VERSLAG over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
26.3.2010 - (SEC(2009)1089 – C7‑0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Commissie begrotingscontrole
Rapporteur: Bogusław Liberadzki
1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie
(SEC(2009)1089 – C7‑0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Het Europees Parlement,
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008[1],
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (SEC(2009)1089 – C7-0172/2009)[2],
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2007 (COM(2009)0526) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1427),
– gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2008" (COM(2009)0256),
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles (COM(2009)0419) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1102),
– gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2008 (SEC(2010)0178 en SEC(2010)0196),
– gezien het groenboek over het Europees transparantie-initiatief, dat door de Commissie is goedgekeurd op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),
– gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)[3],
– gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),
- gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het verslag over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het bij het verslag horende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)0259),
- gezien het verslag over de impact van het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2009)0043),
– gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de nationale verklaringen van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen[4],
- gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097) en het tussentijds verslag over de follow-up van dat actieplan (SEC(2009)1463),
- gezien het verslag van de Commissie over de voortgang van Bulgarije met betrekking tot het mechanisme voor samenwerking en toetsing (COM(2009)0402) en het bijbehorende document (SEC(2009)1074),
- gezien het verslag van de Commissie over de voortgang van Roemenië met betrekking tot het mechanisme voor samenwerking en toetsing (COM(2009)0401) en het bijbehorende document (SEC(2009)1073),
- gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van de instellingen[5], en de speciale verslagen van de Rekenkamer,
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag[6],
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008)0866) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)3054),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05826/2010 – C7-0054/2010),
– gelet op de artikelen 274, 275, en 276 van het EG-Verdrag, de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,
– gezien de internationale audit- en boekhoudnormen, met name deze die van toepassing zijn op de openbare sector,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[7], en met name de artikelen 145, 146 en 147,
– gelet op artikel 76 en bijlage VI van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0099/2010),
A. overwegende dat, overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Commissie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,
1. verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008;
2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).
2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2008
(SEC(2009)1089 – C7‑0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Het Europees Parlement,
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008[8],
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (SEC(2009)1089 – C7-0172/2009)[9],
– gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2008,
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2007 (COM(2009)0526) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1427),
– gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2008" (COM(2009)0256),
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles (COM(2009)0419) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1102),
- gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van het agentschap[10],
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag[11],
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008)0866) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)3054),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05828/2010 – C7-0055/2010),
– gelet op de artikelen 274, 275, en 276 van het EG-Verdrag, de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[12], en met name de artikelen 55, 145, 146 en 147,
– gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[13], en met name artikel 14, lid 3,
– gelet op Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[14], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,
– gelet op Besluit 2005/56/EG van de Commissie van 14 januari 2005 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van onderwijs, audiovisuele media en cultuur – overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad[15],
– gelet op artikel 76 en bijlage VI van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0099/2010),
A. overwegende dat, overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Commissie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,
1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2008;
2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).
3. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie voor het begrotingsjaar 2008
(SEC(2009)1089 – C7‑0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Het Europees Parlement,
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008[16],
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (SEC(2009)1089 – C7-0172/2009)[17],
– gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie voor het begrotingsjaar 2008,
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2007 (COM(2009)0526) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1427),
– gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2008" (COM(2009)0256),
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles (COM(2009)0419) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1102),
– gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie voor het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van het agentschap[18],
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag[19],
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008)0866) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)3054),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05828/2010 – C7-0055/2010),
– gelet op de artikelen 274, 275, en 276 van het EG-Verdrag, de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[20], en met name de artikelen 55, 145, 146 en 147,
– gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[21], en met name artikel 14, lid 3,
– gelet op Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[22], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,
– gelet op Besluit 2004/20/EG van de Commissie van 23 december 2003 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het "Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie", voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van energie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad[23],
– gelet op Besluit 2007/372/EG van de Commissie van 31 mei 2007 tot wijziging van Besluit nr. 2004/20/EG waarbij het Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie wordt omgevormd tot het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie[24],
– gelet op artikel 76 en bijlage VI van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0099/2010),
A. overwegende dat, overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Commissie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,
1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2008;
2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).
4. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten voor het begrotingsjaar 2008
(SEC(2009)1089 – C7‑0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Het Europees Parlement,
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008[25],
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (SEC(2009)1089 – C7-0172/2009)[26],
– gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten voor het begrotingsjaar 2008,
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2007 (COM(2009)0526) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1427),
– gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2008" (COM(2009)0256),
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles (COM(2009)0419) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1102),
– gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten voor het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van het agentschap[27],
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag[28],
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008)0866) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)3054),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05828/2010 – C7-0055/2010),
– gelet op de artikelen 274, 275, en 276 van het EG-Verdrag, de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[29], en met name de artikelen 55, 145, 146 en 147,
– gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[30], en met name artikel 14, lid 3,
– gelet op Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[31], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,
– gelet op Besluit 2004/858/EG van de Commissie van 15 december 2004 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het "Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma", voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad[32],
– gelet op Besluit 2008/544/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot wijziging van Besluit 2004/858/EG om het Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma om te vormen tot Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten[33],
– gelet op artikel 76 en bijlage VI van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0099/2010),
A. overwegende dat, overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Commissie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,
1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2008;
2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).
5. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk voor het begrotingsjaar 2008
(SEC(2009)1089 – C7‑0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Het Europees Parlement,
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008[34],
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (SEC(2009)1089 – C7-0172/2009)[35],
– gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk voor het begrotingsjaar 2008,
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2007 (COM(2009)0526) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1427),
– gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2008" (COM(2009)0256),
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles (COM(2009)0419) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1102),
– gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk voor het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van het agentschap[36],
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag[37],
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008)0866) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)3054),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05828/2010 – C7-0055/2010),
– gelet op de artikelen 274, 275, en 276 van het EG-Verdrag, de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[38], en met name de artikelen 55, 145, 146 en 147,
– gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[39], en met name artikel 14, lid 3,
– gelet op Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[40], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,
– gelet op Besluit 2007/60/EG van de Commissie van 26 oktober 2006 tot oprichting van het uitvoerend agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk krachtens Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad[41],
– gelet op artikel 76 en bijlage VI van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0099/2010),
A. overwegende dat, overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Commissie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,
1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2008;
2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).
6. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie
(SEC(2009)1089 – C7‑0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Het Europees Parlement,
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008[42],
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (SEC(2009)1089 – C7-0172/2009)[43],
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2007 (COM(2009)0526) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1427),
– gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2008" (COM(2009)0256),
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles (COM(2009)0419) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1102),
– gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2008 (SEC(2010)0178 en SEC(2010)0196),
– gezien het groenboek over het Europees transparantie-initiatief, dat door de Commissie is goedgekeurd op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),
– gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)[44],
– gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),
- gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het verslag over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het bij het verslag horende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)0259),
- gezien het verslag over de impact van het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2009)0043),
– gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de nationale verklaringen van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen[45],
- gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097) en het tussentijds verslag over de follow-up van dat actieplan (SEC(2009)1463),
- gezien het verslag van de Commissie over de voortgang van Bulgarije met betrekking tot het mechanisme voor samenwerking en toetsing (COM(2009)0402) en het bijbehorende document (SEC(2009)1074),
- gezien het verslag van de Commissie over de voortgang van Roemenië met betrekking tot het mechanisme voor samenwerking en toetsing (COM(2009)0401) en het bijbehorende document (SEC(2009)1073),
- gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van de instellingen[46], en de speciale verslagen van de Rekenkamer,
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag[47],
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008)0866) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)3054),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05826/2010 – C7-0054/2010),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05828/2010 – C7-0055/2010),
– gelet op de artikelen 274, 275, en 276 van het EG-Verdrag, de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,
– gezien de internationale audit- en boekhoudnormen, met name deze die van toepassing zijn op de openbare sector,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[48], en met name de artikelen 55, 145, 146 en 147,
– gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[49], en met name artikel 14, leden 2 en 3,
– gelet op artikel 76 en bijlage VI van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0099/2010),
A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verantwoordelijk is voor het opstellen van de rekeningen,
1. hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008;
2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).
7. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7 0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Het Europees Parlement,
– gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008[50],
– gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2008 – Deel I (SEC(2009)1089 – C7-0172/2009)[51],
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2007 (COM(2009)0526) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1427),
– gezien de mededeling van de Commissie "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2008" (COM(2009)0256),
– gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2008 uitgevoerde interne controles (COM(2009)0419) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2009)1102),
– gezien het verslag van de Commissie over de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2008 (SEC(2010)0178 en SEC(2010)0196),
– gezien het groenboek over het Europees transparantie-initiatief, dat door de Commissie is goedgekeurd op 3 mei 2006 (COM(2006)0194),
– gezien het advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)[52],
– gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005)0252),
- gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009), het verslag over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008)0110) en het bij het verslag horende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)0259),
- gezien het verslag over de impact van het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2009)0043),
– gezien het advies nr. 6/2007 van de Rekenkamer over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de nationale verklaringen van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen[53],
- gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097) en het tussentijds verslag over de follow-up van dat actieplan (SEC(2009)1463),
- gezien het verslag van de Commissie over de voortgang van Bulgarije met betrekking tot het mechanisme voor samenwerking en toetsing (COM(2009)0402) en het bijbehorende document (SEC(2009)1074),
- gezien het verslag van de Commissie over de voortgang van Roemenië met betrekking tot het mechanisme voor samenwerking en toetsing (COM(2009)0401) en het bijbehorende document (SEC(2009)1073),
- gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2008, tezamen met de antwoorden van de instellingen[54], en de speciale verslagen van de Rekenkamer,
– gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag[55],
– gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008)0866) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008)3054),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05826/2010 – C7-0054/2010),
– gezien de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2008 (05828/2010 – C7-0055/2010),
– gelet op de artikelen 274, 275, en 276 van het EG-Verdrag, de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,
– gezien de internationale audit- en boekhoudnormen, met name deze die van toepassing zijn op de openbare sector,
– gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[56], en met name de artikelen 55, 145, 146 en 147,
– gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[57], en met name artikel 14, leden 2 en 3,
– gelet op artikel 76 en bijlage VI van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A7-0099/2010),
A. overwegende dat artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Commissie de begroting uitvoert in samenwerking met de lidstaten, die met de Commissie samenwerken om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt,
B. overwegende dat artikel 287, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de Rekenkamer verplicht een betrouwbaarheidsverklaring bij het Parlement en de Raad in te dienen over de wettelijkheid en de regelmatigheid van de onderliggende transacties, toevoegend dat de verklaring mag worden aangevuld met specifieke beoordelingen voor elk belangrijk werkingsgebied van de Unie;
C. overwegende dat de uitvoering van belangrijk EU-beleid wordt gekenmerkt door het "gedeeld beheer" van de Gemeenschapsbegroting door de Commissie en de lidstaten, dat inhoudt dat 80% van de communautaire uitgaven door de lidstaten wordt beheerd,
D. overwegende dat de verbetering van het financiële beheer in de EU moet worden ondersteund door een nauw toezicht op de voortgang bij de Commissie en in de lidstaten, en dat de lidstaten verantwoordelijkheid voor het beheer van EU-middelen op zich moeten nemen en voor de totstandbrenging van een geïntegreerd internecontrolekader van de EU moeten zorgen teneinde een positieve betrouwbaarheidsverklaring te verkrijgen,
E. overwegende dat het Parlement er in zijn vijf vorige kwijtingsresoluties op heeft gewezen dat het dringend noodzakelijk is op het passende politieke niveau nationale verklaringen in te voeren over alle communautaire middelen in gedeeld beheer, opdat elke lidstaat de verantwoordelijkheid voor het beheer van de ontvangen EU-middelen op zich neemt,
F. overwegende dat de uitvoering van punt 44 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer[58] (IIA) en artikel 53 ter, lid 3, van het Financieel Reglement betreffende jaarlijkse overzichten van de beschikbare controles en verklaringen in aanzienlijke mate moet bijdragen tot een beter beheer van de EU-begroting,
G. overwegende dat de Rekenkamer in bovengenoemd advies nr. 6/2007 eveneens benadrukt dat de nationale verklaringen als een nieuw element van interne controle op de EU-middelen kunnen worden beschouwd en een betere controle van de EU-middelen op terreinen van gedeeld beheer kunnen stimuleren,
H. overwegende dat de werkzaamheden van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement in het algemeen en de kwijtingsprocedure in het bijzonder deel uitmaken van een proces waarmee wordt beoogd dat de Commissie als geheel, de individuele commissarissen, alsmede alle andere betrokken actoren, waarvan de lidstaten de belangrijkste zijn, volledige verantwoording afleggen voor het financiële beheer in de EU, overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en dat zo een solidere basis voor de besluitvorming wordt gelegd,
I. overwegende dat de Commissie begrotingscontrole van het Parlement tijdens de volgende begrotingsprocedure naar behoren rekening moet houden met de resultaten en aanbevelingen van de kwijting 2008,
J. overwegende dat de aanbeveling van de Raad over de kwijting, om een constructief doel te dienen, gericht moet zijn op sterkere hervormingsinspanningen en een grotere verantwoordelijkheid van de lidstaten om de door de Rekenkamer aangewezen problemen te verhelpen en voor een beter financieel beheer in de EU te zorgen,
K. overwegende dat het huidige kwijtingsschema veel te lang is gezien de behoefte om de corrigerende maatregelen en de hervormingen waartoe het Parlement in zijn hoedanigheid van toezichthouder heeft verzocht, zo snel mogelijk te introduceren; overwegende dat de jaarrekeningen voor het einde van het eerste kwartaal van het jaar volgend op het financiële jaar dat onder revisie is, opgesteld moeten zijn, zodat de Rekenkamer haar verslag voor het einde van het tweede kwartaal van het jaar volgend op het jaar dat onder revisie is, kan afleveren;
L. overwegende dat artikel 83 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) Nr. 259/68 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de EG en van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen[59] bepaalt dat de pensioenen op de begroting in rekening worden gebracht en dat de lidstaten gezamenlijk de betaling van deze voordelen waarborgen overeenkomstig de schaal bepaald voor de financiering van deze uitgaven; overwegende dat personeelsleden een gedeelte van hun salarissen terugbetalen aan de algemene begroting om bij te dragen tot de financiering van het pensioenplan,
M. overwegende dat artikel 83 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) Nr. 259/68 een gezamenlijke waarborg door de lidstaten invoert, wat betekent dat de waarborg van toepassing is in geval van verzuim van een of meerdere lidstaten, en het mogelijk maakt ervan uit te gaan dat de Unie aanspraak heeft op de lidstaten die deze verbintenis hebben ondertekend,
HORIZONTALE KWESTIES
Belangrijkste bezorgdheden en te verwezenlijken doelstellingen
1. blijft bij het begin van de ambtsperiode van de nieuwe Commissie bezorgd over de opgestapelde problemen die voortvloeien uit de vorige Commissie, met name:
– voortdurende hoge foutenpercentages voor betalingen,
– trage terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, en
– ongekend hoge overdrachten;
2. verwelkomt de eerste tekenen van een collegiale aanpak van de nieuwe Commissie, zoals blijkt uit de betrokkenheid van commissarissen László Andor, Johannes Hahn en Algirdas Šemeta in besprekingen met de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, en verwacht een duidelijke belofte van commissarissen Janusz Lewandowski en Algirdas Šemeta om actie te ondernemen op het vlak van betrouwbaarheidsverklaringen van lidstaten, voorstellen voor een aanvaardbaar foutenrisico, vereenvoudiging en transparantie, en trustfondsen ter dekking van externe maatregelen, en is er verder van overtuigd dat dit verdere actie op het vlak van terugvorderingen en interne controlesystemen moet dekken;
3. is van mening dat fouten in uitgaven een doeltreffende verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-beleid hinderen en herhaalt dat beleidsgroepen met een foutenpercentage onder 2% slechts 47% van de EU-begroting vertegenwoordigen, wat een stijging is van amper 9% van 2005 tot 2008; is van oordeel dat dit nog altijd een ontoereikend niveau van jaarlijkse verbetering is en wijst erop dat er ondanks enkele punten van verbetering een foutenpercentage van 5% blijft bestaan in beleidsgroepen die 31% van de begroting vertegenwoordigen, en tussen 2% en 5% in beleidsgroepen die nog eens 22% van de begroting vertegenwoordigen;
4. verzoekt de Commissie om een nieuw actieplan vanaf 2010 voor te bereiden en aan het Parlement voor te leggen met daarin een versnelde vermindering van het foutenpercentage, zodat de Rekenkamer tegen 2014 aan nog eens 20% van de begroting een "groene" classificatie kan geven, met in tussentijd door de Rekenkamer gevraagde veranderingen in de vorm van een nieuwe methodologie om specifieke foutenpercentages te tonen in het begrotingshoofdstuk betreffende cohesie en een differentiatie van de betalingen in het kader van de wetgeving 2000-2006 en 2007-2013; is van oordeel dat de verwezenlijking van deze doelstellingen essentieel is om in de toekomst de volledige waarde voor de uitgaven van de EU te verkrijgen en naar een positieve betrouwbaarheidsverklaring te evolueren;
5. verzoekt de voorzitter van de Commissie om het Parlement te informeren over hoe de Commissie op een meer gecoördineerde manier zal werken om de blijvende tekortkomingen in de financiële systemen aan te pakken en de foutenpercentages aanzienlijk te verlagen, zoals hierboven vermeld;
Betrouwbaarheid van de rekeningen en wettigheid van de onderliggende verrichtingen
6. stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer een positief advies over de betrouwbaarheid van de definitieve jaarrekening uitbrengt en dat de Rekenkamer verklaart dat de jaarrekening op alle materiële paragrafen een getrouw beeld geeft van de financiële situatie van de Gemeenschappen en het resultaat van hun activiteiten en kasstromen per 31 december 2008;
7. vindt het abnormaal dat de jaarrekening met een negatief eigen kapitaal van 51 400 000 000 EUR moet worden voorgesteld en vraagt zich af of de bij de lidstaten op te vragen bedragen niet als activa moeten worden getoond, aangezien het hier om een zekere toezegging in verband met de pensioenen voor personeel gaat en het op 37 000 000 000 wordt geraamd; vermeldt de verklaring van de accountant van de Commissie dat de internationale boekhoudnormen voor de openbare sector naar behoren werden toegepast; stelt voor om de oprichting van een communautair pensioenfonds in overweging te nemen om dit soort financiële verplichtingen ten aanzien van het personeel te externaliseren;
8. spreekt niettemin zijn bezorgdheid uit over de opmerkingen van de Rekenkamer over tekortkomingen in het boekhoudsysteem voor facturen/kostendeclaraties en voorfinanciering bij een aantal organen en directoraten-generaal van de Commissie, die een risico vormen voor de kwaliteit van de financiële informatie;
9. is verheugd dat de Rekenkamer een goedkeurende verklaring heeft gegeven over de ontvangsten, de vastleggingen voor alle beleidsgroepen en de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen voor de beleidsgroepen Onderwijs en burgerschap en Administratieve en andere uitgaven, die op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;
10. verzoekt de Rekenkamer om bij de volgende kwijting de verklaring voor te leggen waarin niet alleen de betrouwbaarheid van de rekeningen, maar ook de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de EU;
11. is verheugd over de inspanningen van de Commissie om betere controle- en beheersystemen te bevorderen en toe te passen, die hebben geleid tot een verbetering ten opzichte van vorige jaren, met name een daling van het aantal fouten dat de Rekenkamer heeft vastgesteld in de onderliggende verrichtingen op een aantal uitgavengebieden (de beleidsgebieden Landbouw en natuurlijke hulpbronnen, Onderzoek, energie en vervoer en Onderwijs en burgerschap;
12. betreurt dat er in de betrouwbaarheidsverklaring nog steeds voorbehoud wordt gemaakt bij uiterst belangrijke uitgavengebieden in de communautaire begroting voor het begrotingsjaar 2008 (Plattelandsontwikkeling, Structurele acties, Onderzoek, energie en vervoer, Externe maatregelen op het niveau van de uitvoerende organisaties en Uitbreiding), waar de betalingen nog steeds op grote schaal materiële fouten vertonen;
13. erkent dat de Commissie in haar communicatie over de impact van het actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het gedeelde beheer van structurele acties, aangeeft dat de erin uiteengezette stappen werden voltooid; merkt op dat de voorlopige resultaten een foutenpercentage in de uitgaven van ongeveer 5% vertonen voor de periode 2007-2013; wacht echter op de ruimere voordelen voor het cohesiebeleid, dat nog steeds zeer grote problemen vertoont, ondanks de vooruitgang die de Commissie heeft gemaakt in de richting van een efficiënter gebruik van de EU-middelen en de algemene controleomgeving;
14. is, wat Onderzoek, energie en vervoer en Externe steun, ontwikkeling en uitbreiding betreft, evenzeer van mening dat het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader nu al resultaten zou moeten opleveren en dat de Commissie in staat zou moeten zijn om het effect van dit actieplan aan te tonen aan de hand van een reeks indicatoren en descriptoren;
15. neemt echter nota van de opmerking van de Rekenkamer dat het nog niet mogelijk is om te bepalen of het actieplan een meetbare impact op de toezicht- en controlesystemen en uiteindelijk ook op de regelmatigheid van de verrichtingen heeft gehad (paragraaf 2.28 van het jaarverslag 2008), en dringt er bij de Commissie op aan om gepaste maatregelen te treffen zodat er tegen de kwijting van 2009 indicatoren zijn om de impact van het actieplan te meten;
16. verzoekt de Commissie om voorstellen te doen om de desbetreffende periodes in het kwijtingsproces in te korten, zodat de stemming in de plenaire vergadering kan worden gehouden in het jaar na het desbetreffende boekjaar;
Informatie en kader van de betrouwbaarheidsverklaring
17. is tevreden over het werk dat de Rekenkamer heeft verricht om de aanpak van de betrouwbaarheidsverklaring verder te verduidelijken met betrekking tot factoren die bijdragen tot efficiëntere en effectievere controlesystemen van jaar tot jaar in elke sector, alsook over de kwaliteit van specifieke delen van het jaarverslag van de Rekenkamer, zoals het deel over structurele acties, en verzoekt de Rekenkamer het Parlement regelmatig te blijven informeren;
18. is van mening dat de beoordeling door de Rekenkamer van de wijze waarop de Commissie de EU-middelen beheert, die sinds het Verdrag van Maastricht jaarlijks wordt verricht, een nuttig middel is gebleken om het beheer van deze middelen te verbeteren, en erkent dat de Commissie grote inspanningen heeft geleverd om het beheer te verbeteren; verzoekt de lidstaten echter om meer inspanningen te leveren om de middelen beter aan te wenden;
19. wijst op de vooruitgang die sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice is geboekt, in zoverre de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, kan worden aangevuld door de specifieke beoordelingen voor ieder belangrijk werkterrein van de Unie (nu artikel 287, lid 1, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie);
20. is echter ook van mening dat één algemene jaarlijkse beoordeling geen getrouw beeld geeft van de complexe structuur van de financiën van de EU, en is voorts van mening dat het feit dat er na vijftien jaar nog steeds een negatieve jaarlijkse beoordeling wordt gegeven, negatieve reacties kan uitlokken bij de burgers, die niet begrijpen waarom de Rekenkamer steeds een negatief advies geeft;
Herziening van de Verdragen: hervorming van de betrouwbaarheidsverklaring
21. merkt op dat het Parlement overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het EU-Verdrag, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, een grote rol heeft gekregen in de procedure voor de herziening van de Verdragen, en nu het initiatiefrecht heeft om de Raad voorstellen tot herziening van de Verdragen, en dus van de betrouwbaarheidsverklaring, voor te leggen;
22. roept op om te overwegen of het haalbaar is om in de toekomst afzonderlijke betrouwbaarheidsverklaringen te laten opstellen per sector/beleidsgebied en per meerjarenprogramma, teneinde de werkwijze van de Rekenkamer beter af te stemmen op de meerjarenaanpak en aanpak per sector van de financiën van de Commissie;
23. merkt op dat de Commissie herhaaldelijk heeft beweerd dat de ‘meerjarige aard’ van de betreffende uitgaven inhoudt dat de meeste fouten vóór de afsluiting van de relevante programma’s kunnen worden opgespoord en verbeterd; merkt voorts op dat de Rekenkamer van mening is dat er op dit ogenblik onvoldoende informatie beschikbaar is om die bewering te staven;
Begrotingsbeheer
24. maakt zich zorgen over het feit dat de niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen (niet-gebruikte vastleggingen die zijn overgedragen om in volgende jaren te worden gebruikt), vooral voor meerjarenprogramma's, in 2008 met 16,4 miljard EUR (11,8%) zijn gestegen tot 155,0 miljard EUR (punt 3.9 van het jaarverslag 2008), maar erkent dat dit in bepaalde gevallen te wijten is aan vertragingen tijdens de startfase van de nieuwe projecten en in andere gevallen aan een slechte begrotingsplanning; maakt zich zorgen over het feit dat niet-gebruikte middelen elk jaar gemiste kansen zijn voor de tenuitvoerlegging van het beleid en de projecten van de EU;
25. neemt er echter nota van dat de Rekenkamer, hoewel de niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen voor gesplitste kredieten zeer hoog blijven en de totale vastleggingskredieten voor 2008 overschrijden, opmerkt dat de meeste niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen nu van 2007 en 2008 dateren en daarom betrekking hebben op het huidige financiële kader;
26. is verheugd dat de automatische vrijmaking tijdens de huidige financieringsperiode problemen zou moeten voorkomen, maar is nog steeds bezorgd over het feit dat het merendeel van de niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen ("RAL") betrekking heeft op het cohesiebeleid en samenhangt met het ontbreken van een vrijmakingsprocedure voor de periode 2000-2006;
27. verzoekt de lidstaten de resterende documenten betreffende de conformiteitsbeoordeling van de beheers- en controlesystemen zo spoedig mogelijk in te dienen en erop toe te zien dat deze van voldoende kwaliteit zijn, om verdere vertragingen met de tussentijdse betalingen en een verdere toename van het aantal niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen te voorkomen;
