Verslag - A6-0254/2009Verslag
A6-0254/2009

    VERSLAG over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking)

    6.4.2009 - (COM(2008)0780 – C6‑0413/2008 – 2008/0223(COD)) - ***I

    Commissie industrie, onderzoek en energie
    Rapporteur: Silvia-Adriana Ţicău
    (Herschikking – Artikel 80 bis van het Reglement)


    Procedure : 2008/0223(COD)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0254/2009

    ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen (herschikking)

    (COM(2008)0780 – C6‑0413/2008 – 2008/0223(COD))

    (Medebeslissingsprocedure – herschikking)

    Het Europees Parlement,

    –   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0780),

    –   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 175, lid 1, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0413/2008),

    –   gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten[1],

    –   gezien de brief d.d. 3 februari 2009 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 80 bis, lid 3, van zijn Reglement,

    –   gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0254/2009),

    A. overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

    1.  gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals dit hieronder is geamendeerd;

    2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

    3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

    Amendement  1

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 3

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (3) Een vermindering van het energieverbruik in de bouwsector is een belangrijk onderdeel van de maatregelen die nodig zijn om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en aan de Europese en internationale verbintenissen om de broeikasgasemissies na 2012 verder te doen afnemen. Het speelt ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, het bevorderen van technologische ontwikkelingen en het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden.

    (3) Aangezien 40% van het totale energieverbruik in de EU voor rekening van gebouwen komt, is een vermindering van het energieverbruik en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de gebouwensector een belangrijk onderdeel van de maatregelen die nodig zijn om de energieafhankelijkheid en de broeikasgasemissies van de EU te doen dalen. Tezamen met een sterker gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen zullen de maatregelen ter vermindering van het energieverbruik in de EU de Unie in staat stellen om te voldoen aan het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en haar langetermijnstreven de aardopwarming onder de 2°C te houden, en tegen 2020 met ten minste 20% ten opzichte van 1990 te verlagen en met 30% in geval van een internationaal akkoord. Een vermindering van het energieverbruik en een sterker gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen spelen ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, het bevorderen van technologische ontwikkelingen en het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden.

    Amendement  2

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 5

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (5) Om de doelstelling van 20% minder energieverbruik in de Gemeenschap tegen 2020 te bereiken, is tijdens de Europese Raad van maart 2007 gewezen op de behoefte om de energie-efficiëntie in de Gemeenschap te doen toenemen en is aangedrongen op een grondige en snelle tenuitvoerlegging van de prioriteiten uit de mededeling van de Commissie "Actieplan voor energie-efficiëntie - het potentieel realiseren". In dit actieplan is het significante potentieel voor kosteneffectieve energiebesparingen in de bouwsector geïdentificeerd. Het Europees Parlement heeft in haar resolutie van 31 januari 2008 opgeroepen tot een versterking van de bepalingen van Richtlijn 2002/91/EG.

    (5) Om de doelstelling van 20% minder energieverbruik in de Gemeenschap tegen 2020 te bereiken, is tijdens de Europese Raad van maart 2007 gewezen op de behoefte om de energie-efficiëntie in de Gemeenschap te doen toenemen en is aangedrongen op een grondige en snelle tenuitvoerlegging van de prioriteiten uit de mededeling van de Commissie "Actieplan voor energie-efficiëntie:. Het potentieel realiseren". In dit actieplan is het significante potentieel voor kosteneffectieve energiebesparingen in de bouwsector geïdentificeerd. Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 31 januari 2008 opgeroepen tot een versterking van de bepalingen van Richtlijn 2002/91/EG en heeft bij herhaling, laatstelijk in zijn resolutie over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid, bepleit de doelstelling van een verhoging van de energie-efficiëntie met 20% tegen 2020 bindend te maken. Bovendien worden bij Besluit nr. .../2009/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake gezamenlijke inspanningen, waarvoor energie-efficiëntie in de bouw van doorslaggevend belang is, bindende nationale streefdoelen vastgesteld voor de vermindering van CO2-emissies en voorziet Richtlijn 2009/.../EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de bevordering van energie-efficiëntie in het kader van de bindende doelstelling om in 2020 20 % van het totale energieverbruik van de EU te dekken met energie uit duurzame bronnen.

    Amendement  3

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 5 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (5 bis) De Europese Raad van maart 2007 bevestigde nogmaals dat de Gemeenschap zich ertoe verbindt om energie uit hernieuwbare bronnen in de hele EU te ontwikkelen. Te dien einde onderschreef de Raad een bindend streefcijfer van 20% voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen tegen 2020. Bij Richtlijn 2009/.../EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. De Raad onderstreept de noodzaak om een factor voor energie uit hernieuwbare bronnen op te nemen in het kader van de verplichting om te voldoen aan de minimumvereisten op het gebied van energieprestatie overeenkomstig Richtlijn 2002/91/EG teneinde de vaststelling van minimumniveaus voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in gebouwen te bespoedigen.

    Motivering

    Richtlijn 2009/.../EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen schrijft minimumniveaus voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de gebouwensector voor, die in 2015 moeten zijn gerealiseerd en pleit ervoor een factor voor energie uit hernieuwbare bronnen op te nemen in de energieprestaties van gebouwen.

    Amendement  4

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 9

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (9) De energieprestaties van gebouwen dienen te worden berekend volgens een methode, die op nationaal en regionaal niveau mag worden gedifferentieerd, en die behalve thermische kenmerken ook andere factoren in aanmerking neemt welke een steeds belangrijkere rol spelen, zoals installaties voor verwarming en airconditioning, de toepassing van energie uit hernieuwbare bronnen , passieve verwarmings- en koelingselementen, zonwering, luchtkwaliteit in gesloten ruimten, geschikt daglicht en het ontwerp van het gebouw. De methodologie voor het berekenen van de energieprestaties mag niet enkel gebaseerd zijn op het seizoen waarin verwarming nodig is, maar moet uitgaan van de jaarlijkse energieprestaties van een gebouw.

    (9) De energieprestaties van gebouwen dienen te worden berekend volgens een gemeenschappelijke methode met objectieve variabelen die rekening houden met regionale klimaatverschillen, en die behalve thermische kenmerken ook andere factoren in aanmerking neemt welke een steeds belangrijkere rol spelen, zoals verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen, warmteterugwinning, zoneregeling, de toepassing van energie uit hernieuwbare bronnen, passieve verwarmings- en koelingselementen, zonwering, luchtkwaliteit in gesloten ruimten, geschikt daglicht, isolatie- en verlichtingsystemen, controle- en toezichtsystemen en het ontwerp van het gebouw. De methodologie voor het berekenen van de energieprestaties mag niet enkel gebaseerd zijn op het seizoen waarin verwarming nodig is, maar moet uitgaan van de jaarlijkse energieprestaties van een gebouw. De methode moet bovendien rekening houden met bestaande Europese normen.

    Amendement  5

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 12

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (12) De Commissie werkt een vergelijkende methodologie uit voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties. De lidstaten maken van deze vergelijkende methodologie gebruik om de resultaten te vergelijken met de minimumeisen inzake energieprestaties die zij hebben vastgesteld. Zij delen de resultaten van deze vergelijking en de gegevens die werden gebruikt om tot deze resultaten te komen, regelmatig mee aan de Commissie. Dit zal de Commissie in staat stellen de vooruitgang van de lidstaten wat betreft het bereiken van de kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestaties te beoordelen en er verslag over uit te brengen. Na een overgangsperiode dienen de lidstaten deze vergelijkende methodologie te gebruiken wanneer zij hun minimumeisen inzake energieprestaties herzien.

    (12) De Commissie werkt een gemeenschappelijke methodologie uit voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties. Deze methodologie moet aansluiten bij de methodologie die wordt gehanteerd in de Gemeenschapswetgeving die van toepassing is op de prestatievereisten voor de producten, bestanddelen en technische bouwsystemen waaruit het gebouw is samengesteld. De lidstaten maken van deze gemeenschappelijke methodologie gebruik om minimumeisen inzake energieprestaties vast te stellen. Zij delen de resultaten van deze berekening en de gegevens die werden gebruikt om tot deze resultaten te komen, regelmatig mee aan de Commissie. Dit zal de Commissie in staat stellen de vooruitgang van de lidstaten wat betreft het bereiken van de kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestaties te beoordelen en er verslag over uit te brengen. De lidstaten dienen deze methodologie toe te passen wanneer zij hun minimumeisen inzake energieprestaties herzien en bepalen.

    Motivering

    De richtlijn moet voor de nodige samenhang met de bestaande wetgeving zorgen.

    Er moet een uniforme berekeningsmethode met objectieve variabelen komen die rekening houdt met regionale verschillen en die gebaseerd is op een internemarktbenadering in plaats van op een vergelijkende methodologie.

    Amendement  6

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 13

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (13) Gebouwen zijn van invloed op het energieverbruik op lange termijn en nieuwe gebouwen zouden daarom moeten voldoen aan minimumeisen inzake energieprestaties die zijn aangepast aan het plaatselijke klimaat. Aangezien de mogelijke toepassing van alternatieve systemen van energievoorziening in het algemeen niet volledig wordt onderzocht, moet de technische, ecologische en economische haalbaarheid van alternatieve systemen van energievoorziening worden nagegaan, ongeacht de grootte van het gebouw.

    (13) Gebouwen zijn van grote invloed op het energieverbruik op lange termijn. Gezien de lange renovatiecyclus van bestaande gebouwen zouden nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, daarom moeten voldoen aan minimumeisen inzake energieprestaties die zijn aangepast aan het plaatselijke klimaat. Aangezien de mogelijke toepassing van alternatieve systemen van energievoorziening in het algemeen niet volledig wordt onderzocht, moeten alternatieve systemen van energievoorziening worden overwogen voor nieuwe en bestaande gebouwen, ongeacht hun grootte volgens het beginsel dat er eerst voor moet worden gezorgd dat de energiebehoefte voor verwarming en koeling tot een minimaal kostenoptimaal niveau wordt teruggebracht.

    Motivering

    Daar de lengte van de renovatiecyclus voor bestaande gebouwen rond 25 jaar bedraagt, zou de verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare systemen of warmtekrachtkoppeling slechts een beperkt effect sorteren indien bestaande gebouwen ervan zouden worden uitgesloten. Gezien het feit dat bestaande gebouwen 95% van het totale gebouwenbestand uitmaken, zou dit een gemiste kans betekenen.

    Amendement  7

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 14

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14) Ingrijpende renovaties van bestaande gebouwen vormen , ongeacht hun omvang, een goede gelegenheid om kosteneffectieve maatregelen te nemen ter verbetering van de energieprestaties. Met het oog op de kosteneffectiviteit moet het mogelijk zijn de minimumeisen inzake energieprestaties te beperken tot de gerenoveerde delen, die het meest relevant zijn voor de energieprestaties van het gebouw.

    (14) Ingrijpende renovaties van bestaande gebouwen vormen, ongeacht hun omvang, een goede gelegenheid om kosteneffectieve maatregelen te nemen ter verbetering van de energieprestaties van het gehele gebouw. Door eisen voor kosteneffectieve maatregelen vast te leggen wordt gewaarborgd dat er geen obstakels ontstaan waardoor ingrijpende renovaties onaantrekkelijk worden.

    Amendement  8

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 14 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14 bis) Uit studies is gebleken dat de bouwsector inefficiënt is, waardoor de kosten voor de eindgebruiker duidelijk boven het optimale kostenniveau liggen. Er is berekend dat de bouwkosten met 30 à 35% zouden kunnen worden verminderd door de verspilling die in de meeste bouwprocessen en bij de meeste producten plaatsvindt, terug te dringen. De inefficiëntie in de bouwsector ondermijnt het doel en de opzet van deze richtlijn, aangezien de ongerechtvaardigd hoge kosten van bouw en renovatie de kosteneffectiviteit, en daarmee ook de energie-efficiëntie van de sector, verminderen. Met het oog op een goede werking van deze richtlijn dient de Commissie het functioneren van de bouwmarkt te evalueren en aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen van haar bevindingen en aanbevelingen. De lidstaten dienen zich in te spannen om een transparant prijsbeleid in de bouw- en renovatiesector te waarborgen en dienen passende maatregelen te treffen om belemmeringen voor de toegang van nieuwe marktdeelnemers, met name KMO's, tot de markt en tot relevante faciliteiten en infrastructuur weg te nemen.

    Motivering

    Uit studies is gebleken dat 30 à 35% van de bouwkosten rechtstreeks verband houdt met verspilling in het bouw- en productieproces. ("Waste in construction projects - call for a new approach", Josephson/Saukkoriipi, The Centre for Management of the Built Environment Building Economics and Management, Chalmers University of Technology, Gothenburg 2007). Door onnodige kosten in de bouwsector terug te dringen zouden meer renovaties kunnen worden uitgevoerd die de energie-efficiëntie van gebouwen verhogen, aangezien zulke renovaties goedkoper zouden worden voor de eindgebruiker.

    Amendement  9

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 14 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14 ter) Ter verhoging van de energie-efficiëntie van huishoudelijke apparaten, verwarming en koeling moeten informatietechnologieën worden ontwikkeld en in gebruik worden genomen - met als doel een "intelligent gebouw".

    Amendement  10

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 15

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (15) Er zijn maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat een groter aantal gebouwen niet alleen voldoet aan de huidige minimumeisen inzake energieprestaties, maar ook energie-efficiënter is. Daartoe moeten de lidstaten nationale plannen opstellen, om te zorgen voor een toename van het aantal gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik; zij brengen daarover regelmatig verslag uit bij de Commissie.

    (15) Er zijn maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat een groter aantal gebouwen niet alleen voldoet aan de huidige minimumeisen inzake energieprestaties, maar op zijn minst een zo hoog mogelijke energieprestatie waarborgt. Daartoe moeten de lidstaten nationale plannen opstellen, om te zorgen voor een toename van het aantal energieneutrale gebouwen; zij brengen daarover regelmatig verslag uit bij de Commissie.

    Amendement  11

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 16 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (16 bis) De lidstaten moeten worden aangemoedigd om naast de in deze richtlijn vastgestelde acties aanvullende maatregelen te treffen ter bevordering van een hogere energieprestatie van gebouwen. Dergelijke maatregelen kunnen financiële en fiscale prikkels omvatten voor ondernemingen, huiseigenaren en huurders, waaronder ook verlaagde Btw-tarieven voor renovatiediensten.

    Motivering

    Gezien de veelal hoge kosten van investeringen op het gebied van energie-efficiëntie, hebben ondernemingen, huiseigenaren en huurders financiële steun nodig om initiële investeringen te kunnen doen. Dit is mogelijk via renteloze leningen aan huiseigenaren of verlaagde Btw-tarieven op diensten in verband met energie-efficiënte renovaties. Indien verlaagde Btw-tarieven alleen voor producten worden ingevoerd, zou dit het gebruik van ongeschoolde arbeidskrachten in de hand kunnen werken, waardoor de effectiviteit van de uitgevoerde werken zou worden ondermijnd en geen energiebesparingen gewaarborgd zou zijn.

    Amendement  12

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 16 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (16 ter) De lidstaten moeten erop toezien dat de regulering van de energieprijzen voor de consument geen verstorend effect heeft waardoor prikkels tot energiebesparing uitblijven.

    Motivering

    De regulering van de energieprijzen leidt veelal tot een hoger energieverbruik door de eindgebruikers en tot een verstoring van de energiemarkt. Dergelijke reguleringsmaatregelen moeten worden voorkomen; in plaats daarvan zijn maatregelen nodig die de consumenten aanmoedigen meer energie te besparen.

    Amendement  13

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 17

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (17) De toekomstige koper of huurder van een gebouw of delen daarvan moet via het energieprestatiecertificaat correcte informatie krijgen over de energieprestaties van het gebouw, alsmede praktisch advies over hoe die kunnen worden verbeterd. In het certificaat moet ook informatie worden verstrekt over de eigenlijke effecten van verwarming en koeling op de energiebehoeften van het gebouw, over het primaire energieverbruik en over de kooldioxide-uitstoot.

