VERSLAG over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank

23.3.2010 - (C7‑0044/2010 – 2010/0813(NLE))

Commissie economische en monetaire zaken
Rapporteur: Sharon Bowles
PR_NLE_art109

Procedure : 2010/0813(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A7-0059/2010
Ingediende teksten :
A7-0059/2010
Debatten :
Aangenomen teksten :

VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank

(C7‑0044/2010 – 2010/0813(NLE))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010[1],

–   gelet op artikel 283, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0044/2010),

–   gelet op artikel 109 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0059/2010),

A.  overwegende dat de Raad het Europees Parlement op 24 februari 2010 heeft geraadpleegd over de benoeming van Vítor Constâncio tot vicepresident van de Europese Centrale Bank voor een termijn van acht jaar,

B.   overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de referenties van de kandidaat heeft beoordeeld, met name tegen de achtergrond van de eisen in artikel 283, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en gezien het feit dat de ECB overeenkomstig artikel 130 volstrekt onafhankelijk dient te zijn, en overwegende dat de commissie in het kader van de uitvoering van deze beoordeling een CV van de kandidaat heeft ontvangen alsook diens antwoorden op de hem toegezonden vragenlijst,

C.  overwegende dat de commissie de kandidaat vervolgens op 23 maart 2010 gedurende twee uur heeft gehoord; bij deze gelegenheid heeft hij een inleidende verklaring afgelegd en vragen van de commissieleden beantwoord,

1.   brengt aan de Europese Raad positief advies uit over de aanbeveling van de Raad Vítor Constâncio te benoemen tot vicepresident van de Europese Centrale Bank;

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad en de Raad.

  • [1]  Nog niet gepubliceerd in het PB.

Bijlage (1): CURRICULUM VITAE VAN Vítor Constâncio

Opleiding

1965                      Afgestudeerd als econoom aan het Instituto Superior de Ciências Económicas e Financeiras (thans Instituto Superior de Economia e Gestão, ISEG) van de Technische Universiteit Lissabon

1973-1974               Postdoctorale studie aan de Universiteit van Bristol (VK).

Werkervaring

1965-1973            Lector Economie aan het ISEG; doceert economie I, economie II (macro-economie) , geschiedenis van het economisch denken, nationale rekeningen en economische planning.

1972-1973            Afdelingshoofd Economische planning en mondiale programmering bij het Centrum van planningsonderzoek. In deze functie verantwoordelijk voor de macro-economische projecties van het IV nationale ontwikkelingsprogramma.

                              Hoogleraar aan het Instituto Superior do Serviço Social; doceert inleiding tot de economie.

1974-1975            Staatssecretaris planning in de eerste en tweede voorlopige regering.

1975                      Hoofd Onderzoek van de centrale bank (Banco de Portugal)

1976                      Staatssecretaris Begroting en planning.

1977                      Vicegouverneur van de centrale bank (Banco do Portugal).

                              Voorzitter van de Commissie Eenwording met Europa, belast met de onderhandelingen over het Portugese lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap (functie hervat in 1979 na in 78 te zijn benoemd tot minister van Financiën met behoud van de verantwoordelijkheid voor de onderhandelingen met de Europese Gemeenschap ).

1978                      Minister van Financiën Onderhandelingen over en uitvoering van het eerste door de Portugese republiek met het Internationaal Monetair Fonds overeengekomen stabilisatieprogramma.

1979                      Vicegouverneur van de centrale bank (Banco do Portugal).

                              Voorzitter van de Commissie Eenwording met Europa, belast met de onderhandelingen over het Portugese lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap

1980-1981            Hoogleraar in de postdoctoraal cursus over Europese eenwording aan de Katholieke Universiteit, doceert theorie van economische eenwording.

                              Lid van het parlement en voorzitter van de parlementaire commissie Europese aangelegenheden.

                              Voorzitter van de Portugese afdeling van de Europese beweging.

1981-1984            Vicegouverneur van de centrale bank (Banco do Portugal).

1982-1984            Gasthoogleraar aan de Universidade Nova de Lisboa; doceert monetaire theorie en beleid.

1985-1986            Gouverneur van de centrale bank (Banco do Portugal). Legt in deze hoedanigheid een ingrijpende hervorming van de Portugese geldmarkt ten uitvoer, waardoor het mogelijk wordt de rentetarieven te laten bepalen door de markt. Aldus wordt de weg vrijgemaakt voor een meer marktgerichte methode om monetair beleid te voeren. De rentetarieven worden vrijgegeven en er wordt een werkelijke deviezenmarkt opgezet met dagelijkse koersbepaling. Tegelijkertijd wordt de banksector opengesteld voor particuliere en buitenlandse banken. Door deze hervormingen kan het land zich erop voorbereiden zijn beleid uit te voeren op een manier die beter aansluit op het volledige lidmaatschap van de EEG, dat in januari 86 een feit wordt.

1987-1988            Lid van het parlement.

1989-1994            Hoogleraar Economie aan het Instituto Superior de Economia e Gestão (Technische Universiteit Lissabon) als coördinator van de mastersopleiding monetaire en financiële economie; doceert macro-economie en monetaire theorie en beleid.

                              Hoofdadviseur bij de centrale bank (Banco do Portugal).

                              1989 – namens de IFC (Wereldbank) een bezoek aan Polen, ter herziening van het bankstelsel en opstelling van een nieuwe wet over openstelling van de Poolse banksector voor buitenlandse banken, op basis van de in Portugal opgedane ervaring.

                              1990 – namens de IFC (Wereldbank) tweede bezoek aan Polen, ter herziening van het bankstelsel in het kader van een rondetafelconferentie met buitenlandse banken.

                              1990 – derde bezoek namens de IFC (Wereldbank), deze keer aan Tsjecho-Slowakije, over herziening van het bankstelsel en opstelling van wetgeving over de toelating van buitenlandse banken.

                              1991 – Namens de Wereldbank bezoek aan Angola, over monetair beleid en bankhervorming.

                              1991 – Hoofd van de delegatie namens de Zweedse internationale ontwikkelingshulp (SIDA) in Angola, ter bespreking van macro-economisch beleid.

                              1993-94 - Voorzitter van Lisboa 94, de eenheid belast met het organiseren van de ceremonies in verband met Lissabon, culturele hoofdstad van Europa, een initiatief van de Commissie.

1995-1999            Hoogleraar Economie aan het Instituto Superior de Economia e Gestão (Technische Universiteit Lissabon), als coördinator van de mastersopleiding Monetaire en financiële economie; doceert macro-economie en monetaire theorie en beleid.

                              Lid van de Conselho de Estado, een orgaan dat de president van de republiek adviseert en dat is opgezet in het kader van de Portugese grondwet.

                              Lid van de raad van bestuur (uitvoerend directeur) van de Banco Português de Investimento (BPI), een toonaangevende groep van Portugese particuliere banken, waar hij verantwoordelijk is voor begroting, boekhouding en sturing van de gevaren van de financiële markt. Vertegenwoordigt BPI als niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur van PT, het Portugese telecommunicatiebedrijf, en vervolgens als niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur van EDP, het Portugese elektriciteitsbedrijf.

2000-2009            Gouverneur van de centrale bank (Banco do Portugal). In deze hoedanigheid eveneens lid van de raad van bestuur van de ECB .

                              Hoogleraar Economie aan het Instituto Superior de Economia e Gestão (Technische Universiteit Lissabon), als coördinator van de mastersopleiding Monetaire en financiële economie; doceert monetair beleid.

Bijlage (2): antwoorden van Vítor Constâncio op de vragenlijst

A. Persoonlijke achtergrond en beroepservaring

1.        Beschrijf de belangrijkste aspecten van uw beroepservaring op het vlak van monetaire, financiële en bedrijfseconomische aangelegenheden.

Mijn ervaring met de genoemde aangelegenheden houdt verband met de functies die ik heb bekleed als centraal bankier, hoogleraar economie en privébankier. Zoals u hebt kunnen lezen in mijn curriculum vitae, heb ik gedurende vele jaren verschillende economiecursussen gegeven en ben ik, meer in het bijzonder, van 1989 tot 2000 hoogleraar economie geweest aan het Instituto Superior de Economia e Gestão (Technische Universiteit van Lissabon), Coördinator van het Master-programma Monetaire en Financiële Economie en heb ik de cursussen Macro-economie en Monetaire Theorie en Beleid gegeven. Vanaf 2000 tot en met de dag van vandaag heb ik alleen een semestercursus over Monetair Beleid gegeven.

Van 1995 tot begin 2000 ben ik lid geweest van de Directie (Algemeen Directeur) van Banco Português de Investimento (BPI), een vooraanstaande particuliere Portugese bankgroep, en was ik verantwoordelijk voor Begroting, Financiële Verslaglegging en Beheer van Financiële Marktrisico's. Deze ervaring leverde me waardevolle praktische kennis op van het bankwezen in het algemeen, maar met bijzondere nadruk op financiële verslaglegging en risicobeheer, kennis die ik van groot belang acht voor mijn verantwoordelijkheden als centraal bankier. Als vertegenwoordiger van BPI ben ik tevens toezichthoudend bestuurder geweest van PT, het Portugees Telecommunicatiebedrijf, en vervolgens als toezichthoudend bestuurder van EDP, het Portugees Elektriciteitsbedrijf.

Niettemin bestaat mijn relevantere ervaring in de huidige context uit functies die ik gedurende mijn loopbaan heb bekleed in het centralebankwezen. Ik begon bij de Banco de Portugal als Hoofd van de Onderzoeksafdeling en was daarna gedurende een aantal jaar Adjunct-Gouverneur en in 1985-86 bekleedde ik de functie van Gouverneur. Ik werd in het jaar 2000 opnieuw benoemd als Gouverneur en in 2006 herbenoemd voor een nieuw mandaat van vijf jaar. De afgelopen tien jaar ben ik dus lid geweest van zowel de Algemene Raad als de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank.

2.        Beschrijf de belangrijkste aspecten van uw Europese en internationale  beroepservaring.

In 1975-77 was ik drie keer hoofd van de Portugese Delegatie binnen het OESO-onderzoek naar de Portugese economie met betrekking tot de publicatie van het landenonderzoek. In 1977 en wederom in 1979 was ik Voorzitter van de Commissie voor Europese Integratie, belast met de lidmaatschapsonderhandelingen van Portugal met de Europese Economische Gemeenschap. In 1985-86 (in 1985 als waarnemer) was ik lid van het Comité van Presidenten van de Centrale Banken van de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap. In 1989-92 nam ik deel aan of had ik de leiding over economische missies van de IFC-World Bank in Polen, de Republiek Tsjechië en Angola.

Sinds maart 2000 ben ik lid van zowel de Algemene Raad als de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank.

3.        Wat zijn de belangrijkste beslissingen waarbij u tijdens uw carrière betrokken bent geweest?

Als minister van Financiën moest ik in 1978 beslissen over beleidsmaatregelen voor de aanpak van de betalingsbalanscrisis waar het land sinds 1976 mee werd geconfronteerd. De voorbereiding van de begroting en de ingewikkelde onderhandelingen over een stand-by regeling met het IMF, met moeilijke keuzes wat betreft rentetarieven (toen de verantwoordelijkheid van de regering) en de wisselkoers, betekenden dat moeilijke beslissingen moesten worden genomen, die uiteindelijk tot positieve resultaten leidden: het betalingsbalanstekort werd met de helft teruggebracht en de Portugese economie heeft zich met succes aangepast.

Als Gouverneur van de Centrale Bank voerde ik in 1985-86 een verregaande hervorming door van de Portugese geld- en valutamarkt ter voorbereiding op een meer marktgeoriënteerde methode van monetairebeleidsvoering. De rentetarieven werden geliberaliseerd, de Banco de Portugal creëerde en beheerde een nieuwe markt voor schatkistpapier, er werden schuldtitels van centrale banken gecreëerd en er werd een echte valutamarkt opgezet met dagelijkse koersvaststelling. Tegelijkertijd werd de banksector toegankelijk gemaakt voor particuliere en buitenlandse banken. Deze hervormingen droegen ertoe bij het land voor te bereiden op beleidsvoering die meer verenigbaar was met het volledig lidmaatschap van de EEG, dat in januari 1986 een feit werd.

B. Monetair en economisch beleid

4.        Welke doelstellingen zult u nastreven tijdens uw mandaat van acht jaar als Vice-President van de Europese Centrale Bank?

Als Vice-President van de ECB zal ik me laten leiden door dezelfde beginselen als in mijn huidige functie als Gouverneur van de Banco de Portugal: het respecteren van de juridische aspecten van het mandaat, de onafhankelijkheid van politieke en andere organen, transparantie en de hoogste normen van beroepsethiek.

Ik zal de Verdragsbepalingen volledig in acht nemen. Ik hecht groot belang aan de hoofddoelstelling van de ECB, te weten het handhaven van prijsstabiliteit, en het beginsel van onafhankelijkheid van de centrale bank. Onverminderd het hoofddoel van prijsstabiliteit, hecht ik tevens groot belang aan de secundaire doelstelling die in het Verdrag wordt gedefinieerd, namelijk het ondersteunen van het algemene economische beleid in de Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Samen met mijn collega's in de Raad van Bestuur van de ECB zullen wij ons uiterste best blijven doen om prijsstabiliteit op de middellange termijn te waarborgen ten gunste van alle Europese burgers.

5.        Wat is uw oordeel over het monetaire beleid zoals dat door het ESCB de afgelopen elf jaar ten uitvoer is gelegd? Welke veranderingen, indien van toepassing, zou u willen stimuleren wanneer u Vice-President van de ECB wordt?

De invoering van de euro in 1999 was een historische gebeurtenis in de monetaire geschiedenis. Ik heb als lid van de Raad van Bestuur van de ECB de afgelopen 10 jaar de eer gehad deelgenoot te zijn van het europroces. Ik ben van mening dat het monetaire beleid aan de Verdragsdoelstellingen heeft kunnen voldoen, zoals blijkt uit een gemiddelde inflatie van slechts 2% sinds het begin van de monetaire unie en de stevige verankering van de inflatieverwachtingen, een fundamenteel criterium van goed monetair beleid. Het vastberaden streven om de inflatie op de middellange termijn onder maar dicht bij 2% te houden, geeft de meest solide basis aan onze monetairebeleidsstrategie. Het vormt onze kompas, zoals President Trichet het graag uitdrukt.

Er is sinds het begin van de monetaire unie ruim een decennium verstreken. Vergeleken met andere Europese instellingen en andere belangrijke centrale banken is de ECB dus nog een zeer jonge instelling. Wat snel wordt vergeten, zijn de uitdagingen waarvoor de ECB zich geplaatst zag toen zij het monetaire beleid voor het eurogebied begon te voeren, en de vele onzekerheden die er toen waren. Het feit dat deze hindernissen soepel zijn genomen, en dat de ECB een volwaardige instelling van de Unie en een gerespecteerd lid van de internationale gemeenschap van centrale banken is, duidt er al op dat het monetaire beleid in het eurogebied zich naar grote tevredenheid heeft ontwikkeld en daarom naar mijn mening niet significant behoeft te worden gewijzigd. Ik zal een paar andere feiten noemen ter ondersteuning van mijn beoordeling.

De verankering van de inflatieverwachtingen rond een niveau dat in overeenstemming is met de definitie van prijsstabiliteit van de ECB, geeft naar mijn mening duidelijk aan dat de financiële markten en het grote publiek het zeer geloofwaardig achten dat het gemeenschappelijke monetaire beleid deze prijsstabiliteitsdoelstelling kan verwezenlijken.

Het feit dat de inflatieverwachtingen zelfs in de financiële crisis, toen er door sommigen een periode van deflatie werd voorspeld en toen de inflatie tijdelijk negatief werd, redelijk stabiel zijn gebleven, kan worden gezien als onomstotelijk bewijs van de geloofwaardigheid van het monetaire beleid van de ECB.

De tijdige en moedige reactie van de ECB toen de financiële onrust tot uitbarsting kwam en er een regelrechte crisis uitbrak, is nog een voorbeeld van hoe succesvol het monetaire beleid van de ECB is geweest. De verlaging van de officiële rentetarieven naar zeer lage niveaus en de introductie van verschillende buitengewone maatregelen laten zien dat de ECB in staat is snel te handelen indien dit nodig is. Het monetaire beleid heeft er samen met de steunmaatregelen van overheden ten behoeve van de financiële sector en de stimulerende begrotingsmaatregelen die eind 2008 zijn genomen in het kader van het Europese economische herstelplan, toe bijgedragen dat de situatie niet nog verder verslechterde.

Al deze feiten bewijzen dat zowel de strategie als het kader voor de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid goed zijn doordacht. In dit verband hecht ik groot belang aan de toelichtende verklaring die wij in mei 2003 hebben uitgebracht na een grondige analyse van de werking van ons monetaire kader. Aan deze analyse heb ik actief deelgenomen. Vijf punten uit die verklaring wil ik benadrukken. Ten eerste is dat de nieuwe, gekwantificeerde doelstelling voor prijsstabiliteit, gedefinieerd als een inflatie "onder maar dicht bij 2%". Deze biedt een toereikende veiligheidsmarge tegen de risico's van deflatie, terwijl tegelijkertijd het probleem van de mogelijke aanwezigheid van een meetfout in de HICP en de gevolgen van inflatieverschillen binnen het eurogebied worden ondervangen.

Het tweede punt betreft de duidelijke toewijzing van verschillende tijdskaders aan de eerdere twee pijlers, en het besluit om in onze berichtgeving te beginnen met de economische analyse, die zeer relevant is voor de operationele beleidshorizon. Het derde aspect wijst op de grote relevantie van monetaire analyse voor de middellange- tot langetermijntendensen van de inflatie, waarbij specifiek wordt genoemd dat «de monetaire analyse voornamelijk dient als een instrument voor de onderlinge toetsing, vanuit een middellange- tot langetermijnperspectief, van de korte- tot middellangetermijnindicaties die worden verschaft door de economische analyse». Het vierde punt vloeit voort uit de intentie om de middellange- tot langetermijnhorizon van de monetaire analyse te onderstrepen en deed ons ertoe besluiten dat wij «niet langer jaarlijks een herbeoordeling van de referentiewaarde uit zouden voeren». Het laatste punt, ten slotte, betreft het concept dat de « monetaire analyse rekening zal houden met de ontwikkelingen in een brede reeks monetaire indicatoren, waaronder M3, zijn componenten en tegenpartijen, in het bijzonder krediet». Goedbeschouwd zetten de bovengenoemde punten de rol van de verschillende aspecten van de uitgebreide, volledige informatieanalyse die wij toepassen bij de beoordeling van inflatierisico's, in het juiste perspectief.

Desondanks vraagt de omvang en diepte van de recente financiële crisis om een bezinning over de wijze waarop beleid op verschillende niveaus, waaronder de monetaire unie, wordt gevoerd. Door de crisis kwamen vooral kwesties betreffende financiële factoren, systeemrisico en financiële stabiliteit hoog op de agenda. De traditionele zienswijze dat prijsstabiliteit in de goederen- en dienstenmarkt tevens voor een klimaat zorgt dat financiële stabiliteit waarborgt, is ontkracht door de gebeurtenissen van de afgelopen paar jaar, die een aaneenschakeling van zeepbellen in activaprijzen hebben laten zien in een periode van lage inflatie. Terwijl de instrumenten van regelgeving en bedrijfseconomisch toezicht een vooraanstaande rol spelen bij het aanpakken van financiëlestabiliteitsproblemen, hebben de verstorende effecten van hausse- en baisseperiodes in activaprijzen het debat heropend over de vraag of activaprijzen in beschouwing moeten worden genomen bij het voeren van monetair beleid en tevens over de rol van kredietaggregaten. Zoals ik eerder aangaf hebben we de monetaire strategie vijf jaar na de start van de monetaire unie geëvalueerd , en het zou kunnen dat de Raad van Bestuur, naar aanleiding van de crisis die in 2007 begon, in de toekomst besluit tot een herbeoordeling van de strategie. Zoals de zaken er nu voor staan, zie ik geen directe noodzaak om onze monetaire strategie te wijzigen of te verduidelijken.

