Procedure : 2007/0098(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0210/2009

Ingediende teksten :

A6-0210/2009

Debatten :

PV 22/04/2009 - 12
CRE 22/04/2009 - 12

Stemmingen :

PV 23/04/2009 - 8.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0276

AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING     ***II
PDF 182kWORD 262k
2.4.2009
PE 418.445v02-00 A6-0210/2009

betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad

(11783/1/2008 – C6‑0015/2009 – 2007/0098(COD))

Commissie vervoer en toerisme

Rapporteur: Silvia-Adriana Ţicău

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad

(11783/1/2008 – C6‑0015/2009 – 2007/0098(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11783/1/2008 – C6‑0015/2009),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0263),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A6‑0210/2009),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Amendement  1

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Overweging 8

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

(8) Natuurlijke personen die over de vereiste betrouwbaarheid en vakbekwaamheid beschikken, moeten duidelijk worden geïdentificeerd en bij de bevoegde instanties worden aangemeld. Deze personen ("vervoersmanagers"), dienen het werkelijke en permanente beheer te hebben over de vervoersactiviteiten van de wegvervoerondernemingen. Derhalve moet gepreciseerd worden onder welke voorwaarden een persoon wordt geacht het werkelijke en permanente beheer te voeren over de vervoersactiviteiten van een onderneming.

(8) Natuurlijke personen die over de vereiste betrouwbaarheid en vakbekwaamheid beschikken, moeten duidelijk worden geïdentificeerd en bij de bevoegde instanties worden aangemeld. Deze personen("vervoersmanagers") dienen in een lidstaat te zijn gevestigd en het werkelijke en permanente beheer te hebben over de vervoersactiviteiten van de wegvervoerondernemingen. Derhalve moet gepreciseerd worden onder welke voorwaarden een persoon wordt geacht het werkelijke en permanente beheer te voeren over de vervoersactiviteiten van een onderneming.

Amendement  2

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Overweging 12

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

(12) De eerlijke mededinging en wegvervoer dat de voorschriften volledig naleeft, maken een homogeen niveau van toezicht in de lidstaten noodzakelijk. De nationale autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de ondernemingen en de geldigheid van hun vergunningen, spelen in dit verband een wezenlijke rol en deze autoriteiten dienen indien nodig passende maatregelen te nemen, met name het schorsen of intrekken van vergunningen en de ongeschiktverklaring van vervoersmanagers die herhaaldelijk nalatig zijn of te kwader trouw handelen.

(12) De eerlijke mededinging en wegvervoer dat de voorschriften volledig naleeft, maken een homogeen niveau van toezicht in de lidstaten noodzakelijk. De nationale autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de ondernemingen en de geldigheid van hun vergunningen, spelen in dit verband een wezenlijke rol en dienen indien nodig passende maatregelen te nemen, met name, in de ernstigste gevallen, door schorsing of intrekking van vergunningen of het ongeschikt verklaren van vervoersmanagers die herhaaldelijk nalatig zijn of die te kwader trouw handelen. Dit dient te worden voorafgegaan door een nauwkeurige toetsing van de maatregel aan het evenredigheidsbeginsel. Een onderneming moet echter van tevoren worden gewaarschuwd en moet een redelijke termijn krijgen om de situatie te herstellen, voordat haar een sanctie wordt opgelegd.

Motivering

Ondernemingen moeten van tevoren worden gewaarschuwd en de kans krijgen fouten te herstellen.

Amendement  3

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Overweging 14 bis (nieuw)

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

(14 bis) Ten einde de transparantie te verbeteren en de klant van een vervoeronderneming de mogelijkheid te bieden na te gaan of deze onderneming over de juiste vergunning beschikt, dienen bepaalde gegevens die in het nationale elektronische register zijn opgenomen algemeen toegankelijk worden gemaakt, mits de relevante bepalingen inzake gegevensbescherming worden nageleefd.