    (17) De toekomstige koper of huurder van een gebouw of delen daarvan moet via het energieprestatiecertificaat correcte informatie krijgen over de energieprestaties van het gebouw, alsmede praktisch advies over hoe die kunnen worden verbeterd. Eigenaren en huurders van bedrijfspanden moeten tevens worden verplicht informatie uit te wisselen over het daadwerkelijke energieverbruik, teneinde te waarborgen dat alle gegevens beschikbaar zijn om een geïnformeerde keuze te kunnen maken over de nodige verbeteringen. In het certificaat moet ook informatie worden verstrekt over de eigenlijke effecten van verwarming en koeling op de energiebehoeften van het gebouw, over het primaire energieverbruik en over de kooldioxide-uitstoot. De eigenaars van gebouwen moeten te allen tijde certificatie of een bewijs van actualisering kunnen aanvragen, en niet alleen als gebouwen worden verhuurd, verkocht of gerenoveerd.

    Motivering

    Het energieprestatiecertificaat moet niet alleen kunnen worden afgegeven als een gebouw of een deel ervan wordt verhuurd. gerenoveerd of verkocht, maar ook op aanvraag.

    Amendement  14

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 17 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (17 bis) De overheid moet het goede voorbeeld geven en de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat binnen de geldigheidsperiode ervan uitvoeren. De lidstaten moeten in hun nationale plannen maatregelen opnemen om overheidsdiensten te stimuleren verbeteringen op het gebied van energie-efficiëntie in een vroeg stadium over te nemen en de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat binnen de geldigheidsperiode ervan uit te voeren. Bij het opstellen van de nationale plannen moeten de lidstaten de vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden raadplegen.

    Motivering

    De overheid moet het goede voorbeeld geven en de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat binnen de geldigheidsperiode uitvoeren. De lidstaten moeten in hun nationale plannen maatregelen opnemen om overheden aan te zetten dit te doen en verbeteringen op het gebied van energie-efficiëntie in een vroeg stadium over te nemen. Bij het opstellen van hun nationale plannen moeten de lidstaten overleg plegen met vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden.

    Amendement  15

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 17 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (17 ter) In overeenstemming met de vereisten inzake de installatie van slimme meters, zoals vastgesteld bij Richtlijn 2006/32/EG, dienen eigenaren en huurders te worden voorzien van nauwkeurige real-time informatie over het energieverbruik in de door hen gebruikte gebouwen.

    Amendement  16

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 18

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (18) Gebouwen die door de overheid worden gebruikt en gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht, kunnen een voorbeeldfunctie vervullen op het gebied van zorg voor het milieu en energiegebruik en daarom dient voor die gebouwen regelmatig energiecertificering plaats te vinden. De verspreiding van informatie over die energieprestaties onder het publiek kan worden verbeterd door die energiecertificaten op een opvallende plaats aan te brengen.

    (18) Gebouwen die door de overheid worden gebruikt en gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht, dienen een voorbeeldfunctie te vervullen op het gebied van zorg voor het milieu en energiegebruik en daarom dient voor die gebouwen regelmatig energiecertificering plaats te vinden. De verspreiding van informatie over die energieprestaties onder het publiek kan worden verbeterd door die energiecertificaten op een opvallende plaats aan te brengen. Indien lidstaten besluiten het gebruik van energie op te nemen in de certificeringvereisten voor energie, kan voor een locatiegebaseerde aanpak worden gekozen waarbij een groep in dezelfde buurt gelegen gebouwen die door dezelfde organisatie worden gebruikt, op dezelfde energiemeters is aangesloten.

    Motivering

    Dit amendement verwijst naar de nieuwe weg die in sommige lidstaten is ingeslagen waar de bekendmakingvereisten zijn uitgebreid om zowel de energieprestaties tot uitdrukking te brengen als de manier waarop energie door de bewoners wordt gebruikt. Een locatiegebaseerde aanpak laat in dergelijke gevallen zien hoe universiteiten, ziekenhuizen of andere openbare locaties zijn georganiseerd, zodat een beter overzicht kan worden gegeven van het gehele energieverbruik en de totale koolstofvoetafdruk van de locatie.

    Amendement  17

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 18 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (18 bis) Als wordt gezorgd voor wederzijdse erkenning van energieprestatiecertificaten die zijn afgegeven door andere lidstaten, kan waarschijnlijk een grensoverschrijdende markt voor financiële en andere diensten voor de ondersteuning van energie-efficiëntie ontstaan. Om dit mogelijk te maken moet de Commissie minimumvoorschriften voor de inhoud en vorm van de certificaten en voor de accreditering als deskundige vaststellen. Elk energieprestatiecertificaat moet zowel in de taal van de eigenaar als in de taal van de huurder beschikbaar zijn, zodat de aanbevelingen makkelijk te begrijpen zijn.

    Motivering

    Wederzijdse erkenning van energieprestatiecertificaten is nodig. De inhoud van het certificaat moet zowel voor de huurder als voor de eigenaar leesbaar en begrijpelijk zijn, zodat beiden de aanbevelingen daarin kunnen opvolgen.

    Amendement  18

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 19

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (19) De laatste jaren is het aantal airconditioningsystemen in de Europese landen toegenomen. Dit veroorzaakt in deze landen aanzienlijke problemen op het gebied van piekbelasting, waardoor de kostprijs voor elektrische energie stijgt en de energiebalans in het gedrang komt.

    (19) De laatste jaren is het aantal airconditioningsystemen in de Europese landen toegenomen. Dit veroorzaakt in alle lidstaten aanzienlijke problemen op het gebied van piekbelasting, waardoor de kostprijs voor elektrische energie stijgt en de energiebalans in het gedrang komt. Er moet prioriteit worden verleend aan strategieën die bijdragen tot betere thermische prestaties van gebouwen tijdens de zomer. Met name technieken voor passieve koeling en in het bijzonder technieken die bijdragen tot het verbeteren van de kwaliteit van het binnenklimaat en van het microklimaat rond gebouwen moeten verder worden ontwikkeld.

    Motivering

    Juist met het oog op de algemeen verwachte klimaatopwarming in de EU heeft is het onverstandig dat voor de sterkst betroffen lidstaten geen prioriteit meer wordt verleend aan strategieën ter verbetering van de klimaatomstandigheden binnenshuis. Bovendien hebben gebeurtenissen in de afgelopen jaren aangetoond dat de hete zomers in de zuidelijke lidstaten van de EU ook gevolgen hebben voor de elektriciteitsvoorziening in Midden-Europa. Hierdoor wordt nog eens onderstreept dat het nodig is om maatregelen te treffen.

    Amendement  19

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 20

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (20) Regelmatige controle van verwarmingsketels en airconditioningsystemen door gekwalificeerd personeel draagt bij tot handhaving van de correcte afstelling ervan in overeenstemming met de productspecificatie en leidt tot optimale prestaties uit milieu-, veiligheids- en energieoogpunt. Een onafhankelijke beoordeling van het gehele verwarmings- en airconditioningsysteem moet regelmatig plaatsvinden gedurende de levensduur van deze systemen, vooral vóór installatie of verbetering.

    (20) Regelmatige controle van verwarmingsketels en airconditioningsystemen door gekwalificeerd personeel draagt bij tot handhaving van de correcte afstelling ervan in overeenstemming met de productspecificatie en leidt tot optimale prestaties uit milieu-, veiligheids- en energieoogpunt. Een onafhankelijke beoordeling van het gehele verwarmings- en airconditioningsysteem moet regelmatig plaatsvinden gedurende de levensduur van deze systemen, vooral vóór installatie of verbetering. Om de administratieve lasten voor eigenaars en huurders van gebouwen te beperken moeten de lidstaten ervoor zorgen dat bij de afgifte van energieprestatiecertificaten ook de verwarmings- en airconditioningsystemen worden gekeurd en dat beide keuringen zo veel mogelijk gelijktijdig gebeuren.

    Motivering

    De bureaucratische lasten voor de eigenaars en huurders van gebouwen moeten zo gering mogelijk zijn.

    Amendement  20

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 21 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (21 bis) De lokale en regionale overheden zijn van cruciaal belang voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Met hun vertegenwoordigers moet overleg plaatsvinden over elk aspect van de tenuitvoerlegging op nationaal of regionaal niveau. Lokale stedenbouwkundigen en bouwinspecteurs moeten geschikte richtsnoeren en middelen krijgen om de nodige taken uit te voeren.

    Motivering

    De lokale en regionale overheden zijn van cruciaal belang voor een succesvolle tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Met hun vertegenwoordigers moet overleg plaatsvinden over elk aspect van de tenuitvoerlegging op nationaal of regionaal niveau. Lokale stedenbouwkundige en bouwinspecteurs moeten geschikte richtsnoeren en middelen krijgen om de nodige taken uit te voeren.

    Amendement  21

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 21 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (21 ter) Indien de toegang tot of de uitoefening van het beroep van installateur gereglementeerd is, gelden de voorwaarden voor de erkenning van beroepskwalificaties zoals vastgelegd in Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. De toepassing van deze richtlijn laat derhalve Richtlijn 2005/36/EG onverlet. In Richtlijn 2005/36/EG zijn eisen vastgesteld voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, onder meer voor architecten, maar voorts moet ook worden gegarandeerd dat architecten en planologen in hun plannen en ontwerpen voldoende rekening houden met bijzonder energie-efficiënte technologieën. De lidstaten moeten ter zake duidelijke richtsnoeren opstellen. onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2005/36/EG en met name de artikelen 46 en 49.

    Motivering

    De wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties zou het vrij verkeer van de relevante beroepsbeoefenaren over de nationale grenzen heen vergemakkelijken zonder daarbij beperkingen op te leggen aan de branche. Deze overweging brengt de richtlijn in overeenstemming met de richtlijn inzake energie uit hernieuwbare bronnen.

    Amendement  22

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 23

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (23) De Commissie moet met name de bevoegdheid krijgen om bepaalde delen van het in bijlage I bedoelde algemene kader aan te passen aan de technische vooruitgang, om een methodologie vast te stellen voor het berekenen van de kostenoptimale minimumeisen inzake energieprestaties en om gemeenschappelijke principes vast te stellen voor het definiëren van de gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

    (23) De Commissie moet met name de bevoegdheid krijgen om bepaalde delen van het in bijlage I bedoelde algemene kader aan te passen aan de technische vooruitgang, om een gemeenschappelijke methodologie vast te stellen voor het berekenen van de kostenoptimale minimumeisen inzake energieprestaties en om een gemeenschappelijke definitie voor energieneutrale gebouwen vast te stellen, rekening houdend met de normale weersomstandigheden ter plaatse en de verwachte veranderingen daarin na verloop van tijd. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

    Motivering

    De Commissie moet methodologieën vaststellen voor het berekenen van de kostenoptimale minimumeisen inzake energieprestaties en een gemeenschappelijke definitie voor energieneutrale gebouwen, rekening houdend met de normale weersomstandigheden ter plaatse en de verwachte veranderingen daarin na verloop van tijd.

    Amendement  23

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 23 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (23 bis) Aangezien 14% van het energieverbruik in de EU voor rekening komt van verlichting en gezien het feit dat met de modernste verlichtingssystemen een energiebesparing van 80% kan worden bereikt onder verlichtingsomstandigheden die in overeenstemming zijn met de Europese normen, wat een nog niet ten volle benutte mogelijkheid is om bij te dragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen van de EU voor 2020, dient de Commissie de nodige stappen te nemen voor de goedkeuring van een richtlijn betreffende verlichtingontwerp die een aanvulling vormt op de maatregelen en doelstellingen van deze richtlijn. De verhoging van de energie-efficiëntie door een beter ontwerp van verlichting en de toepassing van energie-efficiënte lichtbronnen in overeenstemming met de richtlijn energieverbruik van producten vormt een significante bijdrage tot een betere energieprestatie van gebouwen.

    Amendement  24

    Voorstel voor een richtlijn

    Overweging 24

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (24) Aangezien de doelstellingen om de energie-efficiëntie van gebouwen te bevorderen niet in voldoende mate door de lidstaten kunnen worden gerealiseerd gezien de complexiteit van de bouwsector en aangezien de uitdagingen inzake energie-efficiëntie niet voldoende kunnen worden aangepakt via de nationale woningmarkt en dit, gelet op de omvang en de effecten van de acties, derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, als vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag, maatregelen nemen. . Overeenkomstig het in dat artikel vastgelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat voor de verwezenlijking van die doelstellingen nodig is.

    (24) Aangezien de doelstellingen om de energie-efficiëntie van gebouwen te bevorderen niet in voldoende mate door de lidstaten kunnen worden gerealiseerd gezien de complexiteit van de gebouwensector en aangezien de uitdagingen inzake energieprestaties niet voldoende kunnen worden aangepakt via de nationale woningmarkt en dit, gelet op de omvang en de effecten van de acties, derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, als vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel vastgelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat voor de verwezenlijking van die doelstellingen nodig is.

    Motivering

    Omwille van de samenhang met de rest van het voorstel.

    Amendement  25

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 1 – alinea 1

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    Deze richtlijn stimuleert verbeterde energieprestaties van gebouwen in de Gemeenschap, rekening houdend met zowel de klimatologische en plaatselijke omstandigheden buiten het gebouw als met de eisen voor het binnenklimaat en de kosteneffectiviteit.

    Deze richtlijn stimuleert verbeterde energieprestaties van gebouwen in de Gemeenschap, rekening houdend met zowel de klimatologische en plaatselijke omstandigheden buiten het gebouw als met de eisen voor het binnenklimaat en kostenoptimale niveaus van energieprestaties.

    Motivering

    De materie van de richtlijn moet een verwijzing bevatten naar de berekeningsmethode voor de vaststelling van kostenoptimale niveaus, naar minimumprestatie-eisen voor de onderdelen van de bouwschil en de technische bouwsystemen en naar de toepassing ervan in nieuwe en bestaande gebouwen. Streefdoelen met betrekking tot energieneutrale gebouwen vormen een belangrijk element van de herschikking. Bovendien moeten vereisten inzake opleiding, scholing en wederzijdse erkenning door de lidstaten van keurders van de energieprestaties van gebouwen en inspecteurs van verwarmings- en airconditioningsystemen worden opgenomen.

    Amendement  26

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 1 – letter a

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (a) het algemeen kader voor een methode voor de berekening van de geïntegreerde energieprestaties van gebouwen en delen van gebouwen ,

    (a) een methode voor de berekening van de geïntegreerde energieprestaties van gebouwen en delen van gebouwen, van bestanddelen van gebouwen en van technische bouwsystemen;

    Amendement  27

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 1 – letter c

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (c) de toepassing van minimumeisen voor de energieprestaties van bestaande gebouwen en delen van gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan,

    (c) de toepassing van minimumeisen voor de energieprestaties van bestaande gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan en van bestanddelen van gebouwen en technische bouwsystemen wanneer deze worden vervangen of vernieuwd;

    Motivering

    De materie van de richtlijn moet een verwijzing bevatten naar de berekeningsmethode voor de vaststelling van kostenoptimale niveaus, naar minimumprestatie-eisen voor de onderdelen van de bouwschil en de technische bouwsystemen en naar de toepassing ervan in nieuwe en bestaande gebouwen. Streefdoelen met betrekking tot energieneutrale gebouwen vormen een belangrijk element van de herschikking. Bovendien moeten vereisten inzake opleiding, scholing en wederzijdse erkenning door de lidstaten van keurders van de energieprestaties van gebouwen en inspecteurs van verwarmings- en airconditioningsystemen worden opgenomen.

