VERSLAG over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank

18.3.2011 - (00003/2011 – C7‑0058/2011 – 2011/0802(NLE))

Commissie economische en monetaire zaken
Rapporteur: Sharon Bowles
PR_NLE_art109

Procedure : 2011/0802(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A7-0064/2011
Ingediende teksten :
A7-0064/2011
Debatten :
Aangenomen teksten :

VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank

(00003/2011 – C7‑0058/2011 – 2011/0802(CNS))

Het Europees Parlement,

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 15 februari 2011 (00003/2011)[1],

–   gelet op de tweede alinea van artikel 283, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd (C7 0058/2011),

–   gelet op artikel 109 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0064/2011),

A. overwegende dat de Europese Raad het Europees Parlement bij schrijven van 18 februari 2011 heeft geraadpleegd over de benoeming van Peter Praet tot lid van de directie van de Europese Centrale Bank voor een ambtstermijn van acht jaar die op 1 juni 2011 ingaat,

B.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de referenties van de kandidaat heeft beoordeeld, met name tegen de achtergrond van de eisen van artikel 283, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en gezien het feit dat de ECB overeenkomstig artikel 130 van dat verdrag volstrekt onafhankelijk dient te zijn, en overwegende dat de commissie in het kader van de uitvoering van deze beoordeling een CV van de kandidaat heeft ontvangen alsook diens antwoorden op de hem toegezonden vragenlijst,

C. overwegende dat de commissie de kandidaat vervolgens op 16 maart 2011 gedurende anderhalf uur heeft gehoord; bij deze gelegenheid heeft hij een inleidende verklaring afgelegd en vragen van de commissieleden beantwoord,

1.  brengt aan de Europese Raad positief advies uit inzake de aanbeveling van de Raad om Peter Praet te benoemen tot lid van de directie van de Europese Centrale Bank;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad en aan de Raad.

  • [1]  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE 1: CURRICULUM VITAE VAN Peter Praet

Peter Praet werd in 2000 benoemd tot directeur van de Nationale Bank van België en is verantwoordelijk voor financiële stabiliteit en toezicht op financiële infrastructuren en betalingssystemen. In 2002 werd hij eveneens benoemd tot lid van het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), waar hij belast is met het prudentieel beleid voor het bank- en verzekeringswezen.

Voor zijn indiensttreding bij de Nationale Bank was de heer Praet van 1999 tot 2000 kabinetschef van de Belgische minister van Financiën, en daarvoor was hij van 1988 tot 1999 als hoofdeconoom werkzaam bij de Generale Bank en Fortis Bank, van 1980 tot 1987 hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit van Brussel, en van 1978 tot 1980 econoom bij het ​​Internationaal Monetair Fonds.

In 1980 behaalde dhr. Praet een doctoraat in de economische wetenschappen aan de Vrije Universiteit van Brussel (VUB). Hij is sinds 1980 als hoogleraar economie verbonden aan de VUB. Momenteel doceert hij financiële en bankwetenschappen aan de Vrije Universiteit van Brussel, en bekleedde van 2001 tot 2004 de leerstoel bedrijfsethiek aan de Faculté Polytechnique en de Solvay Business School van de VUB.

De heer Praet heeft zitting in diverse gezaghebbende internationale comités, zoals het Bazels Comité voor bankentoezicht, het Comité voor betalings- en afwikkelingssystemen, het Committee on the Global Financial System en de Europese Bankautoriteit. Hij is eerste plaatsvervangend lid van de raad van bestuur van de Bank voor Internationale Betalingen. Daarnaast is hij ook voorzitter van het Comité voor het bankentoezicht van het Europees Stelsel van centrale banken.

In deze respectieve hoedanigheden zat hij ook een aantal werk- en taakgroepen voor. Momenteel is hij voorzitter van de Working Group on Fixed Income Strategies of insurance firms and pension funds van het Committee on the Global Financial System en tevens covoorzitter van de Research Task Force van het Bazels Comité voor Bankentoezicht.

De heer Praet is sinds 2004 lid van het bestuur van de Europese denktank BRUEGEL (Brussels European and Global Economic Laboratory) en is lid van de International Advisory Council van het International Centre for Financial Regulation (ICFR).

PETER PRAET

Directeur NBB

Geboren te Herchen (Duitsland) op 20 januari 1949Nationaliteit: Belg

Mandaten

· directeur van de Nationale Bank van België, belast met financiële stabiliteit en toezicht op financiële infrastructuren en betalingssystemen

· lid van het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), belast met het prudentieel beleid voor het bank- en verzekeringswezen

· eerste plaatsvervangend lid bij de raad van bestuur van de Bank voor Internationale Betalingen (BIB)

· plaatsvervangend lid van de Global Economy Meeting van de BIB

· plaatsvervangend lid van het Economic Consultative Committee van de BIB

· voorzitter van het Comité voor het bankentoezicht (BSC) van het Europees Stelsel van centrale banken

Lidmaatschappen

Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS)Basel Committee on the Global Financial System (CGFS)

Voorzitter van de Working Group on Fixed Income Strategies of insurance firms and pension funds van het CGFS

Covoorzitter van de Research Task Force van het BCBS

Bazels Comité voor betalings- en afwikkelingssystemen (CPSS)

Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBT), sinds januari 2011 de Europese Bankautoriteit (EBA)

Bestuur van BRUEGEL (Brussels European and Global Economic Laboratory) (2004-2011)

Raad van bestuur van XBRL (Extensible Business Reporting Language)

Hoge Raad van Financiën van het Koninkrijk België

Lamfalussy-taskforce 2008 voor een nieuwe financiële architectuur in België

Wetenschappelijk Adviescomité van het Brussel Finance Institute - BFI

International Advisory Council van het International Centre for Financial Regulation (ICFR)

Comité voor systeemrisico's en systeemrelevante financiële instellingen (CSRSFI)

Academische functies

Financiële en bankwetenschappen, Solvay Business School en faculteit Economie, Vrije Universiteit van Brussel (VUB)Macro-economische coördinatie - Institute for European Studies

Diploma's

Bachelor in de Economische Wetenschappen - VUB (1971)Master in de Economische Wetenschappen -

VUB (1972)Doctor in de Economische Wetenschappen -

VUB (1980)

Voornaamste beroepsactiviteiten

1973 – 1975

Wetenschappelijk medewerker faculteit Toegepaste Economie en Institute for European Studies, Vrije Universiteit van Brussel (VUB)

1976

Militaire dienst

1977 – 1978

Wetenschappelijk medewerker Institute for European Studies, VUB

1978 – 1980

Econoom bij het Internationaal Monetair Fonds, Washington D.C.

