Procedure : 2010/0802(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0354/2010

Ingediende teksten :

A7-0354/2010

Debatten :

PV 14/12/2010 - 6
CRE 14/12/2010 - 6

Stemmingen :

PV 14/12/2010 - 9.19
CRE 14/12/2010 - 9.19
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0470

VERSLAG     ***I
PDF 510kWORD 328k
7.12.2010
PE 441.299v03-00 A7-0354/2010

over de ontwerprichtlijn van het Europees Parlement en de Raad over het Europees beschermingsbevel

(00002/2010 – C7‑0006/2010 – 2010/0802(COD))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteurs: Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Carmen Romero López

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 51 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de ontwerprichtlijn van het Europees Parlement en de Raad over het Europees beschermingsbevel

(00002/2010 – C7‑0006/2010 – 2010/0802(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het initiatief van een groep lidstaten (00002/2010),

–   gelet op artikel 76, onder b), en letter d) van de tweede alinea van artikel 82, lid 1, en artikel 289, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan de Raad de ontwerpwet aan het Parlement heeft voorgelegd (C7-0006/2010),

–   gelet op artikel 294, leden 3 en 15, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–   gezien het gemotiveerde advies dat, in het kader van protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, werd ingediend door een nationaal parlement dat het ontwerpwetgevingsbesluit in strijd met het subsidiariteitsbeginsel achtte,

–   gezien de door de nationale parlementen geleverde bijdragen aan het ontwerpwetgevingsbesluit,

–   gelet op de artikelen 37, 44 en 55 van zijn Reglement,

–   gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 51 van het Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0354/2010),

1.  keurt onderstaand standpunt in eerste lezing goed;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

STANDPUNT VAN HET EUROPEES PARLEMENT(1)*

IN EERSTE LEZING

---------------------------------------------------------

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende het Europees beschermingsbevel

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 82, lid 1, onder a) en d),

Gezien het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Republiek Estland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Hongarije, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)         De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen.

(2)         Artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen.

(3)         Volgens het programma van Stockholm, dat op 10 en 11 december 2009 door de Europese Raad is aangenomen, kan de wederzijdse erkenning gelden voor alle soorten rechterlijke beslissingen en vonnissen, die, afhankelijk van het rechtsstelsel, van strafrechtelijke of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn. Het programma roept de Commissie en de lidstaten tevens op na te gaan hoe de wetgeving en de praktische steunmaatregelen ter bescherming van slachtoffers kunnen worden verbeterd. In het programma is tevens gesteld dat slachtoffers van strafbare feiten een bijzondere bescherming kan worden geboden, die in de gehele Unie effectief moet zijn. Deze richtlijn maakt deel uit van een samenhangende en alomvattende reeks maatregelen in verband met de rechten van het slachtoffer.

(4)         In de resolutie van het Europees Parlement van 26 november 2009 over de uitbanning van geweld tegen vrouwen worden de lidstaten opgeroepen hun nationale wetgeving en beleid te verbeteren teneinde alle vormen van geweld tegen vrouwen te bestrijden, en actie te ondernemen om de oorzaken van geweld tegen vrouwen aan te pakken, met name door middel van preventiemaatregelen, en wordt de EU verzocht het recht op bijstand en steun te waarborgen voor alle geweldslachtoffers. In de resolutie van het Europees Parlement van 10 februari 2010 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2009 wordt ingestemd met het voorstel voor de instelling van het Europees beschermingsbevel voor slachtoffers.

(5)         In een gemeenschappelijke Europese justitiële ruimte zonder binnengrenzen moet ervoor worden gezorgd dat de bescherming die een natuurlijke persoon in één lidstaat geniet, gehandhaafd en voortgezet wordt in elke andere lidstaat waarnaar deze persoon verhuist of verhuisd is. Tevens moet ervoor worden gezorgd dat de legitieme uitoefening, door de burgers van de Unie, van hun recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 21 van het VWEU, geen negatieve invloed heeft op hun bescherming.

(6)         Voor het verwezenlijken van deze doelstellingen worden bij deze richtlijn voorschriften vastgesteld volgens welke de bescherming die wordt verleend door bepaalde volgens het recht van een lidstaat (de beslissingsstaat) vastgestelde beschermingsmaatregelen kan worden uitgebreid tot een lidstaat waar de beschermde persoon besluit te wonen of te verblijven (de tenuitvoerleggingsstaat)▌.

(6 bis)   Deze richtlijn houdt rekening met de verschillende juridische tradities van de lidstaten en met het feit dat effectieve bescherming kan worden geboden door middel van beschermingsbevelen die door een andere autoriteit dan de strafrechter worden gegeven. Deze richtlijn houdt geen verplichting in om de nationale systemen voor de vaststelling van beschermingsmaatregelen te wijzigen.

(6 ter)   Deze richtlijn is van toepassing op maatregelen ter bescherming van een persoon tegen andermans criminele handelingen die op enigerlei wijze een bedreiging kunnen vormen voor zijn leven, zijn fysieke, psychische en seksuele integriteit – bijvoorbeeld maatregelen ter preventie van enige vorm van intimidatie – en voor zijn waardigheid of persoonlijke vrijheid – bijvoorbeeld maatregelen ter preventie van ontvoering, belaging en andere vormen van indirecte dwang, alsmede ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten en ter beperking van de gevolgen van reeds gepleegde strafbare feiten. Deze persoonlijkheidsrechten zijn in alle lidstaten erkende en toegepaste grondrechten. Benadrukt moet worden dat deze richtlijn van toepassing is op beschermingsmaatregelen voor alle slachtoffers, en niet alleen de slachtoffers van genderspecifiek geweld, en dat daarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende soorten strafbare feiten.

(6 quater) Deze richtlijn is van toepassing op beschermingsmaatregelen, ongeacht het straf-, civiel- of bestuursrechtelijke karakter van de gerechtelijke of daarmee gelijkgestelde autoriteit die de betrokken beslissing neemt in het kader van een strafrechtelijke of een andere procedure, met betrekking tot een handeling die het voorwerp heeft uitgemaakt of had kunnen uitmaken van een procedure voor een met name in strafzaken bevoegde rechter.

(6 quinquies) Deze richtlijn heeft betrekking op de maatregelen die worden getroffen om slachtoffers of mogelijke slachtoffers van misdrijven te beschermen; zij geldt niet voor de maatregelen die ter bescherming van getuigen worden getroffen.

(6 sexies) Als een beschermingsmaatregel in de zin van deze richtlijn wordt genomen ter bescherming van een familielid van de belangrijkste beschermde persoon, kan dit familielid eveneens om een Europees beschermingsbevel verzoeken en kan ten aanzien van deze persoon een Europees beschermingsbevel worden gegeven, met inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden.

(6 septies) Een verzoek voor het uitvaardigen van een Europees beschermingsbevel moet zo spoedig mogelijk worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de urgentie van de zaak, de vermoedelijke aankomstdatum van de beschermde persoon op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat en, indien mogelijk, de omvang van het risico voor de beschermde persoon.

(6 octies) Als krachtens deze richtlijn informatie moet worden verstrekt aan de persoon die gevaar veroorzaakt of de beschermde persoon, moet deze informatie eveneens worden verstrekt aan de eventuele voogd of vertegenwoordiger. Daarbij moet er tevens op worden toegezien dat de beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt, of degene die hen tijdens de procedure vertegenwoordigt, informatie als bedoeld in deze richtlijn ontvangen in een taal die zij begrijpen.

(6 nonies) In de procedures voor het uitvaardigen en de erkenning van een Europees beschermingsbevel, moeten de bevoegde autoriteiten passende aandacht schenken aan de behoeften van slachtoffers, waaronder bijzonder kwetsbare personen, zoals minderjarigen of personen met een handicap. Daarbij moet er tevens op worden toegezien dat de beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt informatie als bedoeld in deze richtlijn ontvangen in een taal die zij begrijpen.

(6 decies) Voor de toepassing van deze richtlijn kan een beschermingsmaatregel zijn opgelegd ingevolge een beslissing in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen(2), of ingevolge een beslissing over toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis(3).

(6 undecies) Overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet de persoon die gevaar veroorzaakt, hetzij in de procedure die leidt tot de vaststelling van een beschermingsmaatregel, hetzij vóór de uitvaardiging van een Europees beschermingsbevel, in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord en tegen de beschermingsmaatregel beroep in te stellen.

(7)         Teneinde te voorkomen dat in de tenuitvoerleggingsstaat tegen het slachtoffer een nieuw strafbaar feit wordt gepleegd, moet die staat over een rechtsgrondslag kunnen beschikken voor de erkenning van de beslissing die in de beslissingsstaat ten behoeve van het slachtoffer is genomen, en dient tevens te worden voorkomen dat het slachtoffer in de tenuitvoerleggingsstaat een nieuwe procedure moet inleiden of opnieuw het bewijsmateriaal moet overleggen, alsof in de beslissingsstaat geen beslissing was genomen. Erkenning van het Europees beschermingsbevel door de tenuitvoerleggingsstaat houdt onder meer in dat de bevoegde autoriteit van die staat, behoudens de in deze richtlijn bepaalde beperkingen, het bestaan en de geldigheid van de in de beslissingsstaat genomen beschermingsmaatregel aanvaardt, de in het Europees beschermingsbevel beschreven feiten als waar aanneemt, en het ermee eens is dat bescherming en verdere bescherming moeten worden geboden overeenkomstig het nationale recht.

(8)         Deze richtlijn voorziet in een vast aantal verplichtingen en verboden, die, indien zij in de beslissingsstaat zijn opgelegd en in het Europees beschermingsbevel zijn vervat, met inachtneming van de in deze richtlijn vastgelegde uitzonderingen in de tenuitvoerleggingsstaat erkend en gehandhaafd moeten worden. Op nationaal niveau mogen andere soorten maatregelen worden genomen, zoals de verplichting voor de persoon die gevaar veroorzaakt om op een aangegeven plaats te blijven, als de nationale wetgeving daarin voorziet. Dergelijke maatregelen mogen in de beslissingsstaat worden genomen in het kader van de procedure die leidt tot de vaststelling van een van de beschermingsmaatregelen op grond waarvan overeenkomstig deze richtlijn het Europees beschermingsbevel is gegeven.

(8 bis)   Aangezien in de lidstaten verschillende soorten (civiel-, straf- of bestuursrechtelijke) autoriteiten bevoegd zijn om beschermingsmaatregelen te treffen en te handhaven, is het wenselijk dat de mechanismen voor samenwerking tussen de lidstaten in het kader van deze richtlijn in een grote soepelheid voorzien. Derhalve hoeft de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat niet in alle gevallen exact de in de beslissingsstaat getroffen maatregel uit te voeren, maar heeft zij de vrijheid om elke maatregel te treffen die zij in een vergelijkbaar geval conform het nationale recht adequaat en geschikt acht om de betrokkene verdere bescherming te bieden in de zin van de in de beslissingsstaat genomen en in het Europees beschermingsbevel beschreven maatregel.

