VERSLAG over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) in 2008, aan het Europees Parlement gepresenteerd overeenkomstig deel II, sub G, punt 43 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006
1.3.2010 - (2009/2057(INI))
Commissie buitenlandse zaken
Rapporteur: Gabriele Albertini
PR_INI_art119-1
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) in 2008, aan het Parlement gepresenteerd overeenkomstig deel II, sub G, punt 43 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006
Het Europees Parlement,
– gezien het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) in 2008, aan het Parlement gepresenteerd overeenkomstig deel II, sub G, punt 43 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006[1],
– gelet op het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in het bijzonder titel V van het aldus gewijzigde Verdrag betreffende de Europese Unie, die luidt "Algemene bepalingen inzake het externe optreden van de Unie en specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid",
– gelet op de op 12 december 2003 door de Europese Raad goedgekeurde Europese veiligheidsstrategie (EVS) en het verslag over de uitvoering van de EVS, dat op 11 december 2008 is aangenomen,
– gelet op het bovenvermelde Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer,
– onder verwijzing naar zijn resoluties over de GBVB-jaarverslagen voor 2006 en 2007; die respectievelijk dateren van 5 juni 2008[2] en 19 februari 2009[3],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 2009 over de institutionele aspecten van de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden[4],
– gelet op artikel 119, lid 1, van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0023/2009),
A. overwegende dat de Europese Unie de laatste decennia op het wereldtoneel een steeds belangrijker rol is gaan spelen en dat een nieuwe benadering alsook méér financiële middelen nodig zijn, wil de EU collectief kunnen optreden en de problemen in de wereld democratisch, coherent, consistent en efficiënt het hoofd kunnen bieden,
B. overwegende dat de Europese Unie, in de betrekkingen met de rest van de wereld, de doelstellingen van haar buitenlandse beleid verder zal ontwikkelen, haar waarden en belangen dient te handhaven en uit te dragen, en dient bij te dragen tot de bescherming van haar burgers en deze waarden in de hele wereld dient te bevorderen, teneinde bij te dragen tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties; overwegende dat de bevordering van de mensenrechten, met name de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de kern van het extern optreden van de EU zal zijn en overwegende dat het Handvest van de Grondrechten nu een bindend karakter heeft voor de externe activiteiten van de EU,
C. overwegende dat het Verdrag van Lissabon een nieuwe dimensie toevoegt aan het externe optreden van de Unie als geheel, met inbegrip van het GBVB, waardoor dit – in combinatie met de rechtspersoonlijkheid van de EU en de belangrijke institutionele vernieuwingen die zijn geïntroduceerd, met name de instelling van het ambt van vice-voorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ("de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger") en de oprichting van de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) – tot een belangrijke factor kan uitgroeien voor de samenhang, consistentie en effectiviteit van het externe optreden van de Unie en haar bepalende rol op het internationale toneel aanzienlijk zou kunnen vergroten,
D. overwegende dat er meer moet worden gedaan voor het waarborgen van een tijdige reactie van de EU op politieke crises en regionale conflicten; overwegende dat de bestaande besluitvormings- en financieringsmechanismen een belemmering kunnen vormen voor tijdige en alomvattende reacties, en dat er manieren moeten worden gevonden om de eenparigheidsregel verder te beperken en te elimineren,
E. overwegende dat het van cruciaal belang is de gemeenschappelijke Europese belangen correct te definiëren en dienovereenkomstig te handelen, ten einde de doelstellingen van het externe beleid van de Unie, en in het bijzonder die van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), te kunnen verwezenlijken; overwegende dat het bovendien uiterst belangrijk is ervoor te zorgen dat al het beleid waartoe wordt besloten en alle maatregelen die worden genomen ook met het internationaal recht stroken, waaronder de beginselen die vervat zijn in het Handvest van de VN,
F. overwegende dat de bevordering van de vrede, de mensenrechten en de rechtsstaat wereldwijd de kerndoelstelling van het extern beleid van de EU is,
G. overwegende dat het Verdrag van Lissabon de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger opdraagt de Raad en de Commissie te helpen de samenhang tussen de verschillende gebieden van het externe optreden onderling en tussen de externe en andere beleidsterreinen van de Unie te waarborgen,
H. overwegende dat de EU vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon alle rechten van de Europese Gemeenschap uitoefent en alle verplichtingen van de Gemeenschap overneemt, en daarnaast de reeds bestaande rechten van de EU blijft uitoefenen en de verplichtingen van de EU op zich blijft nemen,
I. overwegende dat de nieuwe veiligheidstaken met zich meebrengen dat sterker de nadruk moet komen te liggen op het versterken, combineren en met elkaar in evenwicht brengen van verschillende civiele en militaire instrumenten over het gehele spectrum van conflictpreventie, conflictbeslechting, crisisbeheersing en vredesopbouw,
J. overwegende dat er – zo’n 10 jaar na de lancering van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) en de stationering, gedurende die periode, van niet minder dan 23 missies in crisisgebieden – behoefte is aan uitbreiding van de militaire en civiele capaciteiten en consolidatie van de bestaande structuren, zodat deze adequaat zijn afgestemd op de rol die het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) te vervullen heeft bij de ondersteuning van het GBVB en bij de internationale veiligheidsinspanningen,
Beginselen van het Europees extern optreden
1. roept de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger en haar diensten er met het oog op de verdieping van het collectief strategisch denken van de Unie toe op een consistente Europese buitenlandse strategie te ontwikkelen die stoelt op de doelstellingen en principes zoals bedoeld in artikel 21 van het Verdrag betreffende Europese Unie (VEU); is van oordeel dat een dergelijke strategie een duidelijke afbakening van de gemeenschappelijke veiligheidsbelangen van de EU dient te bevatten en aldus moet fungeren als referentiekader voor de beleidsvorming alsmede voor de uitwerking, de financiering en de implementatie van en het toezicht op het externe optreden van de Europese Unie; verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger het Europees Parlement, met inbegrip van zijn relevante organen, hierbij te betrekken; is van oordeel dat de concepten 'menselijke veiligheid', zoals gedefinieerd in het Madrid-rapport uit 2007 van de Human Security Study Group, en 'verantwoordelijkheid om te beschermen', zoals gedefinieerd in het document met resultaten van de mondiale top in 2005, twee van de richtinggevende principes van die strategie moeten worden;
Het jaarverslag-2008 van de Raad over het GBVB
2. is ingenomen met het streven van de Raad om bij de opstelling van het jaarverslag-2008 een meer strategische, themagerichte en gestroomlijnde aanpak van GBVB-aangelegenheden te volgen; complimenteert de Raad bovendien met de invoering van een transparantere structuur, waarbij belangrijke hoofdstukken zijn gewijd aan activiteiten uit het verleden en met name aan de toekomstperspectieven voor het GBVB; wijst er tevens op dat ook de regionale context van externe optredens in het verslag beter tot zijn recht komt;
3. onderstreept nogmaals dat de reikwijdte van het verslag zich niet mag beperken tot alleen maar een beschrijving van GBVB-activiteiten, maar dat het ook aangrijpingspunten moet bieden voor een dialoog met het Europees Parlement met het oog op de ontwikkeling van een meer strategische visie op het GBVB; pleit ervoor dat het jaarverslag over het GBVB uitgroeit tot een jaarverslag over de tenuitvoerlegging van de externe beleidsstrategie van de EU, waarin de doeltreffendheid van deze strategie wordt beoordeeld en de richting voor de toekomst wordt aangegeven; beveelt verder aan dat er meer plaats wordt ingeruimd voor de budgettaire behoeften en financiële gevolgen van externe optredens;
