VERSLAG over het Groenboek van de Commissie over het beheer van bioafval in de Europese Unie

    16.6.2010 - (2009/2153(INI))

    Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
    Rapporteur voor advies: José Manuel Fernandes

    Procedure : 2009/2153(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0203/2010
    Ingediende teksten :
    A7-0203/2010
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het Groenboek van de Commissie over het beheer van bioafval in de Europese Unie

    (2009/2153(INI))

    Het Europees Parlement,

    –   gelet op de artikelen 191 en 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en van het milieu beogen,

    –   gezien het Groenboek van de Commissie over het beheer van bioafval in de Europese Unie (COM(2008)0811),

    –   gezien de conclusies zoals op 25 juni 2009 door de Europese Raad vastgesteld (11462/09 van 26 juni 2009),

    –   gelet op Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen[1],

    –   gelet op Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen[2],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 januari 2002 betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap[3],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 maart 2008 over duurzame landbouw en biogas: noodzaak tot herziening van de EU-wetgeving[4];

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 februari 2009 over "2050: De toekomst begint vandaag - Aanbevelingen voor het toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering "[5],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2008 over de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap[6],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 november 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG[7],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over de thematische strategie inzake bodembescherming[8],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van oktober 2005 over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad op 24 juni 2005 vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen[9],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 september 2005 over het aandeel van hernieuwbare energie in de EU en voorstellen voor concrete acties [10],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 juni 2008 over het gemeenschappelijk standpunt, vastgesteld door de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen[11],

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 februari 2007 over een thematische strategie inzake afvalrecycling[12],

    –   gelet op artikel 48 van het Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0203/2010),

    A. overwegende dat het initiatief dat de Commissie in haar Groenboek voorstelt, een kans biedt voor een communautaire actie op het gebied van het beheer van bioafval,

    B.  overwegende dat een goed beheer van bioafval niet alleen voor het milieu positieve gevolgen heeft, maar ook op sociaal en op economisch vlak,

    C. overwegende dat in artikel 2, lid 4, van de afvalstoffenrichtlijn wordt bepaald dat in bijzondere richtlijnen bijzondere of aanvullende specifieke bepalingen voor het beheer van bepaalde categorieën afvalstoffen kunnen worden vastgesteld,

    D. overwegende dat Richtlijn 99/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen niet voorziet in voldoende instrumenten voor het duurzaam beheer van organisch afval,

    E. overwegende dat de voorschriften betreffende het beheer van bioafval versnipperd zijn en dat de bestaande wetgevingsinstrumenten ontoereikend zijn om de doelstellingen van een efficiënt beheer van bioafval te realiseren; overwegende dat het daarom noodzakelijk is dat er een specifieke richtlijn voor het beheer van bioafval komt; overwegende dat de samenvoeging van alle verspreide voorschriften betreffende het beheer van bioafval in een enkel instrument enerzijds op zich al een bewijs van goede wetgeving is en anderzijds zou zorgen voor vereenvoudiging, meer duidelijkheid, een beter toezicht, een betere handhaving en uitvoering en rechtszekerheid, wat het vertrouwen van de particuliere en de overheidsinvesteerders op lange termijn zou garanderen,

    F.  overwegende dat in de conclusies van de conferentie over het recyclen van bioafval in Europa, die op 15 februari 2010 in Barcelona plaatsvond en waaraan werd deelgenomen door de Raad, de Commissie en het Europees Parlement[13], is opgenomen dat het nodig is maatregelen te nemen om een Europees wetgevingskader voor bioafval tot stand te brengen, aangezien dit een cruciaal moment is om regelgeving op gang te brengen,

    G. overwegende dat een specifieke richtlijn betreffende bioafval voldoende soepel moet zijn en ruimte moet bieden aan de diverse beschikbare beheersopties zodat rekening kan worden gehouden met het grote aantal variabelen en lokale overwegingen,

    H. overwegende dat het potentieel van bioafval grotendeels onbenut blijft en dat het in de diverse lidstaten op een zeer uiteenlopende manier wordt beheerd; overwegende dat er een beter beheer van deze afvalstoffen noodzakelijk is om te zorgen voor een efficiënt en duurzaam beheer van de middelen; overwegende dat er meer moet worden gedaan aan gescheiden inzameling van bioafval, zodat de doelstellingen in verband met recycling en hernieuwbare energie kunnen worden gerealiseerd en op die manier kan worden bijgedragen tot verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-2020-strategie, met name binnen het kader van het toonaangevend initiatief met betrekking tot een efficiënt beheer van de hulpbronnen,

    I.   overwegende dat gescheiden inzameling met name een optimaal beheer mogelijk maakt van bepaalde soorten bioafval, zoals huishoudelijk en professioneel keukenafval en biologisch afbreekbaar en composteerbaar afval van restaurants die wegwerpservies gebruiken,

    J.   overwegende dat het dankzij compostering van organisch afval mogelijk wordt biologisch afbreekbare en composteerbare producten te recyclen die reeds vallen onder een communautair initiatief (het initiatief voor leidende markten),

    K. overwegende dat voor de behandeling van bioafval en voor de productie van compost kwaliteitsnormen op EU-niveau moeten worden vastgesteld; overwegende dat het vaststellen van parameters voor de kwaliteit van compost, met inbegrip van een geïntegreerde aanpak die zorgt voor traceerbaarheid, kwaliteit en veilig gebruik, het vertrouwen in dit product zal doen toenemen; overwegende dat compost moet worden geclassificeerd op basis van kwaliteit, voor zover het gebruik van compost geen schadelijke gevolgen heeft voor de bodem en het grondwater, en met name voor de landbouwproducten die de bodem voortbrengt,

    L.  overwegende dat, aangezien nog maar weinig van de doelstellingen gerealiseerd is, bijkomende richtlijnen zich opdringen om de doelstellingen betreffende het voorkomen van storten van bioafval te verwezenlijken,

    M. overwegende dat beschermende maatregelen nodig kunnen zijn om te waarborgen dat het gebruik van compost niet leidt tot vervuiling van bodem of grondwater,

    N. overwegende dat de mogelijkheden om compost van lage kwaliteit te gebruiken om het milieu en de volksgezondheid niet te schaden eveneens moeten worden overwogen en beoordeeld; overwegende dat de lidstaten meer houvast zouden hebben bij de besluitvorming over compostgebruik als er op EU-niveau zou worden bepaald welke gebruiksmogelijkheden er voor laagwaardig compost zijn en wanneer compost als product geldt en wanneer het als afval wordt beschouwd,

    O.  overwegende dat een Europa dat efficiënt gebruikmaakt van hulpbronnen één van de paradepaardjes is van de Europa 2020-strategie, en dat een efficiënt gebruik van hulpbronnen bijgevolg moet worden aangemoedigd; overwegende dat het recyclen van bioafval bijdraagt aan een efficiënt gebruik van de hulpbronnen,

