Procedure : 2009/2221(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0197/2010

Ingediende teksten :

A7-0197/2010

Debatten :

PV 05/07/2010 - 21
CRE 05/07/2010 - 21

Stemmingen :

PV 06/07/2010 - 6.15
CRE 06/07/2010 - 6.15
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0262

VERSLAG     
PDF 194kWORD 134k
14.6.2010
PE 439.253v02-00 A7-0197/2010

over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling

(2009/2221(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Emilie Turunen

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES INGEDIEND DOOR DE COMMISSIE CULTUUR EN ONDERWIJS
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling

(2009/2221(INI)

Het Europees Parlement,

–   gezien het evaluatiedocument SEC(2010)0114 over de Lissabonstrategie,

–   gezien de mededeling van de Commissie inzake nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen – anticipatie op en onderlinge afstemming van de arbeidsmarkt- en vaardigheidsbehoeften (COM(2008)0868),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie – Bijlage bij de mededeling van de Commissie over nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen (SEC(2008)3058),

–   gezien de mededeling van de Commissie inzake een gezamenlijk engagement voor de werkgelegenheid (COM(2009)0257),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

–   gezien de conclusies van de Raad over nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen – anticipatie op en onderlinge afstemming van arbeidsmarktbehoeften en behoeften aan vaardigheden, die op 9 maart 2009 te Brussel zijn aangenomen,

–   gelet op Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(1),

–   gezien de mededeling van de Commissie inzake het bevorderen van de volledige participatie van jongeren in het onderwijs, het arbeidsleven en het maatschappelijk leven (COM(2007)0498), vergezeld van het werkdocument van de diensten van de Commissie over werkgelegenheid voor jongeren in de EU (SEC(2007)1093),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 mei 2008 over de vooruitgang op het gebied van gelijke kansen en non-discriminatie in de EU (omzetting van de Richtlijnen 2000/43/EG en 2000/78/EG)(2),

–   gezien de mededeling van de Commissie inzake een EU-strategie voor jongeren – Investeringen en empowerment. Een vernieuwde open coördinatiemethode om op de uitdagingen en kansen voor jongeren in te spelen (COM(2009)0200),

–   betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid(3),

–   gezien het Groenboek van de Commissie, getiteld De leermobiliteit van jongeren bevorderen (COM(2009)0329),

–   gezien het verslag van de Commissie over de werkgelegenheid in Europa 2009, november 2009,

–   gezien het voor de Commissie opgestelde onafhankelijke verslag, getiteld New Skills for New Jobs: Action Now, met adviezen en aanbevelingen voor een nadere uitwerking van het initiatief in de context van de EU 2020-strategie voor groei en werkgelegenheid, februari 2010,

–   gezien het onafhankelijke verslag, getiteld Pathways to Work: Current practices and future needs for the labour-market integration of young people, Young in Occupations and Unemployment: thinking of their better integration in the labour market, opgesteld in opdracht van de Commissie in de context van het YOUTH-project (definitief verslag, september 2008),

–   gezien de Eurofound-studie over "Youth and Work", maart 2007,

–   gezien de Cedefop-studie, getiteld Professionalising career guidance: Practitioner competences and qualification routes in Europe, maart 2009,

–   gezien de Cedefop-studie, getiteld "Skills for Europe’s future: anticipating occupational skill needs", mei 2009,

–   gezien het vierde Cedefop-verslag over onderzoek naar beroepsonderwijs en –opleiding in Europa: syntheseverslag, getiteld "Modernising vocational education and training", december 2009,

–   gezien de OECD Employment Outlook 2008, getiteld "Off to a Good Start? Youth Labour Market Transitions in OECD Countries", November 2008,

–   gezien het Europees pact voor de jeugd, gericht op het bevorderen van de participatie van alle jongeren in het onderwijs, het arbeidsleven en het maatschappelijk leven, maart 2005,

–   gezien verzoekschrift 1452/2008, ingediend door Anne-Charlotte Bailly (Duitse nationaliteit), namens "Génération Précaire", over eerlijke stages en goede toegankelijkheid voor jongeren tot de Europese arbeidsmarkt,

–   gelet op het arrest (C-555/07) van het Europees Hof van Justitie inzake het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, januari 2010,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 mei 2010 over de dialoog tussen universiteiten en bedrijfsleven:, een nieuw partnerschap voor de modernisering van de Europese universiteiten(4),

–   gelet op artikel 156 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0197/2010),

A. overwegende dat de economische crisis heeft geleid tot een massale toename van de werkloosheid in de EU-lidstaten; overwegende dat jongeren onevenredig zwaar getroffen zijn door deze trend; overwegende dat de jeugdwerkloosheid sneller toeneemt dan de gemiddelde werkloosheid; overwegende dat in december 2009 meer dan 5,5 miljoen jongeren in de EU onder de 25 jaar werkloos waren, wat gelijk staat aan 21,4% van alle jongeren, waardoor de paradox ontstaat dat jongeren, hoewel zij ten gevolge van de vergrijzing van de bevolking een hoeksteen van de socialezekerheidsstelsels vormen, tegelijkertijd aan de rand van de economie blijven staan,

B.  overwegende dat jongeren weinig mogelijkheden hebben om een vaste, reguliere baan te vinden; overwegende dat jongeren de arbeidsmarkt gewoonlijk betreden via atypische, bijzonder flexibele en onzekere arbeidsvormen (marginale deeltijdse of tijdelijke banen, marginale betrekkingen voor bepaalde tijd enz.) en dat de kans klein is dat deze betrekkingen als springplank naar een vaste baan dienen,

C. overwegende dat werkgevers ter vervanging van reguliere arbeidsplaatsen steeds vaker stageplaatsen creëren door in te spelen op de obstakels waarmee jongeren worden geconfronteerd wanneer zij de arbeidsmarkt willen betreden; overwegende dat dergelijke vormen van uitbuiting van jongeren door de lidstaten moeten worden aangepakt en doeltreffend worden uitgeroeid,

D. overwegende dat vier van de tien maatregelen die op de in 2009 te Praag gehouden buitengewone EU-top betreffende werkgelegenheid zijn vastgesteld, verband houden met onderwijs, beroepsopleiding, een leven lang leren, stages, mobiliteitsbevordering, het beter voorspellen van behoeften op de arbeidsmarkt en het afstemmen van vaardigheden,