4. gelooft in de toegevoegde waarde van een uitgebreidere en meer alomvattende benadering in het kader van de jaarverslagen over het GBVB en met name de hoofdstukken die daarin gewijd zijn aan regionale groepen en partners en de onderlinge verbinding tussen GBVB/GVDB-missies en andere instrumenten die de rol van de EU als globale partner bevorderen; is van oordeel dat een dergelijke zienswijze onder meer een beter overzicht mogelijk zou maken van het totaalbedrag van de bijdrage uit de EU-begroting in een bepaalde regio;
5. herhaalt zijn standpunt dat de bevoegde organen van het Parlement ter vergroting van de democratische legitimiteit van het GBVB moeten worden geraadpleegd over de op te zetten GVDB-missies en dat bij de besluitvorming daarover waar nodig rekening moet worden gehouden met en moet worden verwezen naar de door het Parlement ingenomen standpunten; is van mening dat dit overleg zich ook moet uitstrekken tot informatie over de motieven achter de gekozen gedragslijn en uitleg over de vraag hoe de bewuste missie zich verhoudt tot de op dat gebied ondernomen communautaire en internationale acties, wat daarvan de financiële gevolgen zijn en in hoeverre er sprake is van een wisselwerking met andere EU-instrumenten;
Implicaties van het Verdrag van Lissabon
6. is verheugd over de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, dat de EU de instrumenten biedt voor het verder uitbouwen van haar rol en haar zichtbaarheid op het internationale toneel; wijst in dit verband met klem op de fundamentele rol die elke lidstaat, de Raad en de nieuwe vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger moeten spelen om de bepalingen van het Verdrag om te zetten in tastbare feiten en daadwerkelijke actie door middel van het versterken van de betrekkingen van de EU met haar buurlanden en strategische partners en het consolideren van haar leiderschap in multilaterale fora; onderstreept het belang van de bepaling in het Verdrag die stelt dat de bevoegdheid van de Unie voor GBVB-aangelegenheden nu betrekking heeft op alle terreinen van het buitenlands beleid en op alle vraagstukken die verband houden met de veiligheid van de Unie, inclusief de ontwikkeling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden;
7. is ingenomen met de rol die als voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken is toebedeeld aan de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger en met het feit dat haar vertegenwoordiger het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) zal gaan voorzitten; verwacht dat deze nieuwe functies de interinstitutionele contacten zullen versterken en bevorderlijk zullen zijn voor een stabielere dialoog tussen de instellingen; nodigt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger uit voort te bouwen op de gangbare praktijk, waarbij de voormalige hoge vertegenwoordiger en de commissarissen voor externe betrekkingen op geregelde tijdstippen voor de plenaire vergadering en de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement verschenen, alsook op de traditie van informele bijeenkomsten, een en ander met het oog op de ontwikkeling en het houden van regelmatig, stelselmatig en substantieel overleg met het Parlement en zijn bevoegde organen;
8. is van mening dat de samenvoeging van de intergouvernementele en communautaire pijlers en functies tot één enkel ambt, namelijk dat van vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger, waarvan de keuze als lid van de Commissie op collegiale basis door het Europees Parlement moet worden bekrachtigd, de democratische legitimiteit van in het kader van het GBVB ontwikkelde activiteiten kan verhogen, mits er op alle niveaus een continue strategische dialoog tot stand komt op voet van gelijkheid tussen het Parlement, de Raad en de Commissie;
9. beklemtoont dat de lidstaten in een geest van wederzijdse politieke solidariteit moeten trachten steeds meer convergentie op het vlak van het GBVB tot stand te brengen;
10. wijst er eens te meer op dat, wil de EU in de wereld een actieve rol vervullen, er op de EU-begroting voldoende geld moet worden uitgetrokken; betreurt dat het daarvoor bestemde budget nog steeds in te weinig middelen voorziet en spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de gevolgen van onderfinanciering voor de capaciteit van de Unie om een geloofwaardig en proactief buitenlands beleid te voeren; onderstreept daarnaast de noodzaak om de Unie met de nodige financiële middelen toe te rusten om consistent en adequaat te kunnen reageren op onvoorziene mondiale problemen en spreekt in dit verband de hoop uit ten volle te zullen worden geraadpleegd over en te worden betrokken bij de procedures tot snelle beschikbaarstelling van kredieten op de EU-begroting voor de dringende financiering van GBVB-initiatieven; verzoekt in dit verband de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger passende voorstellen uit te werken en tegelijkertijd een doeltreffende communicatiestrategie te ontwikkelen om de Europese burgers beter te informeren over de doelstellingen en de verdiensten van het GBVB; wijst nog eens met klem op het belang van democratische legitimiteit van en toezicht op het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie;
11. herhaalt verontrust te zijn over het gebrek aan openbaarheid en informatie over de financiering van de gezamenlijke kosten van EU-optreden met militaire gevolgen of consequenties op defensiegebied, daar het Athena-mechanisme duidelijk geen overzicht biedt van alle financiële gevolgen van in het kader van het GBVB uitgevoerde missies; spreekt dan ook zijn waardering uit voor de oprichting van het startfonds overeenkomstig artikel 41, lid 3, van het EU-Verdrag en verzoekt over het beheer ervan te worden geraadpleegd overeenkomstig de algemene bevoegdheden van het EP met betrekking tot het GBVB en het GVDB zoals omschreven in artikel 36 van het EU-Verdrag; wijst erop dat meer betrokkenheid van het Parlement bij de formulering, controle en follow-up van het GBVB voortvloeit uit het onderlinge verband tussen GBVB en GVDB zoals wordt benadrukt in artikel 42 van het EU-Verdrag, en uit het verscherpte parlementaire toezicht op nationaal en Europees niveau dat verankerd is in het daarbij gevoegde Protocol nr. 1;
12. roept de Raad, de Commissie en de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger ertoe op, de instelling van de EDEO aan te grijpen om een coherenter, consistenter en effectiever buitenlands beleid te creëren; verwacht in dit verband dat de fundamentele waarden en doelstellingen van het buitenlands beleid van de EU, zoals eerbiediging en bevordering van de mensenrechten, zoals neergelegd in het nu wettelijk bindende Handvest van de grondrechten, en de prioriteiten van het buitenlands beleid van de EU, zoals crisismanagement en vredesopbouw, duidelijk worden weerspiegeld in de opzet van de EDEO, waaronder in het personeelsbestand daarvan; herinnert eraan dat bij de instelling en het functioneren van de EDEO niet mag worden getornd aan het recht van het Europees Parlement op een democratische en budgettaire controle;
13. merkt op dat het Verdrag van Lissabon voor het GBVB belangrijke implicaties heeft doordat het resulteert in een reorganisatie van de administratieve verantwoordelijkheden, en verzoekt de Raad en de Commissie derhalve erop toe te zien dat de in termen van ondersteuningsstructuren gerealiseerde schaalvoordelen resulteren in een vermindering van de administratieve kosten;
14. wijst er met nadruk op dat er meer duidelijkheid moet worden gebracht in de criteria voor de benoeming en beoordeling van de speciale vertegenwoordigers van de EU (SVEU), waarbij ook bedacht moet worden dat het noodzakelijk is dat zowel mannen als vrouwen voldoende vertegenwoordigd zijn; wijst er dan ook op dat het Parlement momenteel geen middelen heeft om de taakomschrijving van een SVEU aan te vechten, daar de kredieten voor de waarneming van een dergelijke taak deel uitmaken van artikel 19 03 06, waaruit alle SVEU-functies worden betaald; dringt dan ook aan op meer parlementair onderzoek naar en toezicht op de benoeming en het mandaat van SVEU's; is van mening dat de ter zake bevoegde SVEU de taken van de hoofden van de in de betrokken landen gevestigde EU-delegaties geleidelijk moeten overnemen en gaan uitvoeren, terwijl SVEU met regionale verantwoordelijkheden politieke richtsnoeren moeten coördineren en onder het gezag van de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger verstrekken aan de hoofden van de EU-delegaties in de betrokken landen ter waarborging van de coherentie en consistentie van het externe optreden van de EU; verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger stappen te ondernemen om de SVEU op te dragen tevens politieke richtsnoeren te coördineren en te verstrekken met betrekking tot de onder hun verantwoordelijkheid vallende GVDB-missies;