Amendement  4

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 1 – lid 4 – letter b

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

(b) ondernemingen die personenvervoer over de weg uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden of kosteloos verrichten, of die een ander hoofdberoep uitoefenen dan het personenvervoer over de weg;

(b) ondernemingen die personenvervoer over de weg uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden verrichten, of die een ander hoofdberoep uitoefenen dan het personenvervoer over de weg;

Amendement  5

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 1 – lid 5 - inleidende formule

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

5. De lidstaten kunnen vrijstelling van de toepassing van alle of van een gedeelte van de bepalingen van deze verordening verlenen aan wegvervoerondernemingen die uitsluitend nationaal vervoer verrichten dat slechts een geringe weerslag heeft op de vervoermarkt wegens

5. De lidstaten kunnen alleen vrijstelling van de toepassing van alle of van een gedeelte van de bepalingen van deze verordening verlenen aan wegvervoerondernemingen die uitsluitend nationaal vervoer verrichten dat slechts een geringe weerslag heeft op de vervoermarkt wegens

Amendement  6

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 5 – letter a

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

a) beschikken over een vestiging in die lidstaat met ruimten waarin de bedrijfsdocumenten, op verzoek, aan de bevoegde instantie beschikbaar kunnen worden gesteld, met name de boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, documenten met gegevens over de rij- en rusttijden en alle andere documenten waartoe de bevoegde instantie toegang moet krijgen om te kunnen controleren of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan. De lidstaten kunnen verlangen dat vestigingen op hun grondgebied deze documenten te allen tijde in hun ruimten beschikbaar houden;

a) beschikken over een vestiging in die lidstaat met ruimten waarin zij de documenten inzake haar hoofdactiviteiten bewaart, met name de boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, documenten met gegevens over de rij- en rusttijden en alle andere documenten waartoe de bevoegde instantie toegang moet krijgen om te kunnen controleren of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan. de lidstaten kunnen verlangen dat vestigingen op hun grondgebied ook andere documenten te allen tijde in hun ruimten beschikbaar houden;

Amendement  7

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 5 – letter c

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

(c) haar vervoeractiviteiten daadwerkelijk en permanent verrichten, met de nodige uitrusting, in een in die lidstaat gelegen exploitatievestiging.

(c) daadwerkelijk en permanent met de nodige administratieve uitrusting haar activiteiten met betrekking tot de onder b) vermelde voertuigen verrichten, met de adequate technische uitrusting en faciliteiten, in een in die lidstaat gelegen exploitatievestiging.

Amendement  8

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 6 – lid 1 – alinea 3 – letter a – punt v bis (nieuw)

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

 

v bis) mensen- of drugshandel.

Motivering

Dit is een essentieel criterium voor het intrekken van betrouwbaarheidsstatus.

Amendement  9

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 6 – lid 2 – letter b – eerste alinea

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

(b) stelt de Commissie een lijst op van categorieën en soorten overtredingen van de communautaire wetgeving, met de ernst daarvan, die, naast die welke zijn vastgesteld in bijlage IV, kunnen leiden tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus. De lidstaten houden bij het stellen van prioriteiten voor controles uit hoofde van artikel 12, lid 1, rekening met de informatie over deze inbreuken, met inbegrip van de informatie hierover van andere lidstaten.

(b) stelt de Commissie een lijst op van categorieën en soorten ernstige overtredingen van de communautaire wetgeving, met de ernst daarvan, die, naast die welke zijn vastgesteld in bijlage IV, kunnen leiden tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus. De lidstaten houden bij het stellen van prioriteiten voor controles uit hoofde van artikel 12, lid 1, rekening met de informatie over deze inbreuken, met inbegrip van de informatie hierover van andere lidstaten.

Amendement  10

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 7 – leden 1 en 2

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

1. Om te voldoen aan artikel 3, lid 1, onder c), is een onderneming steeds in staat haar financiële verplichtingen in het lopende boekjaar na te komen. Hiertoe toont de onderneming aan de hand van haar door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aan, dat zij jaarlijks beschikt over kapitaal en reserves ter waarde van ten minste 9000 euro wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en 5000 euro per extra voertuig.