E.  overwegende dat jeugdwerkloosheid en gedeeltelijke werkloosheid onder jongeren hoge sociale en economische kosten voor de samenleving met zich meebrengen, die leiden tot het verlies van kansen op economische groei, erosie van de belastinggrondslag, die weer nadelig uitwerkt op investeringen in infrastructuur en openbare diensten, hogere uitgaven voor uitkeringen, te geringe benutting van de investeringen in onderwijs en opleiding en het risico van langdurige werkloosheid en sociale uitsluiting,

F.  overwegende dat de jongere generaties de gigantische, door de huidige generatie opgebouwde overheidsschuld zullen moeten afbouwen,

G. overwegende dat economische en demografische prognoses erop wijzen dat er in het komende decennium 80 miljoen nieuwe kansen op werk zullen komen in de EU, waarvoor merendeels hooggekwalificeerde werknemers nodig zijn; overwegende dat de participatiegraad voor mensen met een hoog opleidingsniveau circa 85% is, voor mensen met een gemiddeld opleidingsniveau 70% en voor mensen met een laag opleidingsniveau 50%,

H. overwegende dat economische groei cruciaal is voor het scheppen van banen, aangezien meer economische groei leidt tot meer werkgelegenheid; eraan herinnerend dat meer dan 50% van alle nieuwe banen in Europa door de KMO's wordt gecreëerd,

I.   overwegende dat de overgang van school naar werk en van de ene baan naar de andere een structurele uitdaging vormt voor jongeren in de gehele EU; overwegende dat stages over het algemeen een positief effect hebben op de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt, vooral wanneer zij hen de mogelijkheid bieden om direct op de werkplek vaardigheden en vakkennis op te doen,

J.    overwegende dat onderwijsprogramma’s aanzienlijk dienen te worden verbeterd en dat partnerschappen tussen universiteiten en bedrijven, efficiënte stagestelsels, leningen voor loopbaanontwikkeling en bedrijfsinvesteringen in opleiding dienen te worden aangemoedigd,

K. overwegende dat jongeren vaak worden gediscrimineerd op grond van hun leeftijd wanneer zij de arbeidsmarkt betreden en wanneer banen worden geschrapt; overwegende dat jonge vrouwen een groter risico lopen op werkloosheid en armoede en op onzeker werk of zwartwerk dan jonge mannen, overwegende dat anderzijds jonge mannen tijdens de huidige economische crisis het zwaarst door werkloosheid zijn getroffen, overwegende dat gehandicapte jongeren met nog grotere obstakels worden geconfronteerd voor hun integratie op de arbeidsmarkt,

L.  overwegende dat een goede baan sociaal afhankelijke jongeren verandert in zelfvoorzienende jongeren, hen helpt om aan armoede te ontkomen en hen in staat stelt zowel economisch als sociaal actief bij te dragen aan de samenleving; overwegende dat de wetgeving in sommige lidstaten discriminatie op grond van leeftijd bevat door beperkingen van de rechten van jongeren die uitsluitend op leeftijd gebaseerd zijn, zoals lagere minimumlonen voor jongeren in het Verenigd Koninkrijk, beperkte toegang tot het Revenu de solidarité active in Frankrijk en gereduceerde werkloosheidsuitkeringen voor jongeren in Denemarken, allemaal maatregelen die weliswaar bedoeld zijn om jongeren aan het werk te krijgen, maar die onaanvaardbaar zijn en een averechtse werking kunnen hebben doordat jongeren ervan weerhouden worden een onafhankelijk leven te beginnen, vooral in tijden van crisis met een hoge jeugdwerkloosheid,

M. overwegende dat nog niet helemaal is voldaan aan de uitgangspunten van de Lissabonstrategie over jongeren en de modernisering van de beroepsopleiding (BOO),

N.  overwegende dat flexizekerheid met het oog op flexibele en betrouwbare arbeidsovereenkomsten, een leven lang leren, een actief arbeidsmarktbeleid en sociale zekerheid de algemene strategie voor de Europese arbeidsmarkten is; overwegende dat deze strategie in vele landen helaas eng werd geïnterpreteerd als “flexibiliteit”, waardoor de holistische benadering, werkzekerheid en sociale zekerheid uit het oog zijn verloren,

O. overwegende dat de Europese Economische Ruimte na 2020 zal worden geconfronteerd met een grootschalig tekort aan geschoolde arbeidskrachten ten gevolge van demografische veranderingen en dat deze tendens slechts kan worden tegengegaan met adequaat onderwijs en passende opleiding en omscholing,

P.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen zowel door hun aantal als door hun strategische rol in de bestrijding van de werkloosheid een belangrijke plaats innemen in het Europese economische weefsel,

1.  dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op een op rechten gebaseerde benadering van jongeren en werkgelegenheid. Het kwalitatieve aspect van fatsoenlijk werk voor jongeren mag niet in het gedrang komen. Daarnaast moeten de fundamentele arbeidsnormen en andere aan de kwaliteit van werk gerelateerde normen, zoals arbeidstijd, minimumloon, sociale zekerheid en veiligheid en gezondheid op de werkplek, centraal staan in de geleverde inspanningen;

Scheppen van meer en betere banen en integratie op de arbeidsmarkt

2.  verzoekt de Raad en de Commissie om voor de EU een strategie voor werkgelegenheid vast te stellen, waarin financiële instrumenten worden gecombineerd met werkgelegenheidsbeleid teneinde groei zonder toename van de werkgelegenheid te vermijden, en waarin ambitieuze benchmarks voor de werkgelegenheid van jongeren worden vastgesteld; pleit met klem voor een werkgelegenheidstrategie met een bijzondere nadruk op de ontwikkeling van groene banen en banen in de sociale sector, waarbij moet worden verzekerd dat het Parlement betrokken wordt bij het besluitvormingsproces;

3.  onderstreept dat het voor de lidstaten belangrijk is om 'groene' banen te ontwikkelen, bijvoorbeeld door te voorzien in opleidingen in milieutechnologie;

4.   dringt er bij de lidstaten op aan om effectieve stimulansen in te voeren, zoals werkgelegenheidssubsidies of verzekeringsbijdragen voor jongeren, opdat hun behoorlijke levens- en arbeidsvoorwaarden worden geboden; roept de lidstaten op om werkgevers (zowel overheid als particuliere sector) op doeltreffende wijze te stimuleren tot het aannemen van jongeren, en voorts om zowel te investeren in het scheppen van werkgelegenheid voor jongeren als in voortgezette opleiding en het opwaarderen van hun vaardigheden gedurende de arbeid en om ondernemerschap onder jongeren te steunen; wijst op de bijzondere rol en het belang van kleine ondernemingen op grond van hun expertise en traditionele kennis; pleit ervoor dat ervoor gezorgd wordt dat jongeren toegang krijgen tot de recentelijk opgerichte Europee Faciliteit voor Microfinancing;