15. verlangt dat de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger de bevoegde commissie van het Parlement raadpleegt omtrent haar benoemingen op hoge posten bij de EDEO, met inbegrip van SVEU, wenst dat bepaalde SVEU en delegatiehoofden bij hun benoeming voor de commissie verschijnen;
16. constateert dat in het Verdrag van Lissabon nieuwe financiële procedures voor het GBVB zijn opgenomen, dat de dialoog tussen de Raad en het Europees Parlement over het GBVB wordt versterkt doordat er twee gedachtewisselingen per jaar tussen het Parlement en de vice-voorzitter/ hoge vertegenwoordiger worden gehouden, en dat de rol en de verantwoordelijkheden van het Parlement in verband met het GBVB duidelijker worden omschreven; dringt derhalve aan op herziening en uitbreiding van de bestaande interinstitutionele overeenkomsten, waarbij ook de Commissie buitenlandse zaken moet worden betrokken, zodat de begrotings-, overleg- en toezichtsprocedures in het kader van het GBVB en het GVDB op een vlotte en efficiënte manier verlopen en gevoelige informatie beter toegankelijk wordt; vestigt in dit verband in het bijzonder de aandacht op het bovenvermelde Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 en op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 november 2002 tussen het Europees Parlement en de Raad over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid[5]; onderstreept zijn vaste voornemen gebruik te maken van zijn begrotingsbevoegdheid en democratisch toezicht ten aanzien van het GVDB in verband met alle institutionele vernieuwingen, met inbegrip van de financieringsregelingen voor de EDEO;
17. constateert dat het Verdrag van Lissabon de instemmingsprocedure uitbreidt tot alle overeenkomsten die verband houden met terreinen waarop de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is en dat hierdoor het recht van het Parlement wordt versterkt, door de Commissie goed op de hoogte te worden gehouden over de vooruitgang bij de onderhandelingen over internationale overeenkomsten, zoals bedoeld in artikel 218 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU); is daarom van oordeel dat de mogelijkheid van vaststelling van een nieuwe interinstitutionele overeenkomst met het Parlement moet worden onderzocht om het Parlement een solide omschrijving te geven van de wijze waarop het betrokken wordt bij ieder stadium van de onderhandelingen die tot sluiting van een internationale overeenkomst moeten leiden;
18. dringt er bij de Raad van ministers van buitenlandse zaken op aan altijd met gekwalificeerde meerderheid van stemmen te handelen indien het nieuwe Verdrag hierin voorziet;
19. is van mening dat artikel 42, leden 2 en 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in combinatie met Protocol nr. 1. betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie de nog resterende functies van de West-Europese Unie overbodig maakt; roept de betrokken EU-lidstaten er derhalve toe op conform artikel XII van het Verdrag van Brussel hun voornemen tot uittreding uit dat verdrag kenbaar te maken met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar; brengt in herinnering dat het Europees Parlement en de nationale parlementen het recht hebben parlementaire controle uit te oefenen op activiteiten in het kader van het GBVB of het GVDB;
GBVB-aangelegenheden van thematische aard
20. blijft zich zorgen maken over de waarborging van een continue energievoorziening en de herhaalde gascrises die zich hebben voorgedaan, waaronder de Russisch-Oekraïense crisis van januari 2009, die duidelijk aantonen dat de EU op energiegebied steeds meer is aangewezen op voorzieningsbronnen en doorvoerkanalen waarvan de stabiliteit in gevaar is; onderstreept ook dat het nodig is te voorkomen dat de afhankelijkheid van de EU op energiegebied van derde landen een verzwakking van de onafhankelijkheid van het buitenlands beleid van de EU teweegbrengt; wijst eens te meer op de dringende noodzaak als antwoord op de energieproblematiek te komen met een gemeenschappelijk Europees extern energiebeleid; verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger in dit verband daadwerkelijk gevolg te geven aan de aanbevelingen van het Parlement voor de ontwikkeling van een coherent en gecoördineerd beleid, met name door bevordering van de cohesie van de EU in een constructieve dialoog met de energieleveranciers, met name met Rusland, en met doorvoerlanden, door de ondersteuning van de EU-prioriteiten op energiegebied en de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de lidstaten, door het opzetten van een doeltreffende energiediplomatie en van effectievere mechanismen om crisissituaties het hoofd te bieden en, tenslotte, door bevordering van diversificatie van energieleveranciers, duurzaam energiegebruik en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen; onderstreept dat alleen met een eensgezinde EU-benadering eventuele toekomstige tekorten in de olie- en gasvoorziening van de lidstaten kunnen worden voorkomen en de energiezekerheid van de EU als geheel kan worden vergroot;
21. is verheugd over de ondertekening van de Nabucco-projectovereenkomst; vraagt Commissie en Raad naar een geslaagde uitvoering van deze overeenkomst te streven; onderstreept het belang van waarborging van de voorzieningszekerheid van de EU op energiegebied door bevordering van een zuidelijke corridor voor de aanvoer van ruwe olie naar Europa, met inbegrip van aanvoer via de pan-Europese aardoliepijpleiding Constanta-Triëst;
22. is van mening dat de steeds scherper wordende concurrentiestrijd om toegang tot en controle over natuurlijke hulpbronnen en energiebronnen te krijgen ernstige bedreigingen en conflicten kan teweegbrengen, en dat de EU derhalve moet doorgaan met de ontwikkeling van beperkings- en aanpassingsmaatregelen alsmede beleid voor energiebesparing om de veiligheidsrisico's die het gevolg zijn van de achteruitgang van het milieu en klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden; onderstreept in dit verband dat de EU haar mondiale leiderspositie op het gebied van klimaatbeleid moet versterken, en verder tot een dialoog moet komen met andere belangrijke actoren, zoals de opkomende wereldmachten (China, Brazilië, Rusland en India), de Verenigde Staten en de ontwikkelingslanden, aangezien de klimaatverandering is uitgegroeid tot een essentiële factor in de internationale betrekkingen;
23. bepleit dat de Europese Unie actief en doeltreffend blijft bijdragen aan de oplossing van wereldwijde vraagstukken, niet in de laatste plaats door een versterking van het systeem van de Verenigde Naties, daarbij bijzondere aandacht bestedend aan de consolidering van de Mensenrechtenraad en de afschaffing van de doodstraf;
24. wijst op het belang van conflictpreventie en –beheer, waaronder herstel en herbouw na crises; onderstreept dat de EU verder moet gaan met de ontwikkeling van preventieve strategieën, systemen voor vroegtijdige waarschuwing moet verbeteren en de samenwerking met regionale organisaties overeenkomstig het Handvest van de VN moet versterken;
25. benadrukt dat de externe dimensie van cruciaal belang is voor een geslaagde totstandbrenging van een Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid; wijst opnieuw op het belang van een correct migratiebeheer; is tegen deze achtergrond verheugd over de aanneming van het Programma van Stockholm door de Europese Raad van december 2009; acht het van essentieel belang zich te verzekeren van de samenwerking van zowel landen van oorsprong als doorvoerlanden en een houding van solide samenwerking aan te moedigen door gebruik te maken van een op positieve conditionaliteit gebaseerd beleid; wijst erop dat het noodzakelijk is illegale immigratie tegen te gaan door de plaatselijke ontwikkeling in de landen van herkomst te bevorderen en criminele organisaties te bestrijden die mensenhandel bedrijven; houdt staande dat in het Europees buitenlands beleid volledig rekening moet worden gehouden met de externe dimensie van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid;
26. onderstreept de noodzaak sterkere capaciteiten te ontwikkelen ter verbetering van het toezicht op de civiele en militaire missies van de Unie en om lering te kunnen trekken uit de wijze waarop deze worden benut, zodat de planning en het beheer van toekomstige missies kan worden verbeterd; onderstreept tevens de noodzaak van een meer strategische benadering van de GVDB-missies; stelt voor dat de regelmatige gezamenlijke overlegbijeenkomsten zich ook richten op de evaluatie van het welslagen en de tekortkomingen van afgeronde missies, zodat ze kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een toekomstgerichte benadering van de toekomstige behoeften die alle aspecten omvat (financiën, prognoses, tenuitvoerlegging, administratieve organisatie, enz.);
27. verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger, de Raad en de lidstaten te zorgen voor een goede balans tussen de civiele en de militaire planningscapaciteit binnen het secretariaat van de Raad en te zorgen voor voldoende personeel voor de aspecten justitie, civiele administratie, douane en bemiddeling, teneinde te waarborgen dat de GBVB-missies over passende en voldoende expertise kunnen beschikken;
28. dringt in dit verband aan op voldoende personeel voor de civiele component, en verzoekt de lidstaten met klem de mogelijkheden van de EDEO te benutten om de op dit moment beschikbare middelen te groeperen, teneinde tot een samenhangende, doeltreffende en efficiënte planningscapaciteit voor crisismanagement te komen;
29. roept de lidstaten ertoe op zich krachtiger in te spannen voor het aantrekken en inzetten van voldoende aantallen geschikt en gekwalificeerd personeel, met een juist evenwicht tussen mannen en vrouwen, om in een coherent en goed gecoördineerd kader deel te nemen aan civiele en militaire GVDB-missies in de hele wereld, met inbegrip van specifieke gebieden met een hoog risico, aangezien het succes van GVDB-missies grotendeels wordt bepaald door de vaardigheden en kennis van goed opgeleid personeel; dringt in dit verband aan op een gezamenlijke opleiding van degenen die aan EVDB-missies deelnemen; steunt ten volle het reeds gedane werk op het gebied van de opstelling van richtsnoeren en de uitwisseling van optimale werkmethoden ter verbetering van de gezamenlijke opleiding van personeel; is ervan overtuigd dat meer samenhang en cohesie met betrekking tot personeel ter plekke een steun is voor de organisatie van missies en eveneens de detachering van staatsburgers van de EU vergemakkelijkt, hetgeen louter vanuit begrotingsstandpunt de voorkeur geniet boven het inzetten van internationale arbeidscontractanten;
30. vraagt de Europese Raad en de Commissie de EU intensiever te betrekken bij multilaterale onderhandelingen om de prominente aanwezigheid van kernwapens te beperken;
31. wijst er opnieuw op dat er behoefte is aan ontwapening en aan nadrukkelijker internationale non-proliferatiegaranties; is in dit verband ingenomen met de Gezamenlijke verklaring van 4 december 2009, waarin de president van de Verenigde Staten van Noord-Amerika en de president van de Russische Federatie zich ertoe verplichtten te blijven samenwerken na het aflopen van het Verdrag inzake de beperking van strategische wapens (START), en ziet uit naar de ondertekening van een zo spoedig mogelijk in werking tredende overeenkomst over strategische wapens; doet tevens een beroep op de EU en de lidstaten zich op diplomatiek gebied meer inspanningen te getroosten om in mei 2010 te komen tot een bevredigende herziening van het Verdrag inzake de non-proliferatie van kernwapens;
32. benadrukt dat het belang van gendergelijkheid, mensenrechten en goed bestuur volledig moeten worden geïntegreerd in de planning en uitvoering van alle GVDB-missies en -operaties, met inbegrip van fact-finding missies, aangezien genderbewustzijn en gendergevoeligheid de operationele doeltreffendheid en het situatiebewustzijn in het algemeen ten goede komen; is in dit verband verheugd over de benoeming van een genderadviseur voor nagenoeg alle GVDB-missies; betreurt het feit dat zich geen vrouwen onder de 11 SVEU's bevinden; verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger om gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen systematisch deel te laten uitmaken van de politieke dialoog en beleidsdiscussies tussen de EU en haar partnerlanden;
33. prijst de belangrijke rol van de mensen die in de gehele wereld op de bres staan voor de mensenrechten; is in het bijzonder verheugd over het feit dat de Raad buitenlandse zaken zich er op zijn bijeenkomst van 8 december 2009 toe verplicht heeft om steun te geven aan verdedigers van de mensenrechten door middel van openbare bijeenkomsten met hen en door hun activiteiten zichtbaar te maken;
34. verzoekt de Raad de aspecten mensenrechten en goed bestuur deel te laten uitmaken van de mandaten van de SVEU en adviseurs voor mensenrechten en goed bestuur te benoemen in functies bij de SVEU;
Voornaamste prioriteiten per geografische sector
35. pleit ervoor dat de EU de politieke dialoog met derde landen en regio's intensiveert, vooral die met strategische partners, met wie de standpunten in de internationale organisaties moeten worden gecoördineerd en met welke partners de democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechtensteun moeten worden gesteund en bevorderd; wijst in dit verband nogmaals op de belangrijke rol die parlementaire diplomatie te vervullen heeft als aanvullend instrument in de betrekkingen van de Unie met derde landen en regio's; is derhalve van mening dat de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger en haar diensten, met inbegrip van de SVEU, met het Parlement in overleg moet treden over de uitwerking van gemeenschappelijke strategieën jegens de partnerlanden en -regio's en het Parlement mondeling en schriftelijk terzijde zou moeten staan met betrekking tot specifieke kwesties en onderzoeken;
36. vraagt de Raad, de lidstaten en de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger actief te zoeken naar vreedzame oplossingen voor internationale conflicten en de EU-mechanismen voor conflictoplossing te versterken;
Internationale organisaties
37. onderstreept dat de Verenigde Naties de voornaamste garant voor internationale vrede en veiligheid en het meest uitgebreide kader voor multilaterale samenwerking vormen; stelt zich op het standpunt dat een beter mondiaal bestuur, betere internationale instellingen en de eerbiediging van het internationaal recht van kapitaal belang zijn om effectief multilateralisme tot stand te kunnen brengen, en dat dit voor de Unie derhalve een dwingende strategische prioriteit moet vormen; is van mening dat de EU-instellingen en de lidstaten zich moeten blijven inzetten voor verdieping van de samenwerking en coördinatie met strategische partners wier invloed zich tot de gehele wereld uitstrekt, met name binnen de Verenigde Naties; onderstreept in dit licht dat het urgent is over te gaan tot de aanpak van mondiale vraagstukken die op dit moment zowel tot bezorgdheid leiden voor de EU als voor de wereldstabiliteit, zoals terrorisme, georganiseerde misdaad, voorzieningsveiligheid op energiegebied, klimaatverandering, het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de uitbanning van armoede, crisisbeheer, conflictpreventie en het oplossen van conflicten, non-proliferatie van massavernietigingswapens en ontwapening, migratiebeheer en de bevordering van de mensenrechten en burgerlijke vrijheden;
38. acht het van essentieel belang dat de relevante EU-delegaties op de VN-hoofdkwartieren in New York en Genève worden voorzien van voldoende middelen en personeel om in de praktijk op een geloofwaardige en effectieve manier gestalte te kunnen geven aan de nieuwe institutionele regelingen die zijn ingesteld bij het Verdrag van Lissabon; constateert derhalve met bezorgdheid dat een budgettair neutrale aanpak ingaat tegen de aldus ontstane dringende behoefte om de presentie van de EU bij de VN tijdens de eerste fase van de uitvoering van het Verdrag van Lissabon snel en efficiënt vorm te geven;
39. is van oordeel dat de OVSE een belangrijk kader biedt voor het herstel van het vertrouwen en de intensivering van de samenwerking tussen de landen van Europa, Centraal Azië en Noord-Amerika op een aantal punten, waaronder non-proliferatie, ontwapening, economische samenwerking en de bescherming en bevordering van de mensenrechten en de rechtsstaat; steunt derhalve ook de versterking van de positie van de OVSE in die zin dat een discussie wordt geopend over de vraag of aan deze organisatie rechtspersoonlijkheid moet worden verleend;
