AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG
6.5.2010 - (17279/3/2009 – C7‑0075/2010 – 2008/0192(COD)) - ***II
Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
Rapporteur: Astrid Lulling
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG
(17279/3/2009 – C7‑0075/2010 – 2008/0192(COD))
(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)
Het Europees Parlement,
– gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (17279/3/2009 – C7-0075/2010),
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0636),
– gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 141, lid 3, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0341/2008),
– gezien zijn standpunt in eerste lezing[1],
– gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon voor de lopende interinstitutionele besluitvormingsprocedures" (COM(2009)0665),
– gelet op artikel 294, lid 7, en artikel 157, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
– gelet op artikel 66 van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0146/2010),
1. keurt onderstaand standpunt in tweede lezing goed;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.
Amendement 1 Standpunt van de Raad Overweging 4 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
(4) Het Europees Parlement heeft de Commissie er bij voortduring toe opgeroepen Richtlijn 86/613/EEG te herzien, met name met het oog op een betere zwangerschapsbescherming voor zelfstandig werkzame vrouwen en ter verbetering van de situatie van echtgenoten van zelfstandigen in de landbouw. |
(4) Het Europees Parlement heeft de Commissie er bij voortduring toe opgeroepen Richtlijn 86/613/EEG te herzien, met name met het oog op een betere zwangerschapsbescherming voor zelfstandig werkzame vrouwen en ter verbetering van de situatie van echtgenoten van zelfstandigen. |
Motivering | |
Er is geen reden voor om het toepassingsgebied tot de landbouw te beperken. Wederopneming van de inhoud van amendement 1 uit de eerste lezing, aangenomen op 6 mei 2009. | |
Amendement 2 Standpunt van de Raad Overweging 4 bis (nieuw) | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
|
(4 bis) Het Europees Parlement heeft zijn standpunt terzake reeds kenbaar gemaakt in zijn resolutie van 21 februari 1997 over de situatie van medewerkende echtgenoten van zelfstandig werkenden1. |
|
|
____________ |
|
|
PB C 85 van 17.3.1997, blz. 186. |
Motivering | |
Wederopneming van de inhoud van amendement 2 uit de eerste lezing, aangenomen op 6 mei 2009. | |
Amendement 3 Standpunt van de Raad Overweging 16 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
(16) Gezien hun deelneming aan de activiteiten van het familiebedrijf, dienen echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners van zelfstandigen die toegang hebben tot een stelsel voor sociale bescherming, ook sociale bescherming te kunnen genieten. De lidstaten moeten worden verplicht om de nodige maatregelen te nemen om deze sociale bescherming overeenkomstig hun nationale recht te organiseren. In het bijzonder is het aan de lidstaten om te besluiten of deze sociale bescherming op een verplichte of vrijwillige grondslag moet worden toegepast. De lidstaten kunnen bepalen dat deze sociale bescherming in verhouding kan staan tot de deelneming aan de activiteiten van de zelfstandige en/of de hoogte van de bijdragen. Onverminderd deze richtlijn kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven waarbij de toegang tot specifieke socialebeschermingsregelingen of tot een bepaald niveau van bescherming, inclusief de bijzondere financieringsvoorwaarden, wordt beperkt tot bepaalde groepen van zelfstandigen of zelfstandige beroepen, op voorwaarde dat er toegang tot een algemene regeling is. |
(16) Gezien hun deelneming aan de activiteiten van het familiebedrijf, dienen echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners van zelfstandigen die toegang hebben tot een stelsel voor sociale bescherming, ook sociale bescherming te kunnen genieten. De lidstaten moeten worden verplicht om de nodige maatregelen te nemen om deze sociale bescherming overeenkomstig hun nationale recht te organiseren. In het bijzonder is het aan de lidstaten om te besluiten of deze sociale bescherming op een verplichte of vrijwillige grondslag moet worden toegepast. De lidstaten kunnen bepalen dat deze sociale bescherming in verhouding kan staan tot de deelneming aan de activiteiten van de zelfstandige en/of de hoogte van de bijdragen. |
Motivering | |
Dit amendement is bedoeld om te voorkomen dat bepalingen worden ingevoerd die de toegang tot sociale bescherming zouden kunnen beperken. | |
Amendement 4 Standpunt van de Raad Overweging 17 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