(8 ter)   De verplichtingen en verboden waarin deze richtlijn voorziet, zijn onder meer maatregelen welke degene die het gevaar veroorzaakt, in zijn bewegingsvrijheid beperken, indien zij ten behoeve van de beschermde persoon worden opgelegd, en maatregelen ter beperking van het persoonlijke of indirecte contact tussen de beschermde persoon en degene die het gevaar veroorzaakt, bijvoorbeeld het verbinden van bepaalde voorwaarden aan het contact of het stellen van inhoudelijke beperkingen aan de communicatie.

(8 quater) De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat moet degene die het gevaar veroorzaakt, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat en de beschermde persoon in kennis stellen van elke op grond van het Europees beschermingsbevel genomen maatregel. Bij de kennisgeving aan degene die het gevaar veroorzaakt moet er terdege op worden gelet dat, in het belang van de beschermde persoon, diens adres of andere contactgegevens niet worden meegedeeld. Deze gegevens moeten uit de kennisgeving worden weggelaten, mits het adres of de andere contactgegevens niet begrepen zijn in de verplichting of het verbod dat aan degene die het gevaar veroorzaakt wordt opgelegd.

(8 quinquies) Indien de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat het Europees beschermingsbevel heeft ingetrokken, moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat hetzelfde doen ten aanzien van de maatregelen die zij ter uitvoering van het bevel heeft genomen, met dien verstande dat zij zelfstandig, conform het nationale recht, nationaalrechtelijke maatregelen ter bescherming van de betrokkene kan treffen.

(9)         Aangezien deze richtlijn betrekking heeft op gevallen waarin de beschermde persoon naar een andere lidstaat verhuist, houdt toepassing van de bepalingen ervan niet in dat aan de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegdheden worden overgedragen betreffende de hoofdstraf, de voorwaardelijke straf, de alternatieve straf, de voorwaardelijke veroordeling of de secundaire straf, noch betreffende de veiligheidsmaatregelen die de gevaar veroorzakende persoon worden opgelegd, indien deze blijft wonen in de staat die de beschermingsmaatregel heeft genomen.

(10)       In voorkomend geval kunnen, in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving, elektronische middelen worden gebruikt om de ter uitvoering van deze richtlijn genomen maatregelen toe te passen.

(10 bis) In het kader van de samenwerking tussen de autoriteiten die bij de bescherming zijn betrokken, dient de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in kennis te stellen van elke overtreding van de maatregelen die in de tenuitvoerleggingsstaat ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel zijn genomen. Deze kennisgeving moet de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in staat stellen snel en gepast te reageren met betrekking tot de beschermingsmaatregel die in de beslissingsstaat is opgelegd aan de persoon die het gevaar veroorzaakt. Zo kan zij in voorkomend geval in plaats van de oorspronkelijke niet tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel nemen, bijvoorbeeld als alternatief voor preventieve hechtenis of als gevolg van een voorwaardelijke opschorting van een straf. Deze beslissing houdt niet in dat een nieuwe strafsanctie met betrekking tot een nieuw strafbaar feit wordt opgelegd, en laat dus onverlet dat in de tenuitvoerleggingsstaat, in geval van overtreding van de maatregelen ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel, in voorkomend geval een al dan niet strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd.

(10 ter) Indien er, gelet op de verschillende juridische tradities van de lidstaten, in de tenuitvoerleggingsstaat geen beschermingsmaatregel beschikbaar is in een zaak die vergelijkbaar is met de in het Europees beschermingsbevel beschreven feitelijke situatie, meldt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat elke overtreding van de in het Europees beschermingsbevel beschreven beschermingsmaatregel waarvan zij kennis heeft, aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat.

(10 quater) Met het oog op een vlotte toepassing van deze richtlijn in iedere afzonderlijke zaak, oefenen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat hun bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, met inachtneming van het beginsel "ne bis in idem".

(10 quinquies)            De voor de beschermde persoon aan de erkenning van het Europees beschermingsbevel verbonden kosten mogen niet onevenredig hoger zijn dan de kosten verbonden aan een soortgelijke nationale zaak. Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de beschermde persoon na erkenning van het Europees beschermingsbevel geen verdere nationale procedures hoeft in te leiden om van de ten uitvoer leggende autoriteit, als rechtstreeks gevolg van de erkenning van het Europees beschermingsbevel, een beslissing te verkrijgen houdende een maatregel die krachtens nationaal recht in een soortgelijke zaak genomen kan worden om de bescherming van de beschermde persoon te waarborgen.

(10 sexies) Indachtig het beginsel van wederzijdse erkenning, waarop deze richtlijn berust, bevorderen de lidstaten zoveel mogelijk een direct contact tussen de bevoegde autoriteiten bij de toepassing van dit instrument.

(10 septies) Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht of verschillen in rechterlijke organisatie in de Europese Unie, moeten de lidstaten diegenen die verantwoordelijk zijn voor de scholing van rechters, openbare aanklagers, politie en magistraten die te maken hebben met procedures gericht op het uitvaardigen of erkennen van Europese beschermingsbevelen verzoeken passende scholing te bieden in aansluiting op de doelstellingen van deze richtlijn.

(10 octies) Teneinde de evaluatie van de toepassing van deze richtlijn te vergemakkelijken dienen de lidstaten aan de Europese Commissie relevante gegevens te verstrekken met betrekking tot de toepassing van nationale procedures inzake het Europees beschermingsbevel. In ieder geval dienen gegevens te worden verstrekt over het aantal keren dat een Europees beschermingsbevel is aangevraagd, uitgevaardigd en/of erkend. In dit verband kunnen ook andersoortige gegevens, zoals de aard van het strafbare feit, nuttig zijn.

(11)       Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, die er met name in bestaat personen die in gevaar verkeren te beschermen, vanwege het grensoverschrijdende karakter onvoldoende door unilateraal optredende lidstaten kan worden bereikt, en in verband met de schaaleffecten en potentiële gevolgen dus beter op het niveau van de Unie zou kunnen worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, van het VEU neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om de doelstelling ervan te verwezenlijken.

(11 bis) Deze richtlijn moet ertoe bijdragen dat in gevaar verkerende personen worden beschermd, en aldus de bestaande regelgeving ter zake, zoals Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad en Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad aanvullen, maar onverlet laten.

(11 ter) Beslissingen betreffende een beschermingsmaatregel die vallen onder Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(4), Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid(5), of het Verdrag van 's-Gravenhage van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen(6), worden overeenkomstig de bepalingen van dat rechtsinstrument erkend en ten uitvoer gelegd.

(11 quater) De lidstaten en de Commissie dienen in voorkomend geval informatie over het Europees beschermingsbevel op te nemen in bestaande scholings- en bewustmakingscampagnes over de bescherming van slachtoffers.

(11 quinquies)            De ingevolge de toepassing van deze richtlijn verwerkte persoonsgegevens dienen te worden beschermd in overeenstemming met Kaderbesluit 2008//977/JBZ van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(7), en in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, dat door alle lidstaten is bekrachtigd.

(11 sexies) In deze richtlijn moeten, in overeenstemming met artikel 6 van het VEU, de grondrechten worden geëerbiedigd die zijn gewaarborgd bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

(11 septies) De lidstaten worden aangemoedigd om bij de uitvoering van deze richtlijn rekening te houden met de rechten en beginselen die zijn vastgelegd in het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV).

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel -1Doel

Deze richtlijn stelt de regels vast krachtens welke een justitiële of daarmee gelijkgestelde autoriteit van een lidstaat waar een maatregel is genomen ter bescherming van een persoon tegen een strafbare handeling van een andere persoon die op enigerlei wijze een bedreiging kan vormen voor zijn leven, zijn fysieke of psychische integriteit en waardigheid, zijn persoonlijke vrijheid of zijn seksuele integriteit, een Europees beschermingsbevel kan uitvaardigen op grond waarvan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat de betrokkene op het grondgebied van die lidstaat verdere bescherming kan bieden naar aanleiding van een handeling in de beslissingsstaat die het voorwerp heeft uitgemaakt of had kunnen uitmaken van een procedure voor een met name in strafzaken bevoegde rechter.

Artikel 1Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)        "Europees beschermingsbevel", een door een rechterlijke of daarmee gelijkgestelde autoriteit van een lidstaat genomen beslissing betreffende een maatregel om een persoon te beschermen, op grond waarvan een rechterlijke of daarmee gelijkgestelde autoriteit van een andere lidstaat een volgens haar eigen recht passende maatregel of maatregelen ter verdere bescherming van de betrokkene neemt.

2)        "beschermingsmaatregel", een in de beslissingsstaat volgens de nationale wetgeving en procedures genomen beslissing waarbij, ter bescherming van een beschermde persoon tegen een strafbare handeling die zijn leven, fysieke of psychologische integriteit, persoonlijke vrijheid of seksuele integriteit in gevaar kan brengen, een of meer van de in artikel 4 ter bedoelde verplichtingen of verboden worden opgelegd aan een persoon die gevaar veroorzaakt.

3)        "beschermde persoon", de natuurlijke persoon die ingevolge de in de beslissingsstaat genomen maatregel wordt beschermd.

4)        "persoon die gevaar veroorzaakt", de natuurlijke persoon aan wie een of meer van de in artikel 4 ter genoemde verplichtingen of verboden zijn opgelegd.

5)        "beslissingsstaat", de lidstaat waar de beschermingsmaatregel die de aanleiding is tot het Europees beschermingsbevel, ▌is genomen.

6)        "tenuitvoerleggingsstaat", de lidstaat waaraan het Europees beschermingsbevel ter fine van erkenning is toegezonden.

7)        "toezichtsstaat", de lidstaat waaraan een vonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad of een beslissing inzake toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ is overgedragen.

Artikel 4Aanwijzing van bevoegde autoriteiten

1.        Elke lidstaat deelt de Commissie mee welke rechterlijke of daarmee gelijkgestelde autoriteiten, in de gevallen waarin hij beslissingsstaat of tenuitvoerleggingsstaat is, krachtens het nationale recht bevoegd zijn om overeenkomstig deze richtlijn een Europees beschermingsbevel uit te vaardigen en te erkennen.

3.        De Commissie stelt de ontvangen informatie ter beschikking van de lidstaten. De lidstaten informeren de Commissie over alle wijzigingen in verband met de informatie als bedoeld in lid 1.

Artikel 4 bisCentrale autoriteit

1.        Iedere lidstaat kan één of, indien zijn nationale recht daarin voorziet, meerdere centrale autoriteiten aanwijzen die de bevoegde autoriteiten bijstaan.