1980 – 1987

Hoogleraar economie, VUB

Vakgebieden:

· Financiële en bankwetenschappen

· Economische en monetaire Unie

· Coördinatie van het macro-economisch beleid.

1987 – 1999

Hoofdeconoom bij de Generale Bank, later bij Fortis Bank

1999 – 2000

Kabinetschef Belgisch Ministerie van Financiën

Nov. 2000 – nu

Directeur Nationale Bank van België

Nov. 2002 – nu

Lid van het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA)

BIJLAGE 2: ANTWOORDEN VAN Peter Praet OP DE VRAGENLIJST

A. Persoonlijke achtergrond en beroepservaring

1.        Beschrijf de belangrijkste aspecten van uw beroepservaring op het vlak van monetaire, financiële en bedrijfseconomische aangelegenheden.

In het kader van mijn beroepsloopbaan ben ik hoofdzakelijk bezig geweest met monetaire en financiële aangelegenheden in met name de academische wereld en het bankwezen, en daarnaast ook als ambtenaar en centraal bankier.

Na het behalen van mijn doctorstitel in de Economische Wetenschappen aan de Vrije Universiteit van Brussel (VUB) ben ik twee jaar als econoom actief geweest bij het ​​IMF, en vervolgens was ik in de periode 1980-1987 hoogleraar economie aan de VUB.

Van 1987 tot 1999 was ik als hoofdeconoom werkzaam bij grote banken in België. Zo heb ik een goede kennis verworven van de verschillende aspecten van het bankbedrijf.

Van 1999 tot 2000 was ik kabinetschef bij het Belgische Ministerie van Financiën. Sinds 2000 ben ik directeur bij de Nationale Bank van België (NBB) en was ik in die functie verantwoordelijk voor financiële stabiliteit en toezicht op financiële infrastructuren en betalingssystemen. In 2002 werd ik daarnaast benoemd tot lid van het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), waar ik belast was met het prudentieel beleid voor het bank- en verzekeringswezen. In deze beide hoedanigheden (bij de NBB en de CBFA) heb ik tevens deel uitgemaakt van diverse gezaghebbende internationale commissies (zie vraag 2).

2.        Beschrijf de belangrijkste aspecten van uw Europese en internationale beroepservaring.

Sinds 2000 was ik lid van diverse gezaghebbende Europese en internationale commissies, waaronder het Bazels Comité voor bankentoezicht, het Comité voor betalings- en afwikkelingssystemen, het Committee on the Global Financial System en het Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBT), dat onlangs is omgedoopt tot de Europese Bankautoriteit. Daarnaast ben ik voor de jaren 2007-2011 door de Raad van bestuur van de ECB benoemd tot voorzitter van het Comité voor bankentoezicht van het Europees Stelsel van centrale banken.

In deze respectieve hoedanigheden ben ik ook uitgenodigd om een aantal werk- en taakgroepen voor te zitten. Momenteel ben ik voorzitter van de Working Group on Fixed Income Strategies of insurance firms and pension funds van het Committee on the Global Financial System en tevens covoorzitter van de Research Task Force van het Bazels Comité voor bankentoezicht. Ook ben ik lid van de werkgroep ad hoc Crisisbeheer van het EFC.

Van 2000 tot 2005 was ik bij de Nationale Bank van België verantwoordelijk voor internationale politieke vraagstukken in het kader van het IMF, de BIB, de OESO en de EU.

Daarnaast ben ik sedert de oprichting van de Europese denktank BRUEGEL (Brussels European and Global Economic Laboratory) in 2004 lid van het bestuur van dat orgaan en tevens lid van de International Advisory Council van het International Centre for Financial Regulation (ICFR).

3.        Wat zijn de belangrijkste beslissingen waarbij u tijdens uw carrière betrokken bent geweest?

Ik ben betrokken geweest bij tal van op nationaal, Europees en internationaal niveau genomen beslissingen in de economische en financiële sfeer.

Op nationaal niveau was ik als kabinetschef bij het Belgische Ministerie van Financiën betrokken bij een aantal ingrijpende belasting- en regelgevingshervormingen. Daarnaast zou ik nog willen vermelden dat ik in 2002 bij de Nationale Bank van België een nieuwe Dienst voor financiële stabiliteit heb opgericht, die zich met name bezighoudt met nadere analyse en onderzoek op dit terrein. In het meer recente verleden was ik actief betrokken bij het financiële crisisbeheer in België, en was ik lid van de Lamfalussy-taskforce, die een nieuwe toezichtsarchitectuur voor België heeft ontworpen.

Ook heb ik recentelijk een bijdrage geleverd aan de werkzaamheden van een aantal belangrijke internationale beleidsgroepen die naar aanleiding van de crisis zijn opgericht. Op Europees niveau heb ik actief deelgenomen aan een aantal initiatieven om de grensoverschrijdende crisisbeheersing in de financiële sector te versterken. Als lid van het Bazels Comité heb ik er mij krachtig voor beijverd het financiële stelsel crisisbestendiger te maken via het zogenaamde Basel III-pakket.

B. Monetair en economisch beleid

4.        Voor welke doelstellingen denkt u zich tijdens uw achtjarig mandaat als vicepresident van de Europese Centrale Bank vooral in te zetten?

Ik zal mij in de allereerste plaats volledig toeleggen op de vervulling van het Verdragsmandaat van de ECB.

