiseert de BBT-referentiedocumenten wanneer dat nodig is.

2. De BBT-referentiedocumenten bevatten met name een beschrijving van de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende emissieniveaus, verbruiksniveaus en de bijbehorende monitoring, de monitoring van bodem en grondwater en de sanering van het terrein alsook de technieken in opkomst, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de in bijlage III genoemde criteria, en waarbij de herziening binnen acht jaar na de publicatie van de vorige versie wordt voltooid. De Commissie ziet erop toe dat de BBT-conclusies uit de BBT-referentiedocumenten beschikbaar worden gesteld in de officiële talen van de lidstaten. Op verzoek van een lidstaat maakt de Commissie het volledige BBT-referentiedocument beschikbaar in de gevraagde taal.

Amendement  28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b) passende voorschriften ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen voor het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;

(b) indien nodig, passende voorschriften ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen voor het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;

Motivering

Er moet flexibiliteit blijven bestaan, dus verdient het aanbeveling de woorden "indien nodig" weer op te nemen.

Amendement  29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15– lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(d) eisen inzake de periodieke monitoring met betrekking tot gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;

(d) eisen inzake de periodieke monitoring met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die in aanzienlijke hoeveelheden op het terrein kunnen worden aangetroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;

Amendement  30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Indien op een installatie of een deel van een installatie geen BBT-referentiedocumenten van toepassing zijn of indien die documenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit behandelen, bepaalt de bevoegde autoriteit op basis van de criteria van bijlage III wat de beste beschikbare technieken voor de betrokken installatie of activiteiten zijn en stelt zij dienovereenkomstig de vergunningsvoorwaarden vast.

4. Indien op een installatie of een deel van een installatie geen BBT-referentiedocumenten van toepassing zijn of indien die documenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit behandelen, bepaalt de bevoegde autoriteit, samen met de exploitant, op basis van de criteria van bijlage III het emissieniveau dat met de beste beschikbare technieken voor de betrokken installatie of activiteiten correspondeert en stelt zij dienovereenkomstig de vergunningsvoorwaarden vast.

Motivering

De exploitant kent zijn proces het beste en hij moet worden betrokken bij de bepaling van de emissieniveaus die met de best beschikbare technieken kunnen worden behaald.

Amendement  31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 2 – tweede alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De bevoegde autoriteit stelt emissiegrenswaarden vast die niet hoger zijn dan de emissieniveaus die eigen zijn aan de in de BBT-referentiedocumenten beschreven beste beschikbare technieken.

De bevoegde autoriteit stelt emissiegrenswaarden vast alsmede controle- en nalevingseisen om ervoor te zorgen dat de met de BBT samenhangende emissieniveaus niet worden overschreden.

 

Emissiegrenswaarden kunnen worden vervangen door gelijkwaardige parameters of technische maatregelen, mits een gelijkwaardig niveau van milieubescherming kan worden bereikt.

Amendement  32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. In afwijking van lid 2, tweede alinea, mag de bevoegde autoriteit in specifieke gevallen, op basis van een beoordeling van de economische en milieukosten en –baten, rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden, emissiegrenswaarden vaststellen die hoger zijn dan de emissieniveaus die eigen zijn aan de in de BBT-referentiedocumenten beschreven beste beschikbare technieken.

3. In afwijking van lid 2, tweede alinea, mag de bevoegde autoriteit in uitzonderlijke gevallen, die het gevolg zijn de beoordeling van de economische en milieukosten en –baten, rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden, emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters of technische maatregelen vaststellen, alsmede controle- en nalevingseisen, en wel zodanig dat de met de BBT samenhangende emissieniveaus kunnen worden overschreden.

Die emissiegrenswaarden mogen echter niet hoger zijn dan de eventueel toepasselijke in de bijlagen V tot en met VIII vastgestelde grenswaarden.

Die emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters of technische maatregelen mogen echter niet hoger zijn dan de volgens artikel 68 (bis) en de eventueel toepasselijke, in de bijlagen V tot en met VIII vastgestelde grenswaarden.

 

De lidstaten zorgen ervoor dat betrokkenen tijdig en daadwerkelijk de gelegenheid krijgen deel te nemen aan de besluitvorming in verband met het toestaan van de in dit lid bedoelde afwijkingen.

 

Als er overeenkomstig dit lid emissiegrenswaarden, equivalente parameters en technische maatregelen zijn vastgesteld, dan moeten de redenen voor het toestaan van emissieniveaus die afwijken van de aan de BBT gekoppelde emissie niveaus zoals beschreven in de BBT- referentiedocumenten, worden gedocumenteerd en gerechtvaardigd in een bijlage bij de vergunningsvoorwaarden.

De Commissie kan criteria vaststellen voor het toestaan van de in dit lid bedoelde afwijking.

De Commissie kan criteria vaststellen voor het toestaan van de in dit lid bedoelde afwijking.

Die maatregelen, die niet-essentiële elementen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Die maatregelen, die niet-essentiële elementen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Amendement  33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 – lid 2 – tweede alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Onverminderd het bepaalde in de eerste alinea vindt de periodieke monitoring ten minste eens om de zeven jaar plaats.

Onverminderd het bepaalde in de eerste alinea vindt de periodieke monitoring van grondwater en grond ten minste respectievelijk eenmaal in de 5 of 10 jaar plaats, tenzij de monitoring gebaseerd is op een systematische beoordeling van de verontreinigingsrisico's.

Amendement  34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De algemene bindende voorschriften worden gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat het gebruik van een techniek of een specifieke technologie wordt voorgeschreven.

2. De algemene bindende voorschriften worden gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat het gebruik van een techniek of een specifieke technologie wordt voorgeschreven, zodat conformiteit met de artikelen 15 en 16 wordt gewaarborgd..

De lidstaten zien erop toe dat de algemene bindende voorschriften emissiegrenswaarden of gelijkwaardige parameters of technische maatregelen behelzen die de emissieniveaus welke eigen zijn aan de in de BBT-referentiedocumenten beschreven beste beschikbare technieken niet overschrijden.

 

Motivering

Leden 2 en 3 hebben betrekking op het vaststellen van voorwaarden in algemeen bindende voorschriften en de herziening daarvan bij de publicatie van een nieuw BREF. Dit compromis stelt voor een rechtstreeks verband te leggen tussen de artikelen over de BBT en het BREF (art. 15 en 16) en de toetsing van de vergunning (Art. 22) en de kwesties die verband houden met de BBT en de toetsing van de vergunning niet meer aan de orde te stellen.

Amendement  35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De lidstaten zien erop toe dat de algemene bindende voorschriften gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken.

3. De lidstaten zien erop toe dat de algemene bindende voorschriften gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken, zodat conformiteit met artikel 22 gewaarborgd wordt.

Als de Commissie een nieuw of bijgesteld BBT-referentiedocument aanneemt, toetsen en actualiseren de lidstaten, voor zover nodig, binnen vier jaar na de bekendmaking daarvan de algemene bindende voorschriften voor de betrokken installaties.