6.        Er wordt vaak gesteld dat vanwege structurele veranderingen in de wereldeconomie er een verschuiving heeft plaatsgevonden van consumptieprijsinflatie naar activaprijsinflatie. Wat is uw opvatting over deze stelling en welke gevolgen ziet u voor het monetaire beleid?

In de afgelopen twee decennia is de consumptieprijsinflatie in de belangrijkste geïndustrialiseerde economieën met succes beperkt. Een lage en stabiele inflatie is geen "natuurlijk" verschijnsel maar getuigt in hoge mate van het vaste voornemen van centrale banken om de doelstelling van prijsstabiliteit te verwezenlijken, zoals neergelegd in een groot aantal statuten van centrale banken wereldwijd. Onafhankelijke centrale banken hebben ertoe bijgedragen de inflatieverwachtingen te verankeren en daarmee de verspreiding van relatieve prijsschokken naar de totale consumptieprijzen en de lonen te temperen. Positieve aanbodschokken in verband met de mondialisering en het opnemen in de wereldhandel van belangrijke producenten die tegen zeer lage kosten produceren, hebben ook tot deze periode van lage inflatie bijgedragen.

Tegelijkertijd vielen er in een reeks grondstoffen- en activaprijzen grote schommelingen waar te nemen. Enerzijds hebben de mondialisering van de markt voor goederen en diensten en de toenemende vraag in opkomende economieën een merkbare invloed gehad op de prijzen van olie, gas en andere grondstoffen. Anderzijds heeft een toenemend gemondialiseerd en onder-gereguleerd financieel stelsel, gevoed door ruime mondiale liquiditeit, geleid tot grote activaprijsdiscrepanties, die gedurende de recente financiële crisis het meest opvielen. De ervaringen die gedurende de afgelopen tweeënhalf jaar zijn opgedaan, hebben er bij veel waarnemers toe geleid dat zij vraagtekens zetten bij de rol van monetair beleid in het beperken van activaprijsinflatie. Dient een centrale bank direct of indirect op activaprijsontwikkelingen te reageren waar het gaat om mogelijke toekomstige bedreigingen voor de prijsstabiliteit? Zijn centrale banken in staat te bepalen welke hausse in activaprijzen als zeepbel moet worden gezien? Dit zijn belangrijke vragen, en op de meeste ervan ontbreekt nog steeds een volledig bevredigend antwoord.

Vóór de crisis was de communis opinio over monetair beleid en activaprijzen dat centrale banken niet goed in staat waren om activaprijsdiscrepanties in "real-time" vast te stellen en werd verondersteld dat het waarborgen van lage inflatie in de goederen- en dienstenmarkt voldoende zou zijn om significante activaprijsdiscrepanties te voorkomen. Gezien deze consensus, werd er op gewezen dat een duidelijke versoepeling van de monetaire condities na het barsten van een zeepbel voldoende zou zijn om de reële economische bedrijvigheid te ondersteunen en de kans op deflatie tot een minimum te beperken. De huidige crisis heeft beide veronderstellingen op losse schroeven gezet en heeft uitdrukkelijk aangetoond dat de economische kosten van grote activaprijsdiscrepanties en de daaropvolgende correctie ervan desastreus kunnen zijn. De activaprijszeepbellen die voorafgingen aan de crisis ontstonden feitelijk in een periode van algeheel lage inflatie, en ofschoon centrale banken het exacte tijdstip van het verdwijnen van financiële onevenwichtigheden niet kunnen voorzien, hebben veel beleidsmakers wel degelijk de toename van dergelijke onevenwichtigheden gesignaleerd en er in de aanloop naar de crisis hun zorg over uitgesproken. Hierin vindt een centrale bank de rechtvaardiging dat zij de ontwikkelingen in activaprijzen en kredietstromen, en de daarmee samenhangende risico's voor de prijsstabiliteit op de middellange termijn, actief dient te volgen.

In triviale zin houden alle centrale banken bij het nadenken over monetair beleid rekening met activaprijsindicaties. Zo zal er altijd rekening moeten worden gehouden met de welvaartseffecten die voortvloeien uit waardevermeerdering van activa, aangezien zij de mondiale vraag beïnvloeden en daarmee inflatoire druk veroorzaken. Afgezien van deze rol, zijn er verschillende argumenten tegen een sterkere integratie van activaprijzen in monetairebeleidsdoelstellingen, maar hier zijn ook goede tegenargumenten voor te vinden. Een punt van algemene overeenstemming is dat er nooit precieze richtprijzen voor activa kunnen worden vastgesteld als concrete doelstelling voor monetair beleid. Monetair beleid is geen exacte wetenschap, en economen en centralebankiers dienen niet in dezelfde fout te vervallen als bepaalde theoretici, die door Keynes werden getypeerd als mensen die "prefer to be rigorously wrong rather than approximately right". Per slot van rekening kunnen verstoringen op de financiële markten tot perioden van instabiele prijzen leiden, in beide richtingen, en centrale banken dienen niet het asymmetrische standpunt in te nemen dat zij alleen in actie komen ter voorkoming van de gevolgen van krachs in de financiële markten en niets doen als er een hausse of zeepbel in activaprijzen aan het ontstaan is. Het toepassen van monetair beleid om beginnende zeepbellen te helpen beperken dient daarnaast niet zo ver te worden doorgevoerd dat onnodige recessies worden veroorzaakt. Op bepaalde momenten kan worden overwogen om licht tegen te sturen ("leaning against the wind"), met name na de ervaringen met de huidige crisis. Desondanks dient niet te worden vergeten dat de passende primaire doelstelling van monetair beleid bestaat uit het handhaven van de stabiliteit van de consumptieprijzen op de middellange termijn. Anderzijds, zelfs als een mogelijke bijdrage van monetair beleid in bepaalde situaties zou moeten worden overwogen, dient de belangrijkste bijdrage aan financiële stabiliteit te worden gewaarborgd door andere instrumenten dan de officiële rente, en in de context van een breder kader van macroprudentieel toezicht.

7.        Hoe beoordeelt u de gevolgen van de stijgende olieprijs voor het monetaire beleid?

Vanuit het oogpunt van monetair beleid zijn stijgende olieprijzen in zoverre van belang dat zij een langdurig effect hebben op de consumptieprijzen. Overigens dient het monetaire beleid geen actieve rol te spelen als olieprijsstijgingen slechts een tijdelijk effect hebben op de consumptieprijzen.

Meer in het bijzonder vereisen de transmissie van olieprijsschokken naar consumptie- en producentenprijzen en de uiteindelijke effecten hiervan op de inflatieverwachtingen, een zorgvuldige analyse ter bepaling van een adequate monetairebeleidsreactie. In het algemeen kunnen deze effecten worden onderverdeeld in eerste- en tweede-ronde-effecten. Eerste-ronde-effecten kunnen een directe impact hebben op energieprijzen en dus op consumptie- en producentenprijzen. Daarnaast kunnen consumptie- en producentenprijzen ook indirect worden beïnvloed, aangezien energie een significante inputfactor is in het productieproces en derhalve resulteert in een hogere kostendruk op componenten exclusief energie, die uiteindelijk zou kunnen doorwerken in de consumptieprijzen. Zolang deze eerste-ronde-effecten beperkt blijven, kan de economie zich aanpassen aan de relatieve prijsmutaties met slechts een tijdelijk effect op de consumptieprijsinflatie. Er behoeven geen monetairebeleidsacties te worden ondernomen.

Anderzijds moet er wel een monetairebeleidsreactie komen als de eerste-ronde-effecten zich beginnen te vertalen in tweede-ronde-effecten op de consumptieprijsinflatie via loonstijgingen en hogere inflatieverwachtingen. Laatstgenoemde is een belangrijke variabele in de loononderhandelingen. Indien het monetaire beleid er niet in slaagt de inflatieverwachtingen op de middellange tot lange termijn te verankeren, zal een hogere inflatie onvermijdelijk zijn.

De middellange- tot langetermijnoriëntatie van het monetaire beleid van het Eurosysteem heeft er uitdrukkelijk toe bijgedragen dat de door olieprijsstijgingen veroorzaakte inflatoire druk gedurende de periode tot 2008 beperkt is gebleven. Dit zou tevens het geval moeten blijven gedurende toekomstige perioden van olieprijsstijgingen. Naar de toekomst toe dient er alles aan te worden gedaan om de geloofwaardigheid te waarborgen door middel van reacties op risico's voor de prijsstabiliteit, zonder voor een al te activistische aanpak te kiezen. In deze context is een heldere en consistente communicatie van monetairebeleidsbesluiten van bijzonder groot belang voor het beheersen van de vorming van inflatieverwachtingen in de particuliere sector.

8.        Hoe zou naar uw oordeel de ECB, onverminderd haar doel van prijsstabiliteit, haar secundaire verplichtingen onder het Verdrag (bijdragen aan economische groei en volledige werkgelegenheid) moeten vervullen en welke instrumenten zou de ECB daarbij kunnen gebruiken?

In artikel 127 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt het hoofddoel van de ECB/het Eurosysteem omschreven als het handhaven van prijsstabiliteit. Het begrip van secundaire verplichtingen van de ECB verwijst naar de tweede passage van artikel 127, waarin wordt bepaald dat de ECB/het Eurosysteem, onverminderd het doel van prijsstabiliteit, het algemene economische beleid in de Unie ondersteunt teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven doelstellingen van de Unie. In dit opzicht worden in artikel 3 van het VEU als doelstellingen van de Unie onder meer economische groei en volledige werkgelegenheid genoemd.

Over de betekenis en de operationele consequenties van deze secundaire doelstelling is veel discussie geweest. Er is algehele instemming over het feit dat er op de lange termijn geen wisselwerking is tussen inflatie en groei of, beter gezegd, dat de beste manier voor het monetair beleid om op de lange termijn het groeitempo te ondersteunen, het handhaven van prijsstabiliteit is, aangezien hierdoor de efficiëntie van een gedecentraliseerde markteconomie wordt bevorderd. Een monetair beleid dat op een geloofwaardige manier gericht is op prijsstabiliteit, vormt de effectiefste bijdrage aan permanente economische groei en een grote mate van werkgelegenheid. Deze stellingname gaat uit van het inzicht, opgedaan uit historische ervaringen en academisch onderzoek, dat monetair beleid geen blijvende impuls kan geven aan reële waarde behalve door geloofwaardig de prijsstabiliteit te handhaven.

Prijsstabiliteit draagt bij aan economisch welzijn en economische groei doordat zij aan inflatie gerelateerde verstoringen wegneemt. In een omgeving van stabiele prijzen kunnen mensen zich concentreren op productieve activiteiten in plaats van op strategieën om hun welzijn en inkomsten te beschermen tegen inflatie. Dit komt met name ten goede aan de zwakkere groepen van de samenleving, die slechts beperkte mogelijkheden hebben om zich tegen de effecten van inflatie te beschermen. Een ander belangrijk pluspunt van prijsstabiliteit is dat het de inflatierisicopremies in lange rentetarieven reduceert. Dus in tegenstelling tot de opvatting die wel eens wordt gebezigd, dat een monetair beleid gericht op prijsstabiliteit leidt tot excessief hoge reële rentes, leidt een monetair beleid gericht op prijsstabiliteit juist tot lagere reële rentes en spoort het daarom juist aan tot investeringen. Ook kan door prijsstabiliteit worden vermeden dat progressieve nominale belastingschalen op termijn de werkelijke druk van belasting en socialezekerheidsbijdragen vergroten, hetgeen weer zorgt voor een vermindering van de stimulans om te zorgen voor arbeid en vermogen en zo de groeiperspectieven van de economie op de lange termijn inperkt.

Voornoemde argumenten geven aan waarom er geen wisselwerking op de lange termijn bestaat tussen prijsstabiliteit en groei. Op de korte termijn is dit echter een ander verhaal. Dit wordt duidelijk uit het feit dat zich een aanbod- of kostenschok kan voordoen, waar het monetair beleid niet direct op in moet gaan ondanks een tijdelijke stijging van het algemene inflatiecijfer. Als op geloofwaardige wijze wordt gezorgd voor prijsstabiliteit, bevordert dit ook de algehele macro-economische stabiliteit, aangezien de inflatieverwachtingen stevig verankerd zijn. Bijgevolg kan een nadelige aanbodschok, zoals een plotselinge stijging van de olieprijzen, minder doorwerken op de inflatie en kan het monetair beleid zorgen voor een meer gematigde en vaste koers van het beleid ten overstaan van dergelijke schokeffecten.

Zelfs als men de gedachte accepteert dat de economie een spontane neiging heeft om terug te keren naar haar langetermijnspoor, is er over het algemeen een wisselwerking op de korte termijn, aangezien macro-economisch beleid invloed heeft op het tempo van die convergentie, en kunnen grotere schommelingen in de productie worden vermeden, waardoor het algeheel welzijn toeneemt. Desalniettemin is het moeilijk deze wisselwerking te benutten in een hiërarchisch mandaat.

Ik neem de in het Verdrag opgenomen secundaire doelstellingen serieus. De ECB heeft zich hier in de huidige crisis ook duidelijk op gericht. Wij hebben na het uitbreken van de Lehman-crisis snel en krachtig gereageerd en zo de ineenstorting van het bankenstelsel vermeden en de gevolgen daarvan in de zin van recessie en deflatie weten te voorkomen. Behalve dat de rentes drastisch zijn verlaagd, heeft het Eurosysteem ook zijn deel bijgedragen aan betere kredietfaciliteiten, namelijk door te zorgen voor voldoende liquiditeit van het bankstelsel, door gedekte obligaties te kopen waardoor wordt bijgedragen aan de heropleving van deze belangrijke markt, en door de Europese Investeringsbank te accepteren als wederpartij bij monetaire-beleidstransacties. Ik denk dat er weinig twijfel over kan bestaan dat deze acties hebben bijgedragen aan het minimaliseren van de hevigheid van de recessie.

9.        Wat zijn uw opvattingen ten aanzien van de exitstrategie van de ECB? Moeten er wereldwijd monetaire exitstrategieën worden opgezet? Moet er onderlinge afstemming zijn tussen monetaire en budgettaire exitstrategieën?

De exitstrategie van de ECB omvat een geleidelijke afbouw van niet-standaardmaatregelen die zijn geïntroduceerd naar aanleiding van de financiële crisis. Deze geleidelijke benadering van de exitstrategie is nodig vanwege de kwetsbaarheden van de reële economie en het financiële stelsel. Dit is precies waarom de ECB in december 2009 de eerste stappen heeft aangekondigd van het afbouwen van niet-standaardmaatregelen. Ik sta geheel achter deze strategie. Door geleidelijk af te bouwen kunnen alle betrokken partijen zich aan de nieuwe omstandigheden aanpassen, en krijgt de ECB tegelijk de mogelijkheid feedback te ontvangen over het afbouwproces alvorens zij overgaat tot vervolgstappen. Ik zou willen benadrukken dat dit proces zeker zal profiteren van de opzet van de niet-standaardmaatregelen, die immers voorziet in een soepele afbouw.

Het persbericht van de G20-vergadering van de ministers van Financiën en de centralebankpresidenten van 7 november 2009 (St. Andrews) spreekt heldere taal waar het gaat om het intrekken van de buitengewone macro-economische en financiële steunmaatregelen: "Wij zijn overeengekomen dat wij zullen samenwerken en coördineren, waarbij wij rekening zullen houden met de eventuele overlappingen die worden veroorzaakt door onze strategieën, en dat wij waar nodig elkaar zullen raadplegen en informatie met elkaar zullen uitwisselen."

De intentie van deze verklaring komt overeen met de strategie van de ECB. Zoals bij herhaling is benadrukt door de Raad van Bestuur van de ECB, wordt de hoeksteen van de exitstrategie van de ECB gevormd door een ondubbelzinnige koppeling met het hoofddoel van prijsstabiliteit. Alle stappen gedurende de crisis zijn bewust met dit hoofddoel in het achterhoofd genomen. Bij het opstellen van een directe beoordeling van de gevaren voor de prijsstabiliteit wordt ook rekening gehouden met de acties van overige centrale banken. Al zijn uitwisseling van informatie en overige operationele steun wenselijk, een afstemming van het monetaire beleid lijkt toch ook weer niet te zijn gerechtvaardigd. Daar komt bij dat waar de crisis op mondiaal niveau zeer synchroon verliep, het herstel waarschijnlijk veel heterogener zal zijn, hetgeen op zichzelf als vraagt om verschillende tempo's bij het afbouwen van de mate van de monetaire aanpassingen.

Er bestaat brede consensus dat alle belangrijke centrale banken het afbouwen van de buitengewone beleidsmaatregelen moeten afstemmen op de specifieke omstandigheden die van toepassing zijn op hun respectieve economie. Tegelijkertijd is het duidelijk dat internationale samenwerking, zoals in de vorm van het G20-overleg of regelmatige bijeenkomsten van regeringsleiders die zijn georganiseerd door de Bank voor Internationale Betalingen, zeer nuttig is gebleken in het verleden en dat ook zal blijven in de toekomst.

Ten aanzien van de coördinatie van fiscaal beleid moet worden benadrukt dat er geen coördinatie vooraf moet zijn. Elke beleidsmaker moet zich richten op diens eigen gebied van verantwoordelijkheid en zorgen voor de juiste beleidsmaatregelen. Uiteraard wordt bij de directe beoordeling van de gevaren voor de prijsstabiliteit ook rekening gehouden met inspanningen van budgettaire consolidatie van regeringen in de eurozone. Anderzijds weten regeringen wanneer zij beslissen over de lijn van hun fiscaal beleid dat het Eurosysteem reageert op alle gevaren voor het inflatietempo die het officiële doel voor het monetair beleid te buiten gaan. In moderne economische modellen spelen variabelen, zoals output gaps een centrale rol om de gevaren voor de prijsstabiliteit te verklaren en deze kennis zou moeten dienen als middel voor spontane en autonome uitvoering van de juiste beleidsmix. Maar er kan en zal geen enkele toezegging vooraf worden gedaan voor een specifieke koers van monetaire beleidsmaatregelen. Er wordt regelmatig informatie uitgewisseld tussen de ECB en de regeringen van de landen in de eurozone. Dat neemt niet weg dat de coördinatie tussen de ECB en de regeringen van de landen in de eurozone niet verder dient te gaan dan wat is vastgelegd in het Verdrag.

10.      Wat is uw gezichtspunt ten aanzien van de asymmetrische blootstelling van lidstaten aan een exitstrategie van de ECB? Wat moet er gebeuren om dit zo veel mogelijk te beperken?

Heterogeniteit is een wezenlijk kenmerk van de aanpassingsmechanismen in de eurozone. Toch bevinden zich vanaf het begin van de euro en in weerwil van sommige populaire denkwijzen, de groei van het BBP en de inflatiedifferentialen voor alle eurolanden op een historisch laag niveau. Natuurlijk kan het monetair beleid zich niet richten op het reduceren van deze differentialen, en dat zou ook niet moeten. Het uitgangspunt van de Economische en Monetaire Unie is een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden onder beleidsmakers, een toezegging van zowel monetaire als niet-monetaire beleidsmakers (met inbegrip van in het bijzonder de budgettaire autoriteiten) om de eigen huishouding op orde te houden, en een aantal waarborgen dat moet zorgen dat alle partijen zich aan de regels houden. Het macro-economisch beleid van de eurozone moet worden geleid door de grondbeginselen op basis waarvan de EMU-overeenkomst is getekend.

