Procedure : 2009/2231(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0280/2010

Ingediende teksten :

A7-0280/2010

Debatten :

PV 13/12/2010 - 20
CRE 13/12/2010 - 20

Stemmingen :

PV 14/12/2010 - 9.16
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0468

VERSLAG     
PDF 184kWORD 102k
7.10.2010
PE 442.903v02-00 A7-0280/2010

over goed bestuur met betrekking tot het regionaal beleid van de EU: steun- en controleprocedures van de Europese Commissie

2009/2231(INI).

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur voor advies: Ramona Nicole Mănescu

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over goed bestuur met betrekking tot het regionaal beleid van de EU: steun- en controleprocedures van de Europese Commissie

2009/2231(INI).

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op de artikelen 174 tot en met 178,

–   gezien het voorstel van de Commissie van 28 mei 2010 inzake een herziening van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Unie (COM(2010)0260),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 oktober 2008 over governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en als basis voor projecten op het gebied van regionaal beleid(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 juni 2010 over transparantie in het regionaal beleid en de financiering ervan(3),

–   gezien het witboek van het Comité van de regio's van 17 en 18 juni 2009 over bestuur op verschillende niveaus en het raadplegingsverslag,

–   gezien de conclusies van de informele bijeenkomst van ministers die op 16 en 17 maart 2010 heeft plaatsgevonden in Málaga,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 6 september 2004 over "De respectieve verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie bij het gezamenlijk beheer van de structuurfondsen en het Cohesiefonds - Stand van zaken en vooruitzichten voor de nieuwe programmeringsperiode na 2006", COM(2006)580,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 14 mei 2008 over "De resultaten van de onderhandelingen betreffende de cohesiebeleidsstrategieën en -programma's voor de programmeringsperiode 2007-2013" (COM(2008)0301),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaren 2006 en 2008,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2008 over het "Actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties" (COM(2008)0097),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 februari 2009 over het "Actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties" (COM(2009)0042),

–   gezien de mededeling van 28 oktober 2009 van de Commissarissen Samecki en Špidla aan de Commissie met een tussentijds verslag over de maatregelen naar aanleiding van het actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties (SEC(2009)1463),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 18 februari 2010 over het "Actieplan ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van structurele acties" (COM(2010)0052),

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0280/2010),

A. overwegende dat het cohesiebeleid voornamelijk gedecentraliseerd ten uitvoer wordt gelegd op basis van subnationale autoriteiten die zich er verantwoordelijk voor stellen,

B.  overwegende dat het cohesiebeleid in het kader van de tenuitvoerlegging van bestuur op verschillende niveaus een voortrekkersrol speelt als instrument ter verbetering van de kwaliteit van het besluitvormingsproces via het actief betrekken van subnationale instanties vanaf de aan wetgeving voorafgaande fase van de onderhandelingen,

C. overwegende dat “bestuur op een aantal niveaus” inhoudt dat Unie, lidstaten, plaatselijke en regionale autoriteiten en sociaaleconomische partners en ngo’s op basis van de beginselen van partnerschap en medefinanciering en gericht op formulering en tenuitvoerlegging van beleid van de Europese Unie gecoördineerd optreden; deze definitie betekent dat de verantwoordelijkheid wordt gedeeld door de verschillende bestuurslagen,

D. overwegende dat uit het verslag van de Europese Rekenkamer van 2006 bleek – met een foutenpercentage van12% in de terugbetaalde uitgaven – dat de controlesystemen voor het cohesiebeleid niet effectief genoeg waren, en dat deze gegevens in het verslag over 2008 zijn bevestigd met 11% van de kredieten onterecht terugbetaald,

E.  overwegende dat de Commissie haar toezichthoudende rol moet uitbreiden om het foutenpercentage terug te dringen, het controlesysteem te verbeteren en de hulp aan subnationale instanties en begunstigden op te voeren, hetgeen op lange termijn zal uitmonden in meer op resultaten gericht, gebruikersvriendelijk beleid,

F.  overwegende dat de kredietaanvragen die te ingewikkeld zijn en een buitensporig aantal controles eventueel begunstigden van het cohesiebeleid waarschijnlijk ontmoedigen,

G. overwegende dat de praktische oplossingen die onze medeburgers op het gebied van overheidsdiensten (zoals openbaar vervoer, drinkwater, volksgezondheid, sociale woningbouw en onderwijs) verwachten, alleen kunnen worden bereikt door middel van goed bestuur gevormd door twee elkaar aanvullende systemen: enerzijds het institutionele systeem, met de verdeling van de bevoegdheden en de begrotingsmiddelen tussen de staat en de regionale en plaatselijke autoriteiten, en anderzijds het partnerschapssysteem, waarin alle openbare en particuliere spelers worden samengebracht die zich op een bepaald grondgebied bezighouden met hetzelfde thema,

H. overwegende dat partnerschappen rekening moeten houden met alle relevante gemeenschappen en groeperingen, van voordeel kunnen zijn en een toegevoegde waarde kunnen hebben bij de tenuitvoerlegging van cohesiebeleid in de vorm van een breder draagvlak, gewaarborgde transparantie en een betere benutting van middelen, en dat bij de beoordeling daarvan ook recht moet worden gedaan aan de sociale en maatschappelijke waarde die zij vertegenwoordigen,