(17) De economische en fysieke kwetsbaarheid van zwangere zelfstandigen, zwangere echtgenoten en, mits en voor zover erkend in het nationale recht, zwangere levenspartners van zelfstandigen maakt het noodzakelijk dat hun het recht op zwangerschapsuitkeringen wordt toegekend. De lidstaten blijven bevoegd voor de organisatie van deze uitkeringen, waaronder de vaststelling van de hoogte van de bijdragen en alle regelingen betreffende uitkeringen en betalingen, mits de minimumnormen van deze richtlijn worden nageleefd. In het bijzonder kunnen zij bepalen gedurende welke periode voor en/of na de bevalling recht op zwangerschapsuitkeringen wordt verleend. Tevens kan bij de vaststelling van de bijdragen en/of de uitkeringen rekening worden gehouden met de economische situatie van de betrokken persoon of het betrokken gezin. |
(17) De economische en fysieke kwetsbaarheid van zwangere zelfstandigen, zwangere echtgenoten en, mits en voor zover erkend in het nationale recht, zwangere levenspartners van zelfstandigen maakt het noodzakelijk dat hun het recht op zwangerschapsuitkeringen wordt toegekend. De lidstaten blijven bevoegd voor de organisatie van deze uitkeringen, waaronder de vaststelling van de hoogte van de bijdragen en alle regelingen betreffende uitkeringen en betalingen, mits de minimumnormen van deze richtlijn worden nageleefd. In het bijzonder kunnen zij bepalen gedurende welke periode voor en/of na de bevalling recht op zwangerschapsuitkeringen wordt verleend. |
Motivering | |
Dit amendement is bedoeld om te voorkomen dat een te ruim criterium, zoals de economische situatie van de betrokken persoon of het betrokken gezin, wordt vastgesteld, aangezien een dergelijk criterium niet gebruikelijk is voor wetgeving op sociaal vlak. | |
Amendement 5 Standpunt van de Raad Overweging 17 bis (nieuw) | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
|
(17 bis) De duur van de periode waarin aan vrouwelijke zelfstandige werknemers en vrouwelijke echtgenotes, dan wel, wanneer en indien erkend door de nationale wetgeving vrouwelijke levensgezellen, zwangerschapsuitkeringen worden toegekend is soortgelijk aan de duur van het zwangerschapsverlof voor werknemers dat momenteel op EU-niveau van toepassing is. Indien de duur van het zwangerschapsverlof voor werknemers op EU-niveau wordt gewijzigd, moet de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag doen en beoordelen of de duur van het zwangerschapsverlof voor de in artikel 2 bedoelde vrouwelijke zelfstandige werknemers en vrouwelijke echtgenotes en levensgezellen eveneens moet worden aangepast. |
Motivering | |
Dit amendement is bedoeld om rekening te houden met de evoluerende situatie van de zwangerschapsbescherming voor werkneemsters en moet een wijziging mogelijk maken van de duur van het recht op zwangerschapsuitkeringen voor vrouwelijke zelfstandigen en echtgenoten of levenspartners, indien in een verslag van de Commissie ter beoordeling van de situatie een daartoe strekkend voorstel tot wijziging wordt gedaan. | |
Amendement 6 Standpunt van de Raad Overweging 18 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
(18) Om recht te doen aan de bijzondere kenmerken van het werk als zelfstandige, dienen vrouwelijke zelfstandigen en echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, vrouwelijke levenspartners van zelfstandigen, voor zover mogelijk, toegang te hebben tot de bestaande diensten voor tijdelijke vervanging die het onderbreken van de beroepsuitoefening vanwege zwangerschap of moederschap mogelijk maken, of op de bestaande nationale sociale diensten. Toegang tot die diensten kan een alternatief of een onderdeel van de moederschapsuitkering vormen. |
(18) Om recht te doen aan de bijzondere kenmerken van het werk als zelfstandige, dienen vrouwelijke zelfstandigen en echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, vrouwelijke levenspartners van zelfstandigen toegang te hebben tot de bestaande diensten voor tijdelijke vervanging die het onderbreken van de beroepsuitoefening vanwege zwangerschap of moederschap mogelijk maken, of op de bestaande nationale sociale diensten. Toegang tot die diensten kan een alternatief of een onderdeel van de moederschapsuitkering vormen. |
Motivering | |
De toegang tot de bestaande diensten voor tijdelijke vervanging of tot bestaande nationale sociale diensten mag niet worden beperkt door een onnauwkeurig of niet identificeerbaar criterium. | |
Amendement 7 Standpunt van de Raad Overweging 19 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
(19) Het vergroten van de efficiëntie en de doelmatigheid van de sociale stelsels, met name via betere stimulansen, betere administratie en evaluatie, en de prioriteitsstelling bij uitgavenprogramma's, is van cruciaal belang geworden voor de financiële houdbaarheid van de Europese sociale modellen op lange termijn. Bij het ontwerp van de voor de uitvoering van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen dienen de lidstaten in het bijzonder aandacht te besteden aan het verbeteren en waarborgen van de kwaliteit en de houdbaarheid van hun socialebeschermingsstelsels op de lange termijn |
