Procedure : 2009/2157(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0060/2010

Ingediende teksten :

A7-0060/2010

Debatten :

PV 19/04/2010 - 23
CRE 19/04/2010 - 23

Stemmingen :

PV 05/05/2010 - 13.41
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0131

VERSLAG     
PDF 190kWORD 174k
24.3.2010
PE 430.412v02-00 A7-0060/2010

over de EU-landbouw en klimaatverandering

(2009/2157(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Stéphane Le Foll

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de EU-landbouw en klimaatverandering

(2009/2157(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Aanpassing aan de klimaatverandering: de uitdaging voor de Europese landbouw en het Europese platteland" (SEC(2009)0417),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "The role of European agriculture in climate change mitigation" (SEC(2009)1093),

–   onder verwijzing naar zijn wetgevingsresolutie van 14 november 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 maart 2008 over duurzame landbouw en biogas: noodzaak tot herziening van de EU-wetgeving(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 februari 2009 over "2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor het toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering"(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 maart 2009 over de verslechterde kwaliteit van de landbouwgrond in de EU en vooral in Zuid-Europa: mogelijke aanpak met GLB-instrumenten(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de Conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering (COP 15)(5),

–   gezien het verslag "International Assessment of Agricultural Science and Technology for Development" (IAASTD), dat door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties en de Wereldbank opgesteld is en door 58 landen ondertekend is,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0060/2010),

A. overwegende dat de klimaatverandering ten gevolg van de historische accumulatie van broeikasgassen in de atmosfeer wetenschappelijk is vastgesteld en mogelijkerwijs ernstige gevolgen voor de ecosystemen heeft,

B.  overwegende dat de landbouw hierdoor rechtstreeks is betroffen, aangezien het gaat om een van de economische activiteiten die de natuurlijke hulpbronnen beheren ten behoeve van de mensheid,

C. overwegende dat de klimaatverandering een van de ernstigste bedreigingen voor het milieu, maar ook op sociaal en economische gebied vormt en dat de landbouwproductiviteit van jaar tot jaar fluctueert onder invloed van extreme schommelingen in de weersgesteldheid, waardoor alle economische sectoren indirect worden beïnvloed, zij het dat de landbouw het kwetsbaarst blijft,

D. overwegende dat de landbouw, als één van de belangrijkste bronnen van twee broeikasgassen (stikstofmonoxide en methaan), die bij verschillende biologische processen van de landbouwproductie vrijkomen, zowel aan de ontregeling van het klimaat bijdraagt, als er in grote mate de schadelijke gevolgen van ondervindt,

E.  overwegende dat de broeikasgasemissies door de landbouw (met inbegrip van veehouderij) in de EU-27 tussen 1999 en 2007 met 20% is gedaald en het aandeel van de landbouw in de emissies van broeikasgassen in de EU van 11% in 1990 naar 9,3% in 2007 is gedaald, met name ten gevolg van de toegenomen efficiëntie van de landbouw in de EU, constante innovaties en het gebruik van nieuwe technieken, een efficiënter gebruik van meststoffen en de recente hervormingen in het GLB,

F.  overwegende dat de landbouw en de bosbouw de voornaamste economische sectoren zijn die CO2 afkomstig van menselijke activiteiten kunnen opvangen, in de bodem kunnen bewaren en opslaan vanwege hun reservecapaciteit en via fotosynthese in hun vegetatie kunnen vasthouden, overwegende dat deze sectoren over een groot potentieel beschikken om op positieve wijze bij te dragen aan de inspanningen gericht op het verminderen van de opwarming,

G. overwegende dat de klimaatopwarming nu reeds negatieve gevolgen voor de landbouw van de EU heeft (met onder andere minder water, verzilting en frequentere droogtes, woestijnvorming, veel meer neerslag in de winter en overstromingen in het noorden, bedreiging van laag gelegen kustgebieden door het stijgende zeepeil en het gevaar van verzilting, stormen en andere extreme weersverschijnselen, erosie en aardverschuivingen, toename van het aantal insectenplagen en van dier- en plantziekten), en overwegende dat de verwachte versnelling van deze verschijnselen voor de landbouw, de bosbouw en het toerisme significante economische gevolgen zal hebben,   overwegende dat de landbouwsector het vermogen heeft zowel om zich aan te passen als om de klimaatverandering te temperen, door gebruik te maken van de knowhow van de landbouwers en zich te stoelen op een sterk GLB en op de ontwikkeling van onderzoek en innovatie, maar dat, doordat het gaat om moeilijk te beheersen natuurlijke processen, de vereiste inspanningen aanzienlijk zijn,

I.   overwegende dat de Europese landbouw een banenreservoir vertegenwoordigt dat beschermd en verder uitgebreid moet worden,

J.   overwegende dat de landbouw van vitaal belang blijft om de bedrijvigheid in de Europese plattelandsgebieden in stand te houden, met name via een waaier aan diensten die landbouwers aan de rest van de maatschappij kunnen verlenen,

K. overwegende dat de landbouw rechtstreeks te maken heeft met de doelstellingen van de Unie op het gebied van de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en dat deze ontwikkeling er sterk toe kan bijdragen dat de broeikasgassen worden teruggedrongen,

L.  overwegende dat een van de kernfuncties van de EU-landbouw is de bevolking van de Unie te voeden,

M. overwegende dat de Unie het voortouw moet nemen bij de bestrijding van de mondiale opwarming,

Bijdrage van de EU-landbouw aan de inspanningen gericht op het verminderen van de opwarming

1.  stelt dat de Europese landbouw en bosbouw een bijdrage kunnen leveren tot het halen van de doelstellingen van de Unie op het gebied van de vermindering van de klimaatverandering door manieren en steun te vinden om te helpen zijn broeikasgasemissies te verminderen, door de opslag van CO2 in de bodem te bevorderen, de productie van duurzame hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen en de fotosynthesefunctie te maximaliseren; onderstreept dat hiervoor de ontwikkeling moet worden bevorderd van een landbouw die verhandelbare en niet-verhandelbare goederen produceert waarmee het potentieel en de natuurlijke hulpbronnen van elk ecosysteem zo efficiënt mogelijk worden benut en waarbij economische, ecologische en sociale prestaties, alsmede dierenwelzijnaspecten met elkaar worden verzoend, om de duurzaamheid ervan te verbeteren;

2.  onderstreept dat een actievere deelname van de landbouw aan de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering niet mag betekenen dat de sector landbouw en levensmiddelen van de EU op de wereldmarkt aan concurrentievermogen inboet;

