Procedure : 2010/2072(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0236/2010

Ingediende teksten :

A7-0236/2010

Debatten :

PV 06/09/2010 - 20
CRE 06/09/2010 - 20

Stemmingen :

PV 07/09/2010 - 6.13
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0303

VERSLAG     
PDF 226kWORD 209k
26.7.2010
PE 442.889v03-00 A7-0236/2010

inzake de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(2010/2072(INI))

Begrotingscommissie

Rapporteur: Miguel Portas

Rapporteur voor advies(*):Elisabeth Morin-Chartier, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

(*) Medeverantwoordelijke commissies – artikel 50 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken(*)
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

inzake de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(2010/2072(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) (IIA van 17 mei 2006), en met name punt 28 hiervan,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(2) (EFG-verordening),

–   gezien Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering(3),

–   onder verwijzing naar zijn resoluties over de voorstellen voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer, goedgekeurd na 23 oktober 2007(4),

–   gezien de mededelingen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 juli 2008 (COM(2008)0421) en 28 juli 2009 (COM(2009)0394) over de activiteiten van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in 2007 en 2008,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie economische en monetaire zaken (A7‑0236/2010),

A.  overwegende dat de Europese Unie, om het hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van de globalisering voor de werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag en om zijn solidariteit te betuigen met die werknemers en te zorgen dat zij werk vinden, een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna EFG) heeft ingesteld met als doel financiële steun te verlenen aan geïndividualiseerde programma's voor herintegratie in het beroepsleven; overwegende dat voor het EFG een jaarlijks krediet van maximaal 500 miljoen euro wordt uitgetrokken, afkomstig van de marge onder het totale uitgavenmaximum van het voorgaande jaar of van geannuleerde vastleggingskredieten van de voorgaande twee jaren, met uitzondering van de kredieten voor rubriek 1b van het financiële kader; overwegende dat het EFG is ingesteld als flexibel instrument voor eenmalige steun dat is bedoeld om sneller en doelmatiger te reageren op buitengewone en urgente omstandigheden waarin massaontslagen plaatsvinden in een lidstaat,

B.   overwegende dat de Europese Unie, om een antwoord te kunnen vinden op de toenemende werkloosheid als gevolg van de economische en financiële crisis en om lering te trekken uit de ervaringen van 2007 en 2008, in juni 2009 de regels voor het aanwenden van het EFG heeft aangepast; dat deze aanpassing alle vóór 31 december 2011 in te dienen aanvragen betrof en bestond uit een uitbreiding van de werkingssfeer van het EFG, een versoepeling en precisering van de interventiecriteria, een verhoging van de cofinancieringspercentages en de verlenging van de periode waarin de lidstaten de financiële bijdrage uit het fonds kunnen besteden,

C.  overwegende dat bij de doorlichting van de kredieten die tussen 2007 en het eind van het eerste semester van 2009 uit het EFG zijn vrijgemaakt, is gebleken dat maar beperkt gebruik is gemaakt van de kredieten, daar van het totale in theorie beschikbare bedrag van 1,5 miljard euro slechts 80 miljoen euro vrijgemaakt is voor 18 steunaanvragen, ten gunste van 24 431 werknemers in 8 lidstaten voor een zeer beperkt aantal sectoren (met name de textiel- en de auto-industrie), waarbij verschillen bestonden tussen het niveau van de oorspronkelijk toegewezen bedragen en dat van de uiteindelijk uitbetaalde bedragen, waarbij 24,8 miljoen euro a posteriori zijn terugbetaald wat de eerste 11 gevallen betreft, d.i. 39,4% van de vrijgemaakte kredieten,

D.  overwegende dat het weliswaar nog niet mogelijk is de functionering van het EFG te beoordelen tegen de achtergrond van de herziene verordening, aangezien de na mei 2009 ingediende aanvragen nog wachten op een besluit of al in uitvoering zijn, maar dat niettemin nu al kan worden vastgesteld dat een groter beroep wordt gedaan op het EFG, wat bewijst dat de voorgestelde wijzigingen pertinent zijn; overwegende dat tussen mei 2009 en april 2010 het aantal aanvragen van 18 naar 46, het bedrag van de aangevraagde bijdragen van 80 naar 197 miljoen euro en het aantal verzoekende lidstaten van 8 naar 18 is gestegen, en het aantal te steunen werknemers bijna is verdubbeld (36 712 werknemers meer) en dat veel meer economische sectoren zijn getroffen,

E.   overwegende evenwel dat 9 lidstaten nog geen beroep hebben gedaan op het EFG, dat de vrijgemaakte bedragen duidelijk onder het niveau van het jaarlijks maximaal beschikbare bedrag van 500 miljoen euro liggen en dat het merendeel van de aanvragen betrekking heeft op regio's waarvan het BBP per inwoner hoger is dan het gemiddelde van het Europese Unie en het werkloosheidspercentage redelijk blijft, en dat hieruit kan worden geconcludeerd dat de verbeteringen in de oorspronkelijke verordening weliswaar ingrijpend waren maar weinig impact hebben gehad op het toenemend aantal collectieve ontslagen van de jongste jaren,

F.   overwegende dat het optrekken van de cofinancieringsdrempel van 50% naar 65% bij de herziening van juni 2009 een verklaring zou kunnen inhouden voor de toename van het aantal aanvragen,

G.  overwegende dat het geringe bestedingspercentage van het EFG in de armste regio's van de EU verband houdt hetzij met de verschillende nationale strategieën, hetzij met problemen bij het concretiseren van acties in afwachting van een besluit op Europees niveau,

H.  overwegende dat, in weerwil van de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 17 juli 2008, waarin werd gesteld dat de financiële steun van het EFG zo snel en zo doeltreffende mogelijk moet zijn, de duur van de procedure tussen het moment van het collectief ontslag en de datum waarop het EFG geactiveerd wordt ter ondersteuning van de maatregelen van de verzoekende lidstaat nog steeds 12 à 17 maanden bedraagt en dat deze tijdspanne deels ook het verschil tussen het aantal werknemers waarvoor steun uit het EFG is aangevraagd en het aantal dat effectief wordt geholpen verklaart,

I.    overwegende dat het ontwerp van interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over budgettaire samenwerking(5) de procedure voor het activeren van het EFG slechts marginaal wijzigt, in die zin dat de triloogprocedure facultatief wordt, overeenkomstig de praxis, en dat deze wijziging geen remedie biedt voor de zware en trage procedure,

J.    overwegende dat, volgens het interimverslag van de Commissie over de werking van het Interinstitutioneel Akkoord(6), het feit dat er een specifiek besluit van de twee takken van de begrotingsautoriteit nodig is om het EFG te activeren geen belemmering mag zijn om vaart te zetten achter besluiten over het beschikbaar stellen van steun uit het EFG,

K.  overwegende dat nog geen betrouwbare en consistente gegevens over de tenuitvoerlegging van het EFG sinds de wijziging ervan na 2009 beschikbaar zijn en ervan overtuigd dat transparantie en regelmatig uitbrengen van verslag verplicht gesteld moeten worden,