Schrappen |
Motivering | |
Met dit amendement wordt de inhoud van amendement 8 uit de eerste lezing, aangenomen op 6 mei 2009, gedeeltelijk weer opgenomen. Tekst met een algemeen karakter, die niet voorkomt in andere wetsteksten terzake. | |
Amendement 8 Standpunt van de Raad Overweging 20 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
(20) Personen die op grond van geslacht zijn gediscrimineerd, dienen over adequate mogelijkheden tot rechtsbescherming te beschikken. Om een doeltreffender bescherming te bieden, moeten ook verenigingen, organisaties en andere rechtspersonen gerechtelijke stappen namens of tot steun van slachtoffers kunnen ondernemen, al naargelang de lidstaten bepalen, onverminderd de nationale procedurevoorschriften inzake vertegenwoordiging en verdediging in rechte. |
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.) |
Amendement 9 Standpunt van de Raad Overweging 21 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
(21) De bescherming van zelfstandigen en van echtgenoten en, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners van zelfstandigen tegen discriminatie op grond van geslacht dient te worden versterkt door de aanwezigheid in elke lidstaat van een orgaan of meer organen met de bevoegdheid om de betrokken problemen te onderzoeken, mogelijke oplossingen te zoeken en concrete bijstand aan de slachtoffers te verlenen. Deze organen mogen dezelfde zijn als de organen die op nationaal niveau verantwoordelijkheid hebben voor de verdediging van de mensenrechten of de bescherming van de rechten van het individu, of voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling. |
(21) De bescherming van zelfstandigen en van echtgenoten en, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners van zelfstandigen tegen discriminatie op grond van geslacht dient te worden versterkt door de aanwezigheid in elke lidstaat van een orgaan of meer organen met de bevoegdheid om de betrokken problemen te onderzoeken, mogelijke oplossingen te zoeken en concrete bijstand aan de slachtoffers te verlenen. Deze organen mogen dezelfde zijn als de organen die op nationaal niveau verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling. |
Motivering | |
Gedeeltelijke wederopneming van de inhoud van amendement 9 uit de eerste lezing, aangenomen op 6 mei 2009; het is niet opportuun mensenrechtenkwesties en gelijke behandeling van mannen en vrouwen door elkaar te halen. | |
Amendement 10 Standpunt van de Raad Artikel 5 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
De lidstaten kunnen maatregelen in de zin van artikel 157, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, handhaven of aannemen om volledige gelijkheid in de praktijk tussen mannen en vrouwen in het beroepsleven te waarborgen, bijvoorbeeld om vrouwelijk ondernemerschap te stimuleren. |
De lidstaten kunnen maatregelen in de zin van artikel 157, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, handhaven of aannemen om volledige gelijkheid in de praktijk tussen mannen en vrouwen in het beroepsleven te waarborgen, bijvoorbeeld om ondernemerschapsinitiatieven onder vrouwen te stimuleren. |
Amendement 11 Standpunt van de Raad Artikel 7 – lid 2 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
2. De lidstaten kunnen besluiten of de in lid 1 bedoelde sociale bescherming op een verplichte of een vrijwillige grondslag wordt toegepast. Dienovereenkomstig kunnen zij bepalen dat deze sociale bescherming alleen verleend wordt op verzoek van de in artikel 2, onder b), bedoelde echtgenoten en levenspartners. |
2. De lidstaten kunnen besluiten of de in lid 1 bedoelde sociale bescherming op een verplichte of een vrijwillige grondslag wordt toegepast. |
Amendement 12 Standpunt van de Raad Artikel 8 – lid 1 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat vrouwelijke zelfstandigen, echtgenoten en vrouwelijke levenspartners, als bedoeld in artikel 2, overeenkomstig het nationale recht een adequate zwangerschapsuitkering kan worden toegekend die het onderbreken van de beroepsuitoefening wegens zwangerschap of moederschap gedurende ten minste 14 weken mogelijk maakt. |
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat vrouwelijke zelfstandigen, echtgenoten en vrouwelijke levenspartners, als bedoeld in artikel 2, overeenkomstig het nationale recht een zwangerschapsuitkering van voldoende omvang kan worden toegekend die het onderbreken van de beroepsuitoefening wegens zwangerschap of moederschap gedurende ten minste 14 weken mogelijk maakt. |
Motivering | |
Een “adequate” uitkering houdt een subjectief oordeel in, terwijl "van voldoende omvang" betekent dat de lidstaat de gemiddelde kosten van moederschap en onderbreking van de beroepswerkzaamheden heeft beoordeeld en een uitkering aanbiedt ter dekking hiervan. | |
Amendement 13 Standpunt van de Raad Artikel 8 – lid 2 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