    P.  overwegende dat vochtig bioafval de efficiëntie van verbranding verlaagt; overwegende dat verbranding van bioafval indirect wordt gestimuleerd door de richtlijn betreffende elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen; overwegende dat bioafval beter kan bijdragen tot de bestrijding van de klimaatverandering door middel van recycling tot compost, om zo de bodemkwaliteit te verbeteren en te zorgen voor de vastlegging van koolstof, wat momenteel niet wordt gestimuleerd door de richtlijn betreffende elektriciteitsopwekking uit duurzame energiebronnen,

    Q. overwegende dat anaerobe vergisting voor de productie van biogas een efficiënte manier is om energie terug te winnen, en dat het digestaat gebruikt kan worden voor compostproductie,

    R.  overwegende dat het hoofddoel van het passende beheer van bioafval resultaatgericht moet zijn, waarbij alle technologische opties voor het beheer van bioafval open moeten blijven om de innovatie, het wetenschappelijk onderzoek en het concurrentievermogen aan te moedigen,

    S.  overwegende dat er een aanzienlijke synergie bestaat tussen de overgang naar een recyclingsamenleving die in een koolstofarme economie uitmondt en de groene banen die dit kan opleveren, en dat bijgevolg middelen moeten worden vrijgemaakt voor onderzoek naar de gevolgen voor de werkomgeving van de inzameling en het beheer van bioafval,

    T.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten acties op dat vlak moeten bevorderen om het publiek milieubewust te maken, in het bijzonder in het onderwijs, om duurzaam beheer van vast huishoudelijk afval te stimuleren en het publiek te overtuigen van de voordelen van gescheiden inzameling; overwegende dat de gemeentebesturen en de gemeentelijke bedrijven een sleutelrol spelen bij het verstrekken van advies en informatie aan de burgers aangaande afvalpreventie,

    U. overwegende dat het vaste huishoudelijk afval voor 30% uit bioafval bestaat; overwegende dat de hoeveelheid bioafval in de Europese Unie toeneemt en dat bioafval een belangrijke bron van broeikasgassen is en nog andere negatieve gevolgen heeft voor het milieu wanneer het op stortplaatsen terecht komt; overwegende dat dit gebeurt in omstandigheden die ertoe hebben geleid dat afvalbeheer momenteel in omvang de vierde bron van broeikasgassen is,

    V. overwegende dat in de praktijk niet enkel bioafval van huishoudelijke oorsprong op een duurzame manier wordt verwerkt,

    W. overwegende dat bij het beheer van deze afvalstoffen rekening moet worden houden met de "afvalhiërarchie": preventie en reductie, hergebruik, recycling, andere nuttige toepassingen, met name voor energiedoeleinden, en in laatste instantie storten (overeenkomstig artikel 4 van de afvalstoffenrichtlijn), waaruit volgt dat recyclen van bioafval de voorkeur verdient boven verbranding, aangezien daardoor niet alleen niet het ontstaan van methaangas wordt voorkomen, maar tevens wordt bijgedragen tot de bestrijding van de klimaatverandering door vastlegging van koolstof en verbetering van de bodemkwaliteit; overwegende dat preventie het hoofddoel van het bioafvalbeheer is en er onder meer toe kan bijdragen dat voorkomen wordt dat er voedselafval en groenafval ontstaat, bijvoorbeeld door middel van een betere planning van openbare groenvoorzieningen met onderhoudsarme bomen en struiken,

    X. overwegende dat het nodig is te zorgen voor een geïntegreerd perspectief voor het beleid inzake energie en bodembescherming, in lijn met de doelstellingen op het vlak van de beperking van de klimaatverandering, om te komen tot een vanuit milieuoogpunt effectief beheer van bioafval; overwegende dat dit tevens het voordeel heeft dat de biodiversiteit behouden blijft wanneer behandeld bioafval wordt gebruikt als vervanger voor turf, en aldus waterrijke ecosystemen worden beschermd,

    Y. overwegende dat anaerobe vergisting voor biogasproductie een waardevolle bijdrage kan leveren tot een duurzaam beheer van hulpbronnen in de EU en tot de duurzame verwezenlijking van de doelstellingen van de EU op het gebied van hernieuwbare energie,

    Z.  overwegende dat bioafval beschouwd moet worden als waardevolle natuurlijke grondstof die kan worden gebruikt voor de productie van hoogwaardig compost; overwegende dat bioafval hierdoor een bijdrage levert tot de bestrijding van de bodemaantasting in Europa, waardoor de vruchtbaarheid van de bodem in stand wordt gehouden, het gebruik van met name fosforhoudende kunstmest in de landbouw kan worden teruggeschroefd, en de waterretentiecapaciteit van de bodem wordt verbeterd,

    AA.     overwegende dat er binnen de lidstaten verschillende afvalbeheersystemen in gebruik zijn en dat storten in de Europese Unie nog steeds de meest gebruikte methode voor de verwijdering van vast huishoudelijk afval is, hoewel het voor het milieu de slechtste optie is;

    AB.     overwegende dat de productie van transportbrandstoffen uit bioafval voordelen inhoudt voor het milieu,

    AC.     overwegende dat het wetenschappelijk onderzoek en de technologische innovatie op het gebied van het beheer van bioafval moeten worden gestimuleerd,

    AD.     overwegende dat dankzij gescheiden inzameling contaminatie kan worden voorkomen en de doelstelling van het produceren van hoogwaardig compost iets dichterbij komt, en dat gescheiden inzameling hoogwaardig materiaal voor bioafvalrecycling oplevert en tot efficiëntere energieterugwinning leidt,

    AE.     overwegende dat uit onderzoek en ervaring in de lidstaten is gebleken dat gescheiden inzameling zowel uitvoerbaar als vanuit economisch en milieuoogpunt duurzaam moet zijn en verplicht moet worden; overwegende dat gescheiden inzameling een noodzakelijke voorwaarde is voor de productie van hoogwaardig compost,

    Wetgeving

    1.  dringt erop aan dat de Commissie de bestaande wetgeving inzake bioafval herziet en voor eind 2010, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, een voorstel voor een specifieke richtlijn indient dat onder meer de volgende elementen bevat:

    -    invoering van verplichte gescheiden inzameling in de lidstaten, tenzij dat vanuit ecologisch en economisch oogpunt niet de beste optie is;

    -    recycling van bioafval;

    -    een op kwaliteit gebaseerde classificatie van de verschillende soorten compost afkomstig van bioafval;

    2.  verzoekt de Commissie in het kader van de nationale emissieplannen een kwantificering te geven van de vermindering van de CO2-uitstoot dankzij recyclen en composteren;