40. is, onverminderd de internationale verplichtingen van de EU op grond van het Handvest van de VN, van mening dat zowel voor de EU als voor de NAVO een intensiever en effectiever partnerschap voordelen zou bieden, gezien de verdere ontwikkeling van het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid van de EU en onder eerbiediging van de autonomie op besluitvormingsgebied van de beide organisaties; bepleit derhalve, zich volledig bewust van de huidige problematische situatie, een herziening van de zogenaamde Berlijn Plus-regeling en de ontwikkeling van een meer strategische dialoog over gezamenlijke strategische belangen en rampenplanning; dringt aan op vergemakkelijking van een bredere praktische samenwerking in het veld op militair en civiel niveau, vooral wanneer beide organisaties in hetzelfde gebied waar missies worden uitgevoerd actief zijn; betreurt in dit verband het voortduren van het conflict tussen Turkije en Cyprus, dat de effectiviteit en geloofwaardigheid van zowel de EU als de NAVO steeds meer ondermijnt;
Transatlantische betrekkingen
41. betuigt opnieuw zijn loyaliteit aan het transatlantisch partnerschap als belangrijk onderdeel en een van de voornaamste pijlers van het externe optreden van de EU; verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger met nadruk erop toe te zien dat de EU optreedt als een loyale, gelijkwaardige en actieve maar toch zelfstandige partner van de VS bij de versterking van de mondiale veiligheid en stabiliteit, de bevordering van vrede en respect voor de mensenrechten en de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelen, alsmede bij de definitie van een gezamenlijke aanpak voor mondiale problemen zoals de verspreiding van kernwapens, terrorisme, klimaatverandering en energiezekerheid; is van mening dat het Verdrag van Lissabon een goede gelegenheid biedt om het kader van de betrekkingen tussen de EU en de VS te verbeteren en te vernieuwen; spoort de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger er overeenkomstig de resoluties van het Parlement toe aan te streven naar versterking van de tussen de EU en de VS bestaande institutionele mechanismen; onderstreept dat het werk van de Transatlantische Economische Raad (TEC) moet worden gesteund ten einde een echte geïntegreerde transatlantische markt tot stand te brengen, en dat een dergelijke markt de grondslag moet vormen voor een nauwer transatlantisch partnerschap;
42. roept beide partners – de EU en de VS – ertoe op China, India, Rusland, Brazilië en andere opkomende machten aan te moedigen hun gezamenlijke verantwoordelijkheid op te nemen voor de wereldorde en voor het voorkomen en de vreedzame beslechting van conflicten overeenkomstig het internationale recht; onderstreept dat de EU en de VS de economische en sociale ontwikkeling van deze landen weliswaar ten volle moeten steunen op basis van eerlijke samenwerking, maar dat ook deze landen hun wereldwijde verantwoordelijkheden dienen te aanvaarden, met name bij de bestrijding van klimaatverandering en de bevordering van duurzame ontwikkeling;
Westelijke Balkan
43. benadrukt dat de landen in de Westelijke Balkan onderdeel van het uitbreidingsproces zijn; is van mening dat de stabiliteit in de Westelijke Balkan die stoelt op de rechtsstaat een topprioriteit moet blijven voor het externe optreden van de Unie, en hecht daarom het allergrootste belang aan de inspanningen die worden geleverd om de landen van die regio dichter bij de EU te brengen, met het gedeelde doel van Europese integratie, onder andere door het bevorderen van hervormingen en versterking van de regionale samenwerking en de interetnische verzoening om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen en de toetreding voor te bereiden; beveelt aan om een internationale conferentie over de toekomst van de Westelijke Balkan bijeen te roepen, die de landen in de regio en de relevante regionale en wereldwijde spelers samenbrengt om de uitdagingen waar de regio op dit moment voor staat te benoemen en aan te pakken;
44. wijst met voldoening op de steeds vreedzamere en stabielere situatie in Kosovo en op de inspanningen om een multi-etnische samenleving op te bouwen, zoals ook blijkt uit de rustig en ordelijk verlopen lokale verkiezingen die op 15 november 2009 hebben plaatsgevonden; beseft dat niet alle lidstaten de onafhankelijkheid van Kosovo hebben erkend; is verheugd over het feit dat de in Kosovo opgezette rechtsstaatmissie EULEX, de grootste civiele GVDB-missie die tot dusver door de EU is georganiseerd, op volle operationele capaciteit draait op basis van de statusneutrale benadering van de Verenigde Naties; onderstreept het belang dat de missie bij de bevordering van de interetnische verzoening, de rechtsstaat, de openbare orde en de veiligheid in geheel Kosovo vervult door de Kosovaarse instellingen, justitiële autoriteiten en wetshandhavinginstanties bij te staan in hun ontwikkeling naar duurzaamheid en democratische controle; is wat dat betreft ingenomen met het besluit om in het noorden van Kosovo een nieuw EU-bureau te openen; wijst niettemin op de noodzaak het aantal openbare aanklagers dat in het kader van EULEX actief is te verhogen, en roept de lidstaten op daarvoor extra personeel beschikbaar te stellen;
45. spoort de Raad ertoe aan – met de steun van de internationale gemeenschap – zijn inspanningen voort te zetten om de dialoog met de politieke leiders van Bosnië en Herzegovina (BiH) voort te zetten teneinde het land en zijn volksgemeenschappen te helpen door te gaan op de weg naar Europese integratie; neemt nota van de gezamenlijke diplomatieke initiatieven van het EU-voorzitterschap, de Europese Commissie en de Amerikaanse regering, en pleit voor verdere onderhandelingen onder inachtneming van de in eerdere stadia door de politici in BiH aangegane akkoorden; wijst opnieuw op de noodzaak om parlementsleden en het maatschappelijk middenveld nauwer te betrekken bij de instandhouding van levensvatbare condities in het land;
Oostelijk partnerschap, samenwerking in het Zwarte-Zeegebied
46. handhaaft zijn steun voor de ontwikkeling van het oostelijk partnerschap met de Europese buurlanden van de Unie door deze economisch te integreren in de interne markt en door intensivering van de politieke, economische en culturele samenwerking; onderstreept het belang van de invulling van dit partnerschap met geloofwaardige projecten en concrete stimulansen voor hervormingen op middellange en lange termijn waardoor de samenlevingen in de partnerlanden zich krachtiger zouden inzetten voor het proces van modernisering en integratie in de EU; wijst in het bijzonder op de noodzaak – met behoud van de veiligheid voor alle EU-burgers – geleidelijk alle belemmeringen voor het vrije personenverkeer op te heffen (inclusief de uiteindelijke vrijstelling van de visumplicht) en de samenwerking op alle veiligheidsterreinen te versterken, met name ook op het gebied van de energiezekerheid; herhaalt zijn standpunt dat er voor het partnerschap voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken; benadrukt de noodzaak dat het partnerschap aansluit bij regionale initiatieven, in het bijzonder de Synergie voor het Zwarte-Zeegebied;
47. wijst nogmaals op het belang van doeltreffender regionale samenwerking binnen het Oostelijke Nabuurschap voor de EU, in de geest waarvan de EU de uitvoering zal steunen van doelgerichte projecten uit hoofde van zowel het Oostelijke Partnerschap als de Synergie van het Zwarte-Zeegebied, die volledig op elkaar aan moeten sluiten;
48. verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger met meer nadruk te streven naar de uitvoering van projecten in het kader van de Synergie van het Zwarte-Zeegebied; dringt er tevens bij de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan nieuwe ideeën te ontwikkelen voor een doeltreffende strategie voor de samenwerking met de landen van de Zwarte Zee, die ook een stabiliteitspact voor dit gebied zou kunnen omvatten;
49. verwelkomt de pro-Europese opstelling van de nieuwe regering van de Republiek Moldavië en hoopt op snellere binnenlandse hervormingen in dit land zodat economische integratie, politieke associatie en institutionele toenadering tussen de Republiek Moldavië en de EU bereikt wordt; spoort de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger aan multilaterale oplossingen vast te stellen om de impasse rond Transnistrië te doorbreken;
50. neemt nota van het verloop en het resultaat van de presidentsverkiezingen in Oekraïne; doet een beroep op alle partijen hun bijdrage eraan te leveren het land de nodige politieke, economische en sociale stabiliteit te brengen, en moedigt Oekraïne aan te zorgen voor meer interoperabiliteit met de Europese Unie om zo zijn Europees perspectief te bestendigen;
Rusland