3.  is van oordeel dat de biologische landbouw, de extensieve veeteelt en de praktijken van de geïntegreerde verbouw enkele van de alternatieven vormen voor een milieuvriendelijker landbouw; beklemtoont evenwel dat oplossingen moeten worden gevonden om ervoor te zorgen dat de traditionele landbouw, die het grootste deel van het Europese landbouwareaal vertegenwoordigt, op significante wijze aan een duurzaam milieubeheer kan bijdragen;

4.  erkent dat innovatie een belangrijke rol moet spelen bij het verminderen van de gevolgen van de landbouw op klimaatverandering en milieu;

5.  vraagt in het bijzonder dat het toekomstige GLB, door middel van voorlichtings- en opleidingsacties en stimulerende maatregelen, praktijken bevordert die bijdragen aan de doeltreffendheid en mogelijke beperking van de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw en aan de opslag van koolstof, zoals:

- aangepaste, eenvoudiger bewerkingstechnieken, waarbij de bodem met plantaardig materiaal bedekt blijft (zoals gereduceerde bewerking of niet-bewerking, handhaving van oogstresiduen op het veld), in combinatie met interculturen en gewasrotatie, hetgeen de fotosynthese maximaliseert en tot verrijking van de bodem met organisch materiaal leidt, zoals is gebleken bij het door het Europees Parlement geïnitieerde SoCo-project;

-  behoud en ontwikkeling van bebossing, alsmede herbebossing, ontwikkeling van de agrobosbouw, heggen, beboste gebieden op percelen, weidegronden die permanent of tijdelijk worden begraasd;

- invoering van beheermethoden die leiden tot verlenging van de opslagtijd van koolstof die is vastgelegd in bestaande bossen;

- beter beheer van de bodem en management van mineralen en adequate bescherming van koolstofrijke grond als veen en natte gebieden (teelt van bijpassende planten, bijv. riet als alternatief voor drainage);

- modernisering van landbouwbedrijven (isolatie van gebouwen, energiezuinige apparatuur, gebruik van hernieuwbare energiebronnen) en efficiëntere productieketens;

- moderne technologieën voor de bewaring van veevoer en de behandeling en het gebruik van mest, die de uitstoot van methaan aanzienlijk verlagen;

- opwekking van energie uit biomassa die ontstaat bij de productie van levensmiddelen, waardoor niet alleen nevenproducten en afval benut worden, maar ook de uitstoot van CO2 wordt verlaagd;

- aanplant van bomen en kruidachtige planten als energiegewassen (cultures) op uiterwaarden, wetlands, zandgronden en voor de landbouw minder geschikte gronden met het oog op de absorptie van CO2 en de vastlegging van meer koolstof;

6.  onderstreept dat deze milieuvriendelijker landbouwpraktijken daarnaast ook een gunstige uitwerking hebben op de biodiversiteit, de bodemkwaliteit en het waterretentievermogen, en bijdragen aan de bestrijding van erosie en vervuiling, terwijl het verzachten van de gevolgen van de landbouwactiviteiten op de klimaatverandering nog een van de "collectieve goederen" is die de landbouw biedt;

7.  spreekt zich uit voor een gemeenschappelijk Europees bosbouwbeleid, dat inzet op duurzaam beheer en exploitatie van de bossen, en op een betere benutting van de sterke punten van de houtketen en de economische ontwikkeling hiervan, aangezien deze sector de grootste bijdrage aan koolstoffixatie levert; daarbij moet zo veel mogelijk rekening worden gehouden met de verschillende omstandigheden voor bosexploitatie in de verschillende regio's, aangezien het bosmilieu in Noord-Europa wat betreft mogelijkheden en bedreigingen verschilt van dat in Zuid-Europa;

8.  vestigt de aandacht erop dat bossen ook een beduidende bijdrage leveren aan efficiënt waterbeheer. Daarom worden de lidstaten gestimuleerd een bosbouwpraktijk te omarmen waarmee de verschillen in waterloop tussen perioden van droogte en overstromingen worden verminderd. Zo kunnen de negatieve effecten van droogte en overstromingen op de landbouw, de energiewinning en de bevolking worden getemperd.

9.  bepleit een versterking van het bergbeleid omdat de landbouw- en herderssector en de veehouderij een bijzonder belangrijke rol vervullen bij de beperking van de klimaatverandering en bij de ondersteuning van de aanpassing en van de vermindering van de kwetsbaarheid, met name door een juist weidebeheer;

10. dringt aan op de formulering van strategieën ter voorkoming en beperking van de nadelige gevolgen voor de landbouw in de Europese Unie door

- een actieplan voor de meest getroffen gebieden: gebruik van gewasvariëteiten die tegen de nieuwe klimaatsituatie opgewassen zijn, aanpassing van de landbouwkalender aan de nieuwe situatie, bebossing, bouw van kassen, agrarisch waterbeheer, sanering van verontreinigde gronden;

- het tweede deel moet bestaan in een langetermijnplan om de oorzaken van de klimaatverandering weg te nemen, via de bevordering van een wereldeconomie die gebaseerd is op een vermindering van de CO2-emissies en de bevordering van zekere energievoorziening;

11. onderstreept dat de uitstoot van stikstofmonoxide kan worden verminderd door een gereduceerd en tegelijkertijd doeltreffender gebruik van stikstofhoudende meststoffen (precisielandbouw); wijst er voorts op dat bemesting met het residu van de biogasproductie mogelijkheden voor biologische precisiebemesting biedt, met verlaagde emissies als resultaat;

12. dringt aan op meer onderzoek naar veevoeders en genselectie van fokdieren, met het oog op het reduceren van de uitstoot van methaan, op voorwaarde dat deze mitigatiemaatregelen niet worden goedgekeurd indien zij de gezondheid of het welzijn van dieren in gevaar brengen; dringt daarnaast aan op een voorlichtingsprogramma dat consumenten informeert over de gevolgen van hun koop- en eetgedrag op het klimaat

13. vraagt tegelijk met aandrang dat maatregelen worden genomen om het onderzoek op het gebied van plantenveredeling te versnellen en te intensiveren, om teelten en gewassen beter bestand tegen nieuwe klimaatomstandigheden te maken en de uitdagingen als gevolg van de veranderingen aan te kunnen, met name wat zekere voedselvoorziening betreft, met voldoende grondstoffen van toereikende kwaliteit; is van mening dat dit onderzoek prioritair betrekking moet hebben op gewasvariëteiten die bestand zijn tegen watertekort en zeer hoge temperaturen en op de bijbehorende teelttechnieken; onderstreept ook het feit dat deze variëteiten en technieken een haalbaar alternatief kunnen zijn voor de zeer dure en inefficiënte irrigatiesystemen die in sommige gebieden zijn geïnstalleerd en dat zij bovendien het voordeel hebben in grote mate te zijn geaccepteerd door de plaatselijke gemeenschappen;