L.   overwegende dat de 27 besluiten die tussen 2007 en april 2010 zijn genomen stuk voor stuk positief waren en, wat het bedrag betreft, overeenstemden met de voorstellen van de Commissie,

M.  overwegende dat de globalisering geen tijdelijk verschijnsel is en dat de gevolgen van de economische crisis voor de werkgelegenheid ook na 2013 voelbaar zullen zijn en dat bijgevolg de stijgende trend van het aantal aanvragen om steun uit het EFG eveneens naar alle waarschijnlijkheid zal aanhouden, maar dat het fonds niet bedoeld is als substituut voor een gebrek aan innovatie,

1.   is van mening dat de toegevoegde waarde van het EFG als instrument van het sociaal beleid van de Europese Unie ligt in het zichtbare, specifieke, eenmalige en tijdelijke karakter van zijn financiële steun aan gepersonaliseerde programma's voor omscholing en herintegratie in het beroepsleven van werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag in sectoren of regio's die door een ernstige economische en sociale crisis worden getroffen;

2.   is van mening dat de stijging van het aantal verzoeken om steun uit het EFG en de problemen met de activerings- en uitvoeringsprocedure snelle wijzigingen in de procedurele en budgettaire bepalingen vereisen; wijst erop dat de Commissie de voorlichting over en de zichtbaarheid van het EFG in de lidstaten en bij de mogelijke begunstigden van het Fonds moet verbeteren; verzoekt daarom de Commissie de indiening van haar interim-verslag te vervroegen naar 30 juni 2011 en er een voorstel tot herziening van de EFG-verordening aan te koppelen zodat nog voor het eind van het huidig meerjarig financieel kader (MFK), de meest in het oog springende gebreken van het Fonds kunnen worden verholpen;

3.   verzoekt de Commissie in haar tussentijdse herziening de toegekende bijdragen te toetsen aan de volgende kwalitatieve criteria:

      a) de mate van succes met de herintegratie en een evaluatie van de verbetering van de vaardigheden van de begunstigden,

      b) een vergelijkende analyse van de gefinancierde maatregelen in reactie op op elke EFG-toepassing en de resultaten op grond van herintegratie,

      c) de naleving van het non-discriminatiebeginsel naar gelang van de contractuele situatie van de ontslagen werknemers en van werknemers die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer binnen de EU,

      d) de voorschriften inzake sociaal overleg bij de voorbereiding van de steunaanvragen en het toezicht op de uitvoering ervan al dan niet zijn toegepast,

      e) de impact van het EFG op het netwerk van begunstigden en op potentieel door het afvloeiingsplan getroffen kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan de werknemers voor steun uit het fonds in aanmerking zouden kunnen komen,

      f) een analyse van de gevolgen van de verschillende EFG-kandidaturen voor de nationale instelling die met het beheer is belast,

      g) de impact van de bijdragen uit het EFG per leeftijdsgroep, begunstigde lidstaten en sectoren;

4.   verzoekt de Commissie in haar tussentijdse herziening de toegekende bijdragen uit een begrotingsstandpunt te toetsen en in haar bevindingen met name te verwijzen naar:

      a) de redenen voor het grote verschil tussen de aangevraagde steun uit het EFG en de bedragen die door de begunstigde staat zijn terugbetaald wanneer de bijstand reeds is afgesloten,

      b) de gefinancierde programma's en maatregelen die niet zijn uitgevoerd, in de gevallen waarin de lidstaten bedragen hebben terugbetaald,

      c) de redenen voor de grote verschillen tussen de lidstaten bij de financiering per werknemer in de verschillende EFG-aanvragen,

      d) een analyse van de coördinatie van de verschillende uit communautaire bronnen gefinancierde programma's (waaronder ESF-steun) die zijn verstrekt aan dezelfde regio waar EFG-aanvragen worden overwogen en/of de behandeling daarvan is afgesloten,

      e) een analyse van het aandeel van de totale steun van de Commissie in relatie tot andere nationale en bedrijfsspecifieke steunmaatregelen;

5.   is van oordeel dat bij de herziening van de verordening rekening moet worden gehouden met de bevindingen die de evaluatie van de functionering van het EFG heeft opgeleverd alsook met de opgedane ervaring, en dat ook de maatregelen die de duur van de activeringsprocedure van het fonds substantieel kunnen inkorten, erin moeten worden verwerkt;

6.   verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om aan de ESF-verordening de verplichting voor de lidstaten toe te voegen de participatie van een werknemersvereniging bij de implementatiefase van de EGF-verordening te ondersteunen; verzoekt de Commissie uitwisselingen van ervaringen en positieve praktijken inzake de participatie van werknemers bij de implementatie van het EGF te organiseren, zodat werknemers in bestaande en nieuwe gevallen kunnen profiteren van de ervaringen die in voorgaande gevallen zijn opgedaan;

7.   onderstreept dat de tijdspanne die nodig is om het EFG te activeren met de helft kan worden ingekort, als de volgende maatregelen voorbereid en vastgesteld worden:

      a) de aanvragen voor activering van het EFG zouden door de lidstaten moeten worden voorbereid zodra de plannen voor collectief ontslag bekend worden gemaakt en niet na het ontslag,

      b) de Commissie zou de lidstaten moeten mededelen dat een aanvraag kan worden ingediend vanaf de eerste dag dat aan de interventiecriteria is voldaan,

      c) alle middelen moeten ter beschikking worden gesteld om te zorgen voor een snelle en betere communicatie met de hierbij betrokken lidstaat,

      d) aanvragen van lidstaten in de taal van het land en in een van de werktalen van de Europese instellingen kunnen ertoe bijdragen dat de dienst van de Commissie die belast is met de beoordeling ervan zonder verwijl met zijn werkzaamheden kan beginnen,

      e) de Commissie zou moeten beschikken over de noodzakelijke menskracht en technische middelen, met inachtneming van het beginsel van begrotingsneutraliteit, om de door de lidstaten ingediende aanvragen doeltreffend en snel te verwerken,

      f) de Commissie zou, na ontvangst van de aanvraag en de nodige informatie van de lidstaten, 3-4 maanden de tijd moeten hebben om over activering van het EFG te beslissen; wanneer de beoordeling van een aanvraag langer zou duren dan 4 maanden, zou de Commissie het EP zo spoedig mogelijk, met opgaaf van de redenen voor de vertraging, op de hoogte moeten brengen;

8.   dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten een aantal richtsnoeren te geven voor de opmaak en uitvoering van de aanvragen voor EGF-middelen, met als doel een snelle aanvraagprocedure en een brede consensus onder de belanghebbenden over de te volgen strategie en de te nemen maatregelen voor een effectieve herintegratie van de werknemers in de arbeidsmarkt; doet een beroep op de lidstaten de procedure te bespoedigen door voorfinanciering van maatregelen die vanaf de datum van aanvraag moeten ingaan om aldus ten behoeve van de betrokken werknemers een maximaal gebruik te maken van de uitvoeringsperiode van het EGF;