2. De lidstaten kunnen besluiten of de in lid 1 bedoelde zwangerschapsuitkering op een verplichte of een vrijwillig grondslag wordt toegekend. Dienovereenkomstig kunnen zij bepalen dat deze uitkering alleen toegekend wordt op verzoek van vrouwelijke zelfstandigen, echtgenoten of vrouwelijke levenspartners als bedoeld in artikel 2. |
2. De lidstaten kunnen besluiten of de in lid 1 bedoelde zwangerschapsuitkering op een verplichte of een vrijwillig grondslag wordt toegekend. |
Amendement 14 Standpunt van de Raad Artikel 8 – lid 3 – inleidende formule | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
3. De in lid 1 bedoelde uitkering wordt als adequaat beschouwd, wanneer deze een inkomen waarborgt dat ten minste gelijk is aan: |
3. De in lid 1 bedoelde uitkering wordt als voldoende beschouwd, wanneer deze een inkomen waarborgt dat ten minste gelijk is aan: |
Motivering | |
Een “adequate” uitkering houdt een subjectief oordeel in, terwijl "van voldoende omvang" betekent dat de lidstaat de gemiddelde kosten van moederschap en onderbreking van de beroepswerkzaamheden heeft beoordeeld en een uitkering aanbiedt ter dekking hiervan. | |
Amendement 15 Standpunt van de Raad Artikel 8 – lid 4 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat vrouwelijke zelfstandigen, echtgenoten en vrouwelijke levenspartners als bedoeld in artikel 2, voor zover mogelijk, toegang hebben tot bestaande diensten voor tijdelijke vervanging of op bestaande nationale sociale diensten. De lidstaten kunnen bepalen dat de toegang tot die diensten een alternatief is voor of een onderdeel vormt van de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitkering. |
4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat vrouwelijke zelfstandigen, echtgenoten en vrouwelijke levenspartners als bedoeld in artikel 2 toegang hebben tot bestaande diensten voor tijdelijke vervanging of op bestaande nationale sociale diensten. De lidstaten kunnen bepalen dat de toegang tot die diensten een alternatief is voor of een onderdeel vormt van de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitkering. |
Motivering | |
De toegang tot de bestaande diensten voor tijdelijke vervanging of tot bestaande nationale sociale diensten mag niet worden beperkt door een onnauwkeurig of niet identificeerbaar criterium. | |
Amendement 16 Standpunt van de Raad Artikel 11 – lid 1 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
1. De lidstaten wijzen een of meer organen aan voor de bevordering, analyse en ondersteuning en het volgen van de gelijke behandeling van eenieder, zonder discriminatie op grond van geslacht, en treffen daarvoor de nodige maatregelen. Deze organen kunnen deel uitmaken van instanties die op nationaal vlak verantwoordelijk zijn voor de verdediging van de mensenrechten of de bescherming van de rechten van het individu, of voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling. |
1. De lidstaten nemen de maatregelen die vereist zijn om ervoor te zorgen dat een of meer organen die overeenkomstig artikel 20 van ´Richtlijn 2006/54/EG zijn aangewezen, eveneens bevoegd zijn voor de bevordering, analyse en ondersteuning en het volgen van de gelijke behandeling van eenieder waarop onderhavige richtlijn van toepassing is, zonder discriminatie op grond van geslacht. |
Motivering | |
Gedeeltelijke wederopneming van de inhoud van amendement 9 uit de eerste lezing, aangenomen op 6 mei 2009. Verwezen wordt naar artikel 20 van Richtlijn 2006/54/EG waarbij organen voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling worden ingesteld. | |
Amendement 17 Standpunt van de Raad Artikel 15 – lid 1 | |
|
Standpunt van de Raad |
Amendement |
|
1. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op …* alle beschikbare informatie over de toepassing van deze richtlijn mee. |
1. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op …* alle beschikbare informatie over de toepassing van deze richtlijn mee. |
|
De Commissie stelt een samenvattend verslag op en legt dit uiterlijk …** aan het Europees Parlement en de Raad voor. Het verslag gaat, zo nodig, vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn. |
De Commissie stelt een samenvattend verslag op en legt dit uiterlijk …** aan het Europees Parlement en de Raad voor. In dit verslag dient met elke wijziging van de wetgeving van de Unie betreffende de duur van het zwangerschapsverlof van werkneemsters rekening te worden gehouden. Het verslag gaat, zo nodig, vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn. |
|
___________ |
___________ |
|
* PB: 6 jaar na inwerkingtreding. |
* PB: 5 jaar na inwerkingtreding. |
|
* PB: 7 jaar na inwerkingtreding. |
* PB: 6 jaar na inwerkingtreding. |
Motivering | |
Dit amendement neemt de motivering over bij amendement 25 uit de eerste lezing, aangenomen op 6 mei 2009, aangezien de perioden van zes respectievelijk zeven jaar als te lang worden beschouwd. | |
- [1] Aangenomen teksten van 6.5.2009, P7_TA(2009)0364.