 

Motivering

Leden 2 en 3 hebben betrekking op het vaststellen van voorwaarden in algemeen bindende voorschriften en de herziening daarvan bij de publicatie van een nieuw BREF. Dit compromis stelt voor een rechtstreeks verband te leggen tussen de artikelen over de BBT en het BREF (art. 15 en 16) en de toetsing van de vergunning (Art. 22) en de kwesties die verband houden met de BBT en de toetsing van de vergunning niet meer aan de orde te stellen.

Amendement  36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken en de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-referentiedocumenten  volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken en de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-referentiedocumenten volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden en dat ook het betrokken publiek wordt geïnformeerd.

Motivering

Het is zinvol dat de lidstaten het betrokken publiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen bij de BREFs.

Amendement  37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 3 – eerste alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Als de Commissie een nieuw of bijgesteld BBT-referentiedocument aanneemt, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteit, voor zover nodig, binnen vier jaar na de bekendmaking daarvan de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken installaties toetst en bijstelt.

3. Als de Commissie een nieuw of bijgesteld BBT-referentiedocument publiceert, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteit, voor zover nodig, binnen vier jaar na de bekendmaking daarvan de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken installaties toetst en bijstelt.

Amendement  38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 4 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b) ontwikkelingen op het gebied van  de beste beschikbare technieken maken een significante beperking van de emissies mogelijk ;

(b) belangrijke veranderingen op het gebied van  de beste beschikbare technieken maken een significante beperking van de emissies mogelijk ;

Amendement  39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22– lid 4 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

indien aan een milieukwaliteitsnorm overeenkomstig artikel 19 moet worden voldaan.

(d) indien aan Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen of aan een milieukwaliteitsnorm overeenkomstig artikel 19, moet worden voldaan.

 

1 PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22.

Amendement  40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade en Richtlijn 20../../EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat de vergunningsvoorwaarden die werden opgelegd om de toepassing van het in artikel 12, punt 8, genoemde beginsel te garanderen, worden nageleefd wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet.

1. Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, Richlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake de bescherming van grondwater tegen verontreiniging en kwaliteitsvermindering(1), Richtlijn 2009/.../EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu via het strafrecht(2) en Richtlijn 2009/../EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG, ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat de vergunningsvoorwaarden die werden opgelegd om de toepassing van het in artikel 12, punt 8, genoemde beginsel te garanderen, worden nageleefd wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet

 

_________________

 

1 PB L...

 

2 PB L... (COM(2007)0051).

 

3 PB L... (COM(2006)0232.

Amendement  41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Wanneer de activiteit gepaard gaat met het gebruik, de productie of de uitstoot van gevaarlijke stoffen die relevant zijn voor de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie, stelt de exploitant een situatierapport op alvorens de exploitatie van de installatie begint of de vergunning voor de installatie wordt bijgesteld. Dat rapport bevat de gekwantificeerde gegevens die noodzakelijk zijn om de uitgangstoestand van de bodem en het grondwater te bepalen.

2. Wanneer de activiteit gepaard gaat met het gebruik, de productie of de uitstoot van relevante hoeveelheden van gevaarlijke stoffen die relevant zijn voor de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie, stelt de exploitant een situatierapport op alvorens de exploitatie van de installatie begint of de vergunning voor de installatie wordt bijgesteld. Dat rapport bevat de gekwantificeerde gegevens die noodzakelijk zijn om de uitgangstoestand van de bodem en het grondwater te bepalen op het punt van aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

De Commissie stelt criteria voor de inhoud van het situatierapport vast.

De Commissie stelt de algemene criteria voor de inhoud van het situatierapport vast.

Die maatregelen, die niet-essentiële elementen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Die maatregelen, die niet-essentiële elementen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Amendement  42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet, beoordeelt de exploitant de toestand op het punt van bodem- en grondwaterverontreiniging door gevaarlijke stoffen. Als de installatie, in vergelijking met de uitgangstoestand zoals vastgesteld in het in lid 2 bedoelde situatierapport, verontreiniging van de bodem of het grondwater met gevaarlijke stoffen heeft veroorzaakt, saneert de exploitant het terrein en herstelt hij die uitgangstoestand.

3. Wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet, stelt de exploitant de bevoegde autoriteit hiervan op de hoogte en beoordeelt de toestand op het punt van bodem- en grondwaterverontreiniging door gevaarlijke stoffen. Als de installatie, in vergelijking met de uitgangstoestand zoals vastgesteld in het in lid 2 bedoelde situatierapport, verontreiniging van de bodem of het grondwater met gevaarlijke stoffen heeft veroorzaakt, saneert de exploitant het terrein en herstelt hij die uitgangstoestand.

Amendement  43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Verslaglegging over het inachtnemen van de voorwaarden

Vergelijking van emissies met emissieniveaus die verband houden met de beste beschikbare technieken

Het in artikel 8, punt 1, bedoelde verslag over de naleving omvat een vergelijking tussen de werking van de installatie, inclusief het emissieniveau, en de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-referentiedocumenten.

De in artikel 8, punt 1, bedoelde relevante gegevens over de naleving van de vergunningvoorwaarden omvatten een vergelijking van het emissieniveau en de emissieniveaus die verband houden met de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-referentiedocumenten. De relevante gegevens worden onverwijld op internet toegankelijk gemaakt.

Amendement  44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Op basis van de inspectieplannen stelt de bevoegde autoriteit geregeld inspectieprogramma's op, waarbij de frequentie van de bezoeken ter plaatse voor de verschillende types installaties wordt vastgesteld.

4. Op basis van de inspectieplannen stelt de bevoegde autoriteit geregeld inspectieprogramma's op, waarbij de frequentie van de bezoeken ter plaatse voor de verschillende types installaties wordt vastgesteld.

 

De lidstaten waarborgen dat er voldoende personen met vakkennis beschikbaar zijn om deze inspecties uit te voeren.

Die programma's behelzen ten minste een bezoek ter plaatse per twaalf maanden aan elke installatie, tenzij die programma's gebaseerd zijn op een systematische evaluatie van de milieurisico's van de betrokken installaties.

Die programma's behelzen ten minste een steekproefsgewijs vastgesteld bezoek ter plaatse per achttien maanden aan elke installatie. Deze frequentie wordt verhoogd tot tenminste één maal per zes maanden, indien bij een inspectie wordt vastgesteld dat niet voldaan is aan de vergunningvoorwaarden.

 

Als die programma's gebaseerd zijn op een systematische evaluatie van de milieurisico's van de betrokken installaties, dan kan de frequentie van de bezoeken ter plaatse worden verminderd tot een minimum van één bezoek per 24 maanden.

 

De systematische evaluatie van de risico's voor het milieu is gebaseerd op objectieve criteria, zoals:

 

(a) de mate waarin de exploitant de voorwaarden van de vergunning, in acht neemt;

 

(b) de gevolgen die de installatie heeft voor het milieu en de volksgezondheid;

 

 

(c) de deelname van de exploitant aan het communautair systeem voor milieumanagement en audit (EMAS), volgens Verordening (EG) nr.761/2001, of de tenuitvoerlegging van vergelijkbare milieubeheersystemen.