14. onderstreept dat het zo efficiënt mogelijk opslaan en uitrijden van organische mest, en het behandelen ervan door anaerobe afbraak één van de meest veelbelovende technieken is voor het reduceren van de uitstoot van methaan (omdat dit tevens een hernieuwbare energiebron oplevert) en de afhankelijkheid van chemische stikstofhoudende mest te verkleinen, met name in gebieden met een grote dierdichtheid; wijst erop dat het aldus geproduceerde biogas ertoe bijdraagt dat de landbouw wat energie betreft zelfvoorzienend wordt;

15. wijst in dit kader op de noodzaak digestaat uit mestvergisters voor biogasproductie in te kunnen zetten als kunstmestvervanger zonder in de categorie ‘dierlijke mest’ te vallen, waardoor het gebruik van kunstmest verder kan worden teruggedrongen;

16. dringt aan op vereenvoudiging van de administratie en op versnelling van de O&O-activiteiten gericht op het gebruik van de biomassa die zich op landbouwbedrijven bevindt (landbouw- of bosbouwafval), van het biogas afkomstig van de veehouderij en van andere duurzame agrobrandstoffen, op voorwaarde dat dit de voedselveiligheid niet in gevaar brengt;

17. onderstreept dat het duurzaamheidsbeginsel moet worden gehandhaafd bij het gebruik van biomassa; is van mening dat dienovereenkomstig toepassingen moeten worden gestimuleerd die het dichtst liggen bij de plaats van herkomst van landbouwgrondstoffen, waardoor de energieverliezen die optreden als gevolg van transport kunnen worden verminderd;

18. wijst erop dat het gebruik van biomassa voor verwarmingsdoeleinden de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering in aanzienlijke mate kan temperen; roept daarom de Commissie en de lidstaten op subsidies voor plattelandsontwikkeling te verstrekken aan overheidsinstellingen op het platteland om voor hun verwarmingssystemen over te schakelen op bio-energie;

19. wijst erop dat een grondiger gebruik van ICT kan leiden tot een verbetering van het toezicht op verschillende fasen van het productieproces en van het beheer ervan, met als doel de productie te verhogen in verhouding tot het gebruik van de productiemiddelen en tegelijkertijd de uitstoot van broeikasgassen evenals het energiegebruik te verminderen; onderstreept tevens dat een grotere inzet van ICT, de opneming van beleidsvormen ter bevordering van de scholing van landbouwers in de nieuwe technologieën en steunverlening aan innovatie en ondernemerschap van met name jonge landbouwers factoren van doorslaggevend belang zijn voor zowel een in milieuopzicht duurzamere landbouw als de ondersteuning van het mededingingsvermogen van deze sector;

20. onderstreept dat de Europese Unie de grootste importeur van landbouwproducten is, hetgeen, vanwege de vaak minder strenge milieueisen in de producerende derde landen, alsmede de emissies bij het langeafstandsvervoer en de ontbossing, meer koolstofkosten oplevert dan Europese producten; is van mening dat de consumenten moeten worden geïnformeerd, aan de hand van een gerichte communicatiestrategie, over de voordelen van een gezonde, evenwichtige voeding die bestaat uit regionale en seizoensproducten van hoge kwaliteit die geproduceerd zijn met een duurzame en efficiënte landbouw, waarvan de koolstofafdruk kan worden onderscheiden van die van geïmporteerde producten; is in dit verband ook van oordeel dat de inspanningen van de Europese landbouwers gericht op het verminderen van hun emissies op billijke wijze moeten worden gecompenseerd en dat de diversificatie van plaatselijke producten (in het bijzonder de ontwikkeling van plantaardige eiwitten in de EU) moet worden bevorderd;

21. schaart zich in dit kader achter een vrijwillige EU-herkomstetikettering in het geval van producten die volledig uit de Europese Unie afkomstig zijn;

22. dringt aan op de invoering van doeltreffende instrumenten voor controle op de invoer uit derde landen en pleit voor volledige wederkerigheid van de eisen waaraan de Europese producenten ter bestrijding van de klimaatverandering moeten voldoen, en de eisen die aan import uit derde landen worden gesteld, om een verlies aan concurrentievermogen van de Europese producten te voorkomen;

23. beklemtoont dat de EU in het landbouw- en bosbouwontwikkelingsbeleid moet investeren, teneinde een bijdrage te leveren aan de verspreiding van nieuwe praktijken en aan de invoering van duurzame landbouw elders in de wereld;

Maatregelen gericht op aanpassing van de Europese landbouw aan de gevolgen van de opwarming

24. onderstreept dat de Europese landbouw zich aanpast en zich moet blijven aanpassen aan de gevolgen van de zich ontwikkelende klimaatverandering en zich moet voorbereiden op de gevolgen die deze verandering voor een groot aantal EU-regio's zal hebben;

25. is van oordeel dat de Unie met het oog hierop een coherente strategie voor de aanpassing van de landbouw aan de twee verschillende klimaatveranderingen moet uitstippelen die de toekomst voor ons in petto houdt:

- de gemiddelde opwarming van de aarde enerzijds;

- de schommelingen van het klimaat met de toename van extreme weersomstandigheden anderzijds;

26. is van mening dat het GLB het accent moet leggen op het duurzamer en efficiënter beheer van bronnen en dat dit in aanmerking moet worden genomen in de aanstaande hervorming van het GLB, met bijvoorbeeld:

- optimaal waterbeheer (efficiëntere irrigatiesystemen, gebruik van gerecycleerd water, zuinig gebruik van water op het land, wateropvangbekkens, enz.), responsabilisering van de gebruikers;

- gewaskeuze op basis van met name zijn robuustheid in extreme omstandigheden, en een aan bijvoorbeeld de droogte en ziektes aangepaste gewasrotatie;

- bodembescherming (met waarborgen betreffende hun organisch materiaal) tegen water- en luchterosie;

- de aanplant van bomen langs wegen, heggen of bossen aan de rand van percelen om het water vast te houden, de afvloeiing te beperken en om als windscherm en beschutting te dienen voor hulpmiddelen bij de teelt zoals bestuivende insecten;

- behoud van grasland en bevordering van dierlijke productie op grasland;

- maatregelen voor toezicht en controle op ziekten; in het kader hiervan zijn nationale en vervolgens ook Europese instrumenten voor de follow-up van het uitbreken en het terugkeren van ziekten noodzakelijk;