In het licht van deze beginselen is de voornaamste zorg van de ECB bij de monetaire afbouwoverwegingen het handhaven van de prijsstabiliteit van de eurozone als geheel, en zo hoort het ook zijn. Deze toezegging van het Eurosysteem voorziet in het nominale ijkpunt dat dienst doet als het belangrijkste impliciete coördinatiemiddel voor alle overige betrokkenen, me inbegrip van budgettaire beleidsmakers, en hun diverse verantwoordelijkheden, met name bij het formuleren van hun eigen exit- en aanpassingsbeleid. Dit ijkpunt mag niet in het geding komen, met name niet met het oog op de gevaren voor de financiële stabiliteit.

Verder moeten de landen in de monetaire unie alle instrumenten gebruiken die ze tot hun beschikking hebben om het aanpassingsproces te bevorderen, met name ten aanzien van hun fiscaal beleid. De "budgettaire exit" – of beter, de "budgettaire aanpassing" – die de komende jaren nodig zal zijn, zal voor regeringen waarschijnlijk een groter probleem vormen dan het afbouwen van niet-standaardmaatregelen voor het Eurosysteem. Tijdens de crisis stonden regeringen terecht toe dat hun staatsschuld toenam opdat het fiscaal beleid de economie op de korte termijn enige ondersteuning bood. Maar inmiddels zitten wij met hoge staatsschulden – en in sommige landen zelfs heel hoge staatsschulden – en een zeer hoge en groeiende verhouding tussen staatsschuld en BBP. De aandacht van de financiële markten gaat dan ook steeds meer uit naar het probleem van de solvabiliteit van overheden. Er is dringend actie nodig om de budgettaire huishouding op orde te brengen. De belangrijkste vraag voor het budgettaire beleid onder de huidige omstandigheden is dan ook niet zo zeer "of", maar vooral "hoeveel" er moet worden bezuinigd, en daarnaast "hoe snel" hiermee moet worden begonnen. De juiste beleidsvoering hangt voor elk afzonderlijk geval af van de snelheid van het herstel van de economie in de private sector. Zolang het budgettaire beleid geen duurzame koers volgt en de schuldquoten van overheden blijven stijgen, zullen de kosten van het verder uitstellen van aanpassingen de kosten van het snel ingrijpen alleen maar te boven gaan.

Behalve het budgettaire beleid is er ook overig belangrijk aanpassingsbeleid dat erop wijst dat de financiële toezichthouders toezicht moeten houden op de stand van zaken binnen hun financieel stelsels en op gecentraliseerde wijze om moeten gaan met de specifieke problemen die zij daarbij op hun weg vinden. Al met al ben ik echter vol vertrouwen dat er een soepele exit zal worden gerealiseerd.

11.      Welke maatregelen moeten er door de ECB worden genomen om impliciete steun en verstoringen te vermijden in verband met de acceptatie van een breder pakket aan onderpanden door middel van versterkte kredietsteun na oktober 2008?

Een breed raamwerk voor onderpanden zal gekoppeld moeten worden aan passende maatregelen om allereerst te zorgen dat het Eurosysteem wordt beschermd tegen financiële risico's en daarnaast dat er stimulansen worden gegeven aan banken om verstandig om te gaan met hun liquiditeitsrisico's. De eerste maatregel waar de centrale bank toe over kan gaan is te zorgen voor een precieze waardering van illiquide activa en de toepassing van passende reductiefactoren om rekening te houden met de illiquiditeit van de activa. Dit vereist een voortdurende verfijning van de risicocontrolemaatregelen, een weg die het Eurosysteem al volgde voordat de crisis op de financiële markt uitbrak, en die sindsdien op een hoger tempo wordt gevolgd. De tweede maatregel heeft betrekking op de aanbestedingsprocedures die worden toegepast bij monetaire-beleidstransacties. Concurrerende aanbestedingsprocedures, zoals toegepast door het Eurosysteem voorafgaand aan het uitbreken van de crisis, zorgen dat de mogelijkheid om een activum bij de centrale bank te herfinancieren correct wordt ingeschaald. De derde maatregel, die momenteel wordt voorbereid door de Bazelse Comité in de context van de herziening van de regelgeving inzake het liquiditeitsrisico, heeft betrekking op het opleggen van strikter toezicht en prudentiële beleidsvoering met betrekking tot het beheer van liquiditeitsrisico's. Tezamen moeten deze maatregelen zorgen dat er voldoende stimulansen voor de wederpartijen zijn om hun liquiditeitsrisico's te beheren en te meten.

Wat betreft het vermijden van subsidies en verstoringen, moet worden benadrukt dat het Eurosysteem een adequaat raamwerk voor risicocontrole heeft ingevoerd, op basis waarvan dit risico wordt beperkt. Het risicoprofiel van de diverse activa wordt zorgvuldig gecontroleerd en minder liquide en risicovollere activa worden onderworpen aan hogere reductiefactoren dan veiligere, meer liquide activa. Daarnaast houdt het Eurosysteem voortdurend toezicht op de waarde van de onderpanden en kan het margestortingen doen als dit nodig wordt geacht om te zorgen dat de onderpanden voldoen aan de richtsnoeren.

12.      Hoe ziet u het risico van ontbinding ten aanzien van het enorme volume aan effecten op onderpand van activa, dat de ECB geaccepteerd heeft als onderpand?

De wederpartijen van het Eurosysteem kunnen gebruikmaken van een breed pakket verhandelbare en niet-verhandelbare activa als onderpand in transacties van de ECB. De verhandelbare activa zijn onder meer een breed scala aan effecten, zoals door overheden, centrale banken, corporaties en kredietinstellingen uitgegeven schuldpapieren.[1] Effecten op onderpand van activa ("asset-based securities" of "ABS") zijn daarom maar een van de verschillende soorten instrumenten die kunnen worden gebruikt als onderpand in transacties met de ECB.

Tot nu toe is de hoeveelheid onderpand voor ECM-transacties voldoende geweest, zelfs gezien de huidige crisis, om wederpartijen toegang te garanderen tot de liquiditeit van het Eurosysteem. Sterker nog, de laatste paar jaar was het ingebrachte onderpand gelijk aan een relatief klein deel van de totale in aanmerking komende activa en meer dan het dubbele van het uitstaande krediet van het Eurosysteem.

Met name ten aanzien van ABS zou ik eraan willen herinneren dat toen de Raad van Bestuur besloot tot uitbreiding van de lijst van in aanmerking komende activa, zij gezien de krediet- en liquiditeitsrisico's van deze activa strengere regels heeft aangehouden met betrekking tot ABS. Om in aanmerking te komen werd uitgegaan van een minimale beoordeling voor ABS van A- en naar aanleiding van de uitkomst van de tweejaarlijkse beoordeling van de risicocontrolemaatregelen in september 2008, werden ABS ingedeeld onder de laagste liquiditeitscategorie, wat neerkomt op een reductiefactor van 12% (op ABS wordt een aanvullende reductiefactor toegepast afhankelijk van een theoretische waardering, wat ze des te minder liquide maakt). In januari 2009 heeft de Raad van Bestuur haar risicocontrolemaatregelen voor ABS verder verfijnd met als doel bij te dragen aan het herstel van het juiste functioneren van de ABS-markt. Dit betrof onder meer een minimale AAA-beoordeling bij uitgifte, die moet worden toegekend door twee kredietbeoordelingsbureaus (waarbij wordt vastgehouden aan A voor de resterende levensduur van de ABS) en een verbod op overige ABS-tranches in de onderliggende pool van in aanmerking komende ABS.

Tegen deze achtergrond zijn de eventuele risico's van ontbinding gezien de hoeveelheid ABS in het onderpand minimaal zowel voor het Eurosysteem, gelet op het raamwerk voor risicobeheer, als voor het bankenstelsel, gelet op het brede scala aan in aanmerking komende activa.

13.      Wat is, tegen de achtergrond van de toenemende staatstekorten en schuldquoten en het feit dat dertien van de zestien eurolanden zijn onderworpen aan de procedure bij buitensporige tekorten, uw opvatting over de huidige uitvoering van het stabiliteits- en groeipact?

De economische en financiële crisis rechtvaardigde in 2009 een versoepeling van het budgettaire beleid. De goedkeuring van budgettaire stimuleringsmaatregelen heeft echter het budgettaire raamwerk, zoals opgenomen in het Verdrag en in het stabiliteits- en groeipact (SGP), opgerekt. Het SGP biedt enige ruimte voor flexibiliteit ten aanzien van het bepalen van uiterste data voor het corrigeren van de buitensporige tekorten in het licht van speciale of gewijzigde omstandigheden. Vanaf het moment dat er speciale omstandigheden ontstonden door een combinatie van een hevige recessie en een wereldwijde crisis op de financiële markten, waren de Commissie en de Raad Economische en Financiële Zaken van oordeel dat de uiterste data voor de correctie van de huidige buitensporige tekorten moesten worden bepaald op de middellange termijn. Voor de meeste lidstaten is de jaarlijkse structurele correctie die nodig is om de uiterste data te halen, echter zeer veeleisend. Hiervoor zijn forse aanvullende maatregelen vereist. In deze context lijkt de huidige uitvoering van het SGP adequaat, en deze dient dan ook rigoureus te worden uitgevoerd.

In sommige landen zijn de tekorten opgelopen tot in de dubbele cijfers. Dit valt samen met een verslechtering van de kredietbeoordeling van de staat en negatieve reacties op de financiële markten. Als regeringen niet direct stoppen met de crisisgerelateerde budgettaire versoepeling, zal de staatsschuld in de eurozone snel stijgen tot een niveau van meer dan 100% van het BBP.

Deze ontwikkelingen zouden het publieke vertrouwen in de houdbaarheid van de overheidsfinanciën ernstig kunnen schaden en zo een destabiliserend effect kunnen uitoefenen op de eurozone als geheel. Daarom is een strikte en volledige uitvoering van de bepalingen van het SGP van uiterst belang voor het herstel van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en om te zorgen voor een soepel functioneren van de Economische en Monetaire Unie. Overeenkomstig de bepalingen van het SGP heeft de Raad Economische en Financiële Zaken aanbevelingen goedgekeurd voor de correctie van buitensporige tekorten in de landen van de eurozone. In de meeste gevallen is een uiterste datum bepaald van 2013. Deze aanbevelingen moeten duidelijk worden gezien als de minimale inspanningen die vereist zijn om een gezonde en houdbare budgettaire positie te hervinden. Het is nu de verantwoordelijkheid van de nationale beleidsmakers om hun verplichtingen onder het Europese budgettaire raamwerk na te komen en geloofwaardige en goed gespecificeerde budgettaire consolidatiestrategieën aan te nemen.

14.      Zijn naar uw oordeel de procedures die zijn opgenomen in het stabiliteits- en groeipact toereikend om te zorgen dat de lidstaten weer terugkeren naar budgettaire discipline en houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn? Hoe kunnen de regels van het pact worden aangewend om primair een procedure bij buitensporige tekorten te voorkomen? Wat is uw mening over de prestaties van de lidstaten in goede tijden, voor zover deze het terugbrengen van het algehele financieringstekort betreffen?

Het bestaande budgettaire raamwerk van de EU, zoals opgenomen in de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact, biedt de wettelijke en institutionele voorwaarden voor het verwezenlijken en aanhouden van gezonde overheidsfinanciën. Met name de plafonds voor het financieringstekort en de staatsschuld, aangevuld met begrotingsdoelstellingen op de middellange termijn, zorgen voor gemeenschappelijke en consistente ijkpunten voor budgettaire prudentie binnen de lidstaten. Als deze daarom volledig worden nageleefd en op strikte wijze worden uitgevoerd, vormen zij een geschikt middel om de budgettaire consolidatiestrategieën te verankeren en te coördineren en om de overheidsfinanciën weer op het duurzame pad te krijgen.

Tegelijkertijd zullen de lidstaten aan hun verantwoordelijkheden onder het pact moeten voldoen, willen deze bepalingen ook echt effect sorteren. Daartoe is een krachtigere nationale uitvoering van het budgettaire raamwerk van de EU vereist. De lidstaten zouden in het bijzonder hun budgettaire instellingen op nationaal niveau moeten versterken, zodat gezorgd wordt voor een prudent en op stabiliteit georiënteerd begrotingsbeleid, met name ook in goede tijden. Dit is nodig als wij aan de gemeenschappelijke doelstellingen van het stabiliteits- en groeipact willen voldoen. Deze instellingen zouden ook ingesteld moeten zijn op het vergroten van de budgettaire prudentie buiten crisistijd, wat met name gebillijkt lijkt in het licht van de recente ervaringen in de lidstaten: want al heeft de recessie als gevolg van de financiële en economische crisis een zware wissel getrokken op de overheidsfinanciën, toch vormt de mate van budgettaire verslechtering in veel landen toch ook een weerslag van het verzuim om de overheidsfinanciën ten tijde van gunstige economische omstandigheden op orde te houden. Om precies te zijn: al die landen die aan het begin van de recessie een zwakke en kwetsbare budgettaire positie hadden, hebben nu over het algemeen het meest dringend behoefte aan budgettaire aanpassingen.

15.      Hoe beoordeelt u de betrekkingen en de samenwerking tussen de ECB, de Raad en/of de Eurogroep? Vindt u dat de coördinatie en het financieel toezicht binnen de Eurogroep moet worden verbeterd op basis van het Verdrag van Lissabon?

Zodra er zaken aan de orde zijn die betrekking hebben op de doelstellingen en taken van de ECB, schuift de ECB aan bij de bijeenkomsten van de Raad Economische en Financiële Zaken, het belangrijkste forum voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten. Daarnaast neemt de ECB ook deel aan de vergaderingen van de Eurogroep.

De betrekkingen tussen de ECB en de Raad (Ecofin) of de Eurogroep zijn geen eenrichtingsverkeer. Sterker nog, in het Verdrag (en in de statuten van het ESCB en van de ECB) wordt uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid dat de voorzitter van de Raad deelneemt aan de vergaderingen van de Raad van Bestuur en de Algemene Raad van de ECB. In de praktijk neemt de voorzitter van de Eurogroep ook deel aan de vergaderingen van de Raad van Bestuur (waarbij zij aangemerkt dat het Verdrag uitdrukkelijk alle stemrecht van de voorzitter van de Raad bij deelname aan de vergaderingen van de Raad van Bestuur van de ECB, uitsluit).

Deze interactie op het hoogste niveau zorgt voor een betere informatiestroom tussen alle betrokken partijen, bevordert het wederzijds begrip voor elkaars beleidsopvattingen en staat garant voor een dialoog ten aanzien van zaken van gemeenschappelijk belang, met volledig respect voor de respectieve verantwoordelijkheden. In het bijzonder voorzien de maandelijkse bijeenkomsten van de Eurogroep, aan de vooravond van de bijeenkomst van de Raad Economische en Financiële Zaken, in een forum voor debat tussen de beleidsmakers van de eurozone over kwesties met betrekking tot hun gedeelde specifieke verantwoordelijkheden voor de gemeenschappelijke munteenheid en bereiden deze in een klimaat van wederzijds vertrouwen en respect, de weg voor een open gesprek.

Als wij terugkijken naar de periode vanaf de oprichting van de ECB in 1998, is deze interactie over de jaren alleen maar intensiever geworden. Met name de financiële onrust van augustus 2007 vormde het startsein voor een intensievere dialoog tussen de ECB en de Raad Economische en Financiële Zaken.

Het toezicht op de eurozone vereist verdere coördinatie. Dit heeft met name betrekking op twee beleidsterreinen, namelijk concurrentievermogen en budgettaire ontwikkelingen. Dit is reeds erkend door de Eurogroep, die dan ook besloten heeft een tweejaarlijkse controle te verrichten van de ontwikkelingen van de concurrentieposities binnen de eurozone, met inbegrip van het aannemen van specifieke aanbevelingen voor landen. Vanaf de introductie van de euro heeft een aantal landen binnen de eurozone consequent aan concurrentiepositie verloren en te kampen gehad met relatief grote tekorten op de lopende rekening. Een andere groep landen had juist te lijden van een structurele terugval in de exportprestaties. Tot slot is er een groep landen die zeer grote overschotten op de lopende rekening heeft verzameld. Omdat deze trend van groeiende verschillen niet houdbaar is, moet er een intensievere coördinatie van het beleid plaatsvinden en moeten er op nationaal niveau adequate beleidsmaatregelen worden genomen om de achterliggende zwakke punten te verhelpen.

Het nieuwe Verdrag van Lissabon biedt de landen van de eurozone nieuwe instrumenten, met name in de vorm van artikel 121 en artikel 136 van het VWEU, om dergelijke beleidsaanpassingen af te dwingen in het geval dat afzonderlijke landen nalaten dit zelf te doen. De Eurogroep vormt het forum waarop dit soort processen kunnen worden ingezet. Bovendien wordt in het nieuwe Verdrag bepaald dat Raadsbeslissingen die worden genomen in de context van het stabiliteits- en groeipact met betrekking tot de landen van de eurozone, enkel en alleen worden genomen door de eurolanden zelf, onder uitsluiting van de desbetreffende lidstaat. De Eurogroep moet ten volle gebruikmaken van deze wettelijke mogelijkheid, om zo te zorgen voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Ik zie uit naar de mededeling van de Commissie over dit vraagstuk.

16.      Wat zijn tot 2020 naar uw mening de belangrijkste doelstellingen voor de volgende strategie voor groei en werkgelegenheid? Kunt u in volgorde van belang de structurele hervormingen noemen, waarvan u gelooft dat deze prioriteit hebben in de EU, en daarbij uw keuze verhelderen. Hoe kunnen de ECB en de instrumenten van economische beleidscoördinatie (globale richtsnoeren voor het economisch beleid, werkgelegenheidsrichtsnoeren) bijdragen aan het succes van deze strategie? Wat is uw gezichtspunt ten aanzien van mogelijkheden om de interne vraag te vergroten en investeringen binnen de EU te bevorderen?

De nieuwe EU 2020-strategie zal het meeste effect sorteren als deze goed gericht blijft op de primaire doelstellingen van het blijven verhogen van de potentiële groei, het zorgen voor een grote mate van werkgelegenheid en het aanhouden van duurzame overheidsfinanciën. Op deze manier kan de strategie het beste bijdragen aan sociale integratie en verbetering van de levensstandaard van de Europese burger.

Er is behoefte aan strenger toezicht op het beleid van de lidstaten om te zorgen dat de toezeggingen onder de nieuwe EU 2020-strategie beter worden nageleefd. In die zin is het van cruciaal belang dat de EU 2020-strategie een beperkt aantal ambitieuze en landspecifieke doelstellingen omvat (met inbegrip van doelstellingen ten aanzien van de gemeenschappelijke markt), die volledig worden ondersteund op lidstaatniveau. De nieuwe EU 2020-strategie zou het best het structuur- en werkgelegenheidsbeleid ondersteunen als zij gericht blijft op de primaire doelstellingen van het verhogen van de potentiële groei en het zorgen voor een grote mate van werkgelegenheid. Daarnaast zou de strategie een grotere onderlinge afhankelijkheid van de landen van de eurozone en een gedeelde verantwoordelijkheid voor het functioneren van de eurozone en dus de noodzaak van grotere samenhang en coördinatie van het economische en budgettaire beleid tussen de eurolanden, moeten omvatten. De strategie zou met name gericht moeten zijn op de verschillen in concurrentiepositie, die zijn ontstaan tussen de leden van de eurozone vanaf de introductie van de gemeenschappelijke munteenheid. Daarbij zou gebruik moeten worden gemaakt van het onlangs ingevoerde concurrentieonderzoek. In praktische zin zie ik wel heil in het definiëren van meer specifieke beleidsrichtsnoeren, met inbegrip van richtsnoeren die specifiek gericht zijn op de landen van de eurozone, zoals ook mogelijk is onder het nieuwe artikel 136 van het VWEU, zoals opgenomen in het Verdrag van Lissabon. Ik zie dan ook zeer uit naar de mededeling van de Commissie over deze vraagstukken, die voorjaar 2010 verwacht wordt.