De Commissie stelt criteria voor de beoordeling van de milieurisico's vast.

De Commissie kan nadere criteria voor de beoordeling van de milieurisico's vaststellen.

Die maatregelen, die niet-essentiële elementen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Die maatregelen, die niet-essentiële elementen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Amendement  45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6. Niet-routinematige inspecties worden uitgevoerd om ernstige milieuklachten, ernstige milieuongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo snel mogelijk te onderzoeken, alsook, indien passend, vóór de afgifte, toetsing of bijstelling van een vergunning.

6. Niet-routinematige, steekproefsgewijze inspecties worden uitgevoerd om ernstige en gewettigde milieuklachten, ernstige milieuongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving, dan wel feiten die ernstige gevolgen voor de gezondheid van de mens hebben, zo snel mogelijk te onderzoeken, alsook, indien passend, vóór de afgifte, toetsing of bijstelling van een vergunning.

 

Bij het uitvoeren van een niet-routinematige inspectie kunnen de bevoegde autoriteiten de exploitanten alle informatie verzoeken om de toedracht van een ongeval, incident of een geval van niet-naleving te onderzoeken, met inbegrip van statistische gezondheidsgegevens.

Amendement  46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 7 – tweede alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het verslag wordt ter kennis van de betrokken exploitant gebracht en binnen twee maanden nadat de inspectie heeft plaatsgevonden, openbaar gemaakt.

Het verslag wordt binnen twee maanden ter kennis gebracht van de betrokken exploitant. Het verslag wordt binnen vier maanden nadat de inspectie heeft plaatsgevonden door de bevoegde autoriteit op internet openbaar gemaakt.

Amendement  47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26– lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(d) de aanneming van algemene bindende voorschriften zoals bepaald in de artikelen 7 en 18.

(d) actualisering van een vergunning of de voorwaarden daarvoor voor een installatie waarvoor een afwijking wordt toegestaan overeenkomstig artikel 16, lid 3.

Amendement  48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 1 – tweede alinea bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Niet-gouvernementele organisaties die de milieubescherming bevorderen en aan de in de nationale wetgeving neergelegde eisen voldoen, worden geacht een belang te hebben.

Amendement  49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Lid 1, onder a) en b), is niet van toepassing als aan alle hierna genoemde voorwaarden is voldaan:

Schrappen.

(a) de nieuwe installatie of belangrijke wijziging valt onder Richtlijn 85/337/EEG;

 

(b) alle noodzakelijke vergunningsvoorwaarden worden bestreken door algemene bindende voorschriften;

 

(c) er hoeven geen strengere eisen te worden gesteld om aan artikel 19 te voldoen.

 

Amendement  50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 3 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Wanneer een besluit over de verlening, toetsing of bijstelling van een vergunning dan wel over de aanneming of bijstelling van algemene bindende voorschriften  is genomen, stelt de bevoegde autoriteit het publiek de volgende informatie ter beschikking:

3. Wanneer een besluit over de verlening, toetsing of bijstelling van een vergunning is genomen, stelt de bevoegde autoriteit het publiek de volgende informatie ter beschikking:

Amendement  51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 3 – letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e) de manier waarop de in de vergunning of de algemene bindende voorschriften opgenomen emissiegrenswaarden zijn vastgesteld in verhouding tot de beste beschikbare technieken en de daarmee samenhangende emissieniveaus als beschreven in de BBT-referentiedocumenten;

(e) de manier waarop de in artikel 15 bedoelde vergunningvoorwaarden zijn vastgesteld in verhouding tot de beste beschikbare technieken en de daarmee samenhangende emissieniveaus als beschreven in de BBT-referentiedocumenten;

Amendement  52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 3 – letter f

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(f) indien overeenkomstig artikel 16, lid 3, een afwijking is toegestaan, de redenen voor die afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden;

(f) indien overeenkomstig artikel 16, lid 3, een afwijking is toegestaan, de specifieke redenen voor die afwijking op basis van de in artikel 16, lid 3 vastgelegde criteria en de daaraan verbonden voorwaarden;

Amendement  53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 3 – letter g

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(g) het resultaat van de toetsing van de algemene bindende voorschriften als bedoeld in artikel 18, lid 3, en van de vergunningen als bedoeld in artikel 22, leden 1, 3 en 4;

(g) het resultaat van de toetsing van de vergunningen als bedoeld in artikel 22, leden 1, 3 en 4;

Amendement  54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 3 – alinea bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten zien erop toe dat de onder (a) - (g) bedoelde informatie onverwijld op internet openbaar wordt gemaakt;

Amendement  55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 29

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 29

Schrappen.

Uitwisseling van informatie

 

De Commissie organiseert de uitwisseling van informatie met  de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming over:

 

(a) de prestaties van installaties wat betreft emissies, verontreiniging, verbruik van grondstoffen, aard van de grondstoffen, energieverbruik en afvalproductie;

 

(b) de gebruikte  technieken, de daarmee samenhangende monitoring en de ontwikkelingen ter zake.

 

Amendement  56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 2 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Met het oog op de uitvoering van de eerste alinea stelt de Commissie maatregelen vast ter bepaling van:

Met het oog op de uitvoering van de eerste alinea stelt de Commissie de volgende criteria vast :

Motivering

Door dit voorstel wordt de comitologie in stand gehouden maar beklemtoond dat criteria en geen maatregelen worden vastgesteld.

Amendement  57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 33 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6. Bij uitbreiding van een stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden van deel 2 van bijlage V van toepassing op het gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft; zij worden vastgesteld op grond van het nominale thermische vermogen van de gehele stookinstallatie.

6. Bij uitbreiding van een stookinstallatie waarbij het vermogen wordt verhoogd met minstens 20 MW zijn de emissiegrenswaarden van deel 2 van bijlage V van toepassing op het gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft; zij worden vastgesteld op grond van het nominale thermische vermogen van de gehele stookinstallatie.

Motivering

Kleine uitbreidingen van stookinstallaties moeten niet onder deze bepaling vallen.

Amendement  58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 35 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten zorgen ervoor dat  de monitoring van luchtverontreinigende stoffen plaatsvindt  overeenkomstig deel 3 van bijlage V .

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de monitoring van luchtverontreinigende stoffen plaatsvindt overeenkomstig deel 3 van bijlage V. De lidstaten kunnen eisen dat een dergelijke monitoring plaatsvindt op kosten van de exploitant.

Motivering

De tekst werd uit de richtlijn inzake grote stookinstallatiesverwijderd, maar wordt om redenen van helderheid weer ingevoegd.

Amendement  59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 67 – lid 1 – eerste alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over de uitvoering van deze richtlijn, representatieve gegevens over emissies en andere milieu-effecten, emissiegrenswaarden en de toepassing van de beste beschikbare technieken overeenkomstig de artikelen 15 en 16.