Conform de bevoegdheden van de ECB zal ik onafhankelijk en in het algemeen belang van de eurozone en de EU als geheel en van hun burgers optreden.

Ik hecht bijzonder veel waarde aan integriteit, transparantie en verantwoordingsplicht. Daarnaast geloof ik dat de collegiale besluitvorming binnen de ECB en haar hooggekwalificeerde personeel tot de grootste troeven behoren waarover de bank beschikt.

5.        Hoe beoordeelt u het monetaire beleid dat de afgelopen 12 jaar door het ESCB is gevoerd? Welke aanpassingen zou u daarin als lid van de directie eventueel doorgevoerd willen zien?

In zijn algemeenheid heeft het monetaire beleid in de eurozone zich naar mijn mening in gunstige zin ontwikkeld. De doorgevoerde metingen en de indicatoren van de financiële markten voor de inflatieverwachtingen waren over het algemeen in overeenstemming met de door de ECB gehanteerde definitie van prijsstabiliteit. De stabiele inflatieverwachtingen die aldus tot stand zijn gebracht, leveren dan ook het bewijs dat de ECB in de ogen van het publiek en van de markten een zeer geloofwaardig beleid voert dat oplevert wat het geacht wordt op te leveren, namelijk prijsstabiliteit. De ECB heeft dit doel weten te realiseren in weerwil van de vele uitzonderlijke uitdagingen waarmee zij zich de afgelopen 12 jaar geconfronteerd zag. De ECB heeft onmiddellijk gereageerd op de financiële beroering die in 2007 uitbrak en die vervolgens uitdraaide op een financiële crisis. Zelfs in die periode, toen de inflatie enkele maanden onder nul dook, bleven de inflatieverwachtingen voor de middellange tot lange termijn zeer stabiel.

Desalniettemin heeft de financiële crisis een aantal vragen doe rijzen over de relatie tussen monetair beleid en financiële stabiliteit. Er is dringend behoefte aan een beter inzicht in de rol van de financiële sector in het mechanisme voor de praktische tenuitvoerlegging van het monetaire beleid. Zoals aangegeven in antwoord 6, is het nauwlettend volgen van de activaprijsontwikkelingen een belangrijke voorwaarde om een solide monetaire beleidsstrategie te kunnen voeren.

6.        Er wordt vaak betoogd dat structurele veranderingen in de wereldeconomie er debet aan zijn dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden van consumptieprijsinflatie naar activaprijsinflatie. Wat is uw opvatting daaromtrent en wat zijn daarvan volgens u de gevolgen voor het monetaire beleid?

In de afgelopen 30 jaar zijn – eerst in de ontwikkelde, en in een later stadium ook in de zich ontwikkelende economieën – het inflatiepeil en de inflatieschommelingen teruggelopen. Tot vóór het uitbreken van de financiële crisis concentreerde de discussie zich lange tijd op de mogelijke verklaringen voor deze zogenaamde "Great Moderation", zoals de structurele veranderingen die zich hadden voltrokken als gevolg van o.a. de globalisering en het voeren van een efficiënter monetair beleid. Het meest voor de hand liggende antwoord is dat deze beide factoren in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de beperking van de inflatie en van de inflatieschommelingen.

Toch kan niet worden beweerd dat de strijd tegen de inflatie definitief is beslecht, en dat er een nieuw tijdperk is aangebroken waarin de inflatie veeleer tot uiting komt in activa- dan in consumptieprijzen. Tegelijkertijd is het ook zo dat de gematigde inflatiedynamiek – waardoor de financiële markten een lagere risicopremie zijn gaan verlangen – ertoe kan hebben bijgedragen dat de prijzen van sommige activa uit de hand aan het lopen zijn. Voor de toekomst moeten de centrale banken hun over de afgelopen 30 jaar moeizaam verworven geloofwaardigheid zien te behouden en moeten zij zich op hun doelstelling – prijsstabiliteit – blijven concentreren, onder inachtneming van de implicaties van de activaprijsontwikkelingen in termen van risico's voor de prijsstabiliteit op middellange tot langere termijn.

Het nauwlettend volgen van de activaprijsontwikkelingen is een belangrijke voorwaarde om een solide monetaire beleidsstrategie te kunnen voeren. Onhoudbare ontwikkelingen in de activaprijzen kunnen – zelfs in een veel later stadium – nopen tot zeer pijnlijke aanpassingen, die tot ongewenst gevolg kunnen hebben dat een centrale bank niet meer bij machte is prijsstabiliteit op duurzame basis te handhaven. Zo beoogt de monetaire beleidsstrategie van de ECB bijvoorbeeld ook de langetermijnrisico's voor de prijsstabiliteit als gevolg van onhoudbare activaprijsontwikkelingen op een correcte manier bij haar monetaire beleidsafwegingen te betrekken. Het beoordelen van de ontwikkelingen in de geldhoeveelheid en in de kredietsfeer in het kader van de monetaire analyse – die een belangrijke rol vervult bij het bepalen van de middellange- tot langetermijnvooruitzichten op het stuk van prijsontwikkeling – biedt de mogelijkheid de interacties tussen de prijsvorming op de activamarkten en de krediet- en liquiditeitscreatie in de financiële sector op de voet te volgen. Een en ander spoort aan tot het voeren van een monetair beleid dat tracht te anticiperen op initiële prijsverstoringen in de activamarkten die tot uiting komen in de dynamiek van monetaire en kredietaggregaten. Op die manier kan via het monetair beleid tijdens de verschillende fasen van de financiële conjunctuur een rem worden gezet op de ontwikkeling van zeepbellen in de activaprijzen, zodat de prijsstabiliteit op een duurzame basis kan worden gehandhaafd.

Toch is het monetaire beleid niet noodzakelijkerwijs het meest geschikte instrument om forse stijgingen van activaprijzen en buitensporige kredietgroei tegen te gaan. Het gebruik van macroprudentiële instrumenten die zich concentreren op de oorzaken van financiële exuberantie kan wat dat betreft effectiever zijn. Daar staat tegenover dat wij met deze instrumenten weinig ervaring hebben.