De ECB kan het effectiefst bijdragen aan het succes van de EU 2020-strategie wanneer zij zich bij haar monetaire beleid op een geloofwaardige wijze richt op de prijsstabiliteit en zo de koopkracht van de huishoudens in de eurozone steunt. In dit opzicht moet erop gewezen worden dat een beter functionerende Europese markt het voor het monetair beleid makkelijker maakt om ook echt te zorgen voor prijsstabiliteit en om groei te ondersteunen.

Om die reden dienen de structurele hervormingsmaatregelen gericht te zijn op het verbeteren van de concurrentiepositie. Op deze manier kunnen de herstructureringen en investeringen worden versneld en kan de weg worden vrijgemaakt voor nieuwe bedrijfsmogelijkheden, met name in de dienstverleningssector. Dit is van groot belang om een duurzame productiviteitsgroei op touw te zetten ter ondersteuning van de potentiële productie en het reële inkomen, en om te voorkomen dat de huidige crisis de potentiële groei van de eurozone op de lange term schaadt. Op EU-niveau vormen de voltooiing van de interne markt, de correcte omzetting van de gemeenschappelijke regelgeving in nationale wetgeving en de nauwgezette naleving daarvan, belangrijke mijlpalen voor de verbetering van de economische concurrentiepositie en de efficiëntie.

Daarnaast is er behoefte aan meer loonflexibiliteit, opdat de vaststelling van lonen bijdraagt aan een aanpassing van de arbeidskosten per eenheid in de eurozone door de lonen in lijn te brengen met de concurrentieposities, de plaatselijke omstandigheden op de arbeidsmarkt en de productiviteitsontwikkeling, met name ten tijde van recessie. Om in de toekomst een stijging van de werkloosheid te voorkomen, moeten de lonen voor die landen die in het verleden aan concurrentiepositie hebben verloren en voor die sectoren die met name hard zijn getroffen door de crisis, meer worden gematigd dan wat tot nu toe is berekend in de onderhandelde loonontwikkelingen.

Om in de huidige fase van lage groei de interne vraag nieuw leven in te blazen, dient het vertrouwen bij huishoudens en ondernemingen te worden vergroot, met name ten aanzien van toekomstige inkomstenstromen. In dit opzicht zijn de crisissteunmaatregelen op de korte termijn – met name die ten behoeve van een aanpassing van het aantal werkuren – in sommige gevallen succesvol geweest in het reduceren van het verlies aan werkgelegenheid. Op de middellange termijn brengt tijdelijk beleid dat de structurele hervormingen in de economie vertraagt, echter onnodige budgettaire kosten met zich mee en leidt het tot inefficiënties, die een duurzame ontwikkeling van de werkgelegenheid en groei van de reële inkomsten ondermijnen. Daarom zijn er heldere en geloofwaardige exitstrategieën vereist om de vraag en de werkgelegenheid op de middellange termijn te bevorderen. In die zin moet het budgettaire beleid de efficiëntie en de kwaliteit van de overheidsuitgaven verbeteren, mede met het oog op het opkrikken van de investeringen en zo de potentiële productie.

Een laatste gebied waarop ik denk dat de Lissabonstrategie moet worden doorgezet, is de energiesector. Behalve vragen ten aanzien van klimaatverandering, vormt ook de te grote afhankelijkheid van olie en overige uitputbare hulpbronnen een potentieel punt van kwetsbaarheid en een mogelijke bron van macro-economische instabiliteit. In dit opzicht kunnen wij niet voorbijgaan aan de rol van de schommelingen in de olieprijzen en het effect daarvan op de eurozone in de huidige crisis. Daarom dient bevordering van strategieën die gericht zij op alternatieve en betrouwbare energiebronnen en een efficiënte energiesector, een belangrijke plaats te krijgen in de volgende strategie voor groei en werkgelegenheid.

17.      Wat is uw opvatting ten aanzien van de snelheid waarmee de eurozone zich uitbreidt, zowel vanuit het gezichtspunt van de eurozone als vanuit dat van de kandidaat-lidstaten? Wat is uw oordeel over de introductie van de euro in nieuwe lidstaten tot nu toe? Vindt u het nodig om het toetredingsproces en/of de introductieperiode van de euro te optimaliseren of aan te passen?

In aansluiting op de introductie van de euro in elf lidstaten in 1999, zijn nadien vijf overige lidstaten overgegaan op de euro (waaronder vier lidstaten die in 2004 zijn toegetreden tot de EU). De voordelen van de euro spreiden zich dus steeds meer uit naar de nieuwe lidstaten, wat aangeeft dat de eurozone geen exclusieve aangelegenheid is. Er is geen vooraf bepaald tijdsschema voor uitbreiding van de eurozone. Alle lidstaten die sinds 2004 zijn toegetreden tot de EU, worden geacht over te stappen op de euro zodra zij de hoge mate van duurzame convergentie hebben bereikt die omschreven staat in het Verdrag en het Protocol. Dit vereist een grondige voorbereiding en dient niet te lichtvaardig te worden opgevat.

Uit de ervaringen van lidstaten die reeds zijn overgegaan op de euro blijkt dat wij bij het opnemen van nieuwe leden in de eurozone goed moeten kijken naar de duurzaamheid van de convergentie. Het is essentieel om te zorgen voor een hoge mate van duurzame convergentie, bovenal voor het land zelf, zodat dit land ook echt de vruchten kan plukken van de overgang naar de euro. Daarnaast is dit ook voor de eurozone zelf van groot belang, aangezien het bereiken van een hoge mate van duurzame convergentie van alle deelnemende landen cruciaal is voor de samenhang van de eurozone en een efficiënt functioneren van het centraal monetair beleid. Het opzetten van een geloofwaardige strategie (gekoppeld aan de uitvoering van de nodige gezonde macro-economische beleidsmaatregelen en structurele hervormingen) kan ertoe bijdragen dat alle betrokken partijen zich ook echt inzetten om dit doel te bereiken.

Wat betreft het overgangsproces naar de euro is het grondbeginsel van het Verdrag nog altijd juist: landen moeten ervoor zorgen dat zij een gezond macro-economisch beleid nastreven. Het institutionele raamwerk voor het overgangsproces naar de euro, zoals uiteengezet in het Verdrag en het Protocol, is speciaal ontworpen om te zorgen dat aan de voorwaarden voor een succesvolle deelname aan de eurozone wordt voldaan. Het is daarom essentieel dat men zich strikt aan dit raamwerk houdt. Ook is het van het allergrootste belang dat de beoordeling van de convergentie uitgaat van hoogwaardige en betrouwbare statistische gegevens.

18.      Wat vindt u van het momenteel veel besproken vraagstuk van de belasting op financiële transacties? Zou een dergelijke belasting slechts opbrengsten uit de financiële sector innen of is het eerder waarschijnlijk dat maatschappelijk onwenselijke transacties hierdoor worden beperkt? Wat moet de rol worden van de ECB bij de uitvoering van een Europese belasting op financiële transacties? Wat moet, uitgaande van de momenteel bestaande belasting op financiële transacties (bijvoorbeeld zegelrechten in het Verenigd Koninkrijk) het toepassingsbereik van een dergelijke belasting zijn, om effectief te zijn? Wat zijn de risico's en de nadelen van een dergelijke belasting? Is een dergelijke belasting uitvoerbaar als bepaalde landen zich niet aan de beginselen houden? En wat zijn, om met de G20 te spreken, overige opties voor de wijze waarop de financiële sector een eerlijke en wezenlijke bijdrage kan leveren aan de betaling van de schuldenlast in verband met het overheidsingrijpen om het bankenstelsel te redden?

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik mij graag aansluit bij de gedachte dat de financiële sector een eerlijke en wezenlijke bijdrage zou kunnen leveren aan de betaling van de schuldenlast in verband met het overheidsingrijpen om het bankenstelsel te redden. Niettemin zullen wij zorgvuldig moeten kijken naar de idee dat deze doelstelling het best kan worden verwezenlijkt door de introductie van een algemene belasting op financiële transacties. Allereerst zal duidelijk moeten worden wat het werkelijke doel is van de introductie van een dergelijke belasting. Is dit echt het innen van opbrengsten uit de financiële sector, of gaat het eerder om het verlagen van de volatiliteit op de financiële markten en het inperken van al te grote risico's?

Afgezien van het feit dat het moeilijk is om tot internationale overeenstemming te komen over het opleggen van een dergelijke belasting op mondiaal niveau, en verder van het feit dat de belasting uiteindelijk betaald zal worden doordat er extra kosten door de financiële dienstverlening worden doorberekend aan de klant, moeten ook de mogelijkheden om opbrengsten te genereren uit belasting op financiële transacties goed onder de loep worden genomen. Om maar iets te noemen, wij kunnen niet zo maar mechanisch een belastingtarief van bijvoorbeeld 0,01% van het totale bedrag van de financiële transacties rekenen als schatting voor de potentiële opbrengsten, zonder dat wij daarbij rekening houden met het mogelijke effect op (i) het algehele volume aan transacties, (ii) de prijzen waartegen deze transacties worden gesloten en (iii) overige secundaire effecten.

Gelet op de grote onzekerheid ten aanzien van de doelmatigheid van een belasting op financiële transacties en het onzekere potentieel ten aanzien van het genereren van opbrengsten, zou elke vorm van belasting op financiële transacties dus goed moeten worden afgezet tegen mogelijke alternatieven. Als dergelijke alternatieven een efficiënt middel willen vormen voor de bevordering van de stabiliteit op de financiële markt in de toekomst, zullen deze verder moeten gaan dan enkel een regeling om financiële middelen te innen. Op het moment werken de G20 en het IMF aan een aantal voorstellen die, behalve een belasting op financiële transacties, ook een belasting op bonussen en salarissen in de financiële sector omvatten (gericht op de bereidwilligheid van marktdeelnemers om buitensporige risico's te nemen), alsmede een belasting op balansposten teneinde discrepanties te voorkomen. Dit alles zou kunnen worden gekoppeld aan verzekeringsregelingen om te vermijden dat in de toekomst verliezen in de financiële sector moeten worden gedragen door de samenleving.

In tegenstelling tot voornoemde belasting, die uitsluitend wordt geheven op financiële transacties, zijn deze opties ook gericht op afzonderlijke instellingen met als doel versterking van hun veerkracht, en op verbetering van de verliesabsorberende capaciteit van het financiële stelsel als geheel. In deze context wordt momenteel de mogelijkheid bestudeerd om aanvullende vereisten voor prudentie te introduceren voor systemische financiële instellingen die vanwege hun status van "te groot om onder te gaan" zeer waarschijnlijk overheidssteun zullen ontvangen. Deze aanvullende prudentiële vereisten – in de vorm van vermogensopslag en/of voorwaardelijk kapitaal – zijn erop gericht de verliesabsorberende capaciteit en de veerkracht te vergroten op het moment dat de balansen van banken hevig onder druk staan, en dus om zo indirect de verwachte kosten voor de belastingbetaler bij toekomstige financiële injecties te reduceren.

Overige maatregelen die worden overwogen, zijn gericht op het innen van een monetaire bijdrage van financiële instellingen om zo direct bij te dragen aan de kosten die uit overheidsfinanciën worden gemaakt voor overheidsinterventies, en deze zo te reduceren. Een goed voorbeeld hiervan is de introductie van een bijdrage voor verplichtingen van financiële instellingen, zoals de financiële verantwoordelijkheidsbijdrage in de VS. Vanwege het overkoepelende doel om het bankwezen te laten bijdragen aan het dekken van de kosten van de financiële crisis, is er brede steun voor het plan van de Amerikaanse regering om een "verantwoordelijkheidsbijdrage" in te voeren.

In dit kader zou ik het standpunt, zoals recentelijk naar voren gebracht door het Eurosysteem, in herinnering willen brengen, dat het raamwerk voor crisisbeheer en voor een crisisresolutie gericht moet zijn op het minimaliseren van de mogelijke strop voor de belastingbetaler als gevolg van een crisis van de financiële instellingen. In dit opzicht verwelkom ik de plannen van de Commissie om de uitvoerbaarheid van mechanismen die kunnen zorgen dat de geldmiddelen van de private sector beschikbaar komen op het moment van een crisis, verder te onderzoeken (zie ook vraag 38).

19.      Wat zijn uw denkbeelden ten aanzien van de toekomst van de Europese monetaire unie op de langere termijn en wat zijn daarbij de grootste obstakels?

Het is van cruciaal belang dat wij als Europeanen blijven bouwen aan het enorme succes van het invoeren van een enkele valuta voor ons continent. De prestatie van de Europese Unie en de monetaire unie is zonder weerga, en wij moeten niet vergeten hoeveel wij al hebben bereikt.

Ik geloof dat de toekomst van de Europese monetaire unie er op de lange termijn zeer rooskleurig uitziet. Nu het Verdrag van Lissabon onlangs van kracht is gegaan, krijgt het proces van de Europese integratie een nieuwe impuls. Dit zou ten goede moeten komen aan de omgeving waarin de monetaire unie opereert. De aanvankelijke, begrijpelijke zorgen en twijfels over de euro hebben plaatsgemaakt voor waardering over hoe de euro functioneert en over het belang van de euro voor het welzijn van de economie van de eurozone en daarnaast in toenemende mate voor de mondiale economie.

Dat gezegd hebbende, zijn er uiteraard ook diverse problemen die de komende tijd alleen maar prangender zullen worden, niet in de laatste plaats vanwege de recente financiële crisis.

Een eerste punt betreft het stabiliteits- en groeipact. Na de verslechtering van de begrotingen als gevolg van de financiële crisis en het broodnodige beleidsmatige antwoord daarop, moeten regeringen nu weer proberen terug te keren naar een meer duurzame budgettaire koers. Er kan geen twijfel over bestaan dat dit pijnlijke ingrepen zal vereisen, die tevens een vrij lange periode van aanpassing zullen vergen. In dit proces is het van belang dat regeringen een vaste koers aanhouden en niet zwichten voor de verleiding om de voorschriften van het stabiliteits- en groeipact te versoepelen, aangezien dat ernstige gevolgen zal hebben voor het functioneren van de monetaire unie.

Een andere grote uitdaging heeft te maken met het verdiepen en versterken van de Europese benadering voor financiële stabiliteit en systeemrisico's. Het instellen van een Europees Comité voor systeemrisico's is een belangrijke stap, maar er is nog veel werk te verrichten bij de uitvoering en de verdere samenwerking op dit vlak. Op de lange termijn is een Europese integrale aanpak voor financiële stabiliteit en systeemrisico's nodig, die de voorwaarden zal scheppen voor de ontwikkeling van een gezond en solide financieel systeem, dat minder vatbaar is voor een crisis. Daarnaast is het noodzakelijk rekening te houden met de risico's die voortvloeien uit mondiale bronnen. Dit dient te gebeuren in samenwerking met het IMF en de Financiële Stabiliteitsraad.

Daarom moeten wij de successen tot nu toe consolideren en moeten wij vasthouden aan onze koers van de eerste tien jaar van het bestaan van de euro. Dit betekent dat alle betrokkenen, alle instellingen op Europees en nationaal niveau, maar ook alle economische instanties moeten voldoen aan hun verplichtingen en verantwoordelijkheden. Op deze manier kunnen wij de uitdagingen op de lange termijn beter het hoofd bieden, die ongetwijfeld op ons af zullen komen in een wereld vol onzekerheden, zodat wij het welzijn van onze samenleving kunnen continueren.

Ik kan u verzekeren dat ik alles zal doen wat in mijn vermogen ligt om te zorgen dat onze valuta en de ECB zich verder ontwikkelen op basis van de geloofwaardigheid die wij tot nu toe hebben opgebouwd.

20.      Wat is uw opvatting over de respectieve rollen van de Raad, de Commissie, de Eurogroep en de ECB in de zin van buitenlandse vertegenwoordiging van de eurozone?

De buitenlandse vertegenwoordiging van de eurozone moet uitdrukking geven aan de speciale aard van de EMU als unie met een centrale munteenheid, maar met een gedecentraliseerd economisch beleid. De vertegenwoordiging is verdeeld over de Raad, de Commissie, de Eurogroep, de ECB en de lidstaten overeenkomstig de bevoegdheden die hen op basis van het Verdrag zijn toegewezen.

De ECB vertegenwoordigt in het buitenland het monetaire beleid en haar overige verantwoordelijkheden. De ECB treedt op als woordvoerder van het Eurosysteem en wordt op alle belangrijke internationale fora die van belang zijn voor de taken van het Eurosysteem, vertegenwoordigd. Deze opzet functioneert goed.

De buitenlandse vertegenwoordiging van het economisch beleid is gefragmenteerder als gevolg van de verdeling van de interne verantwoordelijkheden tussen de Unie en lidstaten. De lidstaten zijn grotendeels verantwoordelijk voor hun eigen economisch beleid. Zij maken daarnaast ook deel uit van internationale economische fora zoals het IMF, waar zij ook financiële verantwoordelijkheden kunnen dragen.

Tegelijkertijd heeft de huidige economische en financiële crisis het belang onderstreept van een betere Europese vertegenwoordiging om te zorgen dat Europa op het wereldtoneel haar belangen effectief kan behartigen. In dit opzicht kan gebruikgemaakt worden van artikel 138 van het Verdrag, waarin wordt bepaald dat de Raad (in eurzozonesamenstelling) "gemeenschappelijke standpunten over kwesties die voor de Economische en Monetaire Unie van bijzonder belang zijn," kan innemen, en kan zorgen voor "een gezamenlijke vertegenwoordiging in de internationale financiële instellingen en conferenties". De voortgang hangt echter af van de politieke wil van de lidstaten.

21a.    Hoe beoordeelt u de recente ontwikkeling van de wisselkoersschommelingen tussen de US-dollar en de euro?

De ontwikkelingen op de valutamarkten van de afgelopen achttien maanden zijn in grote mate bepaald door het verloop van de financiële crisis. Op het hoogtepunt van de crisis gaven de portefeuilleverschuivingen naar Amerikaanse staatsobligaties de Amerikaanse dollar een impuls ten opzichte van de euro (en overige valuta's), te midden van zeer grote schommelingen op de financiële markten. Toen de ergste financiële storm in de loop van 2009 een beetje gingen liggen, werden deze bewegingen enigszins ongedaan gemaakt en herwon de euro aan kracht. Bijgevolg werd de euro vanuit een historisch oogpunt in het najaar van 2009 erg hoog gewaardeerd, voordat deze de laatste twee maanden weer wat in waarde begon te dalen. De ECB heeft bij monde van haar president de afgelopen achttien maanden meerdere keren laten optekenen dat wij de uitspraken van de Amerikaanse autoriteiten verwelkomen dat een sterke dollar in het belang is van de Verenigde Staten.

21b.    Hoe beoordeelt u de recente ontwikkeling van de wisselkoersschommelingen tussen de Chinese yuan renminbi en de euro?

De yuan renminbi heeft vanaf het begin van China's hervorming van de wisselkoersen, nu bijna vijf jaar geleden, slechts in bescheiden mate aan waarde gewonnen ten opzichte van de euro, namelijk ongeveer 7,4% vanaf juli 2005 tot 22 februari 2010 (afgezet tegen 21% ten opzichte van de Amerikaanse dollar en 14% in reële effectieve zin op basis van een consumentenprijsindex). Dit is met name te wijten aan de onderbreking van China's beleid van geleidelijke stijging van de wisselkoers vanaf het moment dat de crisis uitbrak.