51 verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger erop toe te zien dat de benadering van de EU van Rusland - met inbegrip van de onderhandelingen over een nieuwe Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst - van coherentie getuigt en in het teken staat van de gehechtheid van de EU aan de waarden van de democratie, de eerbieding van de mensenrechten en de regels van de rechtsstaat, alsook van het internationale recht; onderstreept tevens de behoefte aan een met nieuw elan bezield partnerschap met Rusland, gebaseerd op wederzijds respect en wederkerigheid, ten aanzien van de vraagstukken terrorismebestrijding, energieveiligheid en energievoorziening, klimaatverandering, ontwapening, conflictpreventie en non-proliferatie van kernwapens alsook met betrekking tot Iran, Afghanistan en het Midden-Oosten, en wel in het belang van de versterking van de mondiale veiligheid en stabiliteit; is van oordeel dat samenwerking op deze punten de grondslag moet vormen voor de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland en ziet daarom uit naar spoedige vooruitgang bij de huidige onderhandelingen over een nieuwe uitgebreide overeenkomst, waarvan een aanzienlijke stimulering van de betrekkingen tussen de EU en Rusland wordt verwacht; dringt er bij de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan om acties te coördineren, overleg makkelijker te maken en de communicatie tussen de lidstaten inzake bilaterale kwesties van gemeenschappelijk belang met de Russische Federatie te verbeteren; benadrukt de noodzaak dat de lidstaten hun betrekkingen met de Russische Federatie coördineren op basis van de algemene belangen van de Unie en op zodanige wijze dat deze belangen voldoende en consequent worden weerspiegeld en behartigd;
Zuidelijke Kaukasus
52. verzoekt de Raad met nadruk aan te dringen op de volledige tenuitvoerlegging van de bestandsovereenkomst tussen de Russische Federatie en Georgië en roept de EU op het principe van de territoriale integriteit van Georgië en de eerbiediging van minderheden te handhaven; is ingenomen met de verlenging van het mandaat van de waarnemingsmissie van de EU en dringt er bij de Raad op aan ervoor te zorgen dat de EU-waarnemers volledige toegang krijgen tot alle gebieden die door het conflict getroffen zijn, met inbegrip van de afgescheiden regio's Abchazië en Zuid-Ossetië, en daartoe de financiële instrumenten van de EU in te zetten om hulp te bieden aan de bevolkingen in het hele conflictgebied; roept de EU met betrekking tot het verslag van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie voor het conflict in Georgië ertoe op lering te trekken uit het verleden met het oog op de ontwikkeling van effectieve conflictpreventiemechanismen, waarbij onder andere moet worden gedacht aan het stimuleren van intermenselijke contacten;
53. dringt er bij de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan de EU-initiatieven om conform het internationale recht te komen tot een doeltreffende conflictpreventie en een vreedzame regeling voor de conflicten in Nagorno-Karabach en Transnistrië, en met name voor het conflict tussen Rusland en Georgië en zijn afgescheiden regio's Zuid-Ossetië en Abchazië, door aan de besprekingen te Genève een nieuwe dynamiek te geven; wijst op het gevaar dat bevroren conflicten in de regio kunnen overslaan naar elders; beveelt in dit verband aan om een conferentie over veiligheid en samenwerking in de Zuidelijke Kaukasus op te richten, waarop de betrokken landen en de relevante regionale en wereldwijde spelers samenkomen om tot een stabiliteitspact voor de Zuidelijke Kaukasus te komen; begroet de recente toenadering tussen de regeringen van Turkije en Armenië en dringt aan op ratificatie van de akkoorden door de parlementen van deze landen;
Het Midden-Oosten
54. onderstreept dat de in het kader van het vredesproces te voeren onderhandelingen binnen een beperkt tijdsbestek en in een klimaat van wederzijds vertrouwen moeten worden gevoerd; is van mening dat zij zich moeten richten op de instelling van een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat binnen de grenzen van 1967, die met inachtneming van alle desbetreffende VN-resoluties binnen internationaal erkende grenzen in vrede en veiligheid naast de staat Israël moet kunnen bestaan;
55. roept de EU overeenkomstig de conclusies van de Raad van 12 december 2009 ertoe op om conform de financiële verplichting die zij is aangegaan tot ondersteuning van het Palestijns economisch herstel en om de dramatische humanitaire crisis in Gaza te helpen oplossen, een zwaardere politieke rol te gaan vervullen bij de voortdurende internationale inspanningen om het vredesproces nieuw leven in te blazen; dringt er bij de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan alle middelen in overweging te nemen om een duurzame vrede in de regio te bevorderen;
56. verheugt zich over het besluit van de Raad om het mandaat van de politiemissie van de EU voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) te verlengen tot december 2010; is van mening dat er behoefte is aan forsere steun voor de ontwikkeling van de rechtsstaat en van de politiële capaciteiten en dringt in dit verband aan op krachtiger inspanningen; neemt nota van het besluit van de Raad om het mandaat van de missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) te verlengen en van zijn vastberaden voornemen en bereidheid om de missie nieuw leven in te blazen; is van mening dat dit vaste voornemen zou moeten resulteren in concrete initiatieven tot herstel van het vrije verkeer in de Palestijnse gebieden en in het reactiveren van de in 2005 gesloten overeenkomst inzake toegang en verkeer waartoe de betrokken partijen zich hebben verbonden;
De Unie voor het Middellandse-Zeegebied
57. acht het van belang dat de politieke dialoog tussen de leden van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied op alle niveaus intenser wordt om de spanningen die tot uitstel van de oprichting van het in Barcelona te vestigen secretariaat en de promotie van concrete projecten van wederzijds sociaal, economisch en ecologisch belang hebben geleid, te ondervangen; hoopt dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied kan bijdragen tot het oplossen van de conflicten in het Midden-Oosten, de toenadering tussen Turkije en Cyprus en de democratische ontwikkeling van de Arabische staten;
58. onderstreept dat de instelling van een gedeeld voorzitterschap wat de EU-zijde betreft verenigbaar moet zijn met de bepalingen inzake externe vertegenwoordiging van de Europese Unie in het Verdrag van Lissabon; wijst er eens te meer op dat het Verdrag van Lissabon de EU in de gelegenheid stelt de consistentie, samenhang en continuïteit van haar vertegenwoordiging in de nieuwe instellingen van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied te waarborgen;
Azië
59. merkt op dat voor Afghanistan na de verkiezingen thans een beslissende en kritieke periode intreedt met de vorming van een nieuwe regering in Kaboel, die de kans biedt om een nieuwe agenda en een nieuw contract met het Afghaanse volk te formuleren;
60. is ingenomen met het actieplan van de Raad voor een krachtiger EU-optreden in Afghanistan en Pakistan, dat op de zitting van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van oktober 2009 is aangenomen, alsook met de verklaring waarbij de Raad zich opnieuw bereid verklaart de problemen in de regio in samenwerking met de betrokken landen en de internationale partners te helpen oplossen, maar benadrukt dat het bij dit plan zal blijven tenzij er van de zijde van de EU-lidstaten een duidelijke toezegging komt om aan de uitvoering daarvan bij te dragen; roept de Raad, de Commissie en het Zweedse voorzitterschap op een gezamenlijke inspanning te doen om het plan onverwijld en vóór eind 2009 ten uitvoer te leggen; dringt er bij de Raad op aan meer voorgang te maken met de volledige stationering van het in het kader van EUPOL in te zetten personeel, ten einde een duurzame en doeltreffende civielepolitiestructuur tot stand te brengen die de veiligheidssituatie kan verbeteren;
61. onderkent dat Pakistan nog steeds met zeer ernstige problemen af te rekenen heeft en onderschrijft de krachtige steun die de EU biedt aan een sterke, seculiere en civiele Pakistaanse regering; benadrukt de cruciale rol van Pakistan in de regio en wijst er eens te meer op dat een stabiel, democratisch en welvarend Pakistan ook van essentieel belang is voor het oplossen van mondiale problemen zoals terrorismebestrijding, non-proliferatie van kernwapens, drugsbestrijding en mensenrechten, en spoort Pakistan er krachtig toe aan een alomvattende strategie te ontwikkelen voor de bestrijding van het terrorisme en het aanpakken van de diepere oorzaken daarvan;