9.   herinnert de lidstaten eraan dat zij verplicht zijn enerzijds de sociale partners van meet af aan bij de voorbereiding van de aanvragen te betrekken in overeenstemming met artikel 5 van de EGF-verordening, en anderzijds te voldoen aan artikel 9 van deze verordening, volgens welk de lidstaat informatie geeft over en bekendheid aan de gefinancierde acties en deze informatie ook tot de betrokken werknemers, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek moet zijn gericht, alsmede procedures te standaardiseren; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat ondernemingsraden worden ingeschakeld nog voordat een programma van start gaat, om te garanderen dat de sociale partners een werkelijke bijdrage leveren aan het opstellen van omschakelingsplannen die beantwoorden aan de behoeften van de werknemers en niet aan die van de bedrijven;

10. verzoekt de lidstaten op nationaal niveau een communicatie- en beheerstructuur van het EGF op te zetten, die in verbinding staat met alle betrokkenen, in het bijzonder de sociale partners, en positieve praktijkervaringen op Europees niveau uit te wisselen, waardoor het fonds snel en doeltreffend in werking kan treden als er massaontslagen vallen;

11. herinnert eraan dat volgens Verordening (EG) nr. 1927/2006 verschillende landen gezamenlijk een steunaanvraag bij het EGF kunnen indienen wanneer getroffen werknemers in een geografische regio of een bepaalde bedrijfstak niet beperkt zijn tot één lidstaat;

12. is van oordeel dat, ter versnelling en vereenvoudiging van de procedures, gezorgd moet worden voor een doeltreffende coördinatie van Commissie en Parlement, zodat minder tijd nodig is voor de besluitvorming, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de beoordeling van de aanvragen door de desbetreffende commissies van het Parlement, en dat:

      a) de Commissie daarom terdege rekening moet houden met het EP-rooster, zowel met betrekking tot de vergaderingen van de parlementaire commissie als de plenaire vergaderingen, en haar voorstellen tijdig moet indienen om de besluitvorming te versnellen,

      b) de Commissie daarom het Parlement tijdig op de hoogte moet brengen van eventuele problemen en/of blokkades wanneer zij de aanvragen van de lidstaten behandelt,

      c) ook de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Begrotingscommissie er daarom alles aan zullen doen om ervoor te zorgen dat, na goedkeurig door de commissie, op de eerstvolgende plenaire vergadering een besluit kan worden genomen;

13. is van mening dat, als de tot dan toe opgedane ervaring zulks rechtvaardigt, deze onmiddellijke maatregelen om de steunverleningsprocedure van het EFG te vereenvoudigen en te versoepelen, kunnen worden opgenomen in de herziene verordening; is van mening dat al deze maatregelen op geen enkele wijze afbreuk mogen doen aan de bevoegdheid van het Europees Parlement als tak van de begrotingsautoriteit bij besluiten over de beschikbaarstelling van steun uit het Fonds;

14. is van mening dat het, naast deze verbeteringen van de procedure, ook noodzakelijk is de in 2009 ingestelde afwijking ten behoeve van de werknemers die hun baan kwijtraken door de economische en financiële crisis, te verlengen tot het eind van het huidige MFK, en het cofinancieringspercentage daarom te handhaven op 65%, aangezien de factoren die aan de basis van de maatregel lagen nog steeds aanwezig zijn;

15. stelt vast dat in de ontwerpbegroting 2011 van de Commissie voor het eerst betalingskredieten zijn opgenomen voor het EFG en beschouwt dit als een belangrijke stap in het algemene denken over het beheer en de zichtbaarheid van dit fonds; is evenwel van mening dat deze betalingskredieten wellicht niet zullen volstaan om de bedragen te dekken die nodig zijn om de EFG-aanvragen in 2011 in te willigen; herhaalt daarom zijn verzoek EFG-aanvragen niet uitsluitend te financieren door overschrijvingen uit ESF-lijnen en verzoekt de Commissie onverwijld verschillende begrotingslijnen aan te wijzen en voor dit doel te gebruiken;

16. onderstreept dat de toekomst van het EFG bepaald zal worden in het kader van de onderhandelingen over het volgende MFK; is van oordeel dat hiervoor verscheidene opties onderzocht kunnen worden; is van mening dat bijzondere aandacht geschonken moet worden aan de mogelijke vorming van een onafhankelijk fonds met eigen vastleggingskredieten en betalingskredieten, en dringt er daarom bij de Commissie op aan voorstellen in te dienen voor de toewijzing van middelen aan een dergelijk fonds; meent dat bij een eventuele toekomstige herziening van het EFG, de flexibiliteit ervan gehandhaafd moet blijven, daar deze een voordeel vormt vergeleken bij de structuurfondsen;

17. wijst erop dat het omvormen van de lopende EFG-maatregelen tot een permanent instrument voor ondersteuning van actieve arbeidsmarktmaatregelen een duidelijk signaal zou zijn van de politieke wil om werk te maken van een Europese sociale pijler, die het sociaal beleid van de lidstaten aanvult en de Europese aanpak op het vlak van de beroepsopleiding in een nieuwe richting zou kunnen stuwen; wijst er dan ook op dat het EFG onafhankelijk moet blijven van het ESF en de Europese programma's voor levenslang leren, aangezien het EFG erop gericht is de mogelijkheden van elke gesteunde werknemer te verbeteren en niet op het beantwoorden van de verwachtingen van het bedrijfsleven of het verlenen van horizontale diensten aan opleidingsinstituten;

18. verzoekt de lidstaten met behulp van het EGF synergieën te creëren tussen het EGF, het ESF en microfinanciering, om een optimale en aan elk afzonderlijk geval aangepaste maatregel te vinden;

19. spoort de lidstaten aan het EGF te gebruiken om Europese doelstellingen na te streven, nieuwe kwalificaties voor nieuwe, duurzame en groene banen van hoge kwaliteit in een bepaalde regio te bevorderen en ondernemerschap en levenslang leren te stimuleren, om de werknemers in staat te stellen hun persoonlijke loopbaan te volgen en bij te dragen aan het concurrentievermogen van de Unie in de context van de globalisering;

20. verlangt van de Commissie dat zij een nauwkeuriger beeld verschaft van de steunverlening uit het EFG door haar jaarlijkse mededelingen inhoudelijk te verbeteren en door het Europees Parlement regelmatig informatie door te spelen over de stand van de financiële bijdragen van de lidstaten;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)

PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.

(3)

PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26.

(4)

Aangenomen teksten van 25.3.2010 (P7_TA-PROV(2010)0071 en P7_TA-PROV(2010)0070), 9.3.2010 (P7_TA-PROV(2010)0044, P7_TA-PROV(2010)0043 en P7_TA-PROV(2010)0042), 16.12.2009 (P7_TA-PROV(2009)0107), 25.11.2009 (TA-PROV(2009)0087), 20.10.2009 (P7_TA(2009)0049), 15.09.2009 (P7_TA(2009)0009), 5.5.2009 (P6_TA(2009)0339), 18.11.2008, PB C 16E van 22.1.2010, blz. 84, 21.10.2008, PB C 15E van 21.1.2010, blz. 117, 10.4.2008, PB C 247E van 15.10.2009, blz. 75, 12.12.2007, PB C 323E van 18.12.2008, blz. 260 en 23.10.2007, PB C 263E van 16.10.2008, blz. 155.