Daarom verwelkom ik China's voortdurende inspanningen om te komen tot een flexibelere wisselkoers, die zou moeten leiden tot voortdurende stijging van de yuan renminbi in effectieve zin en die een evenwichtigere groei in China en in de wereldeconomie bevordert.

21c.    Hoe beoordeelt u de internationale samenwerking op het vlak van wisselkoersen?

De ECB is in een voortdurende dialoog over de mondiale wisselkoersconfiguraties met haar partners in de groep van zeven (G7), waarvan de leidende rol ten aanzien van wisselkoersaangelegenheden werd bevestigd bij de laatste bijeenkomst van de groep in Iqaluit, Canada, op 6 februari 2010. Tezamen met haar partners van de G7 en de G20 houdt de ECB nauwlettend toezicht op de valutamarkten. Waar nodig wordt gezamenlijk actie ondernomen.

De mate van wederzijds begrip aan beide zijden van de Atlantische Oceaan is bijzonder hoog en ik waardeer het zeer dat de Amerikaanse autoriteiten, met inbegrip van voorzitter van de Fed Bernanke en minister van Financiën Geithner, hebben aangegeven dat een sterke dollar in het belang is van de Verenigde Staten is, hetgeen ook in het belang is van de wereldeconomie in haar geheel. De ECB wisselt ook regelmatig van gedachten met de Chinese autoriteiten. Dit gebeurt op een open en eerlijke wijze.[2]

21d.    Denkt u dat de centrale banken ertoe in staat zijn op efficiënte wijze de buitensporige volatiliteit te bestrijden?

De centralebankpresidenten van de G7 hebben tezamen met de ministers van Financiën van de G7 bij hun laatste bijeenkomst van februari 2010 opnieuw hun gedeelde belang bevestigd in een krachtig en stabiel internationaal financieel stelsel.

Ook hebben ze duidelijk aangegeven dat buitensporige volatiliteit en grillige bewegingen in de wisselkoersen schadelijke gevolgen hebben voor de economische en financiële stabiliteit en dat zij nauw toezicht zullen blijven houden op de valutamarkten en waar nodig gezamenlijk zullen ingrijpen.

Wat betreft het vermogen van centrale banken om buitensporige volatiliteit te bestrijden, zij vooropgesteld dat de eurozone een flexibel valutastelsel heeft aangenomen, hetgeen betekent dat de buitenlandse waarde van de euro ten opzichte van de valuta's van derde landen wordt bepaald door de markt. Dit geeft de ECB de gelegenheid om zich volledig te richten op haar doel – het handhaven van prijsstabiliteit – en zou tevens moeten bijdragen aan het beperken van de wisselkoersschommelingen. Soms kunnen zich op de valutamarkten echter perioden van over- en onderschrijding voordoen, hetgeen door kan werken op de prijstrends en risico's kan inhouden voor de prijsstabiliteit in de eurozone. In dergelijke gevallen kan een overheidsingrijpen om buitensporige wisselkoersschommelingen in te perken, gerechtvaardigd zijn, mits dit goed gecoördineerd wordt met overige landen. Een algemeen kenmerk van valutabeleid is dat het per definitie internationaal is. Wisselkoersen kunnen nu eenmaal niet worden bepaald door één land of één economisch gebied; zij zijn altijd afhankelijk van de beslissingen van ten minste twee betrokken partijen. Daarom is internationale samenwerking cruciaal voor de doelmatigheid van het valutabeleid.

21e.    Welk belang hecht u in dit opzicht aan de gevaren als gevolg van mondiale wanverhoudingen?

De opeenstapeling wereldwijd van ernstige tekorten op de lopende rekeningen heeft zeker bijgedragen aan de escalatie van de systeemrisico's, die uiteindelijk heeft geleid tot de financiële crisis. De crisis leidt tot een vermindering van deze tekorten, maar dat is echter vooral cyclisch en niet zozeer structureel. Dit wijst erop dat het risico bestaat dat de tekorten wereldwijd weer toenemen, zodra de mondiale economie weer aantrekt.

De multilaterale aard van de mondiale tekorten geeft aan dat het verhelpen daarvan een gedeelde verantwoordelijkheid is. Het nieuwe raamwerk van de G20 voor krachtige, duurzame en evenwichtige groei biedt mogelijkheden om het toezicht op het macro-economisch beleid te vergroten en zo te voorkomen dat zich opnieuw grote mondiale tekorten voordoen. Het is nu van belang dat wij concrete beleidsmaatregelen overeenkomen en zorgen dat de toezeggingen hieromtrent ook worden nageleefd, waarbij alle belangrijke economieën hun deel moeten doen.

21f.     Vindt u dat de internationale rol van de euro moet worden aangemoedigd en, zo ja, op welke manier?

Ik sluit mij aan bij het beleid van de ECB, dat reeds bij aanvang van de monetaire unie in 1999 is ingezet, om noch naar bevordering noch naar belemmering van het internationaal gebruik van de euro te streven. De ontwikkelingen in de rol van de euro in het buitenland zijn primair het resultaat van de marktwerkingen en de besluitvorming van de private sector. De voornaamste steun die de ECB indirect biedt ter bevordering van een groter gebruik van de euro bij internationale transacties, is het nastreven van een geloofwaardig monetair beleid. De ECB houdt toezicht op de internationale rol van de euro en stelt het publiek daar regelmatig van in kennis, in het bijzonder aan de hand van haar jaarlijkse evaluatie van de internationale rol van de euro.

22.      Hoe kan het belang van de eurozone en haar valuta verder worden vergroot, met name binnen de internationale financiële instellingen? Wat denkt u van het huidige niveau van coördinatie, met name ten aanzien van bestuursvergaderingen van het IMF?

Vanaf het begin van de euro meer dan tien jaar geleden heeft de eurozone zich geleidelijk ontwikkeld tot een gevestigde partner op de mondiale fora en onder de instellingen die zich bezig houden met economische en financiële vraagstukken, zoals de Bank voor Internationale Betalingen (BIB), de G7, de G20, het IMF of de Financiële Stabiliteitsraad. Dit is het resultaat van een geleidelijk proces waarin reeds lang gevestigde patronen moesten worden gewijzigd, zowel bij instellingen als onder mensen. Al moet dit ook niet worden onderschat, het lijkt toch makkelijker de eerste te veranderen dan de laatste.

De regels voor deelname aan mondiale instellingen en fora moeten zodanig worden gewijzigd dat interactie met een valutagebied en de centrale instanties daarvan mogelijk is, in plaats van met vertegenwoordigers van afzonderlijke landen. Dit beginsel heeft bijvoorbeeld vorm gekregen bij de G7, doordat bij vergaderingen daarvan de president van de ECB en de president van de Eurogroep zijn uitgenodigd. Ook bij het IMF heeft de ECB een waarnemende status gekregen, waardoor zij kan aanschuiven bij een aantal van de bestuursvergaderingen van het IMF. Evenzo worden er nieuwe structuren in het leven geroepen: zo komen Europese vertegenwoordigers regelmatig in Washington bijeen om van gedachten te wisselen over onderwerpen die onlangs aan bod zijn gekomen tijdens de bestuursvergaderingen van het IMF.

Daar staat weer tegenover dat het moeilijker is de denkrichting van de deelnemende instanties te veranderen. Vanwege de komst van de monetaire unie, worden het monetair beleid en de wisselkoersaangelegenheden nu vertegenwoordigd op Unieniveau. Dit is nog relatief simpel. Maar minder simpel is dat er ook op andere beleidsvlakken argumenten zijn om de opvattingen te coördineren en gemeenschappelijke signalen overeen te komen. Weliswaar is er vooruitgang geboekt, aangezien tal van gemeenschappelijke referentiepunten ten aanzien van diverse onderwerpen op de agenda's van de G7, de G20 en het IMF over de jaren zijn gecoördineerd door in Brussel. Men heeft het zich echter nog altijd niet volledig eigengemaakt dat het spreken met één stem uiteindelijk bijdraagt aan de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen. Veel landen zien internationale beleidsmaatregelen nog altijd als een nationaal voorrecht, ondanks het feit dat de eurozone blootgesteld is aan dezelfde mondiale uitdagingen. Deze houding zorgt er soms voor dat het referentiekader meer is dan de kleinste gemene deler, hetgeen leidt tot uiteenlopende signalen. Helaas effent een kakofonie van verschillende stemmen niet echt de weg voor meer invloed. Dit verklaart wellicht de situatie van vandaag de dag dat de invloed van de eurozone op internationale financiële instellingen enerzijds nog weinig overeenkomt met het economische en financiële gewicht afgezet tegen dat van overige grote partijen, terwijl de eurozone (of meer in het algemeen de EU) anderzijds wordt gezien als oververtegenwoordigd, en hiervan wordt beschuldigd.

Met het oog op de toekomst zal Europa deze situatie moeten heroverwegen, niet in de laatste plaats vanwege de buitenlandse druk afkomstig uit de gelederen van het IMF (bijvoorbeeld door een aanpak van een enkele voorzitter te overwegen). Mijns inziens is de roep om nog betere coördinatie van de opvattingen en om heroverweging van de vraag of er efficiëntere manieren zijn om te worden vertegenwoordigd in internationale instellingen en fora, dan ook echt gerechtvaardigd, willen wij het gewicht van de eurozone op het mondiale toneel vergroten.

C.  Financiële stabiliteit en toezicht

23a.    Wat denkt u van de ontwerp-wetgevingsvoorstellen waarover momenteel wordt beraadslaagd in het Europees Parlement?

De ontwerp-wetgevingsvoorstellen waarover het Europees Parlement momenteel beraadslaagt maken deel uit van een omvangrijke herziening van het institutionele EU-toezichtskader, dat gepaard gaat met meer microprudentieel toezicht door de oprichting van het Europees Systeem van financiële toezichthouders (ESFT) (bestaande uit drie Europese toezichthoudende autoriteiten en het netwerk van nationale toezichthouders), en de aanwijzing van het Europees Comité voor systeemrisico's (ECSR) als een nieuw onafhankelijk orgaan, dat belast wordt met het waarborgen van de financiële stabiliteit door op Europees niveau macroprudentieel toezicht uit te oefenen, waarbij op grond van artikel 127, lid 6, van het Verdrag specifieke verwante taken aan de ECB worden toegekend.

Het voorgestelde institutionele kader voldoet op hoofdlijnen, en wel om de volgende redenen:

Op microprudentieel vlak zal de oprichting van het ESFT zorgen voor meer consistentie bij de uitoefening van microprudentieel toezicht op EU-niveau. De voornaamste taken van de Europese toezichthoudende autoriteiten zijn op hoofdlijnen geschikt om deze doelstellingen te verwezenlijken. Met name het opstellen van technische normen, richtsnoeren en aanbevelingen zal een consistente toepassing van Europese financiële wetgeving in alle lidstaten bevorderen en bijdragen aan een gemeenschappelijke aanpak van regulering en toezicht op EU-niveau. Er is een brede consensus over de doelstelling om één Europese regeling tot stand te brengen die de basis zou vormen voor grensoverschrijdende dienstverlening door financiële tussenpersonen. Dit zal zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden tussen financiële instellingen en depositohouders, investeerders en consumenten in Europa naar behoren beschermen.

Op macroprudentieel vlak ben ik verheugd over de oprichting van een nieuw orgaan dat belast wordt met de uitoefening van macroprudentieel toezicht binnen de EU – het ECSR –, omdat de recente financiële crisis heeft aangetoond dat de macroprudentiële aanpak van regulering en toezicht van het financiële systeem als geheel moet worden versterkt. De crisis heeft ook laten zien dat het nodig is de diverse oorzaken van systeemrisico's en hun gevolgen voor het financiële systeem uitgebreid en tijdig te beoordelen. Het ECSR kan wezenlijk bijdragen aan de stabiliteit van het Europese financiële systeem als geheel door systeemrisico's in kaart te brengen en te beoordelen, door in een vroeg stadium waarschuwingen en aanbevelingen af te geven wanneer dergelijke risico's aanmerkelijk zijn en door toe te zien op de follow-up. In dit opzicht is het eveneens een goede zaak dat de ontwerp-wetgevingsvoorstellen de ECB en het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) een voorname rol toekennen bij het functioneren van het ECSR. Met name het feit dat alle leden van de Algemene Raad van de ECB vertegenwoordigd zijn in het ECSR maakt dat het ECSR bij zijn analyse van de financiële stabiliteit gebruik zal kunnen maken van de macro-economische, financiële en monetaire expertise van de centrale banken in de EU. Daarnaast zal de ECB analytische, statistische, administratieve en logistieke ondersteuning bieden aan het ESCR.

De wetgevingsvoorstellen kunnen derhalve zorgen voor een wezenlijke uitbreiding van de Europese toezichtarchitectuur die tegemoetkomt aan de mondiale en Europese reguleringsbehoefte na de financiële crisis. Verder, en dat is het meest van belang, zullen de nieuwe structuren een regelgevingskader vormen ter waarborging van de wezenlijke en waardevolle vooruitgang die tot dusver is geboekt bij de financiële integratie in de EU, en bijdragen tot verdergaande integratie.

Niettemin acht ik het noodzakelijk op bepaalde aspecten een stap verder te gaan. In zekere zin houdt de oplossing waaraan momenteel gewerkt wordt het midden tussen een puur nationale benadering van microprudentieel toezicht en een pan-Europese toezichttaak. Vooruitkijkend lijkt de hamvraag of de Europese toezichthoudende autoriteiten volstaan om een gezamenlijke en effectieve respons te formuleren op de activiteit van grensoverschrijdende financiële instellingen of dat het noodzakelijk zal zijn nog een stap voorwaarts te zetten. Hierbij zal de tenuitvoerlegging van één regeling een van de voorwaarden vormen voor een effectief en eigenmachtig functioneren van de ETA's. Het belangrijkste punt is echter dat de verantwoordelijkheid en bevoegdheden inzake financieel toezicht in handen moeten worden gelegd van diegenen die uiteindelijk de mogelijke kosten van storingen in het financiële systeem voor hun rekening nemen. Naar mijn idee zal een eventuele stap richting een nog beter geïntegreerde toezichtarchitectuur dan ook vooraf moeten worden gegaan door de oprichting van een Europees vangnet (waaronder een ex-ante gefinancierd herstructureringsfonds).

23b.    Wat zou u aanbevelen om de samenhang tussen macro- en microprudentieel toezicht te versterken?

Een belangrijke voorwaarde voor het efficiënte en effectieve functioneren van de nieuwe Europese toezichtarchitectuur is te zorgen voor een passende wisselwerking tussen de macroprudentiële toezichttaak van de EU – uitgevoerd door het ECSR – en de microprudentiële taak – uitgevoerd door het ESFT. Met de voorgestelde architectuur wordt beoogd dat het ECSR zich bij zijn werkzaamheden vooral richt op systeemrisico's en economische effecten op macroniveau, terwijl het ESFT vooral prudentiële en regulerende activiteiten op microniveau verricht. In dit verband is het van belang de juiste synergieën tot stand te brengen tussen de micro- en macroprudentiële taken ter waarborging van de financiële stabiliteit, ook om overlappingen en dubbel werk te voorkomen. Dit vereist een heldere taakverdeling en werkprocedures die wederzijdse steun en het benutten van synergieën mogelijk maken.

De ontwerp-wetgevingsvoorstellen bevatten reeds een aantal bepalingen die ten grondslag zouden moeten liggen aan de nauwe samenwerking tussen het ECSR en de ETA's:

· Ten eerste, in termen van bestuur, moeten de drie voorzitters van de ETA's stemgerechtigde leden van de General Board van het ECSR zijn, en tevens zitting hebben in zijn bestuurscomité. Op zijn beurt moet het ECSR lid zijn (niet-stemgerechtigd) van de Raad van Commissarissen van elk van de drie ETA's. Daarnaast moeten de drie ETA's tevens vertegenwoordigd zijn in het Technisch Raadgevend Comité, dat belangrijke technische input zal leveren aan het ECSR.

· Ten tweede moeten de ETA's de algemene plicht hebben nauw samen te werken met het ECSR. Hierbij is reeds voorzien dat de ETA's een van de voornaamste verschaffers van informatie aan het ECSR zal zijn. Het ECSR kan de ETA's verzoeken om informatie in samengevatte of collectieve vorm, zodat individuele financiële instellingen niet kunnen worden geïdentificeerd. Het ECSR kan tevens een met redenen omkleed verzoek aan de ETA's richten om niet in samengevatte of collectieve vorm gestelde gegevens te verstrekken wanneer laatstgenoemde ontoereikend zijn.

· Ten derde moeten de ETA's de tenuitvoerlegging ondersteunen van aanbevelingen die aan een of meer bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten zijn gericht. De ETA's moeten met name worden verplicht hun bevoegdheden aan te wenden om te zorgen voor een tijdige follow-up. Verder moeten ze de Raad van Commissarissen van de betreffende ETA informeren wanneer een nationale toezichthouder verzuimt een follow-up uit te voeren. In zijn antwoord aan het ECSR moet de nationale toezichthouder rekening houden met de input van de betreffende ETA.

· Ten vierde zullen de ETA's verantwoordelijk zijn voor het monitoren en beoordelen van marktontwikkelingen, met name ten aanzien van de relevante microprudentiële trends, potentiële risico's en kwetsbaarheden. Hiertoe moeten de ETA's samen met het ECSR stresstests uitvoeren. De uitkomsten van een dergelijke monitoring en beoordeling moeten worden medegedeeld aan het ECSR.

· Ten vijfde worden het ECSR en de ETA's geacht samen te werken in geval van een crisissituatie. De ETA's worden geacht het ECSR onverwijld te informeren over een potentiële noodsituatie. Het ECSR kan daarnaast ook worden betrokken bij de melding van een noodsituatie.

Bij elkaar zouden deze mechanismen een passend raamwerk moeten bieden voor de nauwe samenwerking tussen het ECSR en de ETA's. Hierbij kunnen zich de volgende uitdagingen voordoen:

· Ten eerste staat of valt de effectiviteit van het ECSR met de toegang tot een uitgebreide gegevensbank, met daarin informatie van microprudentiële aard, aan de hand waarvan het ECSR zijn risicowaarschuwingen en beleidsaanbevelingen kan onderbouwen. Dit zal een nauwe wisselwerking met de ETA's vereisen, met name op een manier die garant staat voor een strikt vertrouwelijk gebruik van microprudentiële gegevens en ook om een extra rapportagelast voor financiële instellingen zoveel mogelijk te voorkomen. Het ECSR en de ETA's zullen op dit punt passende afspraken moeten maken.

· Ten tweede zal het ECSR nauw moeten samenwerken met de toezichthoudende autoriteiten (toezichthouders op banken, verzekeraars en de effectenhandel) die belast zijn met de monitoring van risicoblootstellingen binnen en tussen financiële sectoren. Hiertoe moeten passende kanalen tot stand worden gebracht om het ECSR te informeren over de "output" van de analyses en beoordelingen door de ETA's en nationale toezichthouders. Ook moeten mechanismen in het leven worden geroepen om de risicoanalyses en beoordelingen van het ECSR te communiceren aan de microprudentiële toezichthouders en de passende beleidsmaatregelen in gang te zetten.

· Ten derde moeten de ETA's het voortouw nemen bij de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het ECSR wanneer deze aanbevelingen gericht zijn aan toezichthoudende autoriteiten, De ETA's moeten met name de mogelijkheid krijgen hun instrumenten aan te wenden om de tenuitvoerlegging van de ECSR-aanbevelingen zoveel mogelijk te ondersteunen.