    Amendement  28

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 1 – letter d

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (d) nationale plannen om te zorgen voor een toename van het aantal gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik;

    (d) nationale plannen en streefdoelen om te zorgen voor een toename van het aantal energieneutrale gebouwen;

    Amendement  29

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 1 – letter g bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (g bis) opleiding, scholing en wederzijdse erkenning door de lidstaten van personen die de energieprestaties van gebouwen certificeren en verwarmings- en airconditioningsystemen keuren.

    Motivering

    De materie van de richtlijn moet een verwijzing bevatten naar de berekeningsmethode voor de vaststelling van kostenoptimale niveaus, naar minimumprestatie-eisen voor de onderdelen van de bouwschil en de technische bouwsystemen en naar de toepassing ervan in nieuwe en bestaande gebouwen. Streefdoelen met betrekking tot energieneutrale gebouwen vormen een belangrijk element van de herschikking. Bovendien moeten vereisten worden opgenomen inzake opleiding, scholing en wederzijdse erkenning door de lidstaten van personen die de energieprestaties van gebouwen certificeren en verwarmings- en airconditioningsystemen keuren.

    Amendement  30

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 1 – letter g ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (g ter) nationale plannen voor het opheffen van belemmeringen in de bouw-, huur- en monumentenwetgeving en voor het scheppen van financiële prikkels.

    Motivering

    De lidstaten moeten worden verzocht om, bijvoorbeeld in de belastingwetgeving, meer financiële prikkels te scheppen en om bestaande belemmeringen in de bouw-, huur- en monumentenwetgeving weg te nemen. Dit geldt onder meer voor vereisten inzake energiebesparende renovaties en bestaande renovatievoorschriften met betrekking tot monumentenpanden.

    Amendement  31

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 1 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (1 bis) nieuw gebouw: een gebouw waarvoor de bouwvergunning is verkregen na de inwerkingtreding van deze richtlijn;

    Motivering

    Wat een nieuw gebouw is moet worden gedefinieerd, omdat het maanden of jaren duurt voordat een gebouw klaar is. De nieuwe voorschriften moeten gelden voor gebouwen waarvoor de bouwvergunning is verkregen na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

    Amendement  32

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 1 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    (1 ter) delen van gebouwen: appartementen of voor apart gebruik ontwikkelde eenheden die deel uitmaken van een bouwblok;

    Motivering

    De formulering "en delen van gebouwen" wordt in vele artikelen van de richtlijn gebruikt. Daarom moet de term worden gedefinieerd, omdat anders het risico bestaat dat daaronder bestanddelen en technische bouwsystemen worden verstaan. In de artikelen inzake certificering wordt de term gebruikt om voor apart gebruik bedoelde delen van meergezinswoningen en bedrijfspanden, zoals appartementen en kantoren, aan te duiden.

    Amendement  33

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 1 quater (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    (1 quater) energieneutraal gebouw: een gebouw waarvan het totale jaarlijkse verbruik van primaire energie als gevolg van een zeer hoog niveau van energie-efficiëntie niet groter is dan de productie van energie ter plaatse uit hernieuwbare bronnen;

    Amendement  34

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 2

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (2) technische bouwsystemen: technisch materiaal voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening, verlichting en elektriciteitsproductie of een combinatie daarvan;

    (2) technische bouwsystemen: technisch materiaal voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening, verlichting en elektriciteitsproductie, meet‑, toezicht- en controlesystemen of een combinatie daarvan;

    Amendement  35

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 3

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (3) energieprestaties van een gebouw: de berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is voor de vraag naar energie die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, waaronder de energie die wordt gebruikt voor verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting;

    (3) energieprestaties van een gebouw: de berekende of gemeten hoeveelheid primaire energie die nodig is voor de vraag naar energie die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, uitgedrukt in kWh/m2 per jaar, waaronder de energie die wordt gebruikt voor verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en ingebouwde verlichting rekening houdend met passieve zonne-energie, zonwering en natuurlijke verlichting;

    Amendement  36

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 4

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (4) primaire energie: hernieuwbare en niet- hernieuwbare energie die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan;

    (4) primaire energie: energie uit hernieuwbare en niet-hernieuwbare bronnen die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan;

    Motivering

    De in het EU-beleid gebruikte definities moeten coherent zijn. De wijziging in de formulering wordt voorgesteld om direct te verwijzen naar de definitie van "energie uit hernieuwbare bronnen" zoals voorgesteld in artikel 2, letter a), van de richtlijn inzake energie uit hernieuwbare bronnen, zoals goedgekeurd door de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 17 december 2008.

    Amendement  37

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 4 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    (4 bis) energie uit hernieuwbare bronnen: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen: wind, zon, aardwarmte, aerothermische en hydrothermische energie en energie uit de zee, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;

    Motivering

    Energie uit hernieuwbare bronnen speelt een belangrijke rol in het herschikkingsvoorstel en moet bijgevolg worden gedefinieerd. De in het EU-beleid gebruikte definities moeten coherent zijn. De voorgestelde definitie is identiek aan die van artikel 2, letter a), van de richtlijn inzake energie uit hernieuwbare bronnen, zoals goedgekeurd door de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 17 december 2008.

    Amendement  38

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 5

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (5) bouwschil: de elementen die de binnenzijde van een gebouw scheiden van de buitenzijde, waaronder de vensters, de muren, de fundering, de kelderplaat, het plafond, het dak en de isolatie;

    (5) bouwschil: de geïntegreerde elementen die de binnenzijde van een gebouw scheiden van de buitenzijde;

    Amendement  39

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 5 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    (5 bis) bestanddeel van een gebouw: een afzonderlijk deel van een gebouw dat van invloed is op de energieprestaties van het gebouw en dat niet onder de definitie van technische bouwsystemen valt, waaronder de vensters, de buitendeuren, de markiezen, de muren, de fundering, de kelderplaat, het plafond, het dak en isolatiesystemen;

    Amendement  40

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 6

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (6) ingrijpende renovatie: de renovatie van een gebouw, waarbij

    (6) ingrijpende renovatie: de renovatie van een gebouw, waarbij

    (a) de totale kosten van de renovatie met betrekking tot de bouwschil of de technische bouwsystemen hoger zijn dan 25% van de waarde van het gebouw, exclusief de grond, of

    (a) de totale kosten van de renovatie met betrekking tot de bouwschil of de technische bouwsystemen hoger zijn dan 20% van de waarde van het gebouw, berekend op basis van de actuele bouwkosten in de betreffende lidstaat, exclusief de grond, of

    (b) meer dan 25% van de oppervlakte van de bouwschil een renovatie ondergaat;

    (b) meer dan 25% van de oppervlakte van de bouwschil een renovatie ondergaat die een direct effect heeft op de energieprestaties van het gebouw;

    Amendement  41

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 10

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (10) kostenoptimaal niveau: het laagst mogelijke kostenniveau tijdens de levensduur van een gebouw, dat wordt bepaald aan de hand van de investeringskosten, de onderhouds- en bedrijfskosten (inclusief kosten voor energie), inkomsten van geproduceerde energie, waar van toepassing, en verwijderingskosten, waar van toepassing;

    (10) kostenoptimaal niveau: het niveau waarbij de berekende kosten-batenanalyse over de levensduur van een gebouw positief is, ten minste rekening houdend met de actuele netto waarde van de investering en de bedrijfskosten (inclusief kosten voor energie), het onderhoud, inkomsten van geproduceerde energie en verwijderingskosten, waar van toepassing;

    Amendement  42

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 14

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14) warmtepomp: een toestel/installatie dat/die bij lage temperatuur warmte aan de lucht, het water of de bodem onttrekt en deze warmte aan het gebouw afgeeft.

    (14) warmtepomp: een machine, toestel of installatie dat/die warmte van de natuurlijke omgeving zoals de lucht, het water of de bodem overdraagt aan gebouwen of industriële installaties door de natuurlijke warmtestroming om te keren van een lagere naar een hogere temperatuur. De hoeveelheid energie die een warmtepomp aan de omgeving moet onttrekken om als hernieuwbare energie in de zin van deze richtlijn te kunnen worden beschouwd, is vastgesteld bij Richtlijn 2009/.../EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

    Motivering

    De definitie van warmtepompen en de methodologie voor de berekening van de hoeveelheid primaire energie en de efficiëntie van dergelijke toestellen moet in overeenstemming zijn met de recentelijk goedgekeurde richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

    Amendement  43

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 14 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14 bis) energiearmoede: de toestand dat een huishouden meer dan 10% van het inkomen aan energie moet besteden om het huis te verwarmen tot een niveau dat volgens de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie aanvaardbaar is;

    Motivering

    Het is uit technisch oogpunt noodzakelijk om "energiearmoede" te definiëren, een term die in amendement 31 wordt genoemd.

    Amendement  44

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 14 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14 ter) verlichtingssysteem: een combinatie van onderdelen die vereist zijn om in een bepaald lichtniveau te voorzien.

    Amendement  45

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 14 quater (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14 quater) stadsverwarming of -koeling: de distributie van thermale energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen, voor het verwarmen of koelen van ruimtes of processen of voor warmwaterproductie;

    Motivering

    De richtlijn moet een definitie van stadsverwarming en –koeling bevatten. Stadsverwarming en –koeling vormen belangrijke infrastructuur die synergie tussen energie-efficiëntie en energie uit hernieuwbare bronnen mogelijk maakt.

    Amendement  46

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 2 – punt 14 quinquies (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (14 quinquies) verlichtingsontwerp: een plan of tekening met een nauwkeurige beschrijving van de samenstelling en indeling van verlichtingsarmaturen, met inbegrip van bijbehorende regelingsapparatuur.

    Motivering

    Verlichtingsontwerp is gericht op de keuze van de juiste criteria voor een bepaald verlichtingsdoel in overeenstemming met geharmoniseerde Europese normen, onder gebruikmaking van de meest energie-efficiënte verlichtingssystemen.

    Amendement  47

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 3

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    De lidstaten passen voor de berekening van de energieprestaties van gebouwen een geharmoniseerde methodiek toe overeenkomstig het algemene kader in bijlage I.

    1. De Commissie stelt, na raadpleging van de relevante belanghebbenden en met name vertegenwoordigers van de plaatselijke, regionale en nationale autoriteiten uiterlijk op 31 maart 2010 voor de berekening van de energieprestaties van gebouwen een gemeenschappelijke methodiek vast overeenkomstig het algemene kader in bijlage I.

     

    Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 21, lid 2.

    Deze methode wordt vastgesteld op nationaal of op regionaal niveau.

    2. De lidstaten voeren deze gemeenschappelijke methodiek uit.

    Amendement  48

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    2 bis. De energieprestaties van gebouwen worden op transparante wijze uitgedrukt en omvatten een indicator voor de C02-uitstoot en de vraag naar primaire energie.

    Motivering

    De algemene doelstelling van deze richtlijn is de vermindering van het effect van gebouwen op de C02-uitstoot. Deze doelstelling moet derhalve uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 3.

    Amendement  49

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 4 – lid 1

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen opdat minimumeisen voor de energieprestaties van gebouwen worden vastgesteld met het oog op het bereiken van de kostenoptimale niveaus, en worden berekend volgens de in artikel 3 bedoelde methodiek.

    1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen opdat minimumeisen voor de energieprestaties van gebouwen en van bestanddelen van gebouwen en technische bouwsystemen en delen daarvan worden vastgesteld om ten minste kostenoptimale niveaus te bereiken, en worden berekend volgens de in artikel 3 bedoelde gemeenschappelijke methodiek.

    Bij het vaststellen van de eisen kunnen de lidstaten onderscheid maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen alsmede tussen verschillende categorieën gebouwen.

    Bij het vaststellen van de eisen raadplegen de lidstaten de overheid en andere belanghebbenden en kunnen zij onderscheid maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen alsmede tussen verschillende categorieën gebouwen.

    In de eisen wordt rekening gehouden met de algemene binnenklimaatsituatie - om eventuele negatieve neveneffecten zoals onvoldoende ventilatie te voorkomen -, met de plaatselijke omstandigheden, met de gebruiksbestemming en met de ouderdom van het gebouw.

    De eisen zijn consistent met andere toepasselijke communautaire wetgeving en houden rekening met de algemene binnenklimaatsituatie en binnen- en buitenlicht - om eventuele negatieve neveneffecten zoals onvoldoende ventilatie of onvoldoende natuurlijk licht te voorkomen -, met de plaatselijke omstandigheden, met de gebruiksbestemming en met de ouderdom van het gebouw.

    De eisen dienen regelmatig en ten minste om de vijf jaar te worden getoetst, en zo nodig aan de technische vooruitgang in de bouwsector te worden aangepast.

    De eisen dienen regelmatig en ten minste om de vier jaar te worden getoetst, en aan de technische vooruitgang in de bouwsector te worden aangepast.

    Amendement  50

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 4 – lid 2

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    2. De lidstaten kunnen beslissen om ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen als bedoeld in lid 1 vast te stellen of toe te passen:

    2. De lidstaten kunnen beslissen om ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen als bedoeld in lid 1 vast te stellen of toe te passen:

    (a) gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, indien de toepassing van de minimumeisen inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

    (a) gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, voor zover de toepassing van een specifieke minimumeis inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

    (b) gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;

    (b) gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;

    (c) tijdelijke gebouwen die in principe niet langer dan twee jaar gebruikt worden, industriepanden, werkplaatsen en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven met een lage energiebehoefte en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven die in gebruik zijn bij een sector die onder een nationale sectorovereenkomst inzake energieprestaties valt;

    (c) tijdelijke gebouwen die in principe minder dan achttien maanden gebruikt worden, industriepanden, werkplaatsen en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven met een lage energiebehoefte en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven die in gebruik zijn bij een sector die onder een nationale sectorovereenkomst inzake energieprestaties valt;

    (d) woongebouwen die in principe minder dan vier maanden per jaar gebruikt worden;

     

    (e) alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2.

    (e) alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2.

    Amendement  51

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 4 – lid 3

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    3. Vanaf 30 juni 2014 verstrekken de lidstaten geen stimulansen meer voor de bouw of renovatie van gebouwen of delen van gebouwen die niet voldoen aan de minimumeisen inzake energieprestaties volgens de resultaten van de in artikel 5, lid 2, bedoelde berekening.

    3. Vanaf 30 juni 2012 verstrekken de lidstaten nog slechts stimulansen voor de bouw of ingrijpende renovatie van gebouwen of delen van gebouwen, met inbegrip van bestanddelen van gebouwen, als de resultaten daarvan ten minste voldoen aan de minimumeisen inzake energieprestaties volgens de resultaten van de in artikel 5, lid 2, bedoelde berekening.

    Amendement  52

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 4 – lid 4

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    4. Vanaf 30 juni 2017 zorgen de lidstaten ervoor dat, bij het herzien van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties, deze vereisten voldoen aan de resultaten van de in artikel 5, lid 2, bedoelde berekening.

    4. De lidstaten herzien de overeenkomstig lid 1 vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties en zorgen ervoor dat deze vereisten uiterlijk op 30 juni 2015 ten minste voldoen aan de resultaten van de in artikel 5, lid 2, bedoelde berekening.

    Amendement  53

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    4 bis. De lidstaten verlenen subsidie en technische advies voor specifieke programma's voor de aanpassing van historische gebouwen of centra aan energie-efficiëntie.

    Amendement  54

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    4 ter. Energieproductiesystemen en isolatiemaatregelen in historische centra worden aan een visuele-hinderbeoordeling onderworpen;

    Amendement  55

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 5

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De Commissie werkt tegen 31 december 2010 een vergelijkende methodologie uit voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties voor gebouwen of delen van gebouwen. De vergelijkende methodologie dient een onderscheid te maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen en tussen verschillende categorieën van gebouwen.