TOELICHTING
Inleiding
De richtlijn van 11 december 1986[1] heeft haar doelstellingen niet bereikt, omdat deze niet ambitieus genoeg was. In de resoluties en verslagen die het in de jaren negentig heeft aangenomen, heeft het Europees Parlement herhaaldelijk aangedrongen op een verbetering van deze richtlijn.
Ondanks het feit dat het Parlement meermaals heeft gewezen op zijn zeer concrete voorstellen voor het garanderen van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, met inbegrip van hun meewerkende echtgenoten en erkende partners, is de Commissie pas in oktober 2008 gekomen met een voorstel tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG en met de indiening bij het Europees Parlement en de Raad van een voorstel voor een richtlijn[2] waarvan de specifieke rechtsgrondslag artikel 141 van het EG-Verdrag (thans artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) is. Deze richtlijn betreft alleen aspecten die nog niet zijn behandeld in het kader van andere in de tussentijd aangenomen richtlijnen die aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen uitvoering geven[3].
Het voorstel voor een richtlijn betekende een aanzienlijke vooruitgang voor wat betreft het garanderen van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, met inbegrip van hun meewerkende echtgenoten; zo werd voorgesteld om de belemmeringen voor de toegang van vrouwen tot een zelfstandige activiteit weg te nemen, onder meer door positieve acties of specifieke maatregelen om de uitoefening van een zelfstandige activiteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken; voorts betrof het voorstel de volgende aspecten: voor wat betreft de oprichting van een vennootschap, waarvoor bindende maatregelen gelden, mocht de oprichting van een vennootschap tussen echtgenoten of partners niet langer bij nationaal recht worden verboden, zwangerschapsbescherming van vrouwen die een zelfstandige activiteit uitoefenen alsook van meewerkende echtgenoten of erkende levenspartners (recht op hetzelfde zwangerschapsverlof als dat zoals bepaald in Richtlijn 92/85/EEG, een uitkering die ten minste gelijk is aan de uitkering bij ziekte, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, toegang tot diensten voor tijdelijke vervanging als alternatief voor die uitkering; een niveau van sociale bescherming voor meewerkende echtgenoten dat ten minste gelijk is aan dat van zelfstandigen, onder dezelfde voorwaarden die voor zelfstandigen gelden, evenwel met behoud van de regeling van aansluiting op vrijwillige basis bij een socialezekerheidsstelsel van echtgenoten van zelfstandigen op basis van premieafdracht.
Eerste lezing door het Parlement
Het Europees Parlement heeft in eerste lezing van het voorstel voor een richtlijn meerdere amendementen ingediend ten einde het Commissievoorstel te versterken met het oog op een meer bindende wetgeving die een kader van minimumgaranties voor meewerkende echtgenoten schept.