(5)

COM(2010)0073 van 3 maart 2010.

(6)

COM(2010)0185 van 27 april 2010.


TOELICHTING

Dit initiatiefverslag is het eerste sinds de start, drie jaar geleden, van het EFG, dat is ingesteld door de verordening van 20 december 2006(1), naderhand grondig gewijzigd door de verordening van 18 juni 2009(2). Op basis van de ervaringen die in die periode zijn opgedaan en van het advies van nationale experts die op 28 april 2010 zijn gehoord, maakt het een staat op van de financiering en de functionering van het fonds, voor en na de herziening van de rechtsgrondslag ervan. De rapporteur neemt akte van de structurele toename van de werkloosheid en het stijgend aantal collectieve ontslagen in de Europese Unie, en dringt erop aan dat vanaf de komende financiële vooruitzichten het EFG wordt omgevormd tot een permanent instrument van solidariteit met de werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag. Het verslag stelt op korte termijn een aantal minder ingrijpende wijzigingen voor die de meest flagrante gebreken moeten corrigeren. Sommige van deze voorstellen zijn meteen uitvoerbaar. Andere dan weer moeten aan bod komen bij de wijziging van de EFG-verordening, naar gelang van wat de tussentijdse evaluatie oplevert. Met het oog daarop wordt de Commissie verzocht de datum van deze evaluatie te vervroegen naar 31 juli 2011.

De hierna volgende samenvatting van de voorgestelde aanpak berust op een gedetailleerde analyse van de wettelijke voorwaarden voor steunverlening uit het EFG1 en het effectieve beroep dat er tussen 2007 en april 2010 op is gedaan2.

I. VOORWAARDEN VOOR STEUNVERLENING DOOR HET EFG

· Wezenlijke voorwaarden

Oorspronkelijke had het EFG alleen als doel het opvangen van de negatieve effecten van de globalisering voor de zwakste en de laagst geschoolde werknemers van bepaalde sectoren die hun baan waren verloren als gevolg van ingrijpende veranderingen in de wereldhandelssituatie, die op hun beurt hebben geleid tot een ernstige verstoring van de economie. In juni 2009 is, voor alle aanvragen tussen 1 mei 2009 en 31 december 2011, de actieradius uitgebreid tot werknemers die hun baan verliezen als direct gevolg van de economische en financiële crisis.

Moet de doelstelling van het EFG in het licht van de structurele groei van de werkloosheid en het stijgend aantal collectieve ontslagen in de Europese Unie worden herzien? Volstaat de in juni 2009 ingevoerde afwijking om de crisis het hoofd te bieden?

De lidstaten kunnen steun uit het EFG aanvragen op voorwaarde dat aan een van de drie volgende criteria is voldaan:

– ten minste 500 gedwongen ontslagen (1000 vóór 2009) binnen een periode van 4 maanden, in een onderneming in een lidstaat, met dien verstande dat het aantal betrokken werknemers ook het aantal ontslagen leveranciers of afnemers kan omvatten (artikel 2 a)(3));

– ten minste 500 gedwongen ontslagen (1000 vóór 2009) binnen een periode van negen maanden, met name in kleine of middelgrote ondernemingen, in een NACE 2-bedrijfstak in een regio of in twee aan elkaar grenzende regio's volgens de NUTS II-indeling (artikel 2 b4);

– de gedwongen ontslagen hebben plaats op kleine arbeidsmarkten of in uitzonderlijke omstandigheden die naar behoren met redenen moeten worden omkleed, en hebben ernstige gevolgen voor de werkgelegenheid en de lokale economie, zelfs als niet volledig voldaan wordt aan de voorgaande voorwaarden(artikel 2 c)4).

Is de verlaging van de drempel van 1000 naar 500 personeelsleden voldoende? Zijn de termijnen en de geografische perimeters voor de telling van het aantal ontslagen pertinent?

Het EFG draagt bij aan de financiering van actieve arbeidsmarktmaatregelen die passen in een gecoördineerd geheel van gepersonaliseerde diensten met als doel ontslagen werknemers opnieuw aan een baan te helpen. Deze actieve maatregelen omvatten o.m. bijstand bij het zoeken van een baan, beroepsopleiding, mobiliteitsvergoedingen, maatregelen om benadeelde of oudere werknemers te stimuleren om op de arbeidsmarkt te blijven of op deze terug te keren. Passieve maatregelen van sociale bescherming worden echter door het EFG niet gefinancierd.

Hoe kan de vernieuwende aanpak van het EFG, die zich richt op het valoriseren van de mogelijkheden en de wensen van elke gesteunde werknemer, worden behouden en tegelijk tot andere regelingen worden uitgebreid?

Het is de bedoeling dat het EFG de acties van de lidstaten aanvult, niet dat het er in de plaats van komt. Dit complementariteitsbeginsel is vastgelegd in het vastgelegde cofinancieringspercentage van maximum 50% van de kosten van de geplande maatregelen, een percentage dat in 2009 naar 65% is opgetrokken voor wat de aanvragen van vóór 31 december 2011 betreft.

Is de tijdelijke verhoging van het cofinancieringspercentage van het EFG voldoende?

De steun uit het EFG moet ook worden gecoördineerd met die van de andere beleidslijnen van de Europese Unie. Volgens deze voorwaarde is cofinanciering van maatregelen door andere communautaire financiële instrumenten uitgesloten. In dat opzicht is het belangrijk dat de lidstaten er nauwgezet op toezien dat de door het EFG gefinancierde maatregelen niet ook door het ESF worden gefinancierd, in de wetenschap dat een van de richtsnoeren van het ESF erin bestaat "het aanpassingsvermogen van werknemers en ondernemingen en flexibilisering van arbeidsmarkten" te verbeteren(4).

Wordt de voorwaarde inzake de coördinatie ten volle nageleefd?

· Procedurele voorwaarden

Het EFG beschikt over een jaarlijks bedrag van maximaal 500 miljoen euro, afkomstig hetzij van de beschikbare marge onder het algemene uitgavenplafond van het voorgaande jaar, hetzij van geschrapte vastleggingskredieten van de voorgaande twee begrotingsjaren, uitgezonderd die welke betrekking hebben op rubriek 1 B van het financieel kader.

De vastleggingskredieten voor het EFG worden via de normale begrotingsprocedure als voorziening in de algemene begroting van de Europese Unie opgenomen (lijn 40 02 43), zodra de Commissie heeft vastgesteld dat er voldoende begrotingsruimte en/of geannuleerde vastleggingen beschikbaar zijn. De desbetreffende betalingskredieten kunnen in de reserve worden geplaatst, hetzij afkomstig zijn van onderbestede begrotingsposten, hetzij op lijn 04 05 01 van het EFG worden ingeschreven.

