Procedure : 2010/2110(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0030/2011

Ingediende teksten :

A7-0030/2011

Debatten :

PV 07/03/2011 - 26
CRE 07/03/2011 - 26

Stemmingen :

PV 08/03/2011 - 9.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0083

VERSLAG     
PDF 200kWORD 147k
8.2.2011
PE 450.614v02-00 A7-0030/2011

over de EU-landbouw en internationale handel

(2010/2110(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Georgios Papastamkos

Rapporteur voor advies(*): Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Commissie internationale handel

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de EU-landbouw en internationale handel

(2010/2110(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het derde deel, titel III, en het vijfde deel, titels II en V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gelet op de in artikel 13 VWEU vastgelegde beginselen met betrekking tot het welzijn van dieren,

–   gezien de WTO-overeenkomsten, en met name de landbouwovereenkomst die tot stand gekomen is tijdens de onderhandelingen van de Uruguay-Ronde en op 1 januari 1995 in werking is getreden,

–   gezien de verklaring van de vierde ministersconferentie, die plaatsvond te Doha van 9 t/m 14 november 2001, het besluit van de Algemene WTO-Raad van 1 augustus 2004 en de verklaring van de zesde ministersconferentie, die van 13 t/m 18 december 2005 in Hong Kong is gehouden,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-Ronde na de ministersconferentie van de WTO in Hongkong(1),

–   gezien de herziene ontwerpmodaliteiten voor de landbouwsector die op 6 december 2008 door de WTO-voorzitter van de landbouwonderhandelingen zijn rondgestuurd,

–   gezien het memorandum van overeenstemming van 15 mei 2009 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Commissie over de invoer van rundvlees van dieren die niet zijn behandeld met bepaalde groeibevorderende hormonen en over verhoogde rechten die door de Verenigde Staten op bepaalde producten van de Europese Gemeenschappen worden toegepast,

–   gezien de op 15 juli 2009 onderling overeengekomen oplossing tussen Canada en de Europese Unie van het geschil "European Communities – Measures Affecting the Approval and Marketing of Biotech Products",

–   gezien de op 15 december 2009 geparafeerde overeenkomst tussen de EU en de Latijns-Amerikaanse landen inzake de voorwaarden voor de definitieve regeling van lopende geschillen over de EU-invoerregeling voor bananen (overeenkomst van Genève),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 december 2009 over de vooruitzichten van de Ontwikkelingsagenda van Doha naar aanleiding van de zevende WTO-ministersconferentie(2),

–   gezien de afronding op 17 december 2009 van de onderhandelingen tussen de EU en Marokko over een overeenkomst betreffende liberaliseringsmaatregelen voor landbouw- en visserijproducten,

–   gezien de afronding op 1 maart 2010 van de onderhandelingen tussen de EU, Peru en Colombia over de ondertekening van een meerpartijenovereenkomst,

–   gezien de op 18 maart 2010 onderling overeengekomen oplossing tussen Argentinië en de Europese Unie van het geschil "European Communities – Measures Affecting the Approval and Marketing of Biotech Products",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 maart 2010 over een kwaliteitsbeleid voor landbouwproducten: welke strategie moet er worden gevolgd? (3),

–   gezien de afronding op 19 mei 2010 van de onderhandelingen tussen de EU en Midden-Amerika over de handelspijler van de associatieovereenkomst,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 juli 2010 over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013(4),

–   gezien de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zuid-Korea die op 6 oktober 2010 is ondertekend,

–   gezien de lopende onderhandelingen tussen de EU en Mercosur met het oog op de sluiting van een associatieovereenkomst,

–   gezien de lopende onderhandelingen tussen de EU en Canada met het oog op de sluiting van een uitgebreide economische en handelsovereenkomst,

–   gezien de lopende onderhandelingen tussen de EU en India met het oog op de sluiting van een vrijhandelsovereenkomst,

–   gezien de lopende onderhandelingen tussen de EU en Oekraïne met het oog op de sluiting van een associatieovereenkomst,

–   gezien zijn studie getiteld "Stocktake of the WTO Agricultural Negotiations after the Failure of the 2008 Talks" van juni 2009,

–   gezien de gids "Geographical Indications and TRIPs: 10 Years Later. A roadmap for EU GI holders to get protection in other WTO Members", waartoe de Commissie opdracht had gegeven,

–   gezien het voorstel van de Commissie van 15 september 2010 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (COM(2010)0484),

–   gezien de vrijstelling van douanerechten voor Pakistan, zoals vastgesteld in artikel 1 van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering, als noodmaatregel, van autonome handelspreferenties voor Pakistan (COM(2010)0552),

–   gelet op de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de VN,

–   gelet op artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7‑0030/2011),

A. overwegende dat de EU nog steeds de grootste importeur van landbouwproducten ter wereld is, en dat de invoer het afgelopen decennium vrijwel in waarde is verdubbeld en nu bijna 20% van de wereldwijde invoer beslaat,

B.  overwegende dat het aandeel van de EU in de wereldwijde uitvoer van landbouwproducten terugloopt als gevolg van de snellere groei van andere belangrijke handelspartners voor landbouwproducten; overwegende dat eindproducten 68% van de waarde van de EU-uitvoer in de periode 2007-2009 vertegenwoordigden, terwijl halffabricaten en basisproducten respectievelijk 23% en 9% uitmaakten; overwegende, voorts, dat de prijzen op de wereldmarkt een rol spelen bij de moeilijkheden die de EU heeft met het uitvoeren van haar producten, aangezien deze prijzen in het algemeen laag zijn en de Unie hogere productiekosten heeft,

C.*     overwegende dat het landbouwhandelstekort van de EU in 2008 een recordbedrag van 7 miljard euro bereikte; overwegende dat het EU-handelstekort met Mercosur bijvoorbeeld sinds 2000 meer dan verdubbeld is en dat de EU-invoer van landbouwproducten uit Mercosur nu een waarde heeft van 19 miljard euro, tegen 1 miljard euro aan uitvoer,

D. overwegende dat de EU 's wereld grootste importeur van landbouwproducten uit ontwikkelingslanden is en meer invoert dan de VS, Japan, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland tezamen; overwegende dat rond 71% van de totale EU-invoer aan landbouwproducten afkomstig is uit ontwikkelingslanden, als gevolg van het initiatief 'Everything but Arms (EBA) voor de minst ontwikkelde landen (MOL's), het stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP) en de Economische Partnerschapsovereenkomsten (EPO's),

E.  overwegende dat de WTO-ontwerpmodaliteiten voor de landbouw van 2008 nog grotere concessies van de EU zouden vereisen dan die welke zijn opgenomen in het al zeer substantiële aanbod dat de EU in oktober 2005 heeft gedaan,

F.  overwegende dat het aanbrengen van samenhang in het ontwikkelingsbeleid (PCD) met betrekking tot landbouw en handel ook gevolgen zal hebben voor het behalen van de millenniumdoelstellingen 1 (uitbanning van extreme armoede en honger) en 8 (mondiaal partnerschap voor ontwikkeling), onder meer door de invoering van bepalingen voor eerlijker handelsregels en markttoegang;

G. overwegende dat de EU haar handelsverstorende interne steun reeds drastisch heeft verminderd, anders dan bepaalde belangrijke handelspartners, met name de VS, die zijn instrumenten in het kader van de Farm Bill van 2008 heeft gehandhaafd en in sommige gevallen zelfs heeft opgeschroefd,

H. overwegende dat de EU unilateraal een substantiële vermindering van haar uitvoerrestituties heeft doorgevoerd, waardoor het aandeel hiervan in de GLB-begroting is gedaald van 29,5% in 1993 naar nog maar 1,2% in 2009, en waardoor het aandeel van de waarde van de uitgevoerde landbouwproducten waarvoor uitvoerrestituties worden betaald is gedaald van 25% in 1992 naar slechts 0,9% in 2009; overwegende dat bepaalde belangrijke handelspartners nog steeds ruim gebruik maken van andere vormen van uitvoerstimulansen,