Voor wat betreft de toepassing van dit voorstel voor een richtlijn op de meewerkende echtgenoten respectievelijk de erkende partners van zelfstandigen heeft het Parlement er, gezien het niet-homogene karakter van het type werkzaamheid, dan ook op aangedrongen de toepassing ervan niet te beperken tot uitsluitend personen die een winstgevende bedrijvigheid voor eigen rekening uitoefenen in de landbouw; dit type werkzaamheid komt weliswaar het meest voor in de landbouw, maar het komt ook voor in de ambachtelijke sector, de handel, het MKB en bij vrije beroepen (am.1 en 10 van het EP). Voor wat betreft de specifieke maatregelen of voordelen bedoeld om de uitoefening van een zelfstandige activiteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken, steunt het Parlement het voorstel van de Commissie, maar dan wel in de vorm van een positieve actie (am. 4 van het EP, overweging 10 en artikel 4 van het voorstel voor een richtlijn).
Voor wat betreft de status van meewerkende echtgenoten en gelet op het feit dat zij in de meeste lidstaten nog steeds geen eigen status hebben, hun werk niet erkend wordt en zij geen eigen sociale bescherming onafhankelijk van hun echtgenoot, doch alleen via afgeleide rechten genieten, heeft het Parlement bepleit dat zij een duidelijk omschreven beroepsstatus moeten krijgen en hun rechten moeten worden vastgesteld en heeft het een daartoe strekkende aanbeveling aan de lidstaten gedaan (am. 3 en 18 van het EP). In nauw verband met de erkenning van hun werk staat de door het Parlement aangenomen dienovereenkomstige wijziging van overweging 13 en artikel 6 van het voorstel voor een richtlijn (am.14 en 40 van het EP) om in de eerste plaats de mogelijkheid van aansluiting bij een regeling voor zelfstandigen te garanderen, zonder vrijstellingen toe te staan, m.a.w. een verplichte aansluiting, onder dezelfde voorwaarden die voor zelfstandigen gelden, desnoods door te voorzien in de mogelijkheid premies op forfaitaire grondslag te berekenen en van de belastingen aftrekbaar te maken, bijvoorbeeld door ze te beschouwen als bedrijfskosten. Voor wat betreft het zwangerschapsverlof heeft het Parlement gepleit voor de aanpassing ervan aan de bijzondere situatie van meewerkende echtgenoten; de duur ervan mag evenwel de in Richtlijn 92/85/EEG van de Raad gespecificeerde periode niet overschrijden (am.15 van het EP).
In de eerste lezing was het Parlement van oordeel dat de voorstellen van de Commissie (artikel 10), waarin de bevoegdheden op het gebied van de mensenrechten en discriminatie op basis van geslacht op één hoop werden gegooid, moeilijk te accepteren waren. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen gaat de gehele bevolking aan, en niet alleen minderheden die worden gediscrimineerd op andere gronden, zoals ras, religie, enzovoorts. Daarom zou het orgaan dat moet toezien op de correcte toepassing van deze richtlijn hetzelfde orgaan moeten zijn als het orgaan dat toeziet op de richtlijnen inzake gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers, maar niet moeten worden gelijkgesteld met een orgaan ter bescherming van de rechten van de mens (am. 9 van het EP).
Standpunt van de Raad in eerste lezing
In het standpunt van de Raad wordt ten dele het standpunt van het Parlement in eerste lezing overgenomen, soms met een nieuwe formulering of nieuwe structuur; de Raad heeft tien amendementen van het EP in eerste lezing aanvaard (amendementen 4, 9 (ten dele), 12, 13 en 39, 18, 22, 23, 27 en 28).
Deze amendementen hebben met name betrekking op aangelegenheden gerelateerd aan specifieke maatregelen of voordelen die bedoeld zijn om de uitoefening van een zelfstandige activiteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken en die als positieve acties worden versterkt, de bevordering van het vrouwelijk ondernemerschap door de oprichting van vennootschappen tussen echtgenoten respectievelijk levenspartners niet restrictiever te maken, de opname van een nieuwe bepaling om gendermainstreaming op de diverse beleidsterreinen te bevorderen, enz. Er zij op gewezen dat de aanbeveling om het werk van meewerkende echtgenoten of erkende levenspartners van zelfstandige werknemers te erkennen is opgevolgd middels een andere formulering van overweging 8 van het standpunt van de Raad.