1. Om te voldoen aan artikel 3, lid 1, onder c), is een onderneming steeds in staat haar financiële verplichtingen in het lopende boekjaar na te komen. Hiertoe toont de onderneming aan de hand van haar door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aan, dat zij jaarlijks beschikt over kapitaal en reserves ter waarde van ten minste 9000 euro wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en 5000 euro per extra voertuig.

Voor de toepassing van deze verordening wordt de waarde van de euro, uitgedrukt in de munteenheden van de lidstaten die niet aan de derde fase van de Europese Monetaire Unie deelnemen, iedere vijf jaar vastgesteld. De toegepaste koersen zijn die welke van kracht zijn op de eerste werkdag in oktober, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze treden in werking op 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

Voor de toepassing van deze verordening wordt de waarde van de euro, uitgedrukt in de munteenheden van de lidstaten die niet aan de derde fase van de Europese Monetaire Unie deelnemen, ieder jaar vastgesteld. De toegepaste koersen zijn die welke van kracht zijn op de eerste werkdag in oktober, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze treden in werking op 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

De in de eerste alinea bedoelde boekhoudkundige posten zijn de posten die gedefinieerd worden in de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen.

De in de eerste alinea bedoelde boekhoudkundige posten zijn de posten die gedefinieerd worden in de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen.

2. In afwijking van lid 1, kan de bevoegde instantie toestaan of vereisen dat een onderneming haar financiële draagkracht aantoont door middel van een attest, zoals een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, van een of meerdere banken of andere financiële instellingen, waaronder verzekeringsmaatschappijen, die zich borg stellen en hoofdelijk verbinden voor de in de eerste alinea van lid 1 vastgestelde bedragen. De lidstaten kunnen besluiten dat de garantie kan worden aangesproken met instemming van de bevoegde instantie die vergunning verleend heeft voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer en mag slechts worden vrijgegeven indien die instantie daarmee instemt.

2. In afwijking van lid 1, kan de bevoegde instantie toestaan of vereisen dat een onderneming haar financiële draagkracht aantoont door middel van een attest, zoals een bankgarantie of een verzekering, inclusief een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, van een of meerdere banken of andere financiële instellingen, waaronder verzekeringsmaatschappijen, die zich borg stellen en hoofdelijk verbinden voor de in de eerste alinea van lid 1 vastgestelde bedragen.

Motivering

Verzekeringen zijn van essentieel belang om aan te tonen dat aan de financiële verplichtingen kan worden gedaan, zoals de handelsbalans een goed bewijsmiddel is.

Amendement  11

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 8 - lid 1 bis (nieuw)

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

1 bis. De betrokken personen leggen het examen af in de lidstaat waar ze hun gewone verblijfplaats hebben of in de lidstaat waar ze werken.

 

‘Gewone verblijfplaats’ betekent de plaats waar een persoon gewoonlijk leeft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke bindingen die aantonen dat de persoon nauw verbonden is met de plaats waar hij woont.

 

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer lidstaten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt wanneer de betrokkene in een lidstaat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat een universiteit of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.

Amendement  12

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 8 – lid 3

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

3. De lidstaten kunnen, overeenkomstig door hen vastgestelde criteria, naar behoren instanties machtigen om een opleiding van hoge kwaliteit aan te bieden aan de kandidaten om hen doeltreffend voor te bereiden op de examens, alsmede nascholing aan vervoersmanagers zodat zij desgewenst hun kennis kunnen opfrissen.

3. De lidstaten kunnen, overeenkomstig door hen vastgestelde criteria, naar behoren instanties machtigen om een opleiding van hoge kwaliteit aan te bieden aan de kandidaten om hen doeltreffend voor te bereiden op de examens, alsmede nascholing aan vervoersmanagers zodat zij desgewenst hun kennis kunnen opfrissen. Deze lidstaten controleren geregeld of deze instanties nog steeds voldoen aan de criteria op grond waarvan zij zijn erkend.

Motivering

De kwaliteit van de door de gemachtigde autoriteiten afgenomen examens en van de door de gemachtigde autoriteiten verstrekte opleidingen moet gegarandeerd zijn.