5.   benadrukt het belang van onderwijs op het gebied van ondernemerschap, als onderdeel van de vorming van vaardigheden die noodzakelijk zijn voor de nieuwe soorten banen;

6.   verzoekt de lidstaten een ambitieus beleid te volgen op het gebied van opleiding van jongeren;

7.  verzoekt de Commissie, rekening houdend met de nuttige nationale partnerschappen die zijn aangegaan tussen scholen, universiteiten, ondernemingen en de sociale partners, proefprojecten aan te moedigen en te ondersteunen in de nieuwe strategische ontwikkelingssectoren die jongeren, en in het bijzonder vrouwen, adequate wetenschappelijke, technologische en arbeidsgerichte opleiding bieden, teneinde de innovatie binnen en het concurrentievermogen van bedrijven te stimuleren, met behulp van studiebeurzen, stages op het niveau van het hoger onderwijs en niet-atypische arbeidscontracten;

8.  verzoekt de universiteiten al in een vroegtijdig stadium toenadering te zoeken tot de werkgevers en studenten de kans te bieden vaardigheden te verwerven die zij later op de arbeidsmarkt zullen nodig hebben;

9.  verzoekt de lidstaten brede maatregelen te treffen die ten doel hebben de economie te bevorderen, zoals belastingverminderingen en de vermindering van de administratieve verplichtingen van het MKB, teneinde groei te creëren en nieuwe banen te scheppen, vooral voor jongeren;

10. hoopt dat jongeren vlot de weg naar microleningen zullen vinden; is van mening dat de oprichters van startende ondernemingen consistent en professioneel advies moeten krijgen;

11. verzoekt de lidstaten om een inclusief en gericht arbeidsmarktbeleid op te stellen dat borg staat voor een respectvolle integratie en betekenisvol werk voor jongeren, bijvoorbeeld door het opzetten van inspirerende netwerken, stageregelingen in combinatie met financiële steun zodat de stagiair zijn verblijfplaats kan verleggen en in de buurt van zijn stageplaats kan wonen, internationale carrièrecentra en jeugdcentra voor individuele begeleiding, met name op gebieden als collectieve organisatie en kennis van de legale aspecten van hun stages;

12. erkent de moeilijkheden die jongeren ervaren wanneer zij toegang willen krijgen tot financiering om hun eigen bedrijf op te zetten en uit te bouwen; verzoekt de lidstaten en de Commissie maatregelen te nemen teneinde jongeren gemakkelijker toegang te geven tot financiering alsook om in samenwerking met het bedrijfsleven mentorprogramma’s voor jongeren op te zetten betreffende het opstarten en uitbouwen van ondernemingen;

13. verzoekt de lidstaten de vaardigheden van voortijdige schoolverlaters te bevorderen en hen aan de hand van innovatieve projecten voor te bereiden op het beroepsleven;

14. verzoekt de lidstaten een vroegtijdige samenwerking tussen scholen en werkgevers op te nemen in hun plannen voor de hertekening van de opleidingsstelsels; is van mening dat gemeenten en lokale autoriteiten moeten worden betrokken bij de planning van onderwijs en opleiding aangezien zij via netwerken in contact staan met de werkgevers en weten wat deze nodig hebben;

15. verzoekt de Commissie om de financiële capaciteit van het Europees Sociaal Fonds te vergroten, om minimaal 10% van dit fonds te reserveren voor projecten die zijn gericht op jongeren en om de toegang tot het fonds te vergemakkelijken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de exploitatie van kleine en innoverende projecten niet in gevaar te brengen door excessieve controle en om bij de evaluatie van de effectiviteit en toegevoegde waarde van programma's als "Jongeren in actie" vooral te letten op de werkgelegenheidskansen die zij bieden voor jongeren; dringt er bij de lidstaten op aan om zich meer toe te spitsen op jongeren;

16. dringt er bij de lidstaten op aan om samenwerking tussen onderwijsinstellingen en bedrijven prioritair aan te merken als het meest geschikte instrument om structurele werkloosheid te bestrijden;

Onderwijs en de overgang van school naar werk

17. verzoekt de lidstaten om de inspanningen om het voortijdig schoolverlaten terug te dringen te vergroten, teneinde het doel van Lissabon om het aantal voortijdige schoolverlaters in 2012 tot maximaal 10% te beperken, te verwezenlijken; roept de lidstaten op om een brede waaier van maatregelen in te zetten tegen voortijdig schoolverlaten, zoals kleinere klassen, meer aandacht voor praktijk in het vakkenpakket, mentoren op alle scholen en onmiddellijke follow-up van voortijdige schoolverlaters; verwijst naar het voorbeeld van Finland, dat erin geslaagd is het aantal vroegtijdige schoolverlaters te beperken door met hen te zoeken naar mogelijkheden om een nieuwe richting in te slaan; roept de Commissie op om een project over beste praktijken te coördineren;

18. verzoekt de lidstaten de banden tussen het onderwijsstelsel en de arbeidswereld te versterken en methoden vast te stellen om de vraag naar vaardigheden en competenties te kunnen voorspellen;

19. verzoekt om maatregelen om ervoor te zorgen dat alle kinderen van bij het begin voldoende worden aangemoedigd, en in het bijzonder om de doelgerichte aanmoediging van kinderen met taalproblemen of andere handicaps te garanderen, zodat hen zoveel mogelijk onderwijs- en loopbaanmogelijkheden worden geboden;

20. verzoekt om meer en betere stageplaatsen voor leerlingen; verwijst naar de positieve ervaringen met het duale stelsel van beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) in landen als Duitsland, Oostenrijk en Denemarken, waar het stelsel wordt beschouwd als een belangrijk onderdeel van de overgang van jongeren van school naar werk; verzoekt de lidstaten stagestelsels voor leerlingen te ondersteunen en bedrijven aan te moedigen om jongeren opleidingskansen te bieden, zelfs in tijden van crisis; benadrukt het belang van passende opleiding om ervoor te zorgen dat in de toekomst voldoende hoogopgeleide arbeidskrachten beschikbaar zijn om aan de behoeften van het bedrijfsleven te voldoen; benadrukt dat leerlingplaatsen niet de plaats van reguliere banen mogen gaan innemen;