1. De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over de uitvoering van deze richtlijn, representatieve gegevens over emissies en andere milieu-effecten, emissiegrenswaarden en de toepassing van de beste beschikbare technieken overeenkomstig de artikelen 15 en 16 en over de afwijkingen die in overeenstemming met artikel 16, lid 3 zijn toegelaten.

Amendement  60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 67 – lid 1 - tweede alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten ontwikkelen nationale informatiesystemen en werken deze regelmatig bij om de in de eerste alinea bedoelde gegevens elektronisch toe te kunnen zenden.

De lidstaten ontwikkelen nationale informatiesystemen en werken deze regelmatig bij om de in de eerste alinea bedoelde gegevens elektronisch toe te kunnen zenden. De lidstaten stellen aan het publiek een samenvatting van de geleverde informatie beschikbaar.

Motivering

Teneinde de Commissie alle noodzakelijke instrumenten te leveren voor het monitoren van de toepassing van de richtlijn en in het bijzonder voor het beoordelen van het gebruik van de vrijstellingen van de BBT, moeten de lidstaten specifieke informatie leveren over het gebruik van deze mogelijkheid. Bovendien moeten de door de lidstaten verstrekte gegevens over het gebruik van BBT en de emissieniveaus ook gebruikt kunnen worden voor de herziening van de BREF. Er moeten samenvattende verslagen van de tenuitvoerlegging worden ingediend teneinde een goede voorlichting van het publiek te waarborgen. .

Amendement  61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 68

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Met behulp van de beste beschikbare technieken zal de Commissie bijlage V, delen 3 en 4, bijlage VI, delen 1, 2, 6, 7 en 8, bijlage VII, delen 1, 5, 6, 7 en 8 en bijlage VIII, delen 2 en 4 aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aanpassen.

1. Met behulp van de beste beschikbare technieken zal de Commissie, zoals omschreven in het desbetreffende BBT-referentiedocument, binnen twaalf maanden na de openbaarmaking van een BBT-referentiedocument in overeenstemming met artikel 14, gebaseerd op de BBT-conclusies in het BBT-referentiedocument, de bijlagen V, VI, VII en VIII aanpassen door het vaststellen van emissiegrenswaarden als minimum voorwaarden. Emissiegrenswaarden kunnen worden vervangen door gelijkwaardige parameters, technische maatregelen en controle en nalevingvoorwaarden, mits een gelijkwaardig niveau van milieubescherming kan worden bereikt.

Deze maatregelen, die ten doel hebben niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Deze maatregelen, die ten doel hebben niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

 

2. Voor de goedkeuring van de in het eerste lid bedoelde uitvoeringsmaatregelen, pleegt de Commissie overleg met de relevante bedrijfstakken en met niet-gouvernementele organisaties die de milieubescherming bevorderen en brengt verslag uit over de uitkomst van het overleg en de manier waarop hiermee rekening is gehouden.

Amendement  62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 68 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 68 bis

 

Minimumvereisten

 

1. Met inachtneming van artikel 68 zal de Commissie, binnen twaalf maanden na de openbaarmaking van het BBT-referentiedocument en in overeenstemming met artikel 14, op basis van de BBT-conclusies in het BBT-referentiedocument, als minimum vereiste emissiegrenswaarden en controle- en nalevingsvereisten, vaststellen. Emissiegrenswaarden kunnen worden vervangen door gelijkwaardige parameters of technische maatregelen, mits een gelijkwaardig niveau van milieubescherming kan worden bereikt.

 

Dergelijke minimum vereisten hebben tot doel een aanmerkelijk milieu-effect te bereiken wat betreft de betrokken activiteiten of installaties en zijn gebaseerd op BBT/AEL.

 

Deze maatregelen, die ten doel hebben niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

 

2. Voor de goedkeuring van de in het eerste lid bedoelde uitvoeringsmaatregelen, pleegt de Commissie overleg met de relevante bedrijfstakken en met niet-gouvernementele organisaties die de milieubescherming bevorderen en brengt verslag uit over de uitkomst van het overleg en de manier waarop hiermee rekening is gehouden.

 

3. In overeenstemming met de leden 1 en 2 zal de Commissie met name uiterlijk 31 december 2011 emissiegrenswaarden vaststellen, alsmede controle- en nalevingsvereisten voor dioxinen en furanen die worden uitgestoten door installaties waarin activiteiten plaatsvinden die vallen in het kader van de punten 2.1 en 2.2 van bijlage I.

 

De lidstaten of de bevoegde autoriteiten mogen strengere emissiegrenswaarden voor dioxine en furan vaststellen.

 

Deze maatregelen, die ten doel hebben niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Amendement  63

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage – paragraaf 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bij het berekenen van het totale nominaal thermisch vermogen van de in punt 1.1 bedoelde installaties, worden stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van minder dan 50 MW die niet meer dan 350 uur per jaar in bedrijf zijn, buiten beschouwing gelaten.

Bij het berekenen van het totale nominaal thermisch vermogen van de in punt 1.1 bedoelde installaties, worden stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van minder dan 50 MW die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn, buiten beschouwing gelaten.

Motivering

In plaats van wijziging van de drempel wordt voorgested die op 20 MW te handhaven, maar het "de minimis"-voorschrift om meer kleinere installaties vam de berekening uit te sluiten, te wijzigen.

Amendement  64

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2.5 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c) het gieten van non-ferrometalen met een productiecapaciteit van goede gietstukken van meer dan 2,4 ton per dag voor lood en cadmium of 12 ton per dag voor alle andere metalen.

(c) het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit van meer dan 2,4 ton per dag voor lood en cadmium of 12 ton per dag voor alle andere metalen.

Motivering

De productie van "goede" of "slechte gietstukken" in een installatie heeft hetzelfde gevolg voor het milieu. Voorts is het moeilijk een drempel te hanteren die alleen gedefinieerd wordt in termen als "goede gietstukken" Het concept kan worden verbeterd door een nauwkeuriger en helderder omschrijving van het toepassingsgebied zonder dat radicale wijzigingen worden aangebracht in het huidige toepassingsgebied van IPPC.

Amendement  65

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 5.2 – inleidende zin

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.2. De verbranding van ongevaarlijk  afval met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur.

5.2. De verbranding en meeverbranding van ongevaarlijk  afval met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur.

Motivering

Meeverbranding is al opgenomen door de omschrijving van andere activiteiten zoals de cementproductie. Niettemin lijkt het zinvol te preciseren dat meeverbranding ook is opgenomen (zoals in het geval van gevaarlijk afval onder punt 5.1, letter (c).

Amendement  66

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 5.3 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b) fysisch-chemische behandeling,

(b) fysisch-chemische behandeling onder uitsluiting van activiteiten die vallen onder Richtlijn 91/271/EG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater(1) wat slechts resulteert in behandeld slib, zoals vastgelegd in Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 inzake de bescherming van het milieu en met name de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw(2) Deze uitsluiting is slechts van toepassing als tenminste hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als onder deze richtlijn;

 

PB L 1 van 30.5.1991, blz. 135.