Het standpunt van de Raad wijkt af van het standpunt van het EP in eerste lezing, vooral voor wat betreft de sociale bescherming van de echtgenoten of erkende levenspartners van zelfstandige werknemers. De Raad is van oordeel dat het aan de lidstaten is om te besluiten of deze sociale bescherming op verplichte of vrijwillige grondslag wordt toegepast (nieuw artikel 7 van het standpunt van de Raad). Voorts is het voorstel van de Commissie dat door het Parlement in eerste lezing is overgenomen en volgens hetwelk meewerkende echtgenoten of erkende levenspartners over ten minste hetzelfde niveau van bescherming als de zelfstandige moeten kunnen beschikken, niet door de Raad overgenomen. Volgens de Raad moeten de lidstaten deze sociale bescherming overeenkomstig hun nationale recht organiseren en is het in het bijzonder aan de lidstaten om te bepalen dat deze sociale bescherming in verhouding kan staan tot de deelneming aan de activiteiten van de zelfstandige en/of de hoogte van de premie (overweging 16 van het standpunt van de Raad in eerste lezing);
Voor wat betreft het zwangerschapsverlof wordt in het standpunt van de Raad naar voren gebracht dat vrouwelijke zelfstandigen, echtgenoten en vrouwelijke levenspartners overeenkomstig het nationale recht een zwangerschapsuitkering kan worden toegekend die het onderbreken van de beroepsuitoefening wegens zwangerschap of moederschap gedurende ten minste 14 weken mogelijk maakt. Het voorstel om een maximumgrens te stellen zoals voorzien in het standpunt van het Parlement in eerste lezing (waarbij de duur de in Richtlijn 92/85/EEG van de Raad gespecificeerde periode niet mag overschrijden), is niet overgenomen, daar het om een richtlijn ter vaststelling van minimumvoorschriften gaat. Het standpunt van de Raad (artikel 8) handhaaft voorts het voorstel van de Commissie voor wat betreft de mogelijkheid tot het verlenen van toegang tot diensten voor tijdelijke vervanging als alternatief voor de zwangerschapsuitkering.
Ook blijft de Raad bij het voorstel van de Commissie voor wat betreft de organen die toezicht houden op de juiste toepassing van deze richtlijn door te stellen dat deze organen dezelfde mogen zijn als de organen die op nationaal niveau verantwoordelijkheid hebben voor de verdediging van de mensenrechten (overweging 21 en artikel 11 van het standpunt van de Raad).
Voorstel van de rapporteur
De rapporteur neemt ter kennis dat de Raad de sociale bescherming van zelfstandigen alsook de bescherming van meewerkende echtgenoten wenst te verbeteren ten einde de belemmeringen voor vrouwelijk ondernemerschap weg te nemen.
Een aantal door de Raad in zijn standpunt naar voren gebrachte punten is aanvaardbaar, zoals het feit dat de Raad niet akkoord gaat met wijziging van de bestaande formulering van Richtlijn 86/613/EEG betreffende de “leiding” over een bedrijf als situatie waarin het non-discriminatiebeginsel moet gelden (overweging 13 en artikel 4, lid 1, van het standpunt van de Raad in eerste lezing) of wanneer de Raad van oordeel is dat de tekst moet aansluiten op de bestaande bepalingen in de Richtlijnen 2006/54/EG en 2004/113/EG betreffende de niet-toevoeging van het woord "doeltreffende" (artikel 9, lid 1, van het standpunt van de Raad in eerste lezing) of de verwijzing naar "orgaan of organen", ten einde duidelijk te laten uitkomen dat de bedoelde organen dezelfde moeten zijn als de organen die bedoeld worden in de Richtlijnen 2004/113/EG en 2006/54/EG (artikel 11, lid 2, van het standpunt van de Raad in eerste lezing) enz.
De rapporteur constateert dat voor wat betreft de sociale bescherming van de echtgenoten van zelfstandigen het standpunt van de Raad afwijkt van het standpunt van het EP in eerste lezing; de Raad is weliswaar van oordeel dat de lidstaten moeten worden verplicht om de nodige maatregelen te nemen om deze sociale zekerheid overeenkomstig het nationale recht te organiseren, maar volgens de Raad is het aan de lidstaten om te besluiten of deze bescherming wordt toegepast op verplichte of vrijwillige basis en of deze alleen wordt verleend op verzoek van de echtgenoten en levenspartners.
Voor wat betreft de zwangerschapsbescherming van vrouwelijke zelfstandigen en naar analogie van echtgenoten en vrouwelijke levenspartners van zelfstandigen, constateert de rapporteur dat in de Raad vooruitgang is geboekt; de Raad heeft namelijk erkend dat hun een uitkering moet worden toegekend die het hen mogelijk maakt hun beroepsuitoefening te onderbreken gedurende een periode die lang genoeg is om een goed verloop van de zwangerschap en het lichamelijk herstel van de moeder na een normale bevalling te garanderen. Het standpunt van de Raad volgens hetwelk de vrouwen in kwestie overeenkomstig de nationale wetgeving recht zouden moeten hebben op een zwangerschapsuitkering die het mogelijk maakt de beroepsuitoefening wegens zwangerschap of moederschap gedurende ten minste 14 weken te onderbreken, kan worden gezien als een vooruitgang ten opzichte van de huidige situatie, als men ervan uitgaat dat deze periode van 14 weken een minimum is dat door de lidstaten kan worden verlengd, gelet op hun afwijkende status en hun specifieke behoeften.