21. verzoekt om betere en gegarandeerde stageplaatsen; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om, ingevolge de in mededeling COM(2007)0498 gedane toezegging om "een initiatief voor te stellen voor een Europees kwaliteitshandvest voor stages", om een Europees Kwaliteitshandvest voor stages in te voeren, dat voorziet in minimumnomen voor stages om hun educatieve waarde te verzekeren en exploitatie te voorkomen, daarbij rekening houdend met het feit dat stages een deel van de opleiding vormen en niet de plaats mogen innemen van werkelijke banen; is van oordeel dat deze minimumnormen een beknopte omschrijving moeten bevatten van de inhoud van de baan en de te verwerven kwalificaties, een maximumtermijn voor de duur van een stage, een minimum stage-toelage gebaseerd op de kosten van levensonderhoud in de plaats waar de stage wordt verricht, een beloning die in overeenstemming met de nationale tradities, verzekeringen op het gebied van hun werk omvat, alsook sociale zekerheidsvoorzieningen in overeenstemming met de locale normen en duidelijk verband houden met het desbetreffende opleidingsprogramma;

22. verzoekt de Commissie voor alle lidstaten statistieken over stages te verstrekken, met inbegrip van:

    - aantal stageplaatsen;

    - duur van de stages;

    - sociale uitkeringen voor stagiairs;

    - aan stagiairs betaalde toelagen;

    - leeftijdscategorieën van stagiairs;

alsook een vergelijkend onderzoek uit te voeren naar de verschillende stagestelsels van de EU-lidstaten;

23. verzoekt de lidstaten op de naleving van de regelgeving toe te zien;

24. verzoekt de lidstaten een Europees systeem op te zetten voor de certificering en erkenning van kennis en vaardigheden die worden verworven in het kader van stages, wat zal bijdragen tot de mobiliteit van jonge werknemers;

25. verzoekt jongeren te beschermen tegen zowel publieke als private werkgevers, die via werkervaringsprogramma’s en stageregelingen goedkoop of kosteloos in hun essentiële basisbehoeften kunnen voorzien, wanneer die misbruik maken van de bereidheid van jongeren om te leren, zonder hen enig uitzicht op een vaste betrekking te geven;

26. benadrukt het belang om de arbeids- en opleidingsmobiliteit van jongeren in alle lidstaten te stimuleren en de behoefte aan een grotere erkenning en transparantie van kwalificaties, vaardigheden en diploma’s in de EU; verzoekt om een verdubbeling van de inspanningen om het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren en het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding te ontwikkelen alsook om het Leonardo da Vinci-programma te verbeteren;

27. roept de lidstaten op vaart te maken met de harmonisatie van nationale kwalificatieprofielen en Europese kwalificatieprofielen ten einde de mobiliteit van jonge mensen op het gebied van onderwijs en werk verder te vergroten;

28. benadrukt de rol van de private aanbieders van onderwijs, aangezien de private sector gewoonlijk innovatiever te werk gaat bij de samenstelling van cursussen en flexibeler is in het geven ervan;

29. dringt er bij de lidstaten op aan om jongeren die deelnemen aan werkervaringsprogramma’s en stageregelingen volledige arbeids- en socialezekerheidsrechten te geven, met waar nodig subsidies voor een deel van hun bijdragen;

30. verzoekt de Commissie en de lidstaten stageregelingen en werkervaringsprogramma’s in de socialezekerheidsstelsels op te nemen;

31. roept de lidstaten op om hun voorlichtingsstelsels inzake schoolkeuze bij de overgang van het lager naar het secundair onderwijs te versterken teneinde jongeren en hun ouders te helpen de onderwijs- en opleidingskanalen te kiezen die zijn afgestemd op hun reële talenten, vaardigheden en ambities, waardoor het risico op voortijdig schoolverlaten en mislukking kleiner wordt;

32. erkent dat jongeren in tijden van crisis onderwijs willen volgen en hiertoe moeten worden aangemoedigd; dringt er bij alle lidstaten op aan om gelijke toegang tot onderwijs voor allen te verzekeren door de garantie van een minimumrecht op goed gefinancierd onderwijs van crèche tot universiteit en door financiële steun voor jonge studenten te verzekeren; verzoekt de lidstaten meer te investeren in onderwijs en opleiding, zelfs wanneer er fiscale en sociale beperkingen bestaan, om zo spoedig mogelijk uitvoering te geven aan het Europees Kader voor Beroepskwalificaties en, wanneer dit nodig is, nationale kaders voor bekwaamheden op te stellen;

33. herinnert eraan dat met het proces van Kopenhagen wordt beoogd individuen aan te moedigen gebruik te maken van het brede pallet aan mogelijkheden op het gebied van beroepsopleiding (bijvoorbeeld op school, in het hoger onderwijs, op de werkvloer of via particuliere opleidingen);

34. verzoekt de Commissie om uitbreiding van de EU-programma’s voor de ondersteuning van onderwijs en bijscholing, zoals Een leven lang leren, het Europees Sociaal Fonds, de Marie Curie- en Erasmus Mundus-acties en het initiatief Wetenschapsonderwijs in Europa;

35. verzoekt de lidstaten nationale task forces voor jongeren in te stellen teneinde de samenhang tussen het onderwijsstelsel en de arbeidsmarkt te bevorderen en tussen de overheid, werkgevers en individuen een grotere, gedeelde verantwoordelijkheid voor het investeren in vaardigheden aan te moedigen; verzoekt de lidstaten in alle scholen te voorzien in adviesorganen om de overgang van school naar werk zo vlot mogelijk te laten verlopen en samenwerking tussen publieke en private actoren te stimuleren;

36. is van oordeel dat het uitermate belangrijk is om de onderwijs- en opleidingsstelsels af te stemmen op de dynamische ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de behoefte aan nieuwe beroepen;

37. acht het leren van talen essentieel om jonge mensen een betere toegang tot de arbeidsmarkt te geven en om hun mobiliteit en gelijke kansen te stimuleren;

Aanpassing aan de behoeften van het individu en de arbeidsmarkt

38. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om jongeren informatie te verstrekken over de eisen op de arbeidsmarkt, daarbij de voorwaarde stellend dat er passende evaluatiemechanismen worden ingevoerd do het mogelijk maken de ontwikkelingen in de verschillende beroepen nauwgezet te volgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om beleid en strategieën op basis van levenscyclus te ontwikkelen, waarin onderwijs en werk beter zijn geïntegreerd, een veilige overgang centraal staat en werknemers hun beroepsvaardigheden voortdurend verder ontwikkelen zodat zij de kerncompetenties verwerven die voor de arbeidsmarkt nodig zijn;