- maatregelen voor toezicht en controle op insecten; in het kader hiervan moeten de follow-up van potentieel invasieve soorten en sanitaire maatregelen (versterkte controle aan de grenzen en op kwetsbare plaatsen zoals kwekerijen en luchthavens, bioveiligheidsmaatregelen) worden uitgebreid;

- herstel van aangetaste percelen;

- instandhouding van bossen die zich aanpassen aan de klimaatveranderingen en bosbeheer gericht op het verkleinen van het brandrisico;

27. beklemtoont dat het noodzakelijk kan zijn om voormalige uiterwaarden die zijn drooggelegd en minder geschikt zijn voor de landbouw, opnieuw onder water te zetten en de kanalisering van rivieren te overdenken en uiterwaarden die daarvoor geschikt zijn nieuw leven in te blazen en te beplanten met het vroegere oeverbos;

Implicaties voor het Europese landbouwmodel

28. onderstreept dat het GLB moet bijdragen tot een duurzamer landbouwbeleid, maar tegelijk de opbrengst moet verhogen en in het achterhoofd moet houden dat de opwarming van de aarde een nadelige uitwerking kan hebben op de mogelijkheden om te produceren en de bevolking in de wereld te voeden, ook in Europa;

29. is tevens van oordeel dat het GLB de lagere overheden in de lidstaten financieel moet stimuleren om maatregelen te nemen met het oog op:

- herstel van de productie- en beschermingscapaciteit van de natuurlijke ecosystemen, landbouwgronden en andere hulpbronnen die door droogte, woestijnvorming of overstromingen aangetast zijn;

- verbetering van de methoden voor exploitatie van water, bodem en vegetatie die inmiddels niet-duurzaam gebleken zijn;

- selectie, veredeling en verbreiding van gewasvariëteiten en dierrassen in droge en/of met droogte bedreigde gebieden;

- verbetering van de preventie;

30. merkt op dat de klimaatverandering directe en onevenredig zware gevolgen heeft voor de landbouw en dat deze dan ook voorrang moet krijgen wanneer maatregelen worden uitgewerkt voor het verzachten van de gevolgen van de klimaatverandering;

31. is van mening dat aan de "nieuwe uitdagingen" die in het kader van de "gezondheidscontrole" van het GLB zijn genoemd, namelijk klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit, moet worden herinnerd en dat ook eerbiediging van en verbetering van de kwaliteit van de bodem en de functies ervan (koolstoffixatie, retentievermogen voor water en mineralen, biologisch leven...) aan deze uitdagingen moeten worden toegevoegd, aangezien dit allemaal belangrijke kwesties zijn die gevolgen hebben voor de belangen van toekomstige generaties, zodat er voort rekening mee moet worden gehouden in het toekomstige GLB;

32. merkt op dat het huidige systeem van randvoorwaarden, dat was ontworpen om ervoor te zorgen dat landbouwproducenten voldoen aan zeer hoge normen op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid en milieubescherming, problematisch is voor boeren en in zijn huidige vorm misschien niet de beste manier is om de gewenste resultaten te halen; vraagt dat bij de volgende hervorming van het GLB meer nadruk wordt gelegd op duurzamere en efficiëntere productiemodellen, niet vergetende dat deze overheidsfinanciering vereisen om de boeren in staat te stellen de extra kosten te dekken die het gevolg zijn van de verstrekking van "collectieve goederen" die ten goede komen van de samenleving als geheel (bijvoorbeeld behoud van het platteland, instandhouding van de biodiversiteit, koolstoffixatie en voedselzekerheid);

33. erkent dat het GLB toonaangevende normen inzake milieubescherming moet stellen; merkt op dat dit een niveau van kosten zal inhouden die niet op de markt kunnen worden verhaald maar die gedeeltelijk kunnen worden beschouwd als levering van collectieve goederen, en dat de Europese producenten zullen moeten worden beschermd tegen concurrentie uit derde landen die niet aan de milieunormen van de EU voldoen;

34. is van mening dat de klimaatverandering de Unie dwingt het beleidsmodel van het landbouwbeleid aan te passen; verzoekt daarom de Commissie in haar komende mededeling over de hervorming van het GLB na 2013 een duurzamer en efficiënter landbouwmodel te bevorderen dat met alle doelstellingen van het GLB strookt, dat gericht is op de productie van voldoende en veilig voedsel en dat het milieuevenwicht beter eerbiedigt; is van mening dat dit model gebaseerd moet zijn op een eerlijk en rechtvaardig systeem voor ondersteuning van de boeren en dat de rol van het boerenberoep er ook meer gewicht mee moet krijgen;

35. is van mening dat het behoud van een ambitieus GLB absoluut noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de Europese landbouw in de toekomst blijft bijdragen aan de veiligheid van de voedselvoorziening en de bescherming van het klimaat, waarbij met name het voortbestaan van het stelsel van uit de begroting van de Gemeenschap gefinancierde rechtstreekse betalingen en op het vlak van de Unie vereenvoudigde en billijke betalingen belangrijk zijn;

36. vraagt de Commissie dat zij in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid rekening houdt met het feit dat de lidstaten in het zuiden van de EU onevenredig zwaar worden getroffen als gevolg van niet alleen de directe invloed van de klimaatverandering, maar ook de indirecte invloed ervan op de diversificatiecapaciteit, aangezien diversificatie een beslissende factor is om het vereiste aanpassingsvermogen te ontwikkelen, de kwetsbaarheid te beperken en de regionale verschillen te verkleinen;

37. beklemtoont dat het belangrijk is een basis te leggen en permanent te garanderen voor de ontwikkeling van alternatieve economische activiteiten, zodat de plaatselijke gemeenschappen minder afhankelijk kunnen worden gemaakt van een landbouwproductie die getroffen is door droogte of van natuurlijke hulpbronnen; wijst erop dat de beschikbaarheid van middelen uit de Europese fondsen van doorslaggevend belang is om de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van alternatieve vormen van bedrijvigheid;

38. onderstreept het belang van bevordering van geïntegreerde planningsmethoden voor plattelandsontwikkeling, afgestemd op de lokale behoeften, door toepassing van de beginselen van optimaal bodemgebruik, met het oog op aanpassing aan veranderende milieucondities (langdurige droogte, aardverschuivingen, overstromingen, e.d.) en aan een markt van lokaal voortgebrachte goederen en diensten;