Amendement  13

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 8 – lid 4 bis (nieuw)

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

 

4 bis. De lidstaten kunnen met tussenpozen van 10 jaar periodieke bijscholing aanmoedigen met betrekking tot de in bijlage I genoemde onderwerpen, om te waarborgen dat vervoersmanagers op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in de sector.

Motivering

Alle vrijstellingen voor de examens staan in artikel 9 vermeld.

Amendement  14

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 8 – lid 4 ter (nieuw)

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

 

4 ter. De lidstaten kunnen eisen dat personen die over een getuigschrift van vakbekwaamheid beschikken maar gedurende de afgelopen vijf jaar geen onderneming in goederen- of personenvervoer over de weg hebben beheerd, een herscholing volgen om hun kennis over de ontwikkelingen op het gebied van de in deel I van bijlage I vermelde wetgeving bij te werken.

Amendement  15

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 9

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

De lidstaten kunnen besluiten personen die aantonen dat zij voor de periode van 15 jaar voorafgaand aan … de inwerkingtreding van deze verordening ononderbroken een onderneming in goederen- of personenvervoer over de weg hebben beheerd, vrijstellen van de in artikel 8, lid 1, bedoelde examens.

2. De lidstaten kunnen besluiten personen die aantonen dat zij voor de periode van 10 jaar voorafgaand aan … de inwerkingtreding van deze verordening in een of meerdere lidstaten ononderbroken een onderneming in goederen- of personenvervoer over de weg hebben beheerd, vrijstellen van de in artikel 8, lid 1, bedoelde examens.

Motivering

Personen met een ononderbroken praktische ervaring van 10 jaar moeten van examens worden vrijgesteld.

Amendement  16

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 11 – lid 1

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

1. Een vervoersonderneming die voldoet aan de eisen van artikel 3, krijgt op aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. De bevoegde instantie ziet erop toe dat een onderneming die een aanvraag indient, voldoet aan de in dat artikel vastgestelde eisen. De lidstaten kunnen in de nationale wetgeving de looptijd vaststellen van de vergunningen voor het uitoefenen van het beroep van wegvervoerondernemer.

1. Een vervoersonderneming die voldoet aan de eisen van artikel 3, krijgt op aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. De bevoegde instantie ziet erop toe dat een onderneming die een aanvraag indient, voldoet aan de in dat artikel vastgestelde eisen.

De beoordeling van een aanvraag kan leiden tot de afgifte van een communautaire vergunning in overeenstemming met Verordening (EG) nr. …/… en Verordening (EG) nr. …/…. Lidstaten kunnen een ander soort vergunning dan de communautaire vergunning afgeven voor ondernemingen die uitsluitend op hun grondgebied vervoersactiviteiten verrichten.

 

Motivering

Dit amendement herneemt het standpunt van het Europees Parlement. De verordening voorziet slechts in één soort vergunning om vervoersactiviteiten te verrichten. Om de administratieve rompslomp te verkleinen, wordt de geldigheidsduur van de vergunning niet in tijd beperkt; er wordt daarentegen regelmatig gecontroleerd of ondernemingen aan de vereisten voldoen om het beroep van weg vervoerondernemer te kunnen uitoefenen.

Amendement  17

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 11 – lid 3

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

3. De bevoegde instantie behandelt een vergunningsaanvraag zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na de datum van ontvangst van alle bescheiden die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De bevoegde instantie kan deze periode in naar behoren gemotiveerde gevallen met twee maanden verlengen.

3. De bevoegde instantie behandelt een vergunningsaanvraag zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na de datum van ontvangst van alle bescheiden die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De bevoegde instantie kan deze periode in naar behoren gemotiveerde gevallen met een maand verlengen.

Motivering

Om de administratieve rompslomp te verkleinen, moet de bevoegde autoriteit de vergunningaanvraag zo snel mogelijk afhandelen.