28. verzoekt de Commissie om het Parlement een overzicht ter beschikking te stellen van de verleende begrotingssteun, per land en per fonds, voor de jaren 2005 tot en met 2009;
Terugvorderingen
29. stelt enige vooruitgang met betrekking tot de terugvorderingen vast, maar blijft bezorgd over het feit dat er nog steeds problemen zijn met ten onrechte betaalde communautaire middelen en de slechte kwaliteit van de verstrekte gegevens over de op nationaal niveau toegepaste correctiemechanismen; vestigt er de aandacht op dat dringend moet worden gestreefd naar een terugvorderingspercentage van 100% voor middelen die verkeerd zijn uitgekeerd;
30. is tevreden met de gegevens die de Commissie heeft verstrekt over de financiële correcties per lidstaat tot september 2009, maar is bezorgd over het feit dat deze gecumuleerde gegevens niet bruikbaar zijn in een jaarverslag zoals dat van de Rekenkamer, zodat er geen volledige beoordeling van de prestaties in het ene jaar in kwestie, 2008, kan worden verricht;
31. verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en doelmatigheid van de meerjarige terugvorderingssystemen te verbeteren, ook op het niveau van de lidstaten, en de gegevens over terugvorderingen en financiële correcties te consolideren, teneinde betrouwbare en vergelijkbare cijfers te verstrekken over de verschillende beleidsgebieden en beheerswijzen van de middelen; verzoekt de Commissie hierover aan het Parlement in de nota's over de jaarrekening verslag uit te brengen teneinde een globaal beeld te krijgen;
32. verzoekt de Commissie volledige en betrouwbare cijfers over financiële correcties en, in het bijzonder, over terugvorderingen te presenteren, waarbij zij moet specificeren op welke lidstaat, welke begrotingslijn en welk jaar de verschillende terugvorderingen precies betrekking hebben (zoals reeds werd aangegeven in het kwijtingsverslag voor 2006 ), aangezien andere presentaties een ernstige controle onmogelijk maken;
33. verzoekt de Commissie nogmaals voor elk Europees fonds een rangschikking van de lidstaten te maken, met vermelding van het vastgestelde foutenpercentage – zowel met als zonder de impact van correctiemechanismen – en deze op actieve, transparante en vlot toegankelijke wijze aan het Parlement toe te zenden;
34. verzoekt de Rekenkamer opmerkingen over deze lijst te maken op basis van haar eigen bevindingen;
Opschorting van betalingen
35. wijst op het belang van besluiten en definitieve corrigerende maatregelen om uitgaven die niet volgens de EU-regelgeving zijn verricht van EU-financiering uit te sluiten, en herhaalt zijn verzoek om de exacte begrotingslijn en het begrotingsjaar te vermelden waarop individuele terugvorderingen betrekking hebben;
36. steunt de Commissie volledig bij de strikte toepassing van de wetgeving betreffende opschorting van betalingen en is verheugd over de reeds gestarte maatregelen om middelen niet over te maken als de Commissie niet over een absolute garantie beschikt over de betrouwbaarheid van de beheer- en controlesystemen van de lidstaat die de kredieten ontvangt;
37. vestigt de aandacht op het voorbeeld van Griekenland, waar belangrijke financiële correcties die bij besluit van de Commissie zijn verricht, blijkbaar tot betere prestaties hebben geleid op bepaalde gebieden; verzoekt de Commissie deze gebieden te identificeren en herinnert er ook aan dat, wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS), geen bewijs is geleverd dat het actieplan dat werd opgezet en uitgevoerd door de Griekse autoriteiten doeltreffend was (jaarverslag 2008, punt 2.5);
38. is van mening dat, in geval van herhaaldelijk voorbehoud ten aanzien van uitgavenprogramma's in een bepaalde lidstaat, de opschorting van de betalingen als pressiemiddel zal bijdragen tot een grotere betrokkenheid van de lidstaten bij de correcte gebruik van de EU-middelen die zij ontvangen;
39. verzoekt de Commissie de regels te vereenvoudigen, de bestaande wetgeving betreffende opschorting van betalingen waar nodig toe te passen en het Parlement, de Raad en de Rekenkamer tijdig in kennis te stellen van deze opschortingen van betalingen en de resultaten ervan;
Jaarlijkse overzichten
40. is van oordeel dat de jaarlijkse overzichten van de beschikbare controles en verklaringen die de lidstaten moeten verstrekken overeenkomstig het IIA en artikel 53 ter, lid 3, van het Financieel Reglement een eerste stap moeten vormen op weg naar de invoering van nationale beheersverklaringen in alle lidstaten;
41. is ingenomen met de verklaring van de Interparlementaire Conferentie over 'Het verbeteren van de nationale verantwoordingsplicht voor EU-middelen', die plaatsvond in Den Haag op 28-29 januari 2010, waarin wordt aanbevolen dat nationale beleidsinstrumenten worden uitgevoerd of versterkt om bij te dragen tot de verbetering van de controle en het beheer van de uitgaven van de Unie in lidstaten, en dat instrumenten gebruikt voor het beheer en de verantwoording van EU-middelen, zoals de jaarverslagen, elementen bevatten van een gemeenschappelijk EU-kader om vergelijkingen te maken en beste praktijken te omschrijven, en een belangrijke stap in de richting van nationale beheersverklaringen wordt gezet;
42. benadrukt dat de rol van de jaarlijkse overzichten in de komende herziening van het Financieel Reglement moet worden versterkt en dat de kwaliteit, homogeniteit en vergelijkbaarheid van de door de lidstaten verstrekte gegevens moet worden verbeterd met het oog op de meerwaarde voor de controle op de EU-middelen;
43. is verheugd over de informatie die de Commissie het Parlement heeft verstrekt over de jaarlijkse overzichten die zij in 2009 heeft ontvangen, en verzoekt de Commissie alle jaarlijkse overzichten van alle lidstaten openbaar te maken om de transparantie en openbare verantwoording te verbeteren; verzoekt de Commissie op basis van de ontvangen jaarlijkse overzichten een analyse te maken van de sterke en zwakke punten van het nationale controlesysteem van elke lidstaat wat het beheer en de controle van EU-middelen betreft;
44. acht het van kapitaal belang dat de Commissie verslag uitbrengt over de kwaliteit van de jaarlijkse overzichten en dat zij het proces meerwaarde geeft door gemeenschappelijke problemen, mogelijke oplossingen en best practices vast te stellen en deze informatie te gebruiken in haar toezichthoudende rol;
45. is van mening dat vóór eind 2010 een vergelijkende analyse moet worden toegezonden aan het Parlement, de Raad en de Rekenkamer en dat deze vergelijkende analyse kort daarna openbaar moet worden gemaakt;
46. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de algemene leidraad voor de jaarlijkse overzichten alle lidstaten een uniforme methode en analyse oplegt; neemt nota van het voornemen van de Commissie om haar leidraad op dergelijke wijze te herzien dat de rapportagevoorschriften eenvoudiger worden en dat er meer richtsnoeren voor good practice worden verstrekt; verzoekt de Commissie deze gelegenheid aan te grijpen om in de leidraad een kader voor nationale beheersverklaringen op te nemen ten behoeve van de lidstaten die besluiten dergelijke beheersverklaringen in te voeren, en de op stimulansen gebaseerde aanpak ervan te ontwikkelen;
Nationale beheersverklaringen
47. is tevreden met de vrijwillige initiatieven van Denemarken, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk om nationale beheersverklaringen op te stellen; stelt evenwel grote verschillen tussen de vier nationale initiatieven vast; is zeer ingenomen met de brieven van de Nederlandse en de Zweedse regering waarin de Commissie wordt verzocht aanwijzingen te geven met betrekking tot de definitie van sleutelaspecten van de nationale beheersverklaringen, die ook een waardevolle bron van informatie kunnen zijn voor andere lidstaten; betreurt het feit dat de meeste andere lidstaten ondanks deze initiatieven nog geen nationale beheersverklaringen hebben ingevoerd;
48. herhaalt zijn verzoek om de invoering van nationale beheersverklaringen (paragraaf 32 van zijn resolutie van 23 april 2009[60] bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2007);
49. vestigt de aandacht op de eerste alinea van artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 274 van het EG-verdrag), waarin nu wordt bepaald dat de Commissie 'de begroting zal uitvoeren in samenwerking met de lidstaten', en blijft ervan overtuigd dat er vooruitgang zal worden geboekt als er nationale beheersverklaringen worden verkregen over alle EU-middelen in gedeeld beheer, zoals het Parlement in zijn vijf vorige jaarlijkse kwijtingsresoluties heeft gevraagd;
50. vestigt de aandacht op de tweede alinea van artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin de lidstaten bepaalde nog niet gedefinieerde controle- en auditverplichtingen en daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden worden opgelegd; verzoekt de Commissie om de nieuwe bewoordingen van artikel 317 te gebruiken om zo snel mogelijk verplichte nationale beheersverklaringen in te voeren; verwijst ook naar artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de Commissie nieuwe instrumenten ter beschikking stelt om voor een eenvormige uitvoering van juridisch bindende handelingen van de Unie te zorgen;
51. verzoekt de Commissie in het kader van de herziening van het Financieel Reglement voor te stellen dat de lidstaten nationale beheersverklaringen moeten indienen die op een passend politiek niveau worden ondertekend en door de hoogste nationale controle-instantie worden gecertificeerd, met het oog op minder administratieve belasting en een beter beheer van de middelen in gedeeld beheer;
52. verzoekt, overeenkomstig artikel 287, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over de controle op het gedeeld beheer, dat de samenwerking tussen de nationale controle-instanties en de Rekenkamer wordt opgevoerd;
53. stelt voor dat de nationale controle-instanties, in hun hoedanigheid van onafhankelijke externe controleurs en met inachtneming van de internationale auditnormen, nationale controleattesten betreffende het beheer van de EU-middelen afleveren, die de basis zullen vormen voor de nationale beheersverklaringen; vraagt de Commissie de mogelijkheid te bestuderen het tijdschema voor kwijting te wijzigen of aan te passen om tijdige controles van deze nationale beheersverklaringen door de (nationale) externe controleurs mogelijk te maken;
54. is zeer bezorgd door de bewezen manipulatie van de financiële statistieken en de belastingontduiking in Griekenland; merkt op dat corruptie in de overheidssector algemeen goed is in de hele administratie, inclusief bij overheidsopdrachten, zoals de Griekse premier heeft erkend; vestigt de aandacht op het aanzienlijke effect dat dit qua kosten heeft op de begroting van Griekenland; vraagt de Commissie met voorrang de omstandigheden te onderzoeken waarin haar gedurende een dergelijke lange periode foutieve macro-economische gegevens zijn verstrekt;
Internecontrolesysteem van de Commissie
Actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader
55. merkt de vooruitgang op die met de uitwerking van het actieplan over de gehele lijn is geboekt en het feit dat het merendeel van de acties is uitgevoerd en de meeste leemten die in het actieplan werden genoemd, zijn ingevuld;
56. blijft ondanks de geleidelijke verbetering van de betrouwbaarheidsverklaring sinds 2003 (voor 2008 krijgt 56% van de uitgaven van de Rekenkamer positieve accountantsverklaringen, voor 2003 was dat maar 6%) bezorgd door de beoordeling van de Rekenkamer dat het nog niet mogelijk is om te bepalen of het actieplan een meetbare impact had op de toezicht- en controlesystemen en dat de Commissie niet kan aantonen dat haar acties ter verbetering van de toezicht- en controlesystemen doeltreffend waren met het beperken van het foutenrisico op sommige begrotingsterreinen (punten 2.28 en 2.33 van het jaarverslag 2008);
57. verzoekt de Commissie voort te gaan met het regelmatig overleggen van een beoordeling van het geïntegreerde internecontrolesysteem en vraagt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen en het syntheseverslag nog beter en explicieter ingaan op de systemen en het functioneren van de diensten van de Commissie en van de lidstaten op het gebied van gedeeld beheer, zoals reeds gebeurt door het DG Regionaal Beleid van de Commissie in haar jaarlijks verslag van de werkzaamheden;
Analyse van het huidige evenwicht tussen de operationele uitgaven en de kosten van het controlesysteem van de EU-middelen
58. vestigt in deze context de aandacht op het belang van actie 10 van bovengenoemd actieplan, die tot doel heeft "Een eerste raming en analyse van de kosten van controles [te] maken" omdat "een goed evenwicht tussen de kosten en de baten van controles moet worden gevonden";
59. verzoekt de Commissie in 2010 een meer volledige en alomvattende beoordeling te maken van de kosten van de middelen die worden ingezet voor de controlesystemen op het gebied van onderzoek, energie, transport, plattelandsontwikkeling, externe hulp en administratieve uitgaven, overeenkomstig het verzoek van het Parlement in zijn eerdere resoluties bij kwijtingsbesluiten;
60. is van mening dat dit een cruciaal instrument zal zijn om te beoordelen welke verbeteringen in de toekomst kunnen worden gerealiseerd en tegen welke prijs, overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer in diens jaarverslag 2008 (punt 2.35, onder a)), en om vooruitgang te boeken met betrekking tot de kwestie van het aanvaardbare foutenrisico;
Aanvaardbaar foutenrisico
61. neemt nota van de bovengenoemde mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico als degelijke methodologische basis voor een economische analyse van het aanvaardbare risico; herhaalt zijn twijfels met betrekking tot de door de lidstaten verstrekte cijfers over controlekosten en verzoekt de Commissie de in de mededeling gebruikte cijfers bij te werken en te vervolledigen; verzoekt de Commissie alle door de Rekenkamer genoemde zwakheden en tekortkomingen te verhelpen, en benadrukt het volgende:
– de definitie van een mogelijk aanvaardbaar foutenrisico is slechts een van meerdere te verkennen elementen met het oog op het verbeteren van het financieel beheer in de Europese Unie; andere elementen zijn (1) een beter gebruik van bestaande controlesystemen, (2) een verhoging van doorgaans zeer lage controlekosten, (3) vereenvoudiging en (4) concentratie,
– de kwaliteit van de van de lidstaten verkregen informatie volstaat op dit ogenblik niet als basis voor het bepalen en goedkeuren van een aanvaardbaar foutenrisico,
– de positie van de Raad in deze kwestie is niet bekend;
62. verzoekt de Commissie om een gedetailleerde analyse van de door de Rekenkamer genoemde tekortkomingen en zwakheden[61], met name wat betreft de kwaliteit van de van de lidstaten verkregen gegevens;
63. wijst op actie 4 van het bovengenoemde actieplan, waarin in overeenstemming met de aanbevelingen van het Parlement het volgende wordt voorgesteld: "Aangaan van een interinstitutionele dialoog over aanvaardbare risico's in de onderliggende verrichtingen"; constateert echter dat deze actie nog nauwelijks in gang is gezet;
64. is daarom van mening dat de Commissie, met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en kostenefficiëntie (value for money) die ten grondslag liggen aan de controlesystemen, de relatie moet evalueren tussen, enerzijds de middelen waarover zij beschikt voor elk beleidsvorm apart, en anderzijds het aandeel van deze middelen dat zij besteedt aan de controlesystemen per uitgave;
65. vraagt de Commissie de gebieden te identificeren die politiek erg delicaat zijn (waar de reputatie van de Unie ernstig gevaar loopt) waar een kwaliteitsaanpak van de foutenpercentages moet worden gevolgd (en geen economische);
66. is van oordeel dat de Europese middelen die als gevolg van fouten gevaar lopen, eveneens in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van een aanvaardbaar foutenrisico;
67. is ook van mening dat de kosten/batenverhouding tussen de middelen die zijn besteed aan controleactiviteiten en het resultaat dat met behulp van deze controles wordt verkregen, een fundamenteel element moet zijn op grond waarvan de Rekenkamer haar betrouwbaarheidsverklaring afgeeft;
68. betreurt dat de Commissie zich meer inspant om het Parlement ervan te overtuigen dat een "aanvaardbaar foutenrisico" moet worden ingevoerd dan om lidstaten te overtuigen van de nood aan verplichte nationale beheersverklaringen;
Vereenvoudiging
69. benadrukt dat controlesystemen de complexiteit van voorschriften en regelgeving op de verschillende, soms overlappende niveaus weerspiegelen; dringt er daarom bij de Commissie op aan de vereenvoudiging te versnellen en het Parlement hier volledig bij te betrekken en verzoekt de lidstaten en de regio's hiervoor overeenkomstige inspanningen te leveren;
Interinstitutioneel debat over het bestaande systeem voor de kwijtingsprocedure
70. verzoekt de Commissie een interinstitutionele discussie te organiseren met in de eerste fase deelname van vertegenwoordigers op het hoogste niveau van de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en het Parlement, en in de tweede fase met deelname van vertegenwoordigers van de lidstaten, van nationale parlementen en de hoogste controle-instanties, met het oog op het voeren van een algemeen debat over het bestaande systeem voor de kwijtingsprocedure;
71. stelt voor om de Commissie tijdens de komende begrotingsprocedure de financiële middelen te verlenen die nodig zijn om dit debat te organiseren;
Politieke aansprakelijkheid en administratieve aansprakelijkheid bij de Commissie
Jaarlijkse activiteitenverslagen
72. betreurt het feit dat de Rekenkamer in het jaarverslag 2008 eens te meer het feit benadrukt dat sommige jaarlijkse activiteitenverslagen nog steeds niet voldoende feitelijke gegevens bevatten om zijn betrouwbaarheidsverklaring te verantwoorden; nodigt de Rekenkamer uit een gedetailleerde analyse van de overeenkomstige jaarverslagen van de werkzaamheden op te nemen in de verschillende hoofdstukken van het jaarverslag;
73. spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Rekenkamer nog steeds tekortkomingen vaststelt in de beoordeling van de werking van de toezicht- en controlesystemen, en van de impact van de desbetreffende punten van voorbehoud in de verklaringen van de directeuren-generaal van de Commissie, met name ten aanzien van de impact van deze beoordelingen op de zekerheid met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, en herinnert de lidstaten en de Commissie aan hun respectieve verantwoordelijkheden op dit gebied;
Transparantie en ethiek
74. dringt erop aan dat het publiek toegang krijgt tot informatie over alle leden van deskundigen- en werkgroepen die met de Commissie werken, alsmede op bekendmaking van de begunstigden van EU-financiering;
75. benadrukt de verantwoordelijkheid van de Commissie om ervoor te zorgen dat de gegevens die over de begunstigden van EU-financiering worden verstrekt, volledig, doorzoekbaar en vergelijkbaar zijn, met inbegrip van details over de begunstigden en hun projecten;
76. is tevreden met het feit dat de informatie over de begunstigden van EU-financiering op grotere schaal zal worden gepubliceerd en wel op een gemakkelijk toegankelijke en gebruiksvriendelijke website en vraagt standaardisering van de structuur en presentatie van de nationale, regionale en internationale sites die via een centrale portaalsite toegankelijk zijn;
77. benadrukt eens te meer het feit dat de gedragscode voor de leden van de Commissie moet worden herzien om bijvoorbeeld de volgende tekortkomingen te remediëren: a) het ontbreken van een definitie van de term "belangenconflict", b) het feit dat geen handelswijze is voorgeschreven, als zich een belangenconflict voordoet, c) een gebrek aan duidelijkheid met betrekking tot het aanvaarden van geschenken en gastvrijheid en d) het ontbreken van een instantie met als taak klachten te onderzoeken en de voorzitter de (mogelijke) taak uit handen te nemen zijn eigen optreden te beoordelen;
78. verwacht dat de Commissie begint met het proces van de raadpleging van het Parlement over de herziening van de bestaande gedragscode voor de leden van de Commissie overeenkomstig de gemeenschappelijke visie waartoe voorzitter José Manuel Barroso en de werkgroep van het Parlement voor de herziening van de kaderovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie op 27 januari 2010 zijn gekomen en de herziene versie van haar gedragscode voor de leden van de Commissie uiterlijk in augustus 2010 goed te keuren, en merkt daarbij op dat deze herziening had moeten plaatsvinden voor de benoeming van de nieuwe Commissie;
79. herinnert eraan dat volledige transparantie en openbaarheid met betrekking tot personeel dat werkt in commissarissenkabinetten en dat niet volgens het Statuut is aangeworven, belangrijk is;
80. herinnert er ook aan dat de bindende gedragscode voor de leden van de Commissie de nodige ethische regels moet omvatten en de belangrijkste richtsnoeren die de commissarissen bij de uitoefening van hun functie moeten naleven, in het bijzonder bij de aanstelling van collega's, met name in hun kabinet;
Goed bestuur en bestuursrechtelijke hervormingen
81. merkt de geringe inkrimping op (van 31,8% in 2007 naar 30,9% in 2009) van het personeel dat werkt op het terrein van "administratieve ondersteuning en coördinatie", dat maar een deel van de totale vaste uitgaven vertegenwoordigt; herhaalt zijn eerdere vragen dat maatregelen worden genomen om op dit terrein te komen tot een percentage van 20% (paragraaf 217 van zijn bovengenoemde resolutie van 23 april 2009);
82. dringt er bij de Commissie op aan om samen met de voorbereidende documenten voor de begroting 2011 (voorheen werkdocumenten in verband met het voorontwerp van begroting) een personeelsformatie in te dienen waarin voorzien is in een inkrimping met 3% op dit gebied als eerste stap in de richting van het cijfer van 20% aan het einde van de ambtstermijn van de Commissie Barroso II;
83. verzoekt de Commissie, in de voorbereidingstijd van de herziening van het Statuut van de ambtenaren en de arbeidsvoorwaarden van andere personeelsleden, alternatieve methoden te vinden en in te dienen voor de aanpassing van het loon van ambtenaren en andere bedienden op een juiste wettelijke en statistische basis; is van mening dat dit moet leiden tot een bredere berekeningsbasis voor de jaarlijkse aanpassing en een snellere aanpassing van de lonen en op die manier de algemene economische ontwikkeling van de lidstaten beter weerspiegelen;
84. verzoekt de commissie om de waarde na te gaan van het plaatsen van kandidaten in het startbarema enkel op basis van hun geschiktheid en voorstellen in te dienen om gekwalificeerd personeel in hogere barema’s te plaatsen; verwacht ook, als onderdeel van de beoordeling, een verslag over het praktische nut van kabinetsleden nadat zij hun ambt verlaten en in vergelijking met de toegangsvoorwaarden waaraan zij verwacht werden te voldoen;
85. roept de Commissie op haar standpunt uit te drukken over de mate waarin de besparingen die werden vooropgesteld in de hervorming van het Statuut van de ambtenaren van 2004 in de praktijk werden bereikt, met name inzake de stijging van de bijdragen door ambtenaren en andere personeelsleden op het gebied van gezondheidszorg en pensioenen;
86. stelt de Commissie voor de hiërarchische bevoegdheden te verdelen tussen personen met boekhoudkundige verantwoordelijkheid en personen verantwoordelijk voor het overmaken van middelen overeenkomstig de normale beveiligingsvoorschriften voor interne controle in het beheer van de kasmiddelen;
Beheer van de agentschappen
87. herinnert aan zijn verzoek (paragrafen 254 en 255 van zijn bovengenoemde resolutie van 23 april 2009) om de creatie en invoering van een algemeen beheerssysteem voor de "regelgevende agentschappen" en om de invoering van een operationeel controlesysteem voor de agentschappen van de Unie;
88. benadrukt in verband hiermee het feit dat de Commissie ondanks de wettelijk onafhankelijke status van sommige agentschappen verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van de begroting (op grond van artikel 317, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 54, 55 en 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en de artikelen 37 en 41, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002);
Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)
89. is bezorgd door het aantal onderzoeken dat meer dan negen maanden duurt en de beperkte follow-up door de nationale gerechtelijke instanties van gevallen die door OLAF zijn onderzocht en is van mening dat een beoordeling van de personele middelen bij OLAF moet worden uitgevoerd om te zien of meer personeel tot verbeteringen op de twee bedoelde terreinen kan leiden;
90. is tevreden met de inzet van de nieuwe Commissie van 15 januari 2010 om de discussie in de Raad over de hervorming van OLAF te deblokkeren en ten laatste juli 2010 de beloofde en veel te late reflectienota van de Commissie in te dienen als basis voor de onderhandelingen in de Raad;
91. herhaalt dat het belangrijk is rekening te houden met zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)[62], en wil opnieuw onderstrepen dat OLAF met het oog op de toekomstige kracht ervan binnen de Commissie moet blijven, maar wel zijn onafhankelijkheid behouden; herinnert aan het feit dat artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de lidstaten meer verantwoordelijkheid oplegt en zo de voortdurende oproep van het Parlement voor een verbeterde samenwerking van de lidstaten met OLAF steunt;
92. wil snel zicht krijgen op het voorstel voor de instelling van een Europees openbaar ministerie waarin in artikel 86 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is voorzien; wil betrokken worden bij de besprekingen over de oprichting van een Europees openbaar ministerie;
93. vraagt dat de Commissie spoedig haar beloofde en langverwachte reflectienota indient en herhaalt het belang van bovengenoemd standpunt van het Parlement in eerste lezing van 20 november 2008 ter zake; wil nogmaals benadrukken dat OLAF binnen de Commissie moet blijven en tegelijkertijd zijn onafhankelijk bewaren om zijn kracht in de toekomst te vrijwaren; benadrukt zijn voorstellen met betrekking tot de post van directeur-generaal van OLAF die in zijn bovengenoemd standpunt in eerste lezing van 20 november 2008 zijn opgenomen en vraagt dat de geselecteerde kandidaat zeer snel wordt benoemd; is van mening dat de selectieprocedure moet verlopen in een interinstitutioneel kader waarbij de prerogatieven van het Parlement ten volle worden geëerbiedigd;
94. bevestigt nogmaals zijn mening dat de procedure voor de benoeming van de directeur-generaal ad interim van OLAF mutatis mutandis de regels moet volgen in de akte die de wettelijke basis voor OLAF legt, namelijk artikel 12 van Verordening (EG) Nr 1073/1999 van het Europees Parlement en van de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)[63]; betreurt de algemene toepassing door de Commissie van het Statuut van de ambtenaren en is bezorgd dat het standpunt van de Commissie de doeltrreffendheid van OLAF kan aantasten;
SECTORALE KWESTIES
Ontvangsten
95. is tevreden met het feit dat de Rekenkamer van mening is dat de overzichten van de lidstaten betreffende de traditionele eigen middelen die aan de Commissie zijn toegezonden, betrouwbaar waren en geen materiële fouten vertoonden en ook dat de eigen middelen btw en bni juist waren berekend en door de Commissie correct verzameld en in de communautaire rekeningen ingevoerd;
96. neemt met grote bezorgdheid kennis van het verslag van de Commissie over de tekort- en schuldstatistieken van de Griekse regering (COM(2010)0001), dat ernstige twijfels doet rijzen omtrent de betrouwbaarheid van de cijfers die de Griekse autoriteiten hebben ingediend; verzoekt de Commissie om door middel van eigen onderzoeken de geldigheid van de in 2008 beschikbaar gemaakte gegevens na te gaan en de regelmatigheid en rechtsgeldigheid van de berekening en de bijdragen van de eigen middelen die beschikbaar zijn gemaakt, te bevestigen;
97. verzoekt de Commissie het Parlement in te lichten over de stappen die zijn ondernomen ten gevolge van de verklaring van de Griekse Eerste Minister betreffende de wijdverbreide corruptie in de Griekse openbare sector; vraagt de Commissie haar plannen voor te leggen over hoe zij in de toekomst de werkzaamheden met de Griekse administratie wenst aan te pakken; benadrukt dat personeel betrokken bij het beheer van Europese financiële middelen moet worden uitgesloten van kostenbesparingsmaatregelen om het behoud en de integriteit van de beheersstructuren te waarborgen;
98. merkt met betrekking tot de eigen middelen btw evenwel op dat punten van voorbehoud die reeds dateren van ten vroegste 1989, blijven bestaan en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten haar inspanningen voort te zetten om ervoor te zorgen dat het voorbehoud binnen een redelijke termijn wordt opgeheven;
99. verzoekt de Commissie met betrekking tot de eigen middelen bni de aanbeveling van de Rekenkamer in punt 4.36 van het jaarverslag 2008 te volgen en het Parlement details mee te delen van de vooruitgang die werd geboekt door rechtstreekse controle uit te oefenen en de toezichts- en controlesystemen in de nationale instituten voor de statistiek van de lidstaten te beoordelen;
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
100. is tevreden met de positieve beoordeling die de Rekenkamer op basis van zijn controleactiviteiten maakt dat, behalve wat Plattelandsontwikkeling betreft, de betalingen voor het per 31 december 2008 afgesloten jaar voor de beleidsgroep "Landbouw en natuurlijke hulpbronnen" geen materiële fouten bevatten; stelt tevreden vast dat het gemiddelde foutenpercentage voor de EU-27 onder de 2%-drempel ligt die de Rekenkamer tolereert;
101. merkt bezorgd de grote spreiding bij de lidstaten op van de foutenpercentages bij inspecties ter plaatse met betrekking tot de uitvoering van de oppervlaktesteun (Frankrijk 0,20%, Verenigd Koninkrijk 0,24%, Duitsland 0,3%, Griekenland 3,70%, Roemenië 12,57%, Bulgarije ongeveer 6%) en benadrukt het feit dat de algemene geloofwaardigheid van het systeem niet in gevaar mag worden gebracht; vraagt gerichte onmiddellijke maatregelen die zowel een vermindering van de administratieve belasting van de goed presterende lidstaten opleveren als doeltreffende tegenmaatregelen zijn;
102. betreurt het feit dat de uitgaven voor Plattelandsontwikkeling volgens de vaststellingen van de Rekenkamer nog steeds gekenmerkt worden door een hoog foutenpercentage, hoewel het geraamde percentage lager lag dan de vorige jaren;
103. is tevreden met de beoordeling die de Commissie heeft gemaakt van de kwaliteit van de verklaringen en de jaarlijkse overzichten die de lidstaten voor de uitgaven op het gebied van Landbouw indienden, met als conclusie dat het merendeel hiervan in 2008 aan de wettelijke verplichtingen die ervoor gelden, voldeed en in het algemeen met de richtsnoeren van de Commissie strookte;
104. herhaalt net als de vorige jaren dat het GBCS in het algemeen een doeltreffend controlesysteem is om het risico van fouten of onregelmatige uitgaven te beperken, maar betreurt niettemin het feit dat de Rekenkamer aanzienlijke tekortkomingen heeft vastgesteld bij geselecteerde betaalorganen in drie lidstaten: Bulgarije, Roemenië en het Verenigd Koninkrijk (Schotland) (punt 5.32 van het jaarverslag 2008); erkent echter dat stappen werden ondernomen om deze tekortkomingen aan te pakken;
105. vraagt een vereenvoudiging van de ingewikkelde regels en preciezere definities van de subsidiabiliteitscriteria, met name voor agromilieuregelingen, in de eerste plaats op het niveau van de Commissie, maar ook op nationaal niveau, in het kader van de plannen voor plattelandsontwikkeling, en vraagt ook dat alle belanghebbenden volledigere en duidelijkere instructies en richtsnoeren krijgen en dat opleidingsacties worden georganiseerd;
106. betreurt het feit dat het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) dat door de nationale instanties wordt toegepast, nog steeds niet correct is in sommige lidstaten waar de Rekenkamer aanzienlijke gebreken vaststelt (in Bulgarije, Spanje, Polen en het Verenigd Koninkrijk); merkt op dat op nationaal niveau verschillende maatregelen werden genomen om de gebreken aan te pakken;
107. spreekt ook zijn bezorgdheid uit over de fouten met betrekking tot de uitgaven in het kader van het SAPARD-programma in Bulgarije en Roemenië, waardoor het Directoraat-generaal Landbouw in zijn jaarverslag een voorbehoud moest formuleren; merkt op dat reeds actieplannen bestaan als reactie op de aanbevelingen van de Commissie;
108. onderstreept het belang van onmiddellijke en grondige audits achteraf om niet-subsidiabele uitgaven en/of ontoereikende bewijsstukken op te sporen, zodat de nodige correcties kunnen worden aangebracht;
109. is bezorgd door de zodanige tekortkomingen die de Rekenkamer heeft geconstateerd met betrekking tot de omschrijving door de lidstaten van de vereisten om grond in goede landbouw- en milieuconditie ("GLMC") te houden, dat sommige begunstigden steun ontvangen op basis van de BTR of REAB zonder dat zij iets met de betrokken grond doen (punt 5.49 van het jaarverslag 2008);
110. is van mening dat deze tekortkomingen, inclusief de kwestie van begunstigden die niet voldoen aan de definitie van "landbouwers", die de Rekenkamer in het jaarverslag 2008 aan de kaak stelt, door de Commissie moeten worden opgelost, teneinde de zekerheid die aan het werk van de verklarende instanties kan worden ontleend, te vergroten;
111. neemt nota van de conclusies van de Rekenkamer en dringt er daarom bij de Commissie op aan om de controles te verbeteren in de lidstaten die de communautaire wetgeving niet hebben nageleefd door met schending van de regels rechten toe te wijzen;
112. merkt op dat de Commissie tekortkomingen signaleerde met betrekking tot de debiteurenrekeningen bij een kwart van de betaalorganen en financiële correcties heeft voorgesteld ten bedrage van ongeveer 25,3 miljoen EUR; merkt voorts op dat deze correcties zo'n 1,95 % uitmaken van de 1 295 miljoen EUR die per ultimo van het begrotingsjaar 2008 teruggevorderd moeten worden; benadrukt het feit dat zij, hoewel zij juist onder de materialiteitsdrempel van 2 % liggen, aangeven dat het risico bestaat dat zich een materiële fout voordoet op het niveau van de debiteurenrekeningen als geheel;
113. vraagt de Commissie om een gedetailleerde follow-up om ervoor te zorgen dat de schulden juist zijn en naar behoren op de communautaire begroting aangerekend;
Cohesie
114. stelt vast dat de in 2008 verrichte tussentijdse betalingen voor de periode 2007-2013 slechts 32% van de uitgaven uitmaken en dat de opmerkingen van de Rekenkamer met name betrekking hebben op de uitgaven tijdens de programmeringsperiode 2000-2006, die 68% van de betalingen voor het cohesiebeleid in 2008 vertegenwoordigen; merkt bijgevolg op dat het effect van de versterking van het rechtskader voor de periode 2007-2013 en de in 2008 en 2009 vastgestelde vereenvoudigingsmaatregelen nog niet zichtbaar kunnen zijn;
115. benadrukt het feit dat de absolute prioriteit gaat naar een verdere verlaging van het algemene foutenpercentage, dat op dit uitgaventerrein in 2008 hoog bleef, en naar de verbetering van de controle door de Commissie en van het invorderingssysteem;
