Procedure : 2008/2240(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0055/2009

Ingediende teksten :

A6-0055/2009

Debatten :

PV 10/03/2009 - 13
PV 10/03/2009 - 15
CRE 10/03/2009 - 13
CRE 10/03/2009 - 15

Stemmingen :

PV 11/03/2009 - 5.19
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0119

VERSLAG     
PDF 131kWORD 61k
16.2.2009
PE 414.008v02-00 A6-0055/2009

over groener vervoer en de toerekening van externe kosten

(2008/2240(INI))

Commissie vervoer en toerisme

Rapporteur: Georg Jarzembowski

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over groener vervoer en de toerekening van externe kosten

(2008/2240(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2008 over groener vervoer (COM(2008)0433),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2008 over een strategie voor de internalisering van de externe kosten van vervoer (COM(2008)0435),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2008 over geluidsreducerende maatregelen voor bestaand goederenmaterieel (COM(2008)0432),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 juli 2007 over Europa duurzaam in beweging: duurzame mobiliteit voor ons continent(1)

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 maart 2008 over een duurzaam Europees vervoersbeleid, rekening houdend met het Europees energie- en milieubeleid(2),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0055/2009),

A. overwegende dat de Europese Unie zich voor 2020 ten doel stelt de uitstoot van broeikasgassen en het energieverbruik met 20% terug te dringen, en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen met 20% te doen toenemen,

B.  overwegende dat de Commissie tegen de achtergrond van de strijd tegen klimaatverandering een aantal maatregelen voor duurzamer vervoer heeft voorgesteld, maar vervolgens slechts een mededeling over de toerekening van de externe kosten van vervoer, een mededeling over het terugdringen van spoorweglawaai en een concreet voorstel tot herziening van de richtlijn inzake infrastructuurheffingen voor zware vrachtvoertuigen heeft ingediend,

C. overwegende dat in artikel 11, lid 3, van de eurovignetrichtlijn(3) reeds in 2006 het volgende bepaald is: "Uiterlijk op 10 juni 2008 dient de Commissie, na alle opties betreffende kosten in verband met milieu, lawaai, congestie en gezondheid te hebben onderzocht, een algemeen toepasbaar, doorzichtig en begrijpelijk model in voor de beoordeling van alle externe kosten, dat dient als grondslag voor de berekening van infrastructuurheffingen in de toekomst. Dit model gaat vergezeld van een analyse van de gevolgen van de internalisering van externe kosten voor alle vervoerswijzen en een strategie voor een stapsgewijze toepassing van het model voor alle soorten vervoerswijzen", verslag en model gaan zo nodig vergezeld van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad voor verdere herziening van deze richtlijn",

D. overwegende dat de Commissie overtuigend uiteenzet hoe de volksgezondheid wordt belast door spoorweglawaai, maar als zwaartepunt van haar initiatief tot terugdringen van dit spoorweglawaai slechts de verplichting tot het installeren van geluidsarme remmen op bestaande goederenwagons voor het voetlicht brengt,

Groener vervoer

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie over groener vervoer en beschouwt deze als een eerste, belangrijke, maar nog niet volledige stap naar een coherent beleid voor de duurzame ontwikkeling van het vervoer en de diverse vervoerswijzen, en als de erkenning van het belang en de noodzaak het vervoer efficiënter te maken met het oog op de strijd tegen de klimaatverandering;

2.  onderstreept het grote belang van mobiliteit voor de levenskwaliteit van burgers, voor groei en werkgelegenheid in de Europese Unie, voor sociaal-economische en territoriale cohesie, voor de handel met derde landen alsmede voor de bedrijven en de werknemers die direct en indirect in de vervoerssector en de logistiek werken;

3.  onderkent dat mobiliteit weliswaar positieve effecten heeft en onmisbaar is voor de economische ontwikkeling van de Europese Unie en voor economische en sociale cohesie, maar dat zij ook nadelige gevolgen voor de mens en de natuur kan hebben en blijft er derhalve bij dat het Europese vervoersbeleid - met inachtneming van de rechtmatige belangen die burgers en bedrijven bij mobiliteit hebben – naar een groenere vervoerssector moet blijven streven, zodat de negatieve effecten van het vervoer worden opgeheven of althans worden verminderd, overeenkomstig de doelstellingen die de Unie zich voor 2020 in het kader van haar strijd tegen de opwarming van de aarde heeft gesteld;

4.  juicht het toe dat de Commissie in haar mededeling een inventaris heeft opgesteld van de maatregelen voor een duurzaam vervoersbeleid die de Europese Unie tot dusver heeft genomen;