I.   overwegende dat in het kader van een geïntegreerd aanpak om plaatselijke en regionale problemen op te lossen moet worden gelet op de bijzondere kenmerken van de regio’s (geografische en natuurlijke nadelen, ontvolking, perifere regio’s, enz.),

Tenuitvoerlegging van multi-level bestuur

1.  spreekt zijn waardering uit voor het witboek van het Comité van de regio's over bestuur op verschillende niveaus en de erkenning van subnationale subsidiariteit in het Verdrag van Lissabon; stelt met nadruk dat de multi-levelaanpak niet alleen verticaal maar ook horizontaal moet worden toegepast tussen partijen die op hetzelfde niveau staan, in alle vormen van Unitair beleid, met inbegrip van het cohesiebeleid, die onder gedeelde verantwoordelijkheid worden uitgevoerd;

2.  spreekt zijn waardering uit voor de conclusies van de informele ministersbijeenkomst die in maart 2010 in Málaga is gehouden, en acht bestuur op verschillende niveaus een voorwaarde voor verwezenlijking van territoriale samenhang in Europa; dringt erop aan dat dit beginsel voor de lidstaten verplicht wordt gestel in beleidssectoren met ingrijpende territoriale gevolgen, om te zorgen voor een evenwichtige territoriale ontwikkeling overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel; wijst erop dat deze bepaling geenszins mag leiden tot bezwaarlijker procedures;

3.  is van mening dat bevredigend meerlagig bestuur gebaseerd moet zijn op een benadering van onderaf, rekening houdend met de verscheidenheid van bestuursrechtelijke regelingen die in de lidstaten bestaan, verzoekt de lidstaten de meest doelmatige manier te bepalen om meerlagig bestuur ten uitvoer te leggen en hun samenwerking met de regionale en plaatselijke instanties en met het bestuur van de Gemeenschap te verbeteren door bij voorbeeld ambtenaren uit alle bestuurslagen uit te nodigen voor de door de Commissie met regelmatige tussenpozen georganiseerde bijeenkomsten of door Europese territoriale pacten in te voeren die de uiteenlopende bestuurslagen op vrijwillige basis met elkaar verbinden;

4.  beveelt aan de territoriale effectbeoordelingen tot standaardmethode te verheffen door de verschillende relevante actoren vóórdat het beleidsbesluit wordt genomen te betrekken om een beter inzicht te krijgen in de economische, sociale en milieugevolgen van communautaire voorstellen van wetgevende en niet-wetgevende aard voor regio’s;

5.   wijst erop dat door bestuur op verschillende niveaus de mogelijkheden van territoriale samenwerking beter kunnen worden benut dankzij de betrekkingen die partijen uit de particuliere en overheidssector over grenzen heen ontwikkelen; dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan zo spoedig mogelijk de bepalingen aan te nemen die nodig zijn om Europese groeperingen voor territoriale samenwerking op te kunnen zetten; spreekt de aanbeveling uit dat de Commissie in het kader van de bestaande programma's de uitwisseling van gegevens bevordert tussen reeds opgerichte EGTS en EGTS die momenteel worden opgezet; spreekt zijn waardering uit voor de kwaliteit van het werk van het Comité van de Regio's met betrekking tot de EGTS en dringt erop aan dat het alle beschikbare instrumenten waarover het beschikt, met name het Monitoringplatform voor Lissabon en het Monitoringnetwerk subsidiariteit, gebruikt ter bevordering van de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen regio’s en lidstaten om gezamenlijk doelen te bepalen , vervolgens maatregelen te plannen en ten slotte om de resultaten van het cohesiebeleid aan een vergelijkende beoordeling te onderwerpen;

6.  roept de nationale, regionale en plaatselijke instanties ertoe op om tijdens de nu lopende programmeringsperiode intensiever gebruik te maken van de geïntegreerde aanpak; stelt voor deze aanpak verplicht te stellen in het kader van het toekomstige cohesiebeleid; is van mening dat bij een geïntegreerde en flexibele aanpak niet alleen rekening moet worden gehouden met de economische, sociale en milieuaspecten van de ontwikkeling van het grondgebied, maar dat met deze aanpak ook de belangen van de diverse betrokken spelers met elkaar moeten kunnen worden verzoend, gelet op de territoriale kenmerken, om de plaatselijke en regionale uitdagingen te kunnen aangaan;

7.  verzoekt de Commissie met klem voor gebruikers uit de particuliere en overheidssector een gids op te stellen over de manier waarop de beginselen van bestuur op verschillende niveaus en de geïntegreerde aanpak in de praktijk moeten worden toegepast; spreekt de aanbeveling uit dat maatregelen ter bevordering van deze twee benaderingen worden gefinancierd in het kader van de technische bijstand uit hoofde van het EFRO;

