VERSLAG over de financiële aspecten van het Verdrag van Lissabon
18.3.2009 - (2008/2054(INI))
Begrotingscommissie
Rapporteur: Catherine Guy-Quint
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over de financiële aspecten van het Verdrag van Lissabon
Het Europees Parlement,
– gezien het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend op 13 december 2007[1] (hierna het "Verdrag van Lissabon" genoemd),
– gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd door de Europese Akte en de Verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice,
– gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer[2],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 maart 2003 over de hervorming van de begrotingsprocedure: mogelijke opties in het licht van de herziening van de Verdragen[3],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie[4],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 juni 2005 over de politieke uitdagingen en de begrotingsmiddelen van de uitgebreide Unie in de periode 2007-2013[5],
– gezien de conclusies van de Europese Raad van 11 en 12 december 2008 betreffende de hervatting van de werkzaamheden met betrekking tot het Verdrag van Lissabon,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0183/2009) en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0183/2009),
A. overwegende dat bij het Verdrag van Lissabon verregaande wijzigingen zijn doorgevoerd op het gebied van de financiën van de Unie, vooral op het gebied van de interinstitutionele betrekkingen en de besluitvormingsprocedures,
B. overwegende dat in het Verdrag een duidelijke hiërarchie wordt aangebracht tussen de belangrijkste financiële en begrotingsbeslissingen van de Unie, wat zorgt voor de noodzakelijke transparantie in het besluitvormingssysteem,
C. overwegende dat het meerjarig financieel kader (MFK), d.w.z. de meerjarenprogrammering van de uitgaven die de politieke prioriteiten van de Unie in financiële zin weerspiegelt en de uitgaven van de Unie gedurende een bepaalde periode aan plafonds verbindt, in het Verdrag van Lissabon een juridisch bindende beslissing wordt, die gebaseerd is op een nieuwe, specifieke juridische grondslag voor het vaststellen van de verordening waarin dit kader is opgenomen,
D. overwegende dat de financiële kaders enerzijds en de zittingsperioden van het Europees Parlement en de Commissie anderzijds niet parallel lopen en dat deze situatie er tot dusver toe bijgedragen heeft dat het Parlement zijn begrotingsbevoegdheden slechts gedeeltelijk heeft kunnen uitoefenen, aangezien het vaak gebonden is door een financieel kader dat tijdens de vorige zittingsperiode na onderhandelingen tot stand gekomen en aangenomen is,
E. overwegende dat, indien het tijdschema niet wordt gewijzigd, sommige Parlementen nooit in staat zullen zijn om bindende budgettaire besluiten te nemen, aangezien het door hun voorgangers aangenomen financiële kader de volledige duur van hun mandaat bestrijkt,
F. overwegende dat het, door de huidige geringe marges onder elke rubriek en de beperkte middelen die voor de beschikbare flexibiliteitsmechanismen zijn voorzien, voor de Unie bijzonder moeilijk wordt om adequaat te reageren op onvoorziene politieke gebeurtenissen, met als gevolg dat de jaarlijkse begrotingsprocedure dreigt te worden uitgehold,
G. overwegende dat het met het oog op de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon van essentieel belang is dat de instellingen die verantwoordelijk zijn voor de financiële en budgettaire besluitvorming van de Unie overeenstemming bereiken om de overgang naar de nieuwe rechtshandelingen en besluitvormingsprocedures zo optimaal mogelijk te laten verlopen,
H. overwegende dat er voor de goede werking van de Economische en Monetaire Unie rekening moet worden gehouden met de begroting van de Unie bij de coördinatie van de begrotingsstrategieën van de lidstaten,
I. overwegende dat de Europese Raad van 11 en 12 december 2008 opnieuw heeft bevestigd dat het Verdrag van Lissabon nodig was om de uitgebreide Unie te helpen efficiënter, democratischer en doeltreffender te functioneren, ook op internationaal niveau, en dat het heeft gezorgd voor een aanpak en juridische garanties met betrekking tot de problemen die de Ierse kiezers bezighouden, zodat het verdrag in werking kan treden voor eind 2009, met inachtneming van de doelstellingen en oogmerken van de verdragen,
Algemene beoordeling
1. neemt met voldoening kennis van de vooruitgang die met het Verdrag van Lissabon is geboekt inzake democratische controle en transparantie voor de financiën van de Unie; wijst op de noodzaak om interinstitutionele overlegmechanismen en interne samenwerkingsprocedures aan te passen en te verbeteren, zodat het Parlement ten volle gebruik kan maken van zijn nieuwe bevoegdheden;
Eigen middelen
2. betreurt, wat de eigen middelen van de Unie betreft, dat de lidstaten geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om een systeem van echte eigen middelen van de Unie op te zetten, dat rechtvaardiger, transparanter, voor de burgers gemakkelijker te begrijpen en aan een democratischere besluitvormingsprocedure onderworpen is;
3. betreurt met name dat er geen vooruitgang is geboekt om het Parlement sterker te betrekken bij het bepalen van de grenzen en de soorten eigen middelen waarover de Unie beschikt; herinnert eraan dat het onderscheid tussen de besluitvorming over de inkomsten en de besluitvorming over de uitgaven gehandhaafd blijft;
4. verheugt zich daarentegen over de inspanningen die ertoe hebben geleid dat de maatregelen ter uitvoering van het besluit over de eigen middelen volgens een bijzondere wetgevingsprocedure kunnen worden vastgesteld, waarbij de Raad pas na goedkeuring van het Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit;
5. roept de Raad op om zoveel mogelijk gebruik te maken van deze regeling, teneinde de besluitvormingsprocedure flexibeler te maken;
Meerjarig financieel kader
6. juicht toe dat het MFK in het Verdrag van Lissabon een formele status krijgt en bijgevolg een juridisch bindende beslissing wordt; herinnert eraan dat in het MFK de uitgaven van de Unie worden geprogrammeerd en gedurende een bepaalde periode aan plafonds worden verbonden, wat bijdraagt tot de versterking van de begrotingsdiscipline;
7. is ingenomen met het feit dat de verordening tot vaststelling van het MFK gezamenlijk door het Parlement en de Raad moet worden goedgekeurd, op grond van een bijzondere procedure;
8. betreurt evenwel dat in het Verdrag van Lissabon de eis is behouden dat het MFK met eenparigheid van stemmen door de Raad moet worden goedgekeurd, aangezien dit de besluitvormingsprocedure ernstig bemoeilijkt en onderhandelingen volgens het principe van de "kleinste gemene deler" in de hand werkt; moedigt de Europese Raad bijgevolg aan zo spoedig mogelijk gebruik te maken van de clausule die het hem mogelijk maakt om, na besluit met eenparigheid van stemmen, het MFK met gekwalificeerde meerderheid van stemmen aan te nemen;
9. betreurt eveneens dat het Parlement in de nieuwe procedure slechts een goedkeuringsrecht en geen echte medebeslissingsbevoegdheid heeft; benadrukt evenwel dat in het Verdrag van Lissabon wordt bepaald dat de instellingen vanaf het begin van de procedure al het mogelijke moeten doen om haar tot een goed einde te brengen; verzoekt de Raad derhalve om zich vanaf het begin van de procedure beschikbaar te stellen om een gestructureerde politieke dialoog met het Parlement te voeren, zodat ten volle rekening kan worden gehouden met de prioriteiten van het Parlement;
10. stelt vast dat in het Verdrag van Lissabon is vastgelegd dat in het MFK niet alleen "de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie en het jaarlijkse maximumbedrag van de kredieten voor betalingen" zullen worden opgenomen, maar ook "alle andere bepalingen die dienstig zijn voor het goede verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure"[6];
Duur van het MFK
11. juicht toe dat het Verdrag van Lissabon financiële programmering mogelijk maakt voor vijf jaar, zodat de looptijd van het MFK zo veel mogelijk kan samenvallen met het mandaat van het Parlement en de Commissie (indien de nodige aanpassingen worden doorgevoerd), zoals de democratische logica vereist, benadrukt dat bijzondere regelingen noodzakelijk kunnen zijn om tegemoet te komen aan de behoeften van specifieke financiële beleidsdoelstellingen voor de lange termijn;
12. is derhalve voorstander van de overgang naar een MFK met een duur van vijf jaar, maar is zich ervan bewust dat een volledig samenvallen van het MFK, de zittingsperiode van het Europees Parlement en de ambtsperiode van de Commissie moeilijk kan zijn, omdat het van mening is dat een onderhandelingsperiode van minimum een jaar nodig kan zijn om elk nieuw Parlement en elke nieuwe Commissie in staat te stellen in de loop van hun mandaat fundamentele besluiten op het gebied van financieel beleid te nemen;
13. vindt het een goede zaak dat het MFK wordt opgenomen in een globale logica van strategische interinstitutionele planning - een concept dat in het Verdrag van Lissabon overigens wordt versterkt - zoals in het verslag van de Commissie constitutionele zaken over het institutionele evenwicht wordt voorgesteld[7];
14. verleent zijn steun aan het in dit verslag geformuleerde voorstel dat het nieuwe college van commissarissen bij de voorstelling van zijn "programma voor de zittingsperiode" voorstellen moet doen over de beleidslijnen inzake het financieel kader, die het noodzakelijk acht om de politieke prioriteiten van zijn mandaat te kunnen verwezenlijken, prioriteiten die, nadat het programma voor de zittingsperiode door de instellingen is goedgekeurd, via zijn voorstellen verder moeten worden uitgewerkt in het MFK;
15. is bovendien van mening dat de kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Commissie tijdens de debatten in de plenaire vergadering en de hoorzittingen voor de parlementaire commissies al in staat zou moeten zijn om een indicatie te geven van de voorspelbare financiële gevolgen van de politieke doelstellingen die de nieuwe Commissie wil verwezenlijken;
16. benadrukt dat het, met het oog op de overgang naar een systeem van financiële programmering met een looptijd van vijf jaar, waarvan hierboven sprake is, nodig kan zijn om het huidige MFK tot en met 2016 te verlengen en aan te passen, zodat het volgende MFK met een duur van vijf jaar uiterlijk begin 2017 in werking kan treden[8]; beveelt aan dat de onderhandelingen voor het volgende MFK in elk geval worden afgerond op het einde van het eerste trimester van 2016, opdat bij de begrotingsprocedure voor 2017 al rekening kan worden gehouden met de parameters van het kader dat in 2017 van kracht wordt;
17. benadrukt het feit dat de onderhandelingen zo moeten worden gevoerd dat de instellingen de inwerkingtreding van een nieuw MFK al in 2016 kunnen verwachten;
18. is van mening dat de verlenging en aanpassing van het huidige MFK moet worden overwogen, wanneer de volgende evaluatie halverwege de looptijd wordt uitgevoerd in 2010;
Flexibiliteit
19. benadrukt dat het juridisch bindende karakter van het MFK meer dan ooit een grote flexibiliteit nodig maakt, teneinde te garanderen dat de Unie voldoende flexibel en efficiënt op onvoorziene uitdagingen kan reageren, zowel binnen als buiten de Unie;
20. vestigt de aandacht op het feit dat het Verdrag van Lissabon voorziet in de verlenging van de maxima en de andere bepalingen van het MFK voor het laatste loopjaar, indien het nieuwe MFK niet kon worden aangenomen voor het verstrijken van het vorige MFK; is van mening dat dit een extra argument is voor een versterkte flexibiliteit;
21. wijst er in deze context op dat het van groot belang is om de flexibiliteitsmechanismen te versterken, enerzijds binnen en tussen de rubrieken en anderzijds via gespecialiseerde flexibiliteitsfondsen die buiten de marges beschikbaar zijn;
22. herinnert eraan dat de Begrotingscommissie zich over deze kwesties zal moeten uitspreken in het kader van de goedkeuring van haar verslag over de tussentijdse herziening van het financiële kader 2007-2013;
Overgang van het Interinstitutioneel Akkoord naar het MFK
23. herinnert eraan dat het noodzakelijk is dat er tijdig en in ieder geval voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon overeenstemming wordt bereikt tussen de instellingen over het verloop van de overgang van het huidige Interinstitutioneel Akkoord naar een MFK dat in een wetgevingshandeling wordt opgenomen, zoals in het Verdrag van Lissabon is voorzien; herinnert er verder aan dat een periode van acht weken vereist is voor kritisch onderzoek door nationale parlementen van ontwerpen van wetgevingshandelingen;
24. is in dit verband van oordeel dat er overeenstemming moet worden bereikt over de indeling van de bepalingen die op dit moment in het Interinstitutioneel Akkoord zijn opgenomen en die in het MFK moeten worden overgenomen, over de bepalingen die een onderdeel worden van het toekomstige Financieel Reglement of over de bepalingen die in voorkomend geval het behoud van een interinstitutioneel akkoord over de begrotingssamenwerking rechtvaardigen, eventueel aangevuld met nieuwe bepalingen; herinnert eraan dat bij de indeling van de bepalingen van het huidige Interinstitutioneel Akkoord rekening moet worden gehouden met de criteria die in het Verdrag van Lissabon zijn vastgesteld;
Jaarlijkse begrotingsprocedure
25. is bijzonder ingenomen met de afschaffing van het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven, die ertoe leidt dat het Parlement voortaan het recht heeft om op voet van gelijkheid met de Raad over alle uitgaven van de Unie te beslissen;
26. benadrukt dat de afschaffing van het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven niet indruist tegen de verplichting van de Unie om aan haar financiële verplichtingen te voldoen; juicht toe dat in het Verdrag van Lissabon wordt erkend dat het de taak van het Parlement, de Raad en de Commissie is om erop toe te zien "dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen"[9];
27. merkt op dat de wijzigingen in de jaarlijkse procedure tot een vereenvoudiging van deze procedure zouden moeten leiden, met name door de invoering van slechts één lezing voor elke instelling en verschillende mechanismen om het bereiken van overeenstemming tussen de twee takken van de begrotingsautoriteit te vergemakkelijken; benadrukt dat deze wijzigingen tot minder bureaucratie zouden moeten leiden;
Taak van de Commissie
28. wijst op de versterking van de rol van de Commissie, die op begrotingsgebied het recht van initiatief krijgt en haar ontwerpbegroting kan aanpassen tot het bemiddelingscomité bijeengeroepen wordt;