    3.   merkt op dat een toekomstig EU-kader voor veel lidstaten juridisch houvast zou bieden en duidelijkheid zou scheppen, en ze zou aanmoedigen om in het beheer van bioafval te investeren; spoort de Commissie aan om de lidstaten te ondersteunen bij de invoering van systemen voor gescheiden inzameling, alsook om bindende en ambitieuze doelstellingen voor recycling van dat type afval in te voeren;

    4.  wijst erop dat de Commissie ingevolge artikel 8, lid 2, punt iv), van het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (2001-2010) van 22 juli 2002 verplicht is regelgeving te ontwikkelen met betrekking tot biologisch afbreekbare afvalstoffen, als een van de prioritaire acties om de doelstelling op het vlak van het duurzaam gebruik en beheer van natuurlijke hulpbronnen en afval te verwezenlijken, maar dat er zelfs acht jaar later nog geen wetgevingsvoorstel is ingediend, wat onaanvaardbaar is,

    5.   vraagt de Commissie in haar effectbeoordeling een beter systeem voor het beheer van bioafval uit te werken op het vlak van de recycling van gescheiden ingezameld bioafval, het gebruik van compostering ten behoeve van landbouw en milieu, de opties voor mechanische en biologische behandeling en het gebruik van bioafval als bron voor energieopwekking; vindt dat deze effectbeoordeling moet worden gebruikt als basis voor de opstelling van een nieuw regelgevingskader van de Europese Unie inzake biologisch afbreekbaar afval;

    Gebruik

    6.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij samen met de lidstaten criteria opstelt voor productie en gebruik van hoogwaardig compost en overeenkomstig artikel 6 van de afvalstoffenrichtlijn minimumeisen voor eindproducten vaststelt, waardoor een op kwaliteit gebaseerde classificatie kan worden uitgevoerd voor de verschillende compostsoorten die uit bioafval verkregen worden, in het kader van een strategie die gebaseerd is op een geïntegreerde aanpak die, naast kwaliteit, tevens zorgt voor de traceerbaarheid van producten en een veilig gebruik;

    Energie

    7.  is van mening dat anaerobe vergisting bijzonder nuttig is voor bioafval omdat het zorgt voor bodemverbeteraar die rijk is aan nutriënten, digestaat en biogas, dat een hernieuwbare energiebron is die kan worden omgezet in biomethaan of die kan worden gebruikt om basisbelastingselektriciteit op te wekken;

    8.  wijst erop dat verbranding van bioafval pas een mogelijk alternatief in de rangorde van afvalverwerking kan worden als het aan energieterugwinning gekoppeld wordt;

    9.   onderstreept dat bij het gebruik van bioafval voor energiedoeleinden aandacht moet worden besteed aan de aspecten van energie-efficiëntie en duurzame ontwikkeling en dat deze producten daarom in de eerste plaats op de meest efficiënte manier, namelijk voor verwarmingsdoeleinden moeten worden gebruikt; wijst er daarom nogmaals op dat gescheiden inzameling essentieel is voor de naleving van de richtlijn inzake het storten van afvalstoffen[14], voor de aanlevering van hoogwaardig uitgangsmateriaal voor recycling van bioafval en voor verhoging van de efficiëntie van energieterugwinning;

    10. wijst erop dat alle technologische middelen en opties moeten worden overwogen om te bereiken dat storten wordt voorkomen en dat recycling en biogasproductie gemaximaliseerd worden;

    11. wijst erop dat bioafval een waardevolle hernieuwbare grondstof voor de productie van elektriciteit en biobrandstof voor vervoermiddelen en voor invoeding in het gasnet kan vormen als het gevormde biogas (voornamelijk methaan – 50% tot 75% – en kooldioxide) tot biomethaan wordt gezuiverd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij de mogelijkheden voor het gebruik van bioafval voor de productie van biogas analyseert en bevordert;

    12. benadrukt dat er meer moet worden gedaan aan het voorkomen van storten van bioafval; merkt in dit verband op dat bioafval kan bijdragen tot de verwezenlijking van het EU-streefcijfer van minimum 20% hernieuwbare energie tegen 2020 en ook van het streefcijfer van de EU-richtlijn betreffende brandstofkwaliteit; herinnert eraan dat de richtlijn betreffende hernieuwbare energiebronnen een lans breekt voor het gebruik van alle soorten biomassa als hernieuwbare energiebron, inclusief bioafval voor energiedoeleinden, en dat biobrandstoffen uit afval dubbel tellen voor het streefcijfer van 10 % hernieuwbare energie in het vervoer; verzoekt de lidstaten daarom energieterugwinning uit het biologisch afbreekbare deel van afval in overweging te nemen in hun nationale wetgeving als onderdeel van een geïntegreerd afvalhiërarchiebeleid en dringt erop aan dat zij ideeën voor beste praktijken uitwisselen;

    Onderzoek en innovatie

    13. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het wetenschappelijk onderzoek en de technologische innovatie op het gebied van het beheer van bioafval te stimuleren en te ondersteunen;

    14. verzoekt de Commissie verder onderzoek te laten verrichten naar methoden voor de behandeling van bioafval teneinde de voordelen voor de bodem en het effect op de energieterugwinning en het milieu te kwantificeren;

    Voorlichting

    15. spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan acties te bevorderen om het publiek milieubewust te maken op het vlak van bioafval, in het bijzonder op scholen en instellingen voor hoger onderwijs, om een beter afvalpreventiegedrag te bevorderen, duurzaam beheer van bioafval en vast huishoudelijk afval te stimuleren en het publiek bewust te maken van het belang van afvalpreventie en -recycling en van de voordelen van gescheiden inzameling en biologische behandeling van bioafval; wijst in dit verband op de belangrijke rol van gemeenten en gemeentelijke bedrijven bij het verstrekken van advies en informatie aangaande afvalpreventie aan de burgers;

    Milieuaspecten

    16. is van mening dat behandeld bioafval moet worden gebruikt om organisch materiaal te bewaren en om voedingsstoffencycli en met name de fosfaatcyclus aan te vullen, door het in de bodem te recyclen, en verzoekt de Commissie daarom te erkennen dat elk beleid moet worden getoetst op zijn bijdrage tot de beperking van de onaanvaardbaar snelle uitputting van de wereldfosfaatvoorraden;

    17. acht het noodzakelijk dat niet-verontreinigd bioafval gezien wordt als waardevolle natuurlijke grondstof van kwaliteitscompost;

    18. wijst erop dat de toekomst van de landbouw mede afhankelijk is van behoud en herstel van de bodemvruchtbaarheid; wijst erop dat het gebruik van kwaliteitscompost in de landbouw kan bijdragen tot behoud van de bodemvruchtbaarheid, vergroting van de waterretentiecapaciteit en de koolstoffixatiecapaciteit en terugdringing van het gebruik van kunstmest; beklemtoont dat er voor de lidstaten een rol is weggelegd om ervoor te zorgen dat in de landbouw kwaliteitscompost wordt gebruikt;