39. verzoekt de Commissie ook na te denken over nieuwe steunregelingen om de bijdrage van de landbouw aan de vermindering van de CO2, bijvoorbeeld koolstoffixatie in de bodem en landbouwbiomassa, te ondersteunen en het gebruik van landbouwareaal te bevorderen dat een gunstig effect op de klimaatverandering heeft;

40. wijst erop dat er behoefte is aan een juiste raming door de Commissie van de kosten van aanpassing van de landbouw aan de klimaatverandering;

41. is van mening dat de instrumenten voor risico- en crisisbeheer moeten worden verbeterd en aangepast aan de toenemende wisselvalligheid van de markten en aan de nieuwe klimaatgevaren;

42. onderstreept, gezien de omvang van de klimaatuitdaging en van de investeringen, dat de landbouw- en de bosbouwsector moeten kiezen voor meer duurzame productiemethoden en dat een sterk GLB met voldoende financiële middelen na 2013 moet worden gehandhaafd; voegt hieraan toe dat nieuwe extra middelen beschikbaar moeten komen in de vorm van prikkels voor verbreiding van moderne, innovatieve technologieën en systemen waarmee in de verschillende agrarische sectoren concrete resultaten op het vlak van beperking en aanpassing kunnen worden geboekt;

43. wijst erop dat het GLB weliswaar geen Europees klimaatbeleid vormt, maar wel als uitgangspunt kan dienen voor het nemen van effectieve maatregelen en prikkels in de strijd tegen klimaatverandering en dat hiermee ook bij de debatten over de toekomstige begroting van de Unie rekening gehouden moet worden;

44. pleit voor handhaving van de voortrekkersrol van de Europese Unie in de strijd tegen de klimaatverandering, die niet op het tweede plan mag geraken wegens de huidige economische moeilijkheden;

45. onderstreept dat de Europese Unie beleid nodig heeft voor de ontwikkeling en financiering van een landbouw die moet voorzien in een veilige en kwalitatief goede voeding;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 281.

(2)

PB C 66 E van 20 maart 2009, blz. 29.

(3)

PB C 67 E van 18 maart 2010, blz. 44.

(4)

Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0130.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0089.


TOELICHTING

De klimaatverandering is een onbetwistbare realiteit. De gemiddelde temperatuur op onze planeet is binnen een eeuw met bijna 0,8°C gestegen, en de meeste wetenschappers zijn van mening dat deze opwarming tot het eind van de 21e eeuw nog sneller zal verlopen door de hoeveelheid broeikasgassen die in de loop der jaren in de atmosfeer is opgebouwd. Het IPCC heeft de temperatuurstijging tussen +1,1°C (in het gunstigste geval) en + 6,4°C geraamd, met voor de ecosystemen alle negatieve gevolgen van dien, waarvan de omvang op dit moment moeilijk kan worden ingeschat.

De landbouw wordt hierdoor rechtstreeks getroffen, aangezien hij de bodembronnen beheert die de mensheid in staat stellen te leven.

De landbouw is verantwoordelijk voor een deel van de uitstoot van broeikasgassen en tegelijkertijd heel gevoelig voor de gevolgen van de ontregeling van het klimaat. Binnen de EU zorgt de landbouw voor bijna 9% van deze emissies, en de opwarming heeft nu reeds zichtbare gevolgen, met als belangrijkste voorbeelden de toename van de droogte in de zuidelijke landen en de stijging van het waterpeil in de noordelijke landen.

De landbouw kan echter ook helpen deze problemen op te lossen. De landbouw heeft vele mogelijkheden om een actieve en positieve bijdrage te leveren aan de inspanningen om de opwarming te beperken, in het kader van een krachtig gemeenschappelijk landbouwbeleid dat ten dienste staat van een duurzame en economisch levensvatbare ontwikkeling. De landbouw heeft tevens het vermogen zich aan te passen aan de gevolgen van de veranderingen die nu gaande zijn, door te steunen op de kennis van landbouwers, het beroepsonderwijs, agrarische adviezen en de ontwikkeling van onderzoek en innovatie.

Aandeel van de landbouw in de klimaatverandering

Volgens het Europees Milieuagentschap was de landbouw in 2007 verantwoordelijk voor 9,3% van de totale uitstoot van broeikasgassen in de EU-27 (5% stikstomonoxide-emissies en 4,3% methaanemissies; het aandeel CO2-uitstoot was zeer marginaal), tegen 11% in 1990.

Stikstofmonoxide (N2O) komt vrij uit organische en minerale stikstofmest, terwijl methaan (CH4) voornamelijk ontstaat bij de spijsvertering van vee en bij de opslag en verspreiding van gier.

De afname van de landbouwemissies in de EU sinds 1990 houdt verband met een verkleining van de veestapel, een duurzamer gebruik van meststoffen en een beter beheer van dierlijke mest.

Bijdrage van de Europese landbouw aan de inspanningen om de opwarming te beperken

- Interne dimensie

De Europese landbouw kan op drie manieren helpen de beoogde beperking van de opwarming te realiseren: door oplossingen aan te reiken om zelf de uitstoot van broeikasgassen te beperken en te verminderen, door de ondergrondse opslag van CO2 te bevorderen en door de productie van duurzame hernieuwbare energie te ontwikkelen. Hiertoe moet de ontwikkeling van een nieuwe landbouw worden bevorderd, met een beter evenwicht tussen de economische, sociale en milieuaspecten enerzijds en het natuurlijk potentieel van elk ecosysteem anderzijds.

· bescherming van de bodem om de hoeveelheid uitgestoten CO2 te verminderen en deze op te slaan:

De landbouw en de bosbouw zijn de voornaamste economische sectoren die CO2 afkomstig van menselijke activiteiten kunnen opvangen, de koolstof in de bodem kunnen bewaren en opslaan vanwege hun reservecapaciteit, en deze via fotosynthese in hun vegetatie kunnen vasthouden.

Het GLB moet agrarische praktijken bevorderen die de uitstoot van broeikasgassen beperken en/of CO2 beter vastleggen.

De biologische landbouw en de praktijken van de geïntegreerde strijd, die onderdeel uitmaken van ecologisch gezien doeltreffende systemen, moeten worden bevorderd. Daarnaast moeten er oplossingen worden gevonden voor de overgang op een meer duurzame landbouw van de andere systemen, die het grootste landbouwareaal vertegenwoordigen.