29. juicht toe dat het Verdrag ook erkent dat het aan de Commissie is om de nodige initiatieven te nemen om de standpunten van het Parlement en de Raad tijdens de activiteiten van het bemiddelingscomité nader tot elkaar te brengen en de Commissie derhalve uitnodigt om haar rol als bemiddelaar tussen het Parlement en de Raad volledig op zich te nemen om het bereiken van een akkoord te vergemakkelijken;
Een volledig nieuwe logica
30. vestigt de aandacht op het feit dat in de nieuwe procedure voor elke instelling slechts één lezing van de ontwerpbegroting is voorzien; benadrukt dat de instellingen ten gevolge van de nieuwe procedure en de enkele lezing de facto niet langer de mogelijkheid hebben om hun standpunt in tweede lezing te herzien, zoals voordien het geval was; is er bijgevolg van overtuigd dat het Parlement in het kader van deze procedure in een eerder stadium een gedetailleerde omschrijving van zijn beleidsprioriteiten zal moeten geven die leidt tot aanpassing van de operationele aanpak en de organisatie die het mogelijk maken om alle vastgestelde doelstellingen te bereiken;
31. herinnert eraan dat deze lezing de politieke prioriteiten van het Parlement moet bevestigen, maar het Parlement ook in staat moet stellen om na afloop van het bemiddelingscomité tot een akkoord te komen met de Raad (of om zijn amendementen opnieuw met een grote meerderheid aan te nemen, indien de door het bemiddelingscomité voorgestelde tekst door het Parlement wordt aangenomen en door de Raad wordt verworpen);
32. benadrukt in deze context dat het belangrijk is om vast te houden aan een pragmatisch tijdschema dat vergelijkbaar is met de huidige timing en om tijdig gebruik te maken van de overlegmechanismen; herinnert er bovendien aan dat de invoering van informele mechanismen voor dialoog tussen de instellingen van cruciaal belang is om vóór en gedurende de hele procedure instemming te vergemakkelijken;
33. is ervan overtuigd dat het Verdrag van Lissabon de bevoegdheden van het Parlement zal vergroten, op voorwaarde dat het Parlement het nodige doet om efficiënt om te gaan met het striktere tijdschema en de grotere behoefte aan anticipatie die het gevolg van de nieuwe procedure zijn;
34. is van mening dat de resolutie van het Parlement vóór de eerste overlegbijeenkomst in de toekomst aan belang zal winnen, aangezien ze ervoor zal zorgen dat het Parlement zijn begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar formeel kan bekendmaken, zonder beïnvloed te worden door tactische overwegingen ten gevolge van het standpunt van de Raad over de ontwerpbegroting; is van oordeel dat deze resolutie de andere instellingen hierdoor in staat zal stellen om zich een duidelijk beeld te vormen van de prioriteiten van het Parlement voor de interinstitutionele onderhandelingen worden aangevat; voegt hieraan toe dat dit voor het Parlement ook een geschikte gelegenheid is om enkele eerste richtsnoeren te geven voor proefprojecten en voorbereidende acties;
35. herinnert eraan dat deze prioriteiten ook voor het Parlement zelf bijzonder nuttig zullen zijn, niet alleen als richtsnoeren bij de lezing van de ontwerpbegroting, maar ook als mandaat voor zijn delegatie tijdens de onderhandelingen in het bemiddelingscomité;
36. wijst op het belang van een tripartiet overleg in juli zodat elke instelling zich een duidelijk beeld kan vormen van de prioriteiten van de andere partijen en om het Parlement in staat te stellen de andere instellingen te informeren over de inhoud van de resolutie van juli over de ontwerpbegroting;
37. wijst op het politieke nut van het tot stand brengen - met inachtneming van de respectieve bevoegdheden - van een intensieve dialoog met de analoge commissies van de nationale parlementen over de ontwerpbegroting en de prioriteiten van het Parlement voor de jaarlijkse begrotingsprocedure;
Bemiddelingscomité
38. wijst op de belangrijke rol die het bemiddelingscomité in de toekomst zal spelen bij het oplossen van de politieke geschillen tussen de twee takken van de begrotingsautoriteit; herinnert eraan dat het de taak zal zijn van dit comité om binnen een termijn van eenentwintig dagen overeenstemming te bereiken over een compromistekst, die in werking zal treden wanneer hij niet door de begrotingsautoriteit wordt verworpen; is van oordeel dat dit comité samengesteld moet zijn uit politieke vertegenwoordigers op het hoogste niveau;
39. juicht toe dat het Verdrag van Lissabon een sleutelrol toekent aan het Parlement op het einde van de procedure; stelt immers het volgende vast:
– de tekst van het bemiddelingscomité ("gemeenschappelijk ontwerp") wordt geacht niet te zijn aangenomen indien het Parlement zich hiertegen verzet (met een meerderheid van zijn leden),
– indien de Raad het gemeenschappelijk ontwerp afwijst, terwijl het door het Parlement wordt goedgekeurd, treedt de tekst als zodanig in werking of kan het Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen (een meerderheid van zijn leden en 3/5de van het aantal uitgebrachte stemmen) besluiten de amendementen die het tijdens zijn lezing van de ontwerpbegroting had aangenomen te bevestigen;
40. benadrukt dat het wenselijk zou zijn dat de delegatie van het Parlement in het bemiddelingscomité wordt voorgezeten door de voorzitter van de Begrotingscommissie en, indien noodzakelijk en zonder afbreuk te doen aan het politieke karakter van de benoeming van haar leden door de fracties, niet alleen uit leden van deze commissie moet omvatten, maar ook leden van de gespecialiseerde parlementaire commissies , als een voor hen specifiek beleidsonderwerp onderdeel is van de onderhandelingen;
41. roept de Raad op om snel overeenstemming te bereiken met het Parlement over de werkwijze van het bemiddelingscomité;
42. is van oordeel dat het bemiddelingscomité minstens twee keer zou moeten kunnen bijeenkomen indien dit noodzakelijk is om op het hoogste politieke niveau tot een akkoord te komen; is van mening dat de bijeenkomsten van het comité voorafgegaan moeten worden door een voorbereidende politieke trialoog, volgens de traditionele formule; herinnert eraan dat de vertegenwoordigers van de Raad tijdens deze bijeenkomsten over een politiek onderhandelingsmandaat moeten beschikken;
43. stelt voor dat deze werkzaamheden zouden worden voorbereid door een interinstitutionele voorbereidende groep, bestaande uit de algemeen rapporteur, bijgestaan door vertegenwoordigers van de fracties voor het Parlement en de permanente vertegenwoordiger van het land dat het voorzitterschap van de Unie waarneemt, met de mogelijkheid dat deze laatste wordt vergezeld door de twee andere voorzitters op het niveau van de trojka;
44. herinnert er eveneens aan dat de instellingen overeenstemming moeten bereiken over de samenstelling van het secretariaat van dit comité, dat waarschijnlijk uit ambtenaren van de twee takken van de begrotingsautoriteit zal bestaan en door de Commissie zal worden bijgestaan;
Landbouwvraagstukken
45. merkt op dat de regel die stelt dat de Commissie haar ontwerp niet meer mag wijzigen nadat het bemiddelingscomité is bijeengeroepen het onmogelijk maakt om nog gebruik te maken van de traditionele nota van wijziging in de herfst en daarin rekening te houden met de geactualiseerde prognoses voor het landbouwbeleid en de gevolgen daarvan voor de begroting; is van mening dat het in voorkomend geval passend zou zijn dat de Commissie - indien nodig - een specifiek ontwerp van gewijzigde begroting (een "specifieke gewijzigde landbouwbegroting") zou voorstellen zodra alle landbouwgegevens definitief bekend zijn;
Betrekkingen met de wetgevende macht
46. benadrukt dat de gelijktijdige uitbreiding van de begrotingsbevoegdheid van het Parlement tot alle uitgaven van de Unie en de vrijwel volledige veralgemening van de medebeslissing op wetgevend gebied vereist dat de budgettaire dimensie van de wetgevende activiteit sterker in aanmerking wordt genomen; acht het derhalve noodzakelijk om de samenwerking tussen de Begrotingscommissie en de sectorale commissies te versterken, teneinde naar behoren rekening te houden met de impact van de wetgevende activiteit van het Parlement op financieel gebied, met name wat betreft de gevolgen voor het MFK en de jaarlijkse begroting; stelt in deze context voor dat er in de bemiddelingscomités voor aangelegenheden die een financiële impact hebben een lid van de Begrotingscommissie wordt opgenomen; herinnert in dit verband aan de werkzaamheden van de werkgroep voor de hervorming van het Parlement, inzonderheid wat betreft de in het derde tussentijdse verslag bedoelde specifieke vormen van samenwerking tussen de parlementaire commissies;
47. herinnert er bovendien aan dat de verplichting om toe te zien op de naleving van de begrotingsdiscipline met het Verdrag van Lissabon tot alle instellingen van de Unie wordt uitgebreid; herinnert eraan dat in het Reglement van het Parlement reeds een specifieke procedure is opgenomen om de eerbiediging van dit beginsel te verzekeren; is van oordeel dat er maatregelen moeten worden genomen om deze procedure operationeler en doeltreffender te maken;
Financieel Reglement
48. is ingenomen met het feit dat het Financieel Reglement een verordening wordt die volgens de gewone wetgevingsprocedure (medebeslissing) door het Parlement en de Raad wordt aangenomen, na raadpleging van de Rekenkamer;
49. herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon de belangrijkste regelingen bevat op basis waarvan een onderscheid kan worden gemaakt tussen de bepalingen van het huidige Interinstitutioneel Akkoord die een plaats zouden moeten krijgen in het toekomstige interinstitutioneel akkoord en de bepalingen die eerder in het MFK zouden moeten worden opgenomen;
50. merkt evenwel op dat in het Financieel Reglement alle bepalingen zouden moeten worden opgenomen die nodig zijn om de procedure overeenkomstig de verdragsbepalingen[10] te definiëren; is van mening dat deze formulering van toepassing zou moeten zijn op de werkwijze van het bemiddelingscomité, het mechanisme om het comité bijeen te roepen en uiteraard ook op de actualisering van de bepalingen van het Financieel Reglement waarop de wijzigingen van het Verdrag van Lissabon een rechtstreekse invloed hebben (met name de afschaffing van het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven, een nieuwe medebeslissingsprocedure voor overmakingen, enz.);
51. acht het van cruciaal belang dat de instellingen te gelegener tijd politieke overeenstemming bereiken over deze aangelegenheden, zodat de noodzakelijke aanpassingen van het Financieel Reglement na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zo spoedig mogelijk volgens de nieuwe procedure kunnen worden doorgevoerd en, indien noodzakelijk, kan worden voorzien in voorlopige overeenkomsten om de soepele voortzetting van de begrotingsprocedure mogelijk te maken;
52. verzoekt de Commissie te gelegener tijd een voorstel in te dienen dat het Parlement en de Raad in staat stelt om overeenstemming te bereiken over de toepassing van dit in paragraaf 49 bedoelde onderscheid op de inhoud van het huidige Interinstitutioneel Akkoord;
53. is van mening dat deze aanpassing van het Financieel Reglement onder geen beding mag worden verward met de driejaarlijkse herziening van het Financieel Reglement, die voor 2010 is gepland;
Gevolgen voor de begroting van de institutionele wijzigingen en nieuwe bevoegdheden van de Unie
54. merkt op dat de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon ook een impact zal hebben op de begroting van de Unie als gevolg van de door het Verdrag ingevoerde innovaties op institutioneel niveau, met name het besluit om van de Europese Raad een volwaardige instelling met een vast voorzitterschap te maken, alsook de instelling van het ambt van hoge vertegenwoordiger en de oprichting van de Europese dienst voor extern optreden, die de vertegenwoordiger moet bijstaan bij de vervulling van zijn functie;
55. bevestigt zijn voornemen om zijn begrotingsbevoegdheden met betrekking tot deze institutionele innovaties volledig uit te oefenen en benadrukt dat het van groot belang is dat er te gelegener tijd politieke overeenstemming met de Raad wordt bereikt over de financiering van de Europese Raad en in het bijzonder van zijn vaste voorzitterschap, evenals over de financiering van de toekomstige Europese dienst voor extern optreden; benadrukt dat de financiering van deze dienst volledig onder de controle van de begrotingsautoriteit moet blijven;
56. wijst er op dat het Verdrag van Lissabon in het kader van het GBVB en het GVDB voorziet in de vaststelling van nieuwe procedures die een versnelde toegang tot de begroting van de Europese Unie en het opzetten van een startfonds gevormd door bijdragen van de lidstaten mogelijk maken; benadrukt echter dat elk extern optreden van de Europese Unie in de regel moet worden gefinancierd met communautaire middelen en dat slechts onder uitzonderlijke omstandigheden, in noodgevallen, gebruik mag worden gemaakt van middelen die niet afkomstig zijn uit de begroting van de Europese Unie;
57. stelt vast dat het Verdrag van Lissabon ook een beperkte financiële impact zal hebben ten gevolge van de nieuwe specifieke bevoegdheden die aan de Unie worden toegekend; verklaart zich bereid te gelegener tijd de concrete gevolgen van het uitoefenen van deze nieuwe bevoegdheden te analyseren; is van mening dat al deze bevoegdheden waarschijnlijk niet meteen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon ten uitvoer zullen worden gelegd, maar stap voor stap naarmate de daarmee samenhangende wetgevingsvoorstellen zullen worden uitgewerkt; is evenwel van oordeel dat de financiering van deze bevoegdheden niet ten koste mag gaan van de financiering van de huidige activiteiten van de Unie;
Coördinatie met de nationale begrotingen
58. wil de nationale parlementen uitnodigen jaarlijks deel te nemen aan een gemeenschappelijk en openbaar debat over de oriëntatie van het nationale en communautaire begrotingsbeleid, voorafgaand aan het onderzoek van de respectieve begrotingsplannen, om vanaf het begin te beschikken over een gemeenschappelijk denkkader voor de coördinatie van het nationale beleid van de lidstaten, waarbij rekening wordt gehouden met de inbreng van de Gemeenschap;
59. merkt op dat het dienstig zou zijn het besluit over de verdeling van de begrotingsuitgaven van de Unie in het licht van de grote doelstellingen van de Unie toe te lichten door de jaarlijkse publicatie, door iedere lidstaat, van de nationale en eventueel regionale begrotingsmiddelen die bijdragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen;
°
° °
60. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.