116. is bezorgd doordat de fouten op het gebied van de financiering van het cohesiebeleid aangeven dat op zijn minst 11% van het totale terugbetaalde bedrag niet betaald had mogen worden, zonder verbetering ten opzichte van 2007; betreurt het feit dat financiële correcties en herstel slechts gedeeltelijk functioneel zijn; merkt op dat de volgende financiële correcties werden doorgevoerd voor de programmeringsperiode van 2000-2006: Spanje 1 535,07 miljoen EUR; Griekenland 881,24 miljoen EUR; Italië 693,90 miljoen EUR; Frankrijk 248,48 miljoen EUR; Verenigd Koninkrijk 155,94 miljoen EUR; Portugal 128,24 miljoen EUR; Polen 88,99 miljoen EUR; Hongarije 40,62 miljoen EUR; Slowaakse Republiek 39,16 miljoen EUR; Ierland 25,55 miljoen EUR; Duitsland 19,33 miljoen EUR, Zweden 11,30 miljoen EUR;
117. merkt bezorgd op dat de problemen waarmee de lidstaten werden geconfronteerd met betrekking tot zowel de omzetting van de regulatorische vereisten van 2007-2013 (zoals de onverenigbaarheid tussen EU- en het nationale niveau, vertragingen in de invoering van de regels, onduidelijke regels) als de invoering van de nieuwe management- en controlesystemen (toewijzing van taken voor de nieuwe instellingen, namelijk de autoriteiten die instaan voor het beheer, de certificatie en de audit);
118. betreurt het feit dat de lidstaat die de hoogste foutmarge optekent en het grootste aandeel van de structuurfondsen ontvangt, tussen 2000 en 2006 59 miljard EUR ontving en slechts 1,5 miljard EUR aan de EU heeft moeten terugbetalen; merkt op dat dit minder is dan 3%; is bezorgd dat de kosten voor het behoud van eigen controlesystemen dit bedrag duidelijk overschrijdt zodat dit een negatieve aanmoediging is;
119. herhaalt zijn verzoek dat de door de Commissie voorgestelde vereenvoudiging van de regels verder gaat en tegelijk dat efficiëntere controles op nationaal en EU-niveau worden ingevoerd, om de structuurfondsen en het Cohesiefonds effectief uit te voeren; is van mening dat een objectieve beoordeling van de effecten van de vereenvoudigingsmaatregelen die in 2008-2009 zijn genomen, van essentieel belang is en verzoekt de Commissie deze beoordeling tegen eind 2010 uit te voeren;
120. merkt op dat het in 2008 ingediende actieplan om de controlerol van de Commissie bij gedeeld beheer van structurele acties te versterken, in 2008 niet volledig is uitgevoerd en het grootste probleem niet zou hebben geremedieerd, namelijk de onnodig ongewikkelde regels in combinatie met uitvoeringsmaatregelen die verschillen van de ene lidstaat tot de andere en soms zelfs tussen regio's; vraagt de Commissie te gepasten tijde de richtlijnen voor openbare autoriteiten in de lidstaten te laten vertalen; benadrukt voorts het feit dat de impact ervan niet kan worden beoordeeld, doordat de fouten die in vorige jaren zijn gemaakt, nog altijd gevolgen hebben voor de uitgaven die door de Commissie worden vergoed, zoals de Rekenkamer in zijn jaarverslag terecht opmerkt (punt 6.34);
121. beschouwt ondanks de duidelijke verbetering van de beheers- en controlesystemen dankzij het actieplan 2008, dat de toezichthoudende rol van de Commissie bij structurele acties heeft versterkt, het door de Commissie vastgestelde feit dat slechts 31% van de systemen goed functioneert en meer dan 60% voor verbetering vatbaar is, als onbevredigend; verzoekt daarom de verantwoordelijke lidstaten, regionale overheden en beheersautoriteiten nauw met de Commissie samen te werken om deze statistieken om te buigen;
122. neemt nota van de resultaten van de audit, met name een preliminaire foutenmarge van 5%, die aantoont dat de vereenvoudiging die voor de programmeringsperiode 2007-2013 is doorgevoerd, een positief resultaat heeft;
123. merkt op dat de Commissie dankzij haar actieplan maatregelen heeft kunnen nemen die in overeenstemming zijn met alle aanbevelingen van de Rekenkamer; is verheugd dat de Commissie de programma-autoriteiten opleidingen en richtsnoeren verstrekt om het systeem van gedeeld beheer van de uitgaven voor cohesiebeleid beter te laten functioneren; moedigt de Commissie aan haar inspanningen verder op te drijven door de lidstaten richtsnoeren te verstrekken en hen aan te moedigen de terugvorderingsprocedures en de rapportering te versterken;
124. neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat bij 43% van de projecten in de representatieve statistische steekproef fouten voorkwamen en dat voor een groot aantal daarvan te hoge vergoedingen waren betaald; is echter van mening dat deze opmerking moet worden genuanceerd door de verklaring van de Commissie dat zij op de hoogte was van het bestaan van tekortkomingen in vijf van de zes betrokken programma's en dat zij corrigerende maatregelen had genomen; neemt nota van de tweede verklaring van de Commissie, die wordt gestaafd door de opmerking van de Rekenkamer in punt 6.20 van het jaarverslag, dat 58% van de fouten nalevingsfouten zijn en geen weerslag zullen hebben op de terugbetaling van uitgaven;
125. stelt vast dat inbreuken op de aanbestedingsregels een van de meest voorkomende oorzaken van onregelmatigheden zijn; vraagt de Commissie na te gaan hoe het komt dat de regels niet worden nageleefd; is in dit verband verheugd over de bevindingen van de Rekenkamer en de initiatieven die de Commissie heeft genomen om het beheer van de structuurfondsen te vereenvoudigen, en denkt dat deze initiatieven het aantal fouten zal helpen verminderen;
126. moedigt de Commissie aan ten laatste tegen 2011 een voorstel over het aanvaardbare foutenrisico op het gebied van het cohesiebeleid in te dienen, terwijl dit gebied het meest vatbaar is gebleken voor fouten;
127. verzoekt de Commissie dringend een eerste analyse te maken van de kosten-batenverhouding van de middelen voor controleactiviteiten in DG REGIO en DG EMPL en de resultaten die deze controles opleveren;
128. merkt op dat de eerste positieve effecten van het strengere controle en het dwingendere wettelijke kader, alsmede het actieplan van de Commissie op het foutenpercentage voor de programmeringsperiode 2007-2013 waarschijnlijk pas eind 2010 zichtbaar worden;
129. is bezorgd dat de nationale autoriteiten, die, nu de programmeringsperiode 2000-2006 afloopt, onder druk staan om alle vastgelegde middelen op te slorpen, wellicht meer ongeplande projecten hebben ingediend; benadrukt het feit dat ervoor moet worden gezorgd dat deze situatie zich niet opnieuw voordoet in de huidige programmeringsperiode en verzoekt de Commissie waar nodig streng corrigerende en ontradende maatregelen ten aanzien van de lidstaten te nemen (opschorting van betaling en financiële correcties);
130. betreurt in deze samenhang de trage start van de programma's van de programmeringsperiode 2007-2013 als gevolg van de late indiening door de lidstaten van de conformiteitsbeoordelingen en auditstrategieën; is het eens met de beoordeling van de Rekenkamer en is bezorgd dat deze vertraging de waarschijnlijkheid verhoogt dat de controlesystemen fouten tijdens de opstartfase niet voorkomen en detecteren; vraagt de Commissie nogmaals haar superviserende taak met uiterste gestrengheid uit te voeren;
131. verzoekt de Commissie de beste praktijken onder lidstaten te verspreiden om de opname van financiële middelen te vergroten en de cashflow van de begunstigden te verbeteren door de toepassingsregels voor structuurfondsen op nationaal niveau te vereenvoudigen;
132. neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat, wat de programmeringsperiode 2007-2013 betreft, de bepalingen betreffende de controle worden aangescherpt en de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten worden verduidelijkt; apprecieert in dit verband de meerwaarde van de auditautoriteit die voor elk van de programma's is ingesteld en deelt de verwachting van de Commissie dat het jaarlijkse controleverslag en het advies van de auditautoriteit de waarborg van de nationale controlesystemen aanzienlijk zullen versterken;
133. vraagt dat de Commissie het in haar komende syntheseverslag en de jaarlijkse activiteitenverslagen van haar DG's duidelijke informatie verstrekt over de vraag van welke lidstaten de controlesystemen het minst doeltreffend zijn en dat zij voor elk fonds een jaarlijkse rangschikking van lidstaten opstelt; vraagt de Rekenkamer dezelfde lijst op te stellen op basis van zijn controles;
134. vestigt de aandacht op de opmerking van de Rekenkamer, die gelijkloopt met die voor 2007, dat de reikwijdte en omvang van de punten van voorbehoud in de jaarlijkse activiteitenverslagen de ernst van de problemen inzake onregelmatigheid en ondoeltreffende controlesystemen niet voldoende weerspiegelen; is daarom van mening dat de aanpak van de DG's voorzichtiger moet zijn en de reikwijdte van de punten van voorbehoud in overeenkomstige mate groter;
135. vestigt de aandacht op de specifieke aard van de uitgaven voor cohesiebeleid, die voortvloeit uit het meerjarige beheersysteem, en benadrukt dat de financiële correcties in volgende jaren alsook bij de afsluiting van de programmeringsperiode worden verricht, zodat de Commissie globaal gezien een groot aantal onregelmatigheden kan detecteren en corrigeren;
136. is tevreden met de driemaandelijkse verslagen die de Commissie overlegt over de financiële correcties en met de intensivering van de financiële correcties door de Commissie in 2008 en 2009; betreurt evenwel het feit dat het systeem van financiële correcties maar een beperkt ontradend effect op de lidstaten heeft, aangezien de lidstaten alle uitgaven die de Commissie of de Rekenkamer als niet subsidiabel beschouwt, door subsidiabele uitgaven kunnen vervangen; is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat in de toekomst alleen door de lidstaten zelf geconstateerde onregelmatigheden kunnen worden vervangen door andere uitgaven zonder verlies aan begrotingsmiddelen voor de betrokken lidstaat;
137. betreurt de slechte kwaliteit van de verslagen over terugvorderingen en financiële correcties die sommige lidstaten bij de Commissie indienen, omdat het nut en de volledigheid van de driemaandelijkse verslagen van de Commissie aan het Parlement hierdoor worden beperkt; verzoekt de Commissie verdere stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen nakomen door de betrouwbaarheid en volledigheid van de ingediende gegevens streng te controleren en te beoordelen en kijkt ernaar uit de nieuwe nota met richtsnoeren voor verklarende instanties te ontvangen, met onder andere de aanbevelingen van de Commissie om de verslagleggingsprocedures te verbeteren; verzoekt de Commissie in haar komende syntheseverslag de lidstaten te noemen die niet volledig aan de verslagleggingsvereisten voldoen;
138. merkt op dat het aantal onregelmatigheden dat de lidstaten voor 2008 aan OLAF hebben gemeld, sterk verschilt: Italië 802, Spanje 488, Verenigd Koninkrijk 483, Portugal 403, Duitsland 372, Polen 329, Nederland 262, Zweden 146, Frankrijk 98, Griekenland 96, Tsjechische Republiek 80, Slowaakse Republiek 62, Hongarije 39, Oostenrijk 37, België 35, Estland 28, Finland 28, Litouwen 26, Letland 22, Slovenië 13, Cyprus 4, Bulgarije 4, Ierland 2, Malta 1, Roemenië 00; is bezorgd dat dit tot een minder coherent verslagleggingsysteem kan leiden;
139. stelt vast dat er met betrekking tot de gecontroleerde projecten geen enkel geval van fraude aan de Commissie is gemeld en benadrukt dat het in het verslag van de Rekenkamer vermelde aantal fouten niet noodzakelijk betrekking heeft op fraude;
140. verzoekt de Commissie voortdurend toe te zien op de aannemelijkheid van de meegedeelde cijfers en op basis van haar eigen onderzoek de efficiëntie van de verslagleggingssystemen te controleren waar het aantal gemelde onregelmatigheden abnormaal laag voorkomt;
141. verzoekt de Commissie om gedetailleerde informatie te verschaffen over de implementatiecijfers en distributieschema’s voor betalingen vanuit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie door de Griekse autoriteiten na de verwoestende bosbranden; verzoekt de Commissie informatie te verschaffen over achteraf uitgevoerde controles en de resultaten hiervan;
142. is verheugd over de beslissing van de Rekenkamer om de audits van het ESF en het EFRO op het gebied van toerisme, beroepsopleiding voor vrouwen en openbare drinkwatervoorziening, die van bijzonder belang zijn voor de ontwikkeling van lokale gemeenschappen, in het werkprogramma voor 2010 op te nemen;
143. verzoekt de Rekenkamer te beoordelen hoe de beheersautoriteiten de externe evaluaties van de structuurfondsen en het Cohesiefonds uitvoeren, en bijzondere aandacht te besteden aan de onafhankelijkheid van de evaluatie indien deze door de geëvalueerde instantie wordt betaald;
144. verzoekt de Rekenkamer te beoordelen of de auditautoriteiten van de lidstaten de nodige personele middelen hebben om audits te verrichten en of zij onafhankelijk zijn wanneer zij de conformiteitsbeoordeling van het beheercontrolesysteem uitvoeren;
Werkgelegenheid en sociale zaken
145. wijst erop dat de kredieten voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) met 10,6 miljard euro aan vastleggingen voor 100% en met 8,8 miljard euro aan betalingen voor 97,1% zijn vastgelegd; waardeert het streven van de Commissie naar verbetering van het financieel beheer;
146. beschikt over gegevens die wijzen op een lager foutenpercentage in het ESF dan de 11% die zijn vastgesteld voor de structuurfondsen als geheel; moedigt de Commissie aan haar eigen foutenpercentage mee te delen en de mogelijkheid van een grotere mate van autonomie van het ESF voor de komende financiële periode te onderzoeken;
147. herinnert eraan dat het de taak is van het Directoraat-generaal werkgelegenheid, dat de kredieten beheert, om passende maatregelen te nemen inzake preventie van bedrog en corruptie; is verheugd over de nauwe samenwerking met OLAF; wenst dat ervoor wordt gezorgd dat fraudegevallen bij het ESF ook door de nationale justitiële instanties worden onderzocht en gesanctioneerd;
148. merkt op dat het foutenniveau niet noodzakelijk op fraude wijst en verzoekt derhalve voortaan een duidelijk onderscheid te maken tussen fraude en foutenpercentages;
149. is verheugd dat de Commissie ernaar streeft dat alle lidstaten volledig rekenschap afleggen via jaarlijkse controleverslagen van de auditdiensten en samenvattende jaarverslagen; verzoekt om toetsing van de verantwoordingsplicht, zodat informatie niet twee keer wordt opgevraagd; is van mening dat ontbrekende of onvolledige verantwoordingsverslagen van nationale administratieve of controlerende instanties alsook de niet-naleving van de minimale eisen van het Financieel Reglement onaanvaardbaar zijn en gestraft moeten worden; verzoekt de Commissie derhalve voorstellen te ontwikkelen ter verbetering en uitbreiding van de bestaande verslagleggingsplicht met een sanctiemechanisme;
150. stelt vast dat belangenconflicten tussen de beheerders van de kredieten en de begunstigden bij de toewijzing van de kredieten mogelijk zijn; verzoekt de Commissie de regels inzake het voorkomen van belangenconflicten bij de toewijzing van de kredieten met adequate middelen op het niveau van de nationale administraties effectief toe te passen;
151. onderstreept de bijzondere behoeften van de doelgroepen en projectleiders bij het ESF; stelt voor vrijwillige werkzaamheden in non-profitorganisaties en investeringen in natura in de medefinanciering van projecten mede in aanmerking te nemen; verzoekt de projectleiders om een actueel overzicht per lidstaat en per project van de administratieve kosten van het ESF;
152. herinnert aan de jongste wijzigingen van de structuurfondsverordeningen (Verordening (EG) nr. 1341/2008[64], Verordening (EG) nr. 284/2009[65], Verordening (EG) nr. 396/2009[66], Verordening (EG) nr. 397/2009[67], Verordening (EG) nr. 846/2009[68]) inzake administratieve vereenvoudiging; verzoekt om een verslag over de effecten van deze wijzigingen;
153. stelt vast dat dergelijke vereenvoudigingsprocedures essentieel zijn voor de vermindering van de administratieve lasten op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, en benadrukt dat het van belang is ervoor te zorgen dat dergelijke procedures in het vervolg niet tot een hoger foutenpercentage leiden.
Intern beleid
Onderzoek, energie en vervoer
154. is tevreden met de lichte daling van de fouten voor deze beleidsgroep ten opzichte van de vorige jaren, alsmede met de verbetering wat late betalingen betreft, nu de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de Commissie op het gebied van tijdige betaling aan begunstigden haar prestaties in 2008 aanzienlijk heeft verbeterd;
155. dringt er bij de Commissie op aan alles in het werk te stellen om de positieve trend van 2008 voort te zetten op dit gebied, dat onder het directe financiële beheer van de Commissie staat;
156. merkt evenwel bezorgd op dat de controle van de Rekenkamer op het gebied van onderzoek, energie en transport algemeen eens te meer een materieel foutenpercentage aan het licht brengt bij betalingen aan begunstigden en in de toezicht- en controlesystemen van de Commissie, die het inherente risico dat te hoge kostendeclaraties worden vergoed, onvoldoende verkleinen;
157. is in het bijzonder bezorgd door het hangende punt van voorbehoud van de vier diensten van de onderzoekscluster wegens het percentage van de restfouten in de kostendeclaraties voor het zesde kaderprogramma (KP6);
158. merkt ook op dat er systeemverschillen bestaan wat de behandeling betreft van de begunstigden van EU-middelen in verschillende sectoren, programma's en vormen van beheer;
159. is bezorgd dat het imago van de EU te lijden krijgt door de bewustwording van de belanghebbenden dat strengere controlesystemen worden gevolgd voor de landbouw dan voor de uitvoering van onderzoek;
160. merkt op dat sommige wettelijke bepalingen inzake de financiering van onderzoek (bv. met betrekking tot sancties) voordien niet werden toegepast en verzoekt de Commissie hier een einde aan te maken en ervoor te zorgen dat de bestaande wettelijke bepalingen onverkort en consequent worden toegepast;
161. herinnert tegelijk aan zijn verzoeken in zijn bovengenoemde resolutie van 23 april 2009 (paragraaf 117 e.a.), met name zijn verzoek geen veranderingen aan te brengen met terugwerkende kracht, en om het gewettigd vertrouwen van de begunstigden te respecteren, alsmede de aanvaarding te versnellen van certificaten met betrekking tot de methodologie toegepast inzake de gemiddelde personeelskost, waarin geen zichtbare vooruitgang werd geboekt; verzoekt de Commissie ter wille van goede wetgeving realistische voorstellen in te dienen, zowel wat doelstellingen als wat procedures in de toekomst betreft;
162. merkt in verband hiermee uiterst bezorgd op dat slechts één certificaat met betrekking tot de methodologie toegepast inzake de gemiddelde personeelskosten werd goedgekeurd;
163. betreurt ook het gebrek aan duidelijke informatie over de Galileo-activa; verzoekt de Commissie zich de informatie te verschaffen die nodig is om een inventaris op te stellen, de opnamecriteria te controleren en de waardering van de Galileo-activa in het bezit van het Europees Ruimteagentschap te beoordelen; verzoekt de Commissie deze informatie vóór eind 2010 aan het Parlement toe te zenden;
164. is bezorgd dat de huidige verordening voor het bestaande kaderprogramma niet voldoet aan de vereisten van een moderne onderzoeksomgeving en is van mening dat meer modernisering en vereenvoudiging voor een nieuw kaderprogramma van essentieel belang zijn;
165. is van mening dat een vereenvoudiging van de berekeningsregels voor gedeclareerde kosten nodig is om de situatie te verbeteren en verzoekt de Commissie haar inspanningen voort te zetten om te komen tot regels die voor de begunstigden van de programma's zo makkelijk toe te passen zijn als mogelijk; vraagt een duidelijke definitie van de noodzakelijke criteria om te beoordelen of de kostenberekeningsmethoden van de begunstigden voldoen aan de rechtsvoorschriften;
166. benadrukt het feit dat de Commissie moet zorgen voor een strikte toepassing van de controles, met name door verbetering van de betrouwbaarheid van de controlecertificaten en door een doeltreffende toepassing van haar strategie betreffende controles achteraf, waarbij zo nodig sancties worden opgelegd en tijdig tot terugvorderingen of correcties wordt overgegaan bij onverschuldigde vergoeding van gedeclareerde kosten, overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer;
167. vraagt de Commissie ook na te denken over de verdeling van de activiteiten over de onderzoeks-DG's die, samen met het ontbreken van een geïntegreerd beheersinformatiesysteem, volgens de Rekenkamer een efficiënte coördinatie moeilijker maakt, met name wat de follow-up van de controleresultaten betreft;
Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid
168. beschouwt de algemene uitvoeringspercentages van de begrotingslijnen voor milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid als bevredigend;
169. wijst op het globale uitvoeringspercentage van 95,15% van de begroting op het gebied van milieu, het uitvoeringspercentage van 99,75% van de vastleggingskredieten op het gebied van volksgezondheid en de uitvoering van 98% van het hoofdstuk voedselveiligheid en dierengezondheid, wat een bevredigend resultaat is;
170. wijst erop dat onder de begroting 2008 zes proefprojecten en voorbereidende acties werden uitgevoerd;
171. is verheugd over de uitvoering van 99,26% van de operationele begroting voor LIFE+; wijst erop dat 196 projecten werden geselecteerd; wijst erop dat 52% van de verleende financiering werd toegekend aan projecten in verband met ‘natuur en biodiversiteit’; is evenwel van mening dat er nog ruimte is voor verbetering in het beheer van de Commissie om de duurzaamheid van medegefinancierde projecten te waarborgen;
172. wijst er in dit opzicht op dat verbeteringen mogelijk zijn door ervoor te zorgen dat er reeds ondersteunende maatregelen bestaan op het ogenblik dat oproepen tot het indienen van voorstellen worden gelanceerd, door de verspreiding van kennis uit eerdere LIFE-projecten te verbeteren en door projecten na hun afloop stelselmatiger op te volgen;
173. verzoekt de Commissie te zorgen voor meer assistentie en specifieke opleidingen voor kandidaten en gebruiksvriendelijke richtsnoeren op te stellen; benadrukt dat onmiddellijk aandacht moet worden besteed aan de onderdelen van het programma met een laag uitvoeringspercentage en dat dienovereenkomstig moet worden gehandeld;
174. benadrukt het belang van meer en gerichte assistentie aan kandidaten die projecten in het kader van het volksgezondheidsprogramma uitvoeren, om onredelijke kostenclaims en onvolledige financiële verslagen die tot aanslepende procedures leiden te vermijden; is bovendien van oordeel dat aanbestedingen duidelijk en gebruiksvriendelijk moeten zijn om projectvoorstellen te voorkomen die gezien hun omvang en de ermee gepaard gaande hoge kosten absoluut niet in aanmerking komen voor financiering of die van povere kwaliteit zijn;
175. wijst met tevredenheid op de succesvolle uitvoering van het Communautair Fonds voor tabak en is ervan overtuigd dat dit een belangrijk instrument is;
176. herinnert de Commissie aan haar verantwoordelijkheid tegenover het Uitvoerend Agentschap voor Gezondheid en Consumenten (EAHC); wijst erop dat het EAHC 256 projecten met kostendeling beheerde, voor in totaal EUR 119 miljoen uit de begroting van de Europese Unie, en dat het vergaderingen van deskundigen en informatiedagen organiseerde; acht de werking van het EAHC in 2008 bevredigend;
Interne markt en consumentenbescherming
177. betreurt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten-generaal en de diensten van de Commissie slechts in één taal online beschikbaar zijn; dringt er bij de Commissie op aan deze situatie te verbeteren voor de verslagen van volgend jaar;
178. wijst erop dat fouten bij de uitvoering van de begroting in veel gevallen een gevolg zijn van de overdreven complexiteit van de regels en procedures voor uitgaven; moedigt de Commissie bijgevolg aan verdere inspanningen te leveren om het rechtskader te vereenvoudigen, met name om de resterende problemen met betrekking tot bepaalde controlesystemen op te lossen;
179. betreurt het feit dat de frequentie van de materiële controles door de lidstaten van ingevoerde goederen laag blijft, ondanks frequente aanbevelingen van de Rekenkamer en ondanks het feit dat douanerechten een aanzienlijk deel van de totale inkomsten voor de begroting voor 2008 uitmaken; roept de Commissie bijgevolg op de lidstaten te vragen de juiste balans te vinden tussen materiële controles bij invoer en controles van exploitanten na inklaring;
180. is verheugd over de verbeteringen die hebben geleid tot een uitvoeringspercentage van 92% van de betalingskredieten voor de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt (begrotingslijn 12 02 01); wijst op het uitvoeringspercentage (48%) voor het programma Solvit (begrotingslijn 12 02 02), dat toe te schrijven is aan het feit dat betalingskredieten pas in het eerste jaar na de instelling van deze begrotingslijn werden gebruikt; is daarom ingenomen met het uitvoeringspercentage bij de vastleggingskredieten, dat 97% bedroeg;
181. erkent dat een uitvoeringspercentage van 97% van de betalingskredieten in het kader van het douanebeleid (begrotingslijnen 14 04 01 en 14 04 02) een aanzienlijke verbetering betekent in vergelijking met het vorige jaar, dankzij een verbeterde berekeningsmethode, en moedigt de Commissie aan op deze weg voort te gaan;
182. waardeert de inspanningen die werden geleverd om te komen tot een uitvoeringspercentage van 97% van de betalingskredieten voor het consumentenbeleid (begrotingslijnen 17 02 01 en 17 02 02);
Vervoer en toerisme
183. merkt op dat in de begroting 2008, zoals uiteindelijk goedgekeurd en gewijzigd in de loop van dat jaar, specifiek voor het beleid dat tot de bevoegdheid van de Commissie vervoer en toerisme behoort in totaal 2 516 000 000 EUR aan vastleggingskredieten was opgenomen en 1 703 000 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was; wijst er verder op dat van deze bedragen:
– 969 425 000 EUR aan vastleggingskredieten en 892 308 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-T);
– 13 600 000 EUR aan vastleggingskredieten en 10 000 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor verkeersveiligheid;
– 39 080 000 EUR aan vastleggingskredieten en 37 958 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor het Marco Polo-programma;
– 96 160 000 EUR aan vastleggingskredieten en 98 000 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor de vervoersagentschappen en de Toezichthoudende Autoriteit Galileo,
– 468 472 000 EUR aan vastleggingskredieten en 345 402 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar waren voor vervoer, met inbegrip van het prioritaire beleidsgebied van het duurzaam stedelijk vervoer, in het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling,
– 5 350 000 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar waren voor verkeersveiligheid, met inbegrip van de voorbereidende actie gericht op het bevorderen van het grensoverschrijdende vervoer aan de grensposten in het noordoosten van de Europese Unie,
– 2 500 000 EUR aan vastleggingskredieten en 1 500 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor toerisme;
184. neemt er kennis van dat de Rekenkamer bij haar behandeling van de uitvoering van de begroting 2008 er de voorkeur aan heeft gegeven haar aandacht hoofdzakelijk te richten op het onderzoeks- en het energiebeleid in plaats van het vervoerbeleid;
185. is ingenomen met de nog steeds hoge bestedingspercentages voor de vastleggingskredieten en de betalingskredieten voor TEN-T-projecten, die beide bijna 100% bedragen, en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld uit de nationale begrotingen om gelijke tred te houden met de communautaire inzet; herinnert eraan dat het Parlement gepleit heeft voor een hogere financiering door de Unie; merkt op dat de herziening van de prioritaire TEN-T-projecten in 2010 de gelegenheid zullen bieden om na te gaan of de uitgaven voldoende en doeltreffend zijn geweest;
186. is verontrust over het feit dat, voor het tweede opeenvolgende jaar, het bestedingspercentage van de betalingskredieten voor verkeersveiligheid laag is geweest (79%); constateert dat het bestedingspercentage van de kredieten voor het Marco Polo II-programma uitzonderlijk laag is geweest (40%) en dat het bestedingspercentage van de betalingskredieten voor de verbetering van het vervoer amper 67% bedroeg; wijst erop dat in beide gevallen het bedrag dat op de begroting voor het jaar 2008 was opgenomen, dat was dat de Commissie in haar voorontwerp van begroting had voorgesteld;
187. betreurt het buitengewoon lage bestedingspercentage (27%) van de betalingskredieten voor passagiersrechten; neemt er kennis van dat de betalingen amper 55% uitmaken van het bedrag dat de Commissie in haar voorontwerp van begroting had voorgesteld; benadrukt dat investeren in onder meer voorlichting van de passagiers over hun rechten van groot belang is voor de effectieve toepassing van de regels;
188. benadrukt dat het bestedingspercentage van de betalingskredieten voor het Galileo-programma (50%) te laag is, gezien het belang ervan voor de sectoren logistiek en duurzaam vervoer;
189. verzoekt de Commissie gedetailleerde uitleg te verstrekken over de onderbesteding van deze kredieten en een overzicht te geven over de maatregelen die zij zal nemen om ervoor te zorgen dat dit probleem zich niet meer voordoet;
190. neemt er kennis van dat de tests met steekproeven een meer dan waarschijnlijk foutenpercentage tussen 2 en 5% uitwijzen; verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren opdat dit foutenpercentage onder 2% kan worden gedrukt;
191. spreekt er zijn tevredenheid over uit dat de Rekenkamer heeft geoordeeld dat de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap van het trans-Europees vervoersnet wettelijk en regelmatig zijn wat de belangrijkste aspecten ervan betreft; is bezorgd over de vertragingen in de aanwervingsprocedures maar verwelkomt anderzijds de doelstelling van het agentschap om de huidige vacante posten in te vullen;
192. betreurt het gebrek aan gegevens over acties op het gebied van toerisme en verwelkomt het nieuwe juridisch en economisch kader dat gecreëerd is bij het Verdrag van Lissabon en waardoor in deze sector acties op het niveau van de Europese Unie kunnen worden ontplooid (sociaal en cultureel toerisme, topbestemmingen) met in een meerjarig begrotingskader beschikbare steun;
193. verzoekt de Commissie opnieuw om het Europees Parlement en de Raad elk jaar een meer gedetailleerde beschrijving van de uitgaven uit hoofde van elke begrotingslijn te doen toekomen en die af te zetten tegen de begrotingstoelichting bij de betrokken lijn;
Cultuur en onderwijs
194. verwelkomt de inspanningen van de Commissie voor meer transparantie en klantvriendelijkheid en ondersteunt verdere stappen in die richting; verzoekt dat er voor de komende tussentijdse evaluaties van de meerjarige programma's een grondige beoordeling wordt uitgevoerd van de tenuitvoerlegging en van de beheersstructuren; beveelt aan elementen op te nemen om de tevredenheid van de klanten te meten met betrekking tot de nationale agentschappen; herhaalt in deze context dat bijna 70% van de middelen van de meerjarige programma's ten uitvoer wordt gelegd via de nationale agentschappen;
195. steunt de richtsnoeren van de Commissie aan de nationale autoriteiten met betrekking tot het toezicht op de werkzaamheden van de nationale agentschappen met als doel het beheer van de programma's in de lidstaten verder te vergemakkelijken; moedigt de Commissie aan het actieve toezicht van het programmabeheer door de nationale agentschappen voort te zetten, om op die manier onderbrekingen van de tenuitvoerlegging van delen van de meerjarige programma's te voorkomen; steunt het feit dat de Commissie zich streng opstelt door betalingen aan nationale agentschappen op te schorten wanneer gebrekkig beheer wordt vastgesteld; roept alle betrokken partijen op de negatieve gevolgen voor de begunstigden van dergelijke gebreken te vermijden; verlangt dat de Commissie om redenen van transparantie en kostenbeheersing een scheiding aanhoudt tussen de personeels- en organisatiekosten van de nationale agentschappen enerzijds en de uit te betalen financiële steun anderzijds;
196. waarschuwt voor disproportionele controlemaatregelen die niet in verhouding staan tot de beheerde budgetten; meent dat deze controleverplichtingen in geen geval aanleiding mogen geven tot een druk tot schaalvergroting waarbij de drempel voor de deelnemers verhoogt;
197. verzoekt de Commissie in het licht van de herziening van het Financieel Reglement te streven naar een nieuwe regeling waarbij toegelaten kan worden dat begunstigden meer eigen middelen verwerven, zonder te moeten vrezen dat dit leidt tot een vermindering van de steun die hun wordt toegekend in het kader van de EU-medefinanciering;
198. verzoekt de Commissie om samen met de nationale agentschappen te zoeken naar een billijke en flexibele oplossing voor de interesten op de ongespendeerde decentrale budgetten waarop in de lidstaten roerende voorheffing betaald wordt maar die door nationale agentschappen toch volledig teruggestort dienen te worden;
199. constateert de aanzienlijke vermindering van het aantal fouten met de betalingen; acht niettemin verdere verbetering bij de tussentijdse en definitieve betalingen noodzakelijk; vraagt de Commissie om nauwlettender toe te zien op de afhandeling van de jaarlijkse ex-post verklaringen met betrekking tot het programma Levenslang Leren, door middel van inspectiebezoeken en rechtstreekse verificatie;
200. vraagt de Commissie dringend de bureaucratische obstakels onder de loep te nemen die het programma "Jeugd in Actie " hinderen; dringt er met name op aan dat de maatregelen uit hoofde van de Acties 1.1 en 1.3 van het programma als laagdrempelige diensten worden aangeboden; benadrukt dat de selectiecriteria voor de aanvragers transparant en begrijpelijk moeten zijn; vraagt de Commissie de invoering te overdenken van een nieuwe manier voor middelentoewijzing in het kader van het programma "Jeugd in Actie", zodat de middelen ten goede komen aan kleinschalige jongerenprojecten die in de huidige situatie hun eigen financiering niet kunnen verzorgen;
Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
201. stelt vast dat de uitvoeringsgraad van de vastleggingen in de begroting voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in 2008 relatief is gedaald ten opzichte van 2007 (87,51% in 2008 ten opzichte van 90,29% in 2007); stelt vast dat in 2009 75 000 000 euro is overgedragen, maar merkt op dat dit bedrag volgens de door de diensten van de Commissie verstrekte informatie vóór 31 maart 2009 is vastgelegd; wijst erop dat de uitvoeringsgraad van de betalingen is gestegen ten opzichte van 2007 (80,88% in 2008 ten opzichte van 60,41% in 2007); roept het Directoraat-generaal justitie, vrijheid en veiligheid op om de uitvoeringsgraad van de vastleggings- en betalingskredieten in 2009 verder te maximaliseren;
202. betreurt dat de Commissie de eerste voorfinancieringsbetalingen aan de lidstaten in het kader van het Buitengrenzenfonds pas de laatste maanden van 2008 kon verrichten doordat de uitvoeringsvoorschriften pas op 5 maart 2008 werden vastgesteld en sommige lidstaten de eerste versies van de beschrijvingen van de beheers- en controlesystemen en de programmeringsdocumenten met aanzienlijke vertraging hebben ingediend of hierbij niet voor voldoende kwaliteit hebben gezorgd;
203. merkt op dat het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting voor de agentschappen in de komende jaren gebaseerd moet blijven op de beoordeling van het functioneren van het agentschap gedurende het desbetreffende jaar door de relevante commissie.