    1. De Commissie werkt, na raadpleging van de relevante belanghebbenden, met name vertegenwoordigers van de plaatselijke, regionale en nationale autoriteiten, en op basis van de in bijlage III bis genoemde beginselen uiterlijk op 31 maart 2010 een gemeenschappelijke methodologie uit voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties voor gebouwen of delen van gebouwen. Deze gemeenschappelijke methodologie kan verwijzen naar relevante Europese normen en dient:

     

    - een onderscheid te maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen en tussen verschillende categorieën van gebouwen,

     

    - de verschillende klimaatomstandigheden in de lidstaten en de waarschijnlijke verandering daarin tijdens de levensduur van het betrokken gebouw te weerspiegelen, en

     

    - gemeenschappelijke aannamen of berekeningsmethoden voor energiekosten vast te stellen.

     

    De Commissie toetst de gemeenschappelijke methodologie om de vijf jaar en actualiseert deze indien nodig.

    Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

    Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

    2. De lidstaten berekenen de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties aan de hand van de in lid 1 bedoelde vergelijkende methodologie en de relevante parameters, zoals de klimatologische omstandigheden, en vergelijken de resultaten van deze berekening met de door hen vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties.

    2. De lidstaten berekenen de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties aan de hand van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke methodologie en de relevante parameters, zoals de klimatologische omstandigheden.

    Zij brengen bij de Commissie verslag uit over alle inputgegevens en veronderstellingen die zij voor deze berekeningen en de resultaten daarvan hebben gebruikt. Dit verslag mag worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit bij de Commissie. Het eerste verslag wordt uiterlijk op 30 juni 2011 ingediend.

    Zij brengen bij de Commissie verslag uit over alle inputgegevens en veronderstellingen die zij voor deze berekeningen en de resultaten daarvan hebben gebruikt. Dit verslag wordt opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit bij de Commissie. Het eerste verslag wordt uiterlijk op 30 juni 2011 ingediend.

    3. De Commissie publiceert een verslag over de voortgang van de lidstaten bij het bereiken van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties.

    3. De Commissie publiceert een verslag over de voortgang van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van dit artikel.

    Amendement  56

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 6

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen aan de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde minimumeisen voor de energieprestaties voldoen.

    De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen aan de overeenkomstig artikel 4 en de bepalingen van artikel 9 vastgestelde minimumeisen voor de energieprestaties voldoen.

    Waar het gaat om nieuwe gebouwen zorgen de lidstaten ervoor dat , alvorens met de bouw wordt begonnen, de technische, milieutechnische en economische haalbaarheid van de volgende alternatieve systemen in aanmerking worden genomen:

    Waar het gaat om nieuwe gebouwen zorgen de lidstaten ervoor dat de haalbaarheid van alternatieve systemen met een hoog rendement in aanmerking wordt genomen. Deze alternatieve systemen kunnen onder meer bestaan in:

    (a) gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen;

    (a) gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;

    (b) warmtekrachtkoppeling;

    (b) warmtekrachtkoppeling;

    (c) stads/blokverwarming of -koeling, indien beschikbaar;

    (c) stads/blokverwarming of -koeling, indien beschikbaar, in het bijzonder systemen die geheel of gedeeltelijk zijn gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;

    (d) warmtepompen;

    d) warmtepompen;

     

    (d bis) ICT-apparatuur voor toezicht- en controledoeleinden.

    2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde analyse van alternatieve systemen op een transparante manier wordt gestaafd in de aanvraag van de bouwvergunning of van de definitieve goedkeuring voor de bouwwerken.

     

    Amendement  57

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 7

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer bestaande gebouwen een ingrijpende renovatie ondergaan, de energieprestaties ervan tot het niveau van de minimumeisen inzake energieprestaties worden opgevoerd, voor zover dit technisch, functioneel en economisch haalbaar is. Zij stellen deze minimumeisen voor de energieprestaties vast overeenkomstig artikel 4. De eisen kunnen worden vastgesteld hetzij voor het gerenoveerde gebouw in zijn geheel, hetzij voor de gerenoveerde systemen of bestanddelen, wanneer deze deel uitmaken van een renovatie die binnen een bepaald tijdsbestek moet worden uitgevoerd, met het doel de totale energieprestaties van het gebouw of delen daarvan te verbeteren.

    De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer bestaande gebouwen een ingrijpende renovatie ondergaan of technische bouwsystemen of delen daarvan worden vernieuwd of vervangen, de energieprestaties ervan tot het niveau van de minimumeisen inzake energieprestaties worden opgevoerd, voor zover dit technisch, functioneel en economisch haalbaar is. Zij stellen deze minimumeisen voor de energieprestaties vast overeenkomstig artikel 4 en de in artikel 9 genoemde eisen. De eisen worden vastgesteld voor zowel de gerenoveerde systemen als de bestanddelen van gebouwen, wanneer deze vernieuwd of vervangen worden, alsook voor het gerenoveerde gebouw in zijn geheel, wanneer het om een ingrijpende renovatie gaat.

     

    Als het gaat om gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, stimuleren de lidstaten dat de volgende alternatieve systemen met een hoog rendement worden bekeken en in aanmerking genomen:

     

    (a) gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;

     

    (b) warmtekrachtkoppeling;

     

    (c) stads/blokverwarming of -koeling, indien beschikbaar, in het bijzonder systemen die geheel of gedeeltelijk zijn gebaseerd op energie uit hernieuwbare bronnen;

     

    (d) warmtepompen;

     

    (d bis) ICT-apparatuur voor toezichts- en controledoeleinden.

    Amendement  58

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 8

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    Technische bouwsystemen

    Technische bouwsystemen en bestanddelen van gebouwen

    1. De lidstaten stellen minimumeisen inzake energieprestaties vast met betrekking tot de technische bouwsystemen die in de gebouwen zijn geïnstalleerd. Er worden eisen vastgesteld voor nieuwe technische bouwsystemen en voor de vervanging of het herstel van technische bouwsystemen en onderdelen daarvan.

    1. De lidstaten stellen minimumeisen inzake energieprestaties vast met betrekking tot de bestanddelen van gebouwen en technische bouwsystemen die in de gebouwen zijn geïnstalleerd en in bedrijf gesteld en die niet vallen onder Richtlijn 2009/…/EG [houdende invoering van een kader voor de vaststelling van eisen met betrekking tot milieuvriendelijkheid en zuinig energiegebruik van producten] en de maatregelen ter uitvoering daarvan. Er worden eisen vastgesteld voor nieuwe bedrijfstechnische installaties, technische bouwsystemen en bestanddelen van gebouwen en onderdelen daarvan en voor de vervanging of het herstel daarvan, en die eisen worden toegepast voor zover zij technisch en functioneel haalbaar zijn.

    De eisen hebben met name betrekking op:

    De eisen hebben met name betrekking op:

    (a) c.v.-ketels of andere warmtegeneratoren van verwarmingssystemen;

    (a) c.v.-ketels, andere warmtegeneratoren en warmtewisselaars van verwarmingssystemen, met inbegrip van stads/blokverwarming of -koeling;

    (b) waterverwarmers in warmwatersystemen;

    (b) waterverwarmers in warmwatersystemen;

    (c) centrale airconditioningseenheid of koudegenerator in airconditioningsystemen.

    (c) centrale airconditioningseenheid of koudegenerator in airconditioningsystemen;

     

    (c bis) geïnstalleerde verlichting;

     

    (c ter) bestanddelen van gebouwen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 5 bis.

    2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties moeten in overeenstemming zijn met de wetgeving die van toepassing is op de producten waaruit het systeem bestaat en moeten gebaseerd zijn op de behoorlijke installatie van de producten en de geschikte aanpassing en controle van het technische bouwsysteem. De eisen moeten er met name voor zorgen dat er een geschikt hydraulisch evenwicht wordt bereikt in de hydraulische "natte" verwarmingssystemen en dat de geschikte grootte en het geschikte type van product wordt gebruikt voor de installatie, gelet op het beoogde gebruik van het technische bouwsysteem.

    2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties moeten in overeenstemming zijn met alle wetgeving die van toepassing is op de producten waaruit het systeem en de bestanddelen van gebouwen bestaan en moeten gebaseerd zijn op de behoorlijke installatie van de producten en de geschikte aanpassing en controle van het technische bouwsysteem. Als het gaat om technische bouwsystemen moeten de eisen ervoor zorgen dat de technische installaties bij de ingebruikneming goed worden afgesteld, dat er een geschikt hydraulisch evenwicht wordt bereikt in de hydraulische "natte" verwarmingssystemen en dat de geschikte grootte en het geschikte type van product wordt gebruikt voor de installatie, gelet op het beoogde gebruik van het technische bouwsysteem.

    Amendement  59

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 8 – lid 2 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    2 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat er "slimme meters" worden geïnstalleerd in alle nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd en wanneer een meter wordt vervangen, en stimuleren de plaatsing, waar nodig, van actieve controlesystemen, zoals systemen voor automatisering, controle en toezicht.

    Amendement  60

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 9

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    Gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik

    Energieneutrale gebouwen

    1. De lidstaten stellen nationale plannen op om te zorgen voor een toename van het aantal gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik. Zij stellen streefcijfers vast voor het minimale percentage dat deze gebouwen in 2020 moeten uitmaken van het totaal aantal gebouwen en van de totale bruikbare vloeroppervlakte.

    1. De lidstaten stellen nationale plannen op om te zorgen voor een toename van het aantal energieneutrale gebouwen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1 quater.

    Zij zorgen ervoor dat alle nieuwe gebouwen uiterlijk op 31 december 2018 ten minste energieneutraal zijn.

     

    De lidstaten stellen streefcijfers vast voor het minimale percentage gebouwen die in respectievelijk 2015 en 2020 energieneutrale gebouwen zijn, gemeten als percentage van het totaal aantal gebouwen en als percentage van de totale bruikbare vloeroppervlakte.

    Er worden afzonderlijke streefcijfers vastgesteld voor:

    Er worden afzonderlijke streefcijfers vastgesteld voor:

    (a) nieuwe en gerenoveerde residentiële gebouwen;

    (a) nieuwe en gerenoveerde residentiële gebouwen;

    (b) nieuwe en gerenoveerde niet-residentiële gebouwen;

    (b) nieuwe en gerenoveerde niet-residentiële gebouwen;

    (c) gebouwen waarin overheidsdiensten zijn gevestigd.

    (c) gebouwen waarin overheidsdiensten zijn gevestigd.

    De lidstaten houden bij het vaststellen van de onder c) bedoelde streefcijfers rekening met de leidende rol die overheden dienen te vervullen op het gebied van energieprestaties van gebouwen.

    Voor de onder c) bedoelde gebouwen stellen de lidstaten streefcijfers vast die aanzienlijk eerder dan de in de alinea's 1 en 2 genoemde tijdstippen gehaald moeten worden, rekening houdend met de leidende rol die overheden dienen te vervullen op het gebied van energieprestaties van gebouwen.

    2. Het in lid 1 bedoelde nationale plan omvat onder meer de volgende elementen:

    2. Het in lid 1 bedoelde nationale plan wordt opgesteld in overleg met alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de plaatselijke en regionale overheden, en omvat onder meer de volgende elementen:

    (a) de door de lidstaten gehanteerde definitie van gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik;

     

    (b) tussentijdse streefcijfers, uitgedrukt in het minimale percentage dat deze gebouwen in 2015 moeten uitmaken van het totaal aantal gebouwen en van de totale bruikbare vloeroppervlakte;

    (b) tussentijdse streefcijfers, uitgedrukt in het minimale percentage dat deze gebouwen in 2015 en 2020 moeten uitmaken van het totaal aantal gebouwen en van de totale bruikbare vloeroppervlakte;

     

    (b bis) nadere informatie over de eisen van de lidstaat inzake minimale niveaus voor energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, zoals bepaald in Richtlijn 2009/xx/EG inzake de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn;

    (c) informatie over de genomen maatregelen ter bevordering van dergelijke gebouwen.

    (c) een overzicht van het hele beleid en alle informatie over genomen maatregelen ter bevordering van dergelijke gebouwen.

     

    (c bis) nationale, regionale of lokale programma's ter ondersteuning van energieprestatiemaatregelen, zoals fiscale stimulansen, financiële instrumenten of een verlaagd Btw-tarief.

    3. De lidstaten delen de in lid 1 bedoelde nationale plannen tegen ten laatste 30 juni 2011 aan de Commissie mee en brengen om de drie jaar bij de Commissie verslag uit over de voortgang in de tenuitvoerlegging van hun nationale plannen. De nationale plannen en voortgangsverslagen mogen worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

    3. De lidstaten delen de in lid 1 bedoelde nationale plannen tegen ten laatste 30 juni 2011 aan de Commissie mee en brengen om de drie jaar bij de Commissie verslag uit over de voortgang in de tenuitvoerlegging van hun nationale plannen. De nationale plannen en voortgangsverslagen worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

     

    3 bis. Binnen twee maanden na de bekendmaking van een nationaal plan door een lidstaat volgens lid 3 kan de Commissie, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, dat plan of een aspect ervan verwerpen als zij meent dat het niet voldoet aan alle eisen van dit artikel. In dat geval stelt de lidstaat wijzigingen voor. Binnen een maand na ontvangst van deze voorstellen aanvaardt de Commissie het plan of verzoekt zij om verdere specifieke wijzigingen. De Commissie en de betrokken lidstaat zetten alle redelijke stappen om het nationale plan binnen vijf maanden na de eerste bekendmaking ervan goed te keuren.

    4. De Commissie stelt gemeenschappelijke principes op voor de definitie van gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik.

    4. De Commissie stelt overeenkomstig de definitie in artikel 2 uiterlijk op 31 december 2010 een gedetailleerde gemeenschappelijke definitie voor energieneutrale gebouwen vast.

    Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

    Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

    5. De Commissie publiceert een verslag over de voortgang van de lidstaten bij het bevorderen van de toename van het aantal gebouwen met een lage of geen kooldioxide-uitstoot en een laag of geen primair energieverbruik. Op basis van dit verslag werkt zij een strategie uit en stelt, indien nodig, maatregelen voor om het aantal dergelijke gebouwen te doen toenemen.

    5. De Commissie publiceert uiterlijk op 30 juni 2012 en vervolgens om de drie jaar een verslag over de voortgang van de lidstaten bij het bevorderen van de toename van het aantal energieneutrale gebouwen. Op basis van dit verslag werkt zij een actieplan uit en stelt, indien nodig, maatregelen voor om het aantal dergelijke gebouwen te doen toenemen.

    Amendement  61

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 9 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    Artikel 9 bis

     

    Financiële stimulansen en marktobstakels

     

    1. De lidstaten stellen uiterlijk op 30 juni 2011 nationale actieplannen op, waarin maatregelen worden voorgesteld voor het voldoen aan de in deze richtlijn vastgelegde eisen door beperking van de wettelijke en marktobstakels en de ontwikkeling van bestaande en nieuwe financiële en fiscale instrumenten om de energie-efficiëntie van nieuwe en bestaande gebouwen te vergroten.

     

    Deze voorgestelde maatregelen moeten toereikend, doelmatig, transparant en niet-discriminerend zijn, zij schragen de uitvoering van de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat, zijn bedoeld om grote verbeteringen van de energieprestatie van gebouwen te bevorderen, wanneer een verbetering anders economisch niet haalbaar zou zijn, en bevatten ook steunmaatregelen voor huishoudens die gevaar lopen tot energiearmoede te vervallen.

     

    De lidstaten vergelijken hun financiële en fiscale instrumenten met de instrumenten die worden opgesomd in bijlage III ter en voeren, onverminderd de nationale wetgeving, ten minste twee maatregelen van die bijlage uit.

     

    2. De lidstaten doen deze nationale actieplannen als onderdeel van de in artikel 14, lid 2 van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie toekomen aan de Commissie en actualiseren ze eens in de drie jaar.

     

    3. De Commissie dient uiterlijk op 30 juni 2010 na een effectbeoordeling wetgevingsvoorstellen in om de bestaande communautaire financiële instrumenten te versterken en nieuwe instrumenten voor te stellen ter ondersteuning van de uitvoering van deze richtlijn..