8.  spreekt de aanbeveling uit dat het Comité van de regio's de Open Dagen 2011 en, voor zover in deze fase nog mogelijk, de Open Dagen 2010 gebruikt als gelegenheid om de gedachtewisseling over bepaling van de meest adequate manier om bestuur op verschillende niveaus te bevorderen, te bevorderen en te verdiepen; geeft in overweging met ingang van 2011 in alle regio's van de Europese Unie een Europees etiket voor bestuur op verschillende niveaus te introduceren;

9.  stelt vast dat de gedecentraliseerde uitvoeringsmechanismen een centrale factor voor meerlagig bestuur vormen; verzoekt de lidstaten en de regio's, daar vereenvoudiging noodzakelijk is, de tenuitvoerlegging van een deel van de operationele programma's wanneer zulks wenselijk is te delegeren en met name de globale subsidies beter in te zetten; verzoekt hen de vereiste decentraliseringsmaatregelen op wetgevend en begrotingsniveau te nemen, zodat het stelsel van meerlagig bestuur doelmatig kan werken overeenkomstig de beginselen van partnerschap en subsidiariteit; wijst erop dat regionale en plaatselijke instanties, met name wanneer zij wetgevende bevoegdheden hebben, nauwer moeten worden betrokken, daar zij het best op de hoogte zijn van de mogelijkheden en behoeften van hun regio’s, waardoor zij een bijdrage kunnen leveren tot verbeterde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid;

10. verzoekt de lidstaten desbetreffende regionale en plaatselijke instanties en maatschappelijke organisaties vanaf de zeer vroege stadia van onderhandelingen over Uniewetgeving en over programma's die in aanmerking komen voor kredieten uit de structuurfondsen hierbij te betrekken om een tijdige dialoog mogelijk te maken tussen de verschillende lagen van bestuur; dringt erop aan dat deze instanties op voet van gelijkheid met de nationale vertegenwoordigers deel vormen van de verantwoordelijke besluitvormingsorganen;

11. benadrukt dat er voor de doelmatige besteding van kredieten en om zo veel mogelijk effect te sorteren op EU-niveau en op regionaal en plaatselijk vlak voldoende overheidscapaciteit moet bestaan; verzoekt de Commissie dan ook haar bestuurlijke capaciteit op te voeren ter vergroting van de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid en ter waarborging van de duurzaamheid van de maatregelen, en verzoekt de lidstaten te zorgen voor op hun taak berekende bestuursstructuren en personeel voor wat betreft aanwerving, beloning, opleiding, middelen, procedures, doorzichtigheid en toegankelijkheid;

12. verzoekt de lidstaten, zo nodig, eveneens de rol uit te breiden die regionale en plaatselijke instanties spelen bij opstelling, beheer en tenuitvoerlegging van programma's en de middelen op te voeren die hun hiervoor ter beschikking staan; spreekt de aanbeveling uit dat in het cohesiebeleid de methode voor plaatselijke ontwikkeling wordt aangenomen die gebaseerd is op plaatselijke samenwerkingsverbanden, met name voor projecten in verband met stedelijke, plattelands- en grensoverschrijdende problemen; verzoekt de Commissie om aanmoediging van samenwerkingsverbanden tussen regio’s met soortgelijke specifieke ontwikkelingsmogelijkheden, en ervoor te zorgen dat er op EU-niveau een adequaat kader bestaat voor de coördinatie van macroregionale samenwerking;

13. is van mening dat subnationale overheden bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid door de beginselen van partnerschap en medefinanciering worden aangemoedigd hun verantwoordelijkheden op zich te nemen; wijst er nogmaals op dat het wenst vast te houden aan deze beginselen van behoorlijk beheer en dringt erop aan dat deze gehandhaafd blijven ondanks de beperking van de overheidsuitgaven tengevolge van de economische crisis;

14. spreekt de aanbeveling uit de samenwerking uit te breiden en verzoekt de Commissie met klem een definitie van het concept samenwerkingsverband voor te stellen waarover overeenstemming bestaat, als voorwaarde voor het opzetten van werkelijke samenwerkingsverbanden met regionale en plaatselijke instanties en met maatschappelijke organisaties ; verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van dit beginsel nauwgezet te controleren door specifieke evaluatie-instrumenten te ontwikkelen en met behulp van ICT-instrumenten optimale werkmethoden in deze sector te verspreiden; wijst er andermaal op dat partnerschappen de effectiviteit, de doelmatigheid, het draagvlak en de transparantie in alle stadia van de programmering en tenuitvoerlegging van de structuurfondsen kunnen bevorderen en de betrokkenheid bij en de eigen inbreng in de resultaten van de programma's kunnen vergroten; wijst op de belangrijke rol die de inzet van vrijwilligers in het samenwerkingsproces speelt;

15. wijst op de verplichting het brede publiek en de maatschappelijke organisaties en ngo’s te raadplegen, zodat hun voorstellen tot uitdrukking komen en benadrukt dat de deelname van het maatschappelijk middenveld ertoe bijdraagt dat draagvlak voor het besluitvormingsproces wordt gecreëerd; stelt vast dat de maatregelen om de burgers te betrekken bij de voorbereiding van de operationele programma’s voor de periode 2007-2013, niet de verhoopte resultaten hebben opgeleverd; roept de Commissie er toe op goede werkmethoden te definiëren om de toepassing daarvan mogelijk te maken, ten einde de participatie van de burgers in de aanloop naar de volgende programmeringsperiode te vergroten;