- [1] PB C 306 van 17.12.2007, blz. 1.
- [2] PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
- [3] PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 143.
- [4] PB C 27 E van 31.3.2008, blz. 214.
- [5] PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 373.
- [6] Artikel 312, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (geconsolideerde versie) (PB C 115 van 9.5.2008, blz. 47).
- [7] Verslag van 18 maart 2009 over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de ontwikkeling van het institutionele evenwicht van de Europese Unie (A6-0142/2009).
- [8] Volgens het in deze tabel voorgestelde model uit het verslag van de Begrotingscommissie van 26 februari 2009 over de tussentijdse herziening van het financiële kader 2007-2013 (A6-0110/2009):
___________________________________________________________________________________Jaar
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Voorbereiding
begroting
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Zittings-
periode
2004 / 2009
2009 / 2014
2014 / 2019
MFK
Herziening 2007 / 2013
2013 / 2016
2017 / 2022
- [9] Artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (geconsolideerde versie).
- [10] Overeenkomstig artikel 322, lid 1, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (geconsolideerde versie) legt het Financieel Reglement "de financiële regels vast, met name betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd".
TOELICHTING
I - Inleiding
1. Bij het Verdrag van Lissabon zijn verregaande wijzigingen doorgevoerd op het gebied van de financiën van de Unie, vooral op het gebied van de interinstitutionele betrekkingen en de besluitvormingsprocedures. Tegelijkertijd wordt er een duidelijke hiërarchie aangebracht tussen de belangrijkste financiële beslissingen en begrotingsbeslissingen van de Unie, wat zorgt voor de noodzakelijke transparantie in het besluitvormingssysteem.
2. Het principe dat voortvloeit uit de bepalingen van het Verdrag van Lissabon spitst zich toe op vier hoofdlijnen:
- Het beheer van de ontvangsten op de begroting, via de eigen middelen van de Unie, blijft geheel en al in handen van de lidstaten
- De Raad en het Europees Parlement moeten het binnen de grenzen van de eigen middelen met elkaar eens zijn over de programmering van de uitgaven, die dan juridisch bindend wordt
- Het onderscheid tussen verplichte uitgaven en niet-verplichte uitgaven is afgeschaft: de totale begroting moet, met inachtneming van het meerjarig financieel kader, door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk worden vastgesteld. Bovendien heeft het Europees Parlement in de procedure tot het vaststellen van de begroting meer bevoegdheden gekregen: geen enkele jaarlijkse begroting kan worden vastgesteld zonder de goedkeuring van het Europees Parlement, maar het Europees Parlement kan de vaststelling van een begroting wel tegen de wil van de Raad afdwingen.
- Op het gebied van de begrotingsdiscipline is de verantwoordelijkheid van het Parlement toegenomen. Volgens de bepalingen van het Verdrag van Lissabon, hierna te noemen VL, moet de financiële verordening door de Raad en het Europees Parlement worden vastgesteld via een gewone wetgevingsprocedure (art. 279 VWEU), dat wil zeggen, in een medebeslissingsprocedure.
3. De rapporteur stelt voor te onderzoeken welke wijzigingen de vaststelling van het Verdrag van Lissabon met zich meebrengt ten aanzien van de begrotingsprocedure en de bijbehorende bevoegdheden van het Parlement. Het moet namelijk duidelijk zijn dit Verdrag weliswaar enkele grondbeginselen van de financiële inrichting van de Unie bevestigt (begrotingsdiscipline, goed financieel beheer, etc.), maar, vooral ten aanzien van de begrotingsprocedure, ook wezenlijke veranderingen doorvoert.
4. De belangrijkste onderwerpen die worden behandeld, zijn de samenhang tussen het toekomstig financieel kader en de financiële verordening voor wat betreft de bepalingen die op dit moment in het IIA staan; de gevolgen van de institutionele veranderingen voor de begroting en de nieuwe bevoegdheden van de Unie.
II - De financiering van de Europese Unie (artikel 269 VWEU)
1. Het Verdrag heeft niets gewijzigd in de manier van denken rond de financiering van de Europese Unie. De beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de Europese middelen blijft primair berusten bij de lidstaten: een met eenparigheid van stemmen genomen beslissing van de Raad die pas van kracht wordt na de goedkeuring door alle lidstaten volgens hun eigen constitutionele regels. Ook al berust het initiatief bij de Commissie en is het Europees Parlement bij de procedure betrokken doordat het zijn advies geeft, in essentie komt de bevoegdheid weer bij de lidstaten terug.
2. Het beginsel dat er voldoende middelen beschikbaar moeten zijn is in de huidige Verdragen als zodanig in stand gehouden: “De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven” (artikel 269, eerste alinea VWEU). Dit wordt bovendien bevestigd in het grondbeginsel van de begrotingsdiscipline: “de Unie [stelt] geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat de uitgaven die uit die handelingen voortvloeien, gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en met inachtneming van het in artikel 270 bis bedoelde meerjarig financieel kader”
3 Niettemin heeft het VL zowel bepaalde aspecten opgehelderd als een begin gemaakt met de “communautarisering” van het stelsel. Het heeft namelijk een nieuw element toegevoegd aan de inhoud van de beslissing over eigen middelen, door de mogelijkheid te bieden “nieuwe categorieën van eigen middelen [vast te stellen], dan wel bestaande categorieën [in te trekken]”. Dit is echter slechts een bevestiging van wat reeds realiteit is: omdat het Verdrag niet op dat niveau functioneert, worden de soorten eigen middelen waarover de Unie beschikt bepaald in de beslissing over eigen middelen. Dit geldt ook voor de hoogte van deze middelen, waarbij natuurlijk de mogelijkheid bestaat ze te wijzigen of in te trekken of nieuwe middelen in het leven te roepen. De rapporteur is van mening dat dit in de toekomst de weg vrij zal maken om te kunnen overgaan op een rechtvaardiger, transparanter en voor de burger meer zichtbaar stelsel van eigen middelen.
4. Aan artikel 269 VWEU is een nieuwe alinea toegevoegd waarin is opgenomen dat de uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen door de Raad bij verordening met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en met goedkeuring van het Europees Parlement worden vastgesteld. Ondanks de beperking dat uitvoeringsmaatregelen worden genomen binnen de grenzen van de beslissing aangaande “eigen middelen” maakt deze bepaling de weg vrij voor een grotere rol van het Europees Parlement waar het gaat om eigen middelen.
Samenvattend: ook al kan men in de door het Verdrag aangebrachte vernieuwingen het begin zien van een positieve ontwikkeling, toch is het te betreuren dat de gelegenheid niet is aangegrepen om substantiële vooruitgang te boeken, te weten de overgang naar een stelsel met werkelijk eigen middelen van de Unie dat aan de instellingen van de Unie de mogelijkheid zou bieden werkelijk deel te nemen aan de procedure en dat aan het Europees Parlement een meer doorslaggevendere rol zou toekennen.
III – Het meerjarig financieel kader
1. In het VL wordt het beginsel tot regel gemaakt dat het meerjarig financieel kader een juridisch bindende beslissing[1] wordt, die gebaseerd is op het in het leven roepen van een specifieke juridische grondslag voor het vaststellen van de verordening waarin dit kader is opgenomen. Dit is iets waar het Parlement in het verleden al herhaaldelijk om heeft gevraagd. Deze verordening moet door de Raad worden vastgesteld in een bijzondere wetgevingsprocedure waarin het Europees Parlement een beslissingsbevoegdheid heeft.
2. Artikel 270 bis kent aan het meerjarig financieel kader, in lid 1, de functie toe “een ordelijke ontwikkeling van de uitgaven van de Unie te waarborgen, binnen de grenzen van haar eigen middelen”. Hieraan is in de laatste alinea het volgende toegevoegd: “In de jaarlijkse begroting van de Unie wordt het meerjarig financieel kader in acht genomen”. Samen met het in lid 4 van artikel 269 opgenomen beginsel (“De Unie stelt geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat de uitgaven die uit die handelingen voortvloeien, gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en met inachtneming van het in artikel 270 bis bedoelde meerjarig financieel kader”) geeft deze alinea de richting aan van de begrotingsdiscipline van de Unie[2].
De inhoud van het MFK
3. De huidige praktijk wordt in het Verdrag tot regel gemaakt. In artikel 270 bis wordt bepaald dat het MFK “de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie alsmede het jaarlijkse maximumbedrag van de kredieten voor betalingen” moet vaststellen.
4. Niettemin is in het VL opgenomen dat “het financieel kader […] alle andere bepalingen [omvat] die dienstig zijn voor het goede verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure” (lid 3, 1e alinea). Dat wil zeggen dat het MFK een deel van de inhoud van de twee delen van het op dit moment van kracht zijnde Interinstitutioneel akkoord betreffende de begrotingsdiscipline[3] omvat, en niet alleen een indicatie van de maximumuitgaven. Dit bijzondere aspect wordt behandeld in hoofdstuk VI.
De procedure
5. Het meerjarig financieel kader is een verordening die is vastgesteld door middel van een bijzondere wetgevingsprocedure waarin na de goedkeuring van het Europees Parlement vaststelling van het besluit door de Raad met eenparigheid van stemmen vereist is. Het Europees Parlement heeft dus een beslissingsbevoegdheid. Er wordt nogmaals op gewezen dat dit een formalisering is van de praktijk rond de interinstitutionele akkoorden van de laatste jaren.
6. Lid 5 van artikel 270 bis benadrukt overigens: “Tijdens de gehele procedure die leidt tot vaststelling van het financieel kader, nemen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie alle maatregelen die nodig zijn om de vaststelling te vergemakkelijken”. Deze bepaling beoogt een onderscheid te maken tussen de begrotingsprocedure en de medebeslissingsprocedure, en de gedachte aan een instemmingsprocedure te versterken.
Een tijdelijke oplossing voor het doorgaan na een eventuele mislukking van de onderhandelingen
7. In artikel 270 bis lid 4 wordt de mogelijkheid aangekaart dat tijdens de onderhandelingen over ieder financieel vooruitzicht problemen kunnen ontstaan en wordt rekening gehouden met een mogelijk niet tot stand komen van een akkoord, een mislukking die des te waarschijnlijker wordt als wordt gehandhaafd dat de Raad met eenparigheid van stemmen moet beslissen, zelfs als de mogelijkheid om over te gaan op een gekwalificeerde meerderheid in het Verdrag is opgenomen. Voor een dergelijke situatie staat in dit artikel dat wanneer het nieuwe MFK “nog niet is vastgesteld wanneer het voorgaand financieel kader verstrijkt, […] de maximumbedragen en de overige bepalingen betreffende het laatste jaar van het voorgaand financieel kader van toepassing [blijven] totdat deze handeling vastgesteld is”.