39. verzoekt de Commissie het tempo van de werkzaamheden inzake de erkenning van beroepskwalificaties, met inbegrip van niet-formeel leren en werkervaring, op te voeren teneinde de mobiliteit van jongeren te bevorderen;

40. roept de lidstaten op de erkenning van onderwijsresultaten die zijn behaald in het kader van niet-formeel en informeel leren te bevorderen, opdat jonge mensen verder blijk kunnen geven van hun opleiding en competenties, waar bij het zoeken naar werk op de arbeidsmarkt om wordt gevraagd;

41. verzoekt de steun voor en het prestige van de beroepsopleiding te verhogen;

42. dringt er bij de Commissie op aan om samen met de sociale partners de flexizekerheidsstrategie zodanig te herzien dat de zekerheid bij overgangen boven aan de agenda komt te staan, terwijl tegelijkertijd wordt gezorgd voor mobiliteit en een vereenvoudigde toegang voor jongeren; benadrukt dat flexibiliteit zonder sociale zekerheid geen duurzame oplossing is voor de problemen van jongeren op de arbeidsmarkt en dat het in tegendeel een manier is om de arbeids- en socialezekerheidsrechten van jongeren te omzeilen;

43. doet een beroep op de lidstaten om alle vier de flexizekerheidscomponenten op te nemen in hun nationale modellen voor werkgelegenheidsstrategieën voor jongeren, te weten:

a.   flexibele en voldoende zekerheid biedende contractuele regelingen,

b. integrale programma’s voor opleiding, stages en leren tijdens het hele leven die de voortdurende ontwikkeling van vaardigheden moeten waarborgen,

c. een doeltreffend actief arbeidsmarktbeleid met de nadruk op vaardigheden, hoogwaardige werkgelegenheid en integratie,

d. doeltreffende mechanismen op het gebied van arbeidsmobiliteit,

e. socialezekerheidsstelsels die jongeren zekerheid bieden bij de overgang tussen verschillende arbeidssituaties, tussen werkloosheid en werkgelegenheid en tussen opleiding en werkgelegenheid, in plaats van hen te dwingen tot flexibiliteit;

f. doeltreffende toezichtmechanismen om de arbeidsrechten te waarborgen;

44. verzoekt de lidstaten en de sociale partners te zorgen voor banen van goede kwaliteit, om baanonzekerheid voor jongeren te vermijden; verzoekt de lidstaten en de sociale partners om op basis van de bestaande nationale wetgeving en in samenwerking met de Commissie betere normen vast te stellen en te implementeren voor de bescherming van werknemers in banen met onzekere of slechte arbeidsvoorwaarden;

45. verzoekt de Commissie de gevolgen op lange termijn van jeugdwerkloosheid en de billijke verdeling tussen de generaties te evalueren;

46. benadrukt de behoefte aan een sterke en gestructureerde sociale dialoog op alle werkplekken teneinde jonge werknemers te beschermen tegen uitbuiting en de onzekerheid die vaak bij tijdelijke arbeidsbetrekkingen hoort; benadrukt dat de sociale partners aandacht dienen te besteden aan jonge werknemers en hun specifieke behoeften;

47. verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat de richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep, die leeftijdsdiscriminatie met betrekking tot arbeid verbiedt, correct werd omgezet en op een doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gelegd; is van mening dat veel meer moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat zowel werknemers als werkgevers zich bewust zijn van hun rechten en plichten die uit deze wetgeving voortvloeien;

48. verzoekt de lidstaten en de sociale partners strategieën uit te voeren om jongeren te informeren en voor te lichten over hun rechten op het werk en over de verschillende alternatieve routes die hen naar de arbeidsmarkt kunnen leiden;

49. roept de Commissie en de lidstaten op om toenadering tussen de arbeidswereld en het onderwijs te bevorderen zodat opleidingstrajecten zoals duale opleiding kunnen worden ontwikkeld die theorie met praktijkervaring combineren, teneinde jongeren uit te rusten met de nodige algemene vaardigheden en specifieke vakkennis; roept de Commissie en de lidstaten ook op om te investeren in een bewustmakingscampagne over beroepsopleiding (BOO) en technische en bedrijfskundige studies, om ervoor te zorgen dat deze loopbaantrajecten niet langer worden gezien als een ongeschikte keuze, maar als een kans om de steeds talrijker wordende vacatures voor technische banen op de arbeidsmarkt in te vullen en de Europese economie nieuw leven in te blazen;

50. verzoekt de lidstaten en de sociale partners de planning en tenuitvoerlegging van programma’s te intensiveren teneinde jongeren een betere toegang tot de arbeidsmarkt te geven door middel van een actief werkgelegenheidsbeleid, in het bijzonder in de gebieden en sectoren met een hoge jeugdwerkloosheid;

51. dringt er bij de lidstaten op aan om de gevolgen van jeugdwerkloosheid voor de pensioensrechten van die generatie op te vangen en de studietijd van jongeren ruim in aanmerking te nemen om hen aan te moedigen gedurende lange tijd te studeren;

52. verzoekt de sociale partners meer inspanningen te leveren om jongeren te informeren over hun recht om deel te nemen aan de sociale dialoog alsook om de participatie van deze grote groep van de actieve beroepsbevolking in de structuren van hun representatieve organen te stimuleren;

Benadeling en discriminatie

53. verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de nationale wetgeving inzake jongeren, en in het bijzonder de nationale wetgeving die is gebaseerd op de richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, niet wordt gebruikt om jongeren te discrimineren wat de toegang tot uitkeringen betreft; is van mening dat veel meer moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat zowel werknemers als werkgevers zich bewust zijn van hun rechten en plichten die uit deze wetgeving voortvloeien;

54. verzoekt de lidstaten initiatieven te nemen die ervoor zorgen dat jonge immigranten de taal van hun gastland kunnen leren, dat de kwalificaties die zij in hun thuisland hebben verworven, worden erkend en dat zij kernvaardigheden kunnen verwerven, zodat zij zich kunnen integreren in de maatschappij en de arbeidsmarkt kunnen betreden;

55. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om te zorgen voor toereikende en betere en betaalbare faciliteiten voor kinderzorg voor jonge ouders, zoals scholen waar de kinderen de gehele werkdag kunnen verblijven, ten einde het voor jonge ouders, en met name moeders, mogelijk te maken deel uit te maken van arbeidsmarkt;

56. verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de bijstand die in de vorm van kinderopvang of kinderdagverblijven aan jonge ouders wordt verleend, volstaat om ervoor te zorgen dat zij op de arbeidsmarkt kunnen blijven participeren;