     

    Deze voorstellen behelzen de volgende maatregelen:

     

    (a) een verhoging van het maximumbedrag van de toewijzing van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling dat gebruikt mag worden ter ondersteuning van investeringen in energie-efficiëntie, met inbegrip van stadsverwarming en –koeling, en hernieuwbare energie krachtens artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1080/2006 tot ten minste 15% van de totale toewijzing;

     

    (b) een vergroting van het aantal projecten voor verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen, met inbegrip van stadsverwarming en –koeling, en projecten voor energie uit hernieuwbare bronnen dat in aanmerking komt voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling;

     

    (c) de aanwending van andere communautaire fondsen ter ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling, voorlichtingscampagnes en opleiding in verband met energie-efficiëntie;

     

    (d) de oprichting van een Fonds voor energie-efficiëntie met bijdragen uit de communautaire begroting, van de Europese Investeringsbank en van de lidstaten dat ten doel heeft ervoor te zorgen dat er tot 2020 meer particuliere en openbare investeringen vrij worden gemaakt voor projecten voor verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen en hernieuwbare energie in gebouwen of bestanddelen van gebouwen. Dit Fonds voor energie-efficiëntie moet worden opgenomen in de andere communautaire structuursteunprogramma's. De criteria voor de toekenning ervan worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 en het fonds moet uiterlijk in 2014 een feit zijn;

     

    (e) een verlaagd Btw-tarief voor diensten en producten, met inbegrip van energie uit hernieuwbare bronnen in gebouwen en bestanddelen van gebouwen, die dienen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

    Motivering

    Dit amendement heeft niet betrekking op delen van het voorstel voor een herschikking die wijzigingen bevatten. Het is evenwel dringend noodzakelijk voor de interne samenhang van de tekst en hangt nauw samen met andere delen die gewijzigd worden, met name artikel 9.

    Amendement  62

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 10

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een systeem van energieprestatiecertificaten voor gebouwen op touw te zetten. Het energieprestatiecertificaat bevat de energieprestaties van een gebouw en referentiewaarden, zoals minimumeisen inzake energieprestaties, waarmee de eigenaars of huurders van het gebouw of delen daarvan de energieprestaties kunnen vergelijken en beoordelen.

    1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een systeem van energieprestatiecertificaten voor gebouwen op touw te zetten. Het energieprestatiecertificaat bevat de energieprestaties van een gebouw of, als het gebouw nog niet is gebouwd, de geschatte energieprestaties en referentiewaarden, zoals minimumeisen inzake energieprestaties, waarmee de eigenaars of huurders van het gebouw of delen daarvan de energieprestaties kunnen beoordelen en deze makkelijk kunnen vergelijken met andere residentiële en niet-residentiële gebouwen. Het certificaat kan voor niet-residentiële gebouwen, indien nodig, ook het bestaande jaarlijkse energieverbruik vermelden, als bedoeld in bijlage I.

    2. Het certificaat bevat aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestaties van een gebouw of delen daarvan .

    2. Het certificaat bevat aanbevelingen voor de kostenoptimale verbetering van de energieprestaties van een gebouw of delen daarvan .

    De in het energieprestatiecertificaat opgenomen aanbevelingen omvatten:

    De in het energieprestatiecertificaat opgenomen aanbevelingen omvatten:

    (a) maatregelen die verband houden met een ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen; alsmede

    (a) maatregelen die verband houden met een ingrijpende renovatie van de bouwschil, met inbegrip van de isolatiesystemen, of technische bouwsystemen;

    (b) maatregelen voor individuele onderdelen of elementen van een gebouw, losstaand van een ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen.

    (b) maatregelen voor individuele onderdelen of elementen van een gebouw, losstaand van een ingrijpende renovatie van de bouwschil, met inbegrip van de isolatiesystemen, of technische bouwsystemen.

    3. De in het energieprestatiecertificaat opgenomen aanbevelingen moeten technisch haalbaar zijn voor het gebouw in kwestie en moeten transparante informatie verschaffen over de kosteneffectiviteit ervan. De beoordeling van de kosteneffectiviteit is gebaseerd op een reeks standaardvoorwaarden, bijvoorbeeld voor de beoordeling van energiebesparingen en de onderliggende energieprijzen en rentevoeten voor investeringen die nodig zijn om de aanbevelingen ten uitvoer te leggen.

    3. De in het energieprestatiecertificaat opgenomen aanbevelingen moeten technisch, functioneel en economisch haalbaar zijn voor het gebouw in kwestie en moeten transparante informatie verschaffen over de kosteneffectiviteit ervan. De beoordeling van de kosteneffectiviteit is gebaseerd op een reeks standaardvoorwaarden, waartoe ten minste behoren de beoordeling van energiebesparingen en de onderliggende energieprijzen, de financiële of fiscale stimulansen en rentevoeten voor investeringen die nodig zijn om de aanbevelingen ten uitvoer te leggen.

     

    3 bis. De lidstaten zien erop toe dat de overheidsinstanties en andere instellingen die de aankoop of renovatie van gebouwen financieren, bij het vaststellen van de hoogte van en de voorwaarden voor financiële stimulansen, fiscale maatregelen en leningen rekening houden met de opgegeven energieprestaties en de aanbevelingen in de energieprestatiecertificaten.

    4. Het energieprestatiecertificaat geeft aan of de eigenaar of huurder meer informatie kan verkrijgen over de in het certificaat verstrekte aanbevelingen. Daarnaast bevat het informatie over de stappen die moeten worden ondernomen om de aanbevelingen ten uitvoer te leggen.

    4. Het energieprestatiecertificaat geeft aan of de eigenaar of huurder meer informatie kan verkrijgen over de in het certificaat verstrekte aanbevelingen. Daarnaast bevat het informatie over de stappen die moeten worden ondernomen om de aanbevelingen ten uitvoer te leggen, met inbegrip van informatie over beschikbare fiscale en financiële stimulansen en financieringsmogelijkheden.

     

    4 bis. Gezien de voortrekkersrol die zij moeten spelen op het gebied van de energieprestaties van gebouwen dienen overheidsinstanties de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat dat is uitgegeven voor gebouwen waarzij werken, binnen de geldigheidsperiode ervan uit te voeren.

    5. De certificering van appartementen of van voor apart gebruik ontwikkelde eenheden die deel uitmaken van een bouwblok is mogelijk op basis van:

    5. De certificering van appartementen of van voor apart gebruik ontwikkelde eenheden die deel uitmaken van een bouwblok is mogelijk op basis van:

    (a) een gemeenschappelijke certificering voor het gehele gebouw, wanneer het gaat om een blok met een gemeenschappelijk verwarmingssysteem; of

    (a) een gemeenschappelijke certificering voor het gehele gebouw, wanneer het gaat om een blok met een gemeenschappelijk verwarmingssysteem; of

    (b) keuring van een ander representatief appartement in hetzelfde bouwblok.

    (b) keuring van de energieprestaties van dat appartement of die eenheid.

    6. De certificering van eengezinswoningen mag gebaseerd zijn op de beoordeling van een ander representatief gebouw met een soortgelijk ontwerp, soortgelijke omvang en soortgelijke eigenlijke energieprestaties, indien deze overeenstemming kan worden gegarandeerd door de deskundige die het energieprestatiecertificaat afgeeft.

    6. De certificering van eengezinswoningen mag gebaseerd zijn op de beoordeling van een ander representatief gebouw met een soortgelijk ontwerp, soortgelijke omvang en soortgelijke eigenlijke energieprestaties, indien deze overeenstemming kan worden gegarandeerd door de deskundige die het energieprestatiecertificaat afgeeft.

    7. Het energieprestatiecertificaat is niet langer dan tien jaar geldig.

    7. Het energieprestatiecertificaat is niet langer dan tien jaar geldig.

     

    7 bis. De Commissie neemt uiterlijk op 30 juni 2010 richtsnoeren aan waarin minimumnormen voor de inhoud, taal en vorm van energieprestatiecertificaten worden gegeven.

     

    Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

     

    7 ter. Elke lidstaat erkent de in een andere lidstaat overeenkomstig deze richtsnoeren afgegeven certificaten en legt geen beperkingen op aan de vrijheid om financiële diensten te verlenen of de vrije vestiging om redenen die verband houden met het in een andere lidstaat afgegeven certificaat.

    Amendement  63

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 11 – lid 1

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten zorgen ervoor dat een energieprestatiecertificaat wordt afgegeven voor gebouwen of delen daarvan die worden gebouwd, verkocht of verhuurd en voor gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 die door de overheid worden gebruikt.

    1. De lidstaten zorgen ervoor dat een energieprestatiecertificaat wordt afgegeven voor gebouwen of delen daarvan die worden gebouwd, verkocht of verhuurd en voor gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 die veelvuldig door het publiek worden bezocht en voor gebouwen die door de overheid worden gebruikt.

    Amendement  64

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 11 – lid 4 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    4 bis. De eigenaar van een gebouw kan te allen tijde een erkend deskundige verzoeken om een energieprestatiecertificaat op te stellen, opnieuw te berekenen of te actualiseren, ongeacht de vraag of het gebouw nieuw is gebouwd of gerenoveerd en of het wordt verhuurd of verkocht.

    Motivering

    Om de energieprestaties van een gebouw te verbeteren moet de belanghebbende een dergelijk certificaat kunnen aanvragen, ongeacht de vraag of het gebouw nieuw is gebouwd of gerenoveerd en of het wordt verhuurd of verkocht.

    Amendement  65

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 12

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat in gebouwen waar een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 205m2 door overheidsdiensten wordt gebruikt, het energieprestatiecertificaat wordt geafficheerd op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.

    De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat in gebouwen die door overheidsdiensten worden gebruikt of gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 205 m2 die veelvuldig door het publiek worden bezocht, het energieprestatiecertificaat wordt geafficheerd op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.

    2. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat bij gebouwen waarvoor overeenkomstig artikel 11, lid 1, een energieprestatiecertificaat is verstrekt en waar een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 frequent door het publiek wordt bezocht, het energieprestatiecertificaat wordt geafficheerd op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.

     

    Amendement  66

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 13 – lid 1

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van c.v.-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 20 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw.

    1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van met niet-hernieuwbare vloeibare of vaste brandstoffen gestookte c.v.-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 20 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw. De lidstaten mogen deze keuringen opschorten, wanneer een elektronisch toezicht- en controlesysteem is ingevoerd.

    Motivering

    Een elektronische toezicht- en controlesysteem draagt ertoe bij de energieprestatie van op elektriciteit werkende apparaten en installaties te evalueren waardoor de noodzaak van bijkomende keuringen kan wegvallen.

    Amendement  67

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 13 – lid 2

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    2. De lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren naargelang het type en het nominaal vermogen van de ketel van het verwarmingssysteem. Bij het bepalen van de frequentie houden de lidstaten rekening met de kosten voor de keuring van het verwarmingssysteem en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.

    2. De lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren naargelang het type en het nominaal vermogen van het verwarmingssysteem. Bij het bepalen van de frequentie houden de lidstaten rekening met de kosten voor de keuring van het verwarmingssysteem en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.

    Motivering

    Keuringen van het gehele verwarmingssysteem, met inbegrip van de ketels, voorkomt onnodige administratieve rompslomp en is efficiënter.

    Amendement  68

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 13 – lid 4 – alinea 2 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    Indien de Commissie van oordeel is dat het in de tweede alinea bedoelde verslag van een lidstaat niet aantoont dat met deze aanpak hetzelfde resultaat wordt bereikt, zoals bepaald in de eerste alinea, dan kan zij binnen zes maanden na het verslag ontvangen te hebben eisen dat de lidstaat ofwel nadere informatie verstrekt of specifieke aanvullende maatregelen neemt. Als de Commissie een jaar na haar verzoek niet tevreden is met de verstrekte informatie of de genomen aanvullende maatregelen, dan kan zij de afwijking intrekken.

    Motivering

    Er moet een duidelijke procedure voor goedkeuring worden vastgesteld indien gebruik wordt gemaakt van een afwijking van de leden 1, 2 en 3. Lidstaten hebben zekerheid nodig als zij afwijkingen toepassen.

    Amendement  69

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 14

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoefte van het gebouw.

    1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van airconditioning- en ventilatiesystemen en omkeerbare warmtepompen met een nominaal koelvermogen van meer dan 5 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoefte van het gebouw. Tot de keuring van de ventilatiesystemen behoort ook een beoordeling van de luchtstromen.

     

    De lidstaten mogen deze keuringen opschorten, wanneer een elektronisch toezicht- en controlesysteem is ingevoerd.

    2. De lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren naargelang het type en het nominaal vermogen van het airconditioningsysteem. Bij het bepalen van de frequentie houden de lidstaten rekening met de kosten voor de keuring van het airconditioningsysteem en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.

    2. De lidstaten kunnen de frequentie van de keuringen laten variëren naargelang het type en het nominaal vermogen van het airconditioningsysteem, het ventilatiesysteem of de omkeerbare warmtepompen. Bij het bepalen van de frequentie houden de lidstaten rekening met de kosten voor de keuring en de geraamde besparingen van energiekosten die uit de keuring kunnen voortvloeien.

     

    2 bis. Bij het vastleggen van de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen zorgen de lidstaten, voor zover dit economisch en technisch haalbaar is, ervoor dat de keuringen worden uitgevoerd overeenkomstig de keuringen van verwarmingssystemen en andere technische systemen als bedoeld in artikel 13 van deze richtlijn en de inspecties op lekkages als vastgelegd in Verordening (EG) 842/2006.

    2 ter. In afwijking van de leden 1 en 2 mogen de lidstaten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de gebruikers geadviseerd worden over de vervanging of andere wijzigingen van het airconditioningsysteem, onder meer keuringen om de doeltreffendheid en de juiste grootte van het airconditioningsysteem te beoordelen. Deze aanpak dient bij benadering hetzelfde resultaat op te leveren als het bepaalde in de leden 1 en 2.

     

    De lidstaten die de in de eerste alinea van dit lid bedoelde maatregelen toepassen , brengen uiterlijk op 30 juni 2011 bij de Commissie verslag uit over de gelijkwaardigheid van die maatregelen met de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen. De lidstaten brengen om de drie jaar verslag uit bij de Commissie. De verslagen mogen worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

     

    Indien de Commissie van oordeel is dat het in de tweede alinea bedoelde verslag van een lidstaat niet aantoont dat met deze aanpak hetzelfde resultaat wordt bereikt, zoals bepaald in de eerste alinea, dan kan zij binnen zes maanden na het verslag ontvangen te hebben eisen dat de lidstaat ofwel nadere informatie verstrekt of specifieke aanvullende maatregelen neemt. Als de Commissie een jaar na haar verzoek niet tevreden is met de verstrekte informatie of de genomen aanvullende maatregelen, dan kan zij de afwijking intrekken.

    Amendement  70

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 16

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    De lidstaten zorgen ervoor dat de energieprestatiecertificering van gebouwen en de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen op onafhankelijke wijze worden uitgevoerd door gekwalificeerde of erkende deskundigen die hetzij zelfstandig hetzij in dienst van een openbaar orgaan of particuliere onderneming optreden.

    1. De lidstaten zorgen ervoor dat de energieprestatiecertificering van gebouwen en de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen op onafhankelijke wijze worden uitgevoerd door gekwalificeerde of erkende deskundigen die hetzij zelfstandig hetzij in dienst van een openbaar orgaan of particuliere onderneming optreden.

    De deskundigen worden geaccrediteerd naargelang hun competenties en hun onafhankelijkheid.

    De deskundigen worden geaccrediteerd naargelang hun competenties en hun onafhankelijkheid.

     

    2. De lidstaten zorgen voor de wederzijdse erkenning van de nationale kwalificatie en accreditatie.

     

    3. De Commissie stelt uiterlijk in 2011 richtsnoeren op met onder meer aanbevelingen voor minimumnormen voor de reguliere opleiding van deskundigen.