Duur van het MFK
8. In het VL is opgenomen dat het meerjarig financieel kader een periode van ten minste vijf jaar moet bestrijken. Geprobeerd wordt de duur van het MFK zo veel mogelijk te laten samenvallen met het mandaat van het Europees Parlement en van de Commissie, zoals het Europees Parlement al zo lang vraagt. Het sluiten van ieder interinstitutioneel akkoord over de financiële vooruitzichten zou aanleiding moeten zijn voor het opstarten van een wetgevingsprogramma dat in werkelijkheid overeenkomt met een politiek en financieel programma. Dat zou dus logischerwijze gekoppeld moeten zijn aan het democratisch mandaat van het gekozen Parlement en van een Commissie die er politiek verantwoordelijk voor is[4]. De praktijk rond het kader van financiële vooruitzichten heeft ertoe kunnen leiden dat bepaalde legislaturen van het Europees Parlement als ‘erfenis’ een financieel kader kregen waarop zij absoluut geen vat hadden gehad[5]. Hetzelfde geldt voor de Commissie, die soms verplicht is het financieel kader ten uitvoer te brengen waarover een andere Commissie eerder heeft onderhandeld. Zij is dus verplicht verantwoordelijkheid te nemen voor de politieke keuzes van een eerdere uitvoerende macht[6].
9. De rapporteur is dus van mening dat er een rechtstreekser verband moet worden gelegd tussen een MFK en de politieke mandaten, vooral waar het de benoeming van eurocommissarissen betreft. Wanneer het College collectief de goedkeuring van het Europees Parlement moet krijgen, kan het Parlement eveneens beslissen naar gelang van een financieel voorstel van algemeen beleid dat is geformuleerd door het College. Op dezelfde wijze kan het Europees Parlement in een campagne voor de Europese verkiezingen een politiek en financieel plan verdedigen waarvan het zich tegenover de burgers verplicht het waar te maken.
De overgang naar het nieuwe systeem
10. Met deze bepaling wordt echter niet het specifieke probleem van de overgang van het huidige systeem naar het in het VL omschreven stelsel aangepakt. In artikel 270 bis, lid 1, 3e alinea wordt bevestigd dat in de begroting het MFK in acht moet worden genomen. Dan moet er dus ook wel een MFK zijn dat op de juiste wijze is aangepast aan de van kracht zijnde regels van het nieuwe verdrag zodat het Europees Parlement en de Raad de jaarlijkse begroting kunnen vaststellen.
11. Toch zou, als overgangsmaatregel en voor het geval het niet mogelijk zou zijn de procedures af te ronden vóór het vaststellen van de jaarlijkse begroting, overwogen kunnen worden op basis van het continuïteitsbeginsel de begroting zou kunnen worden goedgekeurd met inachtneming van de procedures uit het verdrag en in overeenstemming met het huidige financieel kader.
Het meerjarig financieel kader wordt een juridisch bindende beslissing. Het is een verordening die wordt vastgesteld door middel van een bijzondere wetgevingsprocedure. De verordening moet, na goedkeuring door het EP, door de Raad worden vastgesteld met eenparigheid van stemmen. In lid 5 van artikel 207 bis wordt overigens herhaald dat de instellingen verplicht zijn gedurende de gehele procedure “alle maatregelen [te nemen] die nodig zijn om [de] vaststelling” van het financieel kader “te vergemakkelijken”. Deze bepaling maakt samenwerking tussen de instellingen belangrijker: om de procedure tot een goed einde te brengen, moet die samenwerking er vanaf het begin zijn.
In het Verdrag van Lissabon is opgenomen dat het meerjarig financieel kader een periode van ten minste vijf jaar moet bestrijken. Het is de bedoeling de duur van het MFK in de mate van het mogelijke te laten samenvallen met het mandaat van het Europees Parlement en van de Commissie, zoals het Europees Parlement al verschillende keren geeft gevraagd. Het Parlement kan daardoor over de hoorzittingen met de toekomstige eurocommissarissen beslissen naar gelang van een financieel voorstel van algemeen beleid dat is geformuleerd door het College. Op dezelfde wijze kan het Europees Parlement in een campagne voor de Europese verkiezingen een politiek en financieel plan verdedigen waarvan het zich tegenover de burgers verplicht het waar te maken.
IV – De jaarlijkse begroting
1. Met het nieuwe verdrag is de procedure voor de jaarlijkse begroting aanzienlijk veranderd. Om te beginnen wordt het onderscheid tussen verplichte uitgaven (VU) en niet-verplichte uitgaven (NVU) afgeschaft. Het logische gevolg hiervan is dat het Europees Parlement en de Raad in de toekomst over alle onderdelen van de begroting op dezelfde wijze zullen beslissen.
2. Uitgaven met een bindend karakter blijven bestaan. In artikel 279 bis van het Verdrag blijft de op het eerste gezicht overbodige regel dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie “erop [toezien] dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen” namelijk onveranderd.
3. De tweede wijziging is het loslaten van de tweede lezing, met als gevolg een nieuwe procedure voor het begrotingsoverleg. Het gaat hierbij om een bijzondere procedure, met een resultaatverplichting die gerechtvaardigd wordt door de bijzondere aard van de ter discussie staande handeling[7].
A. Het verloop van de procedure voor de jaarlijkse begroting
(Voor een volledige beschrijving van de procedure (artikel 314 VL) verwijzen wij naar bijlage 1).
4. In de eerste fase van de procedure, waarover geen exacte regels zijn opgenomen in het Verdrag, moeten de instellingen het met elkaar eens worden over de details van de procedure of het tijdschema. Voor het Europees Parlement is de eerste stap ervoor te zorgen dat het op dat moment van kracht zijnde tijdschema wordt gerespecteerd. De instellingen moeten het ook zodanig met elkaar eens worden over de informele overlegmechanismen dat alles in het werk wordt gesteld om ervoor te zorgen dat de procedure voor de jaarlijkse begroting goed verloopt (zie infra punt 2).
5. De rapporteur hecht er overigens aan te benadrukken dat het driepartijenoverleg, de bemiddelingsprocedures of de informele overlegprocedures net als alle op dit moment bestaande vormen van dialoog tussen de instellingen opnieuw moeten worden bekeken en eventueel moeten worden aangepast in het licht van de wijzigingen in de procedure. In artikel 279 ter van het WVEU is opgenomen dat de voorzitters van het EP, de Raad en de Commissie, op initiatief van de Commissie, regelmatig bijeenkomen. Het VL gaat nog verder en stelt dat dit in het kader van alle financiële en begrotingsprocedures moet gebeuren en dat de voorzitters alle maatregelen nemen die nodig zijn om “het overleg te bevorderen en de standpunten van hun respectieve instellingen dichter bij elkaar te brengen”. Het spreekt dus voor zich dat deze bepaling de algemene plicht van goede samenwerking tussen de instellingen versterkt door bijna een verplichting tot overleg tussen de instellingen op te leggen.
6. Dientengevolge kan men zich met recht de vraag stellen of het bemiddelingscomité noodzakelijkerwijs moet bestaan uit alle leden van de Raad (en dan ook uit een gelijk aantal leden van het Europees Parlement), of dat het kan bestaan uit geringere, maar nog steeds gelijke, aantallen afgevaardigden. De bewoordingen van lid 5 van artikel 272 (“… de leden van de Raad …”) lijken te gaan in de richting van de eerste optie. Als dit wordt bevestigd, moet een werkmethode worden gevonden waarin het driepartijenoverleg ter voorbereiding op het werk van het bemiddelingscomité wordt meegenomen. Het Europees Parlement moet zich er in elk geval van vergewissen dat het politiek gezien voldoende vertegenwoordigd is ten opzichte van de Raad.
De gevolgen bij het mislukken van de onderhandelingen
7. Zoals in de bijlage aangegeven, heeft het mislukken van de onderhandelingen in de bemiddelingsfase voor de procedure tot gevolg dat de Commissie met een nieuwe ontwerpbegroting moet komen. Hiermee wordt de rol van de Commissie dus versterkt omdat zij de conclusies moet trekken uit het mislukken en de punten waarover het Europees Parlement en de Raad het niet eens waren moet formuleren, en een nieuw voorstel moet doen waarover deze twee instellingen het eens kunnen worden.
8. In het VL wordt de regel behouden dat de regeling van voorlopige twaalfden van toepassing is wanneer de begroting niet “definitief” kan worden vastgesteld voor het begin van het begrotingsjaar.
De optie dat het Parlement een hoofdrol zou gaan spelen in de nieuwe begrotingsprocedure wordt bevestigd. Geen enkele begroting kan worden vastgesteld als het Europees Parlement het er niet mee eens is, maar het Parlement kan daarentegen wel een begroting goedkeuren tegen de wil van de Raad in of wanneer de Raad zich niet uitspreekt. Bij de optie dat het Europees Parlement het gemeenschappelijk voorstel goedkeurt terwijl de Raad het verwerpt, kan het Europees Parlement namelijk door te beslissen met een meerderheid van de leden en met drievijfde van de uitgebrachte stemmen het geheel of een gedeelte van de ten aanzien van de OB van de Commissie ingediende amendementen bekrachtigen.
Ook de rol die de Commissie heeft in de begrotingsprocedure is versterkt. Zij heeft een werkelijk recht van initiatief, dat wordt versterkt doordat zij totdat het bemiddelingscomité bijeengeroepen is haar tekst op elk moment kan wijzigen. De rol van de Commissie als bemiddelaar gedurende de werkzaamheden van het comité is expliciet versterkt. Uiteindelijk is het aan de Commissie om wanneer de onderhandelingen mislukken het beste alternatief te vinden.
Overigens dient te worden benadrukt dat bepaalde mechanismen van de procedure de twee takken van de begrotingsautoriteit ertoe dwingen overeenstemming te bereiken: het is gemakkelijker de compromistekst vast te stellen dan deze af te wijzen, de gevolgen van een mislukking zijn voor de instellingen nogal heftig, etc.
B. Praktische gevolgen van de nieuwe procedure voor de begroting
9. Door de wijzigingen in de procedure en het bekorten van de bijbehorende termijnen moet elke fase van de procedure, zowel binnen elke instelling als tussen de instellingen, goed worden voorbereid, want er zijn minder “correctiemogelijkheden”.
Gevolgen voor het tijdschema (cf. bijlage 1)
10. Op het eerste gezicht moet het Europees Parlement ervoor zorgen dat het volgende informele tijdschema wordt aangehouden:
- De Commissie presenteert haar OB in april.
- Het driepartijenoverleg vindt plaats in maart/april, en dit is des te zinvoller naarmate er maar één lezing per instelling is.
- Bemiddeling in juni/juli.
Gevolgen voor de werkzaamheden binnen het Europees Parlement
11. Met het oog op de eerste lezing maakt de verordening aangaande de OB het mogelijk:
- de beleidsrichtingen aangaande de prioriteiten van het Europees Parlement aan te geven
- beslissingen te nemen over de proefprojecten en de voorbereidende handelingen
Gevolgen voor de uitwerking van de eerste lezing door het Parlement
12. Het feit dat er nog maar één lezing is, verandert de aard ervan aanzienlijk en het strategisch belang ervan wordt fors versterkt. Er dient de facto een standpunt te worden bepaald over alle begrotingslijnen (met inbegrip van de oude VU) en daarbij moeten de politieke prioriteiten van het Europees Parlement worden uitgesproken. De rapporteur schenkt bijzondere aandacht aan het feit dat de in eerste lezing goedgekeurde amendementen niet meer door het Europees Parlement alleen kunnen worden gewijzigd. Ze moeten dus aan twee vereisten voldoen: het mogelijk maken dat een voor het bemiddelingscomité voldoende overeenstemming wordt bereikt maar ook door het Europees Parlement (bij een bijzonder hoge meerderheid van stemmen) opnieuw bekrachtigd kunnen worden wanneer de Raad de tekst van het bemiddelingscomité zou afwijzen terwijl het Europees Parlement de tekst zou hebben aangenomen.
13. Het wordt dan ook belangrijk dat er, voorafgaand aan de eerste lezing, een mechanisme voor een geïntensiveerde dialoog komt tussen de COBU en de betrokken parlementaire commissies en met de politieke groeperingen.
Gevolgen voor de samenstelling van het bemiddelingscomité
14. De bijzondere aard van het begrotingsoverleg leidt ertoe dat intern de vraag gesteld kan worden naar de samenstelling van de afvaardiging van het Europees Parlement. Er moet dan ook vanaf nu een bijzonder stelsel komen.
15. Het is dientengevolge redelijk ervoor te zorgen dat er een belangrijke deelname is van de begrotingscommissie en dat de parlementaire commissies die de begroting in belangrijke mate bepalen eveneens voldoende deelnemen.
16. Eventueel kan er een uitgebreidere begeleidingsstructuur komen om de onderhandelingscapaciteit en de strategische samenhang van de delegatie te versterken. In ieder geval moeten alle nuttige bepalingen in acht worden genomen om te zorgen voor een zo representatief mogelijke delegatie, zodat het gewicht ervan in de onderhandelingen toeneemt en wordt gezorgd voor een zo breed mogelijke steun in de plenaire vergadering.
Gevolgen voor het afronden van de procedure
17. De opzet van de procedure en het tijdschema moet het mogelijk maken de bepalingen in het verdrag ten aanzien van het Parlement te gebruiken. Dat betekent dat het Europees Parlement zich in november moet uitspreken over de tekst van het bemiddelingscomité om in december indien nodig te kunnen stemmen over zijn amendementen in eerste lezing. Deze veiligheidsmarge zou het mogelijk kunnen maken tot een eventuele overeenstemming te komen over een nieuw initiatief van de Commissie wanneer de eerste begrotingsprocedure op een mislukking uitloopt.