Deze oplossingen bestaan reeds. In het kader van het GLB moet vooral worden gekeken naar ervaringen met technieken (zoals ecologische landbouw) die een vereenvoudigde bewerking van de bodem behelzen waardoor een plantendek ontstaat (beperkt of niet omploegen, de restanten van de oogst op de akkers laten liggen), en waarbij tussenteelt en wisselteelt worden bevorderd, en die aantoonbaar zorgen voor maximale fotosynthese en een effectievere verrijking van de bodem met organische stoffen. Dat blijkt met name uit het SoCo-project dat op initiatief van het Europees Parlement is opgezet. En deze praktijken zijn tevens gunstig voor de economie voor zover zij het gebruik van energie en van bepaalde productiemiddelen terugdringen.

Onder meer de volgende aanvullende oplossingen dienen te worden gestimuleerd:

- de ontwikkeling van agrobosbouw, heggen, beboste gebieden op percelen, weidegronden die permanent of tijdelijk worden begraasd en herbebossing; - de ontwikkeling van permanente weiden en grasland;

- de bescherming van koolstofrijke grond als veen (teeltverbod) en natte gebieden (teelt van bijpassende planten, bijv. riet als alternatief voor drainage);

- modernisering van landbouwbedrijven (isolatie van gebouwen, energiezuinige apparatuur, gebruik van hernieuwbare energiebronnen);

Het toekomstige GLB moet de ontwikkeling van deze praktijken bevorderen via voorlichting en scholing en via stimuleringsmaatregelen en investeringen in onderzoek; bovendien kan met al deze maatregelen de aantasting van de bodem, de vermindering van de hoeveelheid water en de vervuiling worden tegengegaan en de biodiversiteit worden behouden.

Het is ook tijd voor een daadwerkelijk bosbouwbeleid, dat inzet op duurzaam beheer en exploitatie van de bossen, en op een betere benutting van de sterke punten van de houtketen, aangezien deze sector de grootste bijdrage aan koolstoffixatie levert.

· vermindering van de uitstoot van methaan en stikstofmonoxide

Van de broeikasgassen van agrarische oorsprong kan het meeste resultaat worden bereikt bij stikstofmonoxide, waarvan de uitstoot kan worden beperkt door minder en doeltreffender stikstofmest te strooien (precisielandbouw), organische mest op basis van teruggewonnen afval (lokale biomassa uit tussenteelt en ander organisch afval) te gebruiken, tussenculturen zoals voederpeulvruchten te ontwikkelen en op zoek te gaan naar nieuwe soorten die veel koolstof en stikstof kunnen afvangen.

Het is mogelijk de uitstoot van methaan te verminderen door verbeteringen aan te brengen in:

- de veeteeltmethoden (wijziging van het voedingspatroon van herkauwers, met name door hun meer vetstoffen toe te dienen, genetische selectie, enz.). Daartoe moet het onderzoek worden versterkt en een voedingsprogramma worden opgezet waarmee de EU tevens minder afhankelijk wordt van geïmporteerde plantaardige eiwitten;

- en het beheer van dierlijke uitwerpselen (verbetering van de opslag en het uitstrooien over teeltgewassen en bewerking in de biogasfabrieken – een van de meest veelbelovende technieken om de uitstoot te beperken en hernieuwbare energie te ontwikkelen, vooral in regio's met veel veeteelt).

· hernieuwbare energiebronnen

De landbouw heeft rechtstreeks te maken met de doelstellingen van de Unie op het gebied van de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.

Er moeten meer inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling worden verricht om de agrarische biomassa te benutten, of het nu landbouw- en bosbouwafval en dierlijke mest of de productie van duurzame agrobrandstoffen betreft, op voorwaarde dat deze laatste de voedselzekerheid niet in gevaar brengen.

- Internationale dimensie

De Europese Unie is de grootste importeur van landbouwproducten, hetgeen, vanwege de vaak minder strenge milieueisen in de producerende derde landen, alsmede de emissies bij het langeafstandsvervoer, meer koolstofkosten oplevert dan Europese producten. De consumenten moeten middels passende etikettering (CO2-afdruk) worden geïnformeerd, de inspanningen van de Europese landbouwers gericht op het verminderen van hun emissies moeten op billijke wijze worden gecompenseerd en de diversificatie van plaatselijke producten (in het bijzonder de ontwikkeling van plantaardige eiwitten in de EU) moet worden bevorderd.

De EU dient eveneens te herinvesteren in het landbouwontwikkelingsbeleid: zij moet samenwerken bij de verspreiding van nieuwe methoden en de ontwikkeling van andere duurzame vormen van landbouw in de wereld bevorderen om de voedselzekerheid te waarborgen. In de strijd tegen de klimaatverandering heeft zij tevens een morele plicht jegens alle regio's die daarvan slachtoffer kunnen worden (droogte, stijging van het water en andere extreme klimatologische verschijnselen).

Maatregelen van de landbouw om zich aan te passen aan de opwarming

Tegelijk met de inspanningen om de opwarming te beperken, moet de landbouw zich aanpassen aan de veranderingen in het klimaat die zich momenteel voltrekken.

De deskundigen zijn het erover eens dat, uitgezonderd enkele vormen van productie in het noorden van Europa, de gevolgen van deze veranderingen in het algemeen nadelig voor de Europese landbouw zullen uitwerken, vooral in het zuiden en zuidoosten.

Het GLB moet de belangrijkste aanpassingen bevorderen, te weten:

· optimaal waterbeheer (efficiëntere irrigatiesystemen, wateropvangbekkens, enz.);

· een keuze van soorten en een wisselteelt afgestemd op de droogte, ziekten, enz.;

· de bescherming van de bodem (met behoud van organische stoffen) tegen erosie door water en lucht;

· de aanplant van heggen of bossen aan de rand van percelen om het water vast te houden, de afvloeiing te beperken en om als windscherm en beschutting te dienen voor hulpmiddelen bij de teelt zoals bestuivende insecten;

· maatregelen voor toezicht en controle op insecten en ziekten;

· bosbeheer gericht op het verkleinen van het brandrisico;

Implicaties voor het Europese landbouwmodel

Het GLB moet reageren op de groeiende vraag van de publieke opinie naar een duurzamer landbouwbeleid, waarbij in het achterhoofd moet worden gehouden dat de opwarming van de aarde een nadelige uitwerking kan hebben op de mogelijkheden om te produceren en de bevolking in de wereld te voeden, ook in Europa.

Volgens de FAO moet de mondiale landbouwproductie tot 2050 met 70% toenemen om 9 miljard mensen te voeden. Net als overal elders ter wereld moet er in Europa op basis van het GLB meer geproduceerd worden, waarbij extra aandacht moet komen voor het behoud van het natuurlijke evenwicht.