     

    Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

     

    4. De lidstaten maken informatie over opleiding en accreditering openbaar toegankelijk. De lidstaten stellen ook een lijst met geaccrediteerde deskundigen op en maken deze bekend.

    Amendement  71

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 17 – lid 1

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De lidstaten stellen overeenkomstig bijlage II een onafhankelijk controlesysteem vast voor de energieprestatiecertificaten en voor de keuringsverslagen van verwarmings- en airconditioningsystemen.

    1. De lidstaten stellen overeenkomstig bijlage II een onafhankelijk controlesysteem vast voor de energieprestatiecertificaten en voor de keuringsverslagen van verwarmings- en airconditioningsystemen. De lidstaten roepen gesplitste handhavingsmechanismen in het leven voor organisaties die bevoegd zijn voor het opleggen van energieprestatiecertificaten en verslagen over de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen.

    Motivering

    Gesplitste handhavingsmechanismen (voor organisaties, bijv. plaatselijke autoriteiten die bevoegd zijn voor het opleggen van energieprestatiecertificaten en verslagen over de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen) zijn van essentieel belang voor de doelmatige tenuitvoerlegging van de richtlijn en ter voorkoming van onvermijdelijke belangenconflicten, wanneer een organisatie kan worden verzocht om zichzelf een straf op te leggen.

    Amendement  72

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 18 – inleidende formule

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    De Commissie, bijgestaan door het bij artikel 21 ingestelde comité, voert een evaluatie van deze richtlijn uit in het licht van de ervaring die is opgedaan met de toepassing ervan en doet zo nodig voorstellen voor onder andere:

    De Commissie, bijgestaan door het bij artikel 21 ingestelde comité, voert een evaluatie van deze richtlijn uit en herziet deze eventueel uiterlijk in 2015 in het licht van de ervaring die is opgedaan met en de vorderingen die zijn gemaakt bij de toepassing ervan en doet zo nodig voorstellen voor onder andere:

    Amendement  73

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 18 – letter b bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    (b bis) vaststelling van een voor de hele Gemeenschap geldende eis dat bestaande gebouwen energieneutraal zijn.

    Motivering

    Het door de Commissie ingediende voortgangsverslag moet de stand van zaken bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn behandelen en maatregelen voorstellen die ervoor zorgen dat het percentage bestaande gebouwen die energieneutraal zijn groter wordt.

    Amendement  74

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 19

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de eigenaars of huurders van gebouwen of delen daarvan te informeren over de verschillende methoden en praktijken om de energieprestaties te verbeteren.

    1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de eigenaars en huurders van gebouwen of delen daarvan te informeren over de verschillende methoden en praktijken om de energieprestaties te verbeteren.

    Meer bepaald verstrekken de lidstaten de eigenaars of huurders van gebouwen informatie over de energieprestatiecertificaten en keuringsverslagen en het doel ervan, over kosteneffectieve manieren om de energieprestaties van het gebouw te verbeteren en over de financiële gevolgen op middellange en lange termijn indien er geen actie wordt ondernomen om de energieprestaties van het gebouw te verbeteren.

    2. Meer bepaald verstrekken de lidstaten de eigenaars en huurders van gebouwen informatie over de energieprestatiecertificaten en keuringsverslagen en het doel ervan, over kosteneffectieve manieren om de energieprestaties van het gebouw te verbeteren en over de financiële gevolgen op middellange en lange termijn indien er geen actie wordt ondernomen, alsmede over financiële instrumenten die beschikbaar zijn om de energieprestaties van het gebouw te verbeteren. Middels voorlichtingscampagnes moeten eigenaars en huurders worden aangemoedigd om ten minste te voldoen aan de in de artikelen 4 en 9 genoemde minimumeisen.

     

    3. De lidstaten zorgen ervoor dat de plaatselijke en regionale overheden betrokken worden bij het opstellen van programma's voor voorlichting, opleiding en bewustmaking.

    Amendement  75

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 19 – lid 3 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    3 bis. De lidstaten moeten tevens met de medewerking van lokale en regionale overheden zorgen voor passende richtsnoeren en opleiding voor personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze richtlijn door planning en het opleggen van bouwvoorschriften. Deze richtsnoeren en opleiding moeten vooral de nadruk leggen op het belang van betere energieprestaties en een optimale combinatie mogelijk maken van verbeteringen in energie-efficiëntie en gebruikmaking van energie uit hernieuwbare bronnen en stadsverwarming en -koeling bij het plannen, ontwerpen, bouwen en renoveren van industrie- en woongebieden.

    Motivering

    Er moet passende begeleiding en opleiding beschikbaar zijn door planning en handhaving van de bouwvoorschriften. Deze richtsnoeren en opleiding moeten vooral de nadruk leggen op het belang van betere energieprestaties en een optimale combinatie mogelijk maken van verbeteringen in energie-efficiëntie en gebruikmaking van energie uit hernieuwbare bronnen en stadsverwarming en -koeling bij het plannen, ontwerpen, bouwen en renoveren van industrie- en woongebieden.

    Amendement  76

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 19 – lid 3 ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    3 ter. Eigenaars en huurders van commerciële gebouwen worden verplicht informatie uit te wisselen over het werkelijke energieverbruik.

    Motivering

    Aangezien de energieprestatie aanzienlijk beïnvloed wordt door de wijze waarop een gebouw wordt gebruikt en door de energiekeuzes van de huurders, moeten eigenaars EN huurders toegang hebben tot informatie over mogelijke verbeteringen van de energie-efficiëntie. Eigenaars en huurders van commerciële gebouwen moeten tevens worden verplicht informatie uit te wisselen over het werkelijke gebruik van het gebouw of een gedeelte ervan ten einde ervoor te zorgen dat alle gegevens beschikbaar zijn om doordachte besluiten te nemen over de nodige verbeteringen.

    Amendement  77

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 19 – lid 3 quater (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    3 quater. De lidstaten geven de Commissie informatie over:

     

    (a) steunregelingen op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau ter bevordering van de energie-efficiëntie en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in gebouwen;

     

    (b) het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen dat in gebouwen op nationaal en regionaal niveau wordt gebruikt, met inbegrip van specifieke informatie over de vraag of de energie uit hernieuwbare bronnen afkomstig is van een installatie ter plaatse, stadsverwarming en -koeling of warmtekrachtkoppeling.

     

    Deze informatie wordt opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie.

    Amendement  78

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 19 – lid 3 quinquies (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    3 quinquies. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om meer installateurs op te leiden en te zorgen voor een hoger opleidingsniveau op het gebied van het plaatsen en inbouwen van de vereiste energie-efficiënte en hernieuwbare technologie, zodat zij de belangrijke rol kunnen spelen die hun toekomt bij het verbeteren van de energie-efficiëntie van gebouwen.

    Motivering

    Er moet passende begeleiding en opleiding voor installateurs beschikbaar zijn. Hierbij moet de nadruk worden gelegd op het belang van betere energieprestaties.

    Amendement  79

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 19 – lid 3 sexies (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    3 sexies. Uiterlijk in 2010 creëert de Commissie een website met de volgende informatie:

     

    (a) de meest recente versie van elk actieplan voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG;

     

    (b) gedetailleerde informatie over bestaande maatregelen op communautair niveau voor verbetering van de energieprestaties van gebouwen, met inbegrip van alle toepasselijke financiële/fiscale instrumenten en bijzonderheden betreffende aanvragen en contactpunten;

     

    (c) gedetailleerde informatie over nationale actieplannen en nationale, regionale en lokale maatregelen die in elke lidstaat gelden voor verbetering van de energieprestaties van gebouwen, met inbegrip van alle toepasselijke financiële/fiscale instrumenten en bijzonderheden betreffende wijze van aanvragen en contactpunten;

     

    (d) voorbeelden van beste praktijken op het nationale, regionale en lokale vlak ter verbetering van de energieprestaties van gebouwen.

     

    De in alinea 1 bedoelde informatie wordt verstrekt in een makkelijk toegankelijke vorm die begrijpelijk is voor normale huurders, eigenaars en bedrijven uit alle lidstaten en alle lokale, regionale en nationale overheden. De vorm is zodanig dat deze individuen en organisaties de voor hen beschikbare steun makkelijk opnemen om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren en de steunmaatregelen van de verschillende lidstaten te vergelijken.

    Motivering

    De richtlijn zal sneller worden uitgevoerd als de Commissie samen met de lidstaten een website opzet en actualiseert om de lidstaten en andere belanghebbenden te helpen om informatie te ontvangen en uit te wisselen over beste praktijken en de nationale programma's en financiële/fiscale instrumenten die beschikbaar zijn.

    Amendement  80

    Voorstel voor een richtlijn

    Artikel 22

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 datum in kennis van die bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen daarop.

    De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 datum in kennis van die bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen daarop. De lidstaten verstrekken gegevens waaruit blijkt dat de sanctiebepalingen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie doeltreffend zijn.

    Motivering

    De doeltreffendheid van de sancties die de lidstaten toepassen moet geëvalueerd worden.

    Amendement  81

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage I – punt 1

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De energieprestaties van een gebouw worden bepaald op basis van de berekende of eigenlijke jaarlijkse energie die wordt verbruikt om tegemoet te komen aan de verschillende behoeften die gepaard gaan met het normale gebruik ervan en geeft aan welke verwarmingsenergie en koelingsenergie (energie om oververhitting te voorkomen) vereist is om de beoogde temperatuur van het gebouw in stand te houden.

    1. De energieprestaties van een gebouw worden bepaald op basis van de berekende of eigenlijke jaarlijkse primaire energie die wordt verbruikt om tegemoet te komen aan de verschillende behoeften die gepaard gaan met het gangbare gebruik ervan en geeft aan welke verwarmingsenergie en koelingsenergie (energie om oververhitting te voorkomen) vereist is om de beoogde temperatuur van het gebouw in stand te houden. Het verbruik wordt, waar van toepassing, afgewogen tegen de energie uit hernieuwbare bronnen die ter plaatse wordt geproduceerd.

    Motivering

    Bij de methode voor het berekenen van de energieprestatie van gebouwen zou rekening moeten worden gehouden met de nieuwe generatie gebouwen en met name met de potentiële autonomie van gebouwen die zowel energie zullen produceren als verbruiken. Derhalve moet het algemene kader voor de berekening zowel het verbruik als de interne productie in aanmerking nemen.

    Amendement  82

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage I – punt 2

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    2. De energieprestaties van een gebouw worden op een transparante manier aangegeven en bevatten ook een numerieke indicator van de kooldioxide-uitstoot en het primaire energieverbruik.

    2. De energieprestaties van een gebouw worden op een transparante manier aangegeven en bevatten ook een numerieke indicator van het primaire energieverbruik, uitgedrukt in kWh/m2 per jaar.

    Bij de methode voor de berekening van de energieprestaties van gebouwen dient rekening te worden gehouden met de Europese normen.

    Bij de methode voor de berekening van de energieprestaties van gebouwen dient gebruik te worden gemaakt van de Europese normen en relevante communautaire wetgeving, met inbegrip van Richtlijn 2009/.../EG [ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen].

    Motivering

    Er moet een gemeenschappelijke eenheid voor het energieverbruik van een gebouw worden vastgesteld, uitgedrukt in de vraag naar primaire energie, om te zorgen voor transparantie en vergelijkbaarheid. kWh/m2 per jaar is de enige eenheid die voor dergelijke betrouwbare informatie kan zorgen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de berekeningsmethoden die zijn opgenomen in de communautaire wetgeving ter zake. De onlangs aangenomen richtlijn inzake energie uit hernieuwbare bronnen is een duidelijk geval voor het berekenen van bijvoorbeeld de nettohoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die door warmtepompen wordt omgezet.

    Amendement  83

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage I – punt 2 – alinea 1 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    Bij de evaluatie van de energieprestatie van het elektriciteitsgebruik in een gebouw wordt bij de omrekeningsfactor van eind- naar primaire energie rekening gehouden met het gewogen jaarlijkse gemiddelde van het passende elektriciteitsbrandstoffenmengsel.

    Motivering

    Met het voorgestelde amendement wordt het risico voorkomen dat de energieprestatie van een gebouw wordt gewijzigd door eenvoudigweg van elektriciteitsleverancier te veranderen. De efficiëntie van de elektriciteitsopwekking loopt in feite uiteen naargelang van de gebruikte brandstoffen en technologie.

    Amendement  84

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage I – punt 3 – letter a – punt ii

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (ii) isolatie;

    (ii) isolatie, als bereikt met de minst warmtegeleidende materialen die beschikbaar zijn;

    Motivering

    Isolatietechnieken zijn van doorslaggevend belang voor het bepalen van de energieprestatie van een gebouw. Bij het vaststellen van de energie-efficiëntiedoeleinden van gebouwen bestuderen de lidstaten de isolerende werking van de best isolerende soorten schuim die op de markt beschikbaar zijn.

    Amendement  85

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage I – punt 3 – letter c

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (c) airconditioningsystemen ;

    (c) airconditioningsystemen, met inbegrip van koelsystemen;

    Motivering

    Bij de berekening van de energieprestatie van gebouwen is het belangrijk te kijken naar de interactie tussen verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen. Systemen met mechanismen voor de terugwinning van warmte kunnen bijvoorbeeld bijdragen tot een efficiënter energiegebruik. Zo kan bijvoorbeeld de warmte die tijdens de koeling aan een ruimte wordt onttrokken voor een andere ruimte worden gebruikt. Ook kan warmte worden uitgewisseld tussen binnenkomende en uitgaande lucht middels ventilatie met terugwinning van warmte waardoor het energieverbruik van het koel- of verwarmingssysteem kan worden teruggedrongen. Tevens kan een goede zoneregeling bijdragen tot energiebesparingen bij de verwarming of koeling van een ruimte.

    Amendement  86

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage I – punt 3 – letter e

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    (e) ingebouwde lichtinstallatie (vooral buiten de woonsector);

    (e) ingebouwde lichtsystemen die worden bepaald door een belichtingontwerp waarbij rekening wordt gehouden met de juiste lichtintensiteit voor de functies waarvoor de ruimte wordt gebruikt, de aanwezigheid van personen, de beschikbaarheid van de juiste hoeveelheid natuurlijk licht, de flexibele aanpassing aan de lichtintensiteit met betrekking tot de verschillende functies en de vraag of de installatie al dan niet voor woningen bedoeld is.

    Amendement  87

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage I – punt 5 – letter h bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    (h bis) groothandels- en logistieke gebouwen;

    Motivering

    "Groot- en kleinhandelsgebouwen" is een te vage categorie, aangezien hieronder logistieke centra, losstaande winkels, winkelcentra en commerciële gebouwen voor gecombineerd gebruik vallen, die elk uniek zijn ten aanzien van de behoefte aan energie.

    Amendement  88

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage II – punt 1 – inleidende formule

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1. De bevoegde instanties of organen waaraan de tenuitvoerlegging van het onafhankelijke controlesysteem door de bevoegde instanties is gedelegeerd, maken een willekeurige selectie van ten minste 0,5% van alle keuringsverslagen die jaarlijks worden verstrekt en onderwerpen deze aan een controle. De controle wordt uitgevoerd op een van de onderstaande niveaus en elk controleniveau wordt uitgevoerd voor ten minste een statistisch relevant aandeel van de geselecteerde keuringsverslagen:

    1. De bevoegde instanties of organen waaraan de tenuitvoerlegging van het onafhankelijke controlesysteem door de bevoegde instanties is gedelegeerd, maken een willekeurige selectie van ten minste 0,5 % van alle keuringsverslagen die jaarlijks door elke deskundige worden verstrekt en onderwerpen deze aan een controle. Indien een onafhankelijke deskundige slechts een paar keuringscertificaten afgeeft, maken de bevoegde instanties of organen een willekeurige selectie van ten minste één certificaat en onderwerpen zij dit aan een controle. De controle wordt uitgevoerd op een van de onderstaande niveaus en elk controleniveau wordt uitgevoerd voor ten minste een statistisch relevant aandeel van de geselecteerde keuringsverslagen:

    Motivering

    Het onafhankelijke controlesysteem voor het verifiëren van de geldigheid en kwaliteit van de keuringscertificaten en inspectieverslagen moet worden versterkt door ervoor te zorgen dat het werk van elke deskundige regelmatig wordt gecontroleerd. Bij onregelmatigheden zal een tweede niveau van controles, samen met het opleggen van sancties aan nalatige deskundigen, inbreuken op de regels inzake de kwaliteit van keuringscertificaten en inspectieverslagen ontmoedigen.