    19. herinnert eraan dat het bij het composteren moeilijker kan zijn om de gassen te controleren die uit gestort materiaal vrijkomen en dat dit een ernstig gevaar kan vormen voor het milieu en de atmosfeer; wijst erop dat bij een correcte compostering, met name van huishoudelijk bioafval, ook het grondwater tegen percolaat van composteerinstallaties moet worden beschermd;

    20. benadrukt dat, met het oog op het bereiken van de doelstellingen op verschillende niveaus (strijd tegen klimaatopwarming, bodemverarming, bodemerosie, behalen van doelstellingen inzake hernieuwbare energie), een combinatie van compostering en vergisting van gescheiden ingezameld bioafval, indien haalbaar, zonder enige twijfel meerwaarde biedt en gestimuleerd dient te worden;

    21. roept de Commissie daarom op nationale streefdoelen voor het recyclen van bioafval voor te stellen, om zo de hoeveelheid bioafval te beperken die beschikbaar is voor de minst wenselijke afvalbeheeroplossingen, zoals storten en verbranden;

    Naleving van richtlijn betreffende storten

    22. wijst er nog eens op dat ook voor het beheer van bioafval de afvalhiërarchie moet gelden: preventie, recycling, andere nuttige toepassingen, waaronder energieterugwinning, en pas op de laatste plaats storten (Richtlijn 1991/31/EG, artikel 5[15], en Richtlijn 2008/98/EG[16]); verzoekt de Commissie zich sterker in te zetten voor de handhaving van de wetgeving inzake vuilstort in de gehele Gemeenschap;

    23. stelt vast dat er tussen de lidstaten verschillen in regelgeving bestaan en dat er verschillende afvalbeheersystemen in gebruik zijn en dat storten in de Europese Unie nog steeds de meest gebruikte methode voor de verwijdering van vast huishoudelijk afval is; verzoekt de lidstaten hun samenwerking en uitwisseling van beproefde methoden op het gebied van bioafvalbeheer te intensiveren;

    24. stelt dat biomechanische behandeling (BMB) een effectieve methode is om aanzienlijke hoeveelheden bederfelijk afval buiten de vuilstortplaats te houden voor gebruik bij compostering, anaerobe vergisting en energieterugwinning;

    Economische aspecten

    25. meent dat financiële stimulansen vereist zijn voor het uitbouwen van de gescheiden inzameling van bioafval en andere systemen voor het beheer van bioafval waarmee zoveel mogelijk materiaal wordt teruggewonnen;

    26. benadrukt dat een verbeterd bioafvalbeheer en geharmoniseerde kwaliteitsnormen voor compost noodzakelijk zijn om de ontwikkeling van een Europese markt voor compost aan te moedigen;

    27. is van oordeel dat het beginsel "de vervuiler betaalt" de basis zou moeten vormen voor de vergoeding van de extra kosten die door de aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de bodem ontstaan, zodat de negatieve externe effecten van het op of in de bodem brengen van bioafval niet op de landbouw worden afgewenteld;

    28. onderstreept dat er in veel lidstaten reeds een zekere infrastructuur voorhanden is, maar dat er financiële stimulansen nodig zijn om de potentiële markten voor compost en digestaat, bio-energie en biobrandstof uit bioafval tot stand te brengen;

    29. benadrukt dat de productie van transportbrandstoffen uit bioafval voordelig is voor het milieu; verzoekt de lidstaten hiermee bij de tenuitvoerlegging van de afvalstoffenrichtlijn rekening te houden, mede gelet op de afvalhiërarchie, en verzoekt de Commissie een en ander in de uitvoeringsrichtsnoeren te verwerken;

    30. dringt er bij de Commissie op dat zij in alle lopende en toekomstige effectstudies over deze kwestie de vraag opneemt welke soort economische stimulansen, fondsen of steunmaatregelen er kunnen worden aangewend of gecreëerd voor de ontwikkeling en toepassing van technologieën die een adequaat beheer van bioafval mogelijk maken;

    31. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

    • [1]  PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.
    • [2]  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.
    • [3]  PB C 271E van 7.11.2002, blz. 154.
    • [4]  PB C 66E van 20.3.2009, blz. 29.
    • [5]  PB C 67E van 18.3.2010, blz. 44.
    • [6]  PB C 247E van 15.10.2009, blz. 18.
    • [7]  PB C 282E van 6.11.2008, blz. 281.
    • [8]  PB C 282E van 6.11.2008, blz. 138.
    • [9]  PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1 en PB L 318 van 28.11.1008, blz. 15.
    • [10]  PB C 227 van 21.9.2006, blz. 524.
    • [11]  PB L 312 van 23.11.2008, blz. 3.
    • [12]  PB C 287 E van 29.11.2007, blz. 168.
    • [13]  Raad van de EU - nota van het secretariaat van 9 maart 2010 (Raadsdocument 7307/10).
    • [14]  Richtlijn 1999/31/EG, overweging 17.
    • [15]  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.
    • [16]  PB L 312 van 23.11.2008, blz. 3.

    TOELICHTING

    De groei van de economie en de uitbreiding van de EU zorgen ervoor dat steeds meer afval ontstaat en moet worden beheerd. Geraamd wordt dat jaarlijks in de EU tussen 76,5 en 102 miljoen ton voedsel- en tuinafval wordt ingezameld en 37 miljoen ton afval van de levensmiddelen- en drankenindustrie.

    De allereerste prioriteit moet zijn het vermijden c.q. verminderen van afval, wat aanzienlijke ecologische en economische voordelen oplevert. Deze prioriteit vereist wetgeving en bewustmakingsacties. Wij hopen dat iedere Europese burger, doordrongen van een nieuwe participatieve milieuattitude, zijn steentje bijdraagt aan het verwezenlijken van deze prioriteit. Afvalpreventie moet hier ruim worden geïnterpreteerd, in de zin dat het beste afval dat is wat niet bestaat of geen afval zal worden.

    De andere strategische doelstelling van het afvalbeheersbeleid moet zijn de EU om te vormen tot een recyclingsamenleving. Het enorme afvalvolume dat dagelijks in de EU geproduceerd wordt, mag niet zomaar verspild worden. Deze hoeveelheid afval kan worden benut door het bioafval een belangrijke rol toe te bedelen bij de bestrijding van de klimaatverandering en dank zij het waardevolle potentieel van afval als factor van bodembescherming en bron van hernieuwbare energie. Op die manier wordt de duurzame ontwikkeling bevorderd via efficiënt beheer van de hulpbronnen.

    De rol van bioafval in de strijd tegen de klimaatverandering

    Afval is de op drie na grootste bron van broeikasgassen in de Europese Unie, onmiddellijk na de energiesector, de industrie en de landbouw. Uit cijfers van 2004 blijkt dat in totaal 109 miljoen ton broeikasgassen uit afval zijn vrijgekomen.