62. steunt het beleid van de EU ter ondersteuning van de democratie in een verenigd, federaal Irak; betuigt met nadruk zijn steun voor de krachtige en voortdurende inzet van de EU voor de ontwikkeling van de rechtsstaat in Irak, en is ingenomen met de verlenging met een jaar van het mandaat van EUJUST LEX en haar proefprojecten op Iraaks grondgebied; is benieuwd naar de verdere activiteiten die de Raad in dit verband in het vooruitzicht heeft gesteld; vraagt om meer institutionele interactie, met name voor wat economische kwesties betreft, met de instanties van de Koerdische regionale regering; verzoekt de Commissie de ingebruikneming van haar eigen gebouwen in Bagdad te bespoedigen;
63. maakt zich ernstig zorgen over de politieke ontwikkelingen in Iran en de gemelde massale verkiezingsfraude tijdens de presidentsverkiezingen van juni 2009, die aanleiding heeft gegeven tot de grootste protestbeweging in het dertigjarige bestaan van de Islamitische Republiek Iran, met tot op vandaag manifestaties die op gewelddadige wijze worden onderdrukt door de veiligheidstroepen; maakt zich niet alleen ernstig zorgen over de arrestaties en folteringen van en de moordaanslagen op politieke tegenstanders, maar ook over de aanhoudende impasse in de onderhandelingen over het Iraanse kernprogramma, en vraagt de Iraanse regering om serieuze onderhandelingen over dit programma aan te gaan; betreurt dat de Iraanse overheid het in januari 2010 geplande bezoek van de delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met Iran geannuleerd heeft, en geeft uiting aan zijn solidariteit met de Iraanse burgers die op gevaar van eigen leven publiekelijk blijven eisen om respect voor de mensenrechten en meer democratische vrijheid in Iran; veroordeelt de pogingen van Iran om de vrije verspreiding van informatie te verhinderen door buitenlandse uitzendingen te storen en het internet te blokkeren; vraagt dat de Raad en de Commissie sancties overwegen tegen individuele leden van de administratieve diensten en veiligheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor het grootschalige schenden van de mensenrechten, en maatregelen te nemen ter ondersteuning van die deelnemers van de Groene Beweging die vervolgd worden en/of als gevolg van hun benarde situatie het land ontvluchten;
64. stelt vast dat de economische betrekkingen tussen de EU en China een voortdurende groei laten zien en dat de menselijke contacten zich tot vele terreinen hebben uitgebreid en in omvang zijn toegenomen; blijft echter uiterst bezorgd over de geringe bereidheid van de Chinese autoriteiten om de talrijke schendingen van de mensenrechten aan te pakken en ervoor te zorgen dat de bevolking gebruik kan maken van grondrechten en vrijheden;
65. is ingenomen met de inspanningen van zowel Taipei als Peking om de betrekkingen tussen China en Taiwan te verbeteren, die bijdragen tot meer stabiliteit en veiligheid in Oost-Azië, en moedigt beide partijen ertoe aan de dialoog nog te verdiepen, de praktische samenwerking verder uit te bouwen en het onderlinge vertrouwen te versterken; prijst de verklaring van de Raad van 8 mei 2009, waarin herhaald wordt dat de Raad voorstander is van de aansluiting van Taiwan bij de Wereldgezondheidsorganisatie; is overtuigd voorstander van de aanwezigheid van Taiwan als waarnemer in relevante internationale organisaties en bij relevante internationale activiteiten, zoals de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, indien de aanwezigheid van Taiwan belangrijk is voor de EU en voor de wereld;
66. herhaalt dat het overtuigd voorstander is van een versterking van de strategische betrekkingen tussen de EU en India en van onderzoek naar andere manieren om deze betrekkingen op voor beide partijen belangrijke vlakken in de economische en politieke sector en in de veiligheids- en handelssector, te opwaarderen;
67. erkent de groeiende rol van ASEAN als kracht voor regionale stabiliteit en welvaart; is van mening dat de EU en ASEAN, die allebei regionale integratie aanhangen, goede samenwerkingsmogelijkheden hebben; merkt op dat er maatregelen voor intensievere economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en ASEAN nodig zijn om de algemene betrekkingen tussen de twee gebieden te helpen consolideren en verdere vooruitgang te stimuleren op het vlak van politieke samenwerking en veiligheid, ter bevordering van de democratie en de mensenrechten, op energie- en milieuvlak, op sociaal-cultureel gebied, en op het terrein van samenwerking en ontwikkeling;
Afrika
68. stelt tot zijn voldoening vast dat EUNAVFOR Atalanta nog steeds een succesvolle bijdrage levert aan de maritieme veiligheid voor de kust van Somalië bij de bescherming van de schepen die door het Wereldvoedselprogramma zijn gecharterd voor de levering van voedselhulp aan Somalië, van schepen die ladingen vervoeren welke van kritiek belang zijn voor de vredesondersteunende operatie van de Afrikaanse Unie in Somalië en van andere kwetsbare schepen; is er verheugd over dat de Raad heeft besloten het mandaat voor deze operatie tot 12 december 2010 te verlengen; spreekt zijn steun uit voor de lancering van een crisisbeheeroperatie om bij te dragen aan de opleiding van de Nationale veiligheidstroepen van de Somalische overgangsregering; onderstreept de noodzaak de opgeleide veiligheidstroepen in staats- en bevelsstructuren te integreren, zodat ze zich na hun terugkomst niet tegen de regering keren die ze geacht worden te beschermen;
Latijns-Amerika
69. attendeert nogmaals op het voorstel dat het heeft geformuleerd in zijn resolutie van 15 november 2001 over een globaal partnerschap en een gemeenschappelijke strategie voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika[6], en dat later is herhaald in zijn resoluties van 27 april 2006[7] en 24 april 2008[8], die respectievelijk zijn aangenomen met het oog op de in Wenen en Lima te houden EU-LAC-topconferenties en dat de opstelling beoogt van een Europees-Latijns-Amerikaans handvest voor vrede en veiligheid dat – op basis van het VN-Handvest – zou voorzien in het opzetten van gezamenlijke politieke, strategische en veiligheidsgerelateerde acties en initiatieven; verzoekt de Raad en de Commissie actief stappen ondernemen om dit ambitieuze doel te verwezenlijken en dit voorstel te ondersteunen op de volgende EU-LAC-top, die in mei 2010 zal plaatsvinden in Madrid;
70. is van mening dat er prioriteit moet worden verleend aan een snelle ondertekening van de associatieovereenkomst met de landen van Midden-Amerika en de multilaterale overeenkomst met de Andesgemeenschap alsook aan de voortzetting van de onderhandelingen over de associatieovereenkomst met Mercosur;
-o0o-
71. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de fungerend voorzitter van de OVSE, de voorzitter van de Parlementaire Assemblee van de OVSE, de voorzitter van de WEU-Assemblee, de voorzitter van het Comité van ministers van de Raad van Europa en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.
- [1] PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
- [2] Aangenomen teksten, P6_TA (2008)0254.
- [3] Aangenomen teksten, P6_TA (2009)0074.
- [4] Aangenomen teksten, P7_TA-PROV(2009)0057.
- [5] PB C 298 van 30.11.2002, blz. 1.
- [6] PB C 140 E van 13.6.2002, blz. 569.
- [7] PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 123.
- [8] Aangenomen teksten, P6_TA (2008)0177.
MINDERHEIDSSTANDPUNT
overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Reglement
Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links
Hoewel in het verslag enkele geringe verbeteringen worden voorgesteld, bij voorbeeld over het toezicht van het Europees Parlement op het GBVB, zijn wij er geheel en al tegen, omdat het verslag:
– militarisatie als kernelement in het GBVB verdedigt en verder bevordert;
– de synergie van civiele en militaire capaciteit bevordert;
– uiting geeft aan tevredenheid over de veranderingen die door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon teweeggebracht worden op het gebied van externe zaken, met inbegrip van alle institutionele veranderingen, zoals de Europese dienst voor extern optreden en de instelling van een vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger; daardoor wordt ook een verdere verschuiving van de EU naar een sterker gemilitariseerde Unie toegejuicht;
– de versterking verdedigt van de samenwerking tussen de EU en de NAVO op grond van de Berlijn Plus-overeenkomsten, die het gebruik van EU- en NAVO-capaciteit toestaan om beide organisaties de mogelijkheid te geven met militaire middelen in crises in te grijpen en de weg voor een meer strategische dialoog in deze richting vrijmaken;
– de unilaterale onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo en de rol van de EULEX –missie ondersteunt;
– uiting geeft aan tevredenheid over de werkzaamheden van EUNAVFOR Atalanta voor de kust van Somalië.