I.   overwegende dat de VS in het kader van het geschil over "hormoonvlees" nog steeds sancties aan de EU oplegt en zelfs aangekondigd heeft deze naar andere EU-landbouwproducten over te hevelen, om de impact ervan te vergroten ("carrouselwetgeving"); overwegende dat de EU in het kader van het memorandum van overeenstemming een invoerquotum tegen nultarief van 20 000 ton rundvlees hanteert,

J.   overwegende dat de VS in het kader van de WTO de EU-regels inzake de hygiëne en het op de markt brengen van gevogelte heeft aangevochten,

K. overwegende dat er een onderlinge oplossing met Canada en Argentinië is bereikt over het "GGO-geschil"; overwegende dat de VS een algemeen verzoek om vergelding heeft ingediend,

L.  overwegende dat de uitspraak van het WTO-panel voor suiker een van de belangrijkste stimulansen voor de hervorming van 2006 van de suikersector van de EU is geweest en nog steeds van grote invloed op de suikerhandel is; overwegende dat de gemeenschappelijke marktordening voor suiker in overeenstemming is met alle EU-handelstoezeggingen; overwegende dat de EU binnen een termijn van drie jaar van op één na grootste exporteur van suiker tot op één na grootste importeur van suiker is geworden, voornamelijk ten voordele van ontwikkelingslanden (MOL's en ACS-landen),

M. overwegende dat de hervorming van de suikersector in 2006 de doelstellingen van groter concurrentievermogen, lagere suikerprijzen en 30% lagere quota voor suikerproductie heeft bereikt; overwegende dat dit echter heeft geleid tot de sluiting van 83 fabrieken op een totaal van 189 in de EU-27, het verlies van meer dan 16.500 rechtstreekse banen in plattelandsgebieden, en het einde van de suikerbietenteelt voor ca. 140.000 landbouwers,

N. overwegende dat de wereldmarkt voor suiker een van de meest fluctuerende markten voor landbouwproducten is, en gedomineerd wordt door één land (Brazilië); overwegende dat de suikerproductie van de EU zorgt voor een betrouwbaar aanbod op de wereldmarkt en de Europese consumenten verzekert van een regelmatige interne voorziening van kwalitatief hoogwaardige en duurzame producten,

O. overwegende dat de EU, middels voorschriften die eind 2010 moeten worden toegepast, een duurzame productie van hernieuwbare energie bevordert; overwegende dat de invoer naar de EU van bio-ethanolbrandstof reeds goed is voor meer dan 25% van de EU-consumptie, exclusief bio-ethanol die de EU wordt ingevoerd in de vorm van mengsels teneinde de invoerrechten te ontduiken; overwegende dat de Commissie moet zorgen voor een evenwicht tussen de interne bio-ethanolproductie en de invoer ervan, overeenkomstig artikel 23, lid 5, onder a), van de richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn 2009/28/EG(5)),

P.  overwegende dat de vierde vergadering van de conferentie van de partijen bij de WHO-kaderovereenkomst voor de bestrijding van tabaksgebruik zal plaatsvinden in november 2010; overwegende dat er een openbare raadpleging is opgezet over de eventuele herziening van de richtlijn tabaksproducten (Richtlijn 2001/37/EG(6)); overwegende dat verschillende WTO-leden hebben gewezen op de kwestie van de conformiteit met de TBT-overeenkomst van de Canadese wet C-32, die feitelijk met zich meebrengt dat alle traditionele gemengde tabaksproducten worden verboden, met uitzondering van de producten die uitsluitend Virginiatabak bevatten, de enige tabakssoort die in Canada wordt geproduceerd en gebruikt voor het vervaardigen van Canadese tabaksproducten,

Q. overwegende dat de EU in internationale handelsovereenkomsten een evenwicht moet zien te bereiken tussen de liberalisering van de markt enerzijds en de bescherming van economische sectoren en de rechten van werknemers en consumenten anderzijds,

R.  overwegende dat EU-handelsovereenkomsten met derde landen bescherming moeten bieden aan EU-sectoren in moeilijkheden – in het bijzonder de fruit-, groente-, vee- en granensector, waarin de inkomsten aanzienlijk zijn teruggevallen – en hen tegelijkertijd daadwerkelijke uitvoermogelijkheden moeten bieden,

S.  overwegende dat kleine lokale landbouwers, die een aanzienlijke bijdrage leveren aan de voedselzekerheid in hun regio, geen nadeel mogen ondervinden van door de EU gesloten internationale handelsovereenkomsten,

T.  overwegende dat de EU bij het sluiten van internationale handelsovereenkomsten moet streven naar een beter toezicht op de eerbiediging van mensenrechten en op naleving van sociale en milieunormen;

U. overwegende dat de goedkeuring van het Parlement vereist is voor de sluiting van door de Commissie via onderhandelingen tot stand gebrachte handelsovereenkomsten,

Consistentie tussen het landbouwbeleid en het handelsbeleid van de EU

1.  is van mening dat de landbouwsector in de EU een duidelijke toegevoegde waarde voor de Europese economie heeft en een strategische rol vervult in de EU 2020-strategie die tot doel heeft het hoofd te bieden aan de uitdagingen op economisch, sociaal en milieugebied waarmee de EU wordt geconfronteerd; onderstreept dat er moet worden gezorgd voor samenhang tussen het landbouw-, handels- en ontwikkelingsbeleid van de EU;

2.  onderstreept dat het externe handelsbeleid geen belemmering mag vormen voor het vermogen van de EU om een krachtige landbouwsector te handhaven en de continuïteit van de voedselvoorziening te waarborgen tegen de achtergrond van de toegenomen volatiliteit van de markten; dringt er bij de Commissie op aan de multifunctionele rol van de landbouw in de EU, met inbegrip van de essentiële rol ervan op het gebied van de arbeidsvoorziening en de vitaliteit in plattelandsgebieden, op alle fora en met name in de WTO te verdedigen, evenals het Europese agrifood-model dat een strategische component van Europa's economie is;

3.  veroordeelt de aanpak van de Commissie, die veel te vaak concessies op landbouwgebied doet in ruil voor een betere markttoegang in derde landen voor industrieproducten en diensten; verzoekt de Commissie landbouwbelangen niet langer op te offeren ten gunste van belangen van de industrie- en dienstensector;

4.  dringt er bij de Commissie op aan een benadering voor te stellen die tot een evenwicht leidt tussen binnenlandse productie en invoer, en waarbij voor elke sector van de landbouw rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van multilaterale en bilaterale handelsonderhandelingen, evenals met EU-normen op het gebied van milieu, sociale aspecten, dierenwelzijn en veiligheid en de eerbiediging van de mensenrechten;

5.  onderstreept dat de Commissie wat de landbouwsector betreft effectbeoordelingen moet uitvoeren die publiek gemaakt moeten worden voordat de onderhandelingen een aanvang nemen, en dat er vervolgens bijwerkingen moeten worden voorgesteld om rekening te houden met nieuwe standpunten die in de loop van de onderhandelingen worden ingenomen; benadrukt dat er behoefte is aan een adequaat en transparant proces voor de raadpleging van alle betrokken partijen, voornamelijk bij het Parlement en de Commissie; herinnert eraan dat de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zuid-Korea voorzag in een binnenlandse adviesraad, en merkt op dat dit een precedent zou kunnen scheppen voor de betrokkenheid van belanghebbenden bij toekomstige handelsovereenkomsten;

6.  benadrukt dat bij effectbeoordelingen moet worden gekeken naar de bijzondere kenmerken van ieder product, bijvoorbeeld rundvlees, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met marktsegmentatie; wijst op het feit dat vorige effectbeoordelingen slechts algemene cijfers hebben opgeleverd; dringt daarom bij de Commissie aan op gedetailleerde effectbeoordelingen waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen voor specifieke marktsegmenten van het openstellen van de landbouwmarkt van de EU voor de Mercosur-landen;

7.  is van oordeel dat er geen besluit mag worden genomen om de EU-markt verder open te stellen voor de invoer van landbouwproducten zonder ervoor te zorgen dat EU-landbouwers een vergoeding kunnen krijgen voor hun verliezen;