5.  betreurt het dat de Commissie geen geïntegreerd concept voor een duurzamere ontwikkeling van alle vervoerssectoren heeft voorgelegd, dat wil zeggen: een concept waarbij iedere vervoerssector aan bod komt; constateert dat zij voorlopig al initiatieven heeft genomen die uiteindelijk tot een veelomvattende strategie voor de toerekening van de externe kosten bij alle wijzen van vervoer moeten leiden, en tot dusver in plaats van een geïntegreerd concept:

          voor een stap-voor-stap benadering heeft gekozen door voorlegging van een eerste set basisrichtsnoeren voor de raming van de externe vervoerskosten alsook voor hun toerekening in de diverse sectoren (zie het “Handboek voor de raming van de externe kosten in de sector vervoer”),

          zich weer op een stapsgewijze oplossing heeft gericht door te beginnen met specifieke voorstellen voor de onmiddellijke invoering van heffingen voor het weggebruik voor zware vrachtvoertuigen door wijziging van de eurovignetrichtlijn, die ten doel heeft de lidstaten de mogelijkheid te geven externe kosten in rekening te brengen, waarbij deze richtlijn uitsluitend van toepassing zou zijn in lidstaten die dat wensen, en

          op het gebied van het terugdringen van spoorweglawaai een reeks opties en toekomstige maatregelen heeft vermeld;

6.   roept de Commissie derhalve op voor alle vervoerswijzen de maatregelen en instrumenten te ontwikkelen die zijn vereist voor een verdere duurzame ontwikkeling van het vervoer, waarbij de geldende internationale verdragen en de reeds getroffen maatregelen in de diverse vervoerssectoren in ogenschouw worden genomen; wenst in dat verband dat wetenschappelijk verantwoorde effectbeoordelingsonderzoeken voor de afzonderlijke maatregelen en voor hun gevolgen voor de concurrentiepositie van de vervoerswijzen alsmede voor de kosten van mobiliteit en concurrerend vermogen worden uitgevoerd, en dat de Commissie op deze basis vervolgens een geïntegreerd concept voor groener vervoer met concrete voorstellen tot wetgeving voorlegt;

Toerekening van de externe kosten

7.  merkt op dat de Commissie in haar mededeling over de strategie voor de internalisering van de externe kosten van vervoer niet heeft voldaan aan de verplichting die het Parlement en de Raad haar krachtens artikel 11, lid 3, van de eurovignetrichtlijn hadden opgelegd, aangezien zij, zoals zij zelf toegeeft, geen algemeen toepasbaar, transparant en veelomvattend model voor de raming van de externe kosten als geheel heeft uitgewerkt en voorgelegd omdat een analyse van de effecten voor alle vervoerswijzen ontbreekt en, op praktisch niveau, uitsluitend voor zware goederenvoertuigen een eerste aanzet heeft gegeven voor een strategie voor een stapsgewijze toepassing van het model voor alle vervoerswijzen;

8.  constateert dat de Commissie zich in haar mededeling heeft uitgelaten over de berekening van de externe kosten voor de verschillende vervoerswijzen door verwijzing naar het hierboven genoemde Handboek en de technische bijlagen daarvan, dat echter wegens zijn ongelijksoortige bijdragen slechts licht op een aantal punten werpt;

9.  stelt vast dat de Commissie in haar mededeling geen wetenschappelijk coherente onderbouwing geeft van de doorberekening van afzonderlijke externe kosten aan verschillende vervoerswijzen en een zogenoemde "pragmatische aanzet aan de hand van de gemiddelde kosten" heeft gekozen; is in het algemeen voorstander van de door de Commissie gekozen grondslag van de marginale sociale kosten, in overeenstemming met het Witboek over het vervoersbeleid van 2001;

10. is er teleurgesteld over dat, van deze bijdragen afgezien, de positieve effecten van het vervoer in termen van economische groei en concurrentievermogen (“positieve externe factoren”) niet noemenswaardig zijn onderzocht en niet bij de berekeningen van de Commissie in aanmerking zijn genomen, in tegenstelling tot de externe kosten, waaraan veel werk is besteed; erkent desondanks de rol van het principe “de vervuiler betaalt” en verwacht van de Commissie verdere stappen om deze pragmatische benadering verder te ontwikkelen; erkent de bijdragen die tot dusver door de verschillende wijzen van vervoer zijn geleverd in de vorm van algemene belastingen, motorrijtuigenbelastingen, brandstofaccijnzen en wegenbelastingen als compensatie voor de werkelijke aanleg- en onderhoudskosten van de infrastructuur en beschouwt dit als het startpunt voor verdere werkzaamheden;

11. stelt vast dat de Commissie in haar mededeling zelfs geen aanzet heeft gegeven tot het berekenen, beoordelen en weergeven van de gevolgen die de door haar voorgestelde toerekeningsmethode voor de externe kosten kan hebben voor de concurrentie tussen de diverse vervoerswijzen en voor de kosten van mobiliteit en het concurrentievermogen en doet een beroep op de Commissie dit wel te doen bij de indiening van verdere voorstellen voor een groenere vervoerssector;