Momenteel kent dit beleid geen samenhangende, alomvattende aanpak van de milieuvraagstukken. De "gezondheidscontrole" van het GLB heeft blijk gegeven van onvoldoende begrip van de "nieuwe uitdagingen", namelijk klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit. Deze uitdagingen moeten worden aangegaan met alle instrumenten van het GLB en niet alleen met de subsidies van de tweede pijler.

Het huidige systeem van ecoconditionaliteit, waarbij de gehanteerde methode belangrijker is dan het resultaat, is zeer ingewikkeld voor de landbouwers, en dat terwijl de milieuvraagstukken niet echt worden aangepakt. We moeten overstappen op een andere manier van werken en ons moeten richten op duurzame productiemodellen, waartoe het nodig is de meerkosten voor het bereiken van deze doelstellingen (lokale contracten voor milieucertificering) te compenseren en een vergoeding te verstrekken voor de verlening van "collectieve goederen" aan de samenleving (onderhoud van het platteland, bescherming van de biodiversiteit, afvang van CO2, voedselzekerheid, enz.).

De opwarming van de aarde dwingt ons ertoe een nieuw ontwikkelingsmodel uit te vinden. Om in de ogen van de publieke opinie weer geloofwaardig te worden en het beroep van landbouwer opnieuw zin te geven, moet het GLB uitgroeien tot een landbouwbeleid geënt op voeding en milieu, met een rechtvaardiger en duurzamer ondersteuning van de productie, aangevuld met reguleringsinstrumenten die zijn herzien om het hoofd te bieden aan de groeiende instabiliteit van de markten en het ontstaan van nieuwe gezondheidsrisico's.

Tenslotte moeten de onderzoeksinspanningen en de begrotingsmiddelen van het toekomstige GLB na 2013 worden afgestemd op de omvang van het klimaatprobleem en van de vereiste investeringen in duurzamer productiemethoden.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (24.2.2010)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

over de Europese landbouw en de klimaatverandering

(2009/2157(INI))

Rapporteur voor advies: Francisco Sosa Wagner

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de landbouw- en de bosbouwsector over een belangrijk potentieel beschikken voor wat betreft de vermindering van de vervuiling en derhalve als katalysator kunnen optreden om de effecten van de klimaatverandering en de opwarming van de aarde te beperken,

1.   onderstreept dat de landbouw een productiesector is die onder druk staat van de klimaatverandering en daarvan de gevolgen ondergaat, maar die tegelijkertijd rechtstreeks verband houdt met de doelstellingen inzake mitigatie van deze gevolgen, ofwel via zijn bijdrage aan de vermindering van de broeikasgasuitstoot en zijn zuinige omgang met en goed beheer van waterbronnen, ofwel via steunverlening aan de productie en decentralisering van duurzame en hernieuwbare energiebronnen;

2.   wijst erop dat dankzij de betrokkenheid van de landbouwsector bij de bestrijding van de klimaatverandering tot nu toe weliswaar een bijdrage is geleverd aan de vermindering van de broeikasgasuitstoot maar dat deze betrokkenheid daarnaast ook opgenomen dient te worden in de meer algemene, dynamische drieluik voeding – landbouw – energie; onderstreept dat deze betrokkenheid voornamelijk moet zijn gericht op een optimale benutting van biomassa – of het nu gaat om de benutting van landbouwafval of om steunverlening aan de productie van duurzame biobrandstof – maar daarnaast moet zorgen voor de instandhouding van de productie van kwaliteitsproducten, de naleving van hoge voedselveiligheidsnormen en de oriëntatie van de consumenten in de richting van een voedselmodel dat sterker bijdraagt aan duurzaam milieubeheer;

3.   verzoekt de Europese Commissie meer begrotingsmiddelen te voorzien voor onderzoek en ontwikkeling, in samenwerking met alle betrokken actoren, in het bijzonder het maatschappelijk middenveld en landbouwers, om tot verbeteringen te komen op het gebied van milieu en klimaat, op de volgende prioritaire gebieden:

a) de productie en het gebruik van duurzaam biogas en duurzame biobrandstoffen op basis van bijproducten en land- en bosbouwafval, waarbij rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de productie van biobrandstoffen voor het milieu (niet rechtstreeks veroorzaakte wijzigingen in het gebruik van de grond, verlies van biodiversiteit, enz.) en de voedselveiligheid, alsook met de richtsnoeren van het Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan);

b) de productie en het gebruik van meststoffen en duurzame bemestingsmiddelen, waarbij de voorkeur uitgaat naar de ontwikkeling van organische en natuurlijke meststoffen en bemestingsmiddelen en het gebruik van uit koolwaterstoffen geproduceerde bemestingsmiddelen wordt teruggebracht;

c) de nuttige toepassing van verschillende soorten afvalstoffen uit de landbouw;

d) het terugdringen van door de veeteelt voortgebrachte methaan;

e) het beperken van uit mest en gier afkomstige N2O;

4.   is van mening dat landbouw de bron is van verscheidene milieu- en klimaatproblemen, maar tegelijkertijd een belangrijk instrument is voor de oplossing daarvan en dat bij de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid juist daarom nadrukkelijker dan tot nu toe aandacht moet worden besteed aan milieuaspecten en de klimaatinspanningen van de EU;

5.   onderstreept dat de Europese Unie beleid nodig heeft voor de ontwikkeling en financiering van een landbouw die moet voorzien in een veilige en kwalitatief goede voeding;

6.   meent dat het toekomstig gemeenschappelijk landbouwbeleid moet aandringen op werkwijzen die de door de veeteelt veroorzaakte broeikasgasuitstoot terugdringen, waaronder het overstappen op andere voeders en een gewijzigd mest- en gierbeleid;

7.   onderstreept de noodzaak om systemen te ontwikkelen voor de bescherming van landbouwers in situaties die worden veroorzaakt door extreme gebeurtenissen en moedigt de ontwikkeling en tenuitvoerlegging aan van projecten zoals duurzame irrigatiesystemen, die de gevolgen van de klimaatverandering zullen helpen tegengaan;

8.   onderstreept dat in het belang van de overstap naar milieuvriendelijkere productiemethoden de financiering van landbouwonderzoek in verband met de klimaatverandering moet worden verhoogd in de meerjarige financiële vooruitzichten na 2013;

9.   verzoekt de landbouwsector om een aanzienlijke inspanning te leveren om de gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energiebronnen te verhogen en in het bijzonder het efficiënte gebruik van energie op landbouwbedrijven te doen toenemen door modernisering en een rationele planning van het energieverbruik, alsook het gebruik van beproefde energiezuinige apparatuur en praktijken;