V - Financiële verordening
1. Een andere belangrijke vernieuwing in het VL is tot slot te vinden in het vaststellen van de financiële verordening. Dit zal voortaan gaan via een gewone wetgevingsprocedure (artikel 277 VWEU), waarbij het Europees Parlement een werkelijke medebeslissingsbevoegdheid heeft. Het is goed te beseffen dat het Parlement op dit moment slechts wordt geraadpleegd.
2. Er is sprake van een belangrijke vooruitgang in de wetgeving. De herziening van de financiële verordening moet plaatsvinden vóór de inwerkingtreding van het Verdrag. Het Europees Parlement zal dus eerst moeten onderhandelen en daarna moeten beslissen hoe het de bepalingen van het IIA zal verdelen over de financiële verordening en het financieel kader. De gedachten hierover zullen in hoofdstuk VI onder uw aandacht worden gebracht.
|
|
VI - De impact van het Verdrag van Lissabon op het huidige Interinstitutioneel Akkoord
1. De inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zal een grote impact hebben op het huidige Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer en op het Financieel Reglement.
Het huidige IIA en het MFK
2. Met betrekking tot IIA creëert artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het meerjarig financieel kader, dat is opgenomen in een verordening die via een bijzondere wetgevingsprocedure wordt vastgesteld, waarbij de Raad met eenparigheid van stemmen besluit na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij absolute meerderheid van zijn leden. Dit betekent dat het financieel kader - dat tot dusver werd gedefinieerd door middel van de financiële vooruitzichten die vrijwillig door de instellingen door middel van een Interinstitutioneel Akkoord werden overeengekomen - nu juridisch bindend worden. Bovendien benadrukt dit artikel
"(1) In de jaarlijkse begroting van de Unie wordt het meerjarig financieel kader in acht genomen.".
3. Met betrekking tot de inhoud van het meerjarig financieel kader, dat een looptijd van ten minste vijf jaar heeft, benadrukt hetzelfde artikel dat
"(3) ... de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie (worden) vastgesteld, alsmede het jaarlijkse maximumbedrag van de kredieten voor betalingen. De uitgavencategorieën, die beperkt in aantal zijn, corresponderen met de grote beleidsdomeinen van de Unie.
Het financieel kader omvat alle andere bepalingen die dienstig zijn voor het goede verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure."
Dit betekent dat niet alleen de maximumbedragen maar ook de regels in het huidige IIA die bedoeld zijn om de jaarlijkse begrotingsprocedure goed te laten verlopen, moeten worden opgenomen in het toekomstige meerjarig financieel kader, met name die welke betrekking hebben op de werking van het MFK, zoals de herziening en de flexibiliteitsprocedures.
Het Financieel Reglement volgens het Verdrag van Lissabon
4. Het Financieel Reglement zal een verordening worden die via de normale wetgevingsprocedure (medebeslissing) door het EP en de Raad wordt goedgekeurd, nadat het standpunt van de Rekenkamer is ingewonnen. Overeenkomstig artikel 322, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de EU omvat dit
" (a) de financiële regels (...), met name betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd....".
5. Het is duidelijk dat het nieuwe Verdrag een rechtstreekse impact op sommige delen van het Financieel Reglement zal hebben, bijvoorbeeld met betrekking tot de nieuwe begrotingsprocedure, met name de afschaffing van de indeling in verplichte en niet-verplichte uitgaven (VP/NVP). Maar het toekomstige Financieel Reglement zal ook sommige van de bepalingen moeten omvatten die momenteel zijn opgenomen in het IIA (regels inzake begrotingsdiscipline en rechtshandelingen) en die meer op hun plaats zijn in dit Financieel Reglement dan in het meerjarig financieel kader.
Tijdschema en criteria
6. Deze twee teksten kunnen pas worden vastgesteld na de inwerkingtreding van het Verdrag, maar zij dienen tijdig te worden goedgekeurd om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de begroting 2009 en de vaststelling van de begroting 2010 overeenkomstig het nieuwe juridisch kader soepel verlopen. Dit betekent dat de politieke onderhandelingen tussen de instellingen onmiddellijk van start zouden moeten gaan, zodat er voor het einde van het lopende jaar een politiek akkoord tot stand komt, waardoor de formele procedure voor de goedkeuring ervan kan beginnen zodra het Verdrag van Lissabon in werking treedt, vooropgesteld dat alle ratificatieprocedures zijn afgerond. Afgezien van het feit dat de begrotingsprocedure 2010 uiteraard overeenkomstig de nieuwe regels van het Verdrag van Lissabon moet verlopen, blijkt het urgente karakter ook uit een aantal praktische voorbeelden: volgens welke regels zal de overschrijving van kredieten na 1 januari 2009 verlopen indien het Verdrag op deze datum in werking treedt? Of hoe zal een gewijzigde begroting worden goedgekeurd?
7. Met betrekking tot de criteria voor het onderscheid tussen de bepalingen van het IIA die in het toekomstige IIA zouden moeten worden opgenomen en de bepalingen die beter op hun plaats zijn in het meerjarig financieel kader zij erop gewezen dat dit in het Verdrag van Lissabon wordt gepreciseerd:
- De verordening inzake het meerjarig financieel kader dient de "bepalingen (te omvatten) die dienstig zijn voor het goede verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure ". Dit betreft alle mechanismen die betrekking hebben op de werking van het huidige IIA: mobilisatie van verschillende kredieten en flexibiliteit, herzieningsprocedure en bijzondere regelingen voor bijzondere beleidsmaatregelen (GBVB/agentschappen, enz.).
- Het Financieel Reglement dient alle bepalingen te omvatten die nodig zijn om de procedure vast te stellen voor het opstellen en uitvoeren van de begroting overeenkomstig de nieuwe procedure van het Verdrag. Dit lijkt betrekking te hebben op de werking van het Bemiddelingscomité, het triggermechanisme en uiteraard de actualisering van de bepalingen van het Financieel Reglement waarop de wijzigingen van het nieuwe Verdrag rechtstreeks van invloed zijn (bv. afschaffing van de indeling in VP en NVP, een nieuwe medebeslissingsprocedure voor overschrijvingen, enz.).
8. Uw rapporteur is van mening dat deze bijstelling van het Financieel Reglement alleen de wijzigingen zou moeten meenemen die rechtstreeks voortvloeien uit het nieuwe Verdrag en degene die ontstaan als gevolg van de ontmanteling van het huidige IIA (overeenkomstig de in het Verdrag vastgestelde criteria) en in geen geval mogen worden verward met de driejaarlijkse herziening die in het Financieel Reglement zelf is voorzien.
Welke toekomst heeft het IIA?
9. Betekent dit dat het IIA van mei 2006 volledig overbodig zal worden en volledig zal worden opgesplitst in deze twee financiële basiswetsteksten? Waarschijnlijk niet: de nieuwe begrotingsprocedure zal nog steeds een serie praktische regelingen vereisen - zoals een nieuwe pragmatische kalender, de institutionele samenwerkingsprocedure, de modaliteiten van het werk van het Bemiddelingscomité, het secretariaat daarvan, het formaat van de gezamenlijke documenten en hun vertaling, enz. Al deze punten, en wellicht nog andere (artikel 31 en 33 van het huidige IIA, deel van bijlage II hierbij bijvoorbeeld) zouden kunnen worden opgenomen in een nieuw IIA over de begrotingsprocedure[8]. Niettemin acht uw rapporteur het in deze fase van de procedure prematuur om nauwkeurig aan te geven welk artikel van het huidige IIA deel zou kunnen uitmaken van het toekomstige IIA of van een van de twee basiswetsteksten.
10. Concluderend is uw rapporteur van mening dat het Verdrag van Lissabon de deur zal openen voor een nieuwe aanpak van de budgettaire betrekkingen, gebaseerd op een gezamenlijke beslissing van het Parlement en de Raad als gelijke partners. In dit opzicht is onderhavig document bedoeld om een aantal door de Begrotingscommissie overeen te komen beginselen voor te stellen ten einde een constructief debat met de Raad en de Commissie te openen.
11. Uw rapporteur is er zich wel van bewust dat het Verdrag van Lissabon alleen van kracht zal wordt indien alle ratificatieprocedures in alle lidstaten worden afgerond. Niettemin betekent het feit dat sommige van de bovengenoemde handelingen zo snel mogelijk na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moeten worden vastgesteld dat de voorbereidende discussies tussen de instellingen over de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag onmiddellijk van start moeten gaan. In feite zijn alle instellingen het erover eens dat indien het Verdrag in werking treedt, de procedure dusdanig getimed moet worden dat een juridisch vacuüm wordt voorkomen. Om dit doel te bereiken moet er een politiek akkoord tot stand komen over de inhoud van deze maatregelen, en wel vóór het eind van dit jaar.
VII - Vernieuwingen van het Verdrag van Lissabon en hun invloed op de begroting: institutionele aspecten en nieuwe bevoegdheden van de Europese Unie
1. Dit hoofdstuk wil het verdrag van Lissabon uit het gezichtspunt van zijn invloed op de begroting lezen, of m.a.w. een inventaris van de vernieuwingen opmaken die het verdrag brengt en die van invloed op de begroting van de Europese unie kunnen zijn.
2. Vanzelfsprekend komt het mij als rapporteur niet toe om dit document van kwantitatieve gegevens te voorzien: dat is een opdracht voor het denkwerk naar aanleiding van de herziening halverwege of na afsluiting van een overeenkomst over de financiële vooruitzichten op vandaag. Maar het spreekt ook vanzelf dat de beleidsvormen of instellingen die hier ter sprake komen, bij de opstelling van het lopend meerjarig financieel kader niet in aanmerking genomen zijn.
A. Budgettaire bepalingen die uit de nieuwe bevoegdheden van de Europese Unie voortkomen
3. Het Verdrag van Lissabon geeft de Europese unie geen enkele exclusieve nieuwe bevoegdheid. Het verleent haar wel een aantal nieuwe bevoegdheden in de categorieën:
- gedeelde bevoegdheid
- ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden (zoals voor burgerbescherming, intellectuele eigendom, toerisme, administratieve samenwerking en sport). Voor die beleidsterreinen is de gewone wetgevende procedure te volgen (medebeslissing met het Europees parlement en gekwalificeerde meerderheid in de Raad van ministers), op een paar precieze uitzonderingen na.
4. Er zijn dus nieuwe rechtsgrondslagen die wetgevend optreden van de Europese Unie mogelijk maken. Een aantal van die nieuwe rechtsgrondslagen geven aanleiding tot beleidsvormen die voor de Europese Unie klaarblijkelijk geen financiële gevolgen hebben. Andere verlenen alleen ogenschijnlijk nieuwe bevoegdheden, omdat de Europese unie al op de bewuste beleidsterreinen actief was (energie bvb), op grond van andere verdragsbepalingen, in sommige gevallen zelfs artikel 308.
5. In dit stadium van de procedure is het wel voorbarig om de budgettaire gevolgen al met enige nauwkeurigheid te schatten. Bovendien eisen eventuele uitgaven uit de begroting van de Europese unie dat er eerst een aantal specifieke rechtsmiddelen aangenomen worden (art. 268/310 verdrag werking van de Europese Unie[9]).
Besluiten over toewijzingen uit de begroting moeten dus op goedkeuring van de rechtsmiddelen wachten.
6. Voor het landbouwbeleid is het van belang dat de bepalingen van artikel 16 en 17 van het lopend verdrag onder het nieuw artikel 37, lid 2 terecht komen, m.a.w. onder de medebeslissingsprocedure. De bepalingen gelden voor de gemeenschappelijke marktordening, reglementering rechtstreekse betalingen, reglementering plattelandsontwikkeling en financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
7. Het verdrag van Lissabon breidt de medebeslissingsprocedure namelijk tot bijna 50 nieuwe onderdelen van het wetgevend werk uit. De begrotingstoewijzingen voor programma's onder de medebeslissingsprocedure moeten binnen de perken van het meerjarig financieel kader vallen, dat juridisch bindende kracht krijgt. Het is bijgevolg van essentieel belang om over een werkwijze na te denken waardoor de Begrotingscommissie actief kan samenwerken met de commissies die ten principale bevoegd zijn. De samenhang in de stemmingen van het Europees Parlement over de beleidsonderdelen in kwestie moet versterkt worden, zowel in het meerjarig financieel kader als in de jaarlijkse begrotingen.
8. Punt C van dit hoofdstuk bevat een opsomming van de nieuwe bevoegdheden en hun meest voor de hand liggende gevolgen voor de begroting.
B. Institutionele aspecten
9. Naast de bepalingen over de financiën van de Europese Unie, die hierboven besproken worden, zijn er nog de volgende bepalingen over institutionele veranderingen die invloed op de begroting van de Europese unie uitoefenen:
a) Europees Parlement
De vermoedelijke inwerkingtreding van het besluit dat de samenstelling van het Europees parlement vastlegt, waarover in het vooruitzicht van de eerstvolgende Europese verkiezingen al politieke onderhandelingen waren gevoerd (verslag-Lamassoure & Severin), zal moeten worden uitgesteld. Overeenkomstig het Verdrag van Lissabon moet het aantal leden van het Europees Parlement vanaf juni 2009 liggen op 751. Aangezien het Verdrag eind 2008 niet in werking is getreden, blijft het EP eerst bestaan uit de 736 leden waarin was voorzien in het Verdrag van Nice, een aantal dat vervolgens, als het Verdrag van Lissabon in werking treedt, moet stijgen tot 754, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van 11-12 december 2008. De begroting van het Europees Parlement moet het nieuw aantal leden in aanmerking nemen.
