Procedure : 2010/2123(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0015/2011

Ingediende teksten :

A7-0015/2011

Debatten :

Stemmingen :

PV 03/02/2011 - 8.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0029

VERSLAG     
PDF 165kWORD 73k
31.1.2011
PE 454.685v02-00 A7-0015/2011

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Tamás Deutsch

(2010/2123(IMM))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Francesco Enrico Speroni

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Tamás Deutsch

(2010/2123(IMM))

Het Europees Parlement,

–   gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Tamás Deutsch, dat op 9 juni 2010 werd ingediend door de Hongaarse gerechtelijke autoriteiten, en van de ontvangst waarvan op 8 juli 2010 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–   na Tamás Deutsch te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

–   gelet op de artikelen 8 en 9 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–   gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986 en 21 oktober 2008(1),

–   gelet op afdeling 10(2) van wet LVII van 2004 over de status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement, afdeling 5(1) van wet LV van 1990 over de status van de leden van het Hongaarse parlement en afdeling 12(1) van wet LVII van 2004,

–   gelet op artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7‑0015/2011),

A. overwegende dat tegen de heer Tamás Deutsch, een lid van het Europees Parlement, door een Hongaars burger strafvervolging is ingesteld voor de rechtbank van het tweede en derde arrondissement van Boedapest wegens laster overeenkomstig afdeling 179(2) letters b en c van het Hongaarse strafwetboek,

B.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tijdens de zittingsduur van het Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, terwijl op deze immuniteit geen beroep kan worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen,

C. overwegende dat overeenkomstig afdeling 10(2) van wet LVII van 2004 over de status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement, een lid van het Europees Parlement dezelfde immuniteit krijgt als een lid van het Hongaarse parlement,

D. overwegende dat overeenkomstig afdeling 5(1) van wet LV van 1990 over de status van de leden van het Hongaarse parlement enkel met de voorafgaande instemming van het Hongaarse parlement strafvervolging tegen de leden kan worden ingesteld of voortgezet en dat overeenkomstig afdeling 12(1) van wet LVII van 2004 het Europees Parlement moet besluiten over de opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement,

E.  overwegende dat de heer Deutsch beschuldigd is van laster, een misdrijf dat hij zou hebben begaan in het kader van verklaringen over de klager in de loop van een radioprogramma dat werd uitgezonden op 25 maart 2010, waar de heer Deutsch was uitgenodigd in zijn functie van politicus en lid van het Europees Parlement,

F.  overwegende dat hier derhalve dient te worden vastgesteld dat de heer Deutsch standpunten heeft geuit in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement,

1.  besluit de immuniteit van Tamás Deutsch niet op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Hongarije.

(1)

Zaak 101/63 Wagner tegen Fohrmann en Krier [1964] Jur. 195, Zaak 149/85 Wybot tegen Faure en anderen [1986] Jur. 2391 en gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07 Marra tegen De Gregorio en Clemente, nog niet gepubliceerd in Jur.


TOELICHTING

I. FEITEN

Op de vergadering van 8 juli 2010 maakte de Voorzitter overeenkomstig artikel 6, lid 2, van het Reglement bekend dat hij een op 9 juni 2010 door de Hongaarse autoriteiten verzonden brief had ontvangen waarin om opheffing van de parlementaire immuniteit van de heer Deutsch werd verzocht.

De Voorzitter verwees dit verzoek overeenkomstig artikel 6, lid 3, naar de Commissie juridische zaken.

De rechtbank van het 2de en 3de arrondissement van Boedapest heeft het Europees Parlement gevraagd om opheffing van de immuniteit van zijn lid, de heer Tamás Deutsch, tegen wie strafvervolging werd ingesteld voor deze rechtbank. De heer Tamás Deutsch wordt in de zaak die bij de rechtbank van Boedapest aanhangig is, beschuldigd van laster overeenkomstig afdeling 179(2)(b-c) van het Hongaarse strafwetboek.

De heer Tamás Deutsch wordt ervan beschuldigd dat hij tijdens een uitzending van het radioprogramma "Let's discuss it" (Megbeszéljük) op het radiostation "Klubradio" op 25 maart 2010 een aantal verklaringen over het verleden van de klager heeft afgelegd die onwaar zouden zijn en die door de klager als lasterlijk worden beschouwd. De klager heeft dan ook strafvervolging ingesteld tegen de heer Tamás Deutsch.

II.       DE WET EN ALGEMENE BESCHOUWINGEN OVER DE IMMUNITEIT VAN DE LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. Artikelen 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 8 april 1965 bepalen het volgende:

Artikel 8:

           Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel 9:

           Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

a.        op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

b.        op het grondgebied van andere lidstaten, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

           De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

           Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

2. In het Reglement van het Europees Parlement wordt een en ander geregeld in de artikelen 6 en 7. Deze luiden als volgt:

Artikel 6 - Opheffing van de immuniteit:

1.        Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten streeft het Parlement in de eerste plaats naar handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en naar waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken.