10. wijst erop dat een grondiger gebruik van ICT kan leiden tot een verbetering van het toezicht op verschillende fasen van het productieproces en van het beheer ervan, met als doel de productie te verhogen in verhouding tot het gebruik van de productiemiddelen en tegelijkertijd de uitstoot van broeikasgassen evenals het energiegebruik te verminderen; onderstreept tevens dat een grotere inzet van ICT, de opneming van beleidsvormen ter bevordering van de scholing van landbouwers in de nieuwe technologieën en steunverlening aan innovatie en ondernemerschap van met name jonge landbouwers factoren van doorslaggevend belang zijn voor zowel een in milieuopzicht duurzamere landbouw als de ondersteuning van het mededingingsvermogen van deze sector;

11. benadrukt dat bij de inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw terug te dringen ook gekeken moet worden naar emissies die het gevolg zijn van:

      -   directe of indirecte veranderingen in grondbestemming,

-  de productie van in de landbouw- en voedingsmiddelenindustrie gebruikte goederen en (grond)stoffen of de voortbrengselen van die industrie zelf, vooral al het gaat om halffabrikaten en eindproducten die over een lange afstand moeten worden vervoerd; meent daarom dat het van belang is prioriteit te geven aan productiesystemen met een kort traject voor productie-transformatie-consumptie;

12. vestigt de aandacht op het feit dat de klimaatverandering niet voor alle EU-regio´s even zware gevolgen heeft, waardoor het noodzakelijk is meer aandacht te schenken aan de regio´s die naar verwachting de ernstigste gevolgen te verwerken krijgen; wijst erop dat de temperatuurstijging in combinatie met droogte en grote bosbranden grote risico´s doet ontstaan op woestijnvorming in de Zuid-Europese landen, met alle gevolgen van dien voor de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven, de leegloop van plattelandsgebieden, de inkrimping van de biodiversiteit en het opraken van de natuurlijke hulpbronnen; dringt er derhalve op aan dat in elke communautaire maatregel voor de financiering van de aanpassing van de landbouw aan de nieuwe uitdagingen van de klimaatverandering volledig rekening wordt gehouden met deze territoriale dimensie teneinde te voorkomen dat de klimaatverandering de zoveelste factor wordt in het groter worden van de economische en ecologische verschillen tussen de EU-regio´s;

13. wijst erop dat de toename van biomassaproductie voor energiedoeleinden kan bijdragen aan de schommeling van voedselprijzen en dat om de inkomensrisico’s voor de boeren te temperen, daarom een rationeel evenwicht moet worden gegarandeerd tussen de productie van levensmiddelen en biomassa;

14. benadrukt dat er in de context van de bescherming van de grond en het waterbeheer betere maatregelen moeten worden ontwikkeld om de landbouwsector op de opwarming van de aarde af te stemmen;

15. onderstreept dat het duurzaamheidsbeginsel moet worden gehandhaafd bij het gebruik van biomassa en dat dienovereenkomstig toepassingen moeten worden gestimuleerd die het dichtst liggen bij de plaats van herkomst van landbouwgrondstoffen, waardoor de energieverliezen die optreden als gevolg van transport kunnen worden verminderd;

16. wijst erop dat het gebruik van biomassa voor verwarmingsdoeleinden de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering in aanzienlijke mate kan temperen en roept juist daarom de Commissie en de lidstaten op subsidies voor plattelandsontwikkeling te verstrekken aan overheidsinstellingen op het platteland om voor hun verwarmingssystemen over te schakelen op bio-energie;

17. acht het van belang dat boeren in bredere kring ICT kunnen aanwenden voor de tempering van de negatieve effecten van de klimaatverandering en is van mening dat het gebruik van ICT onder andere op het vlak van bodembewerking, plantgezondheid, meteorologie en de monitoring van de richtlijn moet worden ondersteund;

18.  onderstreept dat de bossen een steeds belangrijker rol spelen in het klimaatbeleid, onder andere voor de vastlegging van koolstofdioxide en de bescherming tegen erosie en geeft aan dat juist om die reden de financiële middelen voor de aanleg en de bescherming van bos in het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden geconsolideerd et dat daarnaast bosbeheer moet worden geïntegreerd in de post-Kyoto-klimaatregeling;

19. vestigt de aandacht erop dat bossen ook een beduidende bijdrage leveren aan efficiënt waterbeheer en geeft aan dat de lidstaten daarom worden gestimuleerd een bosbouwpraktijk te omarmen waarmee de verschillen in waterloop tussen perioden van droogte en overstromingen worden verminderd, waardoor de negatieve effecten van droogte en overstromingen op de landbouw, de energiewinning en de bevolking kunnen worden getemperd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.2.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

45

1

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean-Pierre Audy, Zigmantas Balčytis, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Bendt Bendtsen, Reinhard Bütikofer, Maria Da Graça Carvalho, Jorgo Chatzimarkakis, Giles Chichester, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Lena Ek, Ioan Enciu, Norbert Glante, Fiona Hall, Romana Jordan Cizelj, Arturs Krišjānis Kariņš, Lena Kolarska-Bobińska, Bogdan Kazimierz Marcinkiewicz, Marisa Matias, Judith A. Merkies, Angelika Niebler, Jaroslav Paška, Anni Podimata, Miloslav Ransdorf, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Paul Rübig, Amalia Sartori, Francisco Sosa Wagner, Konrad Szymański, Britta Thomsen, Evžen Tošenovský, Ioannis A. Tsoukalas, Claude Turmes, Niki Tzavela, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Alejo Vidal-Quadras

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

António Fernando Correia De Campos, Ilda Figueiredo, Yannick Jadot, Oriol Junqueras Vies, Ivailo Kalfin, Silvana Koch-Mehrin, Bernd Lange, Alajos Mészáros, Tiziano Motti, Vladko Todorov Panayotov, Silvia-Adriana Ţicău, Hermann Winkler


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.3.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

4

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Richard Ashworth, José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Vasilica Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Hynek Fajmon, Lorenzo Fontana, Iratxe García Pérez, Béla Glattfelder, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Giovanni La Via, Stéphane Le Foll, George Lyon, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, Krisztina Morvai, James Nicholson, Rareş-Lucian Niculescu, Wojciech Michał Olejniczak, Georgios Papastamkos, Marit Paulsen, Britta Reimers, Ulrike Rodust, Giancarlo Scottà, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith, Csaba Sándor Tabajdi, Marc Tarabella, Janusz Wojciechowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Luís Paulo Alves, Spyros Danellis, Esther de Lange, Lena Ek, Véronique Mathieu, Maria do Céu Patrão Neves

Juridische mededeling - Privacybeleid