2.        Een lidstaat kan, indien zijn rechterlijke organisatie dat vereist, zijn centrale autoriteiten belasten met het administratief toezenden en in ontvangst nemen van het Europees beschermingsbevel en van elke andere formele correspondentie dienaangaande. Derhalve kan elke vorm van mededeling, raadpleging, gegevensuitwisseling, onderzoek en kennisgeving tussen bevoegde autoriteiten waar nodig met behulp van de centrale autoriteiten van de betrokken lidstaat plaatsvinden.

3.        De lidstaat die van de in dit artikel bedoelde mogelijkheid gebruik wil maken, stelt de Commissie in kennis van de gegevens betreffende de door hem aangewezen centrale autoriteit(en). Deze kennisgeving verbindt alle autoriteiten van de beslissingsstaat.

Artikel 4 terVoorwaarden waaronder volgens het nationale recht een beschermingsmaatregel kan worden genomen

Het Europees beschermingsbevel kan alleen worden gegeven indien in de beslissingsstaat reeds een beschermingsmaatregel is genomen waarbij de persoon die gevaar veroorzaakt, een of meer van de volgende verplichtingen of verboden zijn opgelegd:

(a)      een verbod tot het betreden van bepaalde locaties, plaatsen of omschreven gebieden waar de beschermde persoon verblijft of die door hem worden bezocht;

(b)      een verbod op of het verbinden van regels aan iedere vorm van contact met de beschermde persoon, ook per telefoon, elektronische of gewone post, fax of anderszins; of

(c)       een verbod de beschermde persoon tot binnen een bepaalde afstand te benaderen, of het opleggen van regels ter zake.

Artikel 5Uitvaardiging van een Europees beschermingsbevel

1.        Het Europees beschermingsbevel kan worden uitgevaardigd indien de beschermde persoon besluit in een andere lidstaat te gaan wonen of er reeds woont, dan wel besluit in een andere lidstaat te gaan verblijven of er reeds verblijft. De bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat die de wenselijkheid van een Europees beschermingsbevel overweegt, houdt er onder meer rekening mee hoe lang de beschermde persoon in de tenuitvoerleggingsstaat wil verblijven en hoe groot de behoefte aan bescherming is.

1 bis.  Het Europees beschermingsbevel kan door een rechterlijke of daarmee gelijkgestelde autoriteit van de beslissingsstaat pas worden uitgevaardigd nadat de beschermde persoon erom heeft verzocht en de autoriteit zich ervan heeft vergewist dat aan de in artikel 4 bepaalde voorwaarden is voldaan.

2.        Het verzoek tot het uitvaardigen van een Europees beschermingsbevel kan door de beschermde persoon ▌worden gericht aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, of aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. Indien het verzoek in de tenuitvoerleggingsstaat wordt ingediend, zendt de bevoegde autoriteit van die staat dat verzoek zo spoedig mogelijk toe aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat ▌.

2 bis.  Alvorens een Europees beschermingsbevel wordt uitgevaardigd, krijgt de persoon die gevaar veroorzaakt, het recht te worden gehoord en beroep in te stellen tegen de beschermingsmaatregel, voor zover hij dit recht niet heeft gehad in de procedure die tot de beschermingsmaatregel heeft geleid.

3.        De bevoegde autoriteit die een beschermingsmaatregel vaststelt waarin een of meer van de in artikel 4 ter genoemde verplichtingen zijn opgenomen, brengt de beschermde persoon in een volgens de nationaalrechtelijke procedures passende vorm op de hoogte van de mogelijkheid een verzoek om een Europees beschermingsbevel in te dienen wanneer hij besluit zich naar een andere lidstaat te begeven, alsmede van de basisvoorwaarden waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen. De autoriteit zal de beschermde persoon het advies geven het verzoek in te dienen alvorens het grondgebied van de beslissingsstaat te verlaten.

3 bis.  In voorkomend geval kan het in de leden 2 en 3 bedoelde verzoek namens de betrokkene door zijn voogd of vertegenwoordiger worden ingediend.

3 ter.  Indien een verzoek tot uitvaardiging van een Europees beschermingsbevel wordt afgewezen, informeert de beslissende autoriteit de beschermde persoon in voorkomend geval over de rechtsmiddelen die hem overeenkomstig de nationale wetgeving tegen deze beslissing ter beschikking staan.

Artikel 6Vorm en inhoud van het Europees beschermingsbevel

Het Europees beschermingsbevel wordt in de in bijlage I bij deze richtlijn voorgeschreven vorm uitgevaardigd. Het bevat met name de volgende gegevens:

(a)       de identiteit en de nationaliteit van de beschermde persoon, alsook de identiteit en de nationaliteit van diens voogd of wettelijke vertegenwoordiger indien de beschermde persoon minderjarig of juridisch handelingsonbekwaam is;

(b)      de datum met ingang waarvan de beschermde persoon in de tenuitvoerleggingsstaat wil gaan wonen of verblijven, en de verblijfsperiode of -perioden, indien bekend;

(c)       de benaming, het adres, het telefoonnummer en het faxnummer, alsook het e-mailadres van de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat;

(d)      een aanduiding (bijvoorbeeld het nummer en de datum) van de rechtshandeling die de beschermingsmaatregel bevat op grond waarvan het Europees beschermingsbevel is gegeven;

(e)       een beknopte weergave van de feiten en omstandigheden die geleid hebben tot het opleggen van de beschermingsmaatregel in de beslissingsstaat;

(f)      de bij de beschermingsmaatregel die aan het Europees beschermingsbevel ten grondslag ligt aan de persoon die gevaar veroorzaakt opgelegde verplichtingen of verboden, de duur daarvan en in voorkomend geval de straf of sanctie die bij overtreding van deze verplichtingen of verboden kan worden opgelegd;

(f bis) in voorkomend geval het gebruik, ten aanzien van de beschermde persoon of degene die het gevaar veroorzaakt, van apparatuur waarmee de beschermingsmaatregel kan worden gehandhaafd;

(g)       de identiteit, ▌de nationaliteit en de contactgegevens van degene die gevaar veroorzaakt;

(g bis) informatie, mits bekend bij de beslissende autoriteit en mits daarvoor geen nader onderzoek vereist is, over de vraag of de beschermde persoon en/of de persoon die gevaar veroorzaakt in de beslissingsstaat recht heeft op kosteloze rechtsbijstand;

(h)       indien van toepassing, de andere omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op de beoordeling van het gevaar waaraan de beschermde persoon blootgesteld wordt;

(i)        de uitdrukkelijke mededeling, indien van toepassing, dat een vonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad of een beslissing inzake toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad, reeds is overgedragen aan de toezichtsstaat, alsmede de aanduiding van de voor de tenuitvoerlegging van een dergelijk vonnis of een dergelijke beslissing bevoegde autoriteit van die staat.

Artikel 7Procedure van toezending

1.        Wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat het Europees beschermingsbevel aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toezendt, doet zij zulks in een vorm die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd, teneinde de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in staat te stellen de echtheid ervan vast te stellen. Alle ambtelijke communicatie geschiedt eveneens rechtstreeks tussen deze bevoegde autoriteiten.

2.        Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat of van de beslissingsstaat niet bekend is bij de bevoegde autoriteit van de andere staat, wint de laatstbedoelde autoriteit, langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het Europees justitieel netwerk als bedoeld in Besluit 2008/976/JBZ van de Raad van 16 december 2008 betreffende het Europees justitieel netwerk(8), het nationaal lid van Eurojust, of het nationaal systeem voor de coördinatie van Eurojust van zijn staat, de nodige inlichtingen in.

3.        Wanneer een autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat die een Europees beschermingsbevel ontvangt, niet bevoegd is het te erkennen, zendt die autoriteit het Europees beschermingsbevel ambtshalve toe aan de bevoegde autoriteit en stelt zij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat hiervan onverwijld in kennis, in een vorm die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd.

Artikel 8Maatregelen in de tenuitvoerleggingsstaat

1.        Bij ontvangst van het overeenkomstig artikel 7 toegezonden Europees beschermingsbevel erkent de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat met bekwame spoed het bevel, en neemt zij alle maatregelen die haar in soortgelijke gevallen krachtens het nationale recht ter beschikking staan om de bescherming van de betrokkene te waarborgen, tenzij zij beslist een van de in artikel 9 bedoelde gronden voor niet-erkenning in te roepen.

1 bis.  De overeenkomstig lid 1 door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat genomen maatregel en enige andere maatregel die op basis van een vervolgbeslissing als bedoeld in artikel 9 bis worden genomen, stemmen zo veel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat bevolen beschermingsmaatregel.

2.        De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat brengt de persoon die gevaar veroorzaakt, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat en de beschermde persoon op de hoogte van alle overeenkomstig lid 1 genomen maatregelen, alsmede van de mogelijke juridische gevolgen van overtreding van een dergelijke maatregel krachtens de nationale wetgeving en overeenkomstig artikel 9 bis, lid 2. Het adres of andere contactgegevens van de beschermde persoon worden niet verstrekt aan de persoon die gevaar veroorzaakt, tenzij dat noodzakelijk is met het oog op de tenuitvoerlegging van de maatregel die is genomen bij toepassing van artikel 1.

2 bis.  Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de overeenkomstig artikel 6 in het Europees beschermingsbevel verstrekte gegevens onvolledig acht, stelt zij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in een schriftelijk vast te leggen vorm hiervan onverwijld in kennis, met opgave van een redelijke termijn waarbinnen de ontbrekende gegevens moeten worden verstrekt.

Artikel 9Gronden voor niet-erkenning van een Europees beschermingsbevel

▌.

2.        De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het Europees beschermingsbevel weigeren in de volgende gevallen:

(a)       het Europees beschermingsbevel is onvolledig of is niet vervolledigd binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat vastgestelde termijn;

(b)      aan de voorwaarden van artikel 4 is niet voldaan;

(c)       de beschermingsmaatregel houdt verband met een handeling die geen strafbaar feit is krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat;

(c bis) de bescherming vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel waarvoor krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat gratie kan worden verleend en heeft betrekking op een handeling of gedraging die krachtens dat recht onder de bevoegdheid van die staat valt;

(d)      krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat geniet de persoon die gevaar veroorzaakt onschendbaarheid, zodat geen maatregelen op grond van een Europees beschermingsbevel kunnen worden genomen;

(f)       het recht om de gevaar veroorzakende persoon strafrechtelijk te vervolgen wegens de handeling of gedraging met betrekking waartoe de beschermingsmaatregel is genomen, is volgens de wet van de tenuitvoerleggingsstaat verjaard, indien de handeling of gedraging krachtens het nationale recht van die staat onder diens bevoegdheid valt;

(g)      erkenning van het Europees beschermingsbevel zou indruisen tegen het beginsel ne bis in idem;

(h)      de gevaar veroorzakende persoon kan volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat vanwege zijn leeftijd niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de handelingen of gedragingen met betrekking waartoe de beschermingsmaatregel is genomen;

(i)       de beschermingsmaatregel heeft betrekking op een strafbaar feit dat krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat wordt beschouwd als zijnde volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op zijn grondgebied gepleegd.