57. verzoekt de lidstaten op korte termijn een inspanning te leveren voor jonge werkloze mannen in de door de crisis getroffen sectoren, zonder daarbij de langetermijnproblemen uit het oog te verliezen die jonge vrouwen ervaren wanneer zij de arbeidsmarkt willen betreden;

58. verzoekt de lidstaten om voorkeursmaatregelen voor jongeren te treffen in de arbeidsmarktsectoren waarin jongeren ondervertegenwoordigd zijn, teneinde de gevolgen van eerdere leeftijdsdiscriminatie te compenseren en een werkelijk diverse beroepsbevolking te verwezenlijken, met zo nodig redelijke aanpassingen voor gehandicapte jongeren; wijst op de goede ervaringen met positieve actie als middel tegen discriminatie;

59. benadrukt met klem de noodzaak om specifieke programma's te ontwikkelen voor gehandicapten, om hen een zo groot mogelijke kans te bieden door te dringen tot de arbeidsmarkt;

60. onderstreept dat het belangrijk is om de stageperiodes en de mobiliteit te bevorderen van jongeren die een artistieke opleiding volgen zoals film, muziek, dans, theater of circuskunsten;

61. is van oordeel dat er meer steun moet zijn voor programma's voor vrijwilligerswerk op verschillende domeinen, zoals maatschappelijk, cultureel of sportief;

62. verzoekt de verschillende takken van de industrie in bedrijven en organisaties generatiepartnerschappen op te zetten en zodoende een actieve uitwisseling van kennis te genereren en de ervaring van verschillende generaties op een productieve manier samen te brengen;

63. erkent het belang van financiële onafhankelijkheid voor jongeren en verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat elke jongere het recht heeft op een redelijk inkomen dat hem of haar in staat stelt een onafhankelijk, volwassen leven te leiden;

64. verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat jongeren, indien zij dat wensen, een beroep kunnen doen op doeltreffende bijstand voor de keuze van hun loopbaan, voor informatie over hun rechten en voor het beheer van hun minimuminkomen;

Strategieën en beheersinstrumenten op Europees niveau

65. stelt voor dat de Raad en de Commissie een Europese garantie voor de jeugd instellen, op basis waarvan elke jongere in de EU na vier maanden werkloosheid aanspraak kan maken op een baan, een stageplaats, een aanvullende opleiding of een combinatie van werk en opleiding;

66. is verheugd over de voortgang bij het opstellen van de EU 2020-strategie, maar betreurt het ontbreken van een publieke en transparante evaluatie van de Lissabonstrategie, en in het bijzonder van het Europees pact voor de jeugd, met inbegrip van benchmarks voor jongeren, en betreurt tevens dat de sociale partners, het maatschappelijk middenveld en jongerenorganisaties onvoldoende zijn geraadpleegd bij de ontwikkeling van de EU 2020-strategie;

67. verzoekt de lidstaten nieuwe, verbindende benchmarks voor jongeren in te voeren en deze te evalueren; roept de Commissie op de bestaande benchmarks en de jeugdgarantie jaarlijks te evalueren teneinde voortgang en resultaat te boeken op basis van statistische gegevens die verder zijn uitgesplitst en ingedeeld, met name volgens geslacht en leeftijdsgroep;

68. verzoekt de Raad en de Commissie in te stemmen met nieuwe, verbeterde beheers- en online-informatie-instrumenten voor de werkzaamheden op het vlak van werkgelegenheid voor jongeren en hierop actie te ondernemen;

69. stelt voor een permanente EU-taskforce voor de jeugd in het leven te roepen, waarin jongerenorganisaties, de lidstaten, de Commissie, het Parlement en de sociale partners zijn vertegenwoordigd, teneinde de ontwikkelingen op het gebied van werkgelegenheid voor jongeren op de voet te volgen, transsectoraal beleid mogelijk te maken, voorbeelden van beste praktijken te delen en nieuw beleid te initiëren;

70. benadrukt het belang om jongeren te betrekken bij het maken van onderwijs- en opleidingsbeleid, zodat met hun behoeften beter rekening kan worden gehouden; beveelt derhalve aan dat de Commissie vertegenwoordigers van nationale jongerenraden raadpleegt en hen vraagt wat prioriteiten zijn voor jongeren;

71. verzoekt de lidstaten om de effecten van beleid op jongeren te beoordelen, jongeren op te nemen in alle processen en jeugdraden in te stellen om toe te zien op het jongerenbeleid;

72. verzoekt de Europese instellingen het goede voorbeeld te geven door advertenties voor onbezoldigde stages van hun respectieve websites te verwijderen en te voorzien in de betaling van:

     - een minimumtoelage die is gebaseerd op de kosten van levensonderhoud van de plaats waar de stage wordt uitgevoerd;

     - socialezekerheidsvoorzieningen voor alle stagiairs;

73. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(2)

PB C 279E van 19.11.2009, blz. 23.

(3)

PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0187.


TOELICHTING

De economische recessie heeft geleid tot een massale toename van de werkloosheid in de EU-27, en jongeren zijn hierdoor onevenredig zwaar getroffen. Op dit moment zijn meer dan 5,5 miljoen jongeren onder de 25 jaar werkloos, wat gelijk staat aan 21,4%. Dit is het dubbele van het gemiddelde werkloosheidspercentage. En naar verwachting zal het werkloosheidscijfer zelfs nog verder stijgen.

Jeugdwerkloosheid is een van de meest urgente problemen van Europa. We lopen het risico een generatie te verliezen aan sociale uitsluiting en zetten de economische en sociale toekomst van de EU op het spel.

Jeugdwerkloosheid eist een zware sociale en economische tol van onze samenlevingen, resulterend in minder kansen voor economische groei, uitholling van de belastinggrondslag (wat de investeringen in infrastructuur en overheidsdiensten ondermijnt), hogere welzijnskosten en onderbenutting van investeringen in onderwijs en opleiding. De Europese jongeren vormen een schat aan ongebruikt menselijk potentieel. De economische en sociale vooruitzichten vragen om actie.

Een werkloos begin van het arbeidsleven zorgt voor langdurige persoonlijke littekens. Onderzoek toont duidelijk aan dat mensen die als jongere werkloos waren, hiervan op latere leeftijd nog last hebben. Werkloosheid in een vroeg stadium vergroot het risico op langdurige werkloosheid en heeft een negatief effect op het inkomen in de toekomst. Bovendien leidt een stijging van de werkloosheid tot meer armoede, ziekte, misdaad en zelfmoorden. We kunnen niet accepteren dat de jongeren van Europa sociaal worden uitgesloten.