    De grootste bron van emissies zijn de stortplaatsen. Het storten van afval is weliswaar op korte termijn goedkoper maar de slechtste optie voor het milieu en levert een milieuschuld op en hogere kosten van onderhoud en instandhouding. Het voornaamste gas dat op stortplaatsen vrijkomt is methaan, dat, als het niet wordt opgevangen, 23 maal meer impact op de klimaatverandering heeft dan kooldioxide.

    Anderzijds kan het percolaat van gestort afval, als het niet overeenkomstig de afvalrichtlijn wordt opgevangen, niet alleen het grondwater en de bodem vervuilen maar ook bioaerosolen, stank en visuele storende factoren genereren. Het storten van afval is nog om een andere reden niet duurzaam: namelijk het feit dat een grotere oppervlakte nodig is dan voor andere beheersmethodes, wat op termijn ertoe leidt dat meer grond onherstelbaar verloren gaat. Er moet dan ook dringend voor worden gezorgd dat er geen bioafval meer gestort wordt.

    Het potentieel van bioafval in de strijd tegen de bodemaantasting

    De thematische strategie voor bodembescherming, van 2006 (COM(2006)231 def.), bestempelt de aantasting van de bodem als een van de ernstigste problemen van de Europese Unie. De bodemaantasting heeft directe gevolgen voor de kwaliteit van water en lucht, alsook voor de biodiversiteit en het klimaat.

    Daarbij kan bioafval een sleutelrol vervullen met het oog op het herstel van de bodem wanneer het tot compost wordt omgevormd. Compostering is de meest geschikte behandelingsmethode voor groenafval en heeft als voordeel dat het product van de compostering als meststof aan de bodem kan worden toegevoegd. Volgens de thematische strategie voor bodembescherming zou bodemaantasting voor bijna 38 miljard euro per jaar aan kosten met zich meebrengen.

    Bij de productie van compost moet de nadruk komen te liggen op het resultaat: doel is hoogwaardig compost te produceren. In de thematische strategie voor bodembescherming wordt compost aangemerkt als een van de beste bronnen van stabiel organisch materiaal dat een bijdrage levert aan het humusaandeel van de bodem en zodoende de bodemeigenschappen verbetert. Het gebruik van compost biedt agronomische voordelen, zoals verbetering van de bodemstructuur, de vochtinfiltratie, de waterretentiecapaciteit, de aanwezigheid van micro-organismen in de bodem en de nutriëntengift. Naar schatting 45% van de Europese bodem heeft een laag organischestofgehalte. In dat opzicht is het van belang dat de productie van hoogwaardig compost door middel van een adequate behandeling van bioafval wordt aangemoedigd.

    De rol van bioafval als bron van hernieuwbare energie

    Bioafval kan ook gezien worden als een belangrijke grondstof voor de productie van bio-energie. Bio-energie wordt opgewekt door middel van anaerobe vergisting, die zich bijzonder goed leent voor de behandeling van nat bioafval (bijvoorbeeld vet uit keukenafval). Met de techniek van anaerobe vergisting wordt in gecontroleerde reactoren biogas geproduceerd dat kan worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, verwarming of voor biobrandstof voor voertuigen.

    Minderwaardig bioafval, dat niet aan de kwaliteitscriteria voor compostering beantwoordt, moet worden omgezet in energie en worden geclassificeerd op basis van de kwaliteit ervan.

    Het huidige bioafvalbeheer

    Tot nu toe hebben de afzonderlijke lidstaten er wat bioafvalbeheer betreft zeer uiteenlopende beleidsbenaderingen op nagehouden, gaande van minimale acties in de ene, tot een ambitieus ingrijpen in de andere. Er gaapt een enorme kloof tussen de lidstaten die het minste recycleren (90% storting, 10% recycling en energieterugwinning) en de meest efficiënte lidstaten (10% storting, 25% energieterugwinning, 65% recycling).

    De huidige wetgeving van de EU beperkt de lidstaten niet in hun keuze van bioafvalbehandelingen, voor zover zij bepaalde randvoorwaarden in acht nemen, met name die van de kaderrichtlijn afvalstoffen, waarin de lidstaten worden aangespoord maatregelen te nemen ter bevordering van: gescheiden inzameling van bioafval met het oog op compostering en anaerobe vergisting; een behandeling van bioafval die beantwoordt aan een hoog niveau van milieubescherming en het gebruik van milieuvriendelijke materialen die geproduceerd zijn op basis van bioafval. De afvalstoffenrichtlijn bevatte ook al bepalingen met het oog op het verminderen van het storten van bioafval.

    Het is duidelijk dat deze wetgevende maatregelen hun doel niet hebben bereikt. Gezien de geringe uitvoering door de lidstaten van de maatregel houdende het verbod op het storten van bioafval moet de richtlijn betreffende het storten van afval absoluut met extra maatregelen worden aangevuld.

    Het toekomstige bioafvalbeheer

    Een specifieke richtlijn voor bioafvalbeheer zou van essentieel belang zijn voor de tenuitvoerlegging van de beginselen van de afvalstoggenrichtlijn en de andere richtlijnen betreffende afvalbeheer in het algemeen. Afgezien daarvan zou het samenvoegen van alle voorschriften betreffende het beheer van bioafval in één enkel wetgevingsinstrument op zich al een teken van goede wetgeving zijn. Een specifieke richtlijn voor het beheer van bioafval zou tevens zorgen voor meer duidelijkheid en vereenvoudiging van de wetgeving en voor meer rechtszekerheid ter zake, en hierdoor op lange termijn het vertrouwen winnen van de openbare en de particuliere investeerders.

    Het is niet wenselijk dat een bepaalde bioafvalbeheeroptie verplicht wordt gemaakt gezien de talrijke variabelen en de lokale omstandigheden. Bovendien mogen de investeringen die de lidstaten al hebben verricht niet op losse schroeven worden gezet. Een specifieke bioafvalrichtlijn zou dan ook moeten voorzien in voldoende soepelheid om op lokaal vlak te kiezen voor de vanuit ecologisch en economisch oogpunt beste optie. In ieder geval is het met het oog op het aantrekken van nieuwe investeringen van cruciaal belang dat er op dat vlak normen voor convergentie op milieugebied worden vastgesteld.

    Een van de maatregelen die zich opdringen heeft betrekking op de gescheiden inzameling van bioafval; het scheiden van bioafval van het overige afval helpt immers contaminatie te voorkomen en de doelstelling van de productie van hoogwaardig compost te realiseren, het levert hoogwaardig materiaal voor recycling van bioafval op en verhoogt de efficiëntie van de energieterugwinning. Daarom moet gescheiden inzameling verplicht worden gesteld. De lidstaten kunnen in ieder geval onder deze verplichting uitkomen indien gescheiden inzameling niet levensvatbaar is of uit ecologisch dan wel economisch oogpunt niet de beste oplossing is (bijvoorbeeld omdat de logistiek van de gescheiden inzameling contaminatie van het bioafval niet kan voorkomen of omdat het in het leven roepen van een infrastructuur voor gescheiden inzameling uit milieuoogpunt niet te rechtvaardigen is in dunbevolkte of plattelandsgebieden).