Schengen-informatiesysteem tweede generatie
204. is zeer bezorgd om de vertragingen in de installatie van het Schengen-informatiesysteem tweede generatie en de implicaties van deze vertragingen voor de begroting van de EU en de begrotingen van de lidstaten; merkt op dat de zogenaamde "mijlpaal 1-test" met betrekking tot de stabiliteit, betrouwbaarheid en prestaties van het SIS II-project van eind januari 2010 niet succesvol was;
205. herinnert aan de verplichting van de Commissie onder Verordening (EG) Nr. 1104/2008 van de Raad van 24 oktober 2008 over de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II)[69] en Besluit 2008/839/JHA van de Raad van 24 oktober 2008 over de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II)[70] om de zes maanden en de eerste keer na de eerste zes maanden van 2009 bij het Parlement en de Raad een stand van zaken in te dienen over de ontwikkeling van SIS II en de migratie van SIS I + naar SIS II; merkt op dat de eerste stand van zaken in verband met de periode van januari 2009 tot juni 2009 (COM(2009)0555) dat op 22 oktober 2009 werd uitgegeven, achterhaald is en dat de tweede stand van zaken nog niet beschikbaar is;
206. herhaalt het verzoek van de Raad en het Parlement aan de Commissie – door de Raad gedaan in zijn conclusies op de verdere leiding van SIS II van 4/5 juni 2009 en door het Parlement in zijn resolutie van 22 oktober 2009 over de vooruitgang van het Schengen-informatiesysteem II en visuminformatiesysteem[71] – dat deze stand van zaken volledige transparantie waarborgt met betrekking tot de financiële aspecten en de ontwikkeling van SIS tweede generatie;
207. benadrukt dat de Commissie haar verslagleggingsverplichtingen tijdiger en op meer transparante wijze moet nakomen;
208. nodigt de Rekenkamer uit een grondige audit uit te voeren en een bijzonder verslag in te dienen dat het beheer van het SIS II-project door de Commissie evalueert, vanaf het begin van het project, te beginnen met de oorspronkelijke aanbesteding;
209. behoudt zich het recht voor de financiële middelen die in de jaarbegroting van 2011 moeten worden toegewezen aan de ontwikkeling van SIS II in reserve te houden om het Parlement een nauwkeurig toezicht op en overzicht over het proces te waarborgen;
Rechten van de vrouw en gendergelijkheid
210. herinnert de Commissie eraan dat uit hoofde van artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen een grondbeginsel van de Europese Unie is en bij alle activiteiten van de Europese Unie in aanmerking zou moeten worden genomen, en derhalve ook in de kwijting van de begroting van de Europese Unie moet zijn terug te vinden;
211. betreurt het feit dat gender budgeting nog steeds niet is ingevoerd; verzoekt derhalve de Commissie andermaal om verdere stappen te nemen om ervoor te zorgen dat gender mainstreaming bij de planning van de begroting een feit wordt;
212. is verheugd over de door de Commissie opgestelde haalbaarheidsstudie over gender budgeting[72] en doet een beroep op alle partners bij het begrotingsproces van de Europese Unie om met de studie rekening te houden bij het voorbereiden, uitvoeren en controleren van de begroting;
213. verzoekt de Commissie om zich te blijven inzetten voor het ontwikkelen van genderspecifieke gegevens die kunnen worden opgenomen in de kwijtingsverslagen, aangezien de tot dusverre beschikbare, zeer beperkte gegevens geen goed beeld van de situatie geven;
214. verzoekt de Rekenkamer om in haar kwijtingsverslagen een afzonderlijk gedeelte over gendergelijkheidsaspecten op te nemen;
215. is verheugd over het feit dat de financieringsmechanismen voor 2007–2013 zijn vereenvoudigd, maar betreurt het feit dat ondanks deze verbetering, in 2008 een groot aantal vergoedingen voor de cohesieprojecten (waartoe het Europees Sociaal Fonds en gendergelijkheid behoren) weer fouten bevatten; verzoekt derhalve de Commissie om ervoor te zorgen dat de financieringsmechanismen doeltreffender worden;
Externe maatregelen
216. weet uit de ervaring die is opgedaan in 2007 en 2008 dat het van essentieel belang is ervoor te zorgen dat de transparantie op dit beleidsterrein blijft verbeteren, wat de uitgaven betreft, met name met het oog op de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO);
217.verzoekt de Commissie vóór het einde van de kwijtingsprocedure 2008 concrete, gedetailleerde en algemene plannen in te dienen voor de personeelsformatie en de organisatie- en controlestructuur van de EDEO, waarin met name de uitbreiding van de personeelsformatie en de verdeling van het personeel over de organisatie, de verwachte gevolgen voor de begroting en veranderingen in het Statuut en het Financieel Reglement zijn opgenomen en onmiddellijk onderhandelingen te starten met de begrotingsautoriteit op basis van de ingediende voorstellen; verwerpt onderhandelingen op basis van vage kaderakkoorden;
218. is sterk van mening dat het controlerecht van het Parlement als kwijtingsautoriteit met de creatie van de EDEO in geen geval mag worden ingeperkt; verwacht dat de Commissie hier rekening mee te houdt[73], wanneer zij de herziening van het huidige Financieel Reglement voorstelt; benadrukt het feit dat deze laatste herziening deel van de normale driejaarlijkse herziening moet uitmaken; verwerpt het idee van een snelle procedure als de Commissie plant;
219. neemt uiterst bezorgd kennis van de algemene beoordeling van de Rekenkamer dat de toezicht- en controlesystemen van alle betrokken DG's (AIDCO, RELEX, ELARG en ECHO) nog steeds maar gedeeltelijk effectief zijn, alsmede de conclusie van de Rekenkamer dat de betalingen in deze beleidsgroep materiële fouten vertoonden; wijst erop de fouten net als voorheen vooral te vinden zijn op het niveau van de delegatie en de begunstigden;
220. is tevreden met de verbeteringen van DG AIDCO wat zijn toezicht- en controlesystemen betreft; moedigt EuropeAid evenwel aan de nodige verbeteringen aan te brengen in zijn controles vooraf, een beroep te doen op externe controles en de inconsistenties en tekortkomingen in zijn jaarlijks controleplan, in de module CRIS Audit en in de algehele monitoring van de resultaten van de verrichte controles te remediëren;
221. dringt er bij DG RELEX op aan zijn controles achteraf te verstrengen en de tekortkomingen te remediëren die de Rekenkamer aan het licht brengt met betrekking tot zijn financieel beheer en toezicht op projecten; is tevreden met de erkenning door DG RELEX dat meer aandacht aan dit probleem moet worden besteed;
222. vestigt de aandacht op het substantiële aantal mogelijke fraudegevallen in deze beleidsgroep (102) dat door OLAF wordt onderzocht – het op één na hoogste aantal, net na interne onderzoeken; is tevreden dat OLAF focust op Externe steun, in onderzoek en preventieve actie en intensievere samenwerkingsactiviteiten;
223. betreurt de vertraging bij het realiseren van transparantie met betrekking tot de EU-middelen die worden beheerd door internationale organisaties, met name de VN ("gezamenlijk beheer"); betreurt de moeilijkheden die de Rekenkamer ondanks de herhaalde oproepen van de Commissie tot naleving van de financiële en administratieve kaderovereenkomst (Financial and Administrative Framework Agreement, FAFA) heeft ondervonden om controleverslagen en ondersteunende documenten van de VN te krijgen; erkent dat vooruitgang is geboekt en is hier tevreden mee, met name wat de sluiting betreft van een akkoord over taakomschrijvingen voor verificatiemissies in april 2009 en de ondertekening van de gezamenlijke richtsnoeren voor verslaglegging;
224. onderkent dat VN-organisaties vaak beschikken over specifieke ervaring en expertise die niet gemakkelijk elders wordt gevonden; is desondanks bezorgd dat de Commissie van tevoren niet overtuigend aantoont dat de keuze voor een VN-organisatie daadwerkelijk efficiënter en doeltreffender is dan andere manieren om steun te verlenen[74]; verzoekt de Commissie het selectieproces van kanalen voor de verstrekking van steun transparanter en objectiever vorm te geven;
225. wijst op de aanhoudende trend om de bijdragen aan het multi-donorfonds te verhogen en met name aan de VN, in overeenstemming met de beginselen van goede samenwerking tussen donorlanden; uit echter haar ontevredenheid over de aanhoudende problemen die de Rekenkamer ondervindt wanneer zij toegang wil krijgen tot financiële documenten van de VN-agentschappen; is verheugd over de stappen die door de Commissie zijn ondernomen om de audit-procedures van de Rekenkamer te faciliteren en dringt aan op verdere maatregelen om de financiële belangen van de Europese Unie volledig te waarborgen en de transparantie van het proces te vergroten met inbegrip, indien nodig, van wijzigingen van de FAFA;
226. benadrukt in deze samenhang dat het erg gefrustreerd en ontevreden is door het feit dat de Commissie nog niet is opgetreden om een echt Europees instrument te creëren voor de uitvoering van crisisbeheer, zoals haar in eerdere kwijtingsresoluties is gevraagd; benadrukt nogmaals dat dit spoedig moet gebeuren en verzoekt de nieuwe Commissie om zichzelf bij de komende herziening van het Financieel Reglement de mogelijkheid te verlenen om door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen zelf te beheren;
227. is verheugd over de positieve ontwikkelingen in termen van transparantie, doelstellingen en internationale donorcoördinatie die het gevolg zijn van de invoering van het PEGASE-mechanisme[75], dat was gebaseerd op het TIM[76] maar dat een breder bereik had omdat het zowel TIM-uitgaven omvatte als uitgaven die betrekking hadden op het opnieuw starten van economische activiteiten -begrotingssteun, de financiering van infrastructuur en sociale kwesties- in overeenstemming met het Palestijnse hervormings- en ontwikkelingsplan;
228. neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer dat er duidelijke strategische doelstellingen en meetbare prestatie-indicatoren moeten worden opgenomen in de strategische programmeringsdocumenten voor het Europese nabuurschaps- en partnerschapsinstrument; is van mening dat dergelijke stappen ook moeten worden ondernomen voor andere instrumenten, die nog steeds een erg algemene strekking hebben;
229. stelt voor dat de Commissie laat onderzoeken in hoeverre de begroting voor extern beleid flexibeler kan worden gemaakt; is van mening dat er, gezien de begrotingsoverschotten die tot nu toe zijn ontstaan en de nog steeds toenemende behoeften op dit beleidsterrein, bij voorbaat meer ruimte voor flexibiliteit moet worden gecreëerd, hoewel dit niet ten koste mag gaan van goed financieel beheer en begrotingscontrole;
Ontwikkeling en humanitaire hulp
230. betreurt de vaststelling als gevolg van de controle van de Rekenkamer dat de vastleggingen voor begrotingssteun een groot aantal niet-kwantificeerbare fouten bevatten; dringt er bij de Commissie op aan deze betalingen nog grondiger te controleren; neemt in deze samenhang tevreden kennis van de evaluatie in februari 2009 van de financiële kanalen voor dit type betalingen;
231. stelt tevreden de verbetering vast van de duidelijkheid en de structuur van de beoordeling door de Commissie van de naleving van de voorschriften van de Overeenkomst over het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking; betreurt evenwel het feit dat de Rekenkamer talrijke gevallen heeft aangetroffen waarin de Commissie niet op gestructureerde en geformaliseerde wijze heeft had aangetoond dat het beheer van de overheidsmiddelen voldoende transparant, verantwoord en doeltreffend was of dat tenminste een geloofwaardig en relevant hervormingsprogrammawas bestond;
232. is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie verdere inspanningen moet leveren ter onderbouwing van haar besluiten over het in aanmerking komen voor begrotingssteun en om ervoor te zorgen dat alle toekomstige financieringsovereenkomsten een alomvattende en duidelijke basis vormen om de naleving van de betalingsvoorwaarden te kunnen beoordelen;
234. moedigt de Commissie aan partnerlanden te ondersteunen bij de ontwikkeling van hun parlementaire controle- en auditcapaciteit, met name wanneer bijstand wordt verleend in de vorm van begrotingssteun, en verzoekt de Commissie periodiek verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang;
235. wijst erop dat de rol van het Parlement op het vlak van begrotingssteun bestaat uit het verantwoordelijk houden van de Commissie voor de resultaten van de uitgaven, en is van mening dat begrotingssteun een instrument voor ontwikkelingshulp is dat vereist dat controle op een volledig andere manier wordt opgevat, met verschuiving van de vergelijking van resultaten met indicatoren naar het toezicht houden op de input;
236. herhaalt zijn verzoek dat ontwikkelingshulp in het algemeen en begrotingssteun in het bijzonder geleidelijk moeten worden gekoppeld aan een voorafgaande openbaarmakingsverklaring van het land in kwestie, uitgegeven door de regering van het ontvangende land en getekend door de minister van Financiën, waarin bepaalde kwesties die een invloed hebben op de governance- en verantwoordingsstelsels van een begunstigd land aan bod komen;
237. verzoekt de nieuwe Commissie het voortouw te nemen en dit voorstel in te dienen bij andere internationale donoren (in het bijzonder de Wereldbank), met als doel een dergelijk instrument in overleg met andere donoren te ontwikkelen en in te voeren; wacht op informatie van de Commissie over een mogelijk tijdspad voor deze onderhandelingen;
238. dringt er bij de Commissie op aan strategische doelstellingen en adequate prestatie-indicatoren vast te stellen die een efficiënte impactbeoordeling van de EU-acties mogelijk maken;
239. moedigt de Commissie aan meer aandacht te besteden aan de gezondheid van vrouwen in ontwikkelingslanden in het algemeen, en de verbetering van de gezondheid van moeders in het bijzonder, aangezien op dit terrein de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen het verst achterblijft;
240. is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt op het gebied van taakverdeling tussen donoren en andere beginselen inzake de doeltreffendheid van steun; is evenwel van mening dat de Commissie meer inspanningen moet leveren om de activiteiten van de lidstaten te coördineren;
241. benadrukt het feit dat de doeltreffendheid van de hulp moet worden verbeterd en de fragmentatie van de hulp teruggedrongen; is van mening dat het aantal projecten dat door de Commissie en de lidstaten wordt beheerd, dat groot is (ongeveer 40.000), moet worden beperkt, door prioriteit te geven aan effectievere programma's en een betere coördinatie met de EU-donors via een duidelijke focus op een beperkter aantal prioritaire terreinen voor interventie voor elk begunstigd land, zonder de kleine, maar effectieve ngo's die op het terrein actief zijn, uit te sluiten;
242. merkt op dat 63% van de middelen die tot dusver zijn vastgelegd in het kader van de Voedselfaciliteit via internationale organisaties zijn verstrekt, en wijst erop dat de Commissie krachtens Verordening (EG) nr. 1337/2008[77] bij de uitvoering een "passend evenwicht"[78] in acht moet nemen tussen internationale organisaties en "andere in aanmerking komende entiteiten";
243. verzoekt nogmaals om meer betrokkenheid van parlementen en meer overleg met het maatschappelijk middenveld[79] in partnerlanden bij de opstelling en herziening van de landenstrategiedocumenten in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (IOS);
244. dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een betere zichtbaarheid van door de EU gefinancierde buitenlandse projecten.