De rapporteur acht het niet wenselijk ermee in te stemmen dat de noodzakelijke verbetering van de situatie van meewerkende echtgenoten uitsluitend tot de landbouwsector wordt beperkt (overweging 4 van het standpunt van de Raad in eerste lezing) noch dat wordt verwezen naar de kwaliteit en de houdbaarheid op lange termijn van de socialezekerheidsstelsels, aangezien de houdbaarheid van de socialezekerheidsstelsels niet onder de doelstellingen van deze richtlijn valt.
De rapporteur plaatst eveneens kanttekeningen bij de bepaling volgens welke de lidstaten nationale bepalingen kunnen handhaven waarbij de toegang tot specifieke socialebeschermingsregelingen of tot een bepaald niveau van bescherming wordt beperkt (overweging 16 van het standpunt van de Raad in eerste lezing) of de bepaling volgens welke de lidstaten kunnen bepalen of rekening wordt gehouden met de economische situatie van de betrokken persoon of het betrokken gezin bij de vaststelling van de bijdragen en/of uitkeringen (overweging 17 van het standpunt van de Raad in eerste lezing).
Voorts kan de rapporteur niet akkoord gaan met het feit dat de organen die toezicht houden op de juiste toepassing van deze richtlijn dezelfde zijn als de organen die verantwoordelijk zijn voor de verdediging van de mensenrechten (overweging 21 en artikel 11 van het standpunt van de Raad); zij stelt dan ook voor amendement 9 uit de eerste lezing van het EP ten dele weer op te nemen, aangezien het niet opportuun is aangelegenheden betreffende de mensenrechten en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op een hoop te gooien.
De rapporteur heeft er het volste vertrouwen in dat gezamenlijk adequate oplossingen kunnen worden gevonden waarin rekening wordt gehouden met de bestaande specifieke behoeften ten einde te komen tot een wetstekst die zal leiden tot een reële verbetering van de situatie van vrouwelijke zelfstandigen en hun echtgenoten of erkende levenspartners, met name wat betreft hun eigen sociale bescherming, los van die van echtgenoot en partner.
- [1] Richtlijn 86/613/EEG van de Raad van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap (PB L 359 van 19.12.1986, blz. 56).
- [2] COM(2008)0636.
- [3] 79/7/EEG, 2004/113/EG, 2006/54/EG.
PROCEDURE
|
Titel |
Gelijkheid van behandeling tussen mannen en vrouwen die een vrij beroep uitoefenen |
|||||||
|
Document- en procedurenummers |
17279/3/2009 – C7-0075/2010 – 2008/0192(COD) |
|||||||
|
Datum eerste lezing EP – P-nummer |
6.5.2009 T6-0364/2009 |
|||||||
|
Voorstel van de Commissie |
COM(2008)0636 - C6-0341/2008 |
|||||||
|
Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt |
25.3.2010 |
|||||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
FEMM 25.3.2010 |
|||||||
|
Rapporteur(s) Datum benoeming |
Astrid Lulling 19.11.2008 |
|
|
|||||
|
Datum goedkeuring |
4.5.2010 |
|
|
|
||||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
29 1 1 |
||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Regina Bastos, Edit Bauer, Andrea Češková, Marije Cornelissen, Silvia Costa, Tadeusz Cymański, Ilda Figueiredo, Iratxe García Pérez, Zita Gurmai, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Philippe Juvin, Astrid Lulling, Barbara Matera, Angelika Niebler, Siiri Oviir, Antonyia Parvanova, Raül Romeva i Rueda, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Eva-Britt Svensson, Marc Tarabella, Marina Yannakoudakis |
|||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Nicole Kiil-Nielsen, Elisabeth Morin-Chartier, Norica Nicolai, Chrysoula Paliadeli, Rovana Plumb, Joanna Senyszyn, Corien Wortmann-Kool |
|||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Ana Gomes, Alajos Mészáros |
|||||||
|
Datum indiening |
6.5.2010 |
|||||||