16. dringt erop aan het beginsel van bestuur op verschillende niveaus op te nemen in alle stadia van ontwerp en tenuitvoerlegging van de EU2020-strategie om ervoor te zorgen dat de regionale en plaatselijke instanties die de strategie ten uitvoer moeten leggen er werkelijk achter staan; wijst in dit verband nogmaals op het voorstel voor een territoriaal pact van lokale en regionale overheden over de Europa 2020-strategie met als doel de regio's en gemeenten ertoe aan te zetten bij te dragen tot het welslagen van de verwezenlijking van de doelen van de 2020-strategie;

17. spreekt de aanbeveling uit dat de Commissie opnieuw de mogelijkheden analyseert van tenuitvoerlegging van het op initiatief van het Europees Parlement gestarte proefproject “Erasmus voor lokale en regionale afgevaardigden “ en verzoekt de Commissie, om de norm van voorgestelde projecten te verhogen en de nagestreefde doelmatigheid te verwezenlijken, met gebruikmaking van kredieten uit de begrotingslijn EFRO —Operationele technische bijstand, een opleidings- en mobiliteitsprogramma ten uitvoer te leggen voor personen die op plaatselijk en regionaal niveau betrokken zijn bij de uitvoering van cohesieprogramma’s in samenwerking met partners die gespecialiseerd zijn in uitvoering van de concepten van geïntegreerde aanpak en meerlagig bestuur; verzoekt de Commissie derhalve voor deze initiatieven daadwerkelijk kredieten toe te wijzen en de vorming van netwerken met regionale en plaatselijke instanties op te voeren, o.m. via het Comité van de Regio's;

18. is van mening dat de Europese netwerken van regio’s hun activiteiten op het gebied van goede werkmethoden op het gebied van bestuur en partnerschap moeten uitbreiden, meer de nadruk moeten leggen op de politieke en strategische lering die uit eerdere programmacycli is getrokken en algemene toegang tot projecten voor de uitwisseling van belangrijke informatie over optimale werkmethoden in alle EU-talen moeten waarborgen, en er aldus toe bijdragen dat goede werkmethoden ook daadwerkelijk worden toegepast;

Uitbreiding van de rol van de Commissie bij de ondersteuning van regionale en plaatselijke instanties

19. is van mening dat een uitgebreidere rol voor het regionale en plaatselijke niveau gepaard moet gaan met uitbreiding van de toezichthoudende rol van de Commissie, en dat deze zich daarbij veeleer moet concentreren op de controle van boekhoudkundige controlesystemen dan van afzonderlijke projecten; dringt in dit verband aan op een EU-stelsel van certificering van nationale controle-instanties; verzoekt de Commissie met klem de goedkeuring af te ronden van de conformiteitsbeoordelingen om vertraging van betalingen en verlies van kredieten ten gevolge van annulering te voorkomen, en vóór 2012 een voorstel in te dienen over het aanvaardbare foutenrisico;

20. is verheugd over de bevindingen in het Commissieverslag van februari 2010 over het actieprogramma en de corrigerende en preventieve maatregelen die tot dusverre zijn genomen; verzoekt DG REGIO deze aanpak gedurende de gehele tenuitvoerleggingsperiode voort te zetten om de stuwkracht die door het actieprogramma is opgewekt te behouden;

21. wijst erop dat de Europese initiatieven op het gebied van cohesie- en structuurbeleid beter moeten worden gecoördineerd om de samenhang van het regionaal beleid niet in gevaar te brengen; dringt derhalve aan op meer coördinatie binnen de Commissie onder leiding van het Directoraat-generaal REGIO dat verantwoordelijk is voor het cohesie- en structuurbeleid, en met deelname van de directoraten-generaal die bevoegd zijn voor de daarmee samenhangende sectoriële initiatieven; dringt er, daar de rechten van regionale en lokale autoriteiten door het Verdrag van Lissabon zijn uitgebreid, op aan deze overheden nauwer te betrekken bij de formulering van het beleid op Commissieniveau, ten einde de verantwoordelijkheid op het niveau van de projectleiders te vergroten; dringt er echter op aan dat de Commissie de resultaten ter plaatse scherper controleert om de doelmatigheid van de structuren van het project en van de maatregelen beter te evalueren ten opzichte van de gestelde doelen;

22. verzoekt de Commissie om uitbreiding van het initiatief voor de opleiding van instructeurs ten behoeve van beheers- en certificeringsautoriteiten; benadrukt dat er voortdurend op moet worden toegezien dat de inhoud van de opleiding daadwerkelijk op evenwichtige wijze, zonder de plaatselijke partijen te veronachtzamen, wordt doorgegeven naar de lagere niveaus;

23. verzoekt de Commissie snel de nieuwe portaalsite in het gegevensbestand SFC 2007 op te starten, waardoor de ter zake dienende gegevens rechtstreeks toegankelijk zijn voor alle partijen die met structuurfondsen te maken hebben; spreekt de aanbeveling uit dat de lidstaten het mogelijk maken dat gegevens over dit instrument worden verspreid onder regionale en plaatselijke instanties en onder de uiteindelijke begunstigden;