Amendement  18

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 13 – lid 1 – letter a

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

(a) een termijn van zes maanden waarin een vervanger moet worden aangeworven voor de vervoersmanager indien de vervoersmanager niet langer voldoet aan de vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid; deze termijn kan worden verlengd met zes maanden bij overlijden of lichamelijke ongeschiktheid van de vervoersmanager;

(a) een termijn van zes maanden waarin een vervanger moet worden aangeworven voor de vervoersmanager indien de vervoersmanager niet langer voldoet aan de vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid; deze termijn kan worden verlengd met drie maanden bij overlijden of lichamelijke ongeschiktheid van de vervoersmanager;

Motivering

Herstel standpunt in eerste lezing.

Amendement  19

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 16 – leden 1 en 2

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

1. Met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderhavige verordening, en met name van de artikelen 11 tot 14 en 26, houdt elke lidstaat een nationaal elektronisch register bij van de wegvervoerondernemingen die van een bevoegde instantie een vergunning hebben gekregen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. De verwerking van de gegevens in dat register staat onder toezicht van de daartoe aangewezen overheidsinstantie. De relevante gegevens in dit nationale elektronische register zijn toegankelijk voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat.

1. Met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderhavige verordening, en met name van de artikelen 11 tot 14 en 26, houdt elke lidstaat een nationaal elektronisch register bij van de wegvervoerondernemingen die van een bevoegde instantie een vergunning hebben gekregen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. De verwerking van de gegevens in dat register staat onder toezicht van de daartoe aangewezen overheidsinstantie. De relevante gegevens in dit nationale elektronische register zijn toegankelijk voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat.

De Commissie legt uiterlijk 1 juni 2009 richtsnoeren voor aangaande de minimumeisen inzake de gegevens die vanaf de oprichting in het nationale elektronische register ingevoerd moeten worden teneinde de toekomstige koppeling van de registers te vergemakkelijken. Zij kan aanbevelen om naast de in lid 2 bedoelde gegevens ook de voertuigregistratienummers op te nemen.

De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2009 een besluit voor aangaande de minimumeisen inzake de gegevens die vanaf de oprichting in het nationale elektronische register ingevoerd moeten worden teneinde de toekomstige koppeling van de registers te vergemakkelijken. Zij kan aanbevelen om naast de in lid 2 bedoelde gegevens ook de voertuigregistratienummers op te nemen.

2. In het nationale elektronische register zijn ten minste de volgende gegevens opgenomen:

2. In het nationale elektronische register zijn ten minste de volgende gegevens opgenomen:

a) de naam en de rechtsvorm van de onderneming;

a) de naam en de rechtsvorm van de onderneming;

b) het adres van haar vestiging;

b) het adres van haar vestiging;

c) de namen van de vervoersmanagers die zijn aangewezen om te voldoen aan de vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid of, in voorkomend geval, de naam van een juridische vertegenwoordiger;

c) de namen van de vervoersmanagers die zijn aangewezen om te voldoen aan de vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid of, in voorkomend geval, de naam van een juridische vertegenwoordiger;

d) de aard van de vergunning, het aantal voertuigen waarop de vergunning betrekking heeft en in voorkomend geval het serienummer van de communautaire vergunning en de voor echt gewaarmerkte afschriften;

d) de aard van de vergunning, het aantal voertuigen waarop de vergunning betrekking heeft en in voorkomend geval het serienummer van de communautaire vergunning en de voor echt gewaarmerkte afschriften;

e) het aantal, de categorie en het type ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), die de afgelopen twee jaar hebben geleid tot een veroordeling of sanctie;

e) het aantal, de categorie en het type ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), die de afgelopen twee jaar hebben geleid tot een veroordeling of sanctie;

f) de namen van de personen die de afgelopen twee jaar ongeschikt zijn verklaard om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming zolang de betrouwbaarheidsstatus van deze personen niet is hersteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, alsmede de toepasselijke rehabilitatiemaatregelen.

f) de namen van de personen die de afgelopen twee jaar ongeschikt zijn verklaard om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming zolang de betrouwbaarheidsstatus van deze personen niet is hersteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, alsmede de toepasselijke rehabilitatiemaatregelen.