23c.    Kennen de Commissievoorstellen het ECSR passende taken en verantwoordelijkheden toe?

De Commissievoorstellen geven het ECSR een breed mandaat bij het macroprudentiële toezicht op het financiële systeem van de EU als geheel. Het ECSR moet met name oog hebben voor risico's die voortvloeien uit ontwikkelingen binnen het financiële systeem, en rekening houden met macro-economische ontwikkelingen. Dit uitgebreide takenpakket weerspiegelt een van de belangrijkste lessen van de financiële crisis, namelijk dat een globale inschatting moet worden gemaakt van het systeemrisico dat voortkomt uit de onderlinge verwevenheid van financiële instellingen en markten, die de waarschijnlijkheid van een domino-effect mogelijk vergroot, en uit de nauwe banden tussen het financiële systeem en de reële economie. Het brede mandaat van het ECSR vormt dan ook geen enkel beletsel voor een volledige en grondige beoordeling door het ECSR van nieuwe systeemrisico's.

Wat de verantwoordelijkheden van het ECSR betreft, deze betreffen voornamelijk het in kaart brengen en prioritiseren van systeemrisico's, het afgeven van risicowaarschuwingen wanneer systeemrisico's eenmaal in kaart zijn gebracht, en het aanbevelen van corrigerende maatregelen naar aanleiding van de in kaart gebrachte risico's.

Het ECSR heeft een brede achterban en derhalve de mogelijkheid diverse bronnen te raadplegen – toezichthouders en alle publieke en private belanghebbenden – hetgeen van belang zal zijn om risico's in kaart te brengen en te prioritiseren en ook om specifieke risicowaarschuwingen en, indien van toepassing, aanbevelingen af te geven.

Een van de grootste obstakels voor de effectiviteit van het ECSR zal de afgifte en uitvoering van diens risicowaarschuwingen en aanbevelingen zijn. Het ECSR zal zich moeten laten leiden door het volgende:

· De kwaliteit van de waarschuwingen en aanbevelingen zal van cruciaal belang zijn. Dit vereist dat het ECSR een adequate gegevensbank, analytische modellen en expertise ontwikkelt om zo goed mogelijke waarschuwingen en aanbevelingen af te geven en een geloofwaardig beleid te voeren. Een belangrijk aspect zal de kennis en expertise van toezichthoudende autoriteiten zijn, die vereist is om specifieke aanbevelingen inzake regulerings- en toezichtactiviteiten te formuleren.

· Ten tweede, ten aanzien van de procedure voor het afgeven van risicowaarschuwingen en aanbevelingen, is het zaak, zoals het Commissievoorstel beoogt, dat de risicowaarschuwingen en aanbevelingen van het ECSR rechtstreeks worden verzonden aan de respectieve geadresseerden, en tegelijkertijd ook aan de Raad Ecofin. Tegelijkertijd moeten de geadresseerden rechtstreeks aan het ECSR rapporteren, uitgaande van het "pas toe of leg uit" principe. Dit komt de onafhankelijkheid en geloofwaardigheid van het ECSR ten goede.

· Ten derde kan het ECSR zijn risicowaarschuwingen en aanbevelingen openbaar maken. Dit instrument kan ook de passende follow-up bevorderen. Daarnaast is de verwachting dat de EU-Raad en de ETA's betrokken kunnen worden bij de tenuitvoerlegging van de ECSR-aanbevelingen.

Over de hele linie kennen de Commissievoorstellen het ECSR passende taken en verantwoordelijkheden toe. Opgemerkt dient te worden dat macroprudentieel toezicht andere autoriteiten, namelijk toezichthouders, niet van hun verantwoordelijkheden ontheft. Het moet de uitoefening van microprudentieel toezicht door de bevoegde autoriteiten juist vergemakkelijken en indien nodig aanvullen.

23d.    Is het institutionele evenwicht tussen instellingen van de Unie adequaat?

De EU-instellingen zijn op verschillende niveaus betrokken bij het ECSR. De Commissie is een stemgerechtigd lid van de General Board, hetgeen adequaat is gezien haar inbreng in wetgevingsinitiatieven en in het macro-economische en financiële toezicht van de Unie. De EU-Raad is in de General Board vertegenwoordigd door de aanwezigheid van de voorzitter van het Economisch en Financieel Comité (EFC) als lid zonder stemrecht. Dit weerspiegelt de rol van het EFC bij het verstrekken van advies aan de Raad over kwesties die betrekking hebben op economisch en financieel beleid, waaronder financiële stabiliteit. Ook is de Raad betrokken bij de beoogde procedure voor risicowaarschuwingen en aanbevelingen, daar hij op hetzelfde moment als de geadresseerden risicowaarschuwingen en aanbevelingen ontvangt, en ontvangt hij de kennisgevingen van de geadresseerden. Het Europees Parlement is voornamelijk betrokken bij de rapportageverplichtingen van het ECSR (samen met de Raad) en ook bij de beoordeling van de effectiviteit van de wetgeving na drie jaar ervaring. Ook dit is adequaat gezien de wetgevende rol van het Parlement en zijn taak om het ECSR ter verantwoording te roepen. Het bieden van analytische, statistische en logistieke ondersteuning is in handen gegeven van de ECB om de specifieke competenties van de centrale banken te benutten.

Het institutionele evenwicht is op hoofdlijnen adequaat, daar alle EU-instellingen in het kader van hun respectieve taken betrokken zullen worden bij het functioneren van het ECSR.

23e.    Wat is uw mening over de algehele samenstelling van het ECSR en zijn bestuurscomité?

Overeenkomstig de voorstellen in het rapport-De Larosière ligt het voor de hand dat de Algemene Raad van de ECB de basis vormt voor de stemgerechtigde leden van de General Board. De centrale banken in de EU zijn bij uitstek geschikt om te fungeren als de autoriteiten die voornamelijk verantwoordelijk zijn voor macroprudentieel toezicht, gezien de nauwe relaties die centrale banken onderhouden met de monetaire en financiële markten om hun monetaire beleidstaken uit te voeren. Daarnaast is de Algemene Raad van de ECB een erkend besluitvormingsorgaan dat sinds 1999 een breed scala aan centralebanktaken voor zijn rekening neemt. De goede ervaring met de Algemene Raad vormt dan ook een gedegen basis voor een soepel functioneren van het ECSR. Het feit dat de Algemene Raad als grondslag dient veronderstelt tevens dat de President van de ECB uit hoofde van zijn functie de voorzitter van het ECSR moet zijn en dat de Vice-President van de ECB lid is van de General Board.

Ook moeten de drie voorzitters van de Europese toezichthoudende autoriteiten een zetel krijgen in de General Board, evenals de hoofden van nationale toezichthoudende autoriteiten als niet-stemgerechtigde leden, gezien het hierboven toegelichte belang van een nauwe wisselwerking tussen het ECSR, de ETA's en nationale toezichthouders. De inbreng van de Commissie en het EFC is eveneens relevant, gezien hun rol in wetgevingsinitiatieven, macro-economisch toezicht en economisch en financieel beleid.

De samenstelling van het bestuurscomité van het ECSR moet die van de General Board van het ECSR weerspiegelen, zodat het comité representatief is voor de Board, waarvan het geacht wordt de vergaderingen voor te bereiden. Het opnemen van vijf vertegenwoordigers van centrale banken (naast de voorzitter en ondervoorzitter van het ECSR) zorgt voor een passend evenwicht tussen centrale bankiers en de andere leden van het bestuurscomité. Daarnaast garandeert het dat nationale centrale banken binnen en buiten de eurozone afdoende vertegenwoordigd zijn. Aangezien de samenstelling van de eurozone mettertijd zal veranderen is het echter niet raadzaam een vaste zetelverdeling tussen centrale banken binnen en buiten de eurozone vast te leggen in een rechtshandeling.

23f.     Kunt u uw ideeën over de bevoegdheden van het ECSR toelichten: hoe kan worden voorkomen dat geadresseerden waarschuwingen en aanbevelingen naast zich neerleggen?

Zoals al gezegd zal de effectiviteit van de waarschuwingen en aanbevelingen van het ECSR afhangen van hun kwaliteit, het "pas toe of leg uit" mechanisme tussen het ESCR en de geadresseerden, de mogelijkheid dat het ECSR zijn waarschuwingen en aanbevelingen openbaar maakt, en ook de mogelijke ondersteunende rol van de EU-Raad en de ETA's bij de tenuitvoerlegging van de waarschuwingen en aanbevelingen.

Alles staat of valt met een nauwe monitoring en beoordeling door het ECSR van de follow-upactie die aan zijn aanbevelingen wordt gegeven. Wanneer het ECSR van mening is dat de ondernomen acties of redenen om niet in actie te komen ontoereikend zijn, dienen multilaterale pressie en openbaarmaking zich aan als twee belangrijke instrumenten. Rekening houdend met het gevoelige karakter van de onderliggende informatie en de verstoringen die deze teweeg kan brengen binnen instellingen en/of markten, moet het besluit om de waarschuwingen en aanbevelingen openbaar te maken door het ECSR van geval tot geval worden genomen. Al deze elementen bij elkaar moeten een passend raamwerk van stimuleringsregelingen en mechanismen vormen, hetgeen de kans op naleving van risicowaarschuwingen en aanbevelingen zal vergroten.

23g.    Is de mate van openbaarmaking naar uw idee adequaat?

De bevindingen van het ECSR, in de vorm van risicobeoordelingen, waarschuwingen en aanbevelingen, zullen een gevoelig karakter hebben. Met name de openbaarmaking van de ECSR-beoordelingen kan de perceptie van marktdeelnemers als het gaat om de financiële stabiliteit rechtstreeks beïnvloeden. Aan het communicatiebeleid van het ECSR zal derhalve de nodige aandacht moeten worden besteed.

Tevens zal het belangrijk zijn dat het ECSR het publiek informeert over zijn periodieke activiteiten en bijdragen aan het waarborgen van de financiële stabiliteit. Dit kan worden bereikt via de rapportageverplichtingen van het ECSR aan het Europees Parlement en de Raad, en ook door middel van periodieke publicaties over de financiële stabiliteit, bedoeld om bepaalde risico's en kwetsbaarheden bij marktdeelnemers en het publiek onder de aandacht te brengen.

23h.    Is er in uw ogen sprake van een mogelijk belangenconflict met het mandaat van de ECB inzake monetair beleid?

De hoofddoelstelling van de ECB is om de prijsstabiliteit te handhaven. Dit aan de ECB/ESCB verleende mandaat blijft ongewijzigd. Het Verdrag stelt niet alleen eenduidig dat prijsstabiliteit de hoofddoelstelling van monetair beleid is, maar ook dat deze hiërarchisch bovengeordend is aan de tweede doelstelling.

De toekenning aan de ECB van specifieke taken betreffende het functioneren van het ECSR moet worden toegejuicht, aangezien het de bijdrage van de ECB aan de financiële stabiliteit bevordert. Deze nieuwe taak moet niet worden gezien als een aanvullende doelstelling van monetair beleid, maar als een bijdrage aan financiële stabiliteit, zonder afbreuk te doen aan de hoofddoelstelling van prijsstabiliteit.

Dientengevolge laat de oprichting van het ECSR de heldere toewijzing van in het Verdrag vastgelegde verantwoordelijkheden onverlet. Ook zal de integriteit van de macro-economische analyse die binnen de ESCB wordt uitgevoerd ongewijzigd blijven, evenals de interne organisatiestructuur van de ECB.

Het is van belang dat het ECSR en al zijn leden in hoge mate worden gevrijwaard van politieke inmenging. In dit verband mogen de activiteiten van de ECB ter ondersteuning van het ECSR zich niet nadelig uitwerken op de institutionele, functionele en financiële onafhankelijkheid van de ECB of de vervulling door de ESCB van zijn taken uit hoofde van het Verdrag en het statuut van de ESCB en de ECB, met name diens eigen onafhankelijke taken met betrekking tot financiële stabiliteit en financieel toezicht in de eurozone.

24a.    Hoe ziet u de ontwikkeling van de Europese toezichtarchitectuur op de middellange en lange termijn? Wat is uw mening over één Europese toezichthoudende autoriteit?

De oprichting van de drie ETA's is een grote stap in de goede richting waarmee kan worden voortgebouwd op de ervaring en de werkzaamheden van de "Lamfalussy"-comités van Niveau 3, die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het bevorderen van de toezichtconvergentie in Europa en het kweken van wederzijds vertrouwen tussen de nationale toezichthouders. De ETA's zijn bedoeld om een van de grootste zwakten van deze comités te verhelpen, namelijk het niet-bindende karakter van hun richtsnoeren. De mogelijkheid om wettelijk bindende technische normen uit te vaardigen zal de weg vrijmaken voor een EU-regeling betreffende financiële diensten, hetgeen gelijke mededingingsvoorwaarden zal bevorderen en zal bijdragen aan de adequate bescherming van depositohouders, investeerders en consumenten in Europa.

Op de middellange tot lange termijn kan ik me niet vinden in het idee van één toezichthoudende autoriteit en over het algemeen is gebleken dat dit type oplossing, waarvoor lidstaten tijdens de financiële crisis hebben gekozen, op Europees niveau geen aanbeveling verdient. Ik acht het wel zinvol één autoriteit aan te wijzen voor het prudentieel toezicht op alle financiële instellingen, waaronder banken, verzekeraars en pensioenfondsen. Toezicht en regulering moeten gelijke tred houden met de ontwikkelingen op financiële markten, en we zien inderdaad een geleidelijke integratie tussen de verschillende subsectoren van het financiële systeem, met als meest vermeldenswaardige implicatie de opkomst van financiële conglomeraten. In de huidige omgeving is het derhalve van belang te komen tot een geïntegreerde vorm van toezicht die een grondig inzicht in de nieuwe bedrijfsmodellen verschaft, en niet een verschillende aanpak voor banken en verzekeraars, die mogelijk voorbij gaat aan de onderlinge verwevenheid van subsectoren en de daaraan verbonden risico's.

Anderzijds maak ik een duidelijk onderscheid tussen toezicht op financiële instellingen en het toezicht op de effectenmarkten. Het is van belang te erkennen dat de doelstellingen van deze twee functies inherent van elkaar verschillen, en in sommige gevallen feitelijk met elkaar in tegenspraak zijn, en zelfs de modus operandi en gegevensbronnen van de twee vormen van financieel toezicht vertonen nauwelijks overeenkomsten. Het mogelijke belangenconflict komt voort uit het feit dat het toezicht op instellingen als hoofddoel moet hebben de belangen van depositohouders en klanten te beschermen, terwijl het toezicht op effectenmarkten bovenal het belang van beleggers en aandeelhouders dient. Deze twee principes vertalen zich in twee verschillende attitudes als het gaat om de aandacht die wordt besteed aan institutionele stabiliteit.

Naar mijn oordeel zijn er eveneens steekhoudende argumenten voor het toezicht op de bedrijfsvoering van financiële instellingen in de relatie met hun klanten, dat in nauwe samenhang met prudentieel toezicht moet worden uitgeoefend. Het meest zwaarwegende argument heeft betrekking op het feit dat de regulering van en het toezicht op retail banking en verzekeringsproducten en -diensten en de wijze waarop deze worden aangeprezen en verkocht aan klanten onvermijdelijke gevolgen hebben voor de winstgevendheid en solventie van financiële instellingen, en daardoor van invloed zijn op prudentieel toezicht. Daarnaast zijn er sterke negatieve externe invloeden die voortvloeien uit het niet naar behoren verwerken van informatie die wordt verkregen bij het toezicht op de bedrijfsvoering; recentelijk hebben zich zelfs aanzienlijke prudentiële problemen voorgedaan doordat banken in de relatie met retailklanten niet naar behoren zaken deden. Alles bij elkaar neig ik naar een "twin-peaks" model van microprudentieel toezicht, gebaseerd op twee institutionele pijlers: enerzijds het prudentieel toezicht op alle financiële instellingen evenals de bescherming van de klanten van traditionele retail banken en verzekeraars, waaronder het garanderen van hun deposito's en de behartiging van hun belangen in de commerciële relatie met financiële instellingen; anderzijds het waarborgen van de integriteit en effectiviteit van de effectenmarkten, waaronder de bescherming van de investeerder op deze markten.

24b.    Welke rol ziet u in de toekomst weggelegd voor de ECB bij het bankentoezicht?

Over het algemeen heeft de ervaring van de financiële crisis de argumenten vóór de betrokkenheid van centrale banken bij prudentieel toezicht versterkt. In een in toenemende mate marktgebaseerd en onderling verbonden financieel systeem is de kans groot dat verstoringen ten koste gaan van centrale marktmechanismen, zoals de liquiditeitsspreiding, grensoverschrijdende effecten hebben en op onvoorspelbaardere wijze om zich heen grijpen. Om deze dynamiek goed te kunnen beoordelen is een grensoverschrijdend systeemperspectief nodig, evenals voldoende middelen en expertise voor de analyse van de financiële stabiliteit, zoals het geval is bij centrale banken. Tijdens de financiële crisis zijn bovendien de synergieën tussen de centralebank- en toezichttaken duidelijk aan het licht getreden, met name als het gaat om het verzamelen en beoordelen van de informatie. Een aantal lidstaten is dan ook van plan centrale banken nauwer te betrekken bij prudentieel toezicht. Dergelijke ontwikkelingen kunnen mettertijd aanleiding vormen om de institutionele rol van de ECB en de in het Verdrag vastgelegde mogelijkheid om specifieke taken op het gebied van prudentieel toezicht toe te kennen aan de ECB nader te bestuderen, ook in het licht van de verdere uitbreiding van de eurozone en het vereiste strengere toezicht op de "too big to fail" instellingen.

Het institutionele kader van het Eurosysteem berust op een gedecentraliseerde operationele aanpak die het mogelijk maakt de expertise en bestaande infrastructuren van nationale autoriteiten ten volle te benutten. Dit kader is effectief gebleken bij het in goede banen leiden van de door het Verdrag toegekende institutionele taken, ook in de context van de financiële crisis. Het zou een passend raamwerk kunnen vormen voor de uitoefening van toezichthoudende verantwoordelijkheden, temeer daar de argumenten die doorgaans worden aangevoerd om centrale banken niet te veel bij financieel toezicht op nationaal niveau te betrekken geen stand houden in de context van de Europese monetaire unie.

25.      In hoeverre en hoe snel moeten financiële instellingen hun eigen vermogen vergroten?

Om de risico's die zich aandienen te dempen, zullen banken er met name voor moeten zorgen dat ze over voldoende kapitaalbuffers beschikken. In dit opzicht ben ik het eens met de hoofdlijnen van de door de Financial Stability Board en het Bazels Comité voor bankentoezicht beoogde verordening en de invoering daarvan in 2012, met inachtneming van onontbeerlijke overgangsperioden en grandfathering-beginselen. Daarnaast moeten sommige banken, met name die welke staatssteun hebben ontvangen, wellicht grondig geherstructureerd worden om hun levensvatbaarheid op de lange termijn veilig te stellen wanneer deze steun niet meer voorhanden is. Dit zou gepaard kunnen gaan met de inkrimping van balansen door de afstoting van niet-levensvatbare bedrijven teneinde hun vermogen om winst te maken te vergroten. Tegelijkertijd moet banken optimaal profiteren van het feit dat hun winstgevendheid recentelijk weer is toegenomen om hun kapitaalposities te versterken, zodat de noodzakelijke herstructurering van hun activiteiten en het vergroten van hun veerkracht geen wezenlijke invloed hebben op de kredietverschaffing aan de economie.

26.      Hoe kan een einde worden gemaakt aan de concurrentieverstoringen die zijn ontstaan als gevolg van de crisis en door overheden en centrale banken van de lidstaten genomen reddingsmaatregelen?