24. verzoekt de Commissie aanvullende mechanismen voor technische bijstand op te zetten ter bevordering van de regionale en plaatselijke kennis van problemen in verband met de tenuitvoerlegging, met name in de lidstaten waar volgens de beoordeling achteraf van de programma's voor cohesiebeleid voor de periode 2000-2006 van de Commissie duidelijk problemen op het gebied van bestuurlijke capaciteit blijven bestaan voor wat betreft de tenuitvoerlegging van de programma’s van het cohesiebeleid;

25. verzoekt om genormaliseerde toepassing van het SISA-model voor verstrekking van gegevens en boekhoudkundige controle op alle controleniveaus, ter voorkoming van dubbele en overbodige controles; verzoekt de Commissie één enkele handleiding voor boekhoudkundige controle uit te geven met alle tot dusverre opgestelde richtsnoeren;

26. verzoekt de lidstaten verder de mogelijkheden af te tasten die instrumenten van nieuwe financieringstechnieken bieden als methode om de kwaliteit van projecten op te voeren en om ervoor te zorgen dat meer particuliere partijen, met name MKB, aan Europese projecten deelnemen; verzoekt de Commissie de voorschriften voor de werking van deze instrumenten te vereenvoudigen, omdat het gebruik momenteel wordt beperkt door de ingewikkeldheid ervan;

27. is ervan overtuigd dat naleving van de procedures niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de acties; verzoekt de Commissie in de toekomst een meer op resultaten gericht beleid te voeren, dat veeleer gericht is op hoogwaardige dienstverlening en strategische ontwikkeling van projecten dan op controles; verzoekt de Commissie met het oog hierop in de hele Unie vergelijkbare objectieve en meetbare indicatoren te ontwikkelen om betere controle- en beoordelingsstelsels op te zetten en zich nader te beraden op de noodzaak van soepele regelgeving wanneer zich economische crises voordoen;

28. wijst er met nadruk op dat doorzichtige en heldere procedures elementen van behoorlijk bestuur vormen; spreekt dan ook zijn waardering uit voor de huidige vereenvoudiging van het Financieel Reglement en van de voorschriften betreffende de structuurfondsen en verzoekt de lidstaten de eisen van het herziene Financieel Reglement volledig na te leven en gegevens bekend te maken over de eindbegunstigden van de structuurfondsen; verzoekt de Commissie met klem begrijpelijke voorschriften voor te stellen die niet veelvuldig hoeven te worden aangepast; verzoekt om een eenvoudiger opzet van de fondsen na 2013, niet als uitvloeisel van de economische crisis maar als algemeen beginsel van het toekomstige cohesiebeleid , ten einde de besteding van de kredieten te vergemakkelijken, en beveelt meer doorzichtigheid en soepelheid aan in verband met het gebruik van EU-kredieten om te voorkomen dat er extra administratieve beslommeringen ontstaan waardoor eventuele partners ervan worden weerhouden aan de projecten deel te nemen;

29. spreekt zijn waardering uit voor het strategisch verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de programma’s voor 2010 van het cohesiebeleid , aangezien door middel daarvan belangrijke gegevens kunnen worden teruggekoppeld naar het beleidsvormingsproces; is van mening dat er tijdens de opstelling van voorstellen tot verbetering van de tenuitvoerlegging van de programma's van het cohesiebeleid ernstig rekening moet worden gehouden met de bevindingen in dit verslag;

30. herhaalt dat het zich inzet voor een krachtig en naar behoren gefinancierd cohesiebeleid waardoor wordt gewaarborgd dat alle regio’s in de Europese Unie zich harmonieus ontwikkelen; verlangt dat de financiële middelen voor dit beleid na 2013 worden gehandhaafd en dat alle pogingen om het te hernationaliseren worden afgewezen;

31. verzoekt de Commissie de beginselen differentiatie en evenredigheid op te nemen in toekomstige verordeningen en de eisen aan te passen aan de omvang van programma's en de aard van partners, met name als het kleine overheidsinstanties betreft; verzoekt om ruimere inzet van bedragen ineens en forfaitaire betalingen in alle fondsen, met name voor vaste bedrijfskosten en technische bijstand; stelt ter aanmoediging soepeler beoordelingsnormen voor innovatieve projecten voor en minder strenge controle-eisen voor proefprojecten; moedigt de Commissie aan het beginsel van de "vertrouwensovereenkomst" met de lidstaten die zich inzetten en erin slagen te zorgen voor goed gebruik van de kredieten, tot ontwikkeling te brengen;

32. dringt, met het oog op de totstandbrenging van een meer gebruikersvriendelijk beleid in de toekomst, aan op meer harmonisering en integratie van de voorschriften voor structuurfondsen, waardoor wordt voorkomen dat een project wordt opgesplitst in een aantal delen die onder verschillende fondsen vallen; spreekt de aanbeveling uit dat de nadruk niet alleen wordt gelegd op de regelmatigheid van de uitgaven maar op de kwaliteit van de acties, en dat de middelen vooral worden ingezet voor versterking van de bijstand aan de zijde van de bedrijfsleiding;

33. verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk voorstellen in te dienen voor de verordeningen voor de volgende programmaperiode, de uitvoeringsverordening aan te nemen, de noodzakelijke richtsnoeren op te stellen en tijdig te zorgen voor instructie hierover, en het proces van onderhandelingen over en goedkeuring van de operationele programma’s te vergemakkelijken om vertraging in de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en de besteding van kredieten na 2013 te voorkomen;

34. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1)

PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.