Moet het EFG een "fonds zonder fondsen" blijven?

De steunverleningsprocedure van het EFG omvat 4 fazen:

– de lidstaat dient zijn aanvraag voor een bijdrage uit het EFG bij de Commissie in binnen tien weken vanaf de datum waarop wordt vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden om voor steun van het EFG in aanmerking te komen, met dien verstande dat deze aanvraag achteraf kan worden vervolledigd;

– de Commissie onderzoekt de aanvraag in overleg met de betrokken lidstaat, waarna in voorkomend geval de begrotingsprocedure wordt gestart via een voorstel voor een besluit tot activering van het EFG waarin het bedrag van de toe te kennen financiële bijdrage wordt vastgesteld, en een verzoek om overschrijving van het bedrag van de financiering wordt ingediend;

– de twee takken van de begrotingsautoriteit onderzoeken het voorstel voor een besluit tot activering van het EFG en verlenen er eventueel, al dan niet met amendementen, hun toestemming voor;

– in principe binnen 15 dagen na de goedkeuring van het besluit tot activering van het EFG door de begrotingsautoriteit wordt de aan de lidstaat toegekende financiële bijdrage in een keer uitbetaald.

Is een besluit van de begrotingsautoriteit tot activering van het fonds geval per geval steeds noodzakelijk? Zijn de vastgestelde termijnen noodzakelijk en/of worden ze nageleefd? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat het onderzoek van de aanvragen door de Commissie voorspelbaarder wordt voor de lidstaten?

De uitvoeringsprocedure van het EFG omvat 3 fazen:

– de besteding door de lidstaat van de financiële bijdrage binnen 24 maanden na de datum van de aanvraag of het begin van de in aanmerking komende maatregelen op voorwaarde dat deze zijn begonnen binnen drie maanden na de datum van de aanvraag (voor aanvragen van vóór 2009, binnen 12 maanden na de datum van de aanvraag);

– de indiening door de lidstaat van een verslag over de tenuitvoerlegging van de financiële bijdrage binnen 6 maanden na de uiterste bestedingsdatum;

– de afsluiting door de Commissie van de financiële bijdrage binnen zes maanden na ontvangst van het verslag over de uitvoering.

Is een verdubbeling van de termijn binnen welke een lidstaat de financiële bijdrage moet gebruiken, voldoende? Is de procedure voor de controle door de Commissie op het gebruik van de financiële bijdrage optimaal?

II. STEUNVERLENING DOOR HET AFG TUSSEN 2007 EN APRIL 2010

· Analyse van de besluiten tot en aanvragen om steunverlening uit het EFG

De aanvragen en bijdragen hebben betrekking op een beperkt aantal lidstaten en houden geen verband met de welvaartskloof of het werkloosheidspercentage:

Tussen 2007 en april 2010 zijn 27 besluiten tot activering van het EFG genomen en zijn 58 aanvragen ingediend en gehandhaafd. Deze besluiten en aanvragen hebben betrekking op respectievelijk 13 en 17 lidstaten. Tien lidstaten hebben dus nog geen beroep willen of kunnen doen op het fonds.

De 5 lidstaten die de hoogste aanvragen om een bijdrage hebben ingediend (Frankrijk, Italië, Spanje, Ierland, Duitsland) nemen samen ongeveer 70% van het totale bedrag aan aangevraagde kredieten voor hun rekening, terwijl de 5 lidstaten met de laagste aanvragen (Tsjechië, Polen, Malta, Finland, Litouwen) goed zijn voor ongeveer 2% van het totaal.

De besluiten tot toekenning van middelen uit het EFG hadden betrekking op de regio's van niveau NUTS 2 waarvan het gemiddelde BNI per inwoner 109,3% bedraagt van het gemiddelde van de Europese Unie en waarvan het gemiddelde werkloosheidscijfer slechts 5,9% bedraagt(5).

Waarom brengt het EFG vooral voordeel aan regio's waarvan het BBP per inwoner hoger is dan het gemiddelde van het Europese Unie en waarvan het werkloosheidscijfer redelijk laag is, en hoe kan deze ongelijkheid worden verholpen?

Het aantal aanvragen en gevraagde bijdragen neemt toe maar blijft beperkt vergeleken met de beschikbare kredieten:

Vóór de herziening in juni 2009 zijn slechts 16 besluiten genomen, ten voordele van 8 lidstaten en voor een totaal vrijgemaakt bedrag van 80 miljoen euro.

Uit een vergelijking tussen de begrotingsjaren blijkt echter dat het gebruikspercentage stijgt, wat hoofdzakelijk een gevolg is van de versoepeling, in 2009, van de voorwaarden om op het fonds een beroep te doen, en van de economische en financiële crisis. Het gebruiks- of bestedingspercentage van de kredieten is van 3,7% in 2007 (EUR 18,6 miljoen) opgelopen tot 10,5% in 2009 (EUR 52 miljoen). Deze trend lijkt zich in 2010 te zullen voortzetten. Tussen juni 2009 en april 2010 zijn 42 aanvragen goedgekeurd, behandeld of ingediend, betreffende 36 712 nieuwe werknemers en 9 extra lidstaten, voor een totaal bedrag van 197 miljoen euro.

Is de forse toename van het aantal aanvragen en gevraagde bijdragen van blijvende aard, en zo ja, hoe is deze toename te verklaren en hoe kunnen wij er efficiënt het hoofd aan bieden?

De gevraagde bijdrage per werknemer varieert sterk van lidstaat tot lidstaat:

De besluiten hebben betrekking op 29 292 ontslagen werknemers en de ingediende aanvragen op 54 867 te steunen werknemers.

De gevraagde bijdrage bedraagt gemiddeld 5 253 euro per werknemer. De verhouding tussen de laagste (EUR 511)(6) en de hoogste gevraagde bijdrage per werknemer (EUR 22 031)fn.bedraagt 1 op 40.

Zijn de verschillen in financiële inspanning per werknemer tussen de diverse lidstaten volledig te rechtvaardigen en zo niet, hoe kunnen ze uit de weg worden geruimd?

De aanvragen om steun uit het EGF berusten op alle interventiecriteria, maar niet in dezelfde mate:

In 57,7% van de gevallen steunen de lidstaten hun aanvragen op het criterium van artikel 2 b) van de EFG-verordening, in 36,5% van de gevallen op het criterium van artikel 2 a) en in 5,8% van de gevallen op het criterium van artikel 2 c). Slechts een lidstaat (Litouwen) beroept zich op de 3 criteria in ten minste een van zijn aanvragen.

Sinds juni 2009 wordt het interventiecriterium van artikel 2 b) vaker ingeroepen dan in de voorgaande periode (60% van de aanvragen, tegen 50%).

Hoe vallen de verschillen tussen de lidstaten wat de verwijzing naar de criteria betreft te verklaren?