(Datum: naar verwachting juni 2009)
b) Europese Raad met vaste voorzitter
De Europese Raad wordt een zelfstandige instelling en krijgt daarmee ook een eigen begroting, die zich volgens artikel 273a/316 verdrag werking van de Europese unie in dezelfde afdeling als die van de Raad van ministers moet bevinden. Artikel 210a/235 § 4 van hetzelfde verdrag/verdrag van Lissabon bepaalt verder dat de Europese Raad bijgestaan wordt door het secretariaat van de Raad van ministers.
De Europese Raad kan dus voor een belangrijk deel uit de begroting van de Raad van ministers gefinancierd worden. Daarmee is het de vraag of en hoe het Europees Parlement daadwerkelijk toezicht op de secretariaatsuitgaven van de Europese raad kan uitoefenen en of er aanleiding bestaat om het gentlemen's agreement tussen de beide onderdelen van de begrotingsautoriteit in stand te houden.
Ten laatste moeten er, wanneer het voorzitterschap van de Europese raad een vaste functie wordt, op de begroting specifieke middelen uitgetrokken worden voor de uitgaven die met de functie verbonden zijn (bezoldiging van de voorzitter en zijn kabinetsleden, reiskosten, enz.).
(Datum: naar verwachting januari 2009)
c) Hoge vertegenwoordiger
Volgens verklaring nr. 12 bij het verdrag van Lissabon ("verklaring ad artikel 9E van het Verdrag betreffende de Europese Unie") moet ook de hoge vertegenwoordiger begin volgend jaar zijn functie opnemen (gesteld dat het verdrag van Lissabon begin 2009 van kracht wordt, natuurlijk). Men kan ervan uitgaan dat de overeenkomstige uitgaven ten laste van de begroting van de Europese Commissie vallen, aangezien de hoge vertegenwoordiger de post van één van de huidige commissarissen inneemt.
(Datum: naar verwachting januari 2009)
d). Europese dienst voor extern optreden
Het financieringsprobleem heeft niet op de eerste plaats met de beschikbaarheid van middelen te maken, aangezien de externe diensten al uit de begroting van de Europese Commissie en de Raad gefinancierd worden. Het gaat vooral om een probleem van begrotingsnomenclatuur, dat klaarblijkelijk niet technisch maar politiek van aard is. Bovendien moet er rekening gehouden worden met leden van de dienst die, zoals in het verdrag van Lissabon bepaald, uit de nationale diplomatieke diensten afkomstig zijn en eventueel ten laste van de begroting van de Europese Unie vallen.
Het Europees Parlement heeft twee verslagen over het onderwerp in voorbereiding (verslag-Brok/com. const. zaken over de institutionele aspecten, en verslag-Neyts/com. buit. zaken). De vastlegging van het concreet werkingsmodel van de dienst is voor het Europees parlement van doorslaggevend belang en het zal van zijn budgettaire bevoegdheden gebruik willen maken. Volgens mij moet er geen enkel begrotingsbesluit genomen worden dat richtinggevend voor de toekomst van de dienst is voordat er een politiek vergelijk over zijn samenstelling bereikt is.
(Datum: in de loop van 2009 - misschien oprichting in verschillende fazen, gespreid over meerdere jaarlijkse begrotingen)
e) Europese Commissie
Afgezien van de instelling van de functie van hoge vertegenwoordiger en de oprichting van de Europese dienst voor extern optreden en de veranderingen die dat met zich meebrengt, zouden de rechtstreekse gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de begroting van de Europese Commissie echt voelbaar worden vanaf 2014, wanneer de vermindering van het aantal leden van de Europese Commissie tot 2/3 van het aantal lidstaten van kracht zou worden. De besluiten van de Europese Raad van 11-12 december 2008 lijken evenwel te wijzen op een behoud van de huidige samenstelling van de Commissie.
(Datum: naar verwachting 2014)
f) Hof van Justitie (verklaring ad artikel 252 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het aantal advocaten-generaal bij het Hof van Justitie)
Het aantal advocaten-generaal kan volgens verklaring nr. 41 over artikel 252 verdrag werking van de Europese Unie, op aanvraag van het Hof van Justitie van 8 tot 11 verhoogd worden, met de gevolgen van dien voor de begroting van het Hof van Justitie.
(Datum: afhankelijk van de aanvraag van het Europees Hof van Justitie)
g) Economisch en sociaal comité en Comité van de regio's
De samenstelling van de 2 comités ligt momenteel vast in het verdrag: geen van beide mag meer dan 350 leden tellen, en op het ogenblik tellen ze 344 leden. Met het verdrag van Lissabon verandert de procedure voor de samenstelling, maar de grens van 350 leden blijft behouden. In de toekomst is het aan de Raad om met een eenparig besluit op voorstel van de Europese Commissie hun samenstelling te bepalen. De budgettaire weerslag van de veranderde procedure voor de vastlegging van het aantal leden van de beide comités is op het ogenblik niet te voorspellen.
h) Europees parket (art. 86 verdrag werking van de Europese Unie)
Het Europees parket komt in de plaats van het huidige OLAF. Zijn oprichting heeft zeker financiële gevolgen voor de begroting van de Europese unie (bezoldigingen, personeel, onderbrenging, enz.). Maar de omvang van de gevolgen is maar goed te schatten wanneer het oprichtingsbesluit eenmaal aangenomen is.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten)
C. Beleidsvoering van de Europese Unie: nieuwe bevoegdheden en nieuwe rechtsgrondslagen
a) Nieuwe bevoegdheden van EUROJUST (art. 85 verdrag werking van de Europese Unie)
De bevoegdheden van EUROJUST worden uitgebreid, zodat er misschien ruimere financiële behoeften te verwachten zijn. De eventuele behoeften kunnen pas bepaald worden na goedkeuring van de wetgevende akten die door het verdrag vastgelegd zijn.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
b) Gerechtelijke samenwerking in strafzaken (art. 82 § 1 letter c)
De nieuwe bevoegdheid van de Europese Unie - ondersteuning van de vorming van magistraten en personeel van gerechtelijke diensten - kan ook budgettaire gevolgen hebben, ook al wordt dat soort optreden ook nu al door de Europese Unie gefinancierd.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten)
c) Jeugd en sport (art. 165)
Er wordt een nieuwe bevoegdheid voor het jeugdbeleid toegevoegd: "deelneming van jongeren aan het democratisch leven van Europa aan(...)moedigen" (art. 165 § 2, 5de streepje). Het is een bevoegdheid die zeker financiële gevolgen heeft, ook al zijn er gelijkaardige beleidsvormen die nu al gefinancierd worden.
Volgens art. 165, lid 1 krijgt de Europese Unie een bepaalde bevoegdheid voor de sport: de Europese dimensie van de sport helpen ontwikkelen, met inachtneming van haar specifieke kenmerken, structuren die op vrijwilligerswerk berusten, en haar sociale en opvoedende functie. De budgettaire gevolgen zullen ook in dit geval blijken wanneer de wetgevende akten aangenomen worden.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten)
d) Volksgezondheid (art. 168)
De Europese Unie krijgt een aanvullende bevoegdheid voor toezicht, waarschuwing en strijd tegen ernstige grensoverschrijdende gevaren voor de gezondheid. Het gaat om stimulerende en niet om harmoniserende maatregelen. De Europese Unie zorgt ook voor aanmoediging "dat de lidstaten samenwerken ter verbetering van de complementariteit van hun gezondheidsdiensten in de grensgebieden." Ook kan ze maatregelen voor rechtstreekse bescherming van de volksgezondheid tegen tabak en alcoholmisbruik aannemen. Harmonisering van de wetgeving is uitgesloten.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
e) Europese onderzoeksruimte (art. 179)
Art. 179 zorgt voor de oprichting van een Europese onderzoeksruimte om de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de Europese Unie te verstevigen. Het is de bedoeling dat onderzoekers en wetenschappelijke en technische kennis zich in de onderzoeksruimte vrij kunnen bewegen.
Het Europees Parlement en de Raad moeten aan de hand van de medebeslissingsprocedure en ter aanvulling van de beleidsvoering volgens het meerjarig kaderprogramma de maatregelen vastleggen die nodig zijn om de Europese onderzoeksruimte gestalte te geven.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
f) Ruimtevaartbeleid
Het verdrag over de werking van de Europese Unie zet de grenslijnen voor een nieuw Europees ruimtevaartbeleid uit, dat de wetenschappelijke en technische vooruitgang, industriële competitiviteit en uitvoering van de beleidskeuzen wil stimuleren (par. 1), ook aan de hand van een nieuw Europees ruimtevaartprogramma (zonder harmonisering van wetgeving, die uitgesloten is).
Om haar nieuwe bevoegdheid concrete vorm te geven kan de Europese unie gemeenschappelijke initiatieven aanmoedigen, onderzoek en technische ontwikkeling ondersteunen en de inspanningen voor verkenning en gebruikmaking van de ruimte coördineren.
De wetgevende akten, die met de gewone procedure aan te nemen zijn, leggen de nodige maatregelen in de vorm van een Europees ruimtevaartprogramma vast. Harmonisering van wetgeving is ook hier uitgesloten (par. 2).
Paragraaf 3 stelt dat de Europese unie ook alle nodige verbindingen met het Europees ruimteagentschap onderhoudt en de samenwerking met het agentschap een juridische grondslag geeft.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
g) Milieu en strijd tegen klimaatveranderingen (art. 191)
De doelstellingen van het Europees milieubeleid worden uitgebreid tot stimulering van maatregelen op internationaal vlak om milieuproblemen van regionale of planetaire omvang het hoofd te bieden, vooral in de strijd tegen klimaatverandering.
Het verdrag bevat geen enkele nieuwe en specifieke rechtsgrondslag. De doelstelling wordt dus in de bestaande beleidsmiddelen geïntegreerd (meer in het bijzonder de programma's), wat gevoelige budgettaire consequenties met zich mee kan brengen.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
h) Energie (art. 194)
De Europese Unie krijgt de bevoegdheid om maatregelen te treffen
- die de werking van de energiemarkt verzekeren
- die haar energievoorziening beveiligen
- die doelmatig en spaarzaam energieverbruik en de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare energievormen aanmoedigen
- die onderlinge verbindingen van de energienetwerken stimuleren.
Er is ook een nieuwe vermelding van de solidariteit tussen de lidstaten op energiegebied.
De maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van een lidstaat om de uitbatingsvoorwaarden voor zijn energierijkdommen vast te leggen noch aan zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of de algemene structuur van zijn energievoorziening. Dat is binnen de perken van art. 192 § 2 letter c te zien, dat de Raad de mogelijkheid geeft om aan de hand van een speciale wetgevende procedure maatregelen te treffen die een aanzienlijke invloed op de keuzevrijheid van een lidstaat voor verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening uitoefenen. Als de voorgenomen maatregelen hoofdzakelijk een fiscaal karakter dragen, dan moeten ze door de Raad eenparig aangenomen worden (art. 194 § 3).
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
i) Toerisme
De Europese Unie krijgt nieuwe bevoegdheden voor "het bevorderen van een klimaat dat gunstig is voor de ontwikkeling van bedrijven in (de toeristische) sector" en "het stimuleren van de samenwerking tussen de lidstaten, met name door uitwisseling van goede praktijken" (geen harmonisering van wetgeving mogelijk).
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
j) Burgerbescherming
De Europese Unie is bevoegd voor ondersteunende maatregelen die de samenwerking tussen de lidstaten bevorderen, om de preventie- en beschermingsystemen tegen natuurrampen (of rampen die door de mens veroorzaakt zijn) doeltreffender te maken.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
k) Administratieve samenwerking (art. 197 verdrag werking van de Europese Unie)
De Europese Unie is bevoegd om de pogingen van de lidstaten om hun administratieve capaciteit voor de uitvoering van de Europese wet uit te breiden, te ondersteunen. Het gaat meer in het bijzonder om gemakkelijker uitwisseling van gegevens en ambtenaren en steun voor vormingsprogramma's. Harmonisering van de wetgeving is uitgesloten.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende akten/op halflange tot lange termijn)
l) Humanitaire hulpverlening (art. 214 verdrag werking van de Europese Unie)
Het Verdrag van Lissabon legt een nieuwe rechtsgrondslag voor optreden van de Europese unie om derde landen humanitaire bijstand te verlenen. De maatregelen kunnen bedoeld zijn om de bevolking van derde landen die door natuurrampen of rampen van menselijke oorsprong geteisterd zijn, hulp en bijstand en bescherming te bieden, maar ook om tegemoet te komen aan humanitaire noden die uit de omstandigheden ontstaan (par. 1).
Het optreden moet wederzijds aanvullend en versterkend tegenover dat van de lidstaten zijn. Het moet de algemene doelstellingen van het buitenlands optreden van de Europese unie en de princiepen van het internationaal recht en van onpartijdigheid, neutraliteit en afwezigheid van discriminatie in acht nemen (par. 2).