Overheidsmaatregelen ter ondersteuning van het financiële systeem zijn weliswaar effectief geweest om een escalatie van de financiële crisis te vermijden, maar gevreesd wordt dat steunmaatregelen zelf aanzienlijke concurrentieverstoringen met zich mee zullen brengen (i) in landen, aangezien steun- en reddingsmaatregelen begunstigde banken een voordeel bieden ten opzichte van banken die niet in aanmerking komen voor steun, en (ii) tussen landen wanneer door het ene land toegekende overheidssteun hoger uitvalt dan in andere landen. Hoewel de concurrentievervalsende effecten binnen de perken zijn gehouden door pogingen tot harmonisering van steunmaatregelen in de EU, zijn hier en daar aanwijzingen te vinden die duiden op concurrentievervalsing.

De Europese Commissie, die verantwoordelijk is voor het monitoren van de situatie op de markt en het beoordelen van de door lidstaten verstrekte overheidssteun, heeft tot dusver geen melding gemaakt van gevallen van wezenlijke concurrentievervalsing. Tegelijkertijd duiden bijvoorbeeld spreads van door de overheid gegarandeerde obligaties mogelijk op vervalsingen. Deze spreads lopen uiteen voor banken die dezelfde kredietrating hebben, maar waarvan de hoofdkantoren in verschillende landen staan. Dit wijst erop dat deze spreads voornamelijk zijn ingegeven door landenrisico, maar ook op een vervalsing waarbij "zwakke banken uit sterke landen goedkoper middelen aantrekken". Verhoogde depositogarantie heeft waarschijnlijk ook vervalsende effecten op grensoverschrijdende concurrentie. Zowel door de overheid gegarandeerde obligaties als verhoogde depositogarantie zullen in de komende maanden naar verwachting echter worden afgeschaft, waardoor de voornaamste oorzaken van concurrentievervalsingen worden weggenomen, hoewel niet uit te sluiten valt dat tijdelijke effecten op concurrentiefactoren de marktmededinging nog lange tijd zullen beïnvloeden.

Dat de mate van concurrentie tussen banken in landen uit de eurozone wellicht is veranderd valt verder af te leiden uit het feit dat de spreiding tussen landen van door retailbanken gehanteerde beleningsrente- en kredietrentetarieven in de tweede helft van 2008 aanmerkelijk is toegenomen en gedurende heel 2009 hoog is gebleven (in historisch perspectief). Ofschoon dit deels terug te voeren is op idiosyncratische factoren waarmee afzonderlijke banken te maken hebben, valt niet uit te sluiten dat deze tendens tot op zekere hoogte ook verstoringen van de grensoverschrijdende concurrentie weerspiegelt die ingegeven worden door verschillen in overheidssteun. Via hun effecten op de kapitalisatiekosten van individuele banken komen deze verschillen tot uiting in de rentetarieven die banken aan hun retailklanten bieden. Desondanks wijzen empirische gegevens uit dat de doorberekening van beleidstarieven in rentetarieven van retailbanken in de eurozone zelfs tijdens de financiële crisis min of meer in lijn lag met historische ervaringen. Daarnaast valt uit de Bank Lending Survey van het Eurosysteem niet op te maken dat mededinging (of het ontbreken daarvan) een voorname factor is geweest bij de verkrapping van de kredietstandaarden van banken in de eurozone sinds Q3 2007.

Steunmaatregelen door centrale banken binnen het Eurosysteem zijn gericht op het bankwezen als geheel en als zodanig is het risico geringer dat ze ongelijke behandeling met zich meebrengen. Ofschoon ze de marktwerking mogelijk enigszins verstoren, is de kans klein dat deze maatregelen concurrentievervalsingen tussen banken met zich meebrengen, in ieder geval op korte termijn. Dit geldt voor zowel de standaard herfinancieringsoperaties die door het Eurosysteem worden aangeboden aan monetaire financiële instellingen (MFI's) als voor de niet-standaardmaatregelen die tijdens de financiële crisis zijn genomen. Als we daarentegen een internationaal perspectief hanteren, verschillen de sinds oktober 2008 door het Eurosysteem genomen niet-standaard monetaire beleidsmaatregelen enigszins van maatregelen die door centrale banken in andere rechtsgebieden zijn doorgevoerd en daarom zijn de gelijke mededingingsvoorwaarden tussen mondiale banken (en ook tussen banken binnen en buiten de eurozone) wellicht verstoord. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat de maatregelen die centrale banken over de hele wereld in het kader van de crisis namen afgestemd waren op de specifieke financiële en economische structuren die binnen hun economieën de overhand hadden. Bovendien bestonden ook vóór de financiële crisis al verschillen tussen operationele raamwerken van centrale banken. Ten slotte zullen internationale concurrentieverstoringen als gevolg van door centrale banken genomen crisismaatregelen vermoedelijk wegvallen zodra deze maatregelen worden stopgezet, en derhalve valt niet te verwachten dat ze een blijvende impact op de concurrentie tussen banken zullen hebben.

Hoewel concurrentievervalsingen tot een minimum lijken te zijn beperkt, vormen ook de vervalsingen als gevolg van stimuleringsregelingen een belangrijk punt van zorg dat voortvloeit uit de steunmaatregelen. De reddingsmaatregelen zijn voornamelijk aangewend ter ondersteuning van grote systeembanken waarvan een faillissement de stabiliteit van het financiële systeem mogelijk in gevaar had gebracht. Dientengevolge profiteren deze banken wellicht van marktpercepties van een impliciete bail-out garantie van de overheid, waardoor ze zonder de passende marktdiscipline hun winstgevende maar risicovolle activiteiten kunnen voortzetten. Diverse voorstellen zijn ingediend om iets aan deze zogenaamde "too big to fail" kwestie te doen.

27.      Hoe kunnen financiële instellingen worden gedwongen/aangemoedigd hun risicobereidheid terug te brengen?

De in gang gezette hervorming van de regelgeving, bedoeld om de veerkracht van het financiële systeem te versterken, zal diverse elementen bevatten die banken moeten bewegen tot prudent risicobeheer. De voorstellen van het Bazels Comité uit 2009 zullen meer stimulansen ter vermindering van de risicobereidheid bieden doordat ze een omvangrijkere risicodekking eisen (bijv. incrementeel debiteurenrisico in de handelsportefeuille en de invoering van een verplichte dekking van het tegenpartijkredietrisico voor derivaten, repo's en effectenfinanciering) met hoogwaardiger kapitaal, dat kostbaarder is. De invoering van een geharmoniseerd liquiditeitskader zal banken bovendien verplichten structureel tot kapitalisatie met behulp van stabielere financieringsbronnen. Tot slot zijn principes van gedegen compensatie overeengekomen die het nemen van buitensporige risico's ten koste van winstgevendheid op lange termijn en prudent risicobeheer zullen ontmoedigen. Deze maatregelen kunnen mits gebundeld en naar behoren uitgevoerd wezenlijk bijdragen aan het tegengaan van ongebreideld opportunisme en het uitbannen van de tekortschietende risicobeheersingspraktijken die we in het verleden hebben gezien.

28.      Wat zijn voor u de meest urgente kwesties die in het kader van de wetgeving inzake financiële diensten moeten worden afgerond nu het Actieplan Financiële Diensten op tafel ligt?

Een van de voornaamste lessen van de financiële crisis is dat de nauwe onderlinge verwevenheid van financiële markten over de hele wereld gemeenschappelijke problemen oplevert die we op passende wijze het hoofd moeten bieden, door de handen ineen te slaan. Daarom moet, zoals reeds het geval is geweest, de reguleringsagenda van de EU naar behoren inspelen op de initiatieven en aanbevelingen die op internationaal niveau worden aangedragen, en in het bijzonder door de G20, waarvan het belang tijdens de financiële crisis is gebleken. Naar aanleiding van de door de G20 opgestelde actieplannen en aanbevelingen hebben internationale organen zoals de Financial Stability Board en het Bazels Comité voor bankentoezicht al een aanzienlijke hoeveelheid belangrijk werk verzet om afspraken te maken over regulering, toezicht en financiële stabiliteit, hetgeen van bijzonder belang is in de EU-context.

We kunnen een tweedeling aanbrengen in de voornaamste kwesties waarop via regelgevingsinitiatieven moet worden ingespeeld.

Ten eerste, regelgevingsinitiatieven die gerelateerd zijn aan het uitbreiden van het prudentiële kader naar aanleiding van internationale initiatieven.

Het is cruciaal het hervormingsprogramma van het Bazels Comité af te ronden en ten uitvoer te leggen in Europa om een veerkrachtiger bankwezen tot stand te brengen dat op langere termijn gezonde economische groei kan bevorderen, zonder het functioneren van de markt en het economisch herstel te beïnvloeden.

In het kader van internationale hervormingen wil ik daarnaast het belang van vier kwesties benadrukken:

a) De noodzaak om een internationale consensus te bereiken over de oplossingen voor problemen die zijn veroorzaakt door de systeemkritische financiële instellingen (SIFI's). We moeten het eens worden over de specifieke regelgevingsaanpak die moet worden gekozen voor de SIFI's en de aanvullende toezichtprocedures om te komen tot een effectieve monitoring van hun activiteiten en risico's. Een recente ECB-notitie over SIFI's, opgesteld als bijdrage aan het Comité financiële diensten, gaat uitvoerig in op de hoofddoelstellingen voor de regulering van SIFI's en de maatregelen die kunnen worden genomen om het risico van falen van een SIFI te beperken en om de consequentie van een dergelijk falen te meten: "Regulering heeft twee doelstellingen: (i) de veerkracht van instellingen vergroten en de bijdrage van een SIFI aan systeemrisico verlagen, met name gelet op de mogelijkheid van besmetting en spillover-effecten; (ii) moreel risico en de daaraan gekoppelde bail-out garantie beheersen. Het is namelijk zo dat acties die betrekking hebben op de ene doelstelling ook van pas komen om de andere doelstelling te verwezenlijken."

b) Prudentiële risico's die worden gevormd door buitenlandse financiële centra en niet-coöperatieve rechtsgebieden. Binnen de Europese Unie hebben de 3L3- toezichtcomités deze risico's nader in kaart gebracht aan de hand van een geconsolideerde lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden, waar zich volgens rapporten van EU-toezichthouders aanhoudende problemen voordoen. Het Europese rechtskader moet niettemin iets doen aan prudentiële risico's die worden gevormd door niet-coöperatieve rechtsgebieden om ervoor te zorgen dat alle lidstaten deze kwestie op een geharmoniseerde en consistente wijze aanpakken, om regelgevingsarbitrage uit te sluiten en gelijke mededingingsvoorwaarden voor financiële instellingen te handhaven. In de richtlijn Kapitaalvereisten, de MiFID en de Solvency II-Richtlijn moeten beginselen worden vastgelegd betreffende activiteiten in niet-coöperatieve rechtsgebieden, waarbij dergelijke activiteiten worden beperkt (of zelfs verboden) telkens wanneer een rechtsgebied niet samenwerkt met bevoegde autoriteiten in lidstaten of de uitwisseling van informatie over buitenlandse vestigingen voor geconsolideerde toezichtdoeleinden in de weg staat. Behalve de door het Bazels Comité, IOSCO en IAIS uitgevaardigde standaarden kunnen we in dit verband ook de in oktober 2004 door het Bazels Comité gedane aanbevelingen inzake "geconsolideerd know-your-customer (KYC) risicobeheer" noemen, betreffende rechtsgebieden die strenge wetten inzake bankgeheim of gegevensbescherming hebben die de overdracht van relevante informatie voor risicobeheersingsdoeleinden in de weg staan, of als zodanig kunnen worden uitgelegd. Deze aanbevelingen stellen dat als obstakels voor informatiedeling onoverkomelijk blijken, en er geen bevredigende alternatieve regelingen voorhanden zijn, de binnenlandse toezichthouder aan het gastheerland duidelijk zou moeten maken dat de bank zelf kan besluiten, of door de binnenlandse toezichthouder kan worden verplicht, het betreffende filiaal te sluiten. Verder is het van belang dat wanneer de wet openbaarmaking van informatie aan "derden" beperkt, het hoofdkantoor of de moederbank wordt uitgesloten van de definitie van een derde.

Al deze principes die berusten op internationale normen en op werk dat op het niveau van de FSB en EU wordt ontwikkeld, moeten gepaard gaan met de totstandbrenging van een "toolbox" voor prudentiële handhaving. Deze toolbox kan gepaard gaan met een stappenplan, dat loopt van intensievere dialoog en onderhandelingen met problematische rechtsgebieden tot de intensivering van "due diligence" door instellingen die actief zijn in deze rechtsgebieden en/of eisen van een groter eigen vermogen en/of beperking van activiteiten of zelfs sluiting van filialen.

c) De ontwikkeling van meer geharmoniseerde sanctieregelingen op Europees niveau, in het licht van de aanbevelingen van het "rapport-De Larosière" (aanbeveling 20): "De Europese instellingen moeten tevens een proces in gang zetten dat zal leiden tot veel consistentere sanctieregelingen in de interne markt. Toezicht kan niet effectief zijn met zwakke, sterk versnipperde sanctieregelingen. Het is essentieel dat alle toezichthouders binnen en buiten de EU sanctieregelingen kunnen toepassen die zodanig convergent en strikt zijn dat er een afschrikkende werking van uitgaat. Dit is momenteel allesbehalve het geval. Hetzelfde moet gebeuren met betrekking tot toezichthoudende bevoegdheden om samenhangend en effectief toezicht op de gemeenschappelijke markt te bevorderen."

d) De noodzaak om de standaardisering van derivaten verder te bevorderen en veelvuldiger gebruik te maken van centrale tegenpartijen voor de clearing van derivatentransacties, met name bij kredietverzuimswaps.

Ten tweede, regelgevingsinitiatieven bedoeld om de capaciteit van het institutionele EU-kader ter preventie en beheersing van toekomstige crisis te vergroten.

De grotere onderlinge verwevenheid van nationale financiële systemen en de noodzaak om de financiële integratie van de EU te waarborgen vereisen passende actie op EU-niveau om het mogelijke systeemeffect van noodlijdende grensoverschrijdende financiële instellingen tegen te gaan. Daarom moeten de huidige reflecties van de Commissie om te komen tot een Europees kader dat de weg vrijmaakt voor het crisisbeheer van grensoverschrijdende financiële instellingen in de EU worden gesteund. De werkzaamheden moeten gericht zijn op de volgende prioriteiten: (i) de ontwikkeling van een minimum toolkit waarmee nationale bevoegde autoriteiten problemen in een noodlijdende bank het hoofd kunnen bieden, zonder noodzakelijkerwijs een beroep te doen op overheidssteun, en indien nodig de bank kunnen liquideren zonder dat dit negatieve effecten heeft op de financiële stabiliteit; (ii) meer coördinatie en samenwerking tussen nationale autoriteiten, met name bij de aanpak van grensoverschrijdende instellingen. Op korte termijn moeten wetgevingsinitiatieven voorzien in de harmonisatie van depositogarantiestelsels, met onder meer ex-ante en risicogebaseerde kapitalisatie, aangevuld met geloofwaardige ex-post kapitalisatie waar indien nodig een beroep op kan worden gedaan. Behalve de kassafunctie moet ook worden gekeken naar de rol van depositogarantiestelsels in de herstelfase. Uitbreiding van het EU-raamwerk voor crisisbeheersing en herstel is van essentieel belang om de gemeenschappelijke markt voor financiële diensten te versterken, aangezien dit raamwerk de nationale autoriteiten minder zal stimuleren om de binnenlandse componenten van een noodlijdende financiële instelling af te schermen. Hierbij zouden echter enorme uitdagingen het hoofd moeten worden geboden, zoals de huidige verschillen in de wettelijke regelingen die in de diverse lidstaten van toepassing zijn op crisisherstel. Ik herinner eraan dat Ecofin op 2 december 2009 het Economisch en Financieel Comité heeft gevraagd verder te werken aan een EU-beleidscoördinatiekader, waarin ook de kwestie van burden sharing aan de orde komt, en in het voorjaar van 2010 concrete voorstellen voor te leggen aan de Raad.

Ik weet zeker dat het Eurosysteem zich bij dergelijke beraadslagingen zal laten geleden om een vorm van lastenverdeling te vinden die zou bijdragen aan het verminderen van moreel risico. Het is cruciaal dat we consensus bereiken over de te bereiken doelstellingen en over een routekaart van acties om deze te verwezenlijken.

29.      Hoe beoordeelt u het huidige consolidatieniveau in de Europese financiële-dienstensector en hoe ziet de toekomst er volgens u uit op dit punt?

Volgens de meest recente structurele indicatoren voor het Europese bankwezen (d.w.z. cijfers over 2008), houdt de consolidatie in het bankbedrijf aan. Dit betekent echter ook dat marktconcentratie toeneemt, waarbij de kleinere landen doorgaans geconcentreerdere markten hebben dan de grotere. Binnenlandse kredietinstellingen domineren nog altijd het Europese bankenlandschap en hebben hun markaandeel zelfs vergroot ten koste van buitenlandse filialen. Er bleven aanmerkelijke verschillen bestaan tussen landen als het gaat om het aandeel van buitenlandse entiteiten, waarbij vestigingen met een moederbank uit de eurozone de boventoon voeren in de nieuwe EU-lidstaten.

Fusies en overnames (M&A) namen toe in 2009, zij het dat ze op een laag peil bleven vergeleken met de voorafgaande tien jaar. Binnenlandse en grensoverschrijdende transacties lieten de sterkste stijging zien. Terwijl M&A-transacties in het verleden voornamelijk strategisch gemotiveerd waren, zoals het realiseren van schaalvoordelen en het toetreden tot nieuwe markten, ging het bij de in 2008 en 2009 afgeronde transacties veelal om entiteiten die forse verliezen hadden geleden of kampten met een liquiditeitstekort. Tegelijkertijd leidden pogingen om de kapitaalpositie en kasreserves van bepaalde kredietinstellingen te versterken tot de afstoting van niet-kernactiviteiten, hetzij in termen van segmenten of vestigingen.

Het aandeel van overnames in de totale waarde van M&A-transacties liep in 2009 fors terug, en alleen binnenlandse transacties zaten in de lift.

Ook vermeldenswaardig is dat de eigendomsstructuur van enkele grote kredietinstellingen in de EU wezenlijk is veranderd door de deelneming van overheden in kredietinstellingen. Doordat herkapitalisatiemaatregelen een beperkte looptijd hebben, zal deze verschuiving naar verwachting echter van tijdelijke aard zijn en ongedaan worden gemaakt naarmate deze instellingen financieel weer op eigen benen kunnen staan.

Bij de beoordeling van consolidatiepatronen moet worden gekeken naar hun invloed op de effectiviteit en soliditeit van afzonderlijke banken, op de concurrentie tussen banken en op de financiële stabiliteit in de financiële sector in het algemeen. Voor zover de recente consolidatieactiviteiten in het bankwezen ertoe hebben bijgedragen dat banken winstgevender en veerkrachtiger zijn geworden, kunnen ze als positief worden aangemerkt.