De steun uit het EFG heeft slechts op een klein aantal economische sectoren betrekking, hoewel daar een trend naar diversificatie merkbaar is.

Terwijl de 16 aanvragen onder toepassing van de oorspronkelijke verordening uitsluitend betrekking hadden op de sectoren textiel (50%), automobiel (31%) en mobiele telefonie (19%), is er onder de nieuwe verordening een opening geweest naar nieuwe sectoren, zoals machinebouw, elektronica, drukkerij en bouw.

Zijn de verschillen tussen de sectoren altijd te verklaren door de globalisering of de crisis?

· Analyse van de procedure van activering en uitvoering van het EFG

Het EFG beschikte tot nu toe niet over eigen betalingskredieten, maar dit zou vanaf 2011 kunnen veranderen:

Het totale bedrag aan betalingskredieten die zijn vrijgemaakt om de verplichtingen in te lossen is afkomstig van begrotingsposten waarvoor een onderbesteding kon worden verwacht. 97,6% van de behoeften is gefinancierd met kredieten van de begrotingslijnen in verband met het ESF, terwijl de rest afkomstig was van de post "Justitie in strafrechtelijke en burgerlijke zaken". Er is tot nu toe nog geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om betalingskredieten in de reserve te plaatsen, naast de vastleggingskredieten; in de ontwerpbegroting 2011 wordt er echter, voor de allereerste keer, in voorzien 50 miljoen euro aan betalingskredieten op de EFG-lijn beschikbaar te stellen.

Heeft het opnemen van betalingskredieten op de EFG-begrotingslijn gevolgen voor de activeringstermijnen?

De procedure voor het activeren van het EFG is veel te lang; dit schaadt de doeltreffendheid van het fonds en het belang voor de lidstaten:

Tussen de indiening van een verzoek om steun uit het EFG en de uiteindelijke uitbetaling van de toegekende financiële bijdrage verloopt gemiddeld meer dan 9 maanden.

Deze tijdspanne kan als volgt worden uitgesplitst:

– 6 maanden vanaf de indiening van de aanvraag door een lidstaat tot de goedkeuring door de Commissie van het voorstel voor een besluit tot steunverlening;

– 2 maanden tussen de goedkeuring door de Commissie van het voorstel voor een besluit tot steunverlening uit het EFG en de goedkeuring ervan door de begrotingsautoriteit;

– 1 maand en een week tussen de goedkeuring door de begrotingsautoriteit van het besluit tot steunverlening uit het EFG en de uitbetaling van de financiële bijdrage door de Commissie(7).

Deze termijn legt een zware hypotheek op de aantrekkingskracht van het EFG voor de lidstaten, die de actieve arbeidsmarktmaatregelen prefinancieren zonder de afloop van de procedure te kennen. Hij verklaart ook ten dele de verschillen tussen het aantal werknemers waarvoor een EFG-bijdrage wordt gevraagd en het aantal effectief geholpen werknemers, omdat de ontslagen werknemers kunnen beslissen zich uit het arbeidscircuit terug te trekken of tijdens deze periode een nieuwe baan te zoeken. In uitzonderlijke gevallen kunnen deze verschillen de lidstaten er zelfs toe dwingen de toegekende bijdragen integraal terug te betalen indien achteraf blijkt dat de voorwaarde van het aantal werknemers niet is nagekomen.

Hoe kan de duur van de procedure voor het activeren van het EFG worden ingekort om een en ander aantrekkelijker te maken voor de lidstaten?

(1)

 Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering.

(2)

 Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering.

(3)

 De artikelen waaraan hier wordt gerefereerd zijn die van Verordening (EG) nr. 1927/2006.

(4)

  Beschikking 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie.

(5)

           Bron: Eurostat, gegevens 2007 voor het BNI per inwoner en 2008 voor de werkloosheidscijfers.

(6)

            EGF/2010/010, Unilever (Tsjechië).

(7)

           De totale termijn en de termijn voor de uitbetaling van de toegekende bijdrage gelden slechts voor de eerste 15 besluiten tot activering van het EFG; over de latere besluiten bestaan er geen gegevens. De andere twee termijnen zijn berekend op basis van alle goedgekeurde besluiten.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken(*) (25.6.2010)

aan de Begrotingscommissie

inzake de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(2010/2072(INI))

Rapporteur voor advies (*): Elisabeth Morin-Chartier

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies: artikel 50 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF) geen actieve arbeidsmarktmaatregelen oplegt aan een lidstaat die in het kader van een aanvraag voor het fonds moeten worden uitgevoerd maar daarentegen de omzetting van een gecoördineerd pakket persoonlijke diensten voor de herintegratie van werkloze werknemers in de arbeidsmarkt in de zin van artikel 3 van de EGF-verordening(1) verlangt, waardoor de lidstaten volledig flexibel blijven om maatregelen voor de overtollige werknemers aan te passen aan de lokale en individuele behoeften in elk specifiek geval waarin een beroep op het fonds wordt gedaan;

1.   herinnert eraan dat het sociaal en werkgelegenheidsbeleid tot de bevoegdheden van de lidstaten hoort en gecoördineerd wordt via de open coördinatiemethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van alle mogelijke synergiën om te zorgen voor een positieve ontwikkeling van de Unie in de context van de globalisering en om de uitdaging van sociale en beroepsmatige integratie in en tussen de lidstaten aan te gaan; herinnert er tevens aan dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF) een instrument is dat is ingevoerd om deze doelstelling te ondersteunen en werknemers in geval van massaontslagen hulp te bieden;

2.   dringt erop aan dat het EGF in de toekomst wordt voortgezet en wenst dat het in zijn herziene versie van 2009 nadrukkelijk wordt gecoördineerd met de herziening van het ESF na het volgende tussentijdse financiële kader, zodat met het fonds als noodinstrument op crisissituaties kan worden gereageerd;

3.   verzoekt de Commissie veranderingen voor te stellen in de EGF-verordening om de aanvraagprocedure op korte termijn zoveel mogelijk te versnellen, met als doel de middelen binnen een half jaar na ontslagen beschikbaar te stellen, onder meer door te bekijken of het mogelijk is de aanvraagprocedure te starten op het moment dat de ontslagen worden aangekondigd en niet pas wanneer deze hun beslag hebben gekregen, door de besluitvorming van de Commissie zoveel mogelijk te stroomlijnen en door procedures te standaardiseren; verzoekt de Commissie voorts ideeën te ontwikkelingen voor het volgende financiële kader met het oog op enerzijds de samenwerking met de lidstaten om fundamentele, op de toekomst gerichte veranderingen naar een duurzame economie en arbeidsmarkt te vergemakkelijken, en anderzijds snelle en flexibele ondersteuning te faciliteren voor werknemers die ontslagen zijn vanwege onverwachte schokken in de economie;

4.   herinnert de lidstaten eraan dat het belangrijk is onmiddellijk maatregelen te treffen om in te grijpen op de arbeidsmarkt, naast het indienen van een aanvraag voor het EGF;