(2)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0492.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0201.


TOELICHTING

Door decentralisatie van de macht in een aantal lidstaten hebben regionale en lokale autoriteiten in de afgelopen decennia veel meer bevoegdheden gekregen in de uitvoering van het communautaire beleid.

Nu door het Hervormingsverdrag – ten behoeve van het beleid van gedeelde bevoegdheden – het beginsel van subnationale subsidiariteit in het Gemeenschapsrecht is opgenomen, kunnen regionale autoriteiten nauwer betrokken worden bij het beleidsvormingsproces, zowel in de ontwerpfase als bij de uitvoering van het beleid en als volwaardige partners in de verwezenlijking van de communautaire doelen.

Deze belangrijke stap in de richting van beter bestuur op verschillende niveaus, biedt een antwoord op de herhaalde verzoeken van het Parlement om de subnationale autoriteiten meer bij het ontwerp van het beleid te betrekken, waarbij steeds de verschillende nationale constitutionele middelen moeten worden gerespecteerd.

De doeltreffendheid van de uitvoering van het beleid hangt in belangrijke mate af van de manier waarop dat beleid tot stand komt. Wanneer lokale en regionale autoriteiten ook bij deze fase worden betrokken – omdat zij de behoeften van hun gebied en zijn bevolking het beste kennen – leidt dat zeker tot betere resultaten in een later stadium.

Het is dus van cruciaal belang voor de ontwikkeling van territoriale strategieën in de EU om het accent te leggen op de prelegislatieve fase van het besluitvormingsproces en op de toegevoegde waarde van beleid en optimale werkmethoden die op lokaal en regionaal niveau worden toegepast.

In het cohesiebeleid is deze benadering al eerder gehanteerd: de toegevoegde waarde hiervan wordt bepaald door de regionale dimensie en de toepassing van het partnerschapsbeginsel die mede zorgen voor de effectiviteit en de duurzaamheid van dit beleid.

Witboek over bestuur op verschillende niveaus van het Comité van de Regio's

Met het witboek van het Comité van de Regio's is op het juiste moment een debat op gang gebracht over de gemeenschappelijke interpretatie van dit beginsel als praktisch instrument voor besluitvorming in het communautaire beleid van gedeelde bevoegdheden.

Om te onderzoeken hoe het bestuur op verschillende niveaus op het gebied van het cohesiebeleid beter kan worden ontwikkeld, zullen de volgende aspecten worden bekeken:

· Beide dimensies van bestuur met verschillende lagen, verticaal – als samenwerking tussen verschillende niveaus van de overheid, met inbegrip van sociaaleconomische belanghebbenden – en horizontaal, tussen partijen op hetzelfde niveau, zijn nodig om te zorgen voor een samenwerking tussen de partijen op verschillende niveaus en een in het beleid geïntegreerde aanpak.

· Met een duidelijkere definitie van het partnerschapsbeginsel zou het gemakkelijker zijn om echte partnerschappen met regionale en lokale autoriteiten aan te gaan. Vooral het lokale niveau moet een grotere rol gaan spelen en het moet meer worden geraadpleegd vanaf het beginstadium van de besprekingen over de EU-debatten. Het partnerschapsbeginsel werkt vaak niet door te geringe betrokkenheid van de lokale autoriteiten.

· Het debat over bestuur op verschillende niveaus is nauw verbonden met het debat over territoriale cohesie: territoriale cohesie kan alleen effectief worden uitgevoerd, indien de subnationale partijen bij de verwezenlijking van de EU-doelen worden betrokken. Een witboek over territoriale cohesie dat aansluit bij het groenboek, zou tijdig een instrument bieden waarmee duidelijk kan worden gemaakt hoe territoriale cohesie door middel van bestuur op verschillende niveaus in het toekomstige regionale beleid kan worden uitgevoerd en waarmee stof wordt geboden voor het debat over het volgende wetgevingspakket.

· De mogelijkheid van territoriale samenwerking moet beter worden benut ter bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op verschillende niveaus. Grensoverschrijdende regio's bieden onaangeboorde territoriale mogelijkheden en hier is sprake van convergentie van beleid. Bovendien is in veel reacties op de recente openbare raadpleging de nadruk gelegd op de cruciale rol van territoriale samenwerking bij de verwezenlijking van de EU2020-doelen. Het EGTS-instrument moet worden bevorderd als hulpstuk voor het opzetten van systemen voor grensoverschrijdend bestuur en om ervoor te zorgen dat de verschillende beleidsvormen op regionaal en plaatselijk niveau worden aanvaard.