8.  onderstreept dat financiële compensatie niet opweegt tegen de negatieve gevolgen van de beëindiging van de EU-landbouwproductie, die immers continuïteit en kwaliteit van de voedselvoorziening garandeert en van essentieel belang is voor de welvaart in de plattelandsgebieden van de EU, alsmede de bescherming van rurale gebieden tegen het risico dat landbouwgrond wordt braak gelegd en het platteland ontvolkt raakt; onderstreept dan ook de noodzaak om de voorwaarden in stand te houden die de EU-landbouwers in staat stellen rendabel te blijven en een billijk inkomen te verkrijgen in alle lidstaten, teneinde een wederopleving van de landbouw in Europa mogelijk te maken, gezien de sleutelrol van het GLB in het EU-kader;

9.  herinnert eraan dat de EU-producenten verplicht zijn aan de hoogste normen te voldoen waar het gaat om kwaliteit, producthygiëne, duurzame productiemethodes, bescherming tegen plantenziekten, gezondheid en welzijn van dieren, controle op residuen van pesticiden, diergeneeskunde en additieven;

10. staat erop dat de in derde landen toegepaste productiemethoden voor de uitvoer naar de EU dezelfde waarborgen moeten bieden aan de EU-consumenten waar het gaat om volksgezondheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn, duurzame ontwikkeling en sociale minimumnormen als welke verplicht zijn voor EU-producenten; onderstreept dit de enige manier is waarop ervoor gezorgd kan worden dat EU-producenten op voet van gelijkheid kunnen concurreren met derde landen en dat er meer invoercontrole aan de grenzen moet komen, en dat de productie- en afzetvoorwaarden in landen die naar de EU uitvoeren intensiever door het Voedsel- en Veterinair Bureau moeten worden gecontroleerd, zodat naleving van de EU-normen wordt gewaarborgd;

11. onderstreept de noodzaak - met betrekking tot de invoer - om de oorsprongsregels en -mechanismen strikt na te leven ten einde driehoekshandel tegen te gaan;

12. dringt er bij de Commissie op aan de landbouwbelangen van de EU actief te promoten en om EU-producten eenvoudiger toegang te bieden tot de markten van derde landen, gezien het grote export- en het wereldmarkt stabiliserende potentieel van de kwalitatief hoogstaande agrifoodproducten uit de EU; onderstreept onder meer de noodzaak om meer reclamecampagnes te voeren, ook door middel van een groter percentage cofinanciering door de EU; stelt vast dat deze maatregelen verenigbaar zijn met de WTO-regels, aangezien zij onder de "groene box" vallen;

13. merkt op dat de ultraperifere regio's een onlosmakelijk deel van de EU zijn en dat handelsovereenkomsten in hun geheel op deze regio's van toepassing zijn; benadrukt dat lagere douanetarieven een bedreiging vormen voor de fragiele economieën van de ultraperifere regio's, die voornamelijk gebaseerd zijn op landbouw, en die soortgelijke goederen produceren als onder andere Latijns-Amerikaanse partnerlanden; wijst erop dat EU-maatregelen in het kader van artikel 349 van het VWEU kunnen worden aangepast aan de bijzondere geografische en economische situatie van deze regio's; verzoekt de Commissie daarom bij onderhandelingen rekening te houden met de specifieke situatie van de ultraperifere regio's, om er zo voor te zorgen dat hun ontwikkeling niet wordt belemmerd;

Landbouw in het multilaterale handelssysteem

Ontwikkelingsagenda van Doha (DDA)

14. is van mening dat de EU, in een poging om de ontwikkelingsagenda van Doha tot een succes te maken, een uiterst royaal aanbod heeft gedaan op het gebied van de landbouw, dat niet kan worden verbeterd, maar dat dit tot op heden niet is gestuit op een vergelijkbare mate van ambitie bij andere ontwikkelde landen en vergevorderde ontwikkelingslanden;

15. wijst andermaal op het feit dat de GLB-hervorming van 2003 en de "gezondheidscontrole" van 2008 een bewijs waren van de ernst van de hervormingstoezeggingen van de EU doordat zij vooruitliepen op de verwachte resultaten van de Doha-ronde, terwijl er nog steeds wordt gewacht op gelijkwaardige concessies van de handelspartners van de EU;

16. doet een beroep op de Commissie om zich nauwgezet aan het haar door Raad verleende onderhandelingsmandaat te houden, waarin de meest recente hervorming van het GLB als de grens van haar optreden is vastgelegd, mits van haar handelspartners gelijkwaardige concessies kunnen worden verkregen; verzoekt de Commissie af te zien van voorstellen die vooruit zouden lopen op nog te nemen beslissingen over de toekomst van het GLB na 2013;

17. wijst op de rol van niet-handelsgerelateerde belangen in de ontwikkelingsagenda van Doha; is van mening dat de economische aspecten van handel bij de onderhandelingen over de landbouwsector moeten worden afgewogen tegen niet-economische waarden, zoals sociale waarden, milieuoverwegingen, de gezondheid van mens en dier en dierenwelzijn;

18. betreurt dat er geen schot zit in de plannen om een multilateraal wijn- en sterkedrankenregister in het leven te roepen, noch in de uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen naar alle overige landbouwproducten; herinnert eraan dat deze elementen een conditio sine qua non zijn voor een evenwichtig resultaat van de landbouwonderhandelingen; benadrukt dat de beginselen die ten grondslag liggen aan het beleid inzake de kwaliteit van EU-landbouwproducten ruimer moeten worden verspreid op zowel multilateraal als bilateraal niveau;

19. herinnert eraan dat de EU haar handelsverstorende interne steun reeds aanzienlijk heeft verminderd en dringt aan op krachtige toezeggingen van andere handelspartners dat zij hetzelfde zullen doen;

20. herinnert aan de toezegging van de WTO-leden tijdens de ministersconferentie van Hongkong in 2005 om te streven naar de uitbanning van alle vormen van exportsubsidie parallel aan het aan banden leggen van alle exportmaatregelen met vergelijkbaar effect, met name uitvoerkredieten, overheidsbedrijven voor de handel in landbouwproducten en de regulering van voedselhulp;

21. is van mening dat de algemene verlaging van de douanetarieven dient te worden beoordeeld in het licht van het aanbod van de EU met betrekking tot de pijlers overheidssteun en exportconcurrentie, en afhankelijk zou moeten zijn van de mogelijkheid om de bijzondere vrijwaringsclausule te handhaven, van specifieke uitzonderingen op regelingen inzake tariefvereenvoudiging en van adequate flexibiliteit in de formule voor de verlaging van tarieven en de aanwijzing van gevoelige producten; is van mening dat het voorgestelde mechanisme voor de aanwijzing van gevoelige producten onherroepelijk is uitgehold door de verplichting om het tariefcontingent aanzienlijk uit te breiden;

22. benadrukt dat tijdens de WTO-onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha moet worden vastgehouden aan het beginsel van "één enkele verbintenis" (single undertaking); wijst erop dat er al enige tijd sprake is van een tendens om de onderhandelingen te concentreren op een beperkt aantal onderhandelingspunten, waaronder landbouw – een gebied waarop de EU aanzienlijke belangen te verdedigen heeft – en dat er relatief minder voortgang wordt geboekt op andere onderhandelingspunten, wat de onderhandelingspositie van de EU dreigt te ondermijnen; wijst er bovendien op dat dit het moeilijk maakt om de ronde als geheel te evalueren;

23. bevestigt andermaal dat ontwikkelingslanden op legitieme wijze de mogelijkheid moeten krijgen beleidsmaatregelen te nemen die zorgen voor binnenlandse toegevoegde waarde;

24. benadrukt dat de prijsschommelingen de problemen van ondervoeding in de wereld hebben verergerd, zoals de FAO constateert, en dat een verdergaande liberalisering van de wereldhandel in landbouwproducten, gestimuleerd door de WTO-overeenkomsten, het tot nu toe niet mogelijk heeft gemaakt een einde te maken aan de dreiging van honger in de wereld; benadrukt dat de EU ook de plicht heeft de mondiale voedselvoorziening te helpen garanderen;

WTO-geschillenbeslechting

25. wijst op het feit dat de overeenkomst inzake de handel in bananen een einde maakt aan een periode van technisch ingewikkelde, politiek gevoelige en ernstige geschillen binnen de WTO die twintig jaar lang heeft geduurd, een belangrijke stap vormt op weg naar de consolidatie van een op regels gebaseerd multilateraal handelsstelsel en tegelijkertijd een beslissende bijdrage kan leveren tot de oplossing van kwesties inzake tropische producten en preferenties in de WTO-onderhandelingen;

26. dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de beslechting van het geschil inzake "hormoonvlees" ook de opheffing van de sancties op EU-producten omvat, en tegelijkertijd garandeert dat de invoer van rundvlees naar de EU aan de EU-eisen voldoet;

27. is van mening dat het, wat betreft het geschil inzake de "chloorkippen", in strijd zou zijn met de vraag van het publiek in de EU naar veilige producten en met de beginselen die ten grondslag liggen aan het Europese voedselmodel om dergelijke producten naar de EU in te voeren;

28. verzoekt de Commissie om de EU-regeling inzake het toestaan en op de markt brengen van GGO's krachtig te verdedigen tegen aanvallen binnen de WTO;

Landbouw in plurilaterale, interregionale en bilaterale handelsbetrekkingen

29. is van oordeel dat de EU de afsluiting van multilaterale onderhandelingen als een prioriteit moet beschouwen; is van oordeel dat bilaterale handelsovereenkomsten een aanvulling moeten vormen op multilaterale processen door gelijke arbeidsvoorwaarden te respecteren, alsmede gemeenschappelijke milieuregels en normen voor de voedselveiligheid die in de Europese Unie reeds van kracht zijn, en dat vermeden moet worden dat alleen programma's inzake duurzame ontwikkeling worden gesteund; brengt in herinnering dat de EU aanzienlijke offensieve belangen heeft in de landbouw, met name ten aanzien van verwerkte producten van hoge kwaliteit; is van oordeel dat bilaterale handelsovereenkomsten met belangrijke handelspartners op succesvolle wijze de exportbelangen van de agro-industrie van de EU kunnen steunen en aanzienlijke economische voordelen kunnen opleveren;

30.  dringt erop aan dat in de EU ingevoerde landbouwproducten de Europese consumenten dezelfde waarborgen moeten bieden waar het gaat om consumentenbescherming, dierenwelzijn, milieubescherming en minimale sociale normen als die geboden worden door de Europese productiemethoden, en vestigt de aandacht op de vastberadenheid van het Parlement in dezen; verzoekt de Commissie om in bilaterale handelsovereenkomsten clausules op te nemen waarin derde landen worden verplicht aan dezelfde sanitaire en fytosanitaire voorwaarden te voldoen als Europese producenten; is van mening dat deze overeenkomsten ten minste moeten voorschrijven dat de internationale verplichtingen en normen moeten worden nageleefd;

31. onderstreept dat om "dubbel betalen" te voorkomen – eerst op bilateraal en vervolgens op multilateraal niveau – , steun moet worden verleend aan het concept van een "single pocket"-overeenkomst, volgens welke concessies in bilaterale overeenkomsten worden gekoppeld aan de definitieve uitkomst van de Doha-onderhandelingen;

32. onderstreept het belang van een strikte toepassing van de preferentiële regels van oorsprong; dringt aan op een herziening van alle handelspreferenties die door de Europese Unie aan opkomende industrielanden van de G20 zijn verleend;

33. is van mening dat er drempels moeten worden ingesteld ter voorkoming van onregelmatige praktijken in de agrifoodhandel, zoals driehoekshandel, waarbij landen hun producten uitvoeren naar de EU met gebruikmaking van de preferentiële toegang tot de EU-markt, en vervolgens in hun eigen behoeften voorzien door de producten uit het buitenland in te voeren; meent dat concessies inzake toegang tot de EU-markt die door de EU worden geboden in handelsovereenkomsten met derde landen niet hoger mogen liggen dan de daadwerkelijke productie en uitvoercapaciteit van de betrokken landen;

34. dringt er bij de Commissie op aan de opneming van geografische aanduidingen (GI's) met kracht te verdedigen als een essentieel onderdeel van de handelsovereenkomst ter bestrijding van namaak (ACTA); betreurt het dat er in het kader van de onlangs afgeronde of lopende handelsonderhandelingen alleen een "shortlist" van GI's in de EU door onze handelspartners dient te worden beschermd; wijst erop dat bilaterale overeenkomsten, in overeenstemming met de strategie "Europa als wereldspeler", moeten leiden tot een verhoogde internationale bescherming voor geografische aanduidingen middels WTO+-bepalingen; benadrukt dat er behoefte is aan een adequaat en transparant proces voor de raadpleging van alle betrokken partijen, met name bij het Parlement en de Commissie;

35. herinnert eraan dat de vrijhandelsovereenkomst met Zuid-Korea voorzag in de erkenning van aanzienlijke aantallen geografische aanduidingen (GI's); dringt aan op verdere inspanningen voor de opneming hiervan in toekomstige handelsovereenkomsten; merkt op dat de bescherming en erkenning van GI's in derde landen van grote waarde kan zijn voor de agrifoodsector van de EU;

36. stelt vast dat de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zuid-Korea volgens de Commissie een besparing van 380 miljoen euro per jaar aan rechten zou opleveren, doordat de rechten op 99% van de EU-landbouwexport zouden worden opgeheven;

37. verzoekt de Commissie te waarborgen dat handelsovereenkomsten het EU-systeem van invoerprijzen voor fruit en groente niet ondermijnen, en de huidige invoerschema's te handhaven; verzoekt de Commissie echter met klem om de noodzakelijke wijzigingen door te voeren om de werking van dit systeem zo spoedig mogelijk te verbeteren;

38. benadrukt in het bijzonder dat het ingewikkelde systeem van invoerprijzen dat van toepassing is op de invoer van tomaten uit Marokko voor problemen zorgt; verzoekt de Commissie daarom de relevante wijzigingen onverwijld door te voeren;

39. geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de overeenkomst EU-Marokko; wijst erop dat er, hoewel de Europese markten volledig zijn opengesteld voor invoer uit Marokko, voor sommige landbouwproducten, waaronder belangrijke producten als appelachtigen, nog steeds quota gelden voor uitvoer uit de EU;

40. betreurt dat er tijdens de onderhandelingen over het hoofdstuk landbouw van de associatieovereenkomst met Marokko geen enkele garantie is gegeven met betrekking tot de naleving van de preferentiële invoercontingenten of de invoerprijzen die van toepassing zijn op de Marokkaanse uitvoer;

41. verzoekt de Commissie om haar toezeggingen met betrekking tot de Europese suikersector na te komen en een einde te maken aan de systematische concessies voor suiker in het kader van bilaterale en multilaterale handelsbesprekingen; neemt in dit verband kennis van de initiatieven van de suikersector, die het concurrentievermogen alsook de milieuvriendelijkheid van de sector verbeterd hebben en dankzij de aan de ACS-landen en MOL's toegekende preferenties bijdragen tot de ontwikkelingsagenda van de EU;

42. wijst erop dat alle bijkomende bilaterale concessies inzake toegang tot de EU-suikermarkt die aan derde landen (bijvoorbeeld landen in Latijns-Amerika en Oekraïne) worden gedaan, een destabiliserend effect op de EU-suikermarkt zullen hebben en tot erosie van de preferenties voor de MOL's en de ACS-landen zullen leiden; is nog ernstiger verontrust over het feit dat dergelijke concessies "swap"-mechanismen in de hand werken als zij aan landen worden gedaan die netto-importeur zijn; dringt er bij de Commissie op aan suiker en suikerproducten, incl. ethanol, te blijven uitsluiten van het toepassingsgebied van bilaterale onderhandelingen;

43. betreurt het recente voorstel van de Commissie om Pakistan een tariefcontingent tegen nultarief te verlenen voor de uitvoer naar de EU van 100 000 ton ethanol per jaar voor een periode van drie jaar; benadrukt dat dit voorstel, in tegenstelling tot de verklaarde doelstellingen, geen rechtstreekse en onmiddellijke steun zou bieden aan de Pakistaanse bevolking die te lijden heeft onder de moessonregen; is tevens van oordeel dat dit voorstel nadelig is voor de opkomende en gevoelige hernieuwbare-energiesector van de EU, en daarom niet verenigbaar is met het EU-beleid inzake klimaatverandering, energie en plattelandsontwikkeling, noch met de multilaterale handelsonderhandelingen van de EU;