5.   verzoekt de Commissie de lidstaten een aantal richtsnoeren te geven voor de opmaak en uitvoering van de aanvragen voor EGF-middelen, met als doel een snelle aanvraagprocedure en een brede consensus van de belanghebbenden over de te volgen strategie en de te nemen maatregelen voor een effectieve herintegratie van de werknemers in de arbeidsmarkt; doet een beroep op de lidstaten de procedure te bespoedigen door voorfinanciering van maatregelen die vanaf de datum van aanvraag moeten ingaan om aldus ten behoeve van de betrokken werknemers een maximaal gebruik te maken van de uitvoeringsperiode van het EGF;

6.   herinnert de lidstaten eraan dat zij verplicht zijn enerzijds de sociale partners van meet af aan bij de voorbereiding van de aanvragen te betrekken in overeenstemming met artikel 5 van de EGF-verordening, en anderzijds te voldoen aan artikel 9 van deze verordening, volgens welk de lidstaat informatie geeft over en bekendheid aan de gefinancierde acties en deze informatie ook tot de betrokken werknemers, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek moet zijn gericht, alsmede procedures te standaardiseren; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat ondernemingsraden worden ingeschakeld nog voordat een programma van start gaat, om te garanderen dat de sociale partners een werkelijke bijdrage leveren aan het opstellen van omschakelingsplannen die beantwoorden aan de behoeften van de werknemers en niet aan die van de bedrijven;

7.   dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat Richtlijn 2002/14/EG over de informatie en de raadpleging van de werknemers en Richtlijn 94/45 inzake de Europese ondernemingsraad correct worden uitgevoerd om de sociale partners alle instrumenten te geven om het voorgestelde ontslag- of saneringsplan te analyseren voordat het wordt aangekondigd, en hen zo in staat te stellen volledig hun rol te spelen;

8.   verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om aan de ESF-verordening de verplichting voor de lidstaten toe te voegen de participatie van een werknemersvereniging bij de implementatiefase van de EGF-verordening te ondersteunen; verzoekt de Commissie de uitwisseling van ervaringen en positieve praktijken inzake de participatie van werknemers bij de implementatie van het EGF te organiseren, zodat werknemers in bestaande en nieuwe gevallen kunnen profiteren van de ervaringen die in voorgaande gevallen zijn opgedaan;

9.   verzoekt de lidstaten op nationaal niveau een communicatie- en beheerstructuur van het EGF op te zetten, die in verbinding staat met alle betrokkenen, in het bijzonder de sociale partners, en positieve praktijkervaringen op Europees niveau uit te wisselen, waardoor het fonds snel en doeltreffend in werking kan treden als er massaontslagen vallen;

10. herinnert eraan dat volgens Verordening (EG) nr. 1927/2006 verschillende landen gezamenlijk een steunaanvraag bij het EGF kunnen indienen wanneer getroffen werknemers in een geografische regio of een bepaalde bedrijfstak niet beperkt zijn tot één lidstaat;

11. verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen over een zodanige wijziging van de EGF-verordening dat alle werknemers die ontslagen zijn vanwege dezelfde gebeurtenis, in alle sectoren en regio's, bij de maatregelen betrokken kunnen worden;

12. verzoekt de Commissie mogelijke oplossingen te bekijken om de scheiding tussen enerzijds ontslagen werknemers die in aanmerking komen voor maatregelen uit het EGF-fonds en anderzijds andere werknemers op hetzelfde gebied op te heffen;

13. verzoekt de lidstaten die door het EGF worden begunstigd de efficiency bij de uitvoering te verbeteren en bij de dienstverlening aan ontslagen werknemers een individuele en sociale benadering te volgen en verdere opleiding en heropleiding te stimuleren, vooral bij massaontslagen, om de kansen van werknemers te verbeteren op een arbeidsmarkt die een grondige herstructurering doormaakt; verzoekt hen tevens ervoor te waken dat de regelgeving voor nationale implementatie de uitvoering van het fonds niet beperkt; verzoekt de lidstaten en plaatselijke autoriteiten alles te doen wat in hun macht ligt om plaatsen die de nadelige gevolgen van een bedrijfsverplaatsing hebben ondervonden weer nieuwe impulsen te geven om de economische bedrijvigheid in het gebied in stand te houden, daarbij bedenkend dat het EGF alleen maatregelen financiert voor de werknemers; beveelt met het oog hierop de lidstaten aan de uitwisseling van positieve praktijkervaringen op te voeren en daarbij met name gebruik te maken van Progress en meer in het bijzonder het nieuwe instrument voor microfinanciering;

14. is ingenomen met de conclusies van de Raad over nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen en onderstreept dat het EGF de lidstaten extra middelen toekent voor de opleiding van ontslagen werknemers voor toekomstgerichte banen en grotere mobiliteit;

15. spoort de lidstaten aan het EGF te gebruiken om Europese doelstellingen na te streven, nieuwe kwalificaties voor nieuwe, duurzame en groene banen van hoge kwaliteit in een bepaalde regio te bevorderen en ondernemerschap en levenslang leren te stimuleren, om de werknemers in staat te stellen hun persoonlijke loopbaan te volgen en bij te dragen aan het concurrentievermogen van de Unie in de context van de globalisering;

16. verzoekt de lidstaten met behulp van het EGF synergieën te creëren tussen het EGF, het ESF en microfinanciering, om een optimale en aan elk afzonderlijk geval aangepaste maatregel te vinden;

17. spoort de lidstaten aan maatregelen te nemen in overeenstemming met de EGF-verordening die de mobiliteit van de werknemers bevorderen indien de vooruitzichten op werk in de desbetreffende regio ongunstig zijn;

18. wijst erop dat in de context van de globalisering het Europese concurrentievermogen in de toekomst alleen gewaarborgd kan worden als er gerichte inspanningen worden gedaan om een maximale massa aan kwalificaties onder de werknemers in de EU te creëren; meent dat het EGF daarom ook moet bijdragen aan constructieve overbrugging van periodes van werkeloosheid via intensieve opleidings- en omscholingsmaatregelen;

19 wijst de ondernemingen op hun sociale verantwoordelijkheid om alles in het werk te stellen om te zorgen dat de werknemers voor het begin van een periode van werkloosheid hun verworven ervaring en opleidingsresultaten kunnen laten certificeren, zodat zij zich zo snel en gericht mogelijk kunnen omscholen en een stabiele, “goede” baan met vooruitzichten kunnen vinden in een sector met kansen voor de toekomst;

20. constateert grote verschillen tussen de dossiers, vanwege de uiteenlopende situatie in elke lidstaat; verzoekt daarom de Commissie een voorstel te formuleren voor een grotere flexibiliteit bij de toepassing van de interventiecriteria per lidstaat om de behandeling van aanvragen beter aan te passen aan de economische bijzonderheden van een land, en daarbij een eventuele uitbreiding van de referentieperiode en de parameters van de ondernemingen te evalueren en tegelijk verschillen tussen de lidstaten in de mogelijkheden toegang tot dit instrument te krijgen, te vermijden;