 

PB L 2 van 04.07.86, blz. 181.

Motivering

Ter voorkoming van overlapping in de wetgeving en waarborging van consistentie, is het te rechtvaardigen de installaties die vallen onder Richtlijn 91/271/EG over de behandeling van stedelijk afvalwater, niet op te nemen. Voorts verwijst het amendement terecht naar de slibrichtlijn voor wat betreft de definitie van "behandeld slib".

Amendement  67

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 5.3 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(d) behandeling van slakken en as,

(d) behandeling van slakken en as die niet onder andere categorieen van industriële activiteiten vallen.

Amendement  68

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 5.3 – letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e) behandeling van schroot.

(e) behandeling van schroot in een shredderinstallatie.

Amendement  69

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 6.6 – tweede alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor andere dan de onder a) bedoelde pluimveesoorten of voor andere dan de onder a), b) en c) bedoelde soorten die in dezelfde installatie worden gehouden, wordt de drempel berekend aan de hand van stikstofuitscheidingsfactoren die gelijkwaardig zijn met de hierboven vermelde drempels.

Voor andere dan de onder a) bedoelde pluimveesoorten of voor andere dan de onder a), b) en c) bedoelde soorten die in dezelfde installatie worden gehouden, wordt de drempel berekend aan de hand van stikstofuitscheidingsfactoren die gelijkwaardig zijn met de hierboven vermelde drempels. De Commissie stelt richtsnoeren vast voor de berekening van de drempels en de bepalig van gelijkwaardige stikstofuitscheidingsfactoren.

Motivering

In dit stadium is het technisch moeilijk specifieke drempels voor te stellen voor pluimveesoorten die niet worden vermeld (in de praktijk heeft slechts een zeer gering aantal landbouwbedrijven bemoeienis met pluimveesoorten die niet in Bijlage I worden vermeld, bijvoorbeeld kwartels, struisvolges, fazanten) of voor gemengde bedrijven. Bij wijze van compromis en gezien de zeer technische aard van de zaak, dient de Commissie richtsnoeren op te stellen.

Amendement  70

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 6.9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.9 De conservering van hout en houtproducten met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag.

6.9 De conservering van hout en houtproducten met een productiecapaciteit van meer dan 50 m3 per dag.

Amendement  71

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – deel 1 – punt 2 – paragraaf na de tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend  en die niet meer dan 1500 uur  per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar) geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.

Voor stookinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken met een nominaal thermisch vermogen van minder dan 500 MW waarvoor vóór 27.11.02 vergunning is verleend en die niet meer dan 1 500 uur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.°

Motivering

Het volstaat installaties die vloeibare brandstoffen gebruiken en een gering aantal uren per jaar in bedrijf zijn, te laten voldoen aan minder strenge emissiegrenswaarden voor SO2, waardoor voorkomen wordt dat secundaire zuiveringsinrichtingen als primaire maatregelen moeten worden geïnstalleerd (met name het gebruik van vloeibare brandstoffen met minder dan 0,5% zwavel). Gezien het beperkte aantal bedrijfsuren per jaar, is hun effect op het milieu gering. Voor installaties die vloeibare brandstof gebruiken, moet de afwijking beperkt blijven tot installaties van minder dan 500 MW, aangezien deze al moeten voldoen aan de strengere emissiegrenswaarden in het kader van de richtlijn voor grote stookinstallaties.

Amendement  72

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – deel 1 – punt 4 – paragrafen na de tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken met een nominaal thermisch vermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend en  die niet meer dan 1 500 uur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), geldt  een emissiegrenswaarde voor NOx  van 450 mg/Nm3 .

Voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken met een nominaal thermisch vermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend en  die niet meer dan 1 500 uur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), geldt  een emissiegrenswaarde voor NOx  van 450 mg/Nm3 .

Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken met een nominaal thermisch vermogen van 500 MW of meer waarvoor vóór 1 juli 1987 vergunning is verleend en die niet meer dan 1 500 uur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.°

Voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken met een nominaal thermisch vermogen van 500 MW of meer waarvoor vóór 1 juli 1987 vergunning is verleend en die niet meer dan 1 500 uur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.°

Motivering

Het volstaat voor installaties die vloeibare brandstoffen gebruiken een minder strenge emissiegrenswaarde voor NOx te laten gelden als in het compromis wordt voorgesteld, omdat voorkomen wordt dat dan secundaire zuiveringsinrichtingen moeten worden geïnstalleerd ( met name selectieve katalytische reductie, SCR) als primaire maatregelen voor deze installaties (met name aanpassingen van het verbrandingsproces). Gezien het beperkte aantal bedrijfsuren per jaar, is hun effect op het milieu gering.

Amendement  73

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – deel 1 – punt 5 – punt 4 – derde alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden  zijn niet van toepassing op gasturbines die, voor noodgevallen, minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de tijd gedurende welke deze in bedrijf zijn .

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden  zijn niet van toepassing op gasturbines en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de tijd gedurende welke deze in bedrijf zijn .

Amendement            74

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – deel 1 – punt 5 – punt 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis) Voor gasturbines waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend  en die niet meer dan 1.500 uur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar) geldt een emissiegrenswaarde van 150 mg/NO2. gemeten als NO2/m3.

Amendement  75

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – deel 2 – punt 5 – punt 2 – derde alinea

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden  zijn niet van toepassing op gasturbines die, voor noodgevallen, minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de tijd gedurende welke deze in bedrijf zijn .

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden  zijn niet van toepassing op gasturbines en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de tijd gedurende welke deze in bedrijf zijn .

Motivering

Gasmotoren voor het opwekken van elektriciteit zijn vaak in rechtstreekse concurrentie met gasturbines. Door gasmotoren die voor noodgevallen worden gebruikt, vrij te stellen van de emissiegrenswaarde, wordt gezorgd voor gelijke behandeling met gasturbines. Voor deze installaties, die een zeer beperkt aantal uren in bedrijf zijn en dan alleen in noodgevallen, zou de toepassing van secundaire zuiveringsmaatregelen (met name selectieve katalytische reductie, SCR) leiden tot hoge kosten met gering profijt voor het milieu, gezien het beperkte aantal bedrijfsuren per jaar.

Amendement  76

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – deel 3 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De concentratie zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in  rookgassen van elke stookinstallatie met een nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer wordt continu gemeten.

1. De concentratie zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en stof in  rookgassen van elke stookinstallatie met een nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer wordt continu gemeten.

De concentratie koolmonoxide in rookgassen van met gasvormige brandstoffen gestookte installaties met een nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer wordt continu gemeten.