Het Europees Parlement en de Raad leggen aan de hand van de gewone wetgevende procedure het raamwerk voor de humanitaire hulpverlening vast (par. 3). De Europese unie kan ook overeenkomsten met derde landen en internationale organisaties afsluiten (par. 4).
Er is een nieuwe rechtsgrondslag waarmee er een "Europees vrijwilligerskorps" voor humanitaire bijstand kan opgericht worden, waar de Europese jongeren hun bijdrage tot het humanitair optreden in kunnen verlenen (Europees Parlement en Raad met de gewone wetgevingsprocedure).
De Europese Unie bezit al bevoegdheid voor humanitaire hulpverlening. Maar met de nieuwe en duidelijker bevoegdheidsomschrijving is er niet onaanzienlijke financiële weerslag op de begroting te verwachten.
(Datum: na goedkeuring van de wetgevende besluiten of akten/op halflange tot lange termijn)
m) Solidariteitsclausule (art. 222 verdrag werking van de Europese Unie)
"De Unie en de lidstaten treden uit solidariteit gezamenlijk op indien een lidstaat getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp." (par. 1). De Europese Unie financiert op het ogenblik al gelijkaardige vormen van optreden uit het Solidariteitsfonds (1 miljard euro per jaar uit lopend AII), maar het bevoegdheidsterrein van de solidariteitsclausule is veel ruimer, vooral voor bescherming tegen terreur, die militair optreden met zich mee kan brengen. Het is dus wel mogelijk dat er meer financiële middelen ter beschikking gesteld zullen moeten worden.
De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden door de Raad vastgelegd, per besluit met gekwalificeerde meerderheid op gezamenlijk voorstel van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger (en per eenparig besluit als er gevolgen voor het defensiebeleid zijn). Het Europees Parlement wordt op de hoogte gebracht.
(Datum: na goedkeuring van besluit van de Raad/op halflange tot lange termijn)
Bijlage 1
Het verloop van de procedure voor de jaarlijkse begroting
1. Het initiatief van de Commissie: de ontwerpbegroting
Formeel begint de begrotingsprocedure voor 1 september, op basis van een voorstel van de Commissie, bij wie het wetgevend initiatief ligt: de ontwerpbegroting. Dit heeft vooral gevolgen voor het definiëren van de gekwalificeerde meerderheid in de Raad, want in dat geval wordt de gewone gekwalificeerde meerderheid toegepast[10]. In artikel 250 van het gewijzigde VWEU is daarentegen opgenomen dat in de begrotingsprocedure[11] de regel dat de Raad een voorstel van de Commissie slechts kan wijzigen met eenparigheid van stemmen geen toepassing vindt. Bovendien staat in het tweede lid omschreven dat de Commissie haar voorstel kan wijzigen totdat het bemiddelingscomité bijeengeroepen is, wat tot doel heeft de rol van de Commissie als bemiddelaar tussen het Europees Parlement en de Raad te vergemakkelijken.
Voor het opstellen van de ontwerpbegroting moet de Commissie de door iedere instelling op te stellen kostenramingen in overweging nemen. Toch is zij niet per definitie verplicht er rekening mee te houden, en kan de ontwerpbegroting volgens het lid van artikel 270 bis uiteenlopende ramingen bevatten.
2. Het vaststellen van het standpunt door de Raad en het Europees Parlement
De eerste lezing begint bij de Raad, die zijn standpunt over de ontwerpbegroting uiterlijk op 1 oktober moet vaststellen en aan het Parlement moet meedelen. Het Europees Parlement moet zich dan binnen 42 dagen na het vaststellen van dit standpunt uitspreken.
Als het Europees Parlement de ontwerpbegroting zonder meer goedkeurt of zich er niet over uitspreekt, wordt de begroting geacht te zijn vastgesteld.
Als het Europees Parlement amendementen vaststelt (met een meerderheid van zijn leden), wordt het geamendeerde ontwerp toegezonden aan de Raad en aan de Commissie.
De Voorzitter van het Europees Parlement moet dan, in overeenstemming met de voorzitter van de Raad, “onverwijld” het bemiddelingscomité bijeenroepen[12].
Wanneer de Raad het Europees Parlement echter binnen tien dagen na het toezenden van het geamendeerde ontwerp laat weten dat hij alle amendementen goedkeurt, komt het comité niet bijeen omdat de begroting dan geacht wordt in geamendeerde vorm te zijn vastgesteld.
3. Het bemiddelingscomité
Het bemiddelingscomité, dat moet bestaan uit “de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers” en “een gelijk aantal leden” die het Europees Parlement vertegenwoordigen heeft dan 21 dagen de tijd om overeenstemming te bereiken. De Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het comité en het VL geeft de Commissie de taak “alle initiatieven [te nemen] die nodig zijn om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen” (artikel 272, lid 5, 2e alinea VWEU).
4. Het afronden van de procedure: een in theorie doorslaggevend standpunt van het EP
Indien het bemiddelingscomité niet binnen 21 dagen overeenstemming bereikt, wordt de begroting geacht niet te zijn vastgesteld en moet er een nieuwe procedure beginnen met het indienen van een nieuwe ontwerpbegroting door de Commissie.
Indien het bemiddelingscomité overeenstemming bereikt over een compromistekst, hebben het Europees Parlement en de Raad 14 dagen de tijd om zich over de tekst uit te spreken. De formulering van lid 7 is niet echt duidelijk, maar in elk geval kan geconcludeerd worden dat de begroting is goedgekeurd indien geen van beide instellingen deze afwijst, waarbij de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden[13].
Als beide instellingen de begroting afwijzen, moet de Commissie een nieuwe ontwerpbegroting indienen.
Dit is ook het geval indien het Europees Parlement de begroting afwijst (met een absolute meerderheid van zijn leden) en de Raad dit niet doet (en ofwel de begroting goedkeurt ofwel zich niet uitspreekt).
Indien daarentegen het Europees Parlement de begroting goedkeurt (met gewone meerderheid van stemmen) en de Raad de begroting afwijst, heeft het Europees Parlement nog de mogelijkheid de amendementen die het heeft vastgesteld in de eerste lezing – binnen veertien dagen nadat de Raad de begroting heeft afgewezen – opnieuw te bekrachtigen voor zover dit opnieuw wederom gebeurt met een meerderheid van de leden en met drievijfde van de uitgebrachte stemmen[14]. In dat geval wordt de begroting geacht te zijn vastgesteld met de door het Europees Parlement bekrachtigde amendementen. Indien het Europees Parlement er niet in slaagt al zijn amendementen te bekrachtigen, wordt de tekst van het bemiddelingscomité bewaard voor de betreffende regels.
Voor de helderheid kunnen we alle mogelijkheden met betrekking tot de reactie van de twee instellingen op het gemeenschappelijk ontwerp van het bemiddelingscomité als volgt samengevat weergeven:
EP keurt goed + Raad keurt goed = begroting vastgesteld
EP keurt goed + Raad spreekt zich niet uit = begroting vastgesteld
EP keurt goed + Raad wijst af = begroting vastgesteld volgens de amendementen van het EP of een gemeenschappelijke tekst
EP spreekt zich niet uit + Raad keurt goed = begroting vastgesteld
EP spreekt zich niet uit + Raad spreekt zich niet uit = begroting vastgesteld
EP spreekt zich niet uit + Raad wijst af = begroting afgewezen
EP wijst af + Raad keurt goed = begroting afgewezen
EP wijst af + Raad spreekt zich niet uit = begroting afgewezen
EP wijst af + Raad wijst af = begroting afgewezen
Opgemerkt dient nog te worden dat het vaststellen van de tekst door het Europees Parlement dient te gebeuren bij gewone meerderheid van stemmen, terwijl voor het afwijzen een meerderheid van de leden vereist is[15].
Indien de procedure op positieve wijze wordt afgerond, is het net als nu aan de Voorzitter van het Europees Parlement om te constateren dat de begroting definitief is vastgesteld.
Bijlage 2
|
|
- [1] Volgens de lidstaten was deze juridisch bindende formalisering de compensatie die noodzakelijke was voor het afschaffen van het onderscheid VU/NVU, want vele waren van mening dat de uitbreiding van de begrotingsbevoegdheid van het Europees Parlement tot aan alle uitgaven van de Unie moest worden ingekaderd door een vergaande begrotingsdiscipline. Het Europees Parlement ondersteunde al jaren een ontwikkeling die gericht was op het duidelijker en transparanter maken van de begrotingsdiscipline. Het was zich hierbij bewust van de belangrijke rol van deze begrotingsdiscipline in het beslechten van het oude begrotingsconflict tussen de Raad en het Parlement en heeft het mogelijk gemaakt dat de Unie op evenwichtige en geplande manier haar beleid kon ontwikkelen.
- [2] Hierbij dient opgemerkt te worden dat het beginsel dat is opgenomen in artikel 269 lid 4 VWEU in grote mate overeenkomt met artikel 270 van het huidige VEG, met (naast de toevoeging van de grenzen van het meerjarig financieel kader) als wezenlijk verschil dat dit artikel alleen betrekking heeft op de Commissie, terwijl het nieuwe artikel betrekking heeft op de Unie als geheel, dus op alle instellingen. Dit betekent dat de begrotingsdiscipline in het VL wordt beschouwd als een juridische verplichting voor alle instellingen, en dat zij deze dus volledig moeten implementeren, elk op hun eigen competentiegebied.
- [3] Het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (PB nr. C 139 van 14/6/2006) heeft als doel de begrotingsdiscipline te implementeren. Het legt die verplichting op aan alle instellingen en is van toepassing op alle uitgaven die beheerst worden door het meerjarig financieel kader 2007-2013. Het beoogt het verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure te verbeteren en maakt het mogelijk een goed financieel beheer te garanderen.
- [4] In zijn Resolutie over beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013 (2004/2209/(INI)) bevestigt het Parlement dat “het vanwege de democratische verantwoording gunstig is dat er een parallellie is tussen de toepassingsduur van financiële vooruitzichten en het mandaat van vijf jaar van het Europees Parlement en van de Commissie”.
- [5] Dientengevolge kan men zorgen voor een MFK van 5 jaar en daarmee beginnen twee of drie jaar na het begin van het mandaat van het Europees Parlement en van de Commissie (5 jaar vanaf N+2 of N+3, waarbij N staat voor het beginjaar van het mandaat van het Europees Parlement en van de Commissie). Opgemerkt zij dat, aangezien de Europese verkiezingen plaatshebben in juni van het jaar N en de Commissie haar mandaat opneemt in oktober-november, N+2 in de praktijk betekent: iets meer dan een jaar voor de onderhandelingen, hetgeen niet voor de goedkeuring van een nieuw MFK kan volstaan.
- [6] We roepen hier de problemen in herinnering die een dergelijke situatie met zich meebracht tijdens de onderhandelingen rond het laatste interinstitutionele akkoord, toen het Europees Parlement de Commissie Barroso, waarmee de onderhandelingen hadden plaatsgehad, ertoe had moeten aanzetten het pakket voorstellen te aanvaarden dat door de Commissie Prodi was geformuleerd als basis voor het aangaan van het akkoord.
- [7] Behalve in de bijzondere gevallen waarvoor de verdragen voorzien in een bijzondere procedure voor vaststelling van een bepaalde wetgevende handeling kan de medebeslissingsprocedure inderdaad met dezelfde legitimiteit afwisselend uitpakken als een succes of als een mislukking. In een “medebeslissingsprocedure” aangaande de begroting moet tot overeenstemming gekomen worden omdat de ter discussie staande handeling voor het overleven van de Unie onvermijdelijk is. Daarom kent de procedure bepaalde bijzonderheden: de mogelijkheid voor het Europees Parlement om een afwijzing door de Raad terzijde te leggen, of de bepaling in het verdrag op grond waarvan de Commissie bij een mislukking een nieuw begrotingsvoorstel moet indienen.
- [8] Het nieuwe Verdrag voorziet specifieke in de mogelijkheid dat de instellingen Interinstitutionele Akkoorden sluiten die al dan niet juridisch bindend zijn. Artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: "Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken. Daartoe kunnen zij met inachtneming van de Verdragen Interinstitutioneel Akkoorden sluiten die een bindend karakter kunnen hebben."
- [9] Op de begroting opgevoerde uitgaven kunnen niet worden uitgevoerd dan nadat een juridisch bindende handeling van de Unie is vastgesteld die een rechtsgrond geeft aan haar optreden en aan de uitvoering van de overeenkomstige uitgave, in overeenstemming met het in artikel 322 bedoelde reglement, behoudens de daarin bepaalde uitzonderingen."
- [10] En niet een hogere gekwalificeerde meerderheid zoals deze is voorzien voor gevallen waarin een beslissing op grond van een voorstel van de Commissie niet wordt aangenomen. Vgl. artikel 9C VEG en artikel 205 VWEU.
- [11] En ook in de vaststellingsprocedures: uitvoeringsmaatregelen ten aanzien van de eigen middelen en van het meerjarig financieel kader nadat de Europese Raad de passage bij gekwalificeerde meerderheid had goedgekeurd of ten aanzien van de beslissing van de Raad waarin het overschrijden van de grens van de voorlopige twaalfden had goedgekeurd.