Niet alleen de economische crisis heeft barrières opgeworpen voor jongeren die de arbeidsmarkt willen betreden en willen beginnen aan een onafhankelijk leven als volwassene. Sinds de jaren tachtig is er speciale aandacht geweest voor obstakels op de arbeidsmarkt voor jongeren. Een aantal feiten geeft blijk van de omvang van het probleem:

Jonge werknemers zijn niet alleen vaker werkloos dan volwassen werknemers, maar hebben ook vaker onzekere, tijdelijke banen van lage kwaliteit, met een lager salaris en minder sociale zekerheid. Bovendien zijn de normen voor jongeren inzake veiligheid en gezondheid op de werkplek vaak lager en lopen zij 50% meer kans op ongevallen op het werk dan hun meer ervaren collega’s.

Het goede nieuws is dat er veel voordeel te behalen valt bij de opname van jongeren in de beroepsbevolking en de samenleving. Het bevorderen van meer en betere banen voor jongeren heeft diverse positieve gevolgen: het creëert synergieën in onze economieën en samenlevingen, vergroot de investerings- en consumentenvraag en zorgt voor stabielere en meer samenhangende sociale banden binnen en tussen generaties. Ten slotte zijn jongeren door een goede baan niet langer sociaal afhankelijk, maar zelfvoorzienend. Dit helpt hen om aan armoede te ontkomen en stelt hen in staat actief bij te dragen aan de samenleving.

Alle lidstaten moeten actie ondernemen om jeugdwerkloosheid te bestrijden met beleidsprioriteiten en –strategieën die aansluiten bij de specifieke situatie in het land. Tegelijkertijd moet de EU gezamenlijke strategieën opstellen. Om deze uitdaging aan te gaan, is een geïntegreerde en samenhangende benadering vereist die maatregelen op macro- en micro-economisch niveau combineert, zich richt op vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en rekening houdt met zowel de kwaliteit als de kwantiteit van werk. Er is een samenhangende mix van educatief, financieel, werkgelegenheids- en sociaal beleid nodig.

Met economische en politieke investeringen in nieuwe banen en opleidingen, sterkere socialezekerheidsstelsels, een dynamischer arbeidsmarkt en fatsoenlijk werk, kunnen we de Europese arbeidsmarkt transformeren en de huidige tendensen ombuigen naar een betere toekomst voor jongeren.

Laten we jongeren boven aan de politieke agenda zetten. Laten we de uitdaging aangaan. Laten we de verloren generatie veranderen in de generatie van hoop.


ADVIES INGEDIEND DOOR DE COMMISSIE CULTUUR EN ONDERWIJS (27.4.2010)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake bevordering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor jongeren en een sterkere rechtspositie voor stagiaires, leerlingen en assistenten in opleiding

(2009/2221(INI))

Rapporteur: Katarína Neveďalová

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat vier van de tien maatregelen die op de in 2009 te Praag gehouden buitengewone EU-top betreffende werkgelegenheid zijn vastgesteld, verband houden met onderwijs, beroepsopleiding, een leven lang leren, stages, mobiliteitsbevordering, het beter voorspellen van behoeften op de arbeidsmarkt en het afstemmen van vaardigheden,

1.  is van mening dat onderwijs en opleiding cruciaal zijn voor de integratie van jonge mensen op de arbeidsmarkt en benadrukt de noodzaak om de regelingen voor een leven lang leren, met inbegrip van formele en informele onderwijsregelingen, toegankelijk te maken voor iedereen en om mensen ook echt uit te rusten met de vaardigheden en competenties die worden omschreven in "Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen"; herinnert eraan dat de verwerving van basiskennis en goede algemene culturele kennis een belangrijke factor is bij beroepsmobiliteit;

2.  herinnert eraan dat met het proces van Kopenhagen wordt beoogd individuen aan te moedigen gebruik te maken van het brede pallet aan mogelijkheden op het gebied van beroepsopleiding (bijvoorbeeld op school, in het hoger onderwijs, op de werkvloer of via particuliere opleidingen);

3.  onderstreept het belang om alle jonge mensen een solide ondergrond van basiscompetenties te verschaffen, aangezien dit essentieel is voor de bevordering van levenslange mobiliteit en hen in staat stelt mee te gaan met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in te spelen op de nieuwe economische en sociale noden;

4.  acht het leren van talen essentieel om jonge mensen een betere toegang tot de arbeidsmarkt te geven en om hun mobiliteit en gelijke kansen te stimuleren;

5.  onderstreept het belang van het bevorderen van ondernemerschap en het helpen van jongeren bij het opzetten van hun eigen bedrijf en van de bevordering en uitbreiding van het Erasmus-programma voor jonge ondernemers; beveelt derhalve een voorlichtingscampagne van de EU op onderwijsinstellingen aan over ondernemerschap, startkapitaal, belasting voor startende ondernemers, en opleidingssteun;

6.  onderstreept dat het voor de lidstaten belangrijk is om 'groene' banen te ontwikkelen, bijvoorbeeld door te voorzien in opleidingen in milieutechnologie;

7.  benadrukt met klem de noodzaak om specifieke programma's te ontwikkelen voor gehandicapten, om hen een zo groot mogelijke kans te bieden door te dringen tot de arbeidsmarkt;

8.  benadrukt het belang van onderwijs op het gebied van ondernemerschap, als onderdeel van de vorming van vaardigheden die noodzakelijk zijn voor de nieuwe soorten banen;

9.  acht het van essentieel belang dat er partnerschappen in het leven worden geroepen tussen de onderwijswereld en het bedrijfsleven, en roept op tot verbetering van de mobiliteit van en de voorzieningen op taalgebied voor studenten, docenten en werknemers;

10. onderstreept de noodzaak van nieuwe initiatieven of programma's op EU-niveau om de mobiliteit van studenten tussen hogeronderwijsstelsels en het bedrijfsleven te verbeteren;

11. roept de lidstaten op vaart te maken met de harmonisatie van nationale kwalificatieprofielen en Europese kwalificatieprofielen ten einde de mobiliteit van jonge mensen op het gebied van onderwijs en werk verder te vergroten;

12. steunt het aanbieden van stages als integraal onderdeel van het lesprogramma, zodat leerlingen de kans krijgen vaardigheden en werkervaring op te doen, om zo hun toekomstige intrede op de arbeidsmarkt te bevorderen; benadrukt de pedagogische functie van stages en wijst erop dat deze niet ter vervanging van banen mogen dienen;