    Amendement  89

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage II – punt 1 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    1 bis. Indien uit de controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan, maken de bevoegde instanties en organen een willekeurige selectie uit vijf extra keuringscertificaten die door dezelfde deskundige zijn afgegeven en onderwerpen zij deze aan een controle. De bevoegde instanties en organen leggen sancties op aan de deskundige, indien uit de bijkomende controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan. De ernstigste inbreuken kunnen worden gestraft met het intrekken van de erkenning van de deskundige.

    Motivering

    Het onafhankelijke controlesysteem voor het verifiëren van de geldigheid en kwaliteit van de keuringscertificaten en inspectieverslagen moet worden versterkt door ervoor te zorgen dat het werk van elke deskundige regelmatig wordt gecontroleerd. Bij onregelmatigheden zal een tweede niveau van controles, samen met het opleggen van sancties aan nalatige deskundigen, inbreuken op de regels inzake de kwaliteit van keuringscertificaten en inspectieverslagen ontmoedigen.

    Amendement  90

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage II – punt 2 – inleidende formule

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    2. De bevoegde instanties of organen waaraan de tenuitvoerlegging van het onafhankelijke controlesysteem door de bevoegde instanties is gedelegeerd, maken een willekeurige selectie van ten minste 0,1% van alle keuringsverslagen die jaarlijks worden afgegeven en onderwerpen deze aan een controle. De controle wordt uitgevoerd op een van de onderstaande niveaus en elk controleniveau wordt uitgevoerd voor ten minste een statistisch relevant aandeel van de geselecteerde keuringsverslagen:

    2. De bevoegde instanties of organen waaraan de tenuitvoerlegging van het onafhankelijke controlesysteem door de bevoegde instanties is gedelegeerd, maken een willekeurige selectie van ten minste 0,1% van alle keuringsverslagen die jaarlijks door elke deskundige worden afgegeven en onderwerpen deze aan een controle. Indien een onafhankelijke deskundige slechts een paar keuringscertificaten afgeeft, maken de bevoegde instanties of organen een willekeurige selectie van ten minste één certificaat en onderwerpen zij dit aan een controle. De controle wordt uitgevoerd op een van de onderstaande niveaus en elk controleniveau wordt uitgevoerd voor ten minste een statistisch relevant aandeel van de geselecteerde keuringsverslagen:

    Motivering

    Het onafhankelijke controlesysteem voor het verifiëren van de geldigheid en kwaliteit van de keuringscertificaten en inspectieverslagen moet worden versterkt door ervoor te zorgen dat het werk van elke deskundige regelmatig wordt gecontroleerd. Bij onregelmatigheden zal een tweede niveau van controles, samen met het opleggen van sancties aan nalatige deskundigen, inbreuken op de regels inzake de kwaliteit van keuringscertificaten en inspectieverslagen ontmoedigen.

    Amendement  91

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage II – punt 2 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    2 bis. Indien uit de controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan, maken de bevoegde instanties en organen een willekeurige selectie uit vijf extra inspectieverslagen die door dezelfde deskundige zijn afgegeven en onderwerpen zij deze aan een controle. De bevoegde instanties en organen leggen sancties op aan de deskundige, indien uit de bijkomende controles blijkt dat niet aan de eisen is voldaan. De ernstigste inbreuken kunnen worden gestraft met het intrekken van de erkenning van de deskundige.

    Motivering

    Het onafhankelijke controlesysteem voor het verifiëren van de geldigheid en kwaliteit van de keuringscertificaten en inspectieverslagen moet worden versterkt door ervoor te zorgen dat het werk van elke deskundige regelmatig wordt gecontroleerd. Bij onregelmatigheden zal een tweede niveau van controles, samen met het opleggen van sancties aan nalatige deskundigen, inbreuken op de regels inzake de kwaliteit van keuringscertificaten en inspectieverslagen ontmoedigen.

    Amendement  92

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage III bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

     

    Bijlage III bis

     

    Principes voor een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van kostenoptimale niveaus

    Bij de vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van de kostenoptimale niveaus houdt de Commissie zich ten minste aan de volgende principes:

     

    - zij leggen referentiegebouwen vast die worden gekenmerkt door en representatief zijn voor hun functionaliteit en geografische ligging, met inbegrip van interne en externe klimaatomstandigheden. Tot de referentiegebouwen behoren zowel nieuwe als bestaande residentiële en niet-residentiële gebouwen;

     

    - zij leggen technische pakketten (bijv. isolatie van de schil of delen van het gebouw of energie-efficiëntere technische bouwsystemen) van maatregelen inzake energie-efficiëntie en energieleverantie vast die moeten worden geëvalueerd;

    - zij leggen volledige technische pakketten voor energieneutrale gebouwen vast;

     

    - zij beoordelen de behoefte aan energie voor verwarming en koeling, de geleverde energie, de gebruikte primaire energie en de CO2-emissies van de referentiegebouwen (met inbegrip van de vastgelegde technische pakketten die zijn toegepast);

     

    - zij evalueren de overeenkomstige energiegerelateerde investeringskosten, energiekosten en andere lopende kosten van de technische pakketten die op de referentiegebouwen zijn toegepast.

     

    Door de levenscycluskosten van een gebouw te berekenen op basis van de technische pakketten met maatregelen die op een referentiegebouw worden toegepast, en deze af te zetten tegen de energieprestatie en/of CO2-emissies, wordt de kostenefficiëntie van verschillende niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties beoordeeld.

    Amendement  93

    Voorstel voor een richtlijn

    Bijlage III ter (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Amendement

    Bijlage III ter

     

    Financiële instrumenten ter verbetering van de energieprestaties van gebouwen

     

    Onverminderd de nationale wetgeving voeren de lidstaten ten minste twee financiële instrumenten van de volgende lijst uit:

     

    (a) een verlaagd Btw-tarief voor goederen en diensten voor energiebesparing, goede energieprestaties en energie uit hernieuwbare bronnen;

     

    (b) andere belastingverlagingen voor goederen en diensten voor energiebesparing of energie-efficiënte gebouwen, met inbegrip van belastingverlagingen voor de inkomens- of onroerendgoedbelasting;

     

    (c) rechtstreekse subsidies;

     

    (d) gesubsidieerde leningen en leningen met een lage rente;

     

    (e) subsidieregelingen;

     

    (f) garantieregelingen voor leningen;

     

    (g) eisen aan of afspraken met energieleveranciers om financiële bijstand te bieden aan alle categorieën consumenten.

    Motivering

    Dit amendement heeft niet betrekking op delen van het voorstel voor een herschikking die wijzigingen bevatten. Het is evenwel dringend noodzakelijk voor de interne samenhang van de tekst en hangt nauw samen met andere delen die gewijzigd worden, met name artikel 9.

    • [1]  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

    TOELICHTING

    Het belang van energie-efficiëntie

    Europa staat voor een aantal belangrijke uitdagingen bij de levering van en de vraag naar energie op korte, middellange en lange termijn.

    Europa moet toe naar een duurzame voorziening met lage kooldioxide-uitstoot. De EU heeft zich zeer ambitieuze doelen gesteld voor 2020: reductie van broeikasgassen met 20% (30% als men tot internationale overeenstemming kan komen), 20% besparing op het energieverbruik door een grotere energie-efficiëntie en het voorzien in 20% van onze energiebehoeften uit energie uit hernieuwbare bronnen.

    De EU maakt bovendien een ernstige economische neergang door. Het BBP is in het derde kwartaal van 2008 met 0.2% gedaald in de EU27 vergeleken met het kwartaal daarvoor. In de eurozone (EA15) was het voor seizoeninvloeden gecorrigeerde werkloosheidspercentage 7.8% in november 2008.

    De prijs van de energie en de veiligheid van de voorziening daarvan zijn van vitaal belang voor het concurrentievermogen van de EU en het welzijn van haar burgers. De laatste twee jaar zijn de prijzen van energie voor de huishoudens in de EU aanzienlijk gestegen: met 15% voor elektriciteit, met 21% voor diesel en met 28% voor aardgas. Dit zal aanzienlijke gevolgen hebben voor de meest kwetsbare leden van onze samenleving.

    De bevordering van 'groene banen' kan een vitaal onderdeel zijn van het herstelplan voor de EU. Investeringen in energie-efficiëntie, die vaak arbeidsintensief zijn, moeten een bijzonder belangrijke rol spelen bij het scheppen van arbeidsplaatsen. Uit onderzoek dat in opdracht van de Commissie is verricht, blijkt dat investeringen in energie-efficiëntie evenveel of meer banen opleveren als investeringen in traditionele infrastructuur (wegen, bruggen, transmissie van energie).

    De gascrisis eind 2008, begin 2009 heeft laten zien hoe kwetsbaar de energievoorziening van de EU is en hoezeer zij afhangt van gas dat van buiten de Unie komt. De EU-27 is voor 51% van haar energiebehoeften afhankelijk van derde landen.

    Verbetering van de energie-efficiëntie is voor de EU de goedkoopste manier om: haar CO2-emissiedoelen te halen, banen te scheppen, de kosten voor het bedrijfsleven te verlagen, de sociale gevolgen van prijsstijgingen voor energie aan te pakken en de toenemende afhankelijkheid van de EU van energieleveranciers van buiten de Gemeenschap te beperken.

    Bijzonder belangrijk is ook de verbetering van de energieprestaties van gebouwen, omdat het energieverbruik van gebouwen 40% van het totale verbruik uitmaakt. Gezien bovenstaande overwegingen is het de hoogste tijd dat de EU de richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen herziet en verbetert.

    Belemmeringen voor vooruitgang

    De Commissie heeft met haar voorstel voor deze herschikking een tweeledig doel:

    · Toepassing van de ervaring die is opgedaan sinds de inwerkingtreding van de oorspronkelijke richtlijn in 2002;

    ·  Verzekering van een meer uniforme en strikte toepassing van de bepalingen van deze wetgeving.

    Het beginsel van een herschikking vond brede weerklank bij de sectoren bouw en energie. Een nader onderzoek en amendering van de tekst in echter op zijn plaats.

    Een probleem bij deze herschikking is het teleurstellende niveau van uitvoering van de huidige richtlijn. 22 Lidstaten zeggen dat zij de richtlijn volledig hebben omgezet, maar de Commissie heeft haar teleurstelling uitgesproken over het niveau van uitvoering van de maatregelen voor energie-efficiëntie in vele lidstaten. Hoewel het ontbreekt aan concrete gegevens, bestaat de indruk dat het aantal nieuwe en gerenoveerde gebouwen met aanzienlijke verbeteringen op het gebied van de energie-efficiëntie in veel lidstaten gering is.

    Enkele belemmeringen voor verdere vooruitgang zijn:

    1. Een gebrek aan kennis over de mogelijkheid van financiële besparingen. Dit obstakel moet worden weggenomen door voorlichtingscampagnes.

    2. Onzekerheid en wantrouwen over de omvang van de besparingen die mogelijk zijn. Het vertrouwen in het succes van de energiebesparingsmaatregelen kan vergroot worden door certificering en kwaliteitsbeheer.

    3. Gebrekkige toegang tot geldmiddelen voor grote investeringen in maatregelen voor energiebesparing. Regeringen moeten programma's voor financiële steun opzetten en banken helpen om leningen te verstrekken.

    4. De 'moeite' die het kost - vooral bij herstelwerkzaamheden en renovatie. Bij voorlichtingscampagnes en steunprogramma's moet de nadruk liggen op natuurlijke investeringskansen, bijvoorbeeld bij verandering van gebruik in combinatie met programma's voor wijkverbetering.

    In de richtlijn aan te brengen verbeteringen

    Geldmiddelen:

    De noodzaak dat voldoende geldmiddelen beschikbaar zijn om te kunnen voldoen aan de minimumnormen en -eisen die vastgesteld worden, moet in de richtlijn tot uiting komen. Het doel van de richtlijn zal alleen bereikt worden als er een pakket van financiële instrumenten beschikbaar is, dat bij voorkeur de meest kwetsbare huishoudens als doelgroep heeft.

    Er zijn talrijke instrumenten die de lidstaten en/of de Commissie kunnen en moeten inzetten:

    · Directe overheidsuitgaven

    · Leengaranties en subsidies (nuttig als het moeilijk is krediet te krijgen)

    · Sociale uitkeringen

    · Verlaging van de BTW op diensten en producten die verband houden met verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen

    · Verlaging van de onroerendgoedbelasting

    · Innovatieve financieringsmodellen - bijv. financiering door terugbetalingen op basis van besparingen op energierekeningen

    · De vorming van een Europees Fonds voor energie-efficiëntie en energie uit hernieuwbare bronnen om de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te ondersteunen

    Tot nu toe is een beperkt gebruik van geld uit de structuurfondsen voor de energie-efficiëntie van gebouwen alleen toegestaan voor de lidstaten die na 1 mei 2004 zijn toegetreden tot de Europese Unie. De Commissie heeft voorgesteld deze mogelijkheid uit te breiden tot alle lidstaten. De rapporteur stelt voor het maximale bedrag aan EFRO-middelen dat voor dergelijke projecten toegewezen mag worden, op te trekken van 3% tot 15%.

    Voorlichting en bewustmaking

    Het is van het grootste belang dat alle betrokkenen zich bewust zijn van de voordelen van betere energieprestaties en toegang hebben tot alle informatie over de wijze om deze te bereiken. De lidstaten moeten informatie over beste praktijken kunnen uitwisselen.

    Er moet een gemeenschappelijk Europees instrument - een website of een databank - worden gevormd die alle toepasselijke wetgeving, alle overheidsprogramma's ter bevordering van een lage CO2-uitstoot en energie-efficiënte gebouwen alsmede de toepasselijke financiële en fiscale instrumenten bevat.

    Voorlichtings- en bewustmakingscampagnes moeten zich vooral richten op aspecten die niet onder de minimumnormen vallen.

    Lokale en regionale overheden

    De lidstaten moeten een belangrijke rol spelen bij het aanbrengen van verbeteringen in de energieprestaties van gebouwen.

    Bij het ontwikkelen van een gestandaardiseerde methodologie voor de berekening van minimumnormen moet overleg worden gepleegd met lokale en regionale overheden.

    Bovendien moeten de lidstaten ervoor zorgen dat begeleiding en opleiding beschikbaar is voor stedenbouwkundigen en bouwinspecteurs, zodat zij bij het plannen, ontwerpen, bouwen en renoveren van industrie- en woongebieden kunnen kiezen voor een optimale combinatie van energie uit hernieuwbare bronnen, hoogrendement-technologie en stadsverwarming en -koeling.

    Energieprestatiecertificaten

    "Energieprestaties" zoals gedefinieerd in de richtlijn weerspiegelen niet altijd het werkelijke energieverbruik. Voor gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 die door de overheid worden gebruikt en van gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 die veelvuldig worden bezocht door het publiek, moet in energieprestatiecertificaten informatie over het werkelijke energieverbruik worden verstrekt en afgebeeld.

    De informatie die is afgebeeld in de energieprestatiecertificaten van gebouwen die door de overheid worden gebruikt en andere gebouwen die toegankelijk zijn voor het publiek, moet toegankelijk en makkelijk vergelijkbaar zijn. De Commissie moet gemeenschappelijke normen voor de afbeelding opstellen, met inbegrip van een gemeenschappelijk energielabel voor dergelijke gebouwen.