44. dringt er bij de Commissie op aan op te treden tegen de ontduiking van invoerrechten op ethanol, aangezien steeds grotere hoeveelheden ethanol nu de EU binnenkomen in de vorm van mengsels waarvoor zeer lage invoerrechten gelden;

45. verzoekt de Commissie te zorgen voor symmetrische tariefconcessies in vrijhandelsovereenkomsten die de EU sluit met landen met een aanzienlijke productie- en exportcapaciteit voor landbouwproducten, zoals de Mercosur-landen;

46. steunt de hervatting van de onderhandelingen over de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur – een bijzonder belangrijke associatieovereenkomst die zevenhonderd miljoen mensen betreft en 's werelds meest ambitieuze biregionale overeenkomst zou zijn – en benadrukt dan ook dat het Europees Parlement nauw betrokken moet worden bij alle stadia van de onderhandelingen;

47. acht het onaanvaardbaar dat de Commissie de onderhandelingen met Mercosur weer heeft hervat zonder een grondige effectbeoordeling publiek te hebben gemaakt en zonder een echt politiek debat met de Raad en het Parlement aan te gaan; dringt aan op de uitvoering en bespreking van een onderzoek naar de gevolgen van deze onderhandelingen voor Europese landbouwsectoren en -regio's alvorens tariefvoorstellen worden uitgewisseld tussen de EU en Mercosur; wijst erop dat er noodzakelijkerwijs een verband moet worden gelegd met de Doha-ronde, gezien de gevolgen voor de landbouw van deze onderhandelingen; verzoekt de Commissie daarom de onderhandelingen met Mercosur niet af te sluiten voordat de WTO-ronde tot een einde is gebracht, zoals omschreven in haar mandaat; verzoekt de Commissie om de Raad en het Parlement naar behoren in kennis te stellen van de ontwikkelingen omtrent de onderhandelingen met Mercosur, en om de Raad en het Parlement in de toekomst op de hoogte te stellen van dergelijke onderhandelingen alvorens zij van start gaan;

48. is ernstig verontrust over de gevolgen voor de gehele landbouwsector in de EU van een eventuele associatieovereenkomst met Mercosur, gezien het verzoek van Mercosur van maart 2006 inzake toetreding tot de EU-landbouwmarkt, dat aanzienlijk verder ging dat het reeds substantiële aanbod dat de EU in 2004 had gedaan; acht het daarom noodzakelijk de concessies zodanig te herzien dat de belangen van de EU-landbouwers worden beschermd;

49. meent dat er bij de onderhandelingen tussen de EU en Mercosur, die nog gebaseerd waren op het mandaat van 1999, geen rekening is gehouden met het standpunt van de nieuwe lidstaten; verzoekt de Commissie daarom de onderhandelingen op te schorten tot de goedkeuring van een nieuw mandaat waarin het standpunt van de nieuwe lidstaten in acht wordt genomen;

50. stelt vast dat landbouwbedrijven in de Mercosur-landen aanzienlijk lagere productiekosten kennen, met inbegrip van grond, arbeidskrachten en andere kapitaalkosten, en dat Mercosur-producenten niet aan dezelfde strenge eisen op het gebied van het milieu, dierenwelzijn, voedselveiligheid en fytosanitaire maatregelen behoeven te voldoen als EU-producenten; onderstreept dat er uiteindelijk een voor beide partijen evenwichtig resultaat moet worden bereikt door ervoor te zorgen dat tijdens de onderhandelingen terdege rekening wordt gehouden met de gevolgen en de impact van de overeenkomst, in het bijzonder voor wat het milieu en sociale aspecten betreft; vraagt de Commissie met aandrang een effectbeoordeling uit te voeren van de gevolgen van een dergelijke overeenkomst voor de landbouwsector;

51. is van mening dat de mate van marktintegratie in de Mercosur-douane-unie momenteel niet volstaat om een adequaat verkeer van ingevoerde goederen in de regio te garanderen; is van oordeel dat een overeenkomst geen werkelijke winst zou opleveren, bij gebrek aan bepalingen die het volledige en doeltreffende verkeer van goederen binnen het Mercosur-gebied waarborgen;

52. betreurt de tariefconcessies die de Commissie onlangs heeft gedaan aan landen die bananen naar de EU exporteren; verzoekt om een herziening van de steun die Europese producenten ontvangen in het kader van steunprogramma's voor de ultraperifere regio's, teneinde hen te vergoeden voor de gevolgen die deze tariefverlaging zal hebben voor prijzen op de EU-markt; is van mening dat in de toekomst bij gelijkaardige onderhandelingen rekening moet worden gehouden met de belangen van de producenten in de EU en van de ACS-partners, opdat deze sectoren – die veel werkgelegenheid bieden – niet verzwakt worden;

53. onderstreept dat in een reeks rapporten van het Voedsel- en Veterinair Bureau van de EU wordt gewezen op het feit dat Braziliaans rundvlees nog steeds niet voldoet aan de normen van EU-producenten en -consumenten waar het gaat om voedselveiligheid, identificatie van dieren en traceerbaarheid, gezondheid van dieren en bestrijding van ziekten;

54. verzoekt de Commissie met klem de verschillende verslagen van het Braziliaanse nationale agentschap voor gezondheidstoezicht (Anvisa) te bestuderen over het wijdverbreide gebruik in Brazilië van pesticiden die in de EU en de meeste andere delen van de wereld verboden zijn, en waarin de ernstige gezondheidsrisico's die dit met zich meebrengt worden beschreven;

55. spreekt zijn ernstige verontrusting uit over het beleid van Argentinië, dat in strijd met zijn WTO-verplichtingen de invoer van levensmiddelen beperkt die concurreren met binnenlandse producten; wijst erop dat deze maatregelen nog eens bovenop het Argentijnse systeem van niet-automatische invoervergunningen komen, dat reeds een negatieve invloed uitoefent op de EU-export; dringt er bij de Commissie op aan alles in het werk te stellen om te waarborgen dat deze maatregelen, die in strijd zijn met de geest van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Mercosur, daadwerkelijk worden gestaakt;

56. is verontrust over concessies voor fruit en groenten in Euromediterrane overeenkomsten; wijst er in dit verband op dat het aanvullende karakter van de oogstseizoenen in zuidelijke en noordmediterrane landen een leidraad zou moeten blijven bij de liberalisering van de handel in landbouwproducten in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied;

57. benadrukt dat, hoewel er een strikt regelgevingskader moet gelden voor tabaksproducten, de regulering van de ingrediënten van tabaksproducten op internationaal en EU-niveau moet geschieden volgens een proportionele, op risico's en wetenschappelijk bewijs gebaseerde aanpak; waarschuwt voor een verbod op alle ingrediënten dat niet gebaseerd is op wetenschappelijk bewijs, en dat in wezen zou leiden tot een verbod op traditionele Europese gemengde tabaksproducten, aangezien dat ernstige socio-economische gevolgen zou hebben voor tabaksproducenten in de EU (van oosterse en burleytabak), zonder dat dit voordelen oplevert voor de volksgezondheid;

58. verzoekt de Commissie om bij onderhandelingen over EU-handelsovereenkomsten, met inbegrip van die met Canada en Oekraïne, rekening te houden met de belangen van EU-burgers, openheid te handhaven en het Parlement regelmatig in te lichten over de voortgang van de onderhandelingen; betreurt dat de Commissie het Parlement nog niet heeft ingelicht over de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Canada, hoewel deze onderhandelingen al in oktober 2009 van start zijn gegaan; verzoekt de Commissie om het Parlement en de bevoegde commissies in detail te informeren over iedere volgende onderhandelingsronde; uit ook zijn bezorgdheid over eventuele concessies die de Commissie tijdens de onderhandelingen zou kunnen doen, met name op het gebied van marktopenstellingen, gmo's, melk, bescherming van intellectuele eigendom en oorsprongsvermelding, en verzoekt de Commissie geen enkele concessie te doen die een negatieve uitwerking zou kunnen hebben op de Europese landbouw;

59. vindt het vooruitzicht dat tijdens de onderhandelingen met Oekraïne concessies over graan kunnen worden gedaan, verontrustend, aangezien de Oekraïense productie bijzonder competitief is en Oekraïne nu al de belangrijkste begunstigde is van verlaagde tarieven voor graan (tarwe en gerst) die openstaan voor derde landen; verzoekt bijgevolg de Commissie om haar aanbod in deze sector bij te stellen;

60. wijst andermaal op het belang van de handel in landbouwproducten voor de economische ontwikkeling van en de leniging van armoede in ontwikkelingslanden; doet een beroep op de EU om de ACS-landen te helpen zich aan te passen aan de toenemende concurrentie op de wereldmarkt;

61. verzoekt de Commissie naar behoren rekening te houden met deze resolutie bij het ontwerpen en uitvoeren van haar toekomstige handelsstrategie;

62. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 293E van 2.12.2006, blz. 155.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0110.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0088.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0286.