    Bioafvalreglementering is niet alleen belangrijk uit milieuoogpunt maar ook voor de werking van de interne markt, omdat er zich situaties voordoen waarin compost op basis van bioafval beschouwd kan worden als afval enerzijds en als product anderzijds. Ook op dat vlak is het nodig dat het beleid van de lidstaten wordt geharmoniseerd door middel van een specifieke richtlijn voor bioafval.

    Bovendien heeft het afvalbeheer ook een relevante sociale impact. Zo bijvoorbeeld kunnen in de recyclingindustrie per 10 000 ton afval tot 250 arbeidsplaatsen worden gecreëerd tegen 20 à 40 arbeidsplaatsen in het geval van afvalverbranding en ongeveer 10 in geval van storting van afval.

    Concluderend kan worden gesteld dat de samenvoeging van alle verspreide voorschriften betreffende bioafval, in combinatie met nieuwe regels, in een enkele specifieke richtlijn betreffende bioafvalbeheer een efficiënter beheer van de middelen mogelijk zou maken omdat het de kosten van het beheer van bioafval kan verminderen. Bovendien zou de mogelijkheid het organischestofgehalte van de bodem te herstellen en zodoende het gebruik van kunstmest terug te dringen; het zou de lidstaten helpen de doelstelling van het niet storten van bioafval te verwezenlijken; het zou een stimulans zijn voor gescheiden afvalinzameling; het zou klaarheid scheppen over het moment waarop een op basis van bioafval geproduceerd materiaal beschouwd wordt als een product, een stimulans betekenen voor het technologisch onderzoek en voor werkgelegenheid zorgen in de zin van de EU-2020-strategie.

    In de huidige fase van de economische crisis kunnen de Europese instellingen niet met de handen in de schoot blijven zitten noch hun leadershipambities op milieugebied terugschroeven. De huidige situatie in de EU, waarbij grote hoeveelheden afval worden gestort, is onhoudbaar geworden. De "stortoptie" mag dan de goedkoopste lijken, in feite is het de duurste optie wegens de hoge kosten op lange termijn die ons niet dichter bij onze doelstellingen brengen inzake de bestrijding van de klimaatverandering, en al evenmin bevorderlijk zijn voor het gebruik van bioafval als hulpbron. Door tegelijkertijd het gescheiden inzamelen van afval te bepleiten, wordt het milieubewustzijn van de Europese burger aangewakkerd, worden de kosten teruggeschroefd en bovendien wordt het benutten van bioafval als product aangemoedigd.

    Een specifieke bioafvalrichtlijn die al deze doelen op het oog heeft zal de mogelijkheid bieden een hoog niveau van milieubescherming en duurzame groei te combineren met een gewaarborgde levenskwaliteit voor alle Europese burgers.

    ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (22.3.2010)

    aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

    inzake het groenboek van de Commissie over het beheer van bioafval in de Europese Unie
    (2009/2153(INI))

    Rapporteur voor advies: Giles Chichester

    SUGGESTIES

    De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  herinnert aan de in de afvalkaderrichtlijn aangegeven gevestigde afvalhiërarchie, waarin storten als de slechtste optie wordt beschouwd; benadrukt dat bioafval eerst moet worden verminderd en vervolgens gescheiden moet worden ingezameld en gerecycled, met name door energieterugwinning waar mogelijk en door compostering;

    2.  stelt vast dat bioafval een aanzienlijk aandeel van het stedelijk afval uitmaakt (ook in stedelijke gebieden) en dat er momenteel in veel lidstaten een enorm onbenut potentieel bestaat om bioafval als compost te gebruiken door het gescheiden in te zamelen, maar ook om energie en materiaal terug te winnen uit afval in het algemeen, teneinde het afval niet te storten;

    3.  benadrukt de rol die hergebruikt bioafval in de vorm van compost kan spelen in de strijd tegen bodemverarming en -erosie als gevolg van klimaatopwarming; verzoekt de lidstaten compostering van afval in overweging te nemen in hun nationale wetgeving en dringt erop aan dat zij beste praktijken uitwisselen; benadrukt dat een verbeterd bioafvalbeheer en geharmoniseerde kwaliteitsnormen voor compost noodzakelijk zijn om de ontwikkeling van een Europese markt voor compost aan te moedigen;

    4.  benadrukt dat er meer moet worden gedaan aan het voorkomen van storten van bioafval; merkt in dit verband op dat bioafval kan bijdragen tot de verwezenlijking van het EU-streefcijfer van minimum 20% hernieuwbare energie tegen 2020 en ook van het streefcijfer van de EU-richtlijn betreffende brandstofkwaliteit; herinnert eraan dat de richtlijn betreffende hernieuwbare energiebronnen een lans breekt voor het gebruik van alle soorten biomassa als hernieuwbare energiebron, inclusief bioafval voor energiedoeleinden, en dat biobrandstoffen uit afval dubbel tellen voor het streefcijfer van 10 % hernieuwbare energie in het vervoer; verzoekt de lidstaten daarom energieterugwinning uit het biologisch afbreekbare deel van afval in overweging te nemen in hun nationale wetgeving als onderdeel van een geïntegreerd afvalhiërarchiebeleid en dringt erop aan dat zij ideeën voor beste praktijken uitwisselen;

    5.  verzoekt de lidstaten aan te geven hoe energie uit bioafval, met inbegrip van anaerobe vergisting voor de productie van biogas en geavanceerde biobrandstoffen, het potentieel van bestaande biomassahulpbronnen kan helpen benutten, rekening houdend met hun specifieke geografische en klimatologische omstandigheden;

    6.  wijst erop dat het belangrijk is om gescheiden inzameling en recycling van bioafval en energieterugwinning uit bioafval beter bekend te maken en meer ingang te doen vinden bij het grote publiek, namelijk door media- en voorlichtingscampagnes;

    7.  erkent dat de lidstaten een samenhangend en stabiel wetgevingskader moeten instellen dat de bouw van faciliteiten voor compostering en energieterugwinning uit (bio)afval ondersteunt;

    8.  benadrukt dat, met het oog op het bereiken van de doelstellingen op verschillende niveaus (strijd tegen klimaatopwarming, bodemverarming, bodemerosie, behalen van doelstellingen inzake hernieuwbare energie), een combinatie van compostering en vergisting van selectief ingezameld bioafval, indien haalbaar, zonder enige twijfel meerwaarde biedt en gestimuleerd dient te worden;

    9.  onderstreept dat er in veel lidstaten reeds een zekere mate van infrastructuur voorhanden is, maar dat er financiële stimulansen nodig zijn om de potentiële markten voor compost en digestaat, bio-energie en biobrandstof uit bioafval tot stand te brengen;