12. betreurt het eveneens dat de Commissie geen maatregelen heeft voorgesteld die de gevolgen van toegenomen afgelegenheid na de uitbreiding van de EU kunnen verlichten en evenmin voorspellingen heeft gedaan over de gevolgen die de toepassing van de toerekeningsmethode kan hebben, in het bijzonder voor lidstaten met geografische belemmeringen en voor lidstaten die nog niet over multimodale alternatieven beschikken; roept de Commissie derhalve op deze tekortkomingen te verhelpen in de binnenkort te verschijnen evaluatie van de trans-Europese netwerken (TENs);

13. moedigt de Commissie daarom aan om bij de evaluatie van de TENs een bijkomend voorstel in te dienen voor corridors met multimodale mobiliteit (“groene corridors”), waarmee de lasten die voortvloeien uit het huidige voorstel worden geneutraliseerd door toegankelijkheid en mobiliteit zonder obstakels te bieden;

14. constateert dat de Commissie in verschillende opzichten inconsequent handelt door erop te staan dat de toerekening van de externe kosten ook voor auto’s moet gelden, maar zelfs geen berekeningen in verband daarmee verschaft en in plaats daarvan de lidstaten vrij wil laten naar eigen inzicht aan personenauto’s kosten in rekening te brengen; moedigt de Commissie daarom aan een methodologie te ontwikkelen voor de internalisering van de externe kosten van afzonderlijke voertuigen teneinde de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel richtsnoeren te verstrekken;

15. roept de Commissie op om onverwijld stappen te ondernemen om ten eerste concrete voorstellen voor alle vervoerswijzen te doen en ten tweede de taak op grond van artikel 11, lid 3, van de eurovignetrichtlijn uit 2006 uit te voeren door een volledig concept voor berekening en het in rekening brengen van de externe kosten en hun effectbeoordelingen op grond van een begrijpelijk model voor te leggen;

Bestrijding lawaai spoorwegverkeer

16. waardeert het dat de Commissie in haar mededeling over geluidsreducerende maatregelen voor het bestaande materieel rekening houdt met de noodzaak van het verminderen van geluidsoverlast, in het bijzonder door goederenwagons, voor de bevolking langs spoorwegnetten;

17. onderstreept dat het opnieuw uitrusten van bestaande wagons tegen redelijke kosten alleen mogelijk is wanneer de thans bestaande technische belemmeringen zo snel mogelijk uit de weg worden geruimd, voordat een wetgevingsmaatregel met bindende kracht wordt aangenomen;

18. roept de Commissie op een voorstel te presenteren voor een richtlijn betreffende het in rekening brengen van gedifferentieerde geluidsafhankelijke infrastructuurheffingen voor locomotieven en wagons, waarmee zij spoorwegmaatschappijen zo snel mogelijk prikkels geeft voor onder meer een vlotte omschakeling op geluidsarme voertuigen door remblokken te vervangen; is van mening dat, indien nodig, kortetermijnmaatregelen ook overwogen kunnen worden en dat geen enkele wetgevingsmaatregel een negatief effect mag hebben op de intermodale concurrentiepositie van de spoorwegsector;

19. verwacht van de Commissie dat zij in haar voorstel een bruikbare modus vindt, waarmee zij via het reserveren van opbrengsten garandeert dat niet slechts de wagons van spoorwegmaatschappijen opnieuw worden uitgerust, maar ook de door de spoorwegmaatschappijen meegevoerde wagons van andere maatschappijen;

°

° °

20. verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale regeringen en parlementen.

(1)

PB L 175E van 10.7.2008, blz. 556.

(2)

Aangenomen tekst, P6_TA(2008)0087.

(3)

Richtlijn 1999/62/EG van het van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 187 van 20.7.1999, blz. 42).


TOELICHTING

De rapporteur heeft bewust afgezien van een schriftelijke motivering van het ontwerpverslag. Het ontwerpverslag op zich moet voor de burger, het bedrijfsleven en de samenleving begrijpelijk zijn, aangezien het Parlement geen motivering aanneemt en niet openbaar maakt.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.2.2009

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

16

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gabriele Albertini, Etelka Barsi-Pataky, Paolo Costa, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Arūnas Degutis, Christine De Veyrac, Petr Duchoň, Saïd El Khadraoui, Robert Evans, Emanuel Jardim Fernandes, Francesco Ferrari, Brigitte Fouré, Mathieu Grosch, Georg Jarzembowski, Stanisław Jałowiecki, Timothy Kirkhope, Jaromír Kohlíček, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Sepp Kusstatscher, Jörg Leichtfried, Bogusław Liberadzki, Erik Meijer, Josu Ortuondo Larrea, Reinhard Rack, Ulrike Rodust, Gilles Savary, Renate Sommer, Dirk Sterckx, Michel Teychenné, Silvia-Adriana Ţicău, Yannick Vaugrenard, Armando Veneto, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Johannes Blokland, Armando França, Lily Jacobs, Elisabeth Jeggle, Eleonora Lo Curto, Ari Vatanen, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Samuli Pohjamo

Juridische mededeling - Privacybeleid