Met betrekking tot punt e) kunnen de lidstaten besluiten tot uiterlijk 31 december 2015 alleen de in bijlage IV uiteengezette ernstigste inbreuken in het nationale elektronische register op te nemen.

Met betrekking tot punt e) kunnen de lidstaten besluiten tot uiterlijk 31 december 2015 alleen de in bijlage IV uiteengezette ernstigste inbreuken in het nationale elektronische register op te nemen.

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) en f), op te nemen in afzonderlijke registers. In dat geval zullen de relevante gegevens op verzoek beschikbaar of rechtstreeks toegankelijk zijn voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat. De opgevraagde informatie zal binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verzoek worden verschaft.

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) en f), op te nemen in afzonderlijke registers. In dat geval zullen de relevante gegevens op verzoek beschikbaar of rechtstreeks toegankelijk zijn voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat. De opgevraagde informatie zal binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verzoek worden verschaft. De onder a) t/m d) bedoelde gegevens zijn openbaar toegankelijk, overeenkomstig de relevante bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.

De gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) en f), is alleen toegankelijk voor andere dan de bevoegde instanties, indien eerstgenoemde instanties naar behoren beschikken over controle- en sanctiebevoegdheden met betrekking tot het wegvervoer en de ambtenaren daarvan beëdigd zijn of een andere formele geheimhoudingsplicht hebben.

De gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) en f), is alleen toegankelijk voor andere dan de bevoegde instanties, indien eerstgenoemde instanties naar behoren beschikken over controle- en sanctiebevoegdheden met betrekking tot het wegvervoer en de ambtenaren daarvan beëdigd zijn of een andere formele geheimhoudingsplicht hebben.

Amendement  20

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 16 – leden 5 en 6

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

5. Onverminderd lid 1 en lid 2 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de nationale elektronische registers vanuit de gehele Gemeenschap via de nationale contactpunten als aangegeven in artikel 18 toegankelijk zijn. De toegankelijkheid via de nationale contactpunten moet uiterlijk op 31 december 2012 zijn gerealiseerd en wel zodanig, dat de bevoegde instanties uit alle lidstaten de nationale elektronische registers van alle andere lidstaten kunnen raadplegen.

5. Onverminderd lid 1 en lid 2 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de nationale elektronische registers vanuit de gehele Gemeenschap via de nationale contactpunten als aangegeven in artikel 18 onderling gekoppeld en toegankelijk zijn. De toegankelijkheid via de nationale contactpunten en de onderlinge koppeling moeten uiterlijk op 31 december 2012 zijn gerealiseerd en wel zodanig, dat de bevoegde instanties uit alle lidstaten de nationale elektronische registers van alle andere lidstaten kunnen raadplegen.

6. Gemeenschappelijke regels voor de uitvoering van lid 5, zoals het formaat van de uitgewisselde gegevens, de technische procedures voor de elektronische raadpleging van de nationale elektronische registers van andere lidstaten en de bevordering van de interoperabiliteit van deze registers met andere relevante databanken worden door de Commissie vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure . Deze gemeenschappelijke regels moeten bepalen welke instantie verantwoordelijk is voor de toegang tot, het verdere gebruik en de bijwerking van de gegevens na raadpleging en moeten derhalve voorschriften bevatten over registratie van en toezicht op de gegevens.

6. Gemeenschappelijke regels voor de uitvoering van lid 5, zoals het formaat van de uitgewisselde gegevens, de technische procedures voor de elektronische raadpleging van de nationale elektronische registers van andere lidstaten en de bevordering van de interoperabiliteit van deze registers met andere relevante databanken worden door de Commissie vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure, en wel vóór 31 december 2010. Deze gemeenschappelijke regels moeten bepalen welke instantie verantwoordelijk is voor de toegang tot, het verdere gebruik en de bijwerking van de gegevens na raadpleging en moeten derhalve voorschriften bevatten over registratie van en toezicht op de gegevens.

Amendement  21

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Artikel 17 – letter d bis (nieuw)

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Amendement

 

d bis) ondernemingen waar van toepassing de desbetreffende regels naleven.