· De vereenvoudiging van regels op communautair en nationaal niveau vormt een voorwaarde voor een betere sturing in het cohesiebeleid. Door de recente wijzigingen van de algemene en EFRO-verordeningen zijn er belangrijke stappen in deze richting gezet, maar vereenvoudiging mag niet alleen maar plaatsvinden in verband met een tijdelijke en buitengewone gebeurtenis als de economische crisis. Integendeel, zij zou in de toekomst de hele wetgeving van de Structuurfondsen moeten bezielen. Ook zouden lidstaten hun nationale voorschriften moeten vereenvoudigen, daar deze vaak leiden tot een administratieve last die krachtens de communautaire regels niet nodig is. Als een noodzakelijk tegenwicht moet er op alle niveaus een sterkere evaluatiecultuur worden ontwikkeld om een effectieve controle te waarborgen en om fouten te vermijden.

Uitbreiding van de rol van de Commissie bij de ondersteuning van regionale en plaatselijke instanties

In het tweede deel van het verslag worden de mechanismen van gedeeld beheer geanalyseerd, in het bijzonder de verschillende verantwoordelijkheden van de Europese Commissie en de lidstaten, en er worden aanbevelingen gedaan voor de manier waarop het systeem bij de uitvoering van de programma's kan worden verbeterd.

Uit het verslag van de Europese Rekenkamer van 2006 bleek – met een te hoog foutenpercentage (12%) in de terugbetaalde uitgaven – dat de controlesystemen voor het cohesiebeleid niet effectief genoeg waren. In het jaarverslag van 2008 werden deze gegevens bevestigd. Hierin werd vermeld dat 11% van de fondsen ten onrechte was terugbetaald.

Deze gegevens geven de eigenlijke situatie in feite niet helemaal juist weer, omdat ze ook de periode 2000-2006 omvatten, toen de huidige controle-eisen nog niet golden.

Ondanks een gebrek aan gegevens waarmee de doeltreffendheid van de nieuwe bepalingen voor de periode 2007 tot 2013 naar behoren kan worden beoordeeld, gaat men er nu toch van uit dat het foutenpercentage in de Structuurfondsen nog steeds te hoog is en dat er meer inspanningen moeten worden verricht om de doeltreffendheid van de controlesystemen te verbeteren.

Het actieplan van 2008 van de Commissie over de manier waarop haar toezichthoudende rol kon worden versterkt, bevatte een reeks door de Commissie ondernomen acties ter verbetering van de prestaties van de fondsen, met inbegrip van correctieve en preventieve acties voor de toekomst.

Deze acties worden in het verslag geanalyseerd en er worden enkele eerste aanbevelingen voor de huidige programmeringsperiode gedaan met betrekking tot het versterken van de begeleiding door de Commissie van de controle- en beheerprocedures en het versterken van de coördinerende rol van de Commissie in de controlefase.

Omdat het programma pas één jaar wordt uitgevoerd, kunnen de algemene effecten van de ondernomen acties nog niet volledig worden beoordeeld. Uit de twee mededelingen over de effecten van het actieplan die de Commissie op 3 februari 2009 en 18 februari 2010 heeft aangenomen, zijn echter al enkele bemoedigende elementen af te leiden.

Het toezicht van de Commissie zoals dat nu is gepland, wordt ontoereikend geacht en het kan niet als compensatie dienen voor de ondoelmatige controlesystemen op nationaal niveau die gedurende de hele meerjarige periode blijven bestaan. De toezichthoudende rol van de Commissie moet aan het begin van de programma's sterker zijn en het nationale niveau moet een grotere rol spelen in de uitvoeringsfase.

Vooral het huidige systeem van conformiteitsbeoordeling moet beter worden geregeld om te kunnen garanderen dat het gedurende de hele programmeringsperiode volledig doeltreffend is. Dit proces is nog niet afgerond, wat kan leiden tot uitstel van betalingen en als gevolg daarvan het verlies van fondsen vanwege automatische annuleringen.

De controle tijdens de uitvoering moet worden verbeterd door ad hoc controles mogelijk te maken en meer steun te bieden aan de controle die op het eerste niveau door de beheersautoriteiten (MA's) wordt uitgeoefend, om tijdig onregelmatigheden te corrigeren en het totale foutenpercentage te verlagen. Trainingen en begeleiding door de Commissie zouden meer gericht moeten zijn op dit niveau, waar de meeste fouten worden gemaakt en vooral op die sectoren – niet-subsidiabele uitgaven en openbare aanbestedingen – waar het hoogste percentage onregelmatigheden wordt ontdekt.

Deze fouten ontstaan ten dele doordat de regels voor de Structuurfondsen te ingewikkeld zijn. Het systeem van gedeeld beheer dat kenmerkend is voor het cohesiebeleid maakt dat de interpretatie en toepassing van de regels, gezien het grote aantal betrokkenen, zeer ingewikkeld is. Hierin is de werkelijke toegevoegde waarde van de Structuurfondsen gelegen, maar het brengt ook een hoger foutenrisico met zich mee.