- [12] Natuurlijk moet hij de goedkeuring van de voorzitter van de Raad krijgen en de tijd nemen voor de technische voorbereiding (basisdocumenten, etc.) zodat het comité aan het werk kan.
- [13] Anders gezegd: indien beide instellingen de begroting goedkeuren, indien geen van beide zich erover uitspreekt of indien een van hen de begroting vaststelt en de ander zich er niet over uitspreekt.
- [14] Het is niet erg gemakkelijk deze periode van 14 dagen in samenhang te brengen met de rest van dit lid: er kan uit worden afgeleid dat indien de afwijzing van de Raad na de goedkeuring van het Europees Parlement komt, die periode begint op het moment dat de Raad de begroting heeft afgewezen (of eigenlijk op het moment dat deze afwijzing aan het Europees Parlement is medegedeeld). Maar hoe zit het wanneer de Raad de tekst afwijst voordat het Europees Parlement zich uitspreekt? Begint die periode van 14 dagen dan meteen? Moet het Europees Parlement de tekst eerst vaststellen voordat het overgaat tot het eventueel opnieuw bekrachtigen van de amendementen of kan het Europees Parlement dat eerst doen en dan de aldus geamendeerde tekst vaststellen?
- [15] Wat als het EP de tekst verwerpt met een kleinere meerderheid dan degene waarin is voorzien? Komt dit overeen met goedkeuring, zoals artikel 272, lid 7, VWEU lijkt aan te geven? Anderzijds lijkt het duidelijk dat, als de Raad, die normaal beslist met gekwalificeerde meerderheid, er niet in slaagt de tekst met gekwalificeerde meerderheid goed te keuren of te verwerpen, dit betekent dat hij er geen advies over uitbrengt.
ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (24.2.2009)
aan de Begrotingscommissie
inzake de financiële aspecten van het Hervormingsverdrag
(2008/2054(INI))
Rapporteur voor advies: István Szent-Iványi
SUGGESTIES
De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
A. constateert dat het Verdrag van Lissabon door de reorganisatie van de administratieve taken en de invoering van nieuwe beleidsterreinen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid;
B. wijst erop dat, aangezien het institutionele kader nog niet vaststaat, de nodige begrotingskredieten geleidelijk beschikbaar moeten worden gemaakt, afhankelijk van hoe de draagwijdte en de rol van de nieuwe organisatorische structuren eruit komen te zien; roept de Commissie en de Raad op ervoor te zorgen dat de schaalvoordelen ten aanzien van ondersteuningsstructuren ook werkelijk leiden tot een vermindering van de administratieve kosten;
C. onderstreept dat de institutionele wijzigingen noch de nieuwe GBVB/GVDB-bepalingen het huidige niveau van vastleggingskredieten in de systematisch ondergefinancierde rubriek 4 extra onder druk mogen zetten, en verwacht daarom dat bij de komende tussenbalans van het meerjarig financieel kader wordt gezorgd voor aanvullende middelen;
D. constateert dat het Verdrag van Lissabon voorziet in nieuwe procedures voor een snelle toegang tot de begroting van de Unie en de oprichting van een startfonds van bijdragen van de lidstaten; onderstreept dat alle externe acties van de Unie in de regel moeten worden gefinancierd met gemeenschapskredieten en slechts bij uitzondering – d.w.z. in noodgevallen – met bijdragen buiten de EU-begroting;
E. is verheugd over het feit dat in de nieuwe begrotingsprocedure alle onderscheid tussen verschillende hoofdstukken en soorten uitgaven wordt afgeschaft; meent derhalve dat voor de uitgaven met betrekking tot het GBVB dezelfde voorschriften en procedures moeten gelden als voor de andere begrotingshoofdstukken;
F. onderstreept dat het wettelijk bindende karakter van het meerjarig financieel kader waarin door het Verdrag van Lissabon wordt voorzien een grotere flexibiliteit voor de uitgaven vereist; meent dan ook dat de bepalingen inzake het flexibiliteitsinstrument in het huidige Interinstitutioneel Akkoord moeten worden herzien om de jaarlijks beschikbare bijkomende marge voor de begrotingsautoriteit te verhogen en beperkte aanpassingen en waar nodig tijdelijke overdrachten tussen de verschillende rubrieken van het meerjarig financieel kader mogelijk te maken.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
24.2.2009 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
32 6 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Vittorio Agnoletto, Angelika Beer, Bastiaan Belder, Marco Cappato, Philip Claeys, Maciej Marian Giertych, Ana Maria Gomes, Klaus Hänsch, Maria Eleni Koppa, Vytautas Landsbergis, Francisco José Millán Mon, Pasqualina Napoletano, Janusz Onyszkiewicz, Ioan Mircea Paşcu, João de Deus Pinheiro, Hubert Pirker, Pierre Pribetich, Flaviu Călin Rus, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, György Schöpflin, Charles Tannock, Geoffrey Van Orden, Andrzej Wielowieyski, Zbigniew Zaleski |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Maria Badia i Cutchet, Andrew Duff, Pierre Jonckheer, Evgeni Kirilov, Alexandru Nazare, Antolín Sánchez Presedo, Jean Spautz |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2) |
Carlos Coelho, Pilar del Castillo Vera, Cristina Gutiérrez-Cortines, Manolis Mavrommatis, José Javier Pomés Ruiz, José Ribeiro e Castro, Ewa Tomaszewska |
|||||
ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (27.5.2008)
aan de Begrotingscommissie
inzake de financiële aspecten van het Hervormingsverdrag
(2008/2054(INI))
Rapporteur voor advies: Jan Mulder
SUGGESTIES
De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. verwelkomt de nieuwe bevoegdheden die zijn toegewezen aan het Parlement in de begrotingsprocedure, met name op het gebied van de landbouwuitgaven; merkt op dat het Parlement terecht en in overeenstemming met de democratische beginselen begrotingsbevoegdheid gegeven is op alle gebieden; wijst erop dat het Parlement nu de beslissingsbevoegdheid en -verantwoordelijkheid zal hebben voor het al dan niet toewijzen van fondsen aan landbouwprojecten; wenst de goede samenwerking met de Raad inzake alle begrotingskwesties voort te zetten;
2. onderstreept de afschaffing van de classificatie van verplichte en niet-verplichte uitgaven krachtens het Verdrag van Lissabon; benadrukt echter dat een groot gedeelte van de begroting nog altijd als verplichte uitgave aangemerkt moet worden vanwege de meerjarenprogrammering en -wetgeving; wijst erop dat, hoewel de financiering dientengevolge gegarandeerd is, de begroting tevens minder flexibel geworden is; merkt op dat als gevolg hiervan nieuwe prioriteiten slechts gefinancierd kunnen worden door middel van nieuwe fondsen of door een herschikking van de prioriteiten binnen de bestaande programma’s en bestedingsniveaus; benadrukt daarom de grotere noodzaak om toereikende marges in de verschillende categorieën van de initiële begrotingscijfers te hanteren om zo ruimte te bewaren voor de prioriteiten van het Parlement;
3. merkt op dat er sprake is van tegenstrijdigheid tussen enerzijds volledige begrotingsbevoegdheid en anderzijds medebeslissingsbevoegdheid op het gebied van de landbouw, waarin wordt voorzien in respectievelijk artikel 37, lid 2 en artikel 37, lid 3 van het Verdrag van Lissabon; is van mening dat er in artikel 37, lid 3 op zich geen onafhankelijke bevoegdheid besloten ligt;
4. merkt op dat in het Verdrag van Lissabon de institutionalisering van het interinstitutioneel akkoord (IIA) en het meerjarig financieel kader (MFK) opgenomen is, wat betekent dat beide financiële akkoorden opgenomen dienen te worden in wetsbesluiten met gebruik van een speciale besluitvormingsprocedure voor het MFK; wijst erop dat, indien het Parlement en de Raad er niet in slagen tot een akkoord te komen inzake een nieuw MFK, het huidige MFK zal worden verlengd totdat een dergelijk akkoord bereikt is;
5. verzoekt om een parallellisme tussen de voorwaarden van het IIA en het MFK en de mandaatperioden van vijf jaar van het Parlement en de Commissie; benadrukt dat hierdoor de taak van het vaststellen van de middellange termijn prioriteiten voor het Parlement en de Commissie zal worden vergemakkelijkt; verzoekt daarom om een verlenging van de vervaltermijnen van het huidige IIA en het huidige MFK met twee jaar, met als vervaljaar 2015 in plaats van 2013;
6. benadrukt dat het nieuwe Verdrag een aanzienlijke verandering teweegbrengt in de jaarlijkse begrotingsprocedure; benadrukt tevens dat het feit dat er slechts één lezing zal zijn een aanzienlijke verandering teweegbrengt in de aard van deze lezing en een aanmerkelijke toename van het strategisch belang ervan tot gevolg heeft; verzoekt, indien dit nodig wordt geacht, om een spoedige herziening van het Reglement van orde van het Parlement om zo te anticiperen op de gewijzigde begrotingsprocedure voor de begroting van 2010, en om alle Parlementaire commissies behalve de Begrotingscommissie in staat te stellen hun adviezen binnen een haalbaar tijdskader in te dienen; verzoekt de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling om haar budgettaire raadplegingsprocedures ter herzien, om te garanderen dat grondige discussies worden gevolgd door hoogwaardige opinies;
7. merkt op dat de uitgaven op het gebied van de landbouw en plattelandsontwikkeling samen een aanzienlijk deel van de EU-begroting vertegenwoordigen, maar dat dit aandeel in de afgelopen jaren relatief sterk is gedaald; benadrukt dat het meerjarig financieel kader, zoals besloten, voorspelbaar en betrouwbaar dient te zijn; benadrukt de noodzaak erop toe te zien dat de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling vertegenwoordigd is door de desbetreffende commissieleden bij de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité, met name nu ook de vroegere verplichte uitgaven onder de medebeslissingsprocedure vallen; benadrukt tevens de noodzaak erop toe te zien dat er coördinatie plaatsvindt tussen de Begrotingscommissie en de gespecialiseerde commissies voor de budgettaire aspecten van hun wetgevingsactiviteiten, gezien de invloed ervan op het MFK en de jaarlijkse begrotingsprocedure;
8. onderstreept dat de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid volledig op Europees niveau plaatsvindt, terwijl andere beleidsterreinen slechts een gedeeltelijke Europese financiering kennen en dat de uitgaven voor het landbouwbeleid in de Europese Unie dan ook in dit perspectief dienen te worden bezien;
9. merkt op dat, krachtens de nieuwe begrotingsprocedure, de rol van de Commissie in de bemiddelingsfase bestaat uit het zo bekwaam mogelijk bemiddelen bij het bewerkstelligen van een akkoord tussen het Parlement en de Raad; indien het Parlement en de Raad er niet in slagen een akkoord te bereiken in het bemiddelingscomité, is het de taak van de Commissie om een nieuw voorstel te bedenken; wijst er echter op dat indien de Raad tijdens de bemiddelingsfase met het Parlement overeenstemming bereikt, maar er niet in slaagt een gekwalificeerde meerderheid van stemmen te verkrijgen in de Raad zelf, het Parlement, met behulp van de zogenaamde anti-patstelling-clausule, kan terugvallen op zijn oorspronkelijke lezing en overeenkomstig de begroting kan goedkeuren;
10. merkt op dat het maximum stijgingspercentage in de begrotingsprocedure krachtens het Verdrag van Lissabon is afgeschaft; merkt tevens op dat dit een gevolg is van de afschaffing van de niet-verplichte uitgaven;
11. twijfelt of de timing voor de nieuwe begrotingsprocedure, met slechts één lezing, de Commissie in staat zal stellen de nota van wijzigingen in de herfst te presenteren, wat van belang is aangezien het de opname van de oogstprognoses en de daaraan gekoppelde begrotingsuitgaven mogelijk maakt;
12. merkt op dat in het nieuwe Verdrag de bepaling, krachtens welke het stelsel van voorlopige twaalfden wordt toegepast indien de begroting niet definitief kan worden goedgekeurd voor het begin van het begrotingsjaar, behouden blijft; wijst erop dat dit inhoudt dat de begroting op maandelijkse basis wordt uitgevoerd, waarbij de voorgaande begroting in wezen als uitgavenplafond gehanteerd wordt.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
27.5.2008 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
37 0 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Vincenzo Aita, Peter Baco, Bernadette Bourzai, Niels Busk, Luis Manuel Capoulas Santos, Giuseppe Castiglione, Giovanna Corda, Joseph Daul, Albert Deß, Gintaras Didžiokas, Constantin Dumitriu, Michl Ebner, Ioannis Gklavakis, Lutz Goepel, Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, Esther Herranz García, Lily Jacobs, Elisabeth Jeggle, Heinz Kindermann, Vincenzo Lavarra, Stéphane Le Foll, Mairead McGuinness, Rosa Miguélez Ramos, James Nicholson, María Isabel Salinas García, Agnes Schierhuber, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith, Petya Stavreva, Witold Tomczak, Donato Tommaso Veraldi, Janusz Wojciechowski, Andrzej Tomasz Zapałowski |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Liam Aylward, Esther De Lange, Hans-Peter Mayer, Brian Simpson, Struan Stevenson, Kyösti Virrankoski |
|||||
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
11.3.2009 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
26 0 2 |
||||