Niet-gouvernementele organisaties (ngo's)
245. neemt kennis van de schriftelijke opmerkingen van de commissarissen Šefčovič en Šemeta van 8 maart 2010 met gedetailleerde informatie over de financiering van organisaties van het ngo-type door de Commissie en de uitvoerende agenstchappen;
246. verzoekt de Commissie een openbaar register in te stellen van organen van het ngo-type die door de Commissiediensten worden gefinancierd, haar diverse databanken met begunstigden die middelen uit de EU-begroting of het Europees Ontwikkelingsfonds ontvangen, te harmoniseren, in haar boekhoudsysteem aan te geven dat de begunstigde entiteiten een non-profit-karakter hebben en de mogelijkheid te onderzoeken het Register van belangenvertegenwoordigers uit te breiden met informatie over de financiering die zij van de EU ontvangen;
Roemenië en Bulgarije
247. is bezorgd door de tekortkomingen bij het beheer van het pretoetredingsgeld door de nationale autoriteiten in Bulgarije en Roemenië en is tevreden met de maatregelen die de Commissie heeft genomen, met name stopzetting van de betalingen, nauwgezette controle en samenwerking met de twee lidstaten, hetgeen samen heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de situatie; blijft bezorgd door de fundamentele zwakheden met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden bij het beheer van de Phare-middelen door twee uitvoerende agentschappen in Bulgarije, hoewel de contracten voor Phare-middelen zijn stopgezet; neemt kennis van de belofte van de huidige autoriteiten om de onregelmatigheden te onderzoeken en het beheer van de EU-financiering te hervormen;
248. merkt op dat de ontmantelingswerken aan de kerncentrale van Kozloduy tegen 19 oktober 2035 voltooid moeten zijn; merkt op dat er een gebrek is aan transparantie in de oorsprong van de financiering vanuit diverse directoraten-generaal bij de Commissie; verzoekt de Rekenkamer om de middelen die daar worden gebruikt, in detail te onderzoeken;
249. betreurt het ontbreken van substantiële vooruitgang met betrekking tot de aanpak van de vastgestelde zwakheden (met name wat het nationale fonds voor het wegennet betreft); steunt bijgevolg de voorzichtige aanpak van de Commissie en haar plan om de situatie van nabij te volgen, op basis van de vaststellingen op te treden en de Bulgaarse autoriteiten advies en hulp te verlenen om de vastgestelde zwakheden aan te pakken; dringt er bij de Commissie op aan de grootste waakzaamheid en gestrengheid aan de dag te leggen bij de goedkeuring van de conformiteitsbeoordelingen die voor de door de Bulgaarse autoriteiten voorgestelde operationele programma's worden ingediend en alvorens met het storten van de tussentijdse betalingen voor de programmeringsperiode 2007-2013 te beginnen; neemt kennis van de stappen die Bulgarije heeft genomen; is tevreden met het positieve resultaat van de evaluatieprocedures inzake naleving voor alle operationele programma’s en benadrukt daarbij dat verdere effectieve controle en begeleiding vanuit de Commissie moet worden toegepast;
250. merkt op dat de Commissie de betalingen in het kader van het SAPARD-programma in Roemenië in juli 2008 heeft opgeschort wegens de zwakheden en onregelmatigheden die door haar diensten waren vastgesteld en is tevreden met het actieplan van Roemenië om de tekortkomingen te remediëren, waardoor de Commissie de opschorting van de betalingen in juli 2009 kon intrekken;
251. steunt de opschorting door de Commissie van de betalingen in Bulgarije in het kader van de drie pretoetredingsprogramma's, Phare/overgangsfaciliteit, ISPA en SAPARD, waartoe zij in 2008 is overgegaan om de financiële belangen van de EU te beschermen, gelet op de zwakheden en onregelmatigheden die door haar diensten met betrekking tot het beheer van deze fondsen waren vastgesteld; is tevreden met de positieve reactie van Bulgarije op alle aanbevelingen, waardoor de Commissie haar opschorting van de betalingen in 2009 kon intrekken;
252. betreurt niettemin de zwakheden, met name het feit dat onregelmatige steunaanvragen niet konden worden geïdentificeerd en dat geen adequate follow-up van de onregelmatigheden mogelijk was, en dringt er bij Bulgarije op aan in nauwe samenwerking met de Commissie en onder strenge controle van een onafhankelijk controleur een gedetailleerd actieplan op te stellen;
253. benadrukt dat dit actieplan binnen vooraf bepaalde termijnen specifieke, meetbare, haalbare, relevante doelstellingen moet bereiken, met name, indien van toepassing, de creatie van transparante aanbestedingsregels die aan de internationale normen voldoen en de concurrentie van internationale bieders niet beperken door hen reusachtige interne administratieve lasten op te leggen; is voorts van mening dat deze doelstellingen moeten gefocust zijn op het invoeren en onderhouden van volledig operationele gerechtelijke en administratieve structuren;
254. is tevreden met de bijgewerkte informatie van de Commissie over de stand van de uitvoering wat de EU-fondsen in Bulgarije en Roemenië betreft; merkt evenwel op dat de ingediende voortgangsrapporten nog steeds inconsistenties en onregelmatigheden bevatten; stelt vast dat zijn inspanningen om de vooruitgang in het gerechtelijke en administratieve systeem te evalueren worden gedwarsboomd door de bestaande ontwerpen van de voortgangsrapporten;vraagt de Commissie de systemen van deze lidstaten en de uitvoering van de overeengekomen actieplannen van nabij te blijven volgen en suggereert dat OLAF ook de steun voortzet die het deze lidstaten verleent om hun verplichtingen met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie na te komen;
255. vraagt dat de rapporten duidelijke aanwijzingen geven over vooruitgang op de voornaamste gebieden van fraude- en corruptiebestrijding; herhaalt zijn vraag naar een verkeerslichtsysteem (rood, oranje en groen) op basis van specifieke indicatoren (kwantiteit en kwaliteit van de genomen wettelijke en administratieve maatregelen om fraude en corruptie te voorkomen, ontmoedigen en bestraffen), om een duidelijk beeld te schetsen van de evolutie van de bestaande systemen in die landen; is verbaasd dat OLAF niet altijd werd geraadpleegd bij het opstellen van de rapporten; vraagt de Commissie om de opmerkingen van OLAF in de volgende voortgangsrapporten op te nemen;
Uitbreiding
256. neemt kennis van de stappen die de Commissie heeft ondernomen om de algemene prestaties met betrekking tot de pretoetredingssteun in Kroatië in nauwe samenwerking met de nationale autoriteiten te verbeteren en de voorwaarden voor de volledige decentralisatie van de IPA-middelen van nabij te volgen; benadrukt het feit dat de lessen die getrokken zijn uit de problemen met de uitvoering van de pretoetredingsfinanciering in Bulgarije en Roemenië, de Kroatische autoriteiten moeten helpen om met de hulp van de Commissie soortgelijke moeilijkheden bij de uitvoering van de pretoetredingsfinanciering in hun land te voorkomen; betreurt het feit dat de Commissie er niet in is geslaagd in te gaan op de vraag van het Parlement om een verkeerslichtsysteem (groen, oranje en rood) in de voortgangsrapporten op te nemen en zo ontwikkelingen te tonen in gebieden die van groot belang zijn voor de fraudebestrijding, zoals het invoeren en behouden van stabiele en efficiënte structuren voor het rechtswezen en de administratie;
257. is teleurgesteld dat de belangrijke zwakheden (gebrek aan programmeringsgereedheid en ongelijke prestaties in de verschillende sectoren) die hebben geleid tot een "matig onbevredigende" algemene prestatie wat de pretoetredingssteun in Turkije betreft, nog steeds bestaan;
258. neemt kennis van de stappen die de Commissie in de kandidaat-landen en andere landen in de westelijke Balkan heeft ondernomen om corruptie te bestrijden en moedigt de uitvoering aan van projecten te bevordering van de onafhankelijkheid van het gerecht, de ontwikkeling van professionele rechtshandhaving en steun voor de strijd tegen corruptie, binnen het kader van de regionale en nationale hulp; herinnert aan het feit dat de EU onder de agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan zich ertoe heeft verbonden nauw samen te werken met de westelijke Balkanlanden om de vrede verder te bestendigen en stabiliteit, democratie, rechtsnorm en respect voor de mensenrechten en de rechten van minderheden te bevorderen; benadrukt dat dit ook van toepassing is op de strijd tegen de georganiseerde misdaad en corruptie alsmede op de versterking van de regionale samenwerking;
259. herinnert aan het feit dat de Rekenkamer geen duidelijke methodologie van de Commissie vond volgens dewelke de Commissie de vooruitgang op dit gebied meet; vraagt met name het Secretariaat-Generaal van de Commissie om het Parlement een verslag te bezorgen over de implementatie van de agenda van Thessaloniki, dat als basis kan dienen voor een externe evaluatie van de vooruitgang; verzoekt de Commissie om een duidelijk verband te leggen tussen de betaling van pretoetredingsmiddelen en bewezen en zichtbare verwezenlijkingen in de domeinen van de agenda van Thessaloniki;
260. herinnert aan het feit dat het voortgangsrapport voor Kroatië van 2009 tekorten toont op vlak van het rechtswezen te wijten aan gebrek aan transparantie en toepassing van eenvormige, objectieve criteria bij de selectie van rechters en procureurs; twijfelt daarom of de financiële middelen die op hoofdstuk 23 werden uitgegeven, efficiënt en effectief zijn uitgegeven;
261. merkt op dat de Raad voor regionale samenwerking (RCC) meer dan een jaar werkzaam is; vraagt de Commissie informatie te verschaffen om de regionale samenwerking onder het gedecentraliseerde implementatiesysteem te versterken en bij de begrotingsautoriteit haar strategische overwegingen ter zake in te dienen;
262. herhaalt dat de kandidaat-landen een effectieve implementatie van nieuwe en hervormde wettelijke bepalingen moeten waarborgen door middel van een ambitieuze, transparante, verantwoordelijke, effectieve en efficiënte openbare dienst; merkt bezorgd op dat, ondanks verschillende ontwikkelingen in beide landen, corruptie zowel in Kroatië als in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) nog wijdverbreid is en een zeer ernstig probleem vormt; betreurt het feit dat corruptie op een hoog niveau slechts beperkt is onderzocht en dat over het algemeen slechts een klein aantal onderzoeken tot strafrechtelijke aanklachten heeft geleid; benadrukt het feit dat dit wijst op ernstige gebreken in het gerechtelijke systeem;
263. vraagt de Commissie om constant toezicht te houden op en aan de begrotingstautoriteit verslag uit te brengen over de reeds gestarte en het aantal nieuwe strafrechtelijke aanklachten en vonnissen en de reeds gestarte en het aantal nieuwe rechtszaken op beschuldiging van inbreuken op de wetten op openbare aanbestedingen in Kroatië en de FYROM;
264. concludeert dat de behoefte aan een constant, objectief en transparant toezicht op de processen blijft bestaan; verzoekt de Commissie in dat opzicht om, in geval van toetredingsprocedures, een beginpunt te bepalen in de belangrijke domeinen die relevant zijn voor een toetreding en dat startpunt doorheen het toetredingsproces te gebruiken als referentie- en ijkpunt; is van mening dat de duurzaamheid van de vooruitgang in het toetredingsproces en de bestendiging van de doelstellingen die tijdens dat proces werden bereikt, van het hoogste belang zijn voor de succesvolle voortzetting van de Unie; vraagt bijgevolg naar een regelmatige posttoetredingsfollow-up;
Administratieve uitgaven
265. constateert met voldoening dat bij de controle van de Rekenkamer geen enkele significante fout werd aangetroffen die van invloed was op de wettigheid en regelmatigheid van de administratieve uitgaven.
CONCLUSIES INZAKE DE SPECIALE VERSLAGEN VAN DE REKENKAMER
Deel I:
Speciaal verslag nr. 10/2008 — Ontwikkelingshulp van de EG aan de gezondheidsdiensten in Afrika bezuiden de Sahara
266. verzoekt de Commissie om bij de evaluatie halverwege de looptijd van het tiende EOF te overwegen haar hulp voor de gezondheidssector op te trekken, als ondersteuning van haar engagement voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling op het gebied van gezondheid, en ervoor te zorgen dat bij de verdeling van haar hulp voor de gezondheidssector haar beleidsprioriteit inzake steun voor gezondheidssystemen wordt geëerbiedigd;
267. herinnert de Commissie aan haar toezegging in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking om uiterlijk in 2009 20% van alle uitgaven in het kader van het Europese ontwikkelingsbeleid te besteden aan gezondheid en basisonderwijs en vraagt dat de Commissie het geregeld informeert over het percentage, uitgesplitst per land, van de totale ontwikkelingshulp voor Afrika ten zuiden van de Sahara dat voor basis- en secundair onderwijs en basisgezondheid bestemd is;
268. verzoekt de Commissie te zorgen voor voldoende deskundigheid op het gebied van gezondheid, zodat zij een effectieve rol in de dialoog over de gezondheidssector kan spelen, door ervoor te zorgen dat alle delegaties waarin de gezondheidssector centraal staat, over specialisten op het gebied van gezondheid beschikken, door in landen in een postconflictsituatie nauwer met de gezondheidsadviseurs van ECHO samen te werken, door intensievere partnerschappen met de landenbureaus van de WHO te sluiten, om gebruik van de deskundigheid aldaar te maken, en door formele overeenkomsten met de lidstaten te sluiten om gebruik van hun deskundigheid te maken; vraagt de Commissie het mee te delen hoeveel gezondheids- en onderwijsdeskundigen respectievelijk in de regio aanwezig zijn, op delegatieniveau alsmede in haar hoofdkwartier, en een overzicht te geven waarin wordt aangegeven of zij erin is geslaagd dit aantal te verhogen;
269. verzoekt de Commissie het beroep op sectorale begrotingssteun in de gezondheidssector voort op te voeren, met haar algemene begrotingssteun op een verbetering van de gezondheidsdiensten te focussen en voort gebruik te maken van projecten om beleidsontwikkeling en capaciteitsopbouw te ondersteunen;
270. dringt er bij de Commissie op aan mechanismen en controle-instrumenten in te stellen om ervoor te zorgen dat een adequaat deel van de algemene begrotingssteun dient om te voorzien in basisbehoeften, met name in de gezondheidssector, doelstellingen te hanteren waarmee rechtstreeks het resultaat van beleid wordt gemeten, steun te verlenen voor capaciteitsopbouw en het Parlement te informeren over de stappen die zij hiertoe heeft ondernomen;
271. verzoekt de Commissie duidelijkere richtsnoeren vast te stellen voor het gebruik van elk instrument en van combinaties van instrumenten, alsmede in de begunstigde landen nauwer en efficiënter samen te werken met het Wereldfonds;
272. verzoekt de Commissie in samenwerking met de Rekenkamer uit te maken hoe de in het verslag van de Rekenkamer vastgestelde zwakheden kunnen worden aangepakt en bij het Parlement verslag over deze besprekingen uit te brengen;
Deel II:
Speciaal verslag nr. 12/2008 — Pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid (ISPA), 2000-2006
273. dringt er bij de Commissie op aan de uitvoering van ex-ISPA-projecten van nabij te volgen, te onderzoeken hoe vertraging bij de uitvoering van projecten kan worden voorkomen of beperkt, wanneer in de toekomst soortgelijke instrumenten worden geïmplementeerd (bijvoorbeeld het IPA), en alle nodige stappen te ondernemen om vertraging bij de opstelling van toekomstige documenten met richtsnoeren te voorkomen;
274. vraagt een rigoureuzere en realistischere planning door de aanvragers van projecten en vraagt manieren om de procedures te versnellen, wanneer in de toekomst soortgelijke instrumenten worden geïmplementeerd, zowel op het niveau van de Commissie als binnen de nationale administratie van de begunstigde landen;
275. verzoekt de Commissie haar systeemcontroles voort te zetten om ervoor te zorgen dat betrouwbare systemen voor het beheer van de structuurfondsen en het Cohesiefonds worden gecreëerd en situaties met een groot potentieel risico in de toekomst te voorkomen;
Deel III
Speciaal verslag nr. 1/2009 — Bankmaatregelen in het Middellandse Zeegebied in het kader van het programma MEDA en de eerdere protocollen
276. vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat de hulp van de Gemeenschap, de Europese Investeringsbank en andere internationale en lokale partners effectiever moet worden gecoördineerd en dat geregeld informatie moet worden uitgewisseld, met name op lokaal niveau, om de consistentie en de complementariteit van de activiteiten te verbeteren;
277. merkt op dat, hoewel het vervolgens is verbeterd, het controleniveau in de eerste jaren van het MEDA-programma niet adequaat was, vooral in de gevallen waar de Commissie volledig steunde op de controle die door de EIB was uitgevoerd vóór 2005;
278. onderstreept het belang van een beheersovereenkomst voor de bedoelde door de Commissie aan de EIB in opdracht gegeven bankmaatregelen die een passend toezicht garandeert, de milieuaspecten bestrijkt en de financiële belangen van de Gemeenschappen vrijwaart en die ervoor zorgt dat de intermediairs en de projectontwikkelaars hun financiële en rapportageverplichtingen nakomen;
279. benadrukt het feit dat de uitvoering van een aangepast evaluatie- en toezichtprogramma voor bankmaatregelen in het kader van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument belangrijk is;
Deel IV
Speciaal verslag nr. 2/2009 — Het volksgezondheidsprogramma van de Europese Unie (2003 2007): een doeltreffende manier om de gezondheid te verbeteren?
280. meent dat het Volksgezondheidsprogramma (VGP) (2003-2007) wel een ambitieus opzet had, maar dat de doelstellingen ervan niet duidelijk genoeg waren en evenmin aangepast aan de beperkte budgettaire middelen; merkt op dat dit ertoe geleid heeft dat het programma te veel actiegebieden omvatte, die in sommige gevallen niet eens een project toegewezen kregen; merkt op dat deze verwatering de kwaliteit van het programma heeft aangetast en heeft geleid tot zo een grote verscheidenheid van projecten, dat de Commissie niet volledig op de hoogte is van alle bestaande projecten; vraagt derhalve aan de Commissie dat zij verslag uitbrengt bij het Parlement over de resultaten van haar evaluaties van het huidige VGP en benadrukt dat het risico van verwatering moet worden aangepakt bij de tussentijdse evaluatie van het programma en de evaluatie achteraf;
281. merkt op dat de Rekenkamer twijfels heeft over het nut van bepaalde delen van het VGP en betreurt dat het programma in bepaalde gevallen projecten heeft gefinancierd (met name in het kader van de component 'gezondheidsbepalende factoren') met geringe Europese meerwaarde;
282. vindt dan ook dat vervolgprogramma's op het VGP toegespitst moeten zijn op netwerken en uitwisseling van beste praktijken en dat meer gebruik moet worden gemaakt van de open coördinatiemethode om de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen;
283. verzoekt de Commissie een duidelijke interventielogica op te stellen voor mogelijke vervolgprogramma’s op het huidige VGP; benadrukt dat dit moet gebeuren in de effectbeoordeling achteraf, die bij het Commissievoorstel voor een dergelijk programma moet worden gevoegd;
284. vraagt dat de Rekenkamer tijdig een officieel advies geeft over de effectbeoordeling vooraf van de Commissie, zodat het Parlement en de Raad kunnen overleggen over het voorstel van de Commissie voor een besluit over dit programma; meent dat de Rekenkamer bij de voorbereiding van haar advies rekening moet houden met de hoger genoemde standpunten van het Parlement;
Deel V
Speciaal verslag nr. 3/2009 — De doeltreffendheid van uitgaven uit hoofde van structurele maatregelen met betrekking tot afvalwaterbeheer voor de programmeringsperioden 1994-1999 en 2000-2006
285. neemt nota van de onderbenutting van sommige zuiveringsinstallaties en dringt er bij de met EU-middelen gefinancierde zuiveringsinstallaties op aan een kostenefficiënte werkwijze te volgen; moedigt de Commissie en de lidstaten daarom aan om manieren te vinden om ervoor te zorgen dat de met EU-middelen gefinancierde zuiveringsinstallaties op adequate wijze zijn aangesloten op de riolering; benadrukt het feit dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van de zuiveringsinstallaties en moedigt hen aan inspanningen te leveren om te zorgen voor een adequate kwaliteit van het effluent en een volledige benutting van de capaciteit;
286. waardeert de inspanningen van de Commissie om de betrokken richtlijn (Richtlijn van de Raad 86/278/EG[80] – zuiveringsslibrichtlijn) te herzien, pleit voor een versnelling van de huidige herzieningsprocedure met het oog op de verwerking van recente ontwikkelingen en de aanpassing van verschillende gebruiken op dit gebied in de lidstaten en spoort de lidstaten aan ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het zuiveringsslib in overeenstemming met de EU-grenswaarden is;
287. onderstreept het feit dat een rigoureuzer onderzoek van de projecten in de aanvraagfase nodig is om tekortkomingen van de verwachte effecten te voorkomen; verzoekt de Commissie daarom voort interne richtsnoeren en controlelijsten voor gebruik in het beoordelingsproces te ontwikkelen, om de consistentie van de subsidieaanvragen te verbeteren en te zorgen voor een behoorlijke follow-up in de gevallen waar de vereiste informatie of het vereiste optreden uitblijft;
Deel VI
Speciaal verslag nr. 4/2009 — Het beheer door de Commissie van de betrokkenheid van niet-overheidsactoren bij EG-ontwikkelingssamenwerking
288. betreurt dat er momenteel een kloof bestaat tussen de EU-beleidstoezeggingen over de betrokkenheid van noa's bij de ontwikkelingssamenwerking en de daadwerkelijke uitvoeringspraktijk, kan deze kloof niet accepteren en verwacht derhalve van de bevoegde commissaris dat hij bewijs levert van volledige politieke steun en richtinggevende maatregelen voor een effectieve uitvoering van de beleidstoezeggingen ten aanzien van de noa's, zowel door het hoofdkantoor van de Commissie als door de delegaties; betreurt voorts dat het criterium voor een succesvolle ontwikkeling wordt gereduceerd tot "economische ontwikkeling", aangezien deze benadering voorbij gaat aan het feit dat de kloof tussen arm en rijk aanmerkelijk groter is geworden; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat elke delegatie vóór eind 2010 over ten minste één verantwoordelijk voltijds expert beschikt die zich met beleid, contacten en overeenkomsten voor noa's bezighoudt;
289. merkt op dat de ontwikkelingslanden die hun ontwikkelingsproces in eigen hand hebben genomen, goede resultaten bij de bestrijding van de armoede hebben geboekt; benadrukt de centrale rol van de staat in het ontwikkelingsproces en moedigt de Commissie en haar delegaties aan om de betrekkingen met de regeringen van partnerlanden verder te verbeteren zodat een effectievere betrokkenheid en raadpleging van de noa's mogelijk wordt;
290. betreurt het ten zeerste dat complete en betrouwbare gegevens ontbreken en verwacht van de Commissie dat zij deze omissie onmiddellijk herstelt, omdat betrouwbare gegevens een voorwaarde zijn om te kunnen beginnen met het meten van resultaten; roept de Commissie derhalve op het vóór het begin van de begrotingsprocedure 2011 een volledig financieel overzicht te doen toekomen van de via noa's verlopen EG-financiering uit de verschillende begrotingslijnen, opgesplitst per betrokken land;
291. is van mening dat de kwaliteit van hulp belangrijker is dan de kwantiteit en moedigt de Commissie aan een belangrijke rol te vervullen bij het aanpakken van de evidente chaos binnen de ontwikkelingshulp door een sterke en efficiënte coördinatie van donoren te bevorderen en de bestaande hulpverlening te verbeteren; verzoekt de Commissie te overwegen of dit niet het juiste moment is om met volledige inachtneming van de opmerkingen van de Rekenkamer het hele systeem van (mede)financiering van noa's grondig te herzien en er zo voor te zorgen dat noa's kunnen rekenen op transparante en efficiënte regelgeving voor het deelnemen aan programma's en projecten;
292. moedigt de Commissie aan zich grondig rekenschap te geven van het feit dat donoren politieke actoren zijn en dat de belangen van donoren en ontvangende landen soms strijdig kunnen zijn; benadrukt dat sterke democratische, nationale instituties en een goed uitgestippeld beleid voor de verdeling van welvaart voorwaarden voor duurzaamheid zijn; is van mening dat er een substantiële verschuiving van het medefinancieren van projecten voor noa's naar 100% EU-financiering van projecten nodig is om een samenhangender programmeringsbeleid, programma's en projecten en toereikende evaluatie te realiseren;
293. is van mening dat er een overlapping bestaat tussen de evaluatie van de via organisaties van de civiele maatschappij verstrekte EU-hulp die voor de Commissie wordt uitgevoerd[81] en het speciaal verslag van de Rekenkamer en verzoekt de Rekenkamer en de evaluatie-units in de Commissie informatie over de geplande activiteiten uit te wisselen en hierover bij het Parlement verslag uit te brengen;
294. roept de Commissie op voorstellen in te dienen tot wijziging van het Financieel Reglement, zodat de EU als sterke speler kan fungeren te midden van andere internationale donoren;
Deel VII
Speciaal verslag nr. 5/2009 — Het beheer van de kasmiddelen door de Commissie
295. is van mening dat de Commissie haar overzicht van de verschillende kasbeheersactiviteiten die worden verricht, moet verbeteren en dat, overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer, vaker vergaderingen moeten worden gehouden tussen de twee betrokken DG's (DG Begroting (DG BUDG) en DG Economische en financiële zaken (DG ECFIN)) om binnen de Commissie als geheelinformatie over risico's te delen en ervaringen en beste praktijken op het gebied van kas- en vermogensbeheersactiviteiten uit te wisselen;
296. is van mening dat de Commissie alles in het werk moet blijven stellen om ervoor te zorgen dat aanzienlijke financiële risico's het hele jaar lang effectief en van nabij worden gevolgd; is tevreden met het feit dat de Commissie om de situatie voort te verbeteren de Rekenkamer al heeft voorgesteld en er al mee is overeengekomen dat onmiddellijk na de afsluiting 2008 een officiële rondzendbrief naar de betrokken financiële organisaties moet worden gestuurd om van hen nauwkeurige, volledige en gestandaardiseerde informatie over de trustrekeningen te krijgen;
297. verzoekt de Commissie om in DG BUDG op basis van een risicoanalyse een controleplan voor elke periode van 12 maanden op te stellen, tijdens en na het jaar controles uit te voeren en uiterlijk drie maanden na afloop van het jaar in kwestie bij het Parlement verslag over de vastgestelde problemen uit te brengen;
298. verzoekt de Commissie voort te gaan met het overzicht van de risico's in verband met haar kasverrichtingen (DG BUDG), dat deel uitmaakt van haar jaarrekening en dat een duidelijke en volledige samenvatting biedt van de risico's waaraan zij is blootgesteld, van de manieren waarop deze risico's worden beheerd en van de maatregelen die zijn genomen om ze te controleren, tot een minimum terug te brengen of te neutraliseren;
299. is van mening dat de Commissie ter wille van de transparantie haar procedures voor de overschrijving van middelen tussen de eigenmiddelenrekeningen van de lidstaten duidelijker moet documenteren en dat zij de specifieke selectieprocedure die in elk geval wordt gevolgd, beter moet documenteren;
300. verzoekt de Commissie de bijwerking van haar gegevensbanken te verbeteren, de kruiscontroles te optimaliseren en gevolg te geven aan de opmerking van de Rekenkamer dat de coördinatie moet worden verbeterd om rekening te houden met het totale risico waaraan de Commissie bij elke handelsbank is blootgesteld, wanneer de rekeninglimieten voor activa die bij handelsbanken kunnen worden aangehouden, worden vastgesteld door de betrokken DG's;
301. is tevreden met de inspanningen van de Commissie, die het steunt, met betrekking tot het huidige systeem voor het beheer van voorlopig geïnde geldboeten, dat in 2008 is herzien, en verwacht dat het begin 2009 door DG BUDG ingediende voorstel voor een Commissiebesluit hierover de veiligheid ervan zal verbeteren;
Deel VIII
Speciaal verslag nr. 6/2009 — Voedselhulp van de Europese Unie voor de behoeftigen: een beoordeling van de doelstellingen, middelen en gebruikte methoden
302. is tevreden met de controle van de Rekenkamer van dit programma, alsmede met het herzieningsvoorstel van de Commissie (COM(2008)0563); verwijst naar zijn wetgevingsresolutie van 26 maart 2009 waar het dit herzieningsvoorstel steunt[82]; onderstreept het feit dat het EU-optreden op het gebied van voedselhulp een aanvulling is van de reeds bestaande acties in de lidstaten;
303. herinnert eraan dat bij de sociale hulp die door de autoriteiten van de lidstaten wordt verstrekt, zelden wordt gefocust op de toegang tot voedsel en dat de voedselinitiatieven voor sociaal uitgesloten en marginale bevolkingsgroepen gewoonlijk worden geleid door liefdadigheidsorganisaties en gerund met de hulp van vrijwilligers;
304. is van mening dat betere criteria nodig zijn om de hulp te richten op de landen en de begunstigden die de grootste behoefte hebben;
305. is van mening dat de lidstaten die aan het programma deelnemen, efficiënte maatregelen voor de bestrijding van voedselverspilling moeten ontwikkelen;
306. herinnert de Commissie eraan dat het subsidiariteitsbeginsel geenszins de verplichtingen beperkt die de Commissie heeft overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan de Commissie de begroting uitvoert "onder haar eigen verantwoordelijkheid" en "met het beginsel van goed financieel beheer";
307. verwacht dat de Commissie gevolg aan de aanbevelingen van de Rekenkamer geeft, opdat de begrotingsautoriteiten volledige en objectieve informatie over de resultaten van het programma kunnen krijgen;
Deel IX
Speciaal verslag nr. 7/2009 — Het beheer van de ontwikkelings- en valideringsfase van het Galileo-programma
308. betreurt het feit dat het beheer van de ontwikkelings- en valideringsfase van het Galileo-programma volgens de vaststellingen van de Rekenkamer ontoereikend was; merkt op dat de technologische ontwikkeling vijf jaar vertraagd is ten opzichte van de oorspronkelijke planning en dat de kostenraming voor de ontwikkelings- en valideringsfase bijna verdubbeld is van 1 100 000 000 EUR tot 2 100 000 000 EUR;
309. verzoekt de Commissie in de komende mededeling over de toekomst van Galileo gevolg aan de aanbevelingen van de Rekenkamer te geven om de politieke doelstellingen van het Galileo-programma te verduidelijken en deze om te zetten in strategische en operationele doelstellingen, teneinde in afwachting van volledige implementatie een degelijke routekaart voor Galileo vast te stellen;
310. is bezorgd door de vaststellingen van de Rekenkamer dat de meeste doelstellingen van de gemeenschappelijke onderneming Galileo niet konden worden gehaald en dat de activiteiten ervan ernstig gehinderd waren door bestuurskwesties; verzoekt de Commissie er overeenkomstig de aanbevelingen van de Rekenkamer voor te zorgen dat bij toekomstige gemeenschappelijke ondernemingen de bestuursstructuur de activiteiten van de gemeenschappelijke ondernemingen niet hindert;
311. is van mening dat de Europese belastingbetaler over de deelname van derde landen aan het Galileo- en het EGNOS- programma moet worden geïnformeerd; vraagt daarom dat de Commissie het gedetailleerde informatie over elke soort van samenwerking tussen de EU en derde landen met betrekking tot het Galileo- en het EGNOS- programma verstrekt;
312. verzoekt de Commissie, de Europese GNSS-toezichtautoriteit, in haar rekeningen, en de Rekenkamer, in zijn verslagen, de kwijtingsautoriteit duidelijke en volledige informatie over de roerende en onroerende activa die in het kader van het Galileo- en het EGNOS- programma zijn gecreëerd, waarvan de Europese Unie eigenaar is, te verstrekken;
313. verzoekt de Commissie bijgewerkte cijfers en kosten-batenanalysen van het Galileo-project voor te bereiden en het Parlement hierover te informeren;
Deel X
Speciaal verslag nr. 8/2009 — Topnetwerken en geïntegreerde projecten in het communautaire onderzoeksbeleid: zijn de doelstellingen bereikt?