(1)

Aangenomen teksten van 21.5.2008, P6_TA(2008)0217.


TOELICHTING

Inleiding

Met dit voorstel voor een verordening beoogt de Commissie naar eigen zeggen een tweeledig doel. Ten eerste wil zij de ervaringen ten nutte maken die sedert de inwerkingtreding van de richtlijn 96/26/EG zijn opgedaan door bepaalde wettelijke bepalingen te herformuleren, en ten tweede streeft zij naar een uniformere toepassing van de wettelijke bepalingen door in plaats van een richtlijn voor een verordening te kiezen.

In de ontwerpverordening worden de vereisten (met betrekking tot de vestiging, betrouwbaarheid, financiële draagkracht en vakbekwaamheid) neergelegd waaraan natuurlijke of rechtspersonen moeten voldoen om tot het beroep van wegvervoersondernemer te kunnen worden toegelaten. In de ontwerpverordening worden tevens de voorwaarden opgesomd waaronder een onderneming een vervoersmanager in dienst kan nemen. Verder worden de procedures voor het afgeven van vergunningen en het uitvoeren van controles aangescherpt, elektronische registers en de bescherming van elektronische gegevens geregeld, het vraagstuk behandeld welke sancties moeten worden getroffen als de verordening niet in acht wordt genomen en een regeling gegeven voor de wederzijdse erkenning van diploma's en verworven rechten.

Eerste lezing door het Parlement

Het Parlement heeft het toepassingsgebied van de verordening uitgebreid tot ondernemingen die van plan zijn het beroep uit te oefenen maar sluit voortaan ondernemingen uit die in het bezit zijn van voertuigen met een maximumsnelheid van minder dan 40 km/uur. Het Parlement wilde absoluut dat er tussen de vervoersmanager en de onderneming van een daadwerkelijke contractuele band sprake was en stelde daarnaast een grens aan het aantal voertuigen dat door een manager kan worden beheerd. Ook diende het Parlement amendementen in om de vestigingseisen aan te scherpen.

De betrouwbaarheidsstatus kon worden ingetrokken als de onderneming bij mensen- of drugshandel betrokken was. Er werd een lijst opgesteld met ernstige overtredingen die tot uitsluiting van het beroep leiden. Voor kleinere overtredingen werden enkele bepalingen ingetrokken. Verzekeringen werden aanvaard als bewijs van financiële draagkracht en de "quick ratio" van vlottende activa werd ingetrokken.

In het land van vestiging moest een verplicht schriftelijk examen worden afgelegd om tot het beroep te kunnen worden toegelaten. Personen met een ononderbroken praktijkervaring van 10 jaar konden van dit examen worden vrijgesteld.

De Commissie moest voor eind 2009 de datastructuur voor de nationale elektronische registers vaststellen en deze registers, die een openbaar en een vertrouwelijk deel omvatten, moesten uiterlijk op 30 april 2011 operationeel zijn. De registers moesten aan elkaar worden gekoppeld.

Tot slot werden reeds verworven rechten opgeheven en werd de Commissie verzocht uiterlijk op 1 juni 2010 een verslag in te dienen over de mogelijke gevolgen van een uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verordening tot commercieel vervoer met voertuigen die door hun bouwtype en uitrusting geschikt en bestemd zijn om, met inbegrip van de bestuurder, ten hoogste negen personen te vervoeren.

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

In dit gemeenschappelijk standpunt zijn naar letter of geest 70 van de 113 amendementen van het Parlement verwerkt. Het gaat hier om amendementen over kleine overtredingen, de definitie van de band tussen de onderneming en de vervoersondernemer, beroepsmiddelen voor de adressaten van besluiten inzake de uitoefening van het beroep van vervoersmanager, wederzijdse erkenning van attesten, verworven rechten, uitwisseling van informatie tussen de competente autoriteiten en uitsluiting van het beroep in geval van betrokkenheid bij mensen- of drugshandel.