(5)

PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.

(6)

PB L 194 van 18.7.2001, blz. 26.


TOELICHTING

Nu de EU zich buigt over de toekomst van haar gemeenschappelijk landbouwbeleid is consistentie tussen het landbouwbeleid en het beleid op het gebied van de buitenlandse handel van groot belang.

Het GLB is een symbool van de Europese integratie en vertegenwoordigt een van de meest ontwikkelde vormen van supranationale besluitvorming van de EU. De opeenvolgende hervormingen van het GLB hebben plaatsgevonden tegen de achtergrond van uiteenlopende vormen van interne en externe pressie. Multilaterale handelsonderhandelingen en de WTO-disciplines inzake landbouwmaatregelen zijn een drijvende kracht geweest achter GLB-hervormingen. De interne EU-druk in de richting van marktoriëntatie van het GLB en grotere nadruk op andere EU-beleidsmaatregelen komen eveneens tot uitdrukking in het buitenlandse handelsbeleid van de EU, waar de onderhandelingsstrategie van de Commissie bestaat uit het aanbieden van toegang tot de landbouwmarkt in ruil voor betere markttoegang voor Europese industrieproducten en diensten in derde landen;

Landbouw en handel vormen twee elkaar overlappende beleidsagenda's. De dynamiek van deze twee economische activiteiten beïnvloeden en – nog belangrijker – worden beïnvloed door het regelgevingskader op multilateraal, interregionaal, regionaal en bilateraal niveau. Deze regelgeving is niet statisch; er ontstaan hiërarchieën en er is sprake van een ontwikkeling in de loop van de onderhandelingen. Onderling afwijkende regels, uiteenlopende handelsbelangen, commerciële spanningen en geschillen illustreren het complexe karakter van intern landbouwbeleid en internationale handel.

Daar landbouw geen eenvoudige economische activiteit is, maar landbouw- en voedselbeleid fundamentele doelstellingen hebben, zoals continuïteit van de voedselvoorziening en voedselveiligheid, bestaat de grootste uitdaging uit het doeltreffend verenigen van handelsbelangen en niet-handelsgerelateerde belangen. Al naar gelang het niveau van integratie tussen de onderdelen van een rechtsstelsel (van, op het laagste niveau, volledige diversiteit, via onderlinge erkenning, tot uniformiteit) is dit binnen de EU gemakkelijker dan op multilateraal niveau. In WTO-verband gaat negatieve integratie via opening van de markten door het wegnemen van handelsbelemmeringen niet voldoende gepaard met positieve integratie via convergentie van de regelgeving. Niettemin kunnen de WTO-overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS-overeenkomst) en de overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (TBT-overeenkomst) worden beschouwd als een stap in de richting van een nieuwe regelgevingsbenadering.

De landbouw is in het WTO-kader opgenomen door de overeenkomst inzake landbouw van de Uruguay-Ronde, met als doelstelling op de lange termijn "een billijk en marktgeoriënteerd stelsel voor de handel in landbouwproducten" tot stand te brengen via aanzienlijke en progressieve verlaging van de ondersteuning en bescherming van de landbouw, zodat restricties en distorsies op de wereldmarkten voor landbouwproducten gecorrigeerd en voorkomen worden.

Een groot struikelblok in de landbouwonderhandelingen van de Doha-Ronde is dat hierbij groepen landen betrokken zijn met zeer uiteenlopende landbouwmodellen en -belangen. De niet-handelsgerelateerde punten van zorg van de EU en andere WTO-leden met multifunctionele landbouwmodellen worden niet voldoende in aanmerking genomen. In de loop van deze onderhandelingen heeft de EU jarenlang – en tot op zekere hoogte doet zij dit nog steeds – een defensieve positie ten opzichte van de landbouw ingenomen. Niettemin dienen er kanttekeningen te worden gemaakt met betrekking tot bepaalde misvattingen, die onvoldoende in aanmerking nemen hoezeer het GLB veranderd is sinds de invoering ervan.

De EU is 's wereld grootste importeur van landbouwproducten uit ontwikkelingslanden en voert meer in dan de VS, Japan, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland tezamen. Het zijn voornamelijk concurrerende uitvoerders van landbouwproducten die voortdurend aandringen op verdere opening van de EU-markt. Betere toegang tot de markt voor deze landen heeft niet alleen een potentieel nadelig effect op de EU-producenten van landbouwproducten, maar ook op de meest behoeftige ontwikkelingslanden, wier preferentiële marge steeds smaller wordt.

Bovendien heeft de EU, anders dan andere belangrijke partners, haar handelsverstorende steun reeds aanzienlijk verminderd, via ontkoppeling van rechtstreekse steun en productie, en via een algemene verschuiving in de richting van "vangnet-interventie", waardoor zij nu over minder doeltreffende instrumenten beschikt om het hoofd te bieden aan de toenemende volatiliteit van de markt. Ook heeft de EU een substantieel aanbod gedaan om haar – reeds drastisch verminderde – uitvoersubsidies geleidelijk af te schaffen, mits er equivalente disciplines worden opgelegd aan andere vormen van uitvoerstimulansen, en met name uitvoerkredieten en garanties (met name gebruikt door de VS), overheidsbedrijven voor de handel in landbouwproducten (met name in zwang in Australië, Nieuw-Zeeland en Canada), en voedselhulp (op grote schaal ingezet in de VS).

In het kader van de WTO is de EU vaak de gedaagde partij geweest in belangrijke geschillenbeslechtingskwesties, met name in de zaken over GGO's, "geografische aanduiding", "hormoonvlees" en "chloorkip". In de hormoonvleeszaak werd, ondanks de legitimiteit van de EU-zorgen over de volksgezondheid en de niet-discriminerende aard van de maatregel, gesteld dat er geen rationele relatie was tussen de risicobeoordeling en de middelen om dit doel te bereiken.

Er is betoogd dat het "rechterlijke activisme" van de "rechterlijke organen" van de WTO bij de beslechting van bepaalde geschillen vanuit democratisch oogpunt een groot probleem vormt voor de legitimiteit van de WTO. Er zij op gewezen dat het geschillenbeslechtingsmechanisme van de WTO algemeen wordt beschouwd als het belangrijkste systemische resultaat van de Uruguay-Ronde, en een verschuiving betekent van het juridische paradigma, gekenmerkt door verplichte arbitrage en bindende uitspraken.

De oprichting van de WTO heeft het toepassingsgebied van regelgevingskwesties uitgebreid die rechtstreeks van invloed zijn op binnenlandse wetgeving en binnenlands beleid, waarbij de aandacht verplaatst werd van belemmeringen "aan de grens" naar belemmeringen "binnen de grenzen". Deze verschuiving plaatst vraagtekens bij de manoeuvreerruimte van de WTO-leden waar het gaat om het uitoefenen van wetgevingsbevoegdheid en het vaststellen van normen (op het gebied van volksgezondheid, milieubescherming, voedselveiligheid) die de handel kunnen beperken. In de WTO-overeenkomsten worden de doelstellingen genoemd die door de WTO-leden in alle legitimiteit mogen worden nagestreefd (bv. artikel XX van de GATT, de SPS- en de TBT-overeenkomst). Volgens de SPS-overeenkomst worden nationale normen WTO-compatibel geacht als zij op internationale normen berusten (zoals bv. geformuleerd in de Codex Alimentarius), terwijl normen die boven het internationale niveau liggen, wetenschappelijk gerechtvaardigd moeten worden door middel van een risicobeoordeling.