 

Motivering

In het Commissievoorstel wordt de eis geïntroduceerd om koolmonoxide alleen continu te controleren bij verbrandingsnstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, omdat voor deze installaties in bijlage V een emissiegrenswaarde is vastgesteld. De bevoegde autoriteiten moeten de controle-eisen voor de vergunningen vaststellen in overeenstemming met BBT (artikel 17) Aangezien koolmonoxide kan worden beschouwd als een zinvolle parameter voor alle verbrandingsinstallaties wat betreft de controle op het verbrandingsproces, is het van belang dat controle continu plaatsvindt.

Amendement  77

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – deel 4 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Bij continumetingen worden de in de delen 1 en 2 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien uit de evaluatie van de meetresultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar blijkt dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

1. Bij continumetingen worden de in de delen 1 en 2 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien uit de evaluatie van de meetresultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar blijkt dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a) geen gevalideerd maandgemiddelde is hoger dan de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;

(a) geen gevalideerd maandgemiddelde is hoger dan de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;

(b) geen gevalideerd daggemiddelde is hoger dan 110% van de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;

 

(c) voor stookinstallaties die uitsluitend uit met steenkool gestookte ketels bestaan met een nominale thermische input van minder dan 50 MW, is geen gevalideerd daggemiddelde hoger dan 150% van de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;

 

(d) 95 % van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar is niet hoger dan 200 % van de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden.

(d) 95 % van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar is niet hoger dan 200 % van de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden.

De „gevalideerde gemiddelden” worden bepaald overeenkomstig Deel 3, punt 10.

 

Voor de berekening van de gemiddelde emissiewaarden, worden de waarden die zijn gemeten tijdens de in artikel 33, leden 4 en 5, en artikel 34 bedoelde periodes en de periodes van opstarten en stilleggen buiten beschouwing gelaten.

 

Motivering

Het Commissievoorstel voorziet in extra flexibiliteit in vergelijking met het BBT-referentiedocument voor GSI (grote stookinstallaties).

Hoewel de BBT-referentiedocumenten dagelijkse gemiddelen weergeven, is de voorwaarde in bijlage V dat op maandelijkse basis aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan. Bovendien mogen dagelijkse gemiddelden niet hoger zijn dan 110% van de emissiegrenswaarde en 95% van uurgemiddelden in een jaar en niet hoger dan twee maal de emissiegrenswaarde. In het Commissievoorstel wordt geen onderscheid gemaakt tussen installaties van vòòr 2016 en ná 2016. Hoewel dezelfde nalevingsvoorschriften voor nieuwe en bestaande installaties worden gehanteerd, moeten deze worden aangepast aan de BBT-conclusies in het BBT-referentiedocument, die uitgaan van de daggemiddelden en niet van de maandgemiddelden.

Amendement  78

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – deel 6 – punt 2.5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.5. De bevoegde autoriteit kan oordelen dat  in afval  verbrandings- of -  meeverbrandingsinstallaties geen  continumetingen van HCl, HF en SO2 dienen te worden uitgevoerd, maar wel  periodieke metingen als bepaald in lid 2, onder c), of dat geen metingen moeten worden verricht indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden.

2.5. De bevoegde autoriteit kan oordelen dat in afvalverbrandings- of -meeverbrandingsinstallaties geen continumetingen van HCl, HF en SO2 dienen te worden uitgevoerd, maar wel periodieke metingen als bepaald in lid 2.1, onder c), indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden. Deze afwijking is niet van toepassing als gemengd afval uit verschillende bronnen wordt verbrand.

De bevoegde instantie kan besluiten dat het in bestaande installaties met een nominale capaciteit van minder dan 6 ton per uur niet nodig is continumetingen voor NOx uit te voeren, maar wel periodieke metingen als bedoeld in punt 2.1, onder c), indien de exploitant aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de uitstoot van NOx in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden.

 

Motivering

Het Commissievoorstel voorziet in specifieke gevallen waarin geen eisen voor HCI, HF en SO2 gesteld kunnen worden door de bevoegde instantie. Het compromisvoorstel houdt rekening met de amendementen, waardoor de extra flexibiliteit wordt weggelaten.

Het Commissievoorstel voorziet voorts in specifieke gevallen waarin periodieke metingen voor NOx kunnen worden verricht in plaats van continu metingen. In een aantal amendementen werd voorgesteld geen extra flexibiliteit in te voeren.

Amendement  79

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – deel 6 – punt 2.6 – inleidende zin

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.6. De bevoegde autoriteit kan toestemming verlenen om minder dan twee metingen per jaar of geen metingen uit te voeren voor zware metalen, dioxinen en furanen  i op voorwaarde dat

2.6. De bevoegde autoriteit kan toestemming verlenen om slechts één meting per jaar uit te voeren voor zware metalen, dioxinen en furanen  op voorwaarde dat:

Amendement  80

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – deel 6 – punt 2.6 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c bis) de exploitant kan aantonen dat geen elektrisch of elektronisch afval noch afval met gechloreerde bestanddelen wordt behandeld.

(1)

PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


TOELICHTING

Milieubecherming met geïntegreerde aanpak bij het verlenen van vergunningen voor installaties

Het doel van het voostel voor een richtlijn is de herziening en bundeling in één tekst van zeven afzonderlijke richtlijnen over industriële emissies.  

In Europa is deze wetgevingsprocedure van belang voor 52.000 bedrijfsinstallaties, die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de uitstoot van schadelijke stoffen in Europa en ertoe bijdragen dat de doelstellingen van de thematische strategie inzake luchtverontreiniging niet worden gehaald.

Het concept van de Commissie voorziet in een geïntegreerde aanpak om bij vergunningen voor installaties milieuaspecten zo uitgebreid en afgewogen mogelijk te betrekken. Er wordt gestreefd naar een doeltreffende beperking van de emissies door middel van beste beschikbare technologieën (BBT), die dan ook consequenter dan voorheen moeten worden toegepast. Als gevolg daarvan moet dan ook een einde komen aan de concurrentiedistorsie op het grondgebied van de Gemeenschap, die veroorzaakt wordt door de niet-uniforme omzetting van de bestaande wetgeving.

De rapporteur steunt de strategie van de Commissie. De geïntegreerde aanpak moet worden toegejuicht, evenals de stroomlijning bij de toepassing van de beste beschikbare technologieën. De amendementen zijn erop gericht de instrumenten van de richtlijn tegen een verkeerde interpretatie te versterken, de omzetting te vereenvoudigen en geleidelijk een einde te maken aan onnodige bureaucratie.

Europees veiligheidsnet

De eerste fundamentele wijziging is gericht op handhaving in zijn huidige vorm van de vruchtbare informatieuitwisseling tussen de belangengroepen als industrie en niet-gouvernementele organisaties ("Sevillaproces") voor de beschrijving van de beste beschikbare technologieën. Het resultaat ervan moet als voorheen de opstelling van een BBT-referentiedocument zijn.