7.        Wat zijn volgens u de gevolgen van de stijgende goederen- en grondstofprijzen voor het monetaire beleid? Is er in termen van monetair beleid sprake van een conflict tussen recessiebestrijding en het aannemen van een waakzame houding ten aanzien van de inflatie(verwachtingen)?

Het monetaire beleid van de ECB concentreert zich op de prijsontwikkelingen op de middellange termijn. Het duurt enige tijd voor veranderingen in de monetaire beleidskoers doorwerken in de economie en uiteindelijk in de prijzen. Stijgende grondstofprijzen zoals wij die momenteel waarnemen, zijn derhalve alleen in zoverre van invloed op het monetaire beleid dat zij opwaartse risico's creëren voor de prijsstabiliteit op de middellange termijn. Kortetermijneffecten op de inflatie in haar algemeenheid als gevolg van het directe inflatoire effect van hogere grondstofprijzen en indirecte effecten die samenhangen met het gebruik van grondstoffen in het productieproces zijn voor de ECB in principe geen reden om in te grijpen, aangezien het effect daarvan op de consumptieprijzen slechts van tijdelijke aard zou zijn.

De zaak ligt anders wanneer de opwaartse kortetermijndruk op de prijzen een duurzame uitwerking zou krijgen op het gedrag van consumenten, producenten en financiële marktdeelnemers en zou leiden tot het ontstaan ​​van tweederonde-effecten. Tevens zou de centrale bank zich in geval van aanhoudende stijgende tendensen in de grondstofprijzen gedwongen kunnen zien in te grijpen wanneer er sprake is van een langdurige afwijking van de prijsstabiliteitsdoelstelling, die een bedreiging vormt voor de duurzaamheid van de inflatieverwachtingen. In dergelijke gevallen zou een aanscherping van het monetaire beleid noodzakelijk zijn om terug te keren naar een situatie van prijsstabiliteit en stevig verankerde inflatieverwachtingen. In de nu bestaande situatie moeten wij nauwlettend blijven toezien op de ontwikkeling van de grondstofprijzen en de doorwerking daarvan in de economie en de inflatie.

Het primaire mandaat van de ECB is het handhaven van de prijsstabiliteit op middellange termijn. Met het oog daarop stelt zij de rentetarieven vast en treft zij momenteel ook non-conventionele maatregelen om te garanderen dat de lage rentevoeten worden doorberekend in de economie, zoals in normale tijden gebruikelijk is. Het handhaven van prijsstabiliteit is de beste bijdrage die de ECB kan leveren aan de verbetering van de vooruitzichten op een duurzaam economisch herstel (zie ook het antwoord op vraag 8).

8.        Hoe zou de ECB – zonder afbreuk te doen aan haar streven naar prijsstabiliteit – naar uw oordeel moeten voldoen aan haar secundaire verplichtingen uit hoofde van het Verdrag (bijdragen aan economische groei en volledige werkgelegenheid), en welke instrumenten zou zij daartoe kunnen inzetten?

Conform het Verdrag heeft de ECB ter verwezenlijking van de nagestreefde prijsstabiliteit een duidelijk referentiepercentage vastgesteld. Zij stelt zich ten doel de inflatie op middellange termijn te handhaven onder – maar dichtbij – 2% en zij heeft dit streefcijfer van meet af aan volledig weten te realiseren. Men is het er in brede kring over eens dat een centrale bank de economische groei niet op een duurzame wijze kan beïnvloeden door de geldhoeveelheid aan te passen. Het waarborgen van prijsstabiliteit is echter wel de voornaamste bijdrage die het monetaire beleid kan leveren om een gunstig economisch klimaat en een hoog niveau van werkgelegenheid te kunnen creëren. Een en ander draagt bovendien structureel bij aan de verwezenlijking van de andere doelstellingen van de Europese Unie doordat het groeipotentieel van de economie in de eurozone wordt verbeterd.

Zonder afbreuk te doen aan de nagestreefde prijsstabiliteit voorziet het Verdrag tevens in ondersteuning van de algemene economische beleidsmaatregelen in de Unie door het ESCB, teneinde o.a. bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van Europa op basis van een evenwichtige economische groei en om volledige werkgelegenheid als streefdoel te hanteren. Tijdens de financiële crisis is via het monetaire beleid met behulp van adequate, op de middellange termijn georiënteerde maatregelen ingespeeld op de economische en financiële schokken die zich voordeden, met als doel de inflatieverwachtingen stevig te verankeren en de macro-economische ontwikkelingen te stabiliseren. Zonder de prijsstabiliteit in gevaar te brengen heeft de ECB de economie adequaat ondersteund door gebruikmaking van het rentewapen. Bovendien bleek de door de ECB gegeven respons – afgezien van de conventionele renteverlagingen die historisch lage niveaus bereikten – onder de gegeven omstandigheden voldoende flexibel uit te pakken. Zij bediende zich daarbij van zogenaamde niet-conventionele maatregelen om te waarborgen dat het monetaire beleid in een context van ongebruikelijk hoge onzekerheid en instabiliteit op de financiële markten zonder te haperen het beoogde effect sorteerde.

9.        Wat is uw oordeel over de institutionele betrekkingen tussen de ECB, de Raad en/of de Eurogroep? Acht u de coördinatie en het economisch toezicht binnen de Eurogroep voor verbetering vatbaar?

De ECB neemt op permanente basis deel aan de bijeenkomsten van de Ecofin-Raad en de Eurogroep en van hun voorbereidingscommissies. Bovendien neemt de president van de ECB regelmatig deel aan de relevante onderdelen van de bijeenkomsten van de Europese Raad. Door aldus nauw met hen samen te werken, kan de ECB de ministers informeren omtrent haar monetaire beleidsbeslissingen en over de manier waarop zij de economische en financiële ontwikkelingen beoordeelt. Daar staat voor de ECB tegenover dat zij, door aan deze fora deel te nemen, ook wordt betrokken bij het beraad over het begrotingsbeleid en de andere macro-economische en structurele beleidsvormen van de lidstaten van de EU (in het kader van het EU-Semester) en bij het overleg inzake internationale financiële aangelegenheden en financieel beleid.