21. meent dat de lidstaten bij de uitvoering van het EGF verplicht moeten worden maatregelen te nemen die garanderen dat de niet-ingezetenen onder de werknemers die in aanmerking komen voor uit het EGF gefinancierde maatregelen, de mogelijkheid hebben van deze middelen gebruik te maken;

22. verzoekt de Commissie tijdens de fase van de uitvoering van de maatregelen ook de lidstaten, de sociale partners en de werknemers assistentie te bieden;

23. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er geen concurrentievervalsing ontstaat, door te stimuleren dat de plichten van ondernemingen op het gebied van bedrijfsontslagen in de Unie gelijk komen te liggen;

24. legt er in het bijzonder de nadruk op dat de Commissie en de lidstaten nauw moeten samenwerken om effectief toezicht uit te oefenen op de steun die wordt gegeven aan multinationale ondernemingen, en te zorgen voor degelijke investeringen in nieuwe banen waaraan rechten zijn verbonden, om sociale dumping te ontmoedigen;

25. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat haar beleid en instrumenten coherent zijn, om de mogelijkheid uit te sluiten dat de groei- en concurrentiedoelstellingen in strijd zijn met doelstellingen voor de werkgelegenheid, cohesie en sociale integratie;

26. verzoekt de Commissie in haar jaarverslag statistieken voor te leggen over de doeltreffendheid van het EGF en over opleidingsstrategieën om mensen weer aan het werk te krijgen, met een analyse van de impact van de structuur van de arbeidsmarkt op die doeltreffendheid;

27. benadrukt dat de Commissie, in een periode van schaarse financiële middelen, de doeltreffendheid en duurzaamheid van de uit het EGF gefinancierde maatregelen moet evalueren in samenwerking met de lidstaten; merkt op dat er voor dit doel gestandaardiseerde criteria moeten worden ontwikkeld, zoals voltooiing van nieuwe kwalificaties, succes met het vinden van een nieuwe baan en de duur van het nieuwe arbeidscontract;

28. verzoekt de Commissie onverwijld een verslag in te dienen over het gebruik van het fonds voor de aanpassing aan de globalisering waaruit met name blijkt hoe de middelen precies zijn gebruikt en in welke verhouding de ingezette middelen tot de steunmaatregelen op nationaal en bedrijfsniveau staan; verzoekt de Commissie eerste conclusies te trekken uit dit verslag en met spoed voorstellen voor verbetering van het fonds voor te leggen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.6.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

1

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Pervenche Berès, Mara Bizzotto, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Sergio Gaetano Cofferati, Marije Cornelissen, Proinsias De Rossa, Frank Engel, Sari Essayah, Richard Falbr, Ilda Figueiredo, Thomas Händel, Marian Harkin, Roger Helmer, Nadja Hirsch, Liisa Jaakonsaari, Martin Kastler, Ádám Kósa, Jean Lambert, Veronica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Rovana Plumb, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Elisabeth Schroedter, Georgios Stavrakakis, Jutta Steinruck

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georges Bach, Raffaele Baldassarre, Julie Girling, Dieter-Lebrecht Koch, Jan Kozłowski, Ria Oomen-Ruijten, Csaba Sógor

(1)

Verordening (EG) 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009.


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (29.6.2010)

aan de Begrotingscommissie

inzake de financiering en de werking van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(2010/2072(INI))

Rapporteur voor advies: Sharon Bowles

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie de volgende suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Commissie onverwijld een verslag over het gebruik van het Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) in te dienen waaruit met name blijkt in welke mate de middelen precies zijn gebruikt ter ondersteuning van mensen die hun baan zijn kwijtgeraakt ten gevolge van de economische crisis en in welke verhouding de ingezette middelen staan tot de steunmaatregelen op nationaal en bedrijfsniveau; verzoekt de Commissie eerste conclusies uit dit verslag te trekken en voorstellen te formuleren voor de toekomst van het fonds;

2.  benadrukt de belangrijke rol die de EU-structuurfondsen samen met de EIB-leningen en -initiatieven spelen bij het verschaffen van investeringskapitaal aan Europese bedrijven, inclusief het MKB, en dat zij op die manier, samen met het EFG, bijdragen aan de heropleving van de industriële basis van de Unie;

3.  verzoekt de Commissie criteria in te voeren waarmee de toekenning van steun uit het EFG prioritair wordt gekoppeld aan herstructureringsmaatregelen die het behoud en het scheppen van banen waarborgen, levenslang leren steunen, waardoor zowel de werknemers als de plaatselijke economieën concurrerender worden, en een terugkeer aanmoedigen naar een uit milieuoogpunt duurzame en maatschappelijk evenwichtige ontwikkeling in de betrokken regio's; verzoekt de Commissie tevens de criteria te herzien ten einde rekening te houden met de omvang van de beroepsbevolking in de betrokken regio, in plaats van alleen te kijken naar een absoluut aantal geschrapte banen;

4.  verzoekt de Commissie de criteria voor het gebruik van het EFG op voornoemde voorwaarden te herzien en de aanvraagprocedure, waar nodig, aanzienlijk te vereenvoudigen;

5.  verzoekt de Commissie de toekomstige behoeften van het financieel kader van het EFG te beoordelen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.6.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Sharon Bowles, Udo Bullmann, Pascal Canfin, George Sabin Cutaş, Leonardo Domenici, Derk Jan Eppink, Markus Ferber, Vicky Ford, José Manuel García-Margallo y Marfil, Jean-Paul Gauzès, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Liem Hoang Ngoc, Gunnar Hökmark, Othmar Karas, Jürgen Klute, Werner Langen, Astrid Lulling, Arlene McCarthy, Ivari Padar, Antolín Sánchez Presedo, Edward Scicluna, Peter Simon, Peter Skinner, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Marta Andreasen, Sophie Auconie, Elena Băsescu, Pervenche Berès, Sari Essayah, Ashley Fox, Danuta Maria Hübner, Danuta Jazłowiecka, Philippe Lamberts, Olle Ludvigsson, Sirpa Pietikäinen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Bendt Bendtsen, Gesine Meissner, Marit Paulsen, Britta Reimers, Joachim Zeller


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.7.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

9

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marta Andreasen, Reimer Böge, Lajos Bokros, Giovanni Collino, Andrea Cozzolino, Isabelle Durant, James Elles, Göran Färm, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazábal Rubial, Salvador Garriga Polledo, Jens Geier, Ivars Godmanis, Ingeborg Gräßle, Carl Haglund, Jiří Havel, Monika Hohlmeier, Sergej Kozlík, Jan Kozłowski, Alain Lamassoure, Giovanni La Via, Vladimír Maňka, Barbara Matera, Claudio Morganti, Miguel Portas, Dominique Riquet, László Surján, Helga Trüpel, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

François Alfonsi, Maria Da Graça Carvalho, Frédéric Daerden, Peter Jahr, Riikka Manner, Georgios Stavrakakis, Theodor Dumitru Stolojan

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Lucas Hartong

Juridische mededeling - Privacybeleid