Beginfase van de procedure
314. merkt het bestaan op van een diepe "verwachtingskloof", in de zin dat minder dan 55% van alle achteraf geëvalueerde projecten hun oorspronkelijke "uitstekend"-beoordeling hebben behouden; verzoekt de Commissie haar evaluatieprocedures te herzien;
315. herinnert eraan dat de grote meerderheid van de aanvragen niet boven de "uitmuntendheids"-drempel uitkomt (slechts 15% tot 20%), terwijl de aanvraagkosten (in sommige gevallen niet minder dan 300 000 EUR) door de aanvragers worden gedragen; dringt er gelet hierop bij de Commissie op aan om op coherente en efficiënte wijze kiesheid en oordeelkundigheid aan de dag te leggen (bijvoorbeeld procedures in meer fasen), teneinde zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van het geld dat is toegewezen aan onderzoek en niet aan onderzoeksadministratie;
316. acht het jammer dat, afhankelijk van hun uiteindelijke succes in de aanvraagprocedure, slechts 53% tot 86% van alle betrokken partijen de aard van de instrumenten in het zesde kaderprogramma ten volle heeft begrepen; betreurt het feit dat de keuze van het instrument in sommige gevallen blijkbaar veeleer op fiscale dan op materiële overwegingen is gebaseerd; merkt op dat het bestaan van een groot aantal partners in de topnetwerken, alsmede de sterke focus van de Commissie op wettelijke integratie, een specifieke uitdaging is en dat de deskundigengroep over de toekomst van de topnetwerken heeft aanbevolen dat ruimere partnerschappen alleen in uitzonderlijke, behoorlijk gemotiveerde gevallen worden gevormd[83];
Vorming van topnetwerken
317. betreurt dat, ondanks de vragen van het Parlement om een meer dienst- en klantgerichte uitvoering van de onderzoeksprogramma's, maar weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot de vorming van "one stop shops" voor alle directoraten-generaal binnen de onderzoekscluster, standaardisering van de aanvraagprocedures, de vooraf vereiste documentatie en consistente communicatie; wijst erop dat de bevolking de Commissie ziet als één entiteit;
318. vraagt gelet hierop dat de Commissie eindelijk de nodige stappen onderneemt in de richting van een proactieve aanpak wat klantenservice, interne kwaliteitscontrole, met inbegrip van standaardisering op het tweede niveau, en coherent beheer betreft; verzoekt de Commissie alle wetteksten online toegankelijk te maken waarop de subsidieovereenkomsten gebaseerd zijn, met inbegrip van verwijzingen naar de Belgische wet, indien nodig;
319. herinnert aan de permanente vraag van het Parlement om een verlaging van de administratieve lasten, met name in subsidieprocedures[84]; betreurt het feit dat de contracteringstermijn gemiddeld 13 maanden bedraagt, vier maanden langer dan in KP5; met het oog op KP7, vraagt dat de Commissie gebruik maakt van de bestaande administratieve instrumenten (bijvoorbeeld de Personal Identification Codes (PIC's), de Legal Entity Appointed Representatives (LEAR's));
320. is ontevreden doordat KP6 de doelstelling van meer participatie van particuliere deelnemers, met name KMO's, niet heeft gehaald; is het eens met de Rekenkamer dat sommige bepalingen hun deelname heeft ontmoedigd; is in het algemeen van mening dat de wettelijke bepalingen en regels (met inbegrip van de modelcontracten en de richtsnoeren) buitengewoon ingewikkeld zijn en op zich de effectieve en efficiënte uitvoering van het onderzoeksbeleid belemmeren;
321. merkt op dat de focus van de evaluaties veeleer de "input"-checks zijn dan de outputbeoordelingen; is het eens met de Rekenkamer dat de behoorlijke definitie van specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van een datum voorziene doelstellingen (specific, measurable, achievable, relevant and timed – SMART – objectives) aan de start van het project een sleutelelement is voor de bepaling van de vooruitgang en het eventuele welslagen ervan; benadrukt dat rapportageverplichtingen moeten worden ontworpen als doelmatig instrument voor de monitoring en beoordeling van de vooruitgang met betrekking tot de integratie en de materiële vooruitgang[85] en niet mogen worden gebruikt als sanctioneringsinstrument of om zich te mengen in de andere discretionaire beheersactiviteiten van de coördinator, zolang deze stroken met de wettelijke bepalingen;
Duurzaamheid en toekomstige ontwikkeling
322. betreurt het feit dat in de meeste gevallen geen duurzame integratie kon worden gerealiseerd die ook na de eerste financieringsperiode standhield en dat de eerste financieringsperiode van vijf jaar volgens de beoordeling van de Rekenkamer onrealistisch is gebleken; steunt het voorstel om zeer concurrerende en selectieve criteria te hanteren voor de verlengde financiering van topnetwerken die verklaren in staat te zijn in hun eigen behoeften te voorzien (ER, blz. 28);
323. neemt met belangstelling kennis van het voorstel van de deskundigengroep om de mogelijkheid te onderzoeken van gecoördineerde uitnodigingen tot het indienen van voorstellen voor de ERA-NET's en KP7 met een combinatie van nationale en communautaire middelen[86], alsmede maatregelen om de transparantie en toegankelijkheid te verbeteren van de CORDIS-gegevensbank, om te zorgen voor een uitwisseling van onderzoeksresultaten binnen ERA (uitwisseling van voorbeelden van beste praktijken);
324. is zeer bezorgd door het feit dat de uitvoering van de controlestrategie van de Commissie voor KP6 al heeft geleid tot twee rechtszaken die door voormalige deelnemers aanhangig zijn gemaakt; benadrukt het feit dat betrouwbaarheid de basis is voor elke samenwerking op lange termijn en verzoekt de Commissie eens te meer ter wille van de rechtszekerheid de financiële memoranda bij projecten in het kader van het zesde kaderprogramma die reeds door de Commissie zijn goedgekeurd en vastgesteld, niet te herberekenen door een nieuwe uitleg te geven aan de criteria voor subsidiabiliteit van kosten zoals die in de algemene voorwaarden (bijlage II) van het modelcontract van het zesde kaderprogramma zijn vastgelegd[87]; dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen op te voeren om een oplossing te vinden, met name door de invorderingsprocedures te vereenvoudigen via het gebruik van adequate forfaitaire procedures en rekening te houden met de goede trouw en legitieme verwachtingen van de begunstigden, en spreekt zijn verlangen uit naar een op oplossingen gerichte dialoog;
325. vraagt de Commissie oplossingen te vinden die zorgen voor betrouwbaarheid en continuïteit op middellange termijn wat de uitvoering en planning van kaderprogramma's betreft, met name met het oog op KP8, en met name op homogene wijze vaste tijdslimieten en strikte procedureregels toe te passen;
Deel XI
Speciaal verslag nr. 9/2009 — De doelmatigheid en doeltreffendheid van de door het Europees bureau voor personeelsselectie verrichte activiteiten voor selectie van personeel
326. moedigt het Europees bureau voor personeelsselectie (European Personnel Selection Office, EPSO) aan in zijn ontwikkelingsplan (EPSO Development Programme, EDP) rekening met de aanbevelingen van de Rekenkamer te houden;
327. is van mening dat EPSO en alle EU-instellingen hun communicatie met de burger over het concept van een onpartijdige Europese overheidsdienst moeten verbeteren en het imago van de EU als werkgever moeten verbeteren;
328. wijst er in deze samenhang op dat EPSO er ook naar moet streven zijn communicatie met de overheidsdiensten in de lidstaten te verbeteren, om beste praktijken uit te wisselen op het gebied van informatieverstrekking/reclame voor de bevolking en van het gerichte bekendmaken van carrièremogelijkheden, om deze onder de aandacht van beroepslui te brengen; is van mening dat soortgelijke communicatie moet worden ondernomen met relevante internationale organisaties;
329. is ervan overtuigd dat een betere samenwerking met de universiteiten op lange termijn voordelen kan opleveren, enerzijds door de EU-instellingen de gewenste werknemers te bezorgen en anderzijds door afgestudeerden te helpen hun carrièremogelijkheden te verbeteren;
330. moedigt EPSO aan zijn inspanningen voort te zetten om de geografische onevenwichten onder de kandidaten en bijgevolg onder de laureaten te onderzoeken en te voorkomen;
331. betreurt het feit dat het proces voor de rekrutering van personeel voor het midden- en het hogere management, met name de geografische onevenwichten op dit gebied, noch in het verslag van de Rekenkamer, noch door EPSO voldoende wordt geanalyseerd; suggereert dat de Rekenkamer in zijn volgende speciaal verslag (of een follow-upverslag) een analyse van deze kwestie maakt;
332. is van mening dat EPSO het beheer van de wachtlijsten van laureaten moet verbeteren door hun informatie te verstrekken over de vacatures van het moment, om hun uiteindelijke aanwerving te faciliteren; is tegelijk van mening dat inspanningen moeten worden geleverd om de tijd die geslaagde kandidaten op een baan moeten wachten, te verkorten;
333. is er niet van overtuigd dat detachering van ambtenaren van de EU-instellingen naar EPSO om daar als voltijds jurylid te fungeren, een realistische en kostenefficiënte werkwijze is;
334. verzoekt EPSO ambiguïteit in aankondigingen van vergelijkende onderzoeken te voorkomen en moedigt het aan zijn procedures om te controleren of kandidaten de toelatingscriteria vervullen, te herzien;
335. verzoekt EPSO ook zijn beroepsprocedures te verbeteren, bijvoorbeeld door verschillende panels aan te wijzen in eerste en tweede aanleg;
336. merkt op dat tegen EPSO diverse zaken hangende zijn bij het Gerecht voor ambtenarenzaken in verband met tekortkomingen in de selectieprocedure (met name wat talen betreft); is van mening dat, zodra deze zaken zijn gesloten, er lessen uit moeten worden getrokken die door EPSO in het EDP moeten worden opgenomen;
Deel XII
Speciaal verslag nr. 10/2009 — Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten
337. betreurt het feit dat het bestaande systeem het niet mogelijk maakt de doeltreffendheid van de maatregel te meten en dat het, zelfs als de impact van het beleid positief blijkt, erg moeilijk is om deze te meten, door het gebrek aan specifieke doelstellingen, een expliciete strategie en adequate indicatoren;
338. dringt er bij de Commissie op aan de beleidsdoelstellingen te specificeren, ermee rekening houdend dat het budget dat wordt uitgetrokken, consistent moet zijn met de ambities die worden uitgesproken, en deze doelstellingen te formuleren op een specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van een datum voorziene manier (specific, measurable, achievable, relevant and timed – SMART), alsmede adequate prestatie-indicatoren vast te stellen en te meten;
339. verzoekt de Commissie voort gaan met de verbeteringen in de selectieprocedure, met name door de vereiste te behouden om in voorstellen informatie op te nemen over de verwachte impact van de maatregelen in kwestie en over de manier waarop die impact zal worden gemeten;
340. verzoekt de lidstaten tot de verbetering van de selectieprocedure bij te dragen door de relevantie van de voorstellen te verifiëren en de selectiviteit te vergroten; moedigt de lidstaten ook aan om de Commissie informatie over hun nationale afzetbevorderingssteun en -maatregelen te verstrekken;
341. verzoekt de lidstaten de openbareaanbestedingsprocedures te verbeteren die zij bij de selectie van de uitvoerende instanties volgen en met name erg strakke tijdslimieten te voorkomen, formele procedures systematisch te volgen en ervoor te zorgen dat de indienende organisaties aan de selectievoorwaarden voldoen;
Deel XIII
Speciaal verslag nr. 11/2009 — De duurzaamheid en het beheer door de Commissie van de projecten van LIFE-Natuur
342. merkt op dat de controle en het beheer van LIFE-Natuur een complex proces is en dat diverse belanghebbenden uit de lidstaten erbij betrokken zijn; merkt evenwel op dat het wegens de omvang van de hieraan toegewezen financiële middelen zeker moet zijn dat de gemaakte investeringen kostenefficiënt en duurzaam zijn;
343. verzoekt de Commissie haar selectiemodel te herzien om de prioriteit te geven aan projectvoorstellen voor LIFE-Natuur die de zekerheid bieden met betrekking tot de continuïteit van de resultaten; suggereert de Commissie ook het beheer van de onderdelen "Natuur" en "Milieu" uit elkaar te halen;
344. dringt er bij de Commissie op aan nauw samen te werken met het Europees Milieuagentschap en het European Topic Centre on Biological Diversity voor de vaststelling van de adequate criteria en indicatoren voor de selectie van voorstellen ten aanzien van de duurzaamheid, alsmede de nodige initiatieven te nemen om het toezicht op de projecten ten aanzien van de behaalde resultaten te verbeteren en adequate indicatoren en criteria te ontwikkelen om projectresultaten te meten;
345. verzoekt de Commissie haar communicatiestrategie te herzien, met bijzondere aandacht voor de verspreiding van relevante informatie en lessen die zijn getrokken, en ervoor te zorgen dat de begunstigden meer technische details moeten verstrekken over de gevolgde methoden, de lessen die zijn getrokken en de beste praktijken die zijn vastgesteld;
346. verzoekt de lidstaten, die zelf verantwoordelijk zijn voor duurzaam natuurbehoud, nauw met de Commissie en de andere lidstaten samen te werken om beste praktijken voor het beheer van LIFE-Natuur-projecten uit te wisselen;
347. verzoekt de Commissie een follow-upregeling in te voeren voor financiering na LIFE, om de doeltreffendheid van de gefinancierde projecten te beoordelen en te zorgen voor een duurzaam impact van de EU-financiering na de sluiting van de projecten;
348. verzoekt de Commissie adequate maatregelen uit te werken om de hangende juridische kwesties en uitvoeringsbeperkingen met betrekking tot de follow-up op lange termijn van de projecten op te lossen;
Deel XIV
Speciaal verslag nr. 12/2009 — De doeltreffendheid van de projecten van de Commissie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken voor de westelijke Balkan
349. stelt met tevredenheid vast dat de Commissie, anders dan bij voorgaande toetredingsprogramma's het geval was, heeft getracht belangrijke structurele hervormingen in de sector justitie en binnenlandse aangelegenheden vroeger in het uitbreidingsproces aan te pakken, en vindt het stellen van deze prioriteiten zeer positief; dringt er in dit verband op aan dat de Commissie haar steun voor de westelijke Balkan vooral blijft richten op de sector justitie en binnenlandse aangelegenheden om deze activiteiten voort te zetten;
350. wijst er nogmaals op dat de Commissie de projecten in de sector justitie en binnenlandse aangelegenheden beheert in moeilijke politieke en institutionele omstandigheden; verwacht dat de Commissie, rekening houdend met de conclusies van de Rekenkamer dat de investeringsprojecten beter geslaagd waren dan de institutionele opbouwprojecten, de band tussen de projecten tot opvoering van de institutionele capaciteit en de investeringsprojecten in de desbetreffende regio aanzienlijk verstevigt;
351. is het met de Rekenkamer eens dat de toewijzing van de plaatselijke activiteiten en projecten een doorslaggevend element is om de versteviging van de rechtsstaat te laten slagen en is eveneens van mening dat de duurzaamheid van de projecten door gebrek aan betrokkenheid en verantwoordelijkheid op plaatselijke niveau wordt verzwakt; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de verstrekte steun vergezeld gaat van een hoge mate van bereidheid van de zijde van ontvangers de institutionele hervormingen actief aan te moedigen en de betrokkenheid van ontvangers bij de projecten op te voeren;
352. is evenals de Rekenkamer van mening dat de EU-steun aan de westelijke Balkan in het algemeen doelmatig is, maar dat er werkelijke gevaren bestaan ten aanzien van de duurzaamheid van de projecten; stelt met tevredenheid vast dat duurzaamheid en verantwoordelijkheid in het kader van het IPA-programma waarschijnlijk zullen toenemen, doordat er projectvoorwaarden worden gesteld en doordat de ontvangers mede financieren; is van mening dat onderhoudsprogramma's de duurzaamheid van de projecten nog verder zouden opvoeren en verzoekt de Commissie invoering hiervan te overwegen als voorwaarde voor het verkrijgen van financiële steun van de EU;
353. gaat ervan uit dat de Commissie er nauwgezet voor zorgt dat de maatregelen in verband met de infrastructuur in de sector geïntegreerd grensbeheer nu zo worden geformuleerd en ten uitvoer gelegd dat regionale samenwerking wordt aangemoedigd;
354. verzoekt de Commissie te doen wat zij kan om ervoor te zorgen dat de verschillende donors in het veld beter samenwerken, en om hun acties doelmatiger te coördineren;
355. is van mening dat, in overeenstemming met haar aandeel in de bijdragen, duidelijker moet worden uitgedragen dat de EU de belangrijkste donor in de regio is; ziet ter zake een voorstel van de Commissie tegemoet;
Deel XV
Speciaal verslag nr. 13/2009 — Uitvoerende taken delegeren aan uitvoerende agentschappen: een geslaagde keuze?
356. benadrukt het feit dat de verantwoordelijkheid voor het beleid en het toezicht op de activiteiten overeenkomstig de principes van delegatie blijft berusten bij de Commissie;
357. betreurt het feit dat de Commissiecontrole van de activiteiten van de agentschappen volgens de audit evenwel niet volledig effectief is en benadrukt het feit dat nieuwe indicatoren moeten worden ontwikkeld om een betere meting van de prestaties van de agentschappen door de toezichthoudende DG's mogelijk te maken;
358. is van mening dat de oprichting van uitvoerende agentschappen niet alleen gemotiveerd moet zijn door personeelsbeperkingen, maar vooral door de doelstelling de dienstverlening te verbeteren in de programma's waar een duidelijke scheiding tussen beleid en uitvoeringstaken de Commissie in staat kan stellen om haar inspanningen te concentreren op strategische kwesties;
359. steunt de intentie van de Commissie om tot 2013 geen bijkomende uitvoerende agentschappen te creëren, tenzij er nieuwe Commissiebevoegdheden zijn, en in plaats hiervan de mogelijkheid te benutten om het mandaat van bestaande agentschappen uit te breiden;
360. is bezorgd doordat de rekruteringspraktijk in de uitvoerende agentschappen er volgens het verslag van de Rekenkamer in bestaat voor tijdelijke posten aan te werven in lagere graden en van arbeidscontractanten meer jaren ervaring te eisen dan het geval is voor arbeidscontractanten met soortgelijke taken in de Commissie; is van mening dat dit banen minder aantrekkelijk maakt, ondanks het aanbod van hernieuwbare contracten in tegenstelling tot de maximum contractduur van drie jaar die geldt voor arbeidscontractanten bij de Commissie, en waarschuwt voor de gevolgen die dit voor de kwaliteit van het functioneren van een bepaald agentschap kan hebben;
361. is van mening dat bij een toekomstig onderzoek van deze kwestie ook de negatieve impact kan worden geëvalueerd die contracten met een kortere looptijd en een groter personeelsverloop eventueel op het werk van de agentschappen hebben;
362. is van mening dat een van de grote mogelijke voordelen van een uitvoerend agentschap de aanwerving is van gespecialiseerd personeel en verzoekt de Commissie de aanwervingscriteria en -voorwaarden voor het personeel van de uitvoerende agentschappen te herzien;
363. verzoekt de Commissie een gedetailleerde vergelijkende analyse voor te leggen van de factoren die de loonverschillen bepalen, rekening houdend met de verschillende vereisten op het gebied van bekwaamheden en opleidingskwalificaties, zowel voor het Commissiepersoneel als voor het personeel van de uitvoerende agentschappen;
364. verzoekt de Commissie gevolg aan de aanbevelingen van de Rekenkamer te geven en:
a) betrouwbare gegevens over werkdruk en productiviteit in verband met de delegatie van taken te verzamelen en te gebruiken, met het oog op de uitvoering van een impactbeoordeling, zowel vóór als na de externalisering,
b) de succesfactoren en conclusies te identificeren die tot betere resultaten bij de agentschappen hebben geleid en de lessen die zijn getrokken, toe te passen op alle programma's die voort door de Commissiediensten worden beheerd,
c) het toezicht op de agentschappen te verbeteren, door resultaatgeoriënteerde en gerichte doelstellingen te bepalen, met gebruikmaking van een beperkt aantal relevante prestatie-indicatoren, die de basis moeten vormen voor de doelstellingen van de komende jaren;
Deel XVI
Speciaal verslag nr. 14/2009 — Hebben de instrumenten voor het beheer van de markt voor melk en zuivelproducten hun voornaamste doelstellingen bereikt?
365. verwacht dat de Commissie met het oog op de massale schommelingen en ongelijkheden op de wereldmarkt effectieve voorzorgsmaatregelen en compenserende maatregelen treft om kleine en middelgrote bedrijven te versterken en de veiligheid van de voedselbevoorrading te verbeteren via een ruim aanbod aan bedrijven binnen de Europese Unie;
366. merkt op dat de Rekenkamer bijzonder bezorgd is over de gevolgen in berg- en achtergestelde gebieden; benadrukt dat het deze bezorgdheid deelt, aangezien efficiënte boerderijen integraal deel uitmaken van de ontwikkeling in veel rurale regio's; is van mening dat boerderijen in vele lidstaten een grote impact hebben op de ontwikkeling, de stabiliteit en het behoud van het platteland in rurale gebieden;
367. is het er niet mee eens dat wat de melkmarkt van de EU betreft, in de eerste plaats moet worden gefocust op de interne markt; maar deelt de mening van de Rekenkamer dat de Europese melkmarkt in de wereldwijde export moet focussen op de vervaardiging van melkproducten met een hoge toegevoegde waarde; wijst er alsmede op dat de Commissie een hoge prioriteit moet geven aan eerlijke concurrentie op de wereldmarkt zonder dumping om de benadeling en financiële vernietiging van bedrijven door plotse schommelingen in de wereldhandel tegen te gaan; roept op de gepaste marketingmaatregelen en marktonderzoeken in landen buiten Europa te betoelagen en wijst op het feit dat landbouwstructuren of de creatie ervan in ontwikkelingslanden niet mogen worden vernietigd door de uitvoer van landbouwgoederen en begeleidende marktmaatregelen;
368. is het met de Rekenkamer eens dat permanente controle van de ontwikkeling van de melkmarkt nodig is en verzoekt de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen om ongepaste ontwikkelingen te identificeren wanneer zij zich voordoen en in een vroeg stadium tegen te gaan met de gepaste maatregelen;
369. wijst er bovendien op dat een grondig algemeen debat over de doelstellingen van het GLB nodig is.
Deel XVII
Speciaal verslag Nr. 16/2009 over het beheer door de Europese Commissie van de pretoetredingssteun aan Turkije
370. is tevreden over de gegronde evaluatie van de Rekenkamer met betrekking tot het beheer door de Commissie van de pretoetredingssteun aan Turkije;
371. is verrast door de conclusies van het Speciaal verslag nr. 16/2009 van de Rekenkamer over het beheer door de Europese Commissie van pretoetredingssteun aan Turkije, waarin de Rekenkamer bekritiseert dat de Commissie niet had gezorgd voor een doeltreffend systeem voor de beoordeling van individuele projecten in de periode 2002-2008 en dat het daarom niet gemakkelijk is om te beoordelen hoe de middelen werden beheerd, en of er waar voor zijn geld werd verkregen;
372. vindt het zorgwekkend dat de strategische planning voor 2002-2004 alsmede de 236 “prioriteiten" van het toetredingspartnerschap in 2006 geen rangschikking omvatten volgens belang of overweging van het vereiste niveau en de vereiste maatregelen met betrekking tot de vooruitgang naar de toetreding toe; bekritiseert het duidelijke gebrek aan efficiënt gebruik van de Europese middelen; is teleurgesteld dat prioriteiten die waren aangeduid als "korte termijn" tussen 2006 en 2008 geen noemenswaardige vooruitgang boekten;
373. benadrukt het verzoek van de Rekenkamer voor een stevige methodologie om de strategische doelstellingen te bepalen waarvoor financiële steun van de EU het meeste nodig is; is van mening dat de aangewezen maatregelen om elk strategisch doel te bereiken, duidelijk moeten worden gedefinieerd; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de diverse projectvoorstellen specifieke, meetbare, realistische en relevante doelstellingen bevatten zodat hun bijdrage aantoonbaar strategische resultaten behaalt;
374. bekritiseert het feit dat financiële middelen voor pretoetredingssteun werden toegekend aan Turkije ondanks het feit dat sommige indicatoren ontbraken en dat de vooruitgang naar de vervulling van de toetredingscriteria niet kon worden gemeten; verzoekt daarom financiële middelen te concentreren op projecten die relevant zijn voor de toetreding, feitelijk meetbaar zijn en geïmplementeerd kunnen worden;
375. wijst erop dat de Commissie nog steeds de resterende tekortkomingen in het algemene beheer van de programmering en de prestaties moet aanpakken zoals aanbevolen door de Rekenkamer, hoewel de Commissie maatregelen heeft ingevoerd om de vele tekortkomingen in het gedecentraliseerde implementatiesysteem in het bijzonder sinds de introductie van het nieuwe instrument voor pretoetredingssteun (IPA 2007-2013); verwacht alsmede dat de Commissie de Turkse autoriteiten van dit feit bewust maakt zodat projectvoorstellen worden opgesteld die toelaten dat strategische doelstellingen inzake de financiering van de Europese Unie binnen een realistische termijn kunnen worden verwezenlijkt; is van mening dat de Commissie nieuwe initiatieven moet nemen om het ontwerp en de implementatie van de projecten bij de instellingen van het gedecentraliseerd implementatiesysteem (maatregelen zoals verplichte evaluaties van behoefen en betere planning van verdragsluitende regelingen) te verbeteren;
376. beschouwt de verhoging van de middelen voor Turkije in de periode 2007-2013 als ongepast aangezien men niet in staat is de vooruitgang naar de toetredingsdoelstellingen te meten, en is van mening dat een jaarlijkse voortzetting van het financiële niveau van de toetredingssteun van 2006 gepast is totdat meetbare prioriteiten ondubbelzinnig in de respectievelijke verordeningen worden gedefinieerd en geïmplementeerd;
377. herinnert aan het belang van een evaluatie van het hele programma voor de pretoetredingssteun aan Turkije door de Commissie;
378. verzoekt de Commissie de doelstellingen te wijzigen voor het instrument voor pretoetredingssteun dat niet enkel op grond van een EU-lidmaatschap maar ook op grond van een intensere relatie met de EU toegankelijk moet zijn, bijvoorbeeld door middel van speciale buurtinstrumenten of speciale vormen van lidmaatschap, indien ontoereikende politieke hervormingen en implementatie van het instrument voor pretoetredingssteun door de kandidaat-toetreder dergelijke actie vereisen.