De invoering van wettelijk bindende emissiegrenswaarden verdient steun. Het Commissievoorstel streeft ernaar dat de grenswaarden rechtstreeks uit de BBT-referentiedocumenten worden afgeleid. Dit is niet tegen de praktijk bestand en het zou dan ook ongewenste politieke bemoeienis met het Sevillaproces tot gevolg hebben. De tweede fundamentele wijziging die de rapporteur voorstelt is dan ook dat een comitologiecomité onder parlementaire controle belast wordt met de vaststelling van emissiebeperkende maatregelen als minimumvoorwaarden. De minimumvoorwaarden vormen een Europees veiligheidsnet, waaraan iedere installatie moet voldoen.

Op het niveau van de bevoegde lokale autoriteiten worden voor individuele installaties emissiebeperkende maatregelen vastgesteld, die resulteren in emissies die voldoen aan de gemiddelde voorwaarden van de BBT-referentiedocumenten, en waarbij ruimte is voor flexibiliteit om adequaat te kunnen reageren op de omstandigheden ter plaatse. Op deze wijze wordt het probleem opgelost dat bij normale exploitatie iedere installatie emissiepiekwaarden te zien geeft, die de waarden van de emissies die gekoppeld zijn aan de beschreven beste beschikbare technologie kunnen overschrijden, bijvoorbeeld bij het opstarten van een installatie. In geen geval mogen echter de grenzen overschreden worden die voor het Europees veiligheidsnet zijn vastgesteld.

Dit voorstel schept het evenwicht om enerzijds Europese normen voor het verlenen van vergunningen voor industriële installaties in te stellen. Anderzijds wordt de lidstaten de dringend nodige speelruimte gelaten om rekening te houden met technische kenmerken van de installatie, de lokatie en de plaatselijke milieuomstandigheden.

Beperking van administratiekosten

Bij de herziening van de richtlijnen streeft de Commissie onder andere naar het terugdringen van de bureaucratie, waar de rapporteur volledig achter staat. Een reeks amendementen moet de herziening in dit opzicht nog aanscherpen, daarbij hoort de versoepeling van starre voorschriften voor de controle op installaties en de verplichting van de exploitant tot rapportage over de naleving van de voorwaarden. Op dit punt worden ook de bevoegde autoriteiten ontlast, die dan hun capaciteit kunnen inzetten waar die nodig is, bijvoorbeeld bij installaties die vanuit het aspect van de milieuveiligheid meer aandacht nodig hebben.

Verder stelt de rapporteur amendementen voor om de rol van het Parlement bij toekomstige wijzigingen van niet-essentiële onderdelen van de richtlijn te versterken, bijvoorbeeld door er bij besluiten van de Commissie voor te zorgen dat externe deskundigen worden aangetrokken en dat de economische effecten van besluiten transparant worden.

Uitbreidingen van de werkingssfeer van de richtlijnen zullen echter ongedaan worden gemaakt, wanneer het te verwachten voordeel voor het milieu niet opweegt tegen de te maken kosten. Hetzelfde geldt voor verdergaande bepalingen betreffende de bescherming van bodem en grondwater, die al op communautair of nationaal niveau is geregeld.


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

DE VOORZITTER

Ref.: D(2008)53399

Dhr Miroslav OUZKÝ

Voorzitter van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

ASP 05F69

Brussel

Betreft:         Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking)

                    (COM(2007)844 – C6-0002/2008 – 2007/0286(COD))

Excellentie,

De Commissie juridische zaken, waarvan ik de eer heb voorzitter te zijn, heeft bovengenoemd voorstel behandeld overeenkomstig artikel 80 bis inzake herschikking, zoals opgenomen in het Reglement van het Parlement bij besluit van 10 mei 2007.

Leden 3 en 4 van dit artikel luiden als volgt:

"(3) Als de voor juridische zaken bevoegde commissie van oordeel is dat het voorstel geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig zijn aangegeven, stelt zij de ten principale bevoegde commissie hiervan in kennis.

In dat geval en onverminderd de in de artikelen 150 en 151 vastgelegde voorwaarden zijn amendementen in de bevoegde commissie alleen ontvankelijk, als zij betrekking hebben op onderdelen van het voorstel die wijzigingen bevatten.

Amendementen op ongewijzigd gebleven onderdelen kunnen evenwel in uitzonderlijke en individuele gevallen door de voorzitter van die commissie worden toegestaan, als deze van oordeel is dat daarvoor dwingende redenen bestaan in verband met de interne coherentie van de tekst of de samenhang met andere ontvankelijke amendementen. Such reasons must be stated in a written justification to the amendments.

(4) Als de voor juridische zaken bevoegde commissie van oordeel is dat het voorstel andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig zijn aangegeven, stelt zij het Parlement voor het voorstel te verwerpen en stelt zij de ten principale bevoegde commissie hiervan in kennis.

In dat geval verzoekt de Voorzitter de Commissie haar voorstel in te trekken. Als de Commissie haar voorstel intrekt, stelt de Voorzitter vast dat de procedure overbodig is geworden en stelt hij de Raad hiervan in kennis. Indien de Commissie haar voorstel niet intrekt, verwijst het Parlement het naar de ten principale bevoegde commissie, die het volgens de gebruikelijke procedure behandelt."

Na het advies van de Juridische Dienst, waarvan vertegenwoordigers hebben deelgenomen aan de vergaderingen van de Adviesgroep tijdens welke het herschikte voorstel is behandeld, en overeenkomstig de aanbevelingen van de rapporteur voor advies, is de Commissie juridische zaken van oordeel dat het voorstel in kwestie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel zijn aangegeven en dat, ten aanzien van de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere wetsbesluiten met deze wijzigingen, het voorstel louter en alleen beperkt is tot een codificatie zonder wijziging van de inhoud van de bestaande wetsbesluiten.

Overeenkomstig artikel 80 bis, lid 2 en artikel 80, lid 3 is de Commissie juridische zaken van mening dat de in het advies van bovengenoemde adviesgroep voorgestelde technische aanpassingen nodig zijn om ervoor te zorgen dat het voorstel in overeenstemming is met de codificatieregels en dat deze aanpassingen geen enkele inhoudelijke wijziging van het voorstel met zich meebrengen.

Voorts is, na de aanbevelingen van de rapporteur voor advies en volgens de artikelen 80 bis, lid 3 en 80, lid 3 de Commissie Juridische Zaken van mening dat onderstaande bepalingen, die al gemarkeerd waren met een dubbele doorstreping, moeten worden gemarkeerd tegen een grijze achtergrond om te attenderen op materiële wijzigingen.

· Art. 3, 12, schrapping van de tweede zin: "voor de toepassing van deze definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de nationale wettelijke voorschriften geacht belanghebbende te zijn".

· Art. 12. 8, schrapping van de woorden: "de overeenkomstig artikel 23, leden 2 en 3 omschreven toestand te brengen"

· in artikel 29, de woorden "tussen" en "over de best beschikbare technieken, de daarmee samenhangende controlevoorschriften en de ontwikkelingen op dat gebied.."

Onverlet de toepassing van artikel 80 bis, lid 4 van het Reglement bij toekomstige gelegenheden, is de Commissie Juridische Zaken van mening dat de bovengenoemde punten in overeenstemming zijn met de herschikking en de codificatieoorschriften, mits ze worden herzien in het kader van de artikelen 80 bis, lid 2 en 80, lid 3.