    10. moedigt, rekening houdend met het feit dat de richtlijn afvalverbranding moet worden nageleefd, de regionale en lokale overheden ertoe aan de bestaande gedecentraliseerde voorzieningen voor stadsverwarming of -koeling te benutten en de structuurfondsen te gebruiken voor de financiering van voorzieningen voor energiewinning uit afval, compostering van en energieterugwinning uit bioafval, zodat zij minder afval hoeven te storten;

    11. is van mening dat vermalers van voedselresten gekoppeld aan openbare rioleringsstelsels een optie kunnen zijn om bioafval niet te storten en biogas uit bioafval te produceren;

    12. merkt op dat installaties voor energiewinning uit afval en andere voorzieningen voor energieterugwinning uit bioafval onder dezelfde voorwaarden toegang krijgen tot het elektriciteitsnet en gasleidingen als andere bronnen van hernieuwbare energie;

    13. benadrukt dat de productie van transportbrandstoffen uit bioafval voordelig is voor het milieu; vraagt daarom dat biobrandstoffen uit bioafval worden meegeteld voor de recyclingdoelstellingen; vraagt dat de definitie van bioafval in de kaderrichtlijn afvalstoffen wordt afgestemd op die in de richtlijn hernieuwbare energie;

    14.  benadrukt dat het belangrijk is alle technologische opties voor het beheer van bioafval open te houden om innovatie en het scheppen van banen in deze branche aan te moedigen;

    15. vraagt de Commissie in haar effectbeoordeling een beter systeem voor het beheer van bioafval uit te werken op het vlak van de recycling van gescheiden ingezameld bioafval, het gebruik van compostering ten behoeve van landbouw en milieu, de opties voor mechanische en biologische behandeling en het gebruik van bioafval als bron voor energieopwekking; vindt dat deze effectbeoordeling moet worden gebruikt als basis voor de opstelling van een nieuw wetgevingskader van de Europese Unie inzake biologisch afbreekbaar afval;

    16. benadrukt dat alle soorten biologisch afbreekbaar afval in aanmerking moeten worden genomen om compostproductie en terugwinning uit alle afvalstromen te bevorderen; merkt op dat biologisch afbreekbaar afval niet alleen bioafval omvat , maar ook zuiveringsslib en het vergistbare deel van huishoudelijk afval (bevuild of niet-gesorteerd papier en karton, bepaalde soorten textiel enz.);

    17. benadrukt dat gescheiden inzameling van bioafval of andere systemen voor het beheer van bioafval waarmee zoveel mogelijk bronnen worden teruggewonnen, deel moet uitmaken van een EU-kader en vraagt de lidstaten dat zij de instelling van systemen voor gescheiden inzameling van bioafval overwegen; meent dat financiële stimulansen vereist zijn voor het uitbouwen van deze gescheiden inzameling van bioafval en andere systemen voor het beheer van bioafval waarmee zoveel mogelijk bronnen worden teruggewonnen;

    18. merkt op dat een toekomstig EU- kader voor veel lidstaten juridisch houvast zou bieden en duidelijkheid zou scheppen, en hen zou aanmoedigen om in het beheer van bioafval te investeren;

    19. verzoekt de Commissie verder onderzoek te laten verrichten naar methoden voor de behandeling van bioafval teneinde de voordelen voor de bodem en het effect op de energieterugwinning en het milieu te kwantificeren.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    18.3.2010

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    48

    0

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Jean-Pierre Audy, Zigmantas Balčytis, Zoltán Balczó, Jan Březina, Reinhard Bütikofer, Maria Da Graça Carvalho, Jorgo Chatzimarkakis, Giles Chichester, Pilar del Castillo Vera, Ioan Enciu, Adam Gierek, Norbert Glante, Fiona Hall, Jacky Hénin, Romana Jordan Cizelj, Sajjad Karim, Arturs Krišjānis Kariņš, Judith A. Merkies, Angelika Niebler, Jaroslav Paška, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Michèle Rivasi, Paul Rübig, Amalia Sartori, Francisco Sosa Wagner, Konrad Szymański, Britta Thomsen, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Ioannis A. Tsoukalas, Claude Turmes, Marita Ulvskog, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Kathleen Van Brempt, Alejo Vidal-Quadras, Henri Weber

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

    António Fernando Correia De Campos, Rachida Dati, Andrzej Grzyb, Jolanta Emilia Hibner, Oriol Junqueras Vies, Ivailo Kalfin, Marian-Jean Marinescu, Vladko Todorov Panayotov, Silvia-Adriana Ţicău, Hermann Winkler

    ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (25.2.2010)

    aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

    inzake het groenboek van de Commissie over het beheer van bioafval in de Europese Unie
    (2009/2153(INI))

    Rapporteur voor advies: Salvatore Caronna

    SUGGESTIES

    De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.   onderschrijft het initiatief van de Commissie, zoals uiteengezet in het groenboek, voor een communautaire benadering van het beheer van bioafval;

    2.   neemt ter kennis dat bioafval meer dan 30% van het vaste huishoudelijk afval uitmaakt; is van oordeel dat een beter beheer van dat afval zal bijdragen tot een duurzaam grondstoffenbeheer en tot de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van recycling en hernieuwbare energie;

    3.  is van mening dat het beheer van bioafval deel moet uitmaken van een duurzame afvalbeheercyclus die gericht is op rationeel gebruik en behoud van grondstoffen en op de terugdringing van de impact op het milieu;

    4.   wijst er nog eens op dat ook voor het beheer van bioafval de algemene rangorde voor afvalbeheer moet gelden: preventie, recycling, andere vormen van terugwinning, onder meer voor energiedoeleinden, en pas op de laatste plaats storten (Richtlijn 1991/31/EG, artikel 5);

    5.   is van mening dat het optimale besluit over de behandelingsmethode pas na onderzoek van de omstandigheden ter plaatse (bewoningsstructuur, structuur van het bioafval, bestaande installaties, enz.) zou moeten worden genomen;

    6.   onderstreept dat bij het gebruik van bioafval voor energiedoeleinden aandacht moet worden besteed aan de aspecten van energie-efficiëntie en duurzame ontwikkeling en dat deze producten daarom in de eerste plaats op de meest efficiënte manier, namelijk voor verwarmingsdoeleinden moeten worden gebruikt;

    7.   benadrukt dat bioafvalbeheer onder andere bestaat uit afvalpreventie, recycling en compostering, in overeenstemming met de afvalhiërarchie als neergelegd in Richtlijn 2008/98/EG;

    8.   stelt dat biomechanische behandeling (BMB) een effectieve methode is om aanzienlijke hoeveelheden bederfelijk afval buiten de vuilstortplaats te houden voor gebruik bij compostering, anaerobe vergisting en energieterugwinning;