Wij vragen om:
– een civiele EU en een strikte scheiding van EU en NAVO;
– een GBVB dat zich op vreedzame beginselen baseert;
– eerbiediging van het internationaal recht;
– het gebruik van militaire uitgaven voor civiele doeleinden;
– sluiting van alle militaire bases in Europa.
Willy Meyer, Sabine Lösing en Takis Hadjigeorgiou
ADVIES van de Begrotingscommissie (28.1.2010)
aan de Commissie buitenlandse zaken
inzake het jaarverslag-2008 over het GBVB
(2009/2057(INI))
Rapporteur voor advies: Nadezhda Neynsky
SUGGESTIES
De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. betreurt het feit dat, ondanks het toenemende belang van het GBVB voor de rol van de EU als globale partner, met de uitvoering van het GBVB in 2008 een bedrag van EUR 289 miljoen gemoeid was, d.w.z. minder dan 4% van het totaalbedrag voor rubriek 4; wijst erop dat de goedkeuring van het totaalbedrag voor het GBVB en de verdeling over verschillende begrotingslijnen beperkt worden door hetgeen is bepaald in punt 42 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (IA)[1]waarin onder meer een minimumbedrag wordt vastgelegd voor het geval beide takken van de begrotingsautoriteit niet tot overeenstemming komen, en waarin opneming van kredieten in een reserve wordt verboden; herhaalt in dit verband zijn verontrusting over de intergouvernementele aard van dit beleid, dat gestuurd wordt door de besluiten die de Raad neemt op de grondslag van zijn voorspellingen en dat gefinancierd wordt uit de EU-begroting;
2. is van mening dat de regelmatige overlegbijeenkomsten van het Parlement en de voorzitter van het Politiek en Veiligheidscomité overeenkomstig punt 43 van het IA, niet alleen gericht moeten zijn op de uitwisseling van standpunten over lopende GBVB-missies, maar eveneens op de evaluatie van het welslagen en de tekortkomingen van afgeronde missies en op de formulering van een toekomstgerichte benadering van de toekomstige behoeften op het gebied van het GBVB; is van oordeel dat door een dergelijke benadering onder meer een bijdrage moet worden geleverd tot fijnafstemming van de evaluatie van financiële aspecten van missies;
3. is er in dit verband van overtuigd dat de Europese Unie de lessen van afgeronde missies moet overnemen en alle aspecten moet meenemen (financiën, prognoses, tenuitvoerlegging, administratieve organisatie, enz.) om een geconsolideerd “archief” op te bouwen van GBVB-missies ter vergemakkelijking van het besluitvormingsproces;
4. gelooft in de toegevoegde waarde van een uitgebreidere en meer alomvattende benadering in het kader van de jaarverslagen over het GBVB en met name de hoofdstukken die daarin gewijd zijn aan regionale groepen en partners en de onderlinge verbinding tussen GBVB/GVDB-missies en andere instrumenten die de rol van de EU als globale partner bevorderen; is van oordeel dat een dergelijke zienswijze onder meer een beter overzicht mogelijk zou maken van het totaalbedrag van de bijdrage uit de EU-begroting in een bepaalde regio;
5. steunt ten volle het reeds gedane werk op het gebied van de opstelling van richtsnoeren en de uitwisseling van optimale werkmethoden ter verbetering van de gezamenlijke opleiding van personeel; is ervan overtuigd dat meer samenhang en cohesie met betrekking tot personeel ter plekke een steun is voor de organisatie van missies en eveneens de detachering van staatsburgers van de EU vergemakkelijkt, hetgeen louter vanuit begrotingsstandpunt de voorkeur geniet boven het inzetten van internationale arbeidscontractanten;
6. wijst op de kardinale rol die speciale vertegenwoordigers van de EU (SVEU's) en de toegevoegde waarde die zij zouden kunnen vertegenwoordigen in het kader van de invoering van het nieuwe buitenlandse beleid na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (optimale coördinatie van Gemeenschapfinanciering met besluiten van de Raad, betere interne coördinatie van het beleid en betere vertegenwoordiging naar buiten toe, enz.); wijst erop dat dubbelfuncties in dit opzicht de eerste – maar niet de enige – stap is die moet worden gezet om schaalbesparingen te bewerkstelligen en het GBVB doelmatiger te maken;
7. wijst er dan ook op dat het Parlement momenteel geen middelen heeft om de taakomschrijving van een SVEU aan te vechten, daar de kredieten voor de waarneming van een dergelijke taak deel uitmaken van artikel 19 03 06, waaruit alle SVEU-functies worden betaald; dringt dan ook aan op meer parlementair onderzoek naar en toezicht op de benoeming van SVEU´s;
8. herhaalt zijn verontrusting over het gebrek aan openbaarheid en informatie over de financiering van de gezamenlijke kosten van EU-optreden met militaire gevolgen of consequenties op defensiegebied, daar het Athena-mechanisme duidelijk geen overzicht biedt van alle financiële gevolgen van in het kader van het GBVB uitgevoerde missies; spreekt dan ook zijn waardering uit voor de oprichting van het startfonds overeenkomstig artikel 41, lid 3, van het EU-Verdrag en verzoekt over het beheer ervan te worden geraadpleegd; wijst erop dat meer betrokkenheid van het Parlement bij de formulering, controle en follow-up van het GBVB voortvloeit uit het onderlinge verband tussen GBVB en GVDB zoals wordt benadrukt in artikel 42 van het EU-Verdrag, en uit het verscherpte parlementaire toezicht op nationaal en Europees niveau dat verankerd is in het daarbij gevoegde Protocol nr. 1;
9. wijst erop dat ten gevolge van de vrij beperkte begroting waarover het GBVB beschikt alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de capaciteiten, zonder dat er middelen verspild worden; geeft bij wijze van voorbeeld in overweging dat er moet worden nagedacht over het gebruik van gezamenlijke pakhuizen en opslagfaciliteiten voor materieel en materiaal en over het gezamenlijk gebruik van vervoersmiddelen;
10. verwacht dat bovengenoemde overwegingen naar behoren in aanmerking zullen worden genomen bij de onderhandelingen over de aanpassing van het IA en de specifieke onderdelen ervan met betrekking tot de financiering van het GBVB.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
27.1.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
25 1 1 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Damien Abad, Marta Andreasen, Francesca Balzani, Reimer Böge, Lajos Bokros, Giovanni Collino, Göran Färm, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazábal Rubial, Jens Geier, Ivars Godmanis, Ingeborg Gräßle, Carl Haglund, Jiří Havel, Sidonia Elżbieta Jędrzejewska, Sergej Kozlík, Vladimír Maňka, Barbara Matera, Sergio Paolo Francesco Silvestris, László Surján, Helga Trüpel, Derek Vaughan, Angelika Werthmann |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
François Alfonsi, Roberto Gualtieri, Giovanni La Via, Paul Rübig |
|||||
- [1] PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
23.2.2010 |
||
|
Uitslag eindstemming |
+: -: 0: |
51 4 1 |
|
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Gabriele Albertini, Pino Arlacchi, Bastiaan Belder, Frieda Brepoels, Arnaud Danjean, Mário David, Michael Gahler, Marietta Giannakou, Andrzej Grzyb, Heidi Hautala, Richard Howitt, Anna Ibrisagic, Anneli Jäätteenmäki, Jelko Kacin, Ioannis Kasoulides, Tunne Kelam, Maria Eleni Koppa, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Eduard Kukan, Krzysztof Lisek, Sabine Lösing, Mario Mauro, Kyriakos Mavronikolas, Willy Meyer, Francisco José Millán Mon, Alexander Mirsky, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Norica Nicolai, Kristiina Ojuland, Ria Oomen-Ruijten, Pier Antonio Panzeri, Ioan Mircea Paşcu, Cristian Dan Preda, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, Werner Schulz, Adrian Severin, Marek Siwiec, Ernst Strasser, Charles Tannock, Zoran Thaler, Inese Vaidere, Johannes Cornelis van Baalen, Graham Watson |
||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Laima Liucija Andrikienė, Charalampos Angourakis, Elena Băsescu, Malika Benarab-Attou, Carlo Casini, Andrew Duff, Lorenzo Fontana, Roberto Gualtieri, Georgios Koumoutsakos, Luis Yáñez-Barnuevo García |
||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Bas Eickhout |
||