Bij het beoordelen van de toekomstperspectieven voor consolidatie is een belangrijke overweging de brede consensus dat de leverage-ratio's van banken vóór de crisis buitensporig waren. Daarom is de verwachting dat naarmate de leverage-ratio's worden afgebouwd, de winstgevendheid van banken (in termen van rendement) lager zal zijn dan in het recente verleden, in ieder geval op de middellange termijn. Om die reden zullen banken waarschijnlijk op zoek gaan naar nieuwe manieren om de winstgevendheid te vergroten. Consolidatie kan interessant zijn om dit doel te verwezenlijken voor banken die het sterkst uit de crisis komen, aangezien overnames tegen betrekkelijk lage prijzen een manier zijn om op de lange termijn meer winst te maken – dankzij schaalvoordelen. In dat opzicht zullen M&A-trends waarschijnlijk ook na de crisis doorzetten. Ook fusies kunnen zich in de komende jaren voordoen als een reddingsmaatregel van in moeilijkheden verkerende banken. Zoals reeds gezegd rechtvaardigen veel van de redenen om te veronderstellen dat de nabije toekomst in het teken zal staan van verdere consolidatie tevens de conclusie dat dit zal leiden tot een efficiënter en veerkrachtiger bankwezen. Aan de andere kant kan de concentratie in de sector leiden tot meer "too big to fail" instellingen, waardoor de maatregelen ter bestrijding van de problemen die deze instellingen veroorzaken versneld ten uitvoer moeten worden gelegd.

D.       Het functioneren van de ECB en democratische verantwoording en transparantie

30.      Zouden de verschillende verantwoordelijkheden van Directieleden niet met de tijd moeten veranderen, overeenkomstig de veranderingen die hebben plaatsgevonden in de taken en prioriteiten van de ECB?

De Directie van de ECB is een collectief besluitvormend orgaan; haar functioneren is gebaseerd op het beginsel van collectieve verantwoordelijkheid, d.w.z. de Directie als geheel is collectief verantwoordelijk voor haar besluiten en het algehele functioneren van de bedrijfsonderdelen van de ECB. Terwijl de bedrijfsonderdelen om praktische redenen rapporteren aan individuele Directieleden die op hun werk toezien en hen aansturen, vallen alle arbeidseenheden onder het beheer van de Directie als geheel.

Zoals in het verleden al is gebeurd, kan de Directie van tijd tot tijd de rapportagelijnen van arbeidseenheden naar Directieleden, en de voorbereiding van haar besluiten, evalueren. Dergelijke occasionele aanpassingen in de individuele verantwoordelijkheden van Directieleden dragen bij tot versterking van het collegiale karakter van de Directie. In deze context kan de samenstelling van de portefeuilles van Directieleden tijdens hun ambtstermijn veranderen. Besluiten ter zake blijven de uitsluitende verantwoordelijkheid van de Directie zelf.

Ik hecht zelf grote waarde aan het collegiale karakter van de Directie, aangezien dit de beste methode is om te waarborgen dat recht wordt gedaan aan de verscheidene zienswijzen en dat alle beschikbare deskundigheid, ervaring en wijsheid op passende wijze in aanmerking wordt genomen bij de besluitvorming.

31.      Welk systeem denkt u dat passend is om te zorgen voor een rechtvaardige roulatie van lidmaatschap van de ECB-Directie, mede met het oog op nationaliteit?

De voorwaarden voor benoeming tot Directielid van de ECB zijn vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (artikel 238, lid 2) en de Statuten van het ESCB en van de ECB (artikel 11, lid 2):

· De Directieleden worden "gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied";

· "Alleen zij die de nationaliteit van één van de Lid-Staten [van het eurogebied] bezitten, kunnen lid van de Directie zijn".

Het Verdrag kent dus twee vereisten: "competentie" en "[eurogebied] nationaliteit". Het Verdrag bevat geen andere specificatie ter bepaling van de samenstelling van de Directie van de ECB.

Benoemingen die zouden zijn gebaseerd op andere overwegingen dan bovengenoemde vereisten, zouden tevens de Verdragsbepalingen betreffende de onafhankelijkheid van de ECB kunnen doorkruisen. In de vergaderingen van de besluitvormende organen van de ECB nemen alle leden op persoonlijke titel deel. Het onafhankelijkheidsbeginsel houdt in dat "noch de ECB, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen of organen van de Gemeenschap, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan." (artikel 130 van het Verdrag, artikel 7 van de Statuten). Deze Verdragsbepaling is onverenigbaar met het beginsel van nationale vertegenwoordiging.

De uiteindelijke beslissing over benoemingen tot de Directie van de ECB wordt genomen door de Europese Raad (waarin alleen lidstaten van het eurogebied stemrecht hebben) op aanbeveling van de Raad en na raadpleging van het Europees Parlement en de ECB. Ik vertrouw er op dat de bovenstaande beginselen voor de benoeming van Directieleden van de ECB ten volle worden gerespecteerd.

32.      Is het wat u betreft nodig de verscheidenheid aan deskundigheid die is vertegenwoordigd in de ECB-Directie te vergroten en niet uitsluitend afhankelijk te zijn van centralebankiers?

Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op de vorige vraag, is in het Verdrag en de Statuten duidelijk bepaald dat de leden van de Directie zullen worden "gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied."

Het is niet verrassend dat centralebankiers aan dit vereiste voldoen. Tegelijkertijd sluit deze bepaling de benoeming van kandidaten van buiten de centralebankgemeenschap allerminst uit. Zo is in de meeste centrale banken – en de ECB vormt hierop geen uitzondering – de achtergrond van leden van de besluitvormende organen behoorlijk divers en omvat bijvoorbeeld beroepservaring in de bancaire sector, bij universiteiten en bij overheidsinstanties.

U hebt in mijn curriculum vitae kunnen lezen dat dit ook op mij van toepassing is. Naar mijn mening is de verscheidenheid aan achtergronden van leden van collectieve besluitvormende organen een aanwinst voor het bestuur van de instelling.

33.      Kunt u wat uitgebreider ingaan op uw opvattingen over het begrip democratische verantwoording met betrekking tot de ECB en het centralebankwezen in het algemeen?

Teneinde haar legitimiteit te behouden, dient een onafhankelijke centrale bank verantwoording af te leggen tegenover democratische instellingen en het publiek over de door haar in het kader van haar mandaat verrichte handelingen. Doordat met name in de afgelopen paar decennia in toenemende mate wordt erkend dat onafhankelijkheid cruciaal is voor een centrale bank om haar mandaat te vervullen, is de wijze van democratische verantwoording eveneens belangrijker geworden. In deze context heeft de verantwoordingsplicht van centrale banken wereldwijd een aantal verschillende vormen aangenomen.

In de Europese Unie heeft de ECB een duidelijk mandaat en vervult dit op onafhankelijke wijze, zoals voorzien in het Verdrag. Waar het Verdrag tevens in voorziet, is dat deze hoge mate van onafhankelijkheid hand in hand gaat met democratische verantwoording tegenover het Europese publiek en haar rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers, te weten het Europees Parlement. Er zijn dus een aantal goed omschreven procedures vastgelegd voor het verantwoording doen afleggen van de ECB, niet in de laatste plaats via periodieke hoorzittingen van de President van de ECB met de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement, en verdere optredens door de Vice-President van de ECB en andere leden van de Directie van de ECB. Het is opmerkenswaardig dat de laatstgenoemde hoorzittingen een nauwere vorm van samenwerking tussen de ECB en het Europees Parlement vertegenwoordigen dan in het Verdrag is voorzien. Deze geldende usance is naar mijn mening een zeer positief element en wordt tevens verwelkomd door het Europees Parlement. De verantwoordingsplicht van de ECB houdt tevens precieze rapportageverplichtingen in (artikel 15 van de Statuten van de ECB). Behalve het jaarverslag dat wordt aangeboden aan het Europees Parlement (en de Raad, de Commissie en de Europese Raad), is de ECB verplicht kwartaalverslagen te publiceren over de activiteiten van het Eurosysteem. De ECB heeft besloten verder te gaan dan deze Verdragsvereisten en frequenter verslagen te publiceren in de vorm van een maandbericht. Ten slotte geeft de ECB naast de geconsolideerde weekstaat een reeks andere taakgerelateerde publicaties uit, waaronder haar halfjaarlijkse Financial Stability Report en haar jaarlijkse Financial Integration Report.

34.      Hoe beoordeelt u de procedure die wordt toegepast bij het vervangen van Directieleden van de ECB? Impliceert ex ante democratische verantwoording en transparantie niet dat het Europees Parlement op zijn minst formeel de mogelijkheid moet worden gegeven om verschillende potentiële kandidaten te horen en haar oordeel te geven alvorens de Raad de uiteindelijke beslissing neemt over de benoeming?

De procedure voor het kiezen van de leden van de Directie van de ECB is uiteengezet in artikel 283 van het Verdrag en artikel 11 van de Statuten van het ESCB en van de ECB. De procedure is overeengekomen door alle ondertekenende partijen in de meest recente Verdragsherziening en vormt toepasselijk Europees recht. Ik ben als kandidaat voor het lidmaatschap van de Directie van de ECB onderworpen aan deze procedure en acht het niet passend opmerkingen te maken over de geschiktheid ervan.

35.      Welke conclusies trekt u uit de vergelijking tussen het transparantiebeleid dat wordt gevoerd door de Federal Reserve Bank en door de ECB? Welk alternatief heeft uw voorkeur: publicatie van de notulen twee weken nadat de monetairebeleidsbeslissingen zijn genomen, zoals dat wordt gedaan door de Fed en de Bank of England, of een persconferentie onmiddellijk na de monetairebeleidsbeslissingen en de gelijktijdige publicatie op het internet van de overwegingen die aan deze beslissingen ten grondslag liggen, zoals dat wordt gedaan door de ECB?

Een vergelijking tussen de verschillende benaderingen is ingewikkeld. Een van de redenen is dat centrale banken andere behoeften kunnen hebben als gevolg van hun specifieke achtergronden en culturen, hun beleidsdoelstellingen en andere elementen in hun institutionele kaders. Uit beschikbaar onderzoek is duidelijk gebleken dat de manier waarop centrale banken tegenwoordig monetairebeleidsbeslissingen nemen, veel helderder en transparanter is dan in voorgaande decennia. Daardoor is de doeltreffendheid van monetair beleid wereldwijd vergroot.

Er zijn verschillende manieren waarop instellingen transparant kunnen zijn. Om de volgende redenen ben ik er van overtuigd dat de benadering van de ECB een van de meest geavanceerde is ter wereld. Ten eerste is zij zeer transparant wat betreft de koppeling tussen haar monetairebeleidsstrategie en de beweegredenen van haar handelen. Ten tweede zijn de persconferentie en de inleidende verklaring nuttige instrumenten om belangrijke informatie te verspreiden onder een heterogeen publiek. Zij bieden geïnteresseerde partijen (bijv. het grote publiek, de media en financiëlemarktwaarnemers) een uitgebreid scala aan relevante informatie over de monetairebeleidsbeslissingen van de ECB. Zij hebben tot doel het collectieve standpunt van de Raad van Bestuur inzake de monetairebeleidskoers toe te lichten. Ten derde worden de inleidende verklaring en de vragen en antwoorden bij de persconferentie in real-time gepubliceerd. Dit aspect zou niet kunnen worden gerealiseerd met de publicatie van notulen. Al met al beschouw ik de benaderingswijze van de ECB als veeleisend voor alle leden van de Raad van Bestuur. Verder geloof ik dat de benaderingswijze van de ECB inmiddels door een breed publiek wordt begrepen, en dat de publicatie van notulen door andere centrale banken ook als zeer vanzelfsprekend wordt gezien.

36.      Wat is uw mening over de driemaandelijkse monetaire dialoog tussen het Europees Parlement en de President van de ECB? Ziet u enige ruimte voor verbetering in de monetaire dialoog? Zijn de veelvuldige discussies over het ECB-beleid met andere politieke actoren schadelijk voor de onafhankelijkheid van de bank?

De regelmatige dialoog met het Europees Parlement is onderdeel van de democratische verantwoordingsplicht van de Europese Centrale Bank tegenover de Europese burgers en hun direct gekozen vertegenwoordigers. In deze context vormen de driemaandelijkse vergaderingen tussen de President van de ECB en de Commissie economische en monetaire zaken een zeer belangrijke bijdrage tot de publieke aanvaarding van het monetaire beleid van de ECB. Samen met additionele optredens, ook door andere leden van de Directie, draagt deze interactie bij tot een diepgaande en productieve uitwisseling van gedachten. Het biedt de ECB tevens een zeer waardevol forum om haar monetaire beleid uiteen te zetten en om feedback te ontvangen. Dit strekt uit tot de plenaire vergadering van het EP, waar de President van ECB onder meer het jaarverslag van de Bank aanbiedt. De kwaliteit van de dialoog tussen de ECB en het EP is zeer hoog. Dit is in het verleden bij verschillende gelegenheden door beide instellingen erkend.

Ik beschouw de regelmatige uitwisseling van informatie met andere beleidsmakers als een zeer belangrijk element van ons beleidskader in de EMU. In deze context heeft de ECB op regelmatige basis contacten met een aantal Europese instellingen. De ECB wordt bijvoorbeeld uitgenodigd voor de vergaderingen van de Eurogroep en de Raad Ecofin. Zij neemt regelmatig deel aan de vergaderingen van de macro-economische dialoog. Ook zijn er contacten op technisch niveau met de Commissie en nationale overheden, bijvoorbeeld in het Economisch en Financieel Comité en het Comité voor Economische Politiek van de EU. Al deze uitwisselingen van gedachten vinden plaats volgens de bepalingen van het Verdrag, waardoor de volledige onafhankelijkheid van de ECB wordt gewaarborgd en altijd wordt gerespecteerd, terwijl tegelijkertijd de goede werking van de EMU wordt ondersteund. Zij zijn daarom noodzakelijk en wenselijk juist omdat zij de onafhankelijkheid van de ECB erkennen.

37.      Dient de ECB onderworpen te zijn aan de volledige controle van de Europese Rekenkamer en niet alleen op "doelmatigheid van het operationele beheer" (artikel 27.2 van de Statuten van het ESCB en van de ECB) te worden getoetst?

De corporate governance van de ECB is onderhevig aan een uitgebreid kader van externe en interne controlemechanismen, waarvan de meeste elementen statutair van aard zijn. De doelmatigheidscontrole van de ECB door de Rekenkamer is één belangrijk element van dit controlekader. Dit kader wordt gecompleteerd door periodieke rapportageverplichtingen aan het Europees Parlement en het grote publiek, evenals door gerechtelijke toetsing door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Al deze elementen zijn tevens opgezet in het licht van de waarborg van centralebankonafhankelijkheid. De onafhankelijkheid van de ECB strekt zich tevens uit tot haar financiële middelen.

Hieruit volgt dat er geen noodzaak is om de controle van de Rekenkamer uit te breiden en te volstaan met de doelmatigheidscontrole.

E.        Algemeen

38.      Wat zijn volgens u de belangrijkste risico's en uitdagingen waarvoor de ECB zich geplaatst ziet?

Laat ik mij beperken tot drie belangrijke uitdagingen en risico's waarmee de ECB te maken heeft:

De tenuitvoerlegging van onze exit-strategie is een ongeëvenaarde uitdaging, waarbij het noodzakelijk is de buitengewone maatregelen van de ECB geleidelijk in te trekken. De heersende onzekerheid in de markten betekent echter dat het bepalen van het passende tempo en de juiste omvang van de exit een veeleisende taak blijft. Ik ben van mening dat de exit-maatregelen die de ECB tot dusver heeft genomen, passend en gerechtvaardigd zijn geweest op basis van de beoordeling van de economische en financiëlemarktsituatie. Vooruitkijkend, is grote zorgvuldigheid geboden, aangezien foute beslissingen zeer hoge kosten met zich mee kunnen brengen, zoals de ervaring met eerdere zware bancaire en economische crises heeft geleerd.

Een andere uitdaging waar ik de aandacht op wil vestigen, is de oprichting en werking van het ECSR (Europees Comité voor systeemrisico's), waar de ECB ondersteuning aan zal geven. Intellectueel gezien is dit een uitdagende taak, aangezien nieuwe instrumenten moeten worden ontwikkeld voor het beoordelen van macroprudentieel risico, terwijl bestaande instrumenten eveneens voor dit doel kunnen worden gebruikt. Bovendien dienen we, gezien de overlappingen tussen de Algemene Raad en de Raad van Bestuur van de ECB en het nieuwe Algemeen Bestuur van het ECSR wat betreft de samenstelling van beide organen, te zorgen voor adequate en consistente communicatie. Wat vooral dient te worden benadrukt, is dat er geen sprake is van een afruil tussen de doelstelling van prijsstabiliteit en de steun die de ECB kan verlenen aan andere doelstellingen, zoals financiële stabiliteit. Ten slotte zijn er wat organisatorische kwesties, zoals de vraag hoe het ondersteunende werk ten behoeve van het ECSR moet worden ingebed in de huidige ECB-organisatie.

Ten slotte wil ik de uitdaging noemen die voortvloeit uit de druk die wordt veroorzaakt door de bestaande onevenwichtigheden in verschillende lidstaten. Dit is een probleem voor de landen zelf en voor alle Europese instellingen met verantwoordelijkheden in het beheer van de monetaire unie, maar vraagt tevens om een actieve rol van de ECB. Zoals ik al eerder in herinnering heb geroepen, bestaat er slechts één monetair beleid voor het eurogebied als geheel, maar er bestaat tevens een opdracht voor de ECB om bij te dragen aan de analyse van concurrentievermogen en verschillen binnen het eurogebied, waarmee de landen zelf kunnen worden geholpen bij het ontwikkelen en implementeren van passende beleidsmaatregelen. Lidmaatschap van de Europese Unie brengt voor de betreffende landen voordelen met zich mee, maar ook verplichtingen. Voor de landen van het eurogebied geldt dit des te meer. Deze verantwoordelijkheden dienen door iedereen te worden gerespecteerd, teneinde zoveel mogelijk te kunnen profiteren van de economische en monetaire unie in Europa. Beleidsmaatregelen dienen in overeenstemming te zijn met Europese vereisten. Hiermee bedoel ik niet alleen dat moet worden voldaan aan de begrotingsregels van het Pact voor Stabiliteit en Groei, maar ook dat structurele beleidsmaatregelen moeten worden genomen die Europa productiever en dus flexibeler maken. Ook de particuliere subjecten dienen evenwichtig te zijn in hun kosten- en prijsvormingsgedrag. Onvoldoende vooruitgang en convergentie op deze gebieden is niet alleen een reden tot zorg voor mij als enthousiaste supporter van Europa, het beïnvloedt ook het klimaat waarin de ECB opereert, en is daarom tevens een reden tot zorg voor mij als monetairebeleidsmaker.

  • [1]  Voor meer informatie, zie de: "Algemene documentatie met betrekking tot de monetaire-beleidsinstrumenten en ‑procedures van het Eurosysteem," ECB, 2009.
  • [2]  In het bijzonder hebben de president van de ECB, de voorzitter van de Eurogroep en de EU‑commissaris economische en monetaire zaken in november 2007 en november 2008 hun Chinese tegenhangers bezocht om zaken van gemeenschappelijk belang te bespreken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.3.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Burkhard Balz, Godfrey Bloom, Sharon Bowles, Udo Bullmann, Pascal Canfin, Nikolaos Chountis, George Sabin Cutaş, Rachida Dati, Leonardo Domenici, Diogo Feio, Markus Ferber, Elisa Ferreira, Vicky Ford, José Manuel García-Margallo y Marfil, Jean-Paul Gauzès, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Enikő Győri, Liem Hoang Ngoc, Gunnar Hökmark, Othmar Karas, Wolf Klinz, Jürgen Klute, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Astrid Lulling, Hans-Peter Martin, Arlene McCarthy, Ivari Padar, Antolín Sánchez Presedo, Olle Schmidt, Edward Scicluna, Peter Simon, Ivo Strejček, Kay Swinburne, Marianne Thyssen, Ramon Tremosa i Balcells, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Sophie Auconie, Pervenche Berès, Herbert Dorfmann, Sari Essayah, Robert Goebbels, Jan Kozłowski, Philippe Lamberts