23.2.2010
ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Michael Gahler
SUGGESTIES
De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. is verheugd over de positieve ontwikkelingen in termen van transparantie, doelstellingen en internationale donorcoördinatie die het gevolg zijn van de invoering van het PEGASE-mechanisme[88], dat was gebaseerd op het TIM[89] maar dat een breder bereik had omdat het zowel TIM-uitgaven omvatte als uitgaven die betrekking hadden op het opnieuw starten van economische activiteiten -begrotingssteun, de financiering van infrastructuur en sociale kwesties- in overeenstemming met het Palestijnse hervormings- en ontwikkelingsplan;
2. wijst op de aanhoudende trend om de bijdragen aan het multi-donorfonds te verhogen en met name aan de VN, in overeenstemming met de beginselen van goede samenwerking tussen donorlanden; uit echter haar ontevredenheid over de aanhoudende problemen die de Rekenkamer ondervindt wanneer zij toegang wil krijgen tot financiële documenten van de VN-agentschappen; is verheugd over de stappen die door de Commissie zijn ondernomen om de audit-procedures van de Rekenkamer te faciliteren en dringt aan op verdere maatregelen om de financiële belangen van de Europese Unie volledig te waarborgen en de transparantie van het proces te vergroten met inbegrip, indien nodig, van wijzigingen van de financiële en administratieve kaderovereenkomst (FAFA);
3. neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer dat er duidelijke strategische doelstellingen en meetbare prestatie-indicatoren moeten worden opgenomen in de strategische programmeringsdocumenten voor het Europese nabuurschaps- en partnerschapsinstrument; is van mening dat dergelijke stappen ook moeten worden ondernomen voor andere instrumenten, die nog steeds een erg algemene strekking hebben;
4. stelt voor dat de Commissie laat onderzoeken in hoeverre de begroting voor extern beleid flexibeler kan worden gemaakt; is van mening dat er, gezien de begrotingsoverschotten die tot nu toe zijn ontstaan en de nog steeds toenemende behoeften op dit beleidsterrein, bij voorbaat meer ruimte voor flexibiliteit moet worden gecreëerd, hoewel dit niet ten koste mag gaan van goed financieel beheer en begrotingscontrole;
5. neemt kennis van het Speciaal Verslag nr. 16/2009 van de Rekenkamer, dat op 13 januari 2010 is gepubliceerd en waarin een reeks leemtes wordt gesignaleerd in het beheer van de pre-toetredingssteun aan Turkije; merkt op dat het verslag betrekking heeft op de periode die voorafgaat aan de implementatie van het instrument voor pre-toetredingssteun (IPA), en erkent dat de implementatie van dat instrument gezorgd heeft voor verbeteringen in de programmering, implementatie en monitoring van de EU-steun in de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten; benadrukt niettemin het belang van doelmatig en tijdig beheer van het IPA (instrument voor pre-toetredingssteun) voor het hervormingsproces in de betrokken landen en dringt er bij de Commissie op aan zorgvuldig rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer bij het implementeren van de steun uit hoofde van dat instrument;
6. neemt kennis van het gebruik van begrotingssteunbetalingen door de Commissie, hetgeen volledig in overeenstemming is met de strategie van inbezitneming ('assumption of ownership') door de ontvangende landen; benadrukt echter dat die vorm van steun, wil zij succesvol zijn, gepaard moet gaan met duidelijke implementatiestrategieën en adequate controlemechanismen, in termen van zowel vervulling van de betalingsvoorwaarden als verwezenlijking van de strategische doelstellingen van de Unie met betrekking tot de ontvangende landen.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
23.2.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
50 0 3 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Gabriele Albertini, Bastiaan Belder, Frieda Brepoels, Arnaud Danjean, Mário David, Michael Gahler, Marietta Giannakou, Andrzej Grzyb, Heidi Hautala, Richard Howitt, Anna Ibrisagic, Anneli Jäätteenmäki, Jelko Kacin, Ioannis Kasoulides, Tunne Kelam, Maria Eleni Koppa, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Eduard Kukan, Krzysztof Lisek, Sabine Lösing, Mario Mauro, Kyriakos Mavronikolas, Willy Meyer, Francisco José Millán Mon, Alexander Mirsky, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Norica Nicolai, Raimon Obiols, Kristiina Ojuland, Ria Oomen-Ruijten, Ioan Mircea Paşcu, Cristian Dan Preda, Libor Rouček, Jacek Saryusz-Wolski, Werner Schulz, Adrian Severin, Marek Siwiec, Ernst Strasser, Charles Tannock, Zoran Thaler, Inese Vaidere, Johannes Cornelis van Baalen, Graham Watson |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Elena Băsescu, Malika Benarab-Attou, Carlo Casini, Marije Cornelissen, Andrew Duff, Lorenzo Fontana, Roberto Gualtieri, Georgios Koumoutsakos, Luis Yáñez-Barnuevo García |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Bas Eickhout |
|||||
5.3.2010
ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Gay Mitchell
SUGGESTIES
De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt op het gebied van taakverdeling tussen donoren en andere beginselen inzake de doeltreffendheid van steun; is evenwel van mening dat de Commissie meer inspanningen moet leveren om de activiteiten van de lidstaten te coördineren;
2. is bezorgd dat de Rekenkamer gebreken heeft geconstateerd in de processen waarmee de naleving van de betalingsvoorwaarden bij begrotingssteun wordt gecontroleerd;
3. verzoekt de Commissie de toezicht- en controlesystemen op het gebied van begrotingssteun te versterken om de regelmatigheid van betalingen te waarborgen, scherper toezicht te houden op organisaties die door de EU gefinancierde projecten uitvoeren, effectievere audits met consequente vervolgmaatregelen uit te voeren, en resultaatgerichtere richtsnoeren voor begrotingssteun te ontwikkelen;
4. moedigt de Commissie aan partnerlanden te ondersteunen bij de ontwikkeling van hun parlementaire controle- en auditcapaciteit, met name wanneer bijstand wordt verleend in de vorm van begrotingssteun, en verzoekt de Commissie periodiek verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang;
5. verzoekt de Commissie nogmaals ten minste 20% van de ontwikkelingshulp uit te geven aan basis- en middelbaar onderwijs en basisgezondheidszorg;
6. moedigt de Commissie aan meer aandacht te besteden aan de gezondheid van vrouwen in ontwikkelingslanden in het algemeen, en aan de gezondheid van moeders in het bijzonder, aangezien op dit terrein de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen het verst achterblijft;
7. onderkent dat VN-organisaties vaak beschikken over specifieke ervaring en expertise die niet gemakkelijk elders wordt gevonden; is desondanks bezorgd dat de Commissie van tevoren niet overtuigend aantoont dat de keuze voor een VN-organisatie daadwerkelijk efficiënter en doeltreffender is dan andere manieren om steun te verlenen[90]; verzoekt de Commissie het selectieproces van kanalen voor de verstrekking van steun transparanter en objectiever vorm te geven;
8. merkt op dat 63% van de middelen die tot dusver zijn vastgelegd in het kader van de Voedselfaciliteit via internationale organisaties zijn verstrekt, en wijst erop dat de Commissie krachtens Verordening (EG) nr. 1337/2008[91] bij de uitvoering een "passend evenwicht"[92] in acht moet nemen tussen internationale organisaties en "andere in aanmerking komende entiteiten";
9. verzoekt nogmaals om meer betrokkenheid van parlementen en meer overleg met het maatschappelijk middenveld[93] in partnerlanden bij de opstelling en herziening van de landenstrategiedocumenten in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (IOS);
10. dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een betere zichtbaarheid van door de EU gefinancierde buitenlandse projecten.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
1.3.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
22 0 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Thijs Berman, Michael Cashman, Nirj Deva, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Catherine Greze, Enrique Guerrero Salom, Eva Joly, Franziska Keller, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Bill Newton Dunn, Maurice Ponga, Birgit Schnieber-Jastram, Ivo Vajgl, Anna Záborská, Iva Zanicchi |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Miguel Angel Martínez Martínez, Cristian Dan Preda, Judith Sargentini |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Rosario Crocetta, Róża, Gräfin von Thun Und Hohenstein |
|||||
24.2.2010
ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Ingeborg Gräßle
SUGGESTIES
De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole de volgende suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. wijst erop dat de kredieten voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) met 10,6 miljard euro aan vastleggingen voor 100% en met 8,8 miljard euro aan betalingen voor 97,1% zijn vastgelegd; waardeert het streven van de Commissie naar verbetering van het financieel beheer;
2. wijst op het algemene foutenpercentage bij de structuurfondsen van ten minste 11%; heeft aanwijzingen voor een lager percentage bij het ESF; moedigt de Commissie aan haar eigen foutenpercentage mee te delen en de mogelijkheid van een grotere mate van autonomie van het ESF voor de komende financiële periode te onderzoeken;
3. betreurt dat het actieplan van de Commissie ter verbetering van het beheer van de structuurfondsen[94] nog steeds niet beoordeeld kan worden; wijst erop dat 82% van de financiële correcties bij het ESF in de periode 2000-2006 betrekking had op Italië en Spanje; acht doelgerichte inspanningen met de betrokken lidstaten noodzakelijk alsook een gestaffeld informatie- en sanctiesysteem om fouten sneller te elimineren en met "best and worst practice"-voorbeelden het juiste gebruik van de kredieten te steunen;
4. herinnert eraan dat het de taak is van het Directoraat-generaal werkgelegenheid, dat de kredieten beheert, om passende maatregelen te nemen inzake preventie van bedrog en corruptie; is verheugd over de nauwe samenwerking met het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF); wenst dat ervoor wordt gezorgd dat fraudegevallen bij het ESF ook door de nationale justitiële instanties worden onderzocht en gesanctioneerd;
5. merkt op dat het foutenniveau niet noodzakelijk op fraude wijst en verzoekt derhalve voortaan een duidelijk onderscheid te maken tussen fraude en foutenpercentages;
6. is verheugd dat de Commissie ernaar streeft dat alle lidstaten volledig rekenschap afleggen via jaarlijkse controleverslagen van de auditdiensten en samenvattende jaarverslagen; verzoekt om toetsing van de verantwoordingsplicht, zodat informatie niet twee keer wordt opgevraagd; is van mening dat ontbrekende of onvolledige verantwoordingsverslagen van nationale administratieve of controlerende instanties alsook de niet-naleving van de minimale eisen van het Financieel Reglement onaanvaardbaar zijn en gestraft moeten worden; verzoekt de Commissie derhalve voorstellen te ontwikkelen ter verbetering en uitbreiding van de bestaande verslagleggingsplicht met een sanctiemechanisme;
7. stelt vast dat belangenconflicten tussen de beheerders van de kredieten en de begunstigden bij de toewijzing van de kredieten mogelijk zijn; verzoekt de Commissie de regels inzake het voorkomen van belangenconflicten bij de toewijzing van de kredieten met adequate middelen op het niveau van de nationale administraties effectief toe te passen;
8. onderstreept de bijzondere behoeften van de doelgroepen en projectleiders bij het ESF; stelt voor vrijwillige werkzaamheden in non-profitorganisaties en investeringen in natura in de medefinanciering van projecten mede in aanmerking te nemen; verzoekt de projectleiders om een actueel overzicht per lidstaat en per project van de administratieve kosten van het ESF;
9. herinnert aan de jongste wijzigingen van de structuurfondsverordeningen (Verordening (EG) nr. 1341/2008; Verordening (EG) nr. 284/2009; Verordening (EG) nr. 396/2009; Verordening (EG) nr. 397/2009; Verordening (EG) nr. 846/2009 inzake administratieve vereenvoudiging; verzoekt om een verslag over de effecten van deze wijzigingen;
10. stelt vast dat dergelijke vereenvoudigingsprocedures essentieel zijn voor de vermindering van de administratieve lasten op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, en benadrukt dat het van belang is ervoor te zorgen dat dergelijke procedures in het vervolg niet tot een hoger foutenpercentage leiden.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
22.2.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
36 0 1 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Regina Bastos, Edit Bauer, Milan Cabrnoch, David Casa, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Sergio Gaetano Cofferati, Marije Cornelissen, Tadeusz Cymański, Frédéric Daerden, Karima Delli, Proinsias De Rossa, Frank Engel, Sari Essayah, Richard Falbr, Marian Harkin, Roger Helmer, Nadja Hirsch, Danuta Jazłowiecka, Martin Kastler, Ádám Kósa, Jean Lambert, Veronica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Elizabeth Lynne, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Siiri Oviir, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Vilija Blinkevičiūtė, Marielle Gallo, Joe Higgins, Ria Oomen-Ruijten, Evelyn Regner, Birgit Sippel |
|||||
23.2.2010
ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Jutta Haug
SUGGESTIES
De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. beschouwt de algemene uitvoeringspercentages van de begrotingslijnen voor milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid als bevredigend;
2. wijst op het globale uitvoeringspercentage van 95,15% van de begroting op het gebied van milieu, het uitvoeringspercentage van 99,75% van de vastleggingskredieten op het gebied van volksgezondheid en de uitvoering van 98% van het hoofdstuk voedselveiligheid en dierengezondheid, wat een bevredigend resultaat is;
3. wijst erop dat onder de begroting 2008 zes proefprojecten en voorbereidende acties werden uitgevoerd;
4. is verheugd over de uitvoering van 99,26% van de operationele begroting voor LIFE+; wijst erop dat 196 projecten werden geselecteerd; wijst erop dat 52% van de verleende financiering werd toegekend aan projecten in verband met ‘natuur en biodiversiteit’; is evenwel van mening dat er nog ruimte is voor verbetering in het beheer van de Commissie om de duurzaamheid van medegefinancierde projecten te waarborgen;
5. wijst er in dit opzicht op dat verbeteringen mogelijk zijn door ervoor te zorgen dat er reeds ondersteunende maatregelen bestaan op het ogenblik dat oproepen tot het indienen van voorstellen worden gelanceerd, door de verspreiding van kennis uit eerdere LIFE-projecten te verbeteren en door projecten na hun afloop stelselmatiger op te volgen;
6. verzoekt de Commissie te zorgen voor meer assistentie en specifieke opleidingen voor kandidaten en gebruiksvriendelijke richtsnoeren op te stellen; benadrukt dat onmiddellijk aandacht moet worden besteed aan de onderdelen van het programma met een laag uitvoeringspercentage en dat dienovereenkomstig moet worden gehandeld;
7. benadrukt het belang van meer en gerichte assistentie aan kandidaten die projecten in het kader van het volksgezondheidsprogramma uitvoeren, om onredelijke kostenclaims en onvolledige financiële verslagen die tot aanslepende procedures leiden te vermijden; is bovendien van oordeel dat aanbestedingen duidelijk en gebruiksvriendelijk moeten zijn om projectvoorstellen te voorkomen die gezien hun omvang en de ermee gepaard gaande hoge kosten absoluut niet in aanmerking komen voor financiering of die van povere kwaliteit zijn;
8. wijst met tevredenheid op de succesvolle uitvoering van het Communautair Fonds voor tabak en is ervan overtuigd dat dit een belangrijk instrument is;
9. herinnert de Commissie aan haar verantwoordelijkheid tegenover het Uitvoerend Agentschap voor Gezondheid en Consumenten (EAHC); wijst erop dat het EAHC 256 projecten met kostendeling beheerde, voor in totaal EUR 119 miljoen uit de begroting van de Europese Unie, en dat het vergaderingen van deskundigen en informatiedagen organiseerde; acht de werking van het EAHC in 2008 bevredigend;
10. is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat de Commissie kwijting kan worden verleend voor de uitgaven op het gebied van milieubeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2008.
BEKNOPTE MOTIVERING
Dit advies gaat over de uitvoering van de begroting op het gebied van milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2008.
Milieu
Milieu behoort tot de familie "Landbouw en natuurlijke hulpbronnen", die van de Rekenkamer voor het eerst een ongekwalificeerde betrouwbaarheidsverklaring heeft gekregen. De milieu-uitgaven vormen evenwel slechts een marginaal onderdeel van de begroting van deze familie, waartoe ook AGRI, MARE en SANCO behoren.
LIFE +
De uitvoering van het LIFE + Programma kan wat de vastleggingskredieten betreft als zeer bevredigend worden beschouwd. De Commissie slaagde erin 99,26% van de operationele begroting van LIFE + vast te leggen (begrotingslijn 07 03 07):
- EUR 207.500.000 voor de oproep tot het indienen van voorstellen voor projecten die steun genieten in de vorm van een subsidie voor het uitvoeren van acties, gepubliceerd in juli 2008 en gedekt door een globale vastlegging overeenkomstig artikel 76 van het Financieel Reglement / artikel 92 van de uitvoeringsvoorschriften voor het overeenkomstige bedrag, waardoor de selectie- en gunningsprocedures in 2008-2009 konden plaatsvinden en de subsidieovereenkomsten met de begunstigden tegen eind 2009 konden worden gesloten. Van de ongeveer 700 voorstellen werden er 196 geselecteerd - 80 onder de noemer "natuur en biodiversiteit", 100 onder "bestuur" en 16 onder "informatie en communicatie".
- EUR 8.495.809 ter ondersteuning van de operationele activiteiten van ngo's die zich hoofdzakelijk bezighouden met de bescherming en verbetering van het milieu op Europees niveau en die betrokken zijn bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap – oproep tot indienen van voorstellen gepubliceerd in oktober 2007, subsidieovereenkomsten gesloten tijdens het eerste semester van 2008.
- EUR 30.261.232 voor maatregelen ter ondersteuning van de rol van de Commissie inzake inleiding van en toezicht op beleid en de ontwikkeling van regelgeving, evenals communicatie en bewustmaking.
Bij de uitgaven voor administratieve ondersteuning bedroeg de uitvoering 74,6%. Deze relatief beperkte uitvoering kan worden verklaard door de volgende factoren:
- het verzoek om kredieten op deze begrotingslijn voor het VOB 2008 werd afgerond op het ogenblik dat het LIFE + programma werd goedgekeurd (mei 2007). Gezien de wezenlijke veranderingen in de definitieve tekst van de verordening (verandering van indirect gecentraliseerd beheer naar direct gecentraliseerd beheer door de Commissie), heeft de Commissie op dat ogenblik een zo goed mogelijke raming gemaakt van de kosten voor de vereiste technische bijstand voor het beheer, het toezicht, de beoordeling en de verspreiding van de resultaten van het programma.
Financieringsinstrument voor civiele bescherming
De nieuwe rechtsgrondslag voor civiele bescherming die op 5 maart 2007 werd goedgekeurd, verruimt het toepassingsgebied van het desbetreffende instrument, dat nog steeds in hoofdzaak de bescherming van personen beoogt, maar nu ook de bescherming inhoudt van milieu en eigendom, met inbegrip van het culturele erfgoed, in geval van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, terroristische acties of technologische, nucleaire of ecologische ongelukken.
Het financieringsinstrument voor civiele bescherming dekt:
· Rampenbestrijding, met inbegrip van vervoer van bijstand binnen de EU in het kader van bestrijdingsacties die onder het mechanisme voor civiele bescherming vallen – wanneer de bestrijding plaatsvindt naar aanleiding van een ramp in lidstaten en landen die aan het programma deelnemen, worden de acties gefinancierd uit begrotingslijn 07 04 01 – wanneer de bestrijding plaatsvindt naar aanleiding van een ramp in derde landen, worden de acties gefinancierd uit begrotingslijn 19 06 05.
· Paraatheidsacties (opsporing, training, netwerking, oefeningen, uitwisseling van deskundigen, ICT-systemen en instrumenten) – alle gefinancierd uit begrotingslijn 07 04 01;
· Maatregelen ter voorkoming of beperking van de gevolgen van een noodsituatie (onderzoek naar de oorzaken van rampen, voorspellingen en voorlichting van het publiek) – alle gefinancierd uit begrotingslijn 07 04 01.
Rampenbestrijding
Dit is het gebied waar de nieuwe rechtsgrondslag in nieuwe acties voorziet, met name met betrekking tot ondersteuning en medefinanciering voor het vervoer van civiele-beschermingsbijstand naar een land dat door een noodsituatie is getroffen, weliswaar onder bepaalde voorwaarden. Op 8 augustus 2007 heeft de Commissie uitvoeringsbepalingen voor deze nieuwe acties vastgesteld[95].
Aanvankelijk was in het financieringsbesluit een bedrag van EUR 10.096.400 voor deze acties uitgetrokken (EUR 6.143.400 op begrotingslijn 19 06 05 voor interventies in derde landen en EUR 3.953.000 op begrotingslijn 07 04 01 voor interventies in de EU.
Het feitelijke gebruik van de kredieten houdt rechtstreeks verband met het ontstaan van rampen en met de verzoeken van lidstaten om bijkomend vervoer, en is bijgevolg moeilijk te voorspellen. In de loop van het jaar kunnen de kredieten worden aangepast, en in 2008 werd een bedrag van EUR 2.866.920 gebruikt voor een kredietoverschrijving (DEC 34/2008) ten gunste van de Republiek Georgië.
De definitieve uitvoering voor de "bestrijdingsacties" bedroeg EUR 1.488.420 (d.i. 15% van de kredieten). In 2008 verleende de Gemeenschap via het mechanisme voor civiele bescherming bijstand in de lidstaten (Roemenië, Bulgarije en Griekenland) en in derde landen (Kirgizië, Bolivia, Ecuador, Myanmar, China, de Filippijnen, Moldavië, Oekraïne, Georgië, Haïti en India). De nieuwe mogelijkheid voor vervoer van civiele-beschermingsbijstand werd twee maal gebruikt, met name voor extra brandbestrijdingsuitrusting voor Georgië in augustus 2008 en voor de medische evacuatie van EU-burgers na de terreuraanslagen in Mumbai in december 2008. Wat de doelstellingen inzake "paraatheid" en "preventie" betreft, lijken de uitvoeringspercentages bevredigend, met name 87,8% van de EUR 16.525.000 ter dekking van de oproepen tot het indienen van voorstellen en de aanbestedingen die in de eerste helft van 2008 werden gepubliceerd.
Bijdrage aan internationale activiteiten op milieugebied
Dit krediet dient ter dekking van verplichte en vrijwillige bijdragen aan een aantal internationale conventies, protocollen en overeenkomsten waarbij de Gemeenschap partij is, alsmede aan het voorbereidende werk met betrekking tot toekomstige internationale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap betrokken is. De meeste bijdragen worden in US dollar betaald. Aangezien de wisselkoers EUR/USD in 2008 ten gunste van de euro evolueerde, waren de feitelijke kosten in EUR van de betaalde bijdragen lager dan aanvankelijk gepland, wat een totaal uitvoeringspercentage van 80,1% van de beschikbare kredieten geeft.
Proefprojecten en voorbereidende acties
Onder de begroting 2008 werden 6 proefprojecten en voorbereidende acties op het gebied van milieubescherming uitgevoerd.
|
Begrotings-onderdeel |
Benaming |
Vastleggings-kredieten |
%uitvoering
|
|
|
07 02 03 |
Proefproject — Milieumonitoring van het Zwarte Zeebekken en een gemeenschappelijk Europees kaderprogramma voor de ontwikkeling van de Zwarte Zeeregio (jaar 1) |
1.000.000 |
100 % |
|
|
07 03 10 |
Voorbereidende actie — Natura 2000 (jaar 3) |
1.000.000 |
96,07 % |
|
|
07 03 13 |
Voorbereidende actie — Een geïntegreerd systeem voor communicatie en risicobeheer in kustgebieden (jaar 1) |
1.000.000 |
99,51 % |
|
|
17 03 13 * |
Proefproject — Handel in zwaveldioxide-emissierechten in de Oostzeeregio (jaar 1) |
1.000.000 |
99,99 % |
|
|
07 04 04 |
Proefproject — Versterking van de samenwerking tussen lidstaten bij de bestrijding van bosbranden (jaar 1) |
3.500.000 |
100 % |
|
|
07 04 05 |
Voorbereidende actie met het oog op een EU-structuur voor snelle respons (jaar 1) |
4.000.000 |
76,91 % |
|
Betalingskredieten
In totaal bedroeg de uitvoering 79,71%, wat gelijkaardig is aan de uitvoering in 2007. Als enkel wordt gekeken naar de betalingen voor gesplitste kredieten (d.w.z. alle begrotingslijnen met uitzondering van de lijnen voor technische bijstand), bedroeg het uitvoeringspercentage 85,14%.
Volksgezondheid
Het uitvoeringspercentage voor de vastleggingskredieten is bijzonder bevredigend, namelijk 99,5%.
Het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten bedroeg in 2008 89%, met ongeveer EUR 6 miljoen aan niet-bestede kredieten, en daarnaast aan het eind van het jaar via een gewijzigde begroting een teruggave van EUR 14 miljoen aan de lidstaten.
Deze onderbesteding is gedeeltelijk toe te schrijven aan de LMOE-kredieten[96] voor een bedrag van EUR 7 miljoen. Toen de begroting 2008 werd voorbereid, d.w.z. begin 2007, was het niet duidelijk of er betalingskredieten zouden zijn die overeenstemmen met de LMOE-kredieten. Bijgevolg hield het verzoek om betalingskredieten in het VOB 2008 geen rekening met deze betalingskredieten.
De rest van de onderbesteding, EUR 13 miljoen, houdt vooral verband met problemen betreffende het beheer van de achterstand van oude dossiers:
- begunstigden vragen vaak een verlenging van de termijn van hun overeenkomsten, die meestal wordt toegekend omdat de begunstigden de vertraging degelijk kunnen verantwoorden;
- de eindkosten die bij de Commissie worden ingediend, zijn vaak lager dan het bedrag dat bij de sluiting van de overeenkomst werd gebudgetteerd;
- verder zijn de financiële verslagen vaak onvolledig, wat leidt tot aanslepende procedures om de ontbrekende, noodzakelijke documenten opnieuw te vragen en te krijgen. Dit alles leidt tot een lagere besteding van de betalingskredieten dan verwacht.
Tabaksfondsen
De bestedingsgraad van de vastleggingskredieten voor de tabaksfondsen is uitstekend (100%). Wat de betalingskredieten betreft, moet worden opgemerkt dat het hier om niet-gesplitste kredieten gaat en dat de betalingen kunnen plaatsvinden tot 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de vastleggingen zijn gebeurd. In onderhavig geval werd het contract slechts in december 2008 gesloten en zal het pas in 2009 voltooid zijn en is het dan ook normaal dat de overeenkomstige betalingen pas in 2009 zullen plaatsvinden. Bijgevolg is het logisch dat het uitvoeringspercentage van de betalingen eind 2008 ongeveer 50% bedroeg.
Voedselveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn en gezondheid van planten
Over het algemeen is het uitvoeringspercentage in 2008 hoog (98%), wat vooral te maken heeft met de grote uitvoering voor de noodfondsen, met name de noodvaccinaties tegen blauwtong.
Het enige gebied waar sprake is van een lagere uitvoering is de gezondheid van planten (begrotingslijn 17 04 04 01), waar Portugal EUR 1 miljoen minder vroeg dan verwacht voor de Pinewood Nematode.
Dit uitvoeringspercentage van de betalingskredieten (88%) is een aanzienlijke verbetering ten opzichte van 2007, toen het 76% bedroeg.
Niettemin zijn er nog veel kredieten beschikbaar en blijven de ongebruikte kredieten hoog, met name voor uitroeiingsmaatregelen en noodfondsen. Dit komt doordat de eindkosten die de lidstaten ter betaling indienen, vaak veel lager zijn dan de oorspronkelijke ramingen, die als basis dienen om de vast te leggen bedragen vast te stellen. 2008 was het tweede jaar met gesplitste kredieten, en de tot nu opgedane ervaring zal worden gebruikt om de betalingsbehoeften voor alle begrotingslijnen nauwkeuriger vast te stellen.
Voorbereidende actie
EUR 4 miljoen voor de door het Europees Parlement gevraagde voorbereidende actie inzake controleposten voor het vervoer van dieren werd in 2008 niet gebruikt omdat dit het eerste jaar van de voorbereidende actie was en het eerste jaar doorgaans dient om het project te starten, de aanbesteding te organiseren, een contractant te vinden en de kredieten vast te leggen. Het is doorgaans nog te vroeg om reeds betalingen te verrichten. Deze ongebruikte betalingskredieten hebben hun invloed op het algemene uitvoeringspercentage voor de betalingskredieten in 2008.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
23.2.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
38 0 1 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
János Áder, Elena Oana Antonescu, Paolo Bartolozzi, Sandrine Bélier, Sergio Berlato, Milan Cabrnoch, Nessa Childers, Esther de Lange, Bas Eickhout, Edite Estrela, Elisabetta Gardini, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Dan Jørgensen, Karin Kadenbach, Jo Leinen, Peter Liese, Kartika Tamara Liotard, Vladko Todorov Panayotov, Gilles Pargneaux, Antonyia Parvanova, Sirpa Pietikäinen, Mario Pirillo, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Oreste Rossi, Daciana Octavia Sârbu, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Theodoros Skylakakis, Bogusław Sonik, Catherine Soullie, Salvatore Tatarella, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Sabine Wils, Marina Yannakoudakis |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Jutta Haug, Anna Záborská |
|||||
29.1.2010
ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Wim van de Camp
SUGGESTIES
De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. betreurt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten-generaal en de diensten van de Commissie slechts in één taal online beschikbaar zijn; dringt er bij de Commissie op aan deze situatie te verbeteren voor de verslagen van volgend jaar;
2. wijst erop dat fouten bij de uitvoering van de begroting in veel gevallen een gevolg zijn van regels en procedures voor uitgaven die te complex zijn; moedigt de Commissie bijgevolg aan verdere inspanningen te leveren om het rechtskader te vereenvoudigen, met name om de resterende problemen met betrekking tot bepaalde controlesystemen op te lossen;
3. betreurt het feit dat de frequentie van de materiële controles door de lidstaten van ingevoerde goederen laag blijft, ondanks frequente aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en ondanks het feit dat douanerechten een aanzienlijk deel van de totale inkomsten voor de begroting voor 2008 uitmaken; roept bijgevolg de Commissie op de lidstaten te vragen de juiste balans te vinden tussen materiële controles bij invoer en controles van exploitanten na inklaring;
4. is verheugd over de verbeteringen die hebben geleid tot een uitvoeringspercentage van 92% van de betalingskredieten voor de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt (begrotingslijn 12 02 01); wijst op het uitvoeringspercentage (48%) voor het programma Solvit (begrotingslijn 12 02 02), dat toe te schrijven is aan het feit dat betalingskredieten pas in het eerste jaar na de instelling van deze begrotingslijn werden gebruikt; is daarom ingenomen met het uitvoeringspercentage bij de vastleggingskredieten, dat 97% bedroeg;
5. erkent dat een uitvoeringspercentage van 97% van de betalingskredieten in het kader van het douanebeleid (begrotingslijnen 14 04 01 en 14 04 02) een aanzienlijke verbetering betekent in vergelijking met het vorige jaar, dankzij een verbeterde berekeningsmethode, en moedigt de Commissie aan op deze weg voort te gaan;
6. waardeert de inspanningen die werden geleverd om te komen tot een uitvoeringspercentage van 97% van de betalingskredieten voor het consumentenbeleid (begrotingslijnen 17 02 01 en 17 02 02).