Gezien de impasse in de multilaterale handelsonderhandelingen heeft de EU de onderhandelingen over bilaterale en interregionale handelsovereenkomsten voorgezet, als aanvulling op en niet ter vervanging van het multilaterale kader. Sommigen beweren dat de sluiting van dergelijke overeenkomsten ertoe zal leiden dat handelspartners hun belangstelling voor een WTO-deal verliezen als zij de gewenste toegang tot een bepaalde markt krijgen. Ook zien zij een risico in de vermenigvuldiging van deze overeenkomsten waardoor het multilaterale handelsstelsel zal worden uitgehold doordat er concurrerende handelsblokken worden gevormd. Anderen zullen wellicht opmerken dat deze overeenkomsten de – op dit moment niet in het WTO-bestel aanwezige – mogelijkheid bieden om over duurzame ontwikkeling en andere clausules te onderhandelen en concessies afhankelijk te stellen van de eerbiediging van sociale en milieunormen. De voorkeur voor bilaterale overeenkomsten kan gewoon zijn ingegeven door hun minder complexe aard en de overtuiging dat belangen beter gediend zijn met een selectieve benadering van handelspartners. Momenteel is er sprake van een zekere concurrentie tussen de VS en de EU wat betreft de vraag wie als eerste – en op welke voorwaarden – belangrijke nieuwe markten zal betreden.

In het kader van deze onderhandelingen dient de EU duidelijk naar een evenwichtigere aanpak tussen verschillende sectoren te streven en moet zij zowel defensief als offensief de Europese landbouwbelangen behartigen. Coherentie tussen het GLB en het externe handelsbeleid van de EU waarborgt het behoud van het Europese landbouwmodel, en zorgt voor gelijke voorwaarden voor EU-producenten op de wereldmarkt.

De multifunctionele rol van de Europese landbouwsector kan als katalysator dienen voor de ontwikkeling van nieuwe paradigma's, aangezien deze sector belangrijke publieke goederen aan de maatschappij levert, waarvan de voorziening niet via de markt kan worden gewaarborgd: continuïteit van de voedselvoorziening en veiligheid en kwaliteit van levensmiddelen tegen een betaalbare prijs voor EU-burgers. Er is een wereldwijde toename van de vraag naar voedsel tegen de achtergrond van hogere productiekosten, grote volatiliteit op de landbouwmarkten, minder land, minder water en afnemende energiebronnen. Een sterk GLB is tevens van fundamenteel belang voor het behoud, de ecologische duurzaamheid en de economische ontwikkeling van de plattelandsgebieden in de EU, die te maken hebben met braaklegging van landbouwgrond en ontvolking van het platteland.

De economische geografie van het GLB is nauw verweven met andere maatschappelijke en beleidsdoelstellingen. De Europese landbouwsector heeft een duidelijke toegevoegde waarde en speelt een belangrijke rol in de EU-2020-strategie, die tot doel heeft de sociaaleconomische en ecologische uitdagingen aan te gaan waarmee de EU zowel intern als in haar rol als belangrijke mondiale speler geconfronteerd wordt. Het EU-handelsbeleid zal een doorslaggevende rol spelen bij de vraag of de landbouw volledig en op positieve zal blijven bijdragen tot deze doelstellingen. Het handelsbeleid mag de dynamiek van de EU-landbouwsector niet ondermijnen. In tegendeel, het handelsbeleid en het landbouwbeleid kunnen en moeten elkaar juist ondersteunen.


ADVIES van de Commissie internationale handel (8.12.2010)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

over EU-landbouw en internationale handel

(2010/2110(INI))

Rapporteur voor advies (*): Godelieve Quisthoudt-Rowohl

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  doet een beroep op de Commissie om zich nauwgezet aan haar onderhandelingsmandaat in de WTO te houden, waarin de reeds afgesloten hervorming van het GLB als de grens van haar optreden is vastgelegd, mits van haar handelspartners gelijkwaardige concessies kunnen worden verkregen; wijst andermaal op de verbintenis van de EU om haar exportsubsidies te beëindigen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat haar handelspartners een vergelijkbare stap zetten ten aanzien van exportsubsidies en exportmaatregelen met een gelijke werking;

2.  wijst andermaal op het feit dat de GLB-hervorming van 2003 en de "gezondheidscontrole" van 2008 een bewijs waren van de ernst van de hervormingsverbintenissen van de EU doordat zij vooruitliepen op de verwachte resultaten van de Doha-Ronde, terwijl er nog steeds wordt gewacht op gelijkwaardige concessies van de handelspartners van de EU;

3.  wijst op het feit dat de overeenkomst inzake de handel in bananen een einde maakt aan een periode van technisch ingewikkelde, politiek gevoelige en ernstige geschillen binnen de WTO die twintig jaar lang heeft geduurd, een belangrijke stap vormt op weg naar de consolidatie van een op regels gebaseerd multilateraal handelsstelsel en tegelijkertijd een beslissende bijdrage kan leveren tot de oplossing van kwesties inzake tropische producten en preferenties in de WTO-onderhandelingen; is van mening dat in de toekomst bij gelijkaardige onderhandelingen rekening moet worden gehouden met de belangen van de producenten in de EU en van de ACS-partners, opdat deze sectoren – die veel werkgelegenheid bieden – niet verzwakt worden;

4.  stelt vast dat de ultraperifere regio's integraal deel uitmaken van het grondgebied van de Europese Unie en daarom volledig binnen het toepassingsgebied van de handelsovereenkomsten moeten vallen; benadrukt dat de kwetsbare economieën van deze regio's op de landbouw gebaseerd zijn en dat hun productie moet wedijveren met de producten van Latijns-Amerikaanse producenten die een verlaging van de douanetarieven genieten; wijst erop dat artikel 349 van het VWEU het mogelijk maakt het EU-beleid af te stemmen op de geografische en economische realiteit van deze regio's; doet een beroep op de Commissie om in het kader van de onderhandelingen rekening te houden met de specifieke behoeften van de ultraperifere regio's, opdat de ontwikkeling van deze regio's niet wordt ondermijnd;

5.  verzoekt de Commissie om haar verbintenissen met betrekking tot de Europese suikersector na te komen en een einde te maken aan de systematische toegevingen voor suiker in het kader van bilaterale en multilaterale handelsbesprekingen; neemt in dit verband kennis van de initiatieven van de suikersector, die het concurrentievermogen alsook de milieuvriendelijkheid van de sector verbeterd hebben en dankzij de aan de ACS-landen en MOL's toegekende preferenties bijdragen tot de ontwikkelingsagenda van de EU;

6.  verzoekt de Commissie om, met het oog op de bescherming van de consumentenbelangen door middel van de verstrekking van betrouwbare en relevante informatie aan de consument, te blijven streven naar een doeltreffender bescherming van de geografische aanduidingen binnen de WTO, door de grotere bescherming die momenteel geldt voor wijnen en sterke drank (artikel 23 van de TRIP's-overeenkomst) uit te breiden tot alle geografische aanduidingen en door een systeem voor de melding en registratie van geografische aanduidingen in te voeren;

7.  doet een beroep op de Commissie om onwrikbaar te blijven met betrekking tot de opname van geografische aanduidingen in het toepassingsgebied van de handelsovereenkomst ter bestrijding van namaak en in bilaterale handelsovereenkomsten;

8.  is van oordeel dat de EU de afsluiting van multilaterale onderhandelingen als een prioriteit moet beschouwen; is van oordeel dat bilaterale handelsovereenkomsten een aanvulling moeten vormen op multilaterale processen middels het respecteren van gelijke arbeidsvoorwaarden, gemeenschappelijke milieuregels en normen voor de voedselveiligheid, die in de Europese Unie reeds van kracht zijn, en door niet alleen de voorkeur te geven aan programma's inzake duurzame ontwikkeling; brengt in herinnering dat de EU aanzienlijke offensieve belangen heeft in de landbouw, met name ten aanzien van verwerkte producten van hoge kwaliteit; is van oordeel dat bilaterale handelsovereenkomsten met belangrijke handelspartners op succesvolle wijze de exportbelangen van de agro-industrie van de EU kunnen steunen en aanzienlijke economische voordelen kunnen opleveren;