M.b.t. de registers zijn het Parlement en de Raad het eens over een stapsgewijze benadering, maar verschillen zij van mening over het tijdpad hiervan. De Raad wil de tenuitvoerlegging ervan uitstellen.

Op een aantal punten wijken de standpunten van de Raad en het Parlement nog steeds van elkaar af. De Raad vindt bijvoorbeeld dat de lidstaten de duur van de vergunning in hun eigen wetgeving mogen vastleggen en dat wederopneming in het register afhankelijk is van het herstel van de betrouwbaarheidsstatus. De Raad heeft het voorstel van het Parlement om het register op te splitsen in een openbaar en een vertrouwelijk deel en de mogelijkheid om een register over vervoersmanagers in te voeren, niet aanvaard. De Raad zag er ook niet veel heil in om voertuigregistratienummers in het elektronische register op te nemen. Andere punten van verschil hebben betrekking op het gebruik van het aantal parkeerplaatsen om de "echte" plaats van vestiging te bepalen, de vrijstellingen voor niet-commercieel vervoer, wat als bewijs voor afdoende financiële inkomsten moet gelden en het afleggen van het beroepsexamen in de lidstaat van vestiging.

Voorstel van de rapporteur

Hoewel er veel vooruitgang is geboekt, bestaan er tussen het Parlement en de Raad nog steeds belangrijke meningsverschillen. Hierop richten zich de voorgestelde amendementen op het gemeenschappelijk standpunt. Er zal waarschijnlijk snel overeenstemming kunnen worden bereikt over de invoering en tenuitvoerlegging van het elektronisch register en enkele andere punten van discussie. Uw rapporteur zal deze mogelijkheden met de Raad in overweging nemen, met steun van de Commissie en in nauwe samenwerking met de schaduwrapporteurs. In afwachting hiervan stelt zij amendementen het gemeenschappelijk standpunt voor, met name op de volgende gebieden:

· vermindering van administratieve rompslomp

· de geldigheidsduur van de vergunning van de Gemeenschap ten opzichte van regelmatige controles

· het tijdspad voor het opzetten en operationeel maken van het register

· het opzetten van een register met een openbaar en een vertrouwelijk deel

· de definitie van "niet-commercieel" met het oog op vrijstellingen

· striktere controle van "vestigingen" die berusten op parkeerplaatsen

· verzekeringen als bewijs voor financiële draagkracht

· het bevorderen van opleidingen voor het beroep

· de bescherming van persoonsgegevens

Uw rapporteur zal mede in overleg met de schaduwrapporteurs bekijken of nog voor de tweede lezing van het Parlement overeenstemming over al deze discussiepunten kan worden bereikt.


PROCEDURE

Titel

Voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerder

Document- en procedurenummers

11783/1/2008 – C6-0015/2009 – 2007/0098(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

21.5.2008                     T6-0217/2008

Voorstel van de Commissie

COM(2007)0263 - C6-0145/2007

Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt

15.1.2009

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

TRAN

15.1.2009

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Silvia-Adriana Ţicău

19.1.2009

 

 

Behandeling in de commissie

17.2.2009

16.3.2009

 

 

Datum goedkeuring

31.3.2009

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gabriele Albertini, Paolo Costa, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Arūnas Degutis, Petr Duchoň, Saïd El Khadraoui, Robert Evans, Emanuel Jardim Fernandes, Francesco Ferrari, Mathieu Grosch, Georg Jarzembowski, Stanisław Jałowiecki, Timothy Kirkhope, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Sepp Kusstatscher, Jörg Leichtfried, Eva Lichtenberger, Marian-Jean Marinescu, Erik Meijer, Seán Ó Neachtain, Reinhard Rack, Ulrike Rodust, Gilles Savary, Brian Simpson, Dirk Sterckx, Ulrich Stockmann, Michel Teychenné, Silvia-Adriana Ţicău, Yannick Vaugrenard, Armando Veneto

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Philip Bradbourn, Jeanine Hennis-Plasschaert, Anne E. Jensen

Datum indiening

2.4.2009

Juridische mededeling - Privacybeleid