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
27.1.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
32 0 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Cristian Silviu Buşoi, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, António Fernando Correia De Campos, Christian Engström, Evelyne Gebhardt, Louis Grech, Małgorzata Handzlik, Malcolm Harbour, Iliana Ivanova, Philippe Juvin, Sandra Kalniete, Alan Kelly, Kurt Lechner, Hans-Peter Mayer, Mitro Repo, Robert Rochefort, Zuzana Roithová, Catherine Stihler, Kyriacos Triantaphyllides, Bernadette Vergnaud |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Damien Abad, Cornelis de Jong, Frank Engel, Liem Hoang Ngoc, Jacek Olgierd Kurski, Antonyia Parvanova, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Marc Tarabella, Rafał Trzaskowski, Wim van de Camp |
|||||
23.2.2010
ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur: Inés Ayala Sender
SUGGESTIES
De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. merkt op dat in de begroting 2008, zoals uiteindelijk goedgekeurd en gewijzigd in de loop van dat jaar, specifiek voor het beleid dat tot de bevoegdheid van de Commissie vervoer en toerisme behoort in totaal 2 516 000 000 EUR aan vastleggingskredieten was opgenomen en 1 703 000 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was; wijst er verder op dat van deze bedragen:
– 969 425 000 EUR aan vastleggingskredieten en 892 308 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-T);
– 13 600 000 EUR aan vastleggingskredieten en 10 000 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor verkeersveiligheid;
– 39 080 000 EUR aan vastleggingskredieten en 37 958 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor het Marco Polo-programma;
– 96 160 000 EUR aan vastleggingskredieten en 98 000 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor de vervoersagentschappen en de Toezichthoudende Autoriteit Galileo,
– 468 472 000 EUR aan vastleggingskredieten en 345 402 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar waren voor vervoer, met inbegrip van het prioritaire beleidsgebied van het duurzaam stedelijk vervoer, in het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling,
– 5 350 000 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar waren voor verkeersveiligheid, met inbegrip van de voorbereidende actie gericht op het bevorderen van het grensoverschrijdende vervoer aan de grensposten in het noordoosten van de Europese Unie,
– 2 500 000 EUR aan vastleggingskredieten en 1 500 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor toerisme;
2. neemt er kennis van dat de Rekenkamer bij haar behandeling van de uitvoering van de begroting 2008 er de voorkeur aan heeft gegeven haar aandacht hoofdzakelijk te richten op het onderzoeks- en het energiebeleid in plaats van het vervoerbeleid;
3. is ingenomen met de nog steeds hoge bestedingspercentages voor de vastleggingskredieten en de betalingskredieten voor TEN-T-projecten, die beide bijna 100% bedragen, en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld uit de nationale begrotingen om gelijke tred te houden met de communautaire inzet; herinnert eraan dat het Parlement gepleit heeft voor een hogere financiering door de Unie; merkt op dat de herziening van de prioritaire TEN-T-projecten in 2010 de gelegenheid zullen bieden om na te gaan of de uitgaven voldoende en doeltreffend zijn geweest;
4. is verontrust over het feit dat, voor het tweede opeenvolgende jaar, het bestedingspercentage van de betalingskredieten voor verkeersveiligheid laag is geweest (79%); constateert dat het bestedingspercentage van de kredieten voor het Marco Polo II-programma uitzonderlijk laag is geweest (40%) en dat het bestedingspercentage van de betalingskredieten voor de verbetering van het vervoer amper 67% bedroeg; wijst erop dat in beide gevallen het bedrag dat op de begroting voor het jaar 2008 was opgenomen, dat was dat de Commissie in haar voorontwerp van begroting had voorgesteld;
5. betreurt het buitengewoon lage bestedingspercentage (27%) van de betalingskredieten voor passagiersrechten; neemt er kennis van dat de betalingen amper 55% uitmaken van het bedrag dat de Commissie in haar voorontwerp van begroting had voorgesteld; benadrukt dat investeren in onder meer voorlichting van de passagiers over hun rechten van groot belang is voor de effectieve toepassing van de regels;
6. benadrukt dat het bestedingspercentage van de betalingskredieten voor het Galileo-programma (50%) te laag is, gezien het belang ervan voor de sectoren logistiek en duurzaam vervoer;
7. verzoekt de Commissie gedetailleerde uitleg te verstrekken over de onderbesteding van deze kredieten en over de maatregelen die zij in het vooruitzicht stelt om ervoor te zorgen dat dit probleem zich niet meer voordoet;
8. neemt er kennis van dat de tests met steekproeven een meer dan waarschijnlijk foutenpercentage tussen 2 en 5% uitwijzen; verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren opdat dit foutenpercentage onder 2% kan worden gedrukt;
9. spreekt er zijn tevredenheid over uit dat de Rekenkamer heeft geoordeeld dat de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap van het trans-Europees vervoersnet wettelijk en regelmatig zijn wat de belangrijkste aspecten ervan betreft; is bezorgd over de vertragingen in de aanwervingsprocedures maar verwelkomt anderzijds de doelstelling van het agentschap om de huidige vacante posten in te vullen;
10. betreurt het gebrek aan gegevens over acties op het gebied van toerisme en verwelkomt het nieuwe juridisch en economisch kader dat gecreëerd is bij het Verdrag van Lissabon en waardoor in deze sector acties op het niveau van de Europese Unie kunnen worden ontplooid (sociaal en cultureel toerisme, topbestemmingen) met in een meerjarig begrotingskader beschikbare steun;
11. verzoekt de Commissie opnieuw om het Europees Parlement en de Raad elk jaar een meer gedetailleerde beschrijving van de uitgaven uit hoofde van elke begrotingslijn te doen toekomen en die af te zetten tegen de begrotingstoelichting bij de betrokken lijn;
12. stelt voor, wat het bevoegdheidsgebied van de Commissie vervoer en toerisme betreft, na de toelichting van de Commissie over de onderbesteding van de kredieten te hebben gehoord, dat het Parlement de Commissie kwijting verleent voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
23.2.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
34 3 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Magdalena Alvarez, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Antonio Cancian, Michael Cramer, Christine De Veyrac, Saïd El Khadraoui, Ismail Ertug, Carlo Fidanza, Knut Fleckenstein, Jacqueline Foster, Mathieu Grosch, Ville Itälä, Dieter-Lebrecht Koch, Georgios Koumoutsakos, Werner Kuhn, Eva Lichtenberger, Marian-Jean Marinescu, Vilja Savisaar, Olga Sehnalová, Brian Simpson, Dirk Sterckx, Silvia-Adriana Ţicău, Giommaria Uggias, Peter van Dalen, Dominique Vlasto, Artur Zasada |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Jean-Paul Besset, Philip Bradbourn, Tanja Fajon, Michael Gahler, Anne E. Jensen, Petra Kammerevert, Dominique Riquet, Janusz Władysław Zemke |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Charalampos Angourakis |
|||||
18.3.2010
ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
aan de Commissie begrotingscontrole
over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur: Jan Olbrycht
SUGGESTIES
De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. stelt vast dat de in 2008 verrichte tussentijdse betalingen voor de periode 2007-2013 slechts 32% van de uitgaven uitmaken en dat de opmerkingen van de Rekenkamer met name betrekking hebben op de uitgaven tijdens de programmeringsperiode 2000-2006, die 68% van de betalingen voor het cohesiebeleid in 2008 vertegenwoordigen; merkt bijgevolg op dat het effect van de versterking van het rechtskader voor de periode 2007-2013 en de in 2008 en 2009 vastgestelde vereenvoudigingsmaatregelen nog niet zichtbaar kunnen zijn;
2. is verheugd over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer over het effect van het actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties, die een aanzienlijke stijging van de financiële correcties in 2008 en 2009 laat zien en ook de resultaten bevat van de eerste audit die de Commissie heeft verricht op een steekproef van projecten die in het kader van de programmeringsperiode 2007-2013 zijn uitgevoerd; neemt met tevredenheid nota van de resultaten van de audit, met name een preliminaire foutenmarge van 5%, die aantoont dat de vereenvoudiging die voor de programmeringsperiode 2007-2013 is doorgevoerd, een positief resultaat heeft;
3. neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat bij 43% van de projecten in de representatieve statistische steekproef fouten voorkwamen en dat voor een groot aantal daarvan te hoge vergoedingen waren betaald; is echter van mening dat deze opmerking moet worden genuanceerd door de verklaring van de Commissie dat zij op de hoogte was van het bestaan van tekortkomingen in vijf van de zes betrokken programma's en dat zij corrigerende maatregelen had genomen; neemt nota van de tweede verklaring van de Commissie, die wordt gestaafd door de opmerking van de Rekenkamer in punt 6.20 van het jaarverslag, dat 58% van de fouten nalevingsfouten zijn en geen weerslag zullen hebben op de terugbetaling van uitgaven;
4. stelt vast dat inbreuken op de aanbestedingsregels een van de meest voorkomende oorzaken van onregelmatigheden zijn; vraagt de Commissie na te gaan hoe het komt dat de communautaire aanbestedingsregels niet worden nageleefd; is in dit verband verheugd over de bevindingen van de Rekenkamer en de initiatieven die de Commissie heeft genomen om het beheer van de structuurfondsen te vereenvoudigen, en denkt dat deze initiatieven het aantal fouten aanzienlijk zal helpen verminderen;
5. vestigt de aandacht op de specifieke aard van de uitgaven voor cohesiebeleid, die voortvloeit uit het meerjarige beheersysteem, en benadrukt dat de financiële correcties in volgende jaren alsook bij de afsluiting van de programmeringsperiode worden verricht, zodat de Commissie globaal gezien een groot aantal onregelmatigheden kan detecteren en corrigeren;
6. is verheugd over de merkbare verbetering van het aantal financiële correcties dat is verricht en het aantal formele opschortingen van betalingen dat is ingeleid; verlangt dat de lidstaten worden beloond die hun middelen regelmatig beheren in overeenstemming met de regels inzake vereenvoudigde controle, en verslag uitbrengen van hun procedures; heeft evenwel kritiek op de ontoereikende documentatie van begunstigden en dringt aan op ruimere publicatie door lidstaten;
7. stelt vast dat er met betrekking tot de gecontroleerde projecten geen enkel geval van fraude aan de Commissie is gemeld en benadrukt dat het in het verslag van de Rekenkamer vermelde aantal fouten niet noodzakelijk betrekking heeft op fraude;
8. neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat, wat de programmeringsperiode 2007-2013 betreft, de bepalingen betreffende de controle worden aangescherpt en de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten worden verduidelijkt; apprecieert in dit verband de meerwaarde van de auditautoriteit die voor elk van de programma's is ingesteld en deelt de verwachting van de Commissie dat het jaarlijkse controleverslag en het advies van de auditautoriteit de waarborg van de nationale controlesystemen aanzienlijk zullen versterken;
9. beschouwt ondanks de duidelijke verbetering van de beheers- en controlesystemen dankzij het actieplan 2008, dat de toezichthoudende rol van de Commissie bij structurele acties heeft versterkt, de opmerking van de Commissie dat slechts 31% van de systemen goed functioneert en meer dan 60% voor verbetering vatbaar is als onbevredigend; verzoekt daarom de verantwoordelijke lidstaten, regionale overheden en beheersautoriteiten nauw met de Commissie samen te werken om deze statistieken om te buigen;
10. merkt op dat de Commissie dankzij haar actieplan maatregelen heeft kunnen nemen die in overeenstemming zijn met alle aanbevelingen van de Rekenkamer; is verheugd dat de Commissie de programma-autoriteiten opleidingen en richtsnoeren verstrekt om het systeem van gedeeld beheer van de uitgaven voor cohesiebeleid beter te laten functioneren; moedigt de Commissie aan haar inspanningen verder op te drijven door de lidstaten richtsnoeren te verstrekken en hen aan te moedigen de terugvorderingsprocedures en de rapportering te versterken.
11. is verheugd over de beslissing van de Rekenkamer om de audits van het ESF en het EFRO op het gebied van toerisme, beroepsopleiding voor vrouwen en openbare drinkwatervoorziening, die van bijzonder belang zijn voor de ontwikkeling van lokale gemeenschappen, in het werkprogramma voor 2010 op te nemen;
12. verzoekt de Rekenkamer te beoordelen hoe de beheersautoriteiten de externe evaluaties van de structuurfondsen en het Cohesiefonds uitvoeren, en bijzondere aandacht te besteden aan de onafhankelijkheid van de evaluatie indien deze door de geëvalueerde instantie wordt betaald;
13. verzoekt de Rekenkamer te beoordelen of de auditautoriteiten van de lidstaten de nodige personele middelen hebben om audits te verrichten en of zij onafhankelijk zijn wanneer zij de conformiteitsbeoordeling van het beheercontrolesysteem uitvoeren;
14. vindt het zorgwekkend dat de strategische planning van de pretoetredingssteun voor Turkije in 2002-2006 en het instrument voor pretoetredingssteun (IPA 2007-2013) geen strategische en meetbare doelstellingen bevatten; dringt daarom aan op een concentratie van middelen op meetbare projecten die voor de toetreding van belang zijn.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
18.3.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
38 1 3 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
François Alfonsi, Luís Paulo Alves, Charalampos Angourakis, Sophie Auconie, Catherine Bearder, Victor Boştinaru, Philip Bradbourn, Zuzana Brzobohatá, John Bufton, Alain Cadec, Salvatore Caronna, Ricardo Cortés Lastra, Tamás Deutsch, Rosa Estaràs Ferragut, Danuta Maria Hübner, Ian Hudghton, Evgeni Kirilov, Constanze Angela Krehl, Ramona Nicole Mănescu, Riikka Manner, Iosif Matula, Franz Obermayr, Jan Olbrycht, Wojciech Michał Olejniczak, Markus Pieper, Tomasz Piotr Poręba, Monika Smolková, Georgios Stavrakakis, Nuno Teixeira, Michael Theurer, Lambert van Nistelrooij, Oldřich Vlasák, Kerstin Westphal, Joachim Zeller |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Karima Delli, Ivars Godmanis, Karin Kadenbach, Maurice Ponga, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, László Surján, Sabine Verheyen, Iuliu Winkler |
|||||
23.2.2010
ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
aan de Begrotingscommissie
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, Afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Helga Trüpel
SUGGESTIES
De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. verwelkomt de inspanningen van de Commissie voor meer transparantie en klantvriendelijkheid en ondersteunt verdere stappen in die richting; verzoekt dat er voor de komende tussentijdse evaluaties van de meerjarige programma's een grondige beoordeling wordt uitgevoerd van de tenuitvoerlegging en van de beheersstructuren; beveelt aan elementen op te nemen om de tevredenheid van de klanten te meten met betrekking tot de nationale agentschappen; herhaalt in deze context dat bijna 70% van de middelen van de meerjarige programma's ten uitvoer wordt gelegd via de nationale agentschappen;
2. steunt de richtsnoeren van de Commissie aan de nationale autoriteiten met betrekking tot het toezicht op de werkzaamheden van de nationale agentschappen met als doel het beheer van de programma's in de lidstaten verder te vergemakkelijken; moedigt de Commissie aan het actieve toezicht van het programmabeheer door de nationale agentschappen voort te zetten, om op die manier onderbrekingen van de tenuitvoerlegging van delen van de meerjarige programma's te voorkomen; steunt het feit dat de Commissie zich streng opstelt door betalingen aan nationale agentschappen op te schorten wanneer gebrekkig beheer wordt vastgesteld; roept alle betrokken partijen op de negatieve gevolgen voor de begunstigden van dergelijke gebreken te vermijden; verlangt dat de Commissie om redenen van transparantie en kostenbeheersing een scheiding aanhoudt tussen de personeels- en organisatiekosten van de nationale agentschappen enerzijds en de uit te betalen financiële steun anderzijds;
3. waarschuwt voor disproportionele controlemaatregelen die niet in verhouding staan tot de beheerde budgetten; meent dat deze controleverplichtingen in geen geval aanleiding mogen geven tot een druk tot schaalvergroting waarbij de drempel voor de deelnemers verhoogt;
4. verzoekt de Commissie in het licht van de herziening van het Financieel Reglement te streven naar een nieuwe regeling waarbij toegelaten kan worden dat begunstigden meer eigen middelen verwerven, zonder te moeten vrezen dat dit leidt tot een vermindering van de steun die hun wordt toegekend in het kader van de EU-medefinanciering;
5. verzoekt de Commissie om samen met de nationale agentschappen te zoeken naar een billijke en flexibele oplossing voor de interesten op de ongespendeerde decentrale budgetten waarop in de lidstaten roerende voorheffing betaald wordt maar die door nationale agentschappen toch volledig teruggestort dienen te worden;
6. constateert de aanzienlijke vermindering van het aantal fouten met de betalingen; acht niettemin verdere verbetering bij de tussentijdse en definitieve betalingen noodzakelijk; vraagt de Commissie om nauwlettender toe te zien op de afhandeling van de jaarlijkse ex-post verklaringen met betrekking tot het programma Levenslang Leren, door middel van inspectiebezoeken en rechtstreekse verificatie;
7. pleit voor heraanpassing van de middelentoewijzing voor mobiliteitsprogramma's voor studenten; onderstreept dat verhoging van de financiële steun (in plaats van alleen verhoging van het aantal beurzen) de deelnemingsgraad zou doen stijgen, met name waar het gaat om de lidstaten die slechts zeer beperkte nationale steun in de vorm van beurzen voor studentenmobiliteit kunnen bieden; adviseert om deze wijzigingen ten laatste in het kader van het onlangs aangekondigde initiatief "Jeugd in beweging" door te voeren;
8. vraagt de Commissie dringend de bureaucratische obstakels onder de loep te nemen die het programma "Jeugd in Actie " hinderen; dringt er met name op aan dat de maatregelen uit hoofde van de Acties 1.1 en 1.3 van het programma als laagdrempelige diensten worden aangeboden; benadrukt dat de selectiecriteria voor de aanvragers transparant en begrijpelijk moeten zijn; vraagt de Commissie de invoering te overdenken van een nieuwe manier voor middelentoewijzing in het kader van het programma "Jeugd in Actie", zodat de middelen ten goede komen aan kleinschalige jongerenprojecten die in de huidige situatie hun eigen financiering niet kunnen verzorgen;
9. vraagt dat in de beheerspartnerschappen tussen de Commissie en de lidstaten op het vlak van het overbrengen van Europa in de lidstaten rekening wordt gehouden met de communicatieprioriteiten die samen zijn vastgelegd door de Interinstitutionele Groep voorlichting, en dat er een duidelijke verwijzing wordt opgenomen naar de rol van het maatschappelijk middenveld; beveelt aan dat administratieve samenwerking wordt aangevuld met regelmatige contacten op politiek niveau;
10. verzoekt dat beheerspartnerschappen inzake communicatie, vooraleer ze worden hernieuwd, rigoureus worden geëvalueerd met betrekking tot hun doeltreffendheid in het overbrengen van Europa alsook met betrekking tot hun financieringsregelingen, en roept de lidstaten op aanvullende financiering te verlenen voor gezamenlijke activiteiten.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
22.2.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
28 0 2 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Maria Badia i Cutchet, Malika Benarab-Attou, Piotr Borys, Silvia Costa, Santiago Fisas Ayxela, Mary Honeyball, Cătălin Sorin Ivan, Petra Kammerevert, Morten Løkkegaard, Emma McClarkin, Marek Henryk Migalski, Katarína Neveďalová, Doris Pack, Chrysoula Paliadeli, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Pál Schmitt, Marco Scurria, Timo Soini, Emil Stoyanov, Hannu Takkula, László Tőkés, Helga Trüpel, Gianni Vattimo, Sabine Verheyen, Milan Zver |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Ivo Belet, Nessa Childers, Nadja Hirsch, Seán Kelly, Iosif Matula, Catherine Soullie, Rui Tavares |
|||||
13.1.2010
ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Juan Fernando López Aguilar
SUGGESTIES
De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. stelt vast dat de uitvoeringsgraad van de vastleggingen in de begroting voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in 2008 relatief is gedaald ten opzichte van 2007 (87,51% in 2008 ten opzichte van 90,29% in 2007); stelt vast dat in 2009 75 000 000 euro is overgedragen, maar merkt op dat dit bedrag volgens de door de diensten van de Commissie verstrekte informatie vóór 31 maart 2009 is vastgelegd; wijst erop dat de uitvoeringsgraad van de betalingen is gestegen ten opzichte van 2007 (80,88% in 2008 ten opzichte van 60,41% in 2007); roept het Directoraat-generaal justitie, vrijheid en veiligheid op om de uitvoeringsgraad van de vastleggings- en betalingskredieten in 2009 verder te maximaliseren;
2. betreurt dat de Commissie de eerste voorfinancieringsbetalingen aan de lidstaten in het kader van het Buitengrenzenfonds pas de laatste maanden van 2008 kon verrichten doordat de uitvoeringsvoorschriften pas op 5 maart 2008 werden vastgesteld en doordat sommige lidstaten de eerste versies van de beschrijvingen van de beheers- en controlesystemen (MCS) en de programmeringsdocumenten met aanzienlijke vertraging hebben ingediend of hierbij niet voor voldoende kwaliteit hebben gezorgd;
3. merkt op dat het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting voor de agentschappen in de komende jaren gebaseerd moet blijven op de beoordeling van het functioneren van het agentschap gedurende het desbetreffende jaar door de relevante commissie.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
11.1.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
36 0 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Sonia Alfano, Roberta Angelilli, Vilija Blinkevičiūtė, Emine Bozkurt, Simon Busuttil, Carlos Coelho, Rosario Crocetta, Tanja Fajon, Hélène Flautre, Kinga Göncz, Sylvie Guillaume, Ágnes Hankiss, Jeanine Hennis-Plasschaert, Salvatore Iacolino, Timothy Kirkhope, Baroness Sarah Ludford, Monica Luisa Macovei, Claude Moraes, Carmen Romero López, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Renate Sommer, Rui Tavares, Wim van de Camp, Renate Weber |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Alexander Alvaro, Anna Maria Corazza Bildt, Ioan Enciu, Nadja Hirsch, Monika Hohlmeier, Stanimir Ilchev, Iliana Malinova Iotova, Petru Constantin Luhan, Mariya Nedelcheva, Raül Romeva i Rueda, Cecilia Wikström |
|||||
28.1.2010
ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
aan de Commissie begrotingscontrole
inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen
(SEC(2009)1089 – C7-0172/2009 – 2009/2068(DEC))
Rapporteur voor advies: Edit Bauer
SUGGESTIES
De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
- gezien de studie ter evaluatie van de haalbaarheid van en de opties voor de opneming van elementen van gender budgeting in het begrotingsproces van de EU[97],
A. overwegende dat tussen mannen en vrouwen nog steeds ongelijkheden bestaan en dat genderspecifieke begrotingslijnen onvermijdelijk zijn om ongerechtvaardigde ongelijkheden tussen de beide geslachten weg te nemen,
B. overwegende dat de mogelijkheid van een duidelijk onderscheid voor gender gerelateerde uitgaven zou bijdragen tot de bevordering van de gelijkheid tussen de geslachten,
1. herinnert de Commissie eraan dat uit hoofde van artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen een grondbeginsel van de Europese Unie is en bij alle activiteiten van de Europese Unie in aanmerking zou moeten worden genomen, en derhalve ook in de kwijting van de begroting van de Europese Unie moet zijn terug te vinden;
2. betreurt het feit dat gender budgeting nog steeds niet is ingevoerd; verzoekt derhalve de Commissie andermaal om verdere stappen te nemen om ervoor te zorgen dat gender mainstreaming bij de planning van de begroting een feit wordt;
3. is verheugd over de door de Commissie opgestelde haalbaarheidsstudie over gender budgeting en doet een beroep op alle partners bij het begrotingsproces van de Europese Unie om met de studie rekening te houden bij het voorbereiden, uitvoeren en controleren van de begroting;
4. verzoekt de Commissie om zich te blijven inzetten voor het ontwikkelen van genderspecifieke gegevens die kunnen worden opgenomen in de kwijtingsverslagen, aangezien de tot dusverre beschikbare, zeer beperkte gegevens geen goed beeld van de situatie geven;
5. verzoekt de Rekenkamer om in haar kwijtingsverslagen een afzonderlijk gedeelte over gendergelijkheidsaspecten op te nemen;
6. is verheugd over het feit dat de financieringsmechanismen voor 2007–2013 zijn vereenvoudigd, maar betreurt het feit dat ondanks deze verbetering, in 2008 een groot aantal vergoedingen voor de cohesieprojecten (waartoe het Europees Sociaal Fonds en gendergelijkheid behoren) weer fouten bevatten; verzoekt derhalve de Commissie om ervoor te zorgen dat de financieringsmechanismen doeltreffender worden.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
25.1.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
25 0 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Edit Bauer, Emine Bozkurt, Marije Cornelissen, Tadeusz Cymański, Edite Estrela, Ilda Figueiredo, Iratxe García Pérez, Zita Gurmai, Jolanta Emilia Hibner, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Astrid Lulling, Barbara Matera, Siiri Oviir, Raül Romeva i Rueda, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Eva-Britt Svensson, Marc Tarabella, Britta Thomsen, Marina Yannakoudakis, Anna Záborská |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Izaskun Bilbao Barandica, Nicole Kiil-Nielsen, Christa Klaß, Katarína Neveďalová, Chrysoula Paliadeli, Antigoni Papadopoulou |
|||||
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
23.3.2010 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
24 4 1 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Marta Andreasen, Jean-Pierre Audy, Zigmantas Balčytis, Andrea Češková, Jorgo Chatzimarkakis, Andrea Cozzolino, Ryszard Czarnecki, Luigi de Magistris, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Martin Häusling, Ville Itälä, Cătălin Sorin Ivan, Iliana Ivanova, Elisabeth Köstinger, Bogusław Liberadzki, Monica Luisa Macovei, Christel Schaldemose, Theodoros Skylakakis, Bart Staes, Georgios Stavrakakis, Søren Bo Søndergaard |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Christofer Fjellner, Monika Hohlmeier, Marian-Jean Marinescu, Véronique Mathieu, Markus Pieper, Derek Vaughan |
|||||
- [1] PB L 71 van 14.3.2008.
- [2] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
- [3] PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
- [4] PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
- [5] PB C 269 van 10.11.2009, blz. 1.
- [6] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
- [7] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [8] PB L 71 van 14.3.2008.
- [9] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
- [10] PB C 304 van 15.12.2009, blz. 65.
- [11] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
- [12] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [13] PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
- [14] PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
- [15] PB L 24 van 27.1.2005, blz. 35.
- [16] PB L 71 van 14.3.2008.
- [17] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
- [18] PB C 304 van 15.12.2009, blz. 77.
- [19] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
- [20] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [21] PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
- [22] PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
- [23] PB L 5 van 9.1.2004, blz. 85.
- [24] PB L 140 van 1.6.2007, blz. 52.
- [25] PB L 71 van 14.3.2008.
- [26] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
- [27] PB C 304 van 15.12.2009, blz. 83.
- [28] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
- [29] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [30] PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
- [31] PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
- [32] PB L 369 van 16.12.2004, blz. 73.
- [33] PB L 173 van 3.7.2008, blz. 27.
- [34] PB L 71 van 14.3.2008.
- [35] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
- [36] PB C 304 van 15.12.2009, blz. 71.
- [37] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
- [38] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [39] PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
- [40] PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
- [41] PB L 32 van 6.2.2007, blz. 88.
- [42] PB L 71 van 14.3.2008.
- [43] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
- [44] PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
- [45] PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
- [46] PB C 269 van 10.11.2009, blz. 1.
- [47] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
- [48] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [49] PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
- [50] PB L 71 van 14.3.2008.
- [51] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 1.
- [52] PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
- [53] PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.
- [54] PB C 269 van 10.11.2009, blz. 1.
- [55] PB C 273 van 13.11.2009, blz. 122.
- [56] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [57] PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
- [58] PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
- [59] PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.
- [60] PB L 255 van 26.9.2009, blz. 36.
- [61] http://eca.europa.eu/portal/pls/portal/docs/1/2410290.PDF.
- [62] PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 201.
- [63] PB L 135 van 31.5.1999, blz. 1.
- [64] Verordening (EG) nr. 1341/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1083/2006 inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, wat bepaalde inkomstengenererende projecten betreft (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 12).
- [65] Verordening (EG) nr. 284/2009 van de Raad van 7 april 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1083/2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, wat een aantal bepalingen met betrekking tot het financiële beheer betreft (PB L 94 van 8.4.2009, blz. 10).
- [66] Verordening (EG) nr. 396/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1081/2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds met het oog op de uitbreiding van de soorten kosten die voor een bijdrage uit het ESF in aanmerking komen (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 1).
- [67] Verordening (EG) nr. 397/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling met betrekking tot de subsidiabiliteit van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 3).
- [68] Verordening (EG) nr. 846/2009 van de Commissie van 1 september 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1828/2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (PB L 250 van 23.9.2009, blz. 1).
- [69] PB L 299 van 8.11.2008, blz. 1.
- [70] PB L 299 van 8.11.2008, blz. 43.
- [71] Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0055.
- [72] "Study to assess the feasibility and options for the introduction of elements of gender budgeting into the EU budgetary process" (Europese Commissie, DG Begroting, speciaal contract ABAC 132007 uit hoofde van kadercontract BUDG 06/PO/01/partij 002/ABAC-101922. Eindverslag mei 2008 A).
- [73] Zie de resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2009 over de institutionele aspecten van de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden (Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0057).
- [74] Zie Speciaal verslag nr. 15/2009 van de Rekenkamer: "EU-hulp die wordt verleend via organisaties van de Verenigde Naties: besluitvorming en toezicht".
- [75] Palestijns-Europees mechanisme voor het beheer van de sociaal-economische bijstand (Mécanisme "Palestino-Européen de Gestion de l'Aide Socio-Économique", PEGASE).
- [76] Temporary International Mechanism.
- [77] Verordening (EG) nr. 1337/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in de ontwikkelingslanden (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 62).
- [78] 530 miljoen EUR van in totaal 837 miljoen EUR is besteed aan projecten onder gezamenlijk beheer met internationale organisaties.
- [79] Speciaal verslag nr. 4/2009 van de Rekenkamer: "Het beheer door de Commissie van de betrokkenheid van niet-overheidsactoren bij EG-ontwikkelingssamenwerking". De Commissie is op grond van artikel 19, lid 8, en artikel 20, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1905/2006 (IOS) verplicht "in een vroeg stadium" van het programmeringsproces overleg te plegen met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.
- [80] Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB L 191 van 15.7.1986, blz. 23).
- [81] http://ec.europa.eu/europeaid/how/evaluation/evaluation_reports/2008/1259_docs_en.htm
- [82] Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0188.
- [83] Eindverslag van de deskundigengroep over de toekomst van de topnetwerken (september 2008 – "ER"), blz. 21.
- [84] SEC(2006)0866 – C6-0231/2006 – 2006/0900(CNS).
- [85] ER, blz. 26.
- [86] ER, blz. 27.
- [87] Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, Afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen (PB L 255 van 26.9.2009, blz. 36).
- [88] Palestijns-Europees mechanisme voor het beheer van de sociaal-economische bijstand (Mécanisme "Palestino-Européen de Gestion de l'Aide Socio-Économique", PEGASE).
- [89] Temporary International Mechanism.
- [90] Speciaal verslag nr. 15/2009 van de Rekenkamer: "EU-hulp die wordt verleend via organisaties van de Verenigde Naties: besluitvorming en toezicht".
- [91] Verordening (EG) nr. 1337/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in de ontwikkelingslanden (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 62).
- [92] 530 miljoen EUR van in totaal 837 miljoen EUR is besteed aan projecten onder gezamenlijk beheer met internationale organisaties.
- [93] Speciaal verslag nr. 4/2009 van de Rekenkamer: "Het beheer door de Commissie van de betrokkenheid van niet-overheidsactoren bij EG-ontwikkelingssamenwerking". De Commissie is op grond van artikel 19, lid 8, en artikel 20, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1905/2006 (IOS) verplicht "in een vroeg stadium" van het programmeringsproces overleg te plegen met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.
- [94] Mededeling van de Commissie van 19 februari 2008 over het actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (COM(2008)0097).
- [95] Beschikking 2007/606/EG, Euratom van de Commissie van 8 augustus 2007 tot vaststelling van regels voor de uitvoering van de bepalingen over vervoer in Beschikking 2007/162/EG, Euratom van de Raad tot instelling van een financieringsinstrument voor civiele bescherming (PB L 241 van 14.9.2007, blz. 17).
- [96] LMOE-kredieten: kredieten ontvangen van landen uit Midden- en Oost-Europa voor hun deelname aan programma's van de Commissie.
- [97] Europese Commissie DG Begroting, speciaal contract ABAC 132007 uit hoofde van kadercontract BUDG 06/PO/01/partij 002/ABAC-101922. Eindverslag mei 2008 A.