3.        Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat het Europees beschermingsbevel weigert te erkennen op basis van een van bovengenoemde gronden

a)        informeert zij de beslissingsstaat en de beschermde persoon onverwijld over deze weigering en de redenen daartoe;

b)        stelt zij in voorkomend geval de beschermde persoon in kennis van de mogelijkheid een verzoek om een beschermingsmaatregel in te dienen overeenkomstig het nationale recht;

c)        informeert zij in voorkomend geval de beschermde persoon over de rechtsmiddelen die hem overeenkomstig de nationale wetgeving tegen deze beslissing ter beschikking staan.

Artikel 9 bisIn de tenuitvoerleggingsstaat geldende wet en bevoegdheid

1.        In de tenuitvoerleggingsstaat kunnen op grond van de erkenning van een Europees beschermingsbevel maatregelen worden genomen en ten uitvoer worden gelegd. De wet van de tenuitvoerleggingsstaat is van toepassing op de vaststelling en handhaving van de in artikel 8, lid 1, bedoelde beslissing, daaronder begrepen de rechtsmiddelen die kunnen worden aangewend tegen beslissingen welke in de tenuitvoerleggingsstaat met betrekking tot het Europees beschermingsbevel zijn genomen.

2.        In dit verband kan, in geval van overtreding van een maatregel die in de tenuitvoerleggingsstaat op grond van de erkenning van een Europees beschermingsbevel is genomen, de bevoegde autoriteit van deze staat uit hoofde van lid 1:

a)        strafrechtelijke sancties en enige andere maatregel opleggen, indien als gevolg van de overtreding een volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat strafbaar feit is gepleegd;

b)        een niet-strafrechtelijke beslissing in verband met de overtreding nemen;

c)        een dringende voorlopige maatregel nemen die een einde maakt aan de overtreding, in voorkomend geval in afwachting van een in de beslissingsstaat te nemen beslissing..

3.        Indien er op nationaal niveau geen maatregel beschikbaar is die in een vergelijkbare zaak in de tenuitvoerleggingsstaat kan worden genomen, meldt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat elke haar bekende overtreding van de in het Europees beschermingsbevel beschreven beschermingsmaatregel aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat.

Artikel 9 terKennisgeving in geval van overtreding

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat of van de toezichtsstaat in kennis van elke overtreding van een op grond van het Europees beschermingsbevel genomen maatregel. Deze kennisgeving geschiedt door middel van het modelformulier in bijlage II.

Artikel 10

Bevoegdheid in de beslissingsstaat

1.        De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat is exclusief bevoegd beslissingen te nemen met betrekking tot:

(a)       de hernieuwing, herziening, wijziging, herroeping en intrekking van de beschermingsmaatregel, en daarmee van het Europees beschermingsbevel;

(b)      het opleggen van een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten gevolge van de intrekking van de beschermingsmaatregel, mits de beschermingsmaatregel is toegepast op grond van een beslissing in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad of een beslissing inzake toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad;

2.        Het recht van de beslissingsstaat is op beslissingen in de zin van lid 1 van toepassing.

3.        Wanneer een vonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad of een beslissing over toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad reeds naar een andere lidstaat is toegezonden, of wanneer zo'n vonnis of beslissing over toezichtmaatregelen na de uitvaardiging van het Europees beschermingsbevel wordt toegezonden, worden de vervolgbeslissingen overeenkomstig de relevante bepalingen van die kaderbesluiten genomen.

3 bis.  De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in kennis van elke overeenkomstig lid 1 genomen beslissing.

3 ter.  Indien de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat het Europees beschermingsbevel overeenkomstig lid 1, onder a), heeft ingetrokken, worden de overeenkomstig artikel 8, lid 1, genomen maatregelen door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat ingetrokken, zodra zij daarvan door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat naar behoren in kennis is gesteld.

3 quater. Indien de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat het Europees beschermingsbevel overeenkomstig lid 1, onder a), heeft gewijzigd, moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voor zover nodig:

(a)      de op grond van het Europees beschermingsbevel genomen maatregelen overeenkomstig artikel 8 wijzigen; of

(b)     weigeren de gewijzigde verplichting of verbodsregel te handhaven, indien deze niet langer aan het bepaalde in artikel 4 ter beantwoordt, of indien de met het Europees beschermingsbevel overeenkomstig artikel 6 verstrekte informatie onvolledig is, en niet binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat overeenkomstig artikel 8, lid 3, gestelde termijn is vervolledigd.

Artikel 11Redenen voor intrekking van de op grond van een Europees beschermingsbevel genomen maatregelen

1.        De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel genomen maatregelen intrekken:

(a)      indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de beschermde persoon niet meer op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat woont of verblijft, of het grondgebied definitief heeft verlaten;

(b)      indien volgens het nationale recht de maximumduur van de ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel genomen maatregelen is verstreken;

(c)       in het in artikel 10, lid 6, onder b), bedoelde geval;

(d)      indien, na de erkenning van het Europees beschermingsbevel, een vonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad, of een beslissing inzake toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/828/JBZ van de Raad, aan de tenuitvoerleggingsstaat wordt overgedragen.

1 bis.  De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat en indien mogelijk de beschermde persoon onmiddellijk van de beslissing in kennis.

1 ter.  Voordat zij overgaat tot intrekking in de zin van lid 1, onder b), kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat bij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat inlichtingen inwinnen omtrent de vraag of de bij het Europees beschermingsbevel geboden bescherming in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijft. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat geeft onverwijld antwoord.

Artikel 11 bisPrioriteit voor de erkenning van een Europees beschermingsbevel

Een Europees beschermingsbevel wordt met dezelfde prioriteit erkend als soortgelijke gevallen binnen het nationale recht, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de urgentie van de zaak, de vermoedelijke aankomstdatum van de beschermde persoon op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat en, indien mogelijk, de omvang van het risico voor de beschermde persoon.

Artikel 15Overleg tussen de bevoegde autoriteiten

De bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat kunnen desgepast onderling overleg plegen met het oog op de vlotte en efficiënte toepassing van deze richtlijn.

Artikel 16Talen

1.        Het Europees beschermingsbevel wordt door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat.

2.        Het in artikel 9 ter bedoelde formulier wordt door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat.

3.        Elke lidstaat kan, bij de vaststelling van deze richtlijn of later, in een bij de Commissie neer te leggen verklaring, meedelen dat hij een vertaling in een of meer andere officiële talen van de instellingen van de Unie aanvaardt.

Artikel 17Kosten

De kosten die uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien worden,tenzij zij op het grondgebied van de beslissingsstaat zijn ontstaan, door de tenuitvoerleggingsstaat gedragen overeenkomstig het nationale recht.

Artikel 18Verhouding tot andere overeenkomsten en regelingen

1.        Het staat de lidstaten vrij ook in de toekomst de op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze richtlijn geldende bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen toe te passen voor zover deze verder reiken dan de doelstellingen van deze richtlijn en ertoe bijdragen de procedures voor het nemen van beschermingsmaatregelen verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

2.        Het staat de lidstaten vrij na de inwerkingtreding van deze richtlijn bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen te sluiten c.q. te treffen die verder reiken dan de doelstellingen van deze richtlijn en ertoe bijdragen de procedures voor het nemen van beschermingsmaatregelen te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

3.        Uiterlijk …(9)*, stellen de lidstaten ▌de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten en regelingen die zij willen blijven toepassen. De lidstaten stellen ▌de Commissie voorts in kennis van nieuwe overeenkomsten of regelingen in de zin van lid 2, binnen drie maanden na de ondertekening ervan.

Artikel 18 bisVerhouding tot andere instrumenten

1.        Deze richtlijn laat onverlet de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(10), Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000(11), het Verdrag van 's-Gravenhage van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, en het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.

2.        Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad en Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad.

Artikel 19Tenuitvoerlegging

1.        De lidstaten doen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ...(12)* aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.        De lidstaten delen ▌de Commissie de tekst mede van de belangrijkste nationaalrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19 bisGegevensverzameling

Teneinde de evaluatie van de toepassing van deze richtlijn te vergemakkelijken verstrekken de lidstaten aan de Europese Commissie relevante gegevens met betrekking tot de toepassing van nationale procedures inzake het Europees beschermingsbevel. In ieder geval worden gegevens verstrekt over het aantal keren dat een Europees beschermingsbevel is aangevraagd, uitgevaardigd en/of erkend.

Artikel 20Evaluatie

Uiterlijk op…(13)*, brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn. Dit verslag gaat, indien nodig, vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

Artikel 21Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te ▌,

Voor het Europees Parlement                                   Voor de Raad

De Voorzitter                                                         De voorzitter

BIJLAGE I

EUROPEES BESCHERMINGSBEVELbedoeld in artikel 6 van de

RICHTLIJN 2010/…/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN... BETREFFENDE HET EUROPEES BESCHERMINGSBEVEL(14)*

De op dit formulier verstrekte informatie dient vertrouwelijk te worden behandeld

Beslissingsstaat:

Tenuitvoerleggingsstaat:

 

 

(a)         Gegevens betreffende de beschermde persoon:

Naam:

Voornaam of voornamen:

Meisjesnaam of vroegere naam, indien van toepassing:

Geslacht:

Nationaliteit.

Persoonsnummer of socialeverzekeringsnummer (indien beschikbaar):

Geboorteplaats:

Geboorteplaats:

Adressen/verblijfplaatsen:

 in de beslissingsstaat:

 in de tenuitvoerleggingsstaat:

 elders:

Taal of talen die de persoon verstaat (indien bekend):

Als deze informatie zonder nader onderzoek beschikbaar is: heeft de beschermde persoon in de beslissingsstaat recht op kosteloze rechtsbijstand?

          Ja.

          Nee.

        Onbekend.

Wanneer de beschermde persoon minderjarig of juridisch handelingsonbekwaam is, gegevens betreffende de voogd of vertegenwoordiger van de natuurlijke persoon:

Naam:

Voornaam of voornamen:

Meisjesnaam of vroegere naam, indien van toepassing:

Geslacht:

Nationaliteit.

Kantooradres:

 

 

 

(a bis)   De beschermde persoon besluit in de tenuitvoerleggingsstaat te gaan wonen of verblijven of woont of verblijft daar reeds.