    Gebouwen die door de overheid worden gebruikt hebben een voorbeeldfunctie bij het aantonen van de voordelen en de bevordering van energie-efficiëntie en er mag dan ook de eis aan worden gesteld dat zij binnen redelijke tijd voldoen aan de aanbevelingen in het energieprestatiecertificaat. Alle eigenaars van gebouwen moeten echter altijd het recht hebben om een energieprestatiecertificaat ter discussie te stellen of te herzien met gebruikmaking van verschillende deskundigen, als zij het niet eens zijn met de gegeven aanbevelingen.

    Tot slot is het van groot belang te zorgen voor meer standaardisering en wederzijdse erkenning tussen de lidstaten zowel van energieprestatiecertificaten als van de opleiding en erkenning van de deskundigen die ze afgeven. Om dit mogelijk te maken moet de Commissie gemeenschappelijke richtsnoeren voor beide opstellen.

    Minimumnormen

    Uw rapporteur steunt de aanpak van de Commissie, die ten doel heeft te zorgen voor convergentie tussen de lidstaten op basis van minimumnormen, en de tijdschema's die zij voorstelt. Deze aanpak verzekert flexibiliteit en weerspiegelt geografische en klimaatverschillen, maar zorgt ook voor strikte normen die een solide basis hebben. Dit neemt niet weg dat er kleine verbeteringen aangebracht moeten worden.

    Gezien de voortdurende verbeteringen in de technologische en bouwtechnische kennis en de ervaring van de lidstaten met de toepassing, is het logisch dat de Commissie de gestandaardiseerde methodologie voor de berekening van kostenoptimale energie-efficiëntie regelmatig moet herzien en actualiseren.

    De lidstaten moeten geen steun geven voor nieuwe gebouwen die niet voldoen aan de kostenoptimale niveaus van energie-efficiëntie die in de gestandaardiseerde methodologie na 2014 zijn voorzien. Uw rapporteur vreest evenwel dat de toepassing van dit tijdschema op renovaties problematisch is, omdat de planning en uitvoering van grootschalige renovatieprojecten veel tijd vergt en een datum als 2014 dus kan betekenen dat belangrijke grootschalige projecten in veel landen vertraagd worden en spaak lopen.

    Uw rapporteur ziet geen reden waarom voor tweede woningen een uitzondering moet worden gemaakt op de minimumnormen. Wel is uw rapporteur van mening dat twee jaar te kort is om te besluiten dat een gebouw maar een deel van de tijd in gebruik is. Zo worden grote bedrijven bijvoorbeeld tijdelijk voor langere perioden in een ander gebouw ondergebracht als hun hoofdkantoor wordt gerenoveerd.

    De rapporteur is het met de Commissie eens als zij voorstelt dat minimumnormen moeten gelden voor alle grote renovaties. Op grond van de technische en economische haalbaarheid geldt echter een uitzondering. Het is waarschijnlijk dat lidstaten en zelfs lokale handhavinginstanties haalbaarheid op een verschillende manier definiëren en dus zijn duidelijke richtsnoeren nodig.

    Gebouwen met lage of geen CO2-uitstoot

    Met de voorstellen van de Commissie op dit punt kunnen wij instemmen. Alle nieuwe gebouwen kunnen best in 2020 aan deze norm voldoen. Openbare gebouwen moeten er eerder aan voldoen.

    De Commissie moet uiterlijk in 2013 een voorstel indienen voor een gemeenschappelijke definitie van gebouwen met lage of geen kooldioxide-uitstoot en een vergelijkende methodologie die de lidstaten moeten gebruiken om hun nationale plannen en definities te verfijnen. Om te zorgen dat deze strikt, effectief en weldoordacht zijn moet het besluit erover worden genomen volgens de codecisie- en niet de comitologieprocedure.

    Keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen

    De keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen kan een aanzienlijke bureaucratische last vormen voor de eigenaar van een gebouw en daarom is het belangrijk dat beide keuringen op elkaar aansluiten en in het ideale geval gelijktijdig worden uitgevoerd.

    De Commissie voorziet in een afwijking van de regelmatige keuring van verwarmingssystemen als de lidstaten andere 'gelijkwaardige' maatregelen nemen. Dezelfde regel moet gelden voor airconditioningsystemen. De Commissie lijkt echter geen middelen te hebben om de afwijking niet door te laten gaan als de maatregelen volgens haar eigenlijk niet gelijkwaardig zijn. Dit moet worden rechtgezet.

    BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

    Ref.: D(2009)14334

    Mw. Angelika NIEBLER

    Voorzitter van de Commissie industrie, onderzoek en energie

    LOW T06021

    STRAATSBURG

    Betreft :    Voorstel voor een herschikking: Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen

                     (COM(2008)0780 – C6‑0413/2008 – 2008/0223(COD))

    Geachte mevrouw Niebler,

    De Commissie juridische zaken, waarvan ik de eer heb voorzitter te zijn, heeft bovengenoemd voorstel behandeld overeenkomstig artikel 80 bis inzake herschikking, zoals opgenomen in het Reglement van het Parlement bij besluit van 10 mei 2007.

    Lid 3 van dit artikel luidt als volgt:

    "Als de voor juridische zaken bevoegde commissie van oordeel is dat het voorstel geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig zijn aangegeven, stelt zij de ten principale bevoegde commissie hiervan in kennis.

    In dat geval en onverminderd de in de artikelen 150 en 151 vastgelegde voorwaarden zijn amendementen in de bevoegde commissie alleen ontvankelijk, als zij betrekking hebben op onderdelen van het voorstel die wijzigingen bevatten.

    Amendementen op ongewijzigd gebleven onderdelen kunnen evenwel in uitzonderlijke en individuele gevallen door de voorzitter van die commissie worden toegestaan, als deze van oordeel is dat daarvoor dwingende redenen bestaan in verband met de interne coherentie van de tekst of de samenhang met andere ontvankelijke amendementen. Deze redenen dienen in een schriftelijke motivering bij de amendementen te worden vermeld."

    Op grond van het advies van de Juridische Dienst, waarvan vertegenwoordigers hebben deelgenomen aan de vergaderingen van de Adviesgroep tijdens welke het herschikte voorstel is behandeld, en overeenkomstig de aanbevelingen van de rapporteur voor advies, is de Commissie juridische zaken van oordeel dat het voorstel in kwestie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel of in het advies van de Adviesgroep zijn aangegeven en dat, ten aanzien van de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere wetsbesluiten met deze wijzigingen, het voorstel louter en alleen beperkt is tot een codificatie, zonder enige wijziging van de inhoud van de bestaande teksten.

    Overeenkomstig artikel 80 bis, lid 2, en artikel 80, lid 3, is de Commissie juridische zaken bovendien van mening dat de in het advies van de voornoemde Adviesgroep voorgestelde technische aanpassingen nodig zijn om ervoor te zorgen dat het voorstel in overeenstemming is met de herschikkingsregels.

    Concluderend beveelt de Commissie juridische zaken, na beraadslaging op haar vergadering van 9 maart 2009, met 16 stemmen vóór[1] aan dat uw commissie als commissie ten principale overgaat tot behandeling van bovengenoemd voorstel, rekening houdend met de suggesties van de Commissie juridische zaken en conform artikel 80 bis.

    Hoogachtend,

    Giuseppe GARGANI

    Bijlage: Advies van de Adviesgroep.

    • [1]  De volgende leden waren bij de stemming aanwezig: Giuseppe Gargani (Chairman), Klaus-Heiner Lehne, Eva-Riitta Siitonen, Tadeusz Zwiefka, Neena Gill, Manuel Medina Ortega, Diana Wallis, Francesco Enrico Speroni, Monica Frassoni, Jean-Paul Gauzès, Kurt Lechner, Georgios Papastamkos, Gabriele Stauner, Ieke van den Burg, Vicente Miguel Garcés Ramón, Bill Newton Dunn.

    BIJLAGE: ADVIES VAN DE ADVIESGROEP VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

     

     

     

    ADVIESGROEP VAN DE

    JURIDISCHE DIENSTEN

     

                         Brussel, 27.1.2009

    ADVIES

    AAN   HET EUROPEES PARLEMENT

               DE RAAD

               DE COMMISSIE

    Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestaties van gebouwen

    COM(2008)0780 van 13.11.2008 - 2008/0223(COD)

    Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, en in het bijzonder punt 9, is de adviesgroep bestaande uit de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 26 november en 4 december 2008 bijeengekomen om o.a. bovengenoemd voorstel van de Commissie te behandelen.

    Op die vergadering[1] is de adviesgroep, na behandeling van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot herschikking van Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestaties van gebouwen, tot de volgende gezamenlijke conclusies gekomen.

    1) De volgende gedeelten van de tekst van het herschikkingsvoorstel moeten zijn aangegeven met dezelfde grijze markering als waarmee in het algemeen belangrijke wijzigingen worden aangegeven:

    - in overweging 6: de tekst "meer dan" (gemarkeerd met dubbele doorhaling) en het woord "ongeveer" (weergegeven tussen aanpassingstekens);

    - in overweging 9: de laatste zin "De methodologie voor het berekenen van de energieprestaties mag niet enkel gebaseerd zijn op het seizoen waarin verwarming nodig is, maar moet uitgaan van de jaarlijkse energieprestaties van een gebouw" (weergegeven tussen aanpassingstekens);

    - in overweging 10: de eerste zin "De lidstaten moeten minimumeisen voor de energieprestaties van gebouwen vaststellen. Die vereisten moeten worden bepaald met het oog op een kostenoptimaal evenwicht tussen de gedane investeringen en de energiekosten die worden bespaard tijdens de volledige levensduur van het gebouw" (weergegeven tussen aanpassingstekens);

    - in overweging 13: het gedeelte van de tekst dat met een dubbele doorhaling tussen de eerste en tweede zin is gemarkeerd en dat luidt: "In dit verband dienen goede praktijken een optimaal gebruik van de elementen ter verbetering van de energieprestaties mogelijk te maken", alsmede het gedeelte van de tekst na de tweede zin dat ook met een dubbele doorhaling is gemarkeerd ("dit kan in een keer door de lidstaat bepaald worden door middel van een studie op basis waarvan tegen de gemiddelde plaatselijke marktvoorwaarden een lijst van maatregelen voor energiebehoud wordt vastgesteld die aan de criteria inzake kosteneffectiviteit voldoen. Alvorens met de bouw wordt aangevangen, kunnen specifieke studies worden gevraagd als de maatregelen haalbaar worden geacht.");

    - in overweging 18: het gedeelte van de tekst dat met een dubbele doorhaling is gemarkeerd, aan de eerste zin voorafgaat en dat luidt: "De certificering kan ondersteund worden door programma's ter vergemakkelijking van een gelijke toegang tot verbeterde energieprestaties, gebaseerd worden op overeenkomsten tussen organisaties van belanghebbenden en een door de lidstaat aangewezen instantie, of uitgevoerd worden door energieservicefirma's die bereid zijn zich ertoe te verbinden de vastgestelde investeringen te doen. De controle en follow-up van de regelingen dient te worden uitgevoerd door de lidstaten. Deze moeten tevens de toepassing van stimuleringsmaatregelen vergemakkelijken. Het certificaat zou zoveel mogelijk de bestaande energieprestatiesituatie van het gebouw moeten beschrijven en kan dienovereenkomstig herzien worden.";

    - het gedeelte van de tekst dat met een dubbele doorhaling is gemarkeerd na artikel 11, lid 5, dat luidt: "De certificaten zijn louter informatief. De eventuele werking ervan voor gerechtelijke of andere procedures wordt bepaald door de nationale voorschriften.";

    - het gedeelte van de tekst dat met een dubbele doorhaling is gemarkeerd na artikel 12, lid 2, dat luidt: "Voor die gebouwen kunnen het bereik van de aanbevolen en actuele binnentemperaturen en, indien van toepassing, andere relevante klimaatfactoren eveneens duidelijk worden aangegeven.";

    - in artikel 13, lid 1: de woorden "verwarmingssystemen met", die zijn ingevoegd vóór het woord "cv-ketels";

    - in bijlage I: de tekst "Die kenmerken kunnen ook de luchtdichtheid omvatten", die tussen punt 3(a) en (b) wordt weergegeven en met een dubbele doorhaling is gemarkeerd.

    2) De volgende gedeelten van de tekst in de herschikking komen overeen met gedeelten van de momenteel toepasselijke tekst van Richtlijn 2002/91/EG, waarvoor klaarblijkelijk geen wijziging is voorgesteld en die derhalve niet grijs moeten zijn gemarkeerd:

    - artikel 4, lid 1, tweede alinea;

    - artikel 4, lid 2, onder d);

    - artikel 10, lid 5;

    - artikel 10, lid 7;

    - artikel 25.

    3) In artikel 20, lid 2, vormt de toevoeging van de beginwoorden "Deze maatregelen" een aanpassing ten opzichte van de bestaande tekst van artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2002/91/EG, die met de juiste aanpassingsmarkeringen had moeten worden aangegeven.

    Na de behandeling van het voorstel is de adviesgroep daarom tot de eensgezinde conclusie gekomen dat het voorstel geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan de wijzigingen die als zodanig zijn aangegeven in het voorstel of het onderhavige advies. Ten aanzien van de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van het eerdere besluit met die inhoudelijke wijzigingen heeft de adviesgroep verder geconcludeerd dat het voorstel een directe codificatie van de bestaande tekst zonder enige inhoudelijke wijziging behelst.

    C. PENNERA                                  J.-C. PIRIS                           C.-F.DURAND

    Juridisch adviseur                               Juridisch adviseur                    Directeur-generaal

    • [1]  De adviesgroep beschikt over de Engelse versie van het voorstel, de taal waarin de basistekst in kwestie is gesteld.

    PROCEDURE

    Titel

    Energieprestaties van gebouwen (herschikking)

    Document- en procedurenummers

    COM(2008)0780 – C6-0413/2008 – 2008/0223(COD)

    Datum indiening bij EP

    13.11.2008

    Commissie ten principale

    Datum bekendmaking

    ITRE

    15.1.2009

    Medeadviserende commissie(s)

    Datum bekendmaking

    JURI

    15.1.2009

     

     

     

    Geen advies

    Datum besluit

    JURI

    9.3.2009

     

     

     

    Rapporteur(s)

    Datum benoeming

    Silvia-Adriana Ţicău

    2.12.2008

     

     

    Betwisting rechtsgrondslag

    Datum JURI-advies

    JURI

    31.3.2009

     

     

     

    Behandeling in de commissie

    20.1.2009

    16.2.2009

    19.3.2009

     

    Datum goedkeuring

    31.3.2009

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    36

    10

    3

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Šarūnas Birutis, Jan Březina, Jerzy Buzek, Jorgo Chatzimarkakis, Giles Chichester, Pilar del Castillo Vera, Den Dover, Adam Gierek, Fiona Hall, Rebecca Harms, Erna Hennicot-Schoepges, Mary Honeyball, Ján Hudacký, Romana Jordan Cizelj, Werner Langen, Pia Elda Locatelli, Eugenijus Maldeikis, Eluned Morgan, Antonio Mussa, Angelika Niebler, Reino Paasilinna, Atanas Paparizov, Aldo Patriciello, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Anni Podimata, Miloslav Ransdorf, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Andres Tarand, Britta Thomsen, Catherine Trautmann, Claude Turmes, Nikolaos Vakalis, Adina-Ioana Vălean, Alejo Vidal-Quadras

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Ivo Belet, Danutė Budreikaitė, Edit Herczog, Gunnar Hökmark, Bernhard Rapkay, Esko Seppänen, Silvia-Adriana Ţicău, Lambert van Nistelrooij

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

    Jill Evans, Ona Juknevičienė, Marusya Ivanova Lyubcheva, Willem Schuth