De regels zouden dus vereenvoudigd moeten worden om de procedures gebruikersvriendelijker te maken en om ervoor te zorgen dat potentiële begunstigden niet terugschrikken voor participatie in de projecten.

Tegelijkertijd moet de Commissie ten opzichte van de lagere bestuursniveaus een grotere rol spelen als kennisverstrekker, zowel met regelgevende als met niet-regelgevende initiatieven – terwijl sommige bestaande initiatieven moeten worden versterkt.

Er moet meer worden geïnvesteerd in financiële hulp en opleiding voor nationale en regionale besturen om ervoor te zorgen dat autoriteiten die met het beheer van programma's zijn belast meer capaciteit en een grotere kennis van regels krijgen. Vooral in de nieuwe lidstaten, waar deze aanpak onbekend is, moeten investeringen in institutionele capaciteit voorrang krijgen.

Op de middellange termijn zouden hierdoor meer subnationale autoriteiten kunnen worden betrokken bij het beheer van en de controle op de programma's, terwijl de Commissie meer een coördinerende rol op zich zou kunnen nemen.

Naast de maatregelen van het actieplan, zou de werking van de volgende initiatieven moeten worden versterkt:

· meer steun van de Commissie aan de beheersautoriteiten (MA's) – aangezien de meeste fouten worden gemaakt bij de controle op het eerste niveau – door middel van gerichte workshops, richtsnoeren, verspreiding van optimale werkmethoden en scholing van ambtenaren die voor het beheer verantwoordelijk zijn; er moet voortdurend toezicht worden gehouden op de daadwerkelijke overdracht van de op de MA's gerichte opleidingsmaatregelen om te controleren of die kennis daadwerkelijk wordt overgedragen met bijzondere aandacht voor het plaatselijk niveau;

· zorgen voor een betere coördinatie tussen de controleniveaus om dubbele controles en een teveel aan controle te voorkomen. Door deze verbeterde coördinatie zouden op de lange termijn middelen binnen de Commissie vrijkomen, en die zouden dan kunnen worden gebruikt voor meer steun aan de beheerkant;

· de nieuwe portaalsite in het huidige gegevensbestand SFC 2007 moet zo snel mogelijk operationeel worden gemaakt, waardoor de ter zake dienende gegevens rechtstreeks toegankelijk zijn voor alle partijen die met structuurfondsen te maken hebben

· het potentieel van de financieringsinstrumenten moet verder worden ontwikkeld om de ontwikkeling van hoogwaardige strategische projecten en de participatie van particuliere partijen, met name MKB, en particulier kapitaal in Europese projecten mogelijk te maken. Omdat hier nu vanwege de buitengewone complexiteit te weinig gebruik van wordt gemaakt, is een debat over het beheer van deze instrumenten dringend gewenst.

· door meer samenhang te brengen in de regels van de verschillende fondsen op Gemeenschapsniveau, zou een meer geïntegreerde aanpak mogelijk worden

***

Om al in de huidige programmeringsperiode resultaten te behalen, moeten enkele corrigerende maatregelen onmiddellijk worden uitgevoerd. Sommige andere maatregelen moeten op de langere termijn worden aangepakt, als resultaat van een in hoge mate politiek debat over het cohesiebeleid na 2013.

Vooral het werk op het gebied van de vereenvoudiging, dat in 2007 binnen de speciale eenheid van de Commissie is begonnen, zou aan de ene kant gericht moeten zijn op suggesties ter verbetering van praktijken in de huidige programmeringsperiode; aan de andere kant moeten verdere voorstellen worden gedaan voor een eenvoudiger functioneren van het cohesiebeleid. Vereenvoudiging moet een horizontaal beginsel worden dat lang belangrijk zal blijven en waardoor de hele filosofie van het toekomstig cohesiebeleid zal worden geïnspireerd.

Er moet serieus worden nagedacht over de manier waarop het bestuur en daarmee de doeltreffendheid van de uitvoering van de Structuurfondsen na 2013 kan worden verbeterd. In de discussies binnen de Groep op hoog niveau over de toekomst van het cohesiebeleid moet serieus rekening worden gehouden met dit aspect en het Parlement moet actief betrokken worden bij dit debat.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.9.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

François Alfonsi, Luís Paulo Alves, Sophie Auconie, Catherine Bearder, Jean-Paul Besset, Victor Boştinaru, Zuzana Brzobohatá, John Bufton, Salvatore Caronna, Ricardo Cortés Lastra, Francesco De Angelis, Tamás Deutsch, Rosa Estaràs Ferragut, Elie Hoarau, Danuta Maria Hübner, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Seán Kelly, Evgeni Kirilov, Constanze Angela Krehl, Ramona Nicole Mănescu, Riikka Manner, Iosif Matula, Wojciech Michał Olejniczak, Markus Pieper, Tomasz Piotr Poręba, Monika Smolková, Georgios Stavrakakis, Michael Theurer, Lambert van Nistelrooij, Oldřich Vlasák, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Jan Březina, Leonidas Donskis, Aldo Patriciello, Maurice Ponga, Heide Rühle, Elisabeth Schroedter

Juridische mededeling - Privacybeleid