Datum met ingang van wanneer de beschermde persoon voornemens is in de tenuitvoerleggingsstaat te gaan wonen of verblijven (indien bekend):

             Periode(n) van verblijf (indien bekend):

 

(b)         Is de beschermde persoon of de persoon die gevaar veroorzaakt apparatuur ter beschikking gesteld ter handhaving van de beschermingsmaatregel?

 

 

  Ja; gelieve in het kort te vermelden wat voor apparatuur:

 

 

  Nee.

(c)         Bevoegde autoriteit die het Europees beschermingsbevel heeft uitgevaardigd:

Officiële naam:

Volledig adres:

Tel. nr. (landnummer) (netnummer) (nummer)

Fax: (landnummer) (netnummer) (nummer)

Gegevens van de contactpersoon of -personen:

Naam:

Voornaam of voornamen:

Functie (titel/rang):

Tel. nr. (landnummer) (netnummer) (nummer)

Fax: (landnummer) (netnummer) (nummer)

E-mailadres (indien beschikbaar):

Talen waarin kan worden gecommuniceerd:

 

 

(d)         Nadere gegevens betreffende de beschermingsmaatregel op basis waarvan het Europees beschermingsbevel is gegeven:

De beschermingsmaatregel is gegeven op (datum: DD-MM-JJJJ):

De beschermingsmaatregel is uitvoerbaar geworden op (datum: DD-MM-JJJJ):

 

Dossiernummer van de beschermingsmaatregel (eventueel):

 

Autoriteit die de beschermingsmaatregel heeft genomen:

 

(e)         Samenvatting van de feiten en beschrijving van de omstandigheden, waaronder, indien van toepassing, een beschrijving van de aard van het strafbare feit, die tot het opleggen van de in punt d) hiervoor genoemde beschermingsmaatregel hebben geleid:

(f)          Nadere gegevens betreffende de verplichting(en) of het verbod/de verboden die bij de beschermingsmaatregel zijn opgelegd aan de persoon die gevaar veroorzaakt:

 Aard van de verplichting(en): (er mogen verschillende vakjes worden aangekruist):

     een verbod tot het betreden van bepaalde locaties, plaatsen of omschreven gebieden waar de beschermde persoon verblijft of die door hem worden bezocht;

 indien u dit vakje heeft aangeruist, gelieve nauwkeurig te vermelden welke locaties, plaatsen of omgeschreven gebieden de persoon die gevaar veroorzaakt, niet mag betreden:

      een verbod op of het verbinden van regels aan iedere vorm van contact met de beschermde persoon, ook per telefoon, elektronische of gewone post, fax of anderszins;

 indien u dit vakje heeft aangekruist, gelieve de nodige gegevens te verstrekken:

     een verbod de beschermde persoon tot binnen een bepaalde afstand te benaderen, of het opleggen van regels ter zake;

 indien u dit vakje heeft aangekruist, gelieve nauwkeurig te vermelden welke perimeter de persoon die gevaar veroorzaakt ten aanzien van de beschermde persoon in acht moet nemen:

 Gelieve te vermelden hoe lang de bovenstaande verplichting(en) de persoon die gevaar veroorzaakt zijn opgelegd:

 Straf of sanctie die bij overtreding van het verbod opgelegd zou kunnen worden:

 

(g)         Gegevens betreffende de persoon die gevaar veroorzaakt en aan wie de in punt f) genoemde verplichting(en) is/zijn opgelegd:

Naam:

Voornaam of voornamen:

Meisjesnaam of vroegere naam, indien van toepassing:

Aliassen, indien van toepassing:

Geslacht:

Nationaliteit.

Persoonsnummer of socialeverzekeringsnummer (indien beschikbaar):

Geboorteplaats:

Geboorteplaats:

Adressen/verblijfplaatsen:

 in de beslissingsstaat:

 in de tenuitvoerleggingsstaat:

 elders:

Taal of talen die de persoon verstaat (indien bekend):

Gelieve in voorkomend geval de volgende gegevens te vermelden:

 Aard en nummer van het identiteitsdocument of de identiteitsdocumenten van de persoon (identiteitskaart, paspoort):

 

Als deze informatie zonder nader onderzoek beschikbaar is: heeft de beschermde persoon in de beslissingsstaat recht op kosteloze rechtsbijstand?

          Ja.

          Nee.

        Onbekend.

 

(h)         Andere omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op de inschatting van het gevaar waardoor de beschermde persoon getroffen zou kunnen worden (facultatief):

 

 

(h bis)   Overige nuttige gegevens (zoals informatie, indien beschikbaar en noodzakelijk, over andere landen die ten aanzien van dezelfde beschermde persoon eerder beschermingsmaatregelen hebben genomen):

 

 

(i)          Gelieve het passende vakje aan te kruisen en toelichting te geven:

     een vonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad is reeds toegezonden aan een andere lidstaat

 Indien u dit vakje heeft aangekruist, gelieve de contactgegevens te verstrekken van de bevoegde autoriteit waaraan het vonnis is toegezonden:

     er is reeds een beslissing over toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad toegezonden aan een andere lidstaat

 Indien u dit vakje heeft aangekruist, gelieve de contactgegevens te verstrekken van de bevoegde autoriteit waaraan de beslissing inzake toezichtmaatregelen is toegezonden:

Handtekening van de autoriteit die het Europees beschermingsbevel geeft en/of haar vertegenwoordiger, waarmee de juistheid van de inhoud van het bevel wordt bevestigd:

Naam:

Functie (titel/rang):

Datum:

Dossiernummer (eventueel):

Officieel stempel (indien van toepassing):

BIJLAGE II

FORMULIERbedoeld in artikel

9 ter van de

RICHTLIJN 2010/…/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN... BETREFFENDE HET EUROPEES BESCHERMINGSBEVEL(15)*

MELDING VAN EEN INBREUK OP DE AAN HET EUROPEES BESCHERMINGSBEVEL TEN GRONDSLAG LIGGENDE EN DAARIN BESCHREVEN BESCHERMINGSMAATREGEL

De op dit formulier verstrekte informatie dient vertrouwelijk te worden behandeld

(a)         Gegevens betreffende de identiteit van de persoon die gevaar veroorzaakt:

Naam:

Voornaam of voornamen:

Meisjesnaam of vroegere naam, indien van toepassing:

Aliassen, indien van toepassing:

Geslacht:

Nationaliteit.

Persoonsnummer of socialeverzekeringsnummer (indien beschikbaar):

Geboorteplaats:

Geboorteplaats:

Adres

Taal of talen die de persoon verstaat (indien bekend):

 

(b)         Gegevens betreffende de identiteit van de beschermde persoon:

Naam:

Voornaam of voornamen:

Meisjesnaam of vroegere naam, indien van toepassing:

Geslacht:

Nationaliteit.

Geboorteplaats:

Geboorteplaats:

Adres

Taal of talen die de persoon verstaat (indien bekend):

 

(c)         Nadere gegevens betreffende het Europees beschermingsbevel:

Bevel gegeven op:

Dossiernummer (eventueel):

Autoriteit die het bevel heeft gegeven:

Officiële naam:

Adres

(d)         Nadere gegevens betreffende de autoriteit die verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de eventuele beschermingsmaatregel die uit hoofde van het Europees beschermingsbevel in de tenuitvoerleggingsstaat is genomen:

Officiële naam:

Naam van de contactpersoon:

Functie (titel/rang):

Adres

Tel.: (landnummer) (netnummer) (nummer)

Fax.: (landnummer) (netnummer) (nummer)

E-mailadres:

Talen waarin kan worden gecommuniceerd:

 

(e)         Inbreuk op de door de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat naar aanleiding van de erkenning van het Europees beschermingsbevel opgelegde verplichting(en) en/of andere bevindingen die kunnen leiden tot een vervolgbeslissing:

Er is inbreuk gemaakt op de volgende verplichting(en) (er mag meer dan één vakje worden aangekruist):

      een verbod tot het betreden van bepaalde locaties, plaatsen of omschreven gebieden waar de beschermde persoon verblijft of die door hem worden bezocht;

      een verbod op of het verbinden van regels aan iedere vorm van contact met de beschermde persoon, ook per telefoon, elektronische of gewone post, fax of anderszins;

      een verbod de beschermde persoon tot binnen een bepaalde afstand te benaderen, of het opleggen van regels ter zake;

      iedere andere na erkenning van het Europees beschermingsbevel door de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat genomen maatregel die in overeenstemming is met de op grond van het Europees beschermingsbevel genomen beschermingsmaatregel

Beschrijving van de inbreuk(en) (plaats, datum, nadere bijzonderheden):

Overeenkomstig artikel 9 bis, lid 2:

- maatregelen die in de tenuitvoerleggingsstaat worden genomen naar aanleiding van de overtreding:

- mogelijke andere juridische gevolgen van de overtreding in de tenuitvoerleggingsstaat:

Andere bevindingen die aanleiding kunnen geven tot een vervolgbeslissing

Beschrijving:

(f)          Contactgegevens van de persoon die benaderd moet worden voor aanvullende informatie over de inbreuk:

Naam:

Voornaam of voornamen:

Adres

Tel. nr. (landnummer) (netnummer) (nummer)

Fax: (landnummer) (netnummer) (nummer)

E-mailadres:

Talen waarin kan worden gecommuniceerd:

Handtekening van de autoriteit die het formulier afgeeft en/of haar vertegenwoordiger, waarmee de juistheid van de inhoud van het formulier wordt bevestigd:

Naam:

Functie (titel/rang):

Datum:

Officieel stempel (indien van toepassing):

 

(1)

*       Wijzigingen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool▐ aangegeven.

(2)

       PB L 337 van 16.12.2008, blz. 102.

(3)

       PB L 294 van 11.11.2009, blz. 20.

(4)

      PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

(5)

      PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.

(6)

      PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

(7)

      PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.

(8)

      PB L 348 van 24.12.2008, blz. 130.

(9)

*       PB: gelieve datum 3 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

(10)

      PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

(11)

      PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.

(12)

*       PB: gelieve datum 3 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

(13)

*       PB: gelieve datum 4 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

(14)

*       PB: nummer en datum van deze richtlijn invullen.

(15)

*       PB: nummer en datum van deze richtlijn invullen.


TOELICHTING

Het door 12 lidstaten ingediende initiatief voor een richtlijn betreffende het Europees beschermingsbevel is bedoeld om misdrijven te voorkomen. Het optreden van de lidstaten die de beschermingsbevelen voor de slachtoffers in gang hebben gezet, is in feite beperkt tot aan de grenzen van de beslissingsstaat. De slachtoffers verplaatsen zich om uiteenlopende redenen echter tussen de verschillende lidstaten, vaak om tegen hen gerichte misdrijven te vermijden. Als gevolg van deze verplaatsingen zijn zij weerloos zolang de politiële en justitiële samenwerking niet zorgt voor een waarschuwings- en preventiemechanisme ter ondersteuning van haar eigen verdediging, dat snel en doeltreffend werkt in de hele EU. De opzet van dit mechanisme voor politiële en justitiële samenwerking ligt aan dit initiatief ten grondslag. Uit de maatregelen van de lidstaten is gebleken dat misdrijven op Europees niveau kunnen worden voorkomen wanneer de dader of daders bekend zijn.

In Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure en in Richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven wordt verwezen naar de aanbeveling van de Raad van Europa van 28 juni 1985 inzake de positie van het slachtoffer in het kader van de strafwet en de strafrechtelijke procedure, maar wordt de preventie van het misdrijf niet aangekaart, wat in het onderhavige voorstel wel het geval is.

In het programma van Stockholm en het bijbehorende actieplan wordt vastgesteld dat de situatie van de slachtoffers moet worden verbeterd, geweld moet worden bestreden en de toegang tot de rechter in de Europese justitiële ruimte moet worden vergemakkelijkt, vooral in grensoverschrijdende procedures (Programma van Stockholm 3.4.1). In het kader hiervan wordt er in de mededeling van de Commissie over het actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm (COM(2010)0171)1 op gewezen dat de verschillen tussen de waarborgen die slachtoffers van misdrijven worden geboden, in kaart moeten worden gebracht en verkleind, zodat met alle mogelijke middelen de bescherming kan worden vergroot. Met het oog hierop wordt gepleit voor het aannemen van een wetgevingsvoorstel inzake een allesomvattend instrument voor slachtofferbescherming en een actieplan met praktische maatregelen, waaronder de ontwikkeling van een Europees beschermingsbevel.

In overeenstemming met de uit de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon voortvloeiende procedures, voorziet artikel 51 van het Reglement van het Europees Parlement in horizontale samenwerking bij de voorbereiding van verslagen. Het huidige verslag bevat de resultaten van de discussies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, alsook van de samenwerking tussen beide rapporteurs.

Op 5 januari 2010 presenteerde de Europese Raad zijn eerste voorstel voor een richtlijn inzake een Europees beschermingsbevel voor slachtoffers. Sindsdien is dit voorstel door de Raad meerdere malen gewijzigd en herzien. De inhoud en de opzet van de rechtsgrondslag van het voorstel van de Raad waren grotendeels gebaseerd op een vragenlijst die in oktober 2009 door 20 EU-lidstaten werd beantwoord.

Dit verslag en de voorgestelde amendementen van beide rapporteurs zijn gebaseerd op de versie van de Raad van 22 januari.

De Raad definieert slachtofferbescherming als het in werking zetten van de juiste mechanismen om te voorkomen dat een overtreder hetzelfde of een ander, misschien wel ernstiger, misdrijf tegen hetzelfde slachtoffer begaat. Deze beschermingsmaatregelen zijn alleen van toepassing op het grondgebied waar zij door een rechterlijke instantie zijn vastgesteld. De Raad streeft naar een mechanisme om de beschermingsmaatregelen uit te breiden naar een andere lidstaat. Met andere woorden wil de Raad voorkomen dat een slachtoffer in geval van verhuizing naar een andere lidstaat de hele juridische procedure voor het verkrijgen van de beschermingsmaatregelen opnieuw moet doorlopen.

Standpunt van de rapporteurs:

De rapporteurs zijn het grotendeels eens met het voorstel van de Raad. Gezien het Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm, het initiatief van de Europese Unie voor het behouden en ontwikkelen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid dat door de Europese Raad werd goedgekeurd op zijn vergadering van 10 en 11 december, zullen er op deze richtlijn nog vele initiatieven volgen voor het bereiken van deze doelen. Slachtoffers van geweld moeten niet alleen in hun eigen land tegen kwaad van de overtreder worden beschermd, maar zij moeten binnen de hele Europese Unie beroep kunnen doen op dit soort preventieve maatregelen. Daarom steunen de rapporteurs het algemene concept van het beschermingsbevel.

Het toepassingsgebied van het initiatief heeft bewust een open karakter. Hoewel het merendeel van de geldende beschermingsbevelen van toepassing zijn op vrouwelijke slachtoffers van genderspecifiek geweld, kan ieder ander slachtoffer van geweld, of het nu een jongen, meisje, man of vrouw betreft, zolang de dader bekend is, onderwerp uitmaken van dit initiatief. In deze context wordt in het programma van Stockholm gesteld dat slachtoffers van misdrijven, met inbegrip van terrorisme, die het kwetsbaarst zijn of zich in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden, zoals mensen die het slachtoffer zijn van herhaald geweld in persoonlijke relaties, slachtoffers van genderspecifiek geweld, of mensen die slachtoffer worden van andere strafbare feiten in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan of inwoner zijn, speciale steun en juridische bescherming nodig hebben. Daarom zou een Europees beschermingsbevel van toepassing moeten zijn op alle slachtoffers van geweld, zoals getuigen, slachtoffers van mensenhandel, genitale verminking bij vrouwen, gedwongen huwelijken, eermoorden, incest, genderspecifiek geweld, terrorisme en georganiseerde misdaad, ongeacht de leeftijd of het geslacht van het slachtoffer, wanneer er sprake is van een bekende dader. Als het slachtoffer te jong is voor de uitvaardiging van een bevel, moet hij of zij ondersteuning en goedkeuring krijgen van een voogd of wettelijk vertegenwoordiger.

De voor deze richtlijn voorgestelde wijzigingen verbeteren de tekst op de volgende punten:

- verbeterde voorwaarden voor het intrekken van het Europees beschermingsbevel,

- continuïteit van de wettelijke bescherming,

- beperking van de redenen voor niet-erkenning of weigering van het Europees beschermingsbevel,

- termijnen voor de inwerkingtreding van het bevel, dat binnen 20 dagen moet worden uitgevoerd,

- specificaties met betrekking tot de verplaatsingssituatie van het slachtoffer.

De rapporteurs zijn zich echter bewust van de complexiteit van het initiatief en van de uitdagingen waarmee deze richtlijn in de toekomst zal worden geconfronteerd. Er moet een oplossing worden gevonden voor het feit dat de lidstaten verschillende rechtssystemen hebben en dat de procedures zowel straf-, civiel- of bestuursrechtelijk kunnen zijn.

De rapporteurs streven naar een zo goed mogelijke bescherming van de slachtoffers, onder andere door voor de nodige rechtszekerheid te zorgen. De slachtoffers moeten kunnen profiteren van duidelijke procedures, en altijd op de hoogte worden gebracht van de beschikbare procedures in zowel de beslissingsstaat als de landen waarnaar zij willen verhuizen of al verhuisd zijn. De redenen voor weigering moeten voorts zo beperkt mogelijk zijn en het slachtoffer moet duidelijk worden gemaakt wat deze redenen zijn.

Voorts houdt slachtofferbescherming niet alleen lichamelijke bescherming in. Wanneer we spreken van slachtofferbescherming moet ook de waardigheid van slachtoffers in overweging worden genomen. Zoals vermeld in het Kaderbesluit van de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers, en tot intrekking van Kaderbesluit 2002/629/JBZ, moet elke maatregel die de Unie op dit gebied neemt, de grondrechten eerbiedigen en de beginselen naleven van met name het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), met name de menselijke waardigheid. Ook wordt vermeld dat iedere bepaling die bedoeld is om slachtoffers te ondersteunen bij de concrete uitoefening van hun rechten in strafzaken, zoals ondersteuningsmaatregelen, psychologische ondersteuning en juridische bijstand, hen weerbaarder moet maken en moet bijdragen tot meer eerbiediging van hun waardigheid. In dit opzicht beschouwen de rapporteurs het als noodzakelijk de bescherming van slachtoffers dusdanig uit te breiden dat deze ook betrekking heeft op hun persoonlijke waardigheid, ongeacht of zij beslissen naar een ander land te verhuizen of reeds in een andere lidstaat wonen.

Deze richtlijn beschermt mensen die slachtoffer zijn geworden van een enkele persoon. Uit de feiten blijkt echter dat ook meerdere personen iemand kunnen bedreigen of kwaad kunnen aandoen. Wanneer een rechter meerdere personen in groepsverband berecht en er beschermingsmaatregelen zijn opgelegd, moet het Europees beschermingsbevel, indien het wordt uitgevaardigd, ook voorzien in bescherming tegen geweld dat wordt veroorzaakt door een groep personen.

In dit initiatief van een groep lidstaten wordt niet voorzien in morele ondersteuning, die ook deel moet uitmaken van de richtlijn. Slachtoffers die morele schade hebben geleden als gevolg van welke vorm van geweld dan ook moeten toegang krijgen tot de juiste informatie over en ondersteuning bij het beginnen van een nieuw leven zonder dat zij afstand moeten doen van de opgelegde beschermingsmaatregelen, ook voordat zij zich voornemen naar een andere lidstaat te verhuizen. Deze vorm van ondersteuning moet tijdens het hele proces worden overwogen.

Dit verslag is het resultaat van het werk van twee rapporteurs die ervoor willen zorgen dat het Europees beschermingsbevel een krachtig instrument wordt voor het bieden van meer veiligheid aan slachtoffers van geweld over de grenzen van de lidstaten heen.


ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

De heer Juan Fernando López Aguilar

Voorzitter

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

BRUSSEL

en

mevrouw Eva-Britt Svensson

Voorzitter

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

BRUSSEL

Betreft:            Advies inzake de rechtsgrondslag van het initiatief voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees beschermingsbevel (00002/2010 – C7‑0006/2010 – 2010/0802(COD))

Geachte collega's,

Het voorstel betreffende een Europees beschermingsbevel is gebaseerd op een gezamenlijk initiatief voor een richtlijn van twaalf EU-lidstaten(1), dat in januari 2010 is ingediend(2). Met de richtlijn wordt beoogd de bescherming van slachtoffers of mogelijke slachtoffers van misdrijven die van de ene naar de andere lidstaat van de Europese Unie verhuizen, te vergemakkelijken en te versterken, en dan met name waar het gaat om misdrijven die een bedreiging kunnen vormen voor het leven, de fysieke, psychische en seksuele integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Het uiteindelijke doel is nieuwe misdrijven te voorkomen en de gevolgen van reeds gepleegde misdrijven te temperen.

De voor de ontwerprichtlijn voorgestelde rechtsgrondslag is artikel 82, lid 1, onder d) VWEU, dat betrekking heeft op justitiële samenwerking in strafzaken.