Tenslotte heeft de Commissie Juridische Zaken op haar vergadering van 8-9 september 2008 besloten tot de aanbeveling dat uw commissie, in haar hoedanigheid van commissie ten principale, het voorstel in kwestie beoordeelt in overeenstemming met artikel 80 bis en rekening houdend met bovenstaande suggesties.

Hoogachtend,

Giuseppe GARGANI


BIJLAGE: ADVIES VAN DE ADVIESGROEP VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

 

 

 

ADVIESGROEP

VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN

 

                     Brussel,

ADVIES

TER ATTENTIE VAN                    HET EUROPEES PARLEMENT

                                                       DE RAAD

                                                       DE COMMISSIE

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (Herschikking)

COM(2007) 844 def. van 21.12.2007 - 2007/0286 (COD)

Gelet op het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, en in het bijzonder punt 9, is de Adviesgroep bestaande uit de Juridische Diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 16, 22, 24 en 31 januari, 13 februari en 3 april 2008 bijeengekomen om bovengenoemd voorstel van de Commissie te behandelen.

In deze vergaderingen heeft de Raadgevende Werkgroep het voorstel behandeld voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot herschikking van Richtlijn van de Raad 78/176/EEG van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxide-industrie, Richtlijn 82/883/EEG van de Raad van 3 december 1982 betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de milieus die betrokken zijn bij lozingen van de titaandioxide-industrie, Richtlijn 92/112/EEG van de Raad van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure voor de harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie, Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, Richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties , Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties, waarna in gezamenlijk overleg de volgende conclusies werden bereikt:

1) Erkend wordt dat Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging na de datum waarop het herschikkingsvoorstel aan de wetgevingsautoriteit werd voorgelegd, is ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (gecodificeerde versie). Dat heeft tot gevolg dat alle verwijzingen in de herschikkingstekst naar Richtlijn 96/61/EG moeten worden gelezen als verwijzingen naar Richtlijn 2008/1/EG.

2) De volgende tekstgedeelten van het herschikkingsvoorstel hadden moeten worden aangegeven tegen een grijze achtergrond om te attenderen op materiële wijzigingen:

- in punt (5) van artikel 3, de woorden "De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld", die reeds met dubbele doorstreping zijn aangegeven;

- in artikel 4, lid 2, eerste alinea, de woorden "of op verschillende locaties ";

- in artikel 9, lid 2, tweede alinea, de woorden "of het milieu" (reeds tussen aanpassingstekens);

- in artikel 35, lid 1, slotzin "De lidstaten kunnen verlangen dat een dergelijke controle voor rekening van de exploitant geschiedt" (reeds met dubbele doorstreping aangegeven);

- in artikel 43, lid 2, slotzin "Om de drie jaar moet er worden gekalibreerd door middel van parallelmetingen overeenkomstig de referentiemethoden." (reeds met dubbele doorstreping aangegeven);

- in Bijlage I, punt 1.4, de woorden "Steenkool" (reeds met dubbele doorstreping aangegeven) en "brandstoffen";

- in Bijlage I, geheel punt 5.1.(h) en punt 5.1.(k);

- in Bijlage I, punt 6.4(b)(ii), de woorden "gemiddelde waarde op driemaandelijkse basis" (reeds met dubbele doorstreping aangegeven);

- in Bijlage V, deel 1, punt 2, de woorden "steenkool en bruinkool", "Biomassa" en "Turf";

in Bijlage V, deel 1, punt 5, noot 4), de woorden "en CO".

3) In punt (26) van artikel 3 [...] (niet van toepassing op Nederlandse versie).

4) Erkend werd dat de woorden in de aanhef van artikel 26, lid 3, "het publiek" en " hiervan in kennis en stelt zij" per abuis met dubbele doorhaling zijn aangegeven. Deze woorden worden opnieuw ingevoegd, zodat de aanhef als volgt komt te luiden: "Wanneer een besluit over de verlening, toetsing of bijstelling van een vergunning dan wel over de aanneming of bijstelling van algemene bindende voorschriften is genomen, stelt de bevoegde autoriteit het publiek hiervan in kennis en stelt zij het publiek de volgende informatie ter beschikking".

5) In artikel 38, lid 2, sub a, (i), moet in plaats van "artikel 3, punt 21" gelezen worden artikel 3, punt 20.

6) In Artikel 47, lid 4 sub b), moeten de woorden "of meeverbranding" tussen aanpassingstekens worden geplaatst.

7) In Bijlage V, deel 1, punt 4, moet de aanduiding "(2)" voor een met dubbele doorhaling gemarkeerde passage eveneens met dubbele doorhaling worden gemarkeerd.

8) In Bijlage V, deel 3, punt 3, […] niet van toepassing op Nederlandse versie.

9) In Bijlage VI, deel 3, punt 1, […] niet van toepassing op Nederlandse versie.

De adviesgroep heeft na onderzoek van het voorstel eensgezind geconstateerd dat het voorstel geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel of in dit advies worden vermeld. Voorts heeft de adviesgroep met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van het eerdere besluit met die wijzigingen geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande tekst behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen.

C. PENNERA                                  J.-C. PIRIS                C.-F.DURAND

juridisch adviseur                               juridisch adviseur         fung. Directeur-generaal f.f.


PROCEDURE

Titel

Industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking)

Document- en procedurenummers

COM(2007)0844 – C6-0002/2008 – 2007/0286(COD)

Datum indiening bij EP

21.12.2007

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ENVI

10.4.2008

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

JURI

10.4.2008

 

 

 

Geen advies

       Datum besluit

JURI

9.9.2008

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Holger Krahmer

21.2.2008

 

 

Behandeling in de commissie

8.4.2008

26.5.2008

9.9.2008

 

Datum goedkeuring

22.1.2009

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

10

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Georgs Andrejevs, Liam Aylward, Maria Berger, John Bowis, Frieda Brepoels, Hiltrud Breyer, Martin Callanan, Dorette Corbey, Magor Imre Csibi, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jill Evans, Anne Ferreira, Karl-Heinz Florenz, Alessandro Foglietta, Elisabetta Gardini, Satu Hassi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Caroline Jackson, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Holger Krahmer, Urszula Krupa, Marie-Noëlle Lienemann, Peter Liese, Jules Maaten, Marios Matsakis, Linda McAvan, Riitta Myller, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Dimitrios Papadimoulis, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Guido Sacconi, Daciana Octavia Sârbu, Amalia Sartori, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Bart Staes, Anja Weisgerber, Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Iles Braghetto, Philip Bushill-Matthews, Christofer Fjellner, Jutta Haug, Robert Sturdy, Andres Tarand

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Daniel Cohn-Bendit, Constanze Angela Krehl, Bernhard Rapkay

Datum indiening

9.2.2009

Juridische mededeling - Privacybeleid