9.  steunt de hervatting van de onderhandelingen over de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur – een bijzonder belangrijke associatieovereenkomst die zevenhonderd miljoen mensen betreft en 's werelds meest ambitieuze biregionale overeenkomst zou zijn – en benadrukt dan ook dat het Europees Parlement nauw betrokken moet worden bij alle stadia van de onderhandelingen; onderstreept dat er uiteindelijk een voor beide partijen evenwichtig resultaat moet worden bereikt door ervoor te zorgen dat tijdens de onderhandelingen terdege rekening wordt gehouden met de gevolgen en de impact van de overeenkomst, in het bijzonder voor wat het milieu en sociale kwesties betreft; vraagt de Commissie met aandrang een effectbeoordeling uit te voeren van de gevolgen van een dergelijke overeenkomst voor de landbouwsector;

10. benadrukt dat alle in de EU op de markt gebrachte binnenlandse of ingevoerde producten moeten blijven voldoen aan dezelfde strikte eisen inzake voedselveiligheid; doet voor wat dierenwelzijn en milieunormen betreft een beroep op de Commissie om alles in het werk te stellen ter bevordering van de consensus met derde landen wanneer de normen verder gaan dan de internationale aanbevelingen, en om in haar bilaterale handelsovereenkomsten bepalingen op te nemen voor de goedkeuring en toepassing van internationale normen;

11. doet een beroep op de Commissie om de handelspartners van de EU aan te moedigen in hun huidige inspanningen om hun sociale en milieunormen te verbeteren, met als doel een afname van het concurrentievermogen van de EU in de wereldlandbouwproductie te voorkomen en op deze gebieden tot coherente en allesomvattende normen te komen;

12. onderstreept het belang van een strikte toepassing van de preferentiële regels van oorsprong; dringt aan op een herziening van alle handelspreferenties die door de Europese Unie aan opkomende industrielanden van de G-20 zijn verleend;

13. wijst andermaal op het belang van de handel in landbouwproducten voor de economische ontwikkeling van en de leniging van armoede in ontwikkelingslanden; doet een beroep op de EU om de ACS-landen te helpen zich aan te passen aan de groeiende internationale concurrentie;

14. onderstreept dat het handelsbeleid een rol moet vervullen bij het aanpakken van de uitdagingen inzake de voedselveiligheid en de voedselsoevereiniteit; dringt aan op meer toezicht op de weerslag van programma's voor biobrandstoffen op de voedselveiligheid en op coördinatie van de uitvoerbeperkende maatregelen om een verergering van toekomstige voedselcrisissen te vermijden;

15. vindt het vooruitzicht dat tijdens de onderhandelingen met Oekraïne toegevingen over graan kunnen worden gedaan, verontrustend, aangezien de Oekraïense productie bijzonder competitief is en Oekraïne nu al de belangrijkste begunstigde is van verlaagde tarieven voor graan (tarwe en gerst) die openstaan voor derde landen; verzoekt de Commissie bijgevolg om haar aanbod in deze sector te beperken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.12.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Laima Liucija Andrikienė, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Harlem Désir, Christofer Fjellner, Joe Higgins, Yannick Jadot, Metin Kazak, Bernd Lange, David Martin, Vital Moreira, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Tokia Saïfi, Helmut Scholz, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Keith Taylor, Paweł Zalewski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

George Sabin Cutaş, Ryszard Czarnecki, Małgorzata Handzlik, Salvatore Iacolino, Maria Eleni Koppa, Jörg Leichtfried, Michael Theurer, Jarosław Leszek Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Giommaria Uggias


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (9.12.2010)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake EU-landbouw en internationale handel

(2010/2110(INI))

Rapporteur voor advies: Patrizia Toia

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het volgende wordt bepaald: "De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking";

2.  benadrukt het feit dat het toepassen van samenhang in het ontwikkelingsbeleid (PCD) met betrekking tot landbouw en handel ook gevolgen zal hebben voor het behalen van de millenniumdoelstellingen 1 (uitbanning van extreme armoede en honger) en 8 (mondiaal partnerschap voor ontwikkeling), onder meer door de invoering van bepalingen voor eerlijker handelsregels en markttoegang;

3.  benadrukt dat de prijsschommelingen de problemen van ondervoeding in de wereld hebben verergerd, zoals de FAO constateert, en dat een verdergaande liberalisering van de wereldhandel in landbouwproducten, gestimuleerd door de WTO-overeenkomsten, het tot nu toe niet mogelijk heeft gemaakt een einde te maken aan de dreiging van honger in de wereld; benadrukt dat de EU ook de plicht heeft de mondiale voedselvoorziening te helpen garanderen;

4.  verwelkomt de geleidelijke vermindering van de exportsubsidies en hoopt dat de Doha-onderhandelingen snel worden afgerond;

5.  wijst erop dat exportsubsidies in het verleden het dumpen van goedkope EU-producten in ontwikkelingslanden hebben mogelijk gemaakt, waardoor de concurrentie met lokale producenten werd verstoord en hun productieve capaciteit werd aangetast;

6.  uit nogmaals zijn bezorgdheid over de handelsstrategie van de EU ("Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren"), die gericht is op concurrentie en markttoegang voor EU-producten en waarin een pro-ontwikkelingsbenadering ontbreekt; dringt erop aan dat in de lopende EPA-onderhandelingen meer aandacht wordt besteed aan ontwikkelingskwesties;

7.  bevestigt andermaal dat ontwikkelingslanden op legitieme wijze de mogelijkheid moeten krijgen beleidsmaatregelen te nemen die zorgen voor binnenlandse meerwaarde; wijst erop dat het halveren van de invoerrechten op landbouwproducten van de OESO-landen naar schatting 10 miljard dollar zou opleveren voor de ontwikkelingslanden; is van oordeel dat de huidige EU-handelsregeling waarbij grondstoffen minder belast worden dan verwerkte goederen, de industrialisering van ontwikkelingslanden in de weg staat; roept op tot een gestage vermindering van tarieven op landbouwimport uit alle ontwikkelingslanden , teneinde een langdurige schepping van welvaart te bevorderen en reële kansen op toegang tot de markten voor deze landen te verwezenlijken;

8.  dringt erop aan dat bij de discussies over het GLB na 2013 wordt uitgegaan van een meer mondiaal perspectief, waarbij de kansen op markttoegang voor ontwikkelingslanden worden verbreed en deze landen de kans wordt geboden concurrerend op te treden op hun eigen nationale en regionale markten;

9.  onderstreept de noodzaak van transparantie en het afleggen van verantwoording over de uitvoering door de Commissie van effectbeoordelingen en het overleg met belanghebbenden, in het bijzonder de reguliere dialoog met relevante commissies van het Europees Parlement, waaronder de Commissie ontwikkelingssamenwerking.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.12.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Ricardo Cortés Lastra, Nirj Deva, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Catherine Grèze, Filip Kaczmarek, Franziska Keller, Miguel Angel Martínez Martínez, Gay Mitchell, Maurice Ponga, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Alf Svensson, Eleni Theocharous, Iva Zanicchi, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Santiago Fisas Ayxela, Martin Kastler, Judith Sargentini, Patrizia Toia


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.1.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Richard Ashworth, José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Vasilica Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Hynek Fajmon, Lorenzo Fontana, Iratxe García Pérez, Sergio Gutiérrez Prieto, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Agnès Le Brun, Stéphane Le Foll, George Lyon, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, Krisztina Morvai, Mariya Nedelcheva, James Nicholson, Rareş-Lucian Niculescu, Georgios Papastamkos, Marit Paulsen, Britta Reimers, Alfreds Rubiks, Giancarlo Scottà, Sergio Paolo Francesco Silvestris, Alyn Smith, Csaba Sándor Tabajdi, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Luís Paulo Alves, Pilar Ayuso, Salvatore Caronna, Giovanni La Via, Astrid Lulling, Milan Zver

Juridische mededeling - Privacybeleid