2.        Ieder door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat tot de Voorzitter gericht verzoek om opheffing van de immuniteit van een lid, wordt ter vergadering medegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie.

Artikel 7 - Immuniteitsprocedures:

1.        De bevoegde commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de immuniteit en voorrechten onverwijld in volgorde van binnenkomst.

2.        De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de immuniteit en voorrechten in te willigen dan wel af te wijzen.

3.        De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij nodig acht om zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid van opheffing of verdediging van de immuniteit. Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord en kan alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die het voor het vormen van bovengenoemd oordeel nodig acht. Het betrokken lid kan zich doen vertegenwoordigen door een ander lid.

(...)

6.        In geval van verdediging van een voorrecht of immuniteit geeft de commissie aan of de omstandigheden een bestuursrechtelijke of andersoortige beperking vormen van de bewegingsvrijheid van de leden op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst van het Parlement, dan wel een mening die is geuit of een stem die is uitgebracht tijdens de uitoefening van hun ambt, ofwel onder bepaalde aspecten vallen van artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten die niet onder het nationale recht vallen, en stelt zij een voorstel op om de betrokken autoriteit te verzoeken de nodige conclusies te trekken.

7         De commissie kan een met redenen omkleed advies uitbrengen over de bevoegdheid ter zake van de desbetreffende autoriteit en over de ontvankelijkheid van het verzoek, maar spreekt zich in geen geval uit over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de meningen of handelingen die het lid worden verweten, strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt.

(...)’

III. ALGEMENE OVERWEGINGEN EN MOTIVERING VAN HET VOORGESTELDE BESLUIT

Gezien het bovenstaande moet het verzoek van de rechtbank van het 2de en 3de arrondissement van Boedapest worden behandeld als een verzoek om een besluit van het Europees Parlement tot opheffing van de immuniteit van de heer Deutsch, zodat hij strafrechtelijk kan worden vervolgd, wat mogelijk is overeenkomstig de Hongaarse wet.

Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 8 van het protocol moet worden opgemerkt dat de beschuldigingen die tegen de heer Deutsch zijn ingebracht, verband houden met meningen die hij in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit.

Wat artikel 9 betreft is, in aanmerking genomen dat de beschuldigingen die tegen de heer Deutsch zijn ingebracht verband houden met een misdrijf dat zou gepleegd zijn in Hongarije, het land waarvan hij op het moment in kwestie de nationaliteit had, het enige van toepassing zijnde deel de bepaling dat "tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement de leden: a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend".

Er dient te worden aangevoerd dat er een verband is tussen de politieke activiteiten van de heer Deutsch en de verklaringen die in het radioprogramma zijn afgelegd. In feite gaf de heer Deutsch in zijn verklaringen die in de door de klager ingediende dagvaarding zijn aangehaald, enkel commentaar op feiten die algemeen bekend waren op basis van documenten die gepubliceerd waren in de zomer van 2002 in de krant Népszabadaság . De klager beweert dat deze documenten vervalst waren aangezien de inhoud ervan niet strookte met de waarheid, dat hij op 22 augustus 2002 in de krant Magyar Nemzet de pers op de hoogte heeft gesteld van tegenstrijdigheden in de documenten en dat hij dit sedertdien herhaaldelijk heeft gedaan. Er dient ook te worden opgemerkt dat de commentaar betrekking had op het Hongaarse politieke leven en, volgens de verklaringen van de heer Deutsch, ook op EU-aangelegenheden aangezien de klager een belangrijk EU-ambt ambieerde. Er dient te worden geconcludeerd dat hij met zijn commentaar hierover zijn taak als lid van het Parlement uitoefende door zijn standpunt te formuleren over een kwestie van openbaar belang voor zijn kiezers.

Kortom, de heer Deutsch oefende zijn taak als lid van het Parlement uit. Pogingen om door het instellen van rechtsvorderingen leden van het Parlement de mond te snoeren wanneer zij hun standpunten willen formuleren over zaken van legitiem openbaar belang en punten van zorg, zijn onaanvaardbaar in een democratische samenleving en vormen een schending van artikel 9 van het protocol, dat tot doel heeft de vrijheid van meningsuiting van de leden te beschermen wanneer zij hun taken uitoefenen in het belang van het Parlement als instelling.

Op grond van het voorgaande en de beschikbare documenten moet geconcludeerd worden dat de immuniteit van de heer Deutsch niet mag worden opgeheven.

IV. CONCLUSIE

Op grond van bovengenoemde overwegingen en overeenkomstig artikel 6, lid 2, van het Reglement beveelt de Commissie juridische zaken, na de redenen vóór en tegen de opheffing van de immuniteit van het betrokken lid te hebben overwogen, het Europees Parlement aan de parlementaire immuniteit van Tamás Deutsch niet op te heffen.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.1.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

13

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Marielle Gallo, Klaus-Heiner Lehne, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Francesco Enrico Speroni, Dimitar Stoyanov, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Sajjad Karim, Eva Lichtenberger

Juridische mededeling - Privacybeleid