Dat neemt echter niet weg dat de wetgevingsvoorstellen van de Commissie met betrekking tot de economische governance in de EU, de economische coördinatie en het economisch toezicht wel degelijk moeten worden aangescherpt. De Eurogroep heeft hierin als "economische" pijler van de EMU een cruciale rol te vervullen. Deze vormen van nauwere samenwerking dienen erop gericht te zijn het ontstaan tegen te gaan van onhoudbare onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar kunnen brengen, te zorgen voor duurzame begrotingssituaties en het groeipotentieel van de eurozone te versterken.

10.      Wat denkt u van de ontwerpwetgevingsvoorstellen in het kader van de "hervorming van de economische governance" waarover momenteel in het Europees Parlement wordt beraadslaagd? Zou u geïntegreerd toezicht als een stap voorwaarts beschouwen of zou u zich veeleer concentreren op begrotingstoezicht?

Hoewel de voorstellen van de Commissie een belangrijke verbreding en versterking van het bestaande budgettaire en macro-economische toezichtssysteem in de EU impliceren, kunnen zij nog niet worden beschouwd als de "spectaculaire sprong voorwaarts" die de EMU in termen van economische governance moet maken om te komen tot de diepere economische unie waarop door de ECB wordt aangedrongen. In dat opzicht juich ik de door het Europees Parlement geleverde inspanningen toe en hoop ik dat het Parlement in het kader van het binnenkort te houden tripartiet overleg met de Raad en de Commissie optimaal gebruik zal weten te maken van de door het Verdrag geboden ruimte om de economische governance te versterken.

De voornaamste les die wij moeten trekken uit de manier waarop in het verleden invulling is gegeven aan het toezicht, is wel dat strikt de hand moet worden gehouden aan de bestaande regels en dat eventuele inbreuken daarop moeten worden gevolgd door nagenoeg automatisch te treffen corrigerende maatregelen. Dit kan worden bewerkstelligd door middel van duidelijke en tijdige procedures die eenvoudig te interpreteren en uit te voeren zijn.

De recente crisis heeft aangetoond dat macro-economische onevenwichtigheden zware risico's voor de overheidsfinanciën met zich meebrengen die binnen een heel kort tijdsbestek realiteit kunnen worden. Ook is heel duidelijk aan het licht getreden dat deze risico's binnen het bestaande governancesysteem uit controle- en beheersingsoogpunt onvoldoende aandacht hebben gekregen. Een beter geïntegreerde aanpak van het toezicht is dan ook noodzakelijk. Het valt toe te juichen dat de timing van de respectieve toezichtprocedures in het kader van het Europese Semester ter wille van de consistentie onderling beter wordt afgestemd en dat zij tegelijkertijd juridisch en procedureel van elkaar gescheiden worden gehouden.

11.      Welke taken, onderlinge verhoudingen en uitdagingen ziet u voor de ECB en het nieuwe Europees stabiliteitsmechanisme weggelegd?

In de verklaring van de Eurogroep over het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) d.d. 28 november 2010, die door de Europese Raad van 16-17 december 2010 is bijgetreden, zijn voor de ECB een aantal taken gereserveerd.

Om te beginnen zullen de Commissie en het IMF, in overleg met de ECB, onderhandelen over en toezicht houden op de economische en financiële ondersteuningsprogramma's voor landen van de eurozone die om bijstand uit het ESM verzoeken, zoals momenteel gebeurt met de Griekse leningfaciliteit en met de steun die wordt verleend in het kader van de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM). Toch moet de ECB hierin geen leidende rol gaan vervullen, aangezien een al te sterke betrokkenheid bij het programmatoezicht ten koste zou kunnen gaan van haar onafhankelijke positie.

Ten tweede zullen de Commissie en het IMF, in overleg met de ECB, voorafgaand aan bijstandsverlening uit het ESM een grondige schuldhoudbaarheidsanalyse uitvoeren, op basis waarvan de Eurogroep een unaniem besluit dient te nemen omtrent de te verlenen bijstand.

De algehele doeltreffendheid van dit raamwerk zal in 2016 door de Commissie, in overleg met de ECB, worden beoordeeld.

12.      Wat zou de uitgifte van euro-obligaties volgens u betekenen voor de economische governance in de eurozone?

Van diverse zijden zijn voorstellen geopperd voor de uitgifte van zogenaamde "euro-obligaties", gezamenlijk gegarandeerde obligaties die enerzijds zouden moeten fungeren als instrument om de liquiditeit op de staatsobligatiemarkten te verhogen en anderzijds als een mechanisme om de heersende staatsschuldcrisis te helpen oplossen.

Er zijn echter een aantal cruciale aspecten die eerst moeten worden aangepakt. Het voornaamste daarvan is dat er van gezamenlijk gegarandeerde obligaties met één enkel rentetarief voor de gehele valutazone – doordat het een in poolverband beheerd systeem betreft – een krachtige negatieve prikkel uitgaat. Zo kunnen zij een remmend effect hebben op stimuleringsmaatregelen die op nationaal niveau worden getroffen om een prudent begrotingsbeleid te kunnen voeren en maken zij het voor landen minder aantrekkelijk politiek gevoelige maatregelen te treffen om zelf aan crisispreventie en -beheersing te doen. De aldus gecreëerde negatieve stimulansen gelden wellicht niet alleen voor landen die profiteren van de lagere rente op dergelijke gezamenlijke obligaties, maar evenzeer voor landen die daarvoor de rekening moeten betalen, aangezien zij niet langer de voordelen plukken van het prudente begrotingsbeleid dat zij in het verleden hebben gevoerd.