Bij brief van 7 oktober 2010 heeft u de Commissie juridische zaken om advies gevraagd over de rechtsgrondslag van het voorstel. Gebleken is dat na een oriënterende stemming die tijdens een gezamenlijke vergadering van uw beider commissies overeenkomstig artikel 51 van het Reglement werd gehouden met het oog op de onderhandelingen met de Raad, een amendement werd goedgekeurd waarin artikel 82, lid 1, onder a) VWEU inzake erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen als aanvullende rechtsgrondslag werd toegevoegd.

I. Achtergrond

Het Verdrag van Lissabon maakte een einde aan het tot dan toe bestaande pijlersysteem, zodat nu vrijwel alle wetgeving op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, waaronder artikel 82 VWEU, dat valt onder Titel V, Hoofdstuk 4 inzake justitiële samenwerking in strafzaken, moet worden aangenomen volgens de gewone wetgevingsprocedure.

Er blijft op dit gebied een beperkte uitzondering bestaan op de algemene regel dat de Commissie als enige wetgevingsinitiatieven kan nemen. Artikel 76 VWEU bepaalt namelijk dat een kwart van de lidstaten wetgeving mag initiëren op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking (en op het gebied van administratieve samenwerking op die gebieden).

Op 5 januari 2010 presenteerde de Raad zijn eerste voorstel voor een richtlijn inzake een Europees beschermingsbevel voor slachtoffers(3). Sindsdien is dit voorstel door de Raad meerdere malen gewijzigd en herzien. De inhoud en de opzet van de rechtsgrondslag van het voorstel van de Raad waren grotendeels gebaseerd op een vragenlijst die in oktober 2009 door 20 EU-lidstaten werd beantwoord(4).

Het initiatief beoogt een Europees beschermingsbevel voor slachtoffers van misdrijven tot stand te brengen waarbij de beschermingsmaatregelen die in de ene lidstaat zijn aangenomen door de rechterlijke autoriteiten van de andere lidstaat worden erkend, toegepast en gehandhaafd. Een dergelijk systeem kan ervoor zorgen dat het voor een beschermde persoon onnodig is in een lidstaat waarnaar hij verhuist of verhuisd is een overeenkomstige zaak aanhangig te maken.

De aan dit voorstel ten grondslag liggende gedachte is dat slachtoffers van criminaliteit niet alleen recht hebben op respect, herstel van de veroorzaakte schade en bestraffing van de dader op basis van een eerlijk proces waarin de rechten van alle partijen gewaarborgd worden, maar tevens het recht hebben ertegen te worden beschermd wederom slachtoffer te worden van een misdrijf, met name door dezelfde dader.

Om die reden moeten de juiste mechanismen in werking worden gezet om te voorkomen dat een overtreder hetzelfde of een ander, misschien wel ernstiger, misdrijf tegen hetzelfde slachtoffer begaat. Dergelijke gevallen van recidive zijn met name frequent bij gendergerelateerd geweld, hoewel zij ook voorkomen bij andere vormen van criminaliteit, zoals mensenhandel of seksuele uitbuiting van minderjarigen.

Alle lidstaten kennen de mogelijkheid maatregelen te nemen om het leven, de fysieke, psychische en seksuele integriteit en de vrijheid van slachtoffers te beschermen, maar deze maatregelen sorteren vooralsnog alleen effect op het grondgebied van de staat die deze maatregelen neemt en laten slachtoffers onbeschermd wanneer zij staatsgrenzen overschrijden. Daarom zou de door een lidstaat aan slachtoffers van criminaliteit verleende bescherming niet beperkt mogen blijven tot het grondgebied van die lidstaat, maar moeten slachtoffers overal in de EU bescherming kunnen genieten, waar zij ook naartoe gaan.

Uit cijfers die op dit gebied beschikbaar zijn (uitsluitend met betrekking tot gendergerelateerde misdrijven) blijkt dat er naar aanleiding van gendergerelateerd geweld door de lidstaten ten aanzien van meer dan 100.000 in de EU wonende vrouwen allerlei beschermingsmaatregelen zijn genomen. Deze cijfers houden geen rekening met slachtoffers van mensenhandel en andere misdrijven.

Gezien het gemak waarmee plegers van misdrijven zich binnen de EU kunnen bewegen, is het een goede zaak dat de reikwijdte van de beschermingsmaatregelen die in een lidstaat zijn genomen kan worden uitgebreid, zodat slachtoffers die hun recht op vrij verkeer willen uitoefenen worden beschermd. Zou dat niet het geval zijn, dan zouden slachtoffers een keuze moeten maken tussen het uitoefenen van hun recht op vrij verkeer als burgers van de unie of het uitoefenen van hun recht op bescherming. Dat is onaanvaardbaar.

Het Parlement heeft de lidstaten herhaaldelijk verzocht de toepassing van juridische procedures te evalueren en obstakels uit de weg te ruimen die ervoor zorgen dat vrouwen geen wettelijke bescherming kunnen claimen(5).

Verder zij opgemerkt dat de EU-wetgever op het gebied van de bescherming van slachtoffers niet heeft stilgezeten. Zo is er Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, dat betrekking heeft op de procedurele rechten van slachtoffers(6), en Richtlijn 2004/80/EG van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven(7).

De bescherming van slachtoffers is een van de belangrijkste doelstellingen van de Europese Unie op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Daarnaast staat in het programma van Stockholm ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht dat door de Europese Raad op zijn vergadering van 10 en 11 december 2009 werd goedgekeurd, dat getuigen of slachtoffers van strafbare feiten die gevaar lopen, een bijzondere bescherming kan worden geboden die in de gehele Unie effectief moet zijn.

Op 17 februari 2010 bracht de juridische dienst van de Raad op verzoek van de Raad een advies(8) uit waarin men tot de slotsom kwam dat artikel 82, lid 1, onder d) VWEU kan worden gebruikt als rechtsgrondslag voor de ontwerprichtlijn, maar dat het daarbij passend is tevens te verwijzen naar artikel 82, lid 1, onder a) om op die manier volledig recht te doen aan dit initiatief als instrument voor erkenning van rechterlijke uitspraken.

II. Het standpunt van de bevoegde commissies

Tijdens bovengenoemde gezamenlijke vergadering van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 29 september 2010 werd na een oriënterende stemming ter goedkeuring van het mandaat voor onderhandelingen met de Raad met het oog op het bereiken van een compromis in eerste lezing een groot aantal amendementen goedgekeurd.

Amendement 1 van deze amendementen voegt artikel 82, lid 1, onder a) VWEU inzake de erkenning van alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen toe als aanvullende rechtsgrondslag. Dit heeft duidelijk betrekking op vonnissen en rechterlijke uitspraken in strafzaken.

Tegelijkertijd werden andere amendementen goedgekeurd (de amendementen 18 en 84) waarin expliciet werd gesteld dat het voorstel voor een richtlijn geen afbreuk doet aan de toepassing van bestaande instrumenten voor wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken, noch deze wijzigt of vervangt.

In de toelichting bij het ontwerpverslag van 20 mei 2010 stellen de rapporteurs dat zij het grotendeels eens zijn met het voorstel van de Raad, waarbij zij benadrukken dat het toepassingsgebied van het initiatief bewust een open karakter heeft en dat een Europees beschermingsbevel daarom van toepassing zou moeten zijn op alle slachtoffers van geweld, zoals slachtoffers van mensenhandel, vrouwen die het slachtoffer zijn van genitale verminking, slachtoffers van gedwongen huwelijken, eermoorden, incest, genderspecifiek geweld, getuigen, alsmede slachtoffers van terrorisme en georganiseerde misdaad, ongeacht de leeftijd of het geslacht van het slachtoffer, wanneer er sprake is van een bekende dader. Verder stellen zij dat de voorgestelde amendementen ten doel hebben de tekst van het voorstel te verbeteren door te zorgen voor "continuïteit van de wettelijke bescherming" en "beperking van de redenen voor niet-erkenning of weigering van het Europees beschermingsbevel".

III. Voorgestelde rechtsgrondslag

De voor de richtlijn voorgestelde rechtsgrondslag is artikel 82, lid 1, onder d) VWEU. De bevoegde commissies stellen voor 82, lid 1, onder a) als rechtsgrondslag toe te voegen.

Artikel 82 VWEU(9)

(oud artikel 31 VEU)

1. De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel 83 genoemde gebieden.

Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vast die ertoe strekken:

a) regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden;

b) jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen;

c) de opleiding van magistraten en justitieel personeel te ondersteunen;

d) in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen.

2. ...

3. ...

IV. Analyse van doel en inhoud

Zoals het Hof van Justitie heeft bevestigd(10), moet de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling.

Gezien de reikwijdte van de te beantwoorden vraag is het van belang bij de beantwoording daarvan te onderzoeken hoe het Europees beschermingsbevel moet gaan functioneren.

Wat is een Europees beschermingsbevel?

Een Europees beschermingsbevel is een in een lidstaat gegeven rechterlijke beslissing waarbij een beschermingsmaatregel wordt opgelegd die ertoe strekt een andere lidstaat in de gelegenheid te stellen in voorkomend geval krachtens zijn eigen nationaal recht een beschermingsmaatregel te nemen met het oog op de bescherming van het leven, de fysieke en psychische integriteit, de vrijheid of de seksuele integriteit van een persoon(11).

Daaruit vloeit voort dat een Europees beschermingsbevel slechts kan worden uitgevaardigd als de beslissingsstaat reeds een beschermingsmaatregel heeft opgelegd.

Een beschermingsmaatregel is een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat genomen beslissing waarbij een persoon die gevaar veroorzaakt, een of meer in artikel 2, lid 2, genoemde verplichtingen of verboden worden opgelegd, mits het overtreden van deze verplichtingen of verboden een strafbaar feit is volgens het recht van de betrokken lidstaat of in die lidstaat anderszins met een vrijheidsstraf kan worden bestraft.

De verplichtingen en verboden overeenkomstig artikel 2, lid 2, zijn:

a) een verplichting bepaalde locaties, plaatsen of omschreven gebieden waar de beschermde persoon verblijft of die door hem worden bezocht, niet te betreden;

b) een verplichting om, in voorkomend geval gedurende aangegeven perioden, op een aangegeven plaats te blijven;

c) een verplichting houdende beperking van het recht om het grondgebied van de beslissingsstaat te verlaten;

d) een verplichting om contact met de beschermde persoon te vermijden; of

e) een verbod de beschermde persoon tot binnen een bepaalde afstand te benaderen.

Het uitvaardigen van een Europees beschermingsbevel

Een Europees beschermingsbevel kan worden gegeven wanneer de beschermde persoon voornemens is de beslissingsstaat te verlaten of deze heeft verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven. Het geven van een Europees beschermingsbevel is uitsluitend mogelijk onder de voorwaarde dat de staat die dat beschermingsbevel geeft voordien een beschermingsmaatregel heeft genomen.