    9.   acht het noodzakelijk dat niet-verontreinigd bioafval gezien wordt als waardevolle natuurlijke grondstof van kwaliteitscompost;

    10. wijst erop dat de toekomst van de landbouw mede afhankelijk is van behoud en herstel van de bodemvruchtbaarheid; wijst erop dat het gebruik van kwaliteitscompost in de landbouw kan bijdragen tot het behoud van de bodemvruchtbaarheid, vergroting van de waterretentiecapaciteit, de koolstoffixatiecapaciteit en tot terugdringing van het gebruik van kunstmest; beklemtoont dat er voor de lidstaten een rol is weggelegd om ervoor te zorgen dat in de landbouw kwaliteitscompost wordt gebruikt;

    11. onderstreept de noodzaak van duidelijk omschreven normen voor de behandeling van bioafval en de compostkwaliteit om te voorkomen dat de bodem gaandeweg verontreinigd raakt; verzoekt de Commissie te overwegen wetgevingsvoorstellen in te dienen inzake kwaliteitsnormen voor compost en digestaat, met als voorwaarde dat er gescheiden inzameling plaatsvindt;

    12. herinnert eraan dat het bij het composteren moeilijker kan zijn om de gassen te controleren die uit de gestorte substanties vrijkomen en dat dit een ernstig gevaar kan vormen voor het milieu en de atmosfeer; wijst erop dat bij een correcte compostering, met name van huishoudelijk bioafval, ook het grondwater tegen percolaat van composteerinstallaties moet worden beschermd;

    13. is van oordeel dat het beginsel "de vervuiler betaalt" de basis zou moeten vormen voor de vergoeding van de extra kosten die door de aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de bodem ontstaan, zodat de negatieve externe effecten van het op of in de bodem brengen van bioafval niet door de landbouwsector worden betaald;

    14. wijst er nogmaals op dat gescheiden inzameling essentieel is voor de naleving van de richtlijn inzake het storten van afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG, overweging 17), voor de aanlevering van hoogwaardig uitgangsmateriaal voor recycling van bioafval en voor verhoging van de efficiëntie van energieterugwinning; spoort de Commissie aan om de lidstaten te ondersteunen bij de invoering van systemen voor gescheiden inzameling, alsook om bindende en ambitieuze doelstellingen voor recycling van dat type afval in te voeren;

    15. wijst erop dat verbranding van bioafval pas een mogelijk alternatief in de rangorde van afvalverwerking kan worden als het aan energieterugwinning gekoppeld wordt;

    16. wijst erop dat bioafval een waardevolle hernieuwbare grondstof voor de productie van elektriciteit en biobrandstof voor vervoermiddelen en voor invoeding in het gasnet kan vormen als het gevormde biogas (voornamelijk methaan – 50% tot 75% – en kooldioxide) tot biomethaan wordt gezuiverd; dringt er bij de Commissie op aan om de mogelijkheden voor het gebruik van bioafval voor de productie van biogas te analyseren en te bevorderen;

    17. is van mening dat met communautaire richtlijnen moet worden gestimuleerd dat biogas in het aardgasnet kan worden ingevoed;

    18. stelt vast dat er tussen de lidstaten verschillen in regelgeving bestaan en dat er verschillende afvalbeheersystemen in gebruik zijn en dat storten in de Europese Unie nog steeds de meest gebruikte methode voor de verwijdering van vast huishoudelijk afval is; verzoekt de Commissie zich sterker in te zetten voor de handhaving van de wetgeving inzake vuilstort in de gehele Gemeenschap en zo spoedig mogelijk na te gaan of er behoefte bestaat aan een wetgevingsvoorstel inzake bioafval, mede om te voorkomen dat bioafval op vuilstortplaatsen terechtkomt; verzoekt de lidstaten hun samenwerking en uitwisseling van beproefde methoden op het gebied van bioafvalbeheer te intensiveren;

    19. verlangt meer inzicht in de complexiteit van de afvalketen bij het publiek, naast voorlichting over adequate afvalscheiding en -verwerking; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich in te zetten voor publieksvoorlichting en onderricht op scholen om duurzaam beheer van vast huishoudelijk afval te bevorderen en de voordelen van gescheiden inzameling onder de aandacht te brengen; wijst in dit verband op de belangrijke rol van steden, gemeenten en gemeentelijke bedrijven bij het verstrekken van advies en informatie aangaande afvalpreventie aan de burgers;

    20. verzoekt de Commissie te onderzoeken in welke bioafvalsectoren de energie-efficiëntie het hoogst is;

    21. stelt vast dat er in West-Europa steeds meer afval gerecycled wordt, maar dat afvalrecycling in Midden- en Oost-Europa nog weinig wordt toegepast; verzoekt de Commissie dan ook op het gebied van het afvalbeheer een beleid te bevorderen dat gericht is op toename van recycling.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    23.2.2010

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    38

    1

    2

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    John Stuart Agnew, Richard Ashworth, Liam Aylward, Christophe Béchu, José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Vasilica Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Lorenzo Fontana, Iratxe García Pérez, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Elisabeth Köstinger, Giovanni La Via, Stéphane Le Foll, George Lyon, Miguel Angel Martínez Martínez, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, Mariya Nedelcheva, James Nicholson, Rareş-Lucian Niculescu, Wojciech Michał Olejniczak, Georgios Papastamkos, Marit Paulsen, Britta Reimers, Alfreds Rubiks, Giancarlo Scotta’, Alyn Smith, Marc Tarabella, Janusz Wojciechowski

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

    Salvatore Caronna, Spyros Danellis, Esther de Lange, Filip Kaczmarek, Hans-Peter Mayer, Maria do Céu Patrão Neves

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    2.6.2010

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    55

    3

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    János Áder, Elena Oana Antonescu, Kriton Arsenis, Pilar Ayuso, Paolo Bartolozzi, Sandrine Bélier, Martin Callanan, Nessa Childers, Chris Davies, Bairbre de Brún, Esther de Lange, Anne Delvaux, Bas Eickhout, Edite Estrela, Jill Evans, Karl-Heinz Florenz, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Julie Girling, Françoise Grossetête, Dan Jørgensen, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Linda McAvan, Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė, Vladko Todorov Panayotov, Gilles Pargneaux, Antonyia Parvanova, Andres Perello Rodriguez, Sirpa Pietikäinen, Mario Pirillo, Pavel Poc, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Oreste Rossi, Daciana Octavia Sârbu, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Theodoros Skylakakis, Bogusław Sonik, Catherine Soullie, Salvatore Tatarella, Anja Weisgerber, Glenis Willmott, Sabine Wils, Marina Yannakoudakis

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    José Manuel Fernandes, Gaston Franco, Esther Herranz García, Bill Newton Dunn, Rovana Plumb, Bart Staes, Kathleen Van Brempt, Anna Záborská

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Willy Meyer