Het uitgeven van gezamenlijke euro-obligaties is echter wel zinvol in een context waarbinnen begrotingsbevoegdheden voor een belangrijk deel van het nationale niveau naar dat van de Unie worden overgedragen en waarbij de Unie over toereikende instrumenten beschikt om de negatieve stimuleringseffecten van gezamenlijk uitgegeven obligaties te compenseren. Dit zou te vergelijken zijn met de bestaande financiële akkoorden tussen centrale overheid en regionale overheden binnen federale staten.

13.      Wat zijn tot 2020 naar uw mening de belangrijkste doelstellingen voor de groei- en werkgelegenheidstrategie? Hoe kunnen de ECB en de instrumenten voor economische en beleidscoördinatie aan het welslagen van deze strategie bijdragen? Kunt u in volgorde van belangrijkheid de structurele hervormingen noemen die naar uw mening in de EU prioriteit moeten krijgen?

Het is voor Europa van cruciaal belang zijn groeipotentieel te verbeteren. De beste manier om dat te bereiken, is een klimaat te creëren waar innovatie kan gedijen en zich in brede zin kan ontwikkelen. Europa's belangrijkste troef is zijn menselijk kapitaal. Innovatie moet een instrument zijn om de milieuproblematiek te helpen aanpakken en er is behoefte aan meer productiviteit om de levensstandaard te verhogen en om de overheidsfinanciën in weerwil van de kosten van de vergrijzing duurzaam te verbeteren.

Daarnaast is voor het welslagen van de EU 2020-strategie een beter en strenger toezicht op het beleid van de lidstaten essentieel, waarbij o.a. dient te worden gedacht aan het door de Commissie voorgestelde nieuwe mechanisme voor macro-economisch toezicht. Naast het waarborgen van prijsstabiliteit dient de ECB ook bij te dragen aan de financiële stabiliteit, zodat er een voor groeivriendelijk klimaat ontstaat.

Bij de prioriteitstelling voor de structurele hervormingen is het van cruciaal belang dat er naast de beoogde begrotingsconsolidatie ook dringend werk wordt gemaakt van substantiële en ingrijpende structurele hervormingen, teneinde het concurrentievermogen te herstellen en om het potentieel voor economische groei en werkgelegenheid naar een hoger niveau te tillen. Loonmatiging, het uitoefenen van effectieve prikkels om te gaan werken en intensievere inspanningen op het gebied van onderwijs en opleiding, alsmede het wegwerken van de nominale en reële rigiditeiten op de arbeidsmarkt zouden in sterke mate bijdragen tot het verlagen van de structurele werkloosheid in de komende jaren. In de sfeer van de productmarkten moet er meer werk worden gemaakt van beleidsmaatregelen ter verbetering van het binnenlandse en grensoverschrijdende concurrentiepotentieel en ter ondersteuning van innovatie, zodat er meer vaart ken worden gezet achter herstructureringen en investeringen en de productiviteitsgroei kan worden gefaciliteerd. Daarbij moet met name worden gedacht aan de implementatie van de dienstenrichtlijn om de concurrentie op het gebied van grensoverschrijdende diensten te verbeteren. Tevens moeten de beoogde structuurhervormingen worden ondersteund door een adequate reorganisatie en consolidatie in de bankensector. Gezonde balansen, effectieve risicobeheersing en transparante en solide businessmodellen blijven cruciaal om de banken schokbestendiger te maken en te zorgen voor adequate toegang tot financiering, waardoor de basis kan worden gelegd voor duurzame groei en financiële stabiliteit.

14.      Wat is uw standpunt omtrent het tempo waarin de nieuwe lidstaten tot de monetaire unie zouden moeten toetreden en de euro moeten invoeren, gelet op alle convergentiecriteria waaraan moet worden voldaan en met het oog op de deelname aan het wisselkoersmechanisme (ERM II)? Wat zijn uw denkbeelden ten aanzien van de toekomst van de Europese monetaire unie op de langere termijn en wat zijn daarbij de grootste obstakels?

Alle nieuwe lidstaten moeten de euro invoeren van zodra zij een hoge mate van duurzame convergentie hebben bereikt, zoals voorgeschreven door het Verdrag en het Protocol. Er geldt geen vooraf vastgesteld tijdschema voor de invoering van de euro. Een eerste stap op weg naar de euro is deelname aan het ERM II. Tijdens deze periode moeten de lidstaten aantonen dat zij prijsstabiliteit, begrotingsdiscipline en hun concurrentiepositie kunnen handhaven zonder ingrijpende aanpassingen in de wisselkoers. Bij de beoordeling van de convergentiecriteria geldt als uitgangspunt dat duurzaamheid van kapitaal belang is. Een land dat niet in staat is tot duurzame convergentie zou wellicht geen aansluiting kunnen vinden bij de monetaire beleidskoers van de ECB en loopt het risico in een reeks boom-bustcycli terecht te komen, aangezien het niet beschikt over de nodige beleidsinstrumenten om de binnenlandse economische situatie te kunnen stabiliseren.

De economische en monetaire unie gaat een grote toekomst tegemoet, maar essentieel is wel dat het groeipotentieel van de Europese economie (zie vraag 13) wordt verbeterd en dat de EMU als economische pijler wordt versterkt. In dat opzicht ben ik het eens met de ECB, die pleit voor een "spectaculaire sprong voorwaarts" in het economisch governancebestel van de EMU, teneinde een diepere economische unie te kunnen verwezenlijken. Meer in het bijzonder is er dringend behoefte aan verbreding en versterking van het macro-economisch en budgettair toezicht in de eurozone. Dit betekent eerst en vooral dat er striktere en meer bindende regels voor het begrotingsbeleid moeten worden vastgesteld en dat deze moeten worden geschraagd door strengere sancties of mechanismen om de naleving van de regels te waarborgen. Ten tweede is er behoefte aan een nieuw kader voor toezicht op de concurrentiepositie en om te garanderen dat er maatregelen worden genomen om het ontstaan van tekorten in de particuliere sector (bv. in de vorm van overmatige kredietgroei) te voorkomen. Aangezien ook via een verscherping van het budgettair en macro-economisch toezicht het risico voor staatsschuldcrises niet volledig te beheersen valt, dient er een permanent kader voor crisisbeheersing te worden ingevoerd dat in laatste instantie borg kan staan voor de stabiliteit van de eurozone als geheel.