Een Europees beschermingsbevel kan uitsluitend op verzoek van de beschermde persoon worden gegeven door een rechterlijke of andere bevoegde autoriteit(12) van de beslissingsstaat. (De beschermde persoon kan daartoe bij de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat een verzoek indienen, waarna die autoriteit het verzoek vervolgens doet toekomen aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat.)

De autoriteit die een beschermingsmaatregel in de zin van de richtlijn vaststelt, heeft de verplichting de beschermde persoon op de hoogte te brengen van de mogelijkheid een verzoek om een Europees beschermingsbevel in te dienen wanneer hij/zij voornemens is zich naar een andere lidstaat te begeven, alsmede de verplichting de beschermde persoon het advies te geven een dergelijk verzoek voor vertrek in te dienen.

Vorm van het Europees beschermingsbevel

Bij de voorgestelde richtlijn is als bijlage een standaardformulier voor het Europees beschermingsbevel opgenomen. Een Europees beschermingsbevel dient de volgende gegevens te bevatten: de identiteit en de nationaliteit van de beschermde persoon(13), het gebruik van technologische instrumenten die de beschermde persoon ter beschikking zijn gesteld, gegevens over de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, een vermelding van de beschermingsmaatregel op basis waarvan het Europees beschermingsbevel wordt gegeven, een beknopte weergave van de feiten en omstandigheden die geleid hebben tot het opleggen van de beschermingsmaatregel, de bij de beschermingsmaatregel die aan het Europees beschermingsbevel ten grondslag ligt aan de persoon die gevaar veroorzaakt opgelegde verplichtingen of verboden, de duur daarvan en de uitdrukkelijke vermelding dat inbreuk op de beschermingsmaatregel een strafbaar feit is krachtens het recht van de beslissingsstaat of anderszins met vrijheidsbeneming kan worden bestraft, de identiteit en de nationaliteit van de persoon die gevaar veroorzaakt en, indien van toepassing, de andere omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op de beoordeling van het gevaar waaraan de beschermde persoon blootgesteld wordt, de uitdrukkelijke mededeling, indien van toepassing, dat een vonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad of een beslissing inzake toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad, reeds is overgedragen aan een andere lidstaat, alsmede de opgave van de voor de tenuitvoerlegging van een dergelijk vonnis of een dergelijke beslissing bevoegde autoriteit.

Moet de tenuitvoerleggingsstaat een Europees beschermingsbevel erkennen?

Artikel 3 schrijft voor dat de lidstaten Europese beschermingsbevelen die overeenkomstig het bepaalde in de richtlijn tot stand zijn gebracht moeten erkennen. Daarbij zij opgemerkt dat het tweede lid van artikel 3 bepaalt dat de richtlijn niet "tot gevolg [kan] hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 van het VEU, wordt aangetast".

Artikel 9 bepaalt evenwel dat een lidstaat de erkenning van een Europees beschermingsbevel kan weigeren, mits deze weigering met redenen is omkleed. Dat is echter slechts mogelijk in de volgende gevallen:

a) het Europees beschermingsbevel is onvolledig of is niet vervolledigd binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat vastgestelde termijn;

b) aan de voorwaarden van artikel 2, lid 2,(14) is niet voldaan;

c) de bescherming vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel waarvoor krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat gratie kan worden verleend en heeft betrekking op een handeling die krachtens dat recht onder de bevoegdheid van die staat valt;

d) krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat geniet de persoon die gevaar veroorzaakt onschendbaarheid, hetgeen het onmogelijk maakt de beschermingsmaatregelen te nemen;

Wat gebeurt er in de tenuitvoerleggingsstaat?

Artikel 8 van de voorgestelde richtlijn bepaalt: De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat:

a) erkent het Europees beschermingsbevel en neemt alle maatregelen die haar in een soortgelijk geval krachtens haar nationaal recht ter beschikking staan om de bescherming van de beschermde persoon te waarborgen (tenzij zij beslist een van de gronden voor niet-erkenning in te roepen);

b) brengt de persoon die gevaar veroorzaakt op de hoogte van de in de tenuitvoerleggingsstaat genomen maatregelen;

c) neemt de dringende en voorlopige maatregelen die nodig zijn om de ononderbroken bescherming van de beschermde persoon te waarborgen; en

d) brengt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat onmiddellijk op de hoogte van iedere inbreuk op de in het Europees beschermingsbevel genoemde beschermingsmaatregelen (door middel van een modelformulier).

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat dient de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat en de beschermde persoon op de hoogte te brengen van de maatregelen die zij neemt.

Vervolgbeslissingen na het uitvaardigen van een Europees beschermingsbevel

Uitsluitend de beslissingsstaat mag de beschermingsmaatregel hernieuwen, evalueren, intrekken of wijzigen, een aanhoudingsbevel o.i.d. uitvaardigen, of een nieuwe strafprocedure tegen de persoon die het gevaar veroorzaakt inleiden. Op al deze vervolgbeslissingen is het recht van de beslissingsstaat van toepassing (artikel 10).

De tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van een Europees beschermingsbevel intrekken wanneer er bewijs voorhanden is dat de beschermde persoon het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat definitief heeft verlaten (artikel 11).

De krachtens de richtlijn door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat genomen beslissingen vallen onder het nationaal recht van deze staat (artikel 13).

V. Conclusie

Uit bovenstaande analyse blijkt dat het, gelet op de aard van het Europees beschermingsbevel zoals dat wordt voorgesteld, absoluut passend is de grondslag van artikel 82, lid 1, onder d), dat beoogt in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen, aan te vullen met artikel 82, lid 1, onder a), dat betrekking heeft op het vastleggen van "regels en procedures [...] waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden".

Dientengevolge kan artikel 82, lid 1, onder d) VWEU dienen als rechtsgrondslag voor de ontwerprichtlijn, maar is het passend tevens te verwijzen naar artikel 82, lid 1, onder a) VWEU, om ten volle rekening te houden met dit initiatief als instrument voor erkenning van rechterlijke uitspraken.

VI. Aanbeveling

De commissie behandelde bovengenoemd onderwerp op haar vergadering van 28 oktober 2010.

Op haar vergadering van 28 oktober 2010 besloot de Commissie juridische zaken bijgevolg met eenparigheid van stemmen(15) uw commissie de volgende aanbeveling te doen: het voorstel voor een richtlijn dient te worden aangenomen krachtens artikel 82, lid 1, onder a) en onder d) VWEU.

Hoogachtend,

Klaus-Heiner Lehne

(1)

De betrokken lidstaten zijn België, Bulgarije, Estland, Spanje, Frankrijk, Italië, Hongarije, Polen, Portugal, Roemenië, Finland en Zweden.

(2)

Zie document PE-CONS 2/10 van 22 januari 2010.

(3)

Zie document 17513/09 van 5 januari 2010.

(4)

Zie document 5002/10 van 6 januari 2010

(5)

Zie de resolutie van het Europees Parlement van 16 september 1997 over de noodzaak van een campagne in de gehele Europese Unie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen (PB C 304 van 6.10.1997, blz. 55). Zie tevens de resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2006 over de huidige situatie ten aanzien van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en mogelijke toekomstige actie (PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 66).

(6)

PB L 82 van 22.3.2001, blz. 1.

(7)

PB L 261 van 6.8.2004, blz. 15.

(8)

Zie raadsdocument 6516/10 van 17 februari 2010.

(9)

Benadrukking door auteur.

(10)

Arrest van 3 september 2009 in Zaak C-166/07 Europees Parlement tegen Raad, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.

(11)

Artikel 1 van de voorgestelde richtlijn.

(12)

Overeenkomstig artikel 4 delen de lidstaten het secretariaat-generaal van de Raad mede welke rechterlijke autoriteit of autoriteiten bevoegd is/zijn om een Europees beschermingsbevel uit te vaardigen en een dergelijk bevel te erkennen. De lidstaten kunnen andere autoriteiten dan rechterlijke autoriteiten aanwijzen als bevoegde autoriteit, mits deze autoriteiten volgens de nationale wet- en regelgeving bevoegd zijn voor het nemen van gelijkaardige besluiten.

(13)

en tevens de identiteit en de nationaliteit van diens wettelijke vertegenwoordiger indien de beschermde persoon minderjarig of juridisch handelingsonbekwaam is.

(14)

Zie hierboven.

(15)

Aanwezig voor de eindstemming: Raffaele Baldassarre (fungerend voorzitter), Sebastian Valentin Bodu (ondervoorzitter), Eva Lichtenberger (rapporteur voor advies), Françoise Castex, Marielle Gallo, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Daniel Hannan, Kurt Lechner, Bernhard Rapkay, Diana Wallis, Cecilia Wikström en Tadeusz Zwiefka


PROCEDURE

Title

European Protection Order

References

00002/2010 – C7-0006/2010 – 2010/0802(COD)

Committee responsible

       Date announced in plenary

LIBE-FEMM (Joint Committee meetings - Rule 51)

27.1.2010

Committee(s) asked for opinion(s)

       Date announced in plenary

 

 

 

 

Rapporteur(s)

       Date appointed

Carmen Romero López

2.3.2010

Teresa Jiménez-Becerril Barrio

2.3.2010

 

Legal basis disputed

       Date of JURI opinion

JURI

28.10.2010

 

 

 

Discussed in committee

3.5.2010

1.6.2010

22.6.2010

2.9.2010

 

29.9.2010

25.11.2010

 

 

Date adopted

29.11.2010

 

 

 

Result of final vote

+:

–:

0:

47

0

5

Members present for the final vote

Jan Philipp Albrecht, Regina Bastos, Emine Bozkurt, Simon Busuttil, Andrea Češková, Carlos Coelho, Marije Cornelissen, Silvia Costa, Tadeusz Cymański, Cornelia Ernst, Edite Estrela, Iratxe García Pérez, Ágnes Hankiss, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Lívia Járóka, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Philippe Juvin, Juan Fernando López Aguilar, Astrid Lulling, Claude Moraes, Elisabeth Morin-Chartier, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Raül Romeva i Rueda, Judith Sargentini, Nicole Sinclaire, Birgit Sippel, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Eva-Britt Svensson, Britta Thomsen, Wim van de Camp, Axel Voss, Renate Weber, Marina Yannakoudakis, Anna Záborská

Substitute(s) present for the final vote

Izaskun Bilbao Barandica, Ioan Enciu, Ana Gomes, Franziska Keller, Kartika Tamara Liotard, Rovana Plumb, Kyriacos Triantaphyllides, Cecilia Wikström, Glenis Willmott

Substitute(s) under Rule 187(2) present for the final vote

Eider Gardiazábal Rubial, María Irigoyen Pérez, Arlene McCarthy, Judith A. Merkies, Peter Skinner, Jutta Steinruck

Juridische mededeling - Privacybeleid