13. is van oordeel dat de ontwikkeling van stages die sterk aansluiten op het leerprogramma uitermate belangrijk is, aangezien deze gelegenheid bieden vaardigheden te versterken en te beginnen met werken op basis van slechts een opleiding en geringe voorafgaande ervaring; ziet in stages een noodzakelijk middel om onderwijs en werk te combineren, aangezien bepaalde regelingen een intreepercentage laten zien van 70% naar aanleiding van een geslaagde stage;

14. is ingenomen met het resultaat van de op 28 en 29 april 2009 gehouden vergadering van Europese ministers bevoegd voor hoger onderwijs inzake het Bologna-proces 2020, tijdens welke is verzocht om sterkere partnerschappen tussen overheden, instellingen, van hoger onderwijs, studenten, werkgevers en werknemers, teneinde het beleid voor een leven lang leren beter ten uitvoer te kunnen leggen;

15. roept de lidstaten op de erkenning van onderwijsresultaten die zijn behaald in het kader van niet-formeel en informeel leren te bevorderen, opdat jonge mensen verder blijk kunnen geven van hun opleiding en competenties, waar bij het zoeken naar werk op de arbeidsmarkt om wordt gevraagd;

16. is van mening dat leerlingen goed moeten worden opgeleid en dat een opleiding op de werkvloer kan dienen als middel om niet alleen competenties en vaardigheden op te doen maar ook beroepsbewustzijn te verwerven; is voor sterkere banden tussen onderwijs en werk, en stelt voor dat aan digitale vaardigheden, nieuwe technologieën, wetenschap en taal een centrale rol moet worden toebedeeld in het onderwijs;

17. verzoekt om nauwlettender toezicht op de activiteiten van stagiaires en hun werkafspraken om misbruik, bijvoorbeeld met betrekking tot de stageduur, te voorkomen;

18. benadrukt dat de huidige economische recessie een unieke kans is om de beleidsvormen te herzien en de programma’s ter vergemakkelijking van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt te ondersteunen;

19. verzoekt de steun voor en het prestige van de beroepsopleiding te verhogen;

20. onderstreept dat het belangrijk is om de stageperiodes en de mobiliteit te bevorderen van jongeren die een artistieke opleiding volgen zoals film, muziek, dans, theater of circuskunsten;

21. brengt in herinnering dat de nieuwe EU 2020-strategie een cruciale rol te spelen heeft bij het verbeteren van de arbeidsinzetbaarheid van burgers; is van oordeel dat, omdat jonge mensen een belangrijke factor vormen bij het verwezenlijken van de doelstellingen daarvan en een van de meest betrokken groepen vormen, zij beter onderwijs en betere opleidingen moeten genieten en moeten worden aangespoord om dat onderwijs en die opleidingen te volgen. onderstreept de noodzaak om de prioriteiten van de EU-begroting af te stemmen op de politieke prioriteiten zoals verwoord in de EU 2020-strategie.

22. verzoekt de lidstaten een voorkeursbeleid voor jongeren in te voeren in de segmenten van de arbeidsmarkt waarin zij ondervertegenwoordigd zijn.

23. is van oordeel dat er meer steun moet zijn voor programma's voor vrijwilligerswerk op verschillende domeinen, zoals maatschappelijk, cultureel of sportief.

24. benadrukt het belang om jongeren te betrekken bij het maken van onderwijs- en opleidingsbeleid, zodat met hun behoeften beter rekening kan worden gehouden; beveelt derhalve aan dat de Commissie vertegenwoordigers van nationale jongerenraden raadpleegt en hen vraagt wat prioriteiten zijn voor jongeren.

25. verzoekt de lidstaten alle maatregelen te treffen om de hoge schooluitval onder scholieren aan te pakken en hen zo in staat te stellen bijkomende vaardigheden op te doen die de intrede op de arbeidsmarkt bevorderen;

26. is van oordeel dat het uitermate belangrijk is om de onderwijs- en opleidingsstelsels af te stemmen op de dynamische ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de behoefte aan nieuwe beroepen;

27. maakt zich ernstig zorgen over het groeiende aantal werkloze jongeren, vooral in de huidige economische crisis; dringt er bij de lidstaten op aan de arbeidsmarkten zo flexibel mogelijk te maken om te verzekeren dat jongeren in de eindfase van hun scholing of opleiding eenvoudig een baan kunnen vinden dan wel van baan kunnen veranderen.

28. onderstreept het belang om digitale en mediageletterdheid op alle niveaus in het onderwijs te integreren en hieraan tijdens stages aandacht te blijven geven om te bereiken dat alle burgers digitaal geletterd zijn.

29. spoort de lidstaten aan om jonge mensen de faciliteiten te bieden die nodig zijn om de door het bedrijfsleven vereiste vaardigheden op te doen, zodat zij een grotere kans hebben op een baan nadat zij hun studie of opleiding hebben afgerond.

  UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.4.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Badia i Cutchet, Malika Benarab-Attou, Lothar Bisky, Piotr Borys, Jean-Marie Cavada, Silvia Costa, Santiago Fisas Ayxela, Mary Honeyball, Cătălin Sorin Ivan, Petra Kammerevert, Morten Løkkegaard, Katarína Neveďalová, Doris Pack, Chrysoula Paliadeli, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Marco Scurria, Joanna Senyszyn, Timo Soini, Emil Stoyanov, Hannu Takkula, László Tőkés, Marie-Christine Vergiat, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Liam Aylward, Ivo Belet, Oriol Junqueras Vies, Hans-Peter Martin, Iosif Matula

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Vicky Ford


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.6.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Jean-Luc Bennahmias, Mara Bizzotto, Milan Cabrnoch, David Casa, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Sergio Gaetano Cofferati, Marije Cornelissen, Frédéric Daerden, Karima Delli, Proinsias De Rossa, Frank Engel, Sari Essayah, Richard Falbr, Ilda Figueiredo, Pascale Gruny, Marian Harkin, Roger Helmer, Nadja Hirsch, Liisa Jaakonsaari, Martin Kastler, Ádám Kósa, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Olle Ludvigsson, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Siiri Oviir, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georges Bach, Raffaele Baldassarre, Jürgen Creutzmann, Marielle Gallo, Joe Higgins, Franz Obermayr, Antigoni Papadopoulou, Evelyn Regner, Birgit Sippel, Emilie Turunen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Rosa Estaràs Ferragut, Oldřich Vlasák

Juridische mededeling - Privacybeleid