15.      Wat is uw mening over het belasten van financiële kortetermijntransacties? Is naar uw mening een valutatransactiebelasting verenigbaar met de EU-Verdragen, die de vrijheid van het kapitaalverkeer garanderen? Denkt u dat een belasting op valutatransacties met de euro gunstige effecten zou kunnen hebben, bijv. stabilisering van de wisselkoersen van landen die zich in de toekomst bij de eurozone willen aansluiten?

De financiële crisis heeft problemen aan het licht gebracht in verband met activaprijsoverschrijdingen en een buitensporige volatiliteit. Deze kwesties moeten aan de orde worden gesteld. Ik ben er echter nog niet van overtuigd dat deze problemen met een belasting op financiële kortetermijntransacties doeltreffend kunnen worden aangepakt. In elk geval moeten wij deze problemen binnen het nieuwe macroprudentiële kader te lijf gaan.

Technische aspecten pleiten tegen invoering van een belasting op financiële transacties. Wil deze belasting effect sorteren, moet de belastingontwijking tot een minimum worden beperkt (bijv. geografische verplaatsing van handel naar gebieden waar de belasting niet geldt, zoals hierboven genoemd, en mobiliteit tussen verschillende financiële producten). Te dien einde moet de belasting mondiaal worden goedgekeurd en op een brede scala van producten van toepassing zijn. Dit zou voor ernstige coördinatieproblemen zorgen bij de vaststelling en de strikte toepassing van het rechtskader.

Ook bestaat het gevaar dat een belasting op financiële transacties het tegenovergestelde effect heeft van hetgeen door de pleitbezorgers van zo'n belasting wordt beoogd, namelijk vermindering van de volatiliteit en afschrikking van speculanten. Ik onderschrijf het belang van deze doelstellingen, maar geloof dat andere methoden, zoals sterkere regulering, hier doeltreffender zouden zijn.

Op het specifieke punt van valutatransacties zou een belasting op alle valutatransacties perverse gevolgen kunnen hebben, omdat deze belasting niet kan onderscheiden tussen klanten die valuta nodig hebben voor de aankoop van buitenlandse goederen of diensten enerzijds en speculanten anderzijds. Een aanzienlijk deel van de valutamarkt bestaat uit handelaren die onevenwichtigheden in orders onderling herverdelen. Zo kan de opdracht van één klant aanleiding geven tot een keten van transacties tussen handelaren. In dat geval zou een belasting op het nominale transactiebedrag in elke fase van de keten tot een verveelvoudiging van de totale belasting leiden, waarvan de kosten vermoedelijk geheel aan de klant zouden worden doorgegeven.

Ik ben geen jurist, maar stel vast dat de ECB in een officieel advies juridische vraagtekens heeft geplaatst bij een valutatransactiebelasting in EU-lidstaten, ook ten aanzien van de verenigbaarheid met het Verdrag.

16.      Wat is uw opvatting over de respectieve rollen van de Raad en de ECB bij de buitenlandse vertegenwoordiging van de eurozone?

De vertegenwoordiging van de "monetaire poot" van de EMU is gezamenlijk en consistent. Het gemeenschappelijk monetair beleid wordt door de ECB in alle relevante internationale instellingen en fora vertegenwoordigd. Het monetair beleid is een exclusieve bevoegdheid van de EU, wat inhoudt dat de Unie als enige verantwoordelijk is voor de vertegenwoordiging naar buiten toe. Even duidelijk is de situatie bij wisselkoersaangelegenheden, die ook onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. De vertegenwoordiging op het gebied van deze bevoegdheid wordt verzorgd door de ECB en de ECOFIN-Raad (in de samenstelling voor de eurozone).

De externe vertegenwoordiging van het economisch beleid in de eurozone sluit aan bij de verdeling van de interne verantwoordelijkheden tussen de Unie en lidstaten, die – binnen een Europees kader – verantwoordelijk blijven voor het economische beleid. Terwijl de lidstaten lid zijn van internationale economische fora zoals het IMF, waar zij financiële verantwoordelijkheden kunnen dragen, moeten zij in nauw overleg samenwerken met de bevoegde instelling van de Unie wanneer een onderwerp geheel of gedeeltelijk onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt.

Er wordt gewerkt aan meer coördinatie. Artikel 138 van het Verdrag biedt de Raad (in eurzozonesamenstelling) de mogelijkheid "gemeenschappelijke standpunten (…) over kwesties die voor de Economische en Monetaire Unie van bijzonder belang zijn" in te nemen en te zorgen voor "een gezamenlijke vertegenwoordiging in de internationale financiële instellingen en conferenties". Op langere termijn geef ik , naarmate het economisch bestuur sterker wordt en de standpunten sterker gecoördineerd worden, persoonlijk de voorkeur aan één vertegenwoordiging van de eurozone of de EU in internationale fora, mits de interne Europese besluitvormingsmechanismen efficiënt werken.

17.      Hoe beoordeelt u de recente ontwikkeling van de wisselkoers tussen de US-dollar en de euro? Hoe beoordeelt u de recente ontwikkeling van de wisselkoers tussen de Chinese yuan renminbi en de euro? Denkt u dat de centrale banken ertoe in staat zijn op efficiënte wijze de buitensporige volatiliteit te bestrijden? Vindt u dat de internationale rol van de euro moet worden aangemoedigd?

De wisselkoersontwikkelingen in de afgelopen 14 maanden zijn in hoge mate bepaald door het verloop van het economische herstel, de begrotingssituatie en het monetaire beleid in de hele wereld. In de eerste helft van 2010 heeft de euro tegenover de US-dollar aan waarde verloren als gevolg van toenemende zorgen over de overheidsschulden van sommige landen in de eurozone en een sterker macro-economisch herstel in de VS dan in de eurozone. In de tweede helft van het jaar is de euro binnen een door enige volatiliteit gekenmerkt kader opgeveerd, hoofdzakelijk omdat de zorgen over overheidsschulden konden worden weggenomen en in de VS een extra economisch stimuleringspakket is uitgevoerd. In januari en februari 2011 waren de wisselkoersen vooral een afspiegeling van de onzekerheid over de toekomstige ontwikkelingen in bepaalde olieproducerende landen.

Sinds het loslaten van de feitelijke koppeling aan de US-dollar in juni 2010 is de renminbi tegenover de US-dollar ongeveer 4% meer waard geworden, maar heeft tegenover de euro meer dan 7% aan waarde verloren en 3% in nominale effectieve zin. Naar mijn mening zouden de Chinese autoriteiten de flexibiliteit die het nieuwe beleidskader biedt, moeten benutten om een geleidelijke effectieve opwaardering van de renminbi toe te laten. De internationale gemeenschap is het erover eens – zoals de G20-leiders vorig jaar in Seoul nog eens hebben verklaard – dat het in het belang van de betrokken opkomende economieën, waaronder China, en de internationale gemeenschap is tot wisselkoerssystemen te komen die sterker door de markt worden bepaald, de wisselkoersstabiliteit te vergroten als afspiegeling van de onderliggende economische waarden, en af te zien van devaluaties uit concurrentieoverwegingen.

Het is duidelijk dat buitensporige volatiliteit en grillige bewegingen in de wisselkoersen nadelige gevolgen hebben voor de economische en financiële stabiliteit. Wat betreft het vermogen van centrale banken om buitensporige volatiliteit te bestrijden, zij opgemerkt dat de eurozone een flexibel wisselkoersregime hanteert, hetgeen betekent dat de externe waarde van de euro ten opzichte van de valuta's van derde landen wordt bepaald door de markt. Dit geeft de ECB de gelegenheid om zich volledig te richten op haar doel – het handhaven van prijsstabiliteit – en zou moeten bijdragen tot het beperken van de wisselkoersvolatiliteit.

Ik sluit mij aan bij het beleid van de ECB, dat reeds bij aanvang van de monetaire unie in 1999 is ingezet, om noch naar bevordering noch naar belemmering van het internationaal gebruik van de euro te streven. De ontwikkelingen in de rol van de euro in het buitenland zijn primair het resultaat van marktwerking en de besluitvorming in de particuliere sector. De geloofwaardigheid van het monetair beleid van de ECB zal een groter gebruik van de euro bij internationale transacties stimuleren.

18.      Hoe beoordeelt u de resultaten van de G20? Wat zijn uw opvattingen over het huidige coördinatieniveau?

De G20 heeft geholpen om op hoog politiek niveau werk te maken van crisisbeperking, crisisbeheer en de voorkoming van toekomstige crises. De samenhang in de G20 moet ook na afloop van de crisis gewaarborgd blijven. Het is daarom zeer toe te juichen dat de G20-leiders, het meest recent op de top in Seoul in november 2010, het belang hebben onderstreept van voortgaande internationale beleidssamenwerking om de fundamentele oorzaken van de crisis aan te pakken en het fundament te leggen voor stevige mondiale economische groei. Ik moet zeggen dat ik de grote mate van collectieve verantwoordelijkheidszin bij de G20-leden bemoedigend vind. Tegelijk stel ik vast dat het heterogene ledenbestand van de G20 het veel moeilijker maakt de opvattingen te coördineren en overeenstemming te bereiken over gezamenlijke standpunten. Ook is het van belang dat nog andere landen bij het proces worden betrokken.

Van de diverse punten op de G20-agenda zou ik de volgende willen noemen:

Ten eerste vormt het raamwerk van de G20 voor krachtige, duurzame en evenwichtige groei een nuttig instrument voor multilaterale samenwerking. Nu komt het erop aan dat alle leden van de G20, samen met het IMF, hun in dit kader gedane toezeggingen volledig nakomen. In dit verband zijn gedurfde maatregelen om de duurzaamheid van begrotingen en ambitieuze structurele hervormingen veilig te stellen, van cruciaal belang. Europa moet het goede voorbeeld geven.

Ten tweede hebben de G20-leiders hun steun gegeven aan de centrale bouwstenen voor de herinrichting van het financiële stelsel, waaronder het belangrijke werk van het Bazels Comité en de FSB. Nu is het van belang dat de G20-leden verdere vooruitgang boeken met de uitvoering van de gemaakte afspraken.

C. Financiële stabiliteit en toezicht

19.      Wat zou u aanbevelen om de samenhang tussen macro- en microprudentieel toezicht te versterken? Denkt u dat het ECSR en de ETA's daadwerkelijke bevoegdheden krijgen?

Het recentelijk opgezette Europees Systeem van financiële toezichthouders is de eerste stap om de samenwerking tussen micro- en macroprudentieel toezicht te versterken. Het systeem moet verder worden ontwikkeld om tot een gemeenschappelijke toezichtcultuur onder de autoriteiten te komen, zodat micro- en macroprudentieel toezicht elkaar beter aanvullen en het grensoverschrijdende toezicht wordt aangescherpt. De drie ETA's en het ECSR moeten werken op basis van een adequate en doeltreffende informatie-uitwisseling, gegevensanalyse en methodologie.

Om doeltreffend te kunnen optreden, moeten het ECSR en de ETA's ten volle gebruik maken van de bevoegdheden en de instrumenten die de verordeningen hun bieden. Het rechtskader voorziet met name in een aantal bindende bevoegdheden van de ETA's, waaronder de vaststelling van na omzetting in EU-recht afdwingbare technische normen, de bevoegdheid om inbreuken op het EU-recht te onderzoeken en de mogelijkheid rechtsinstrumenten in werking te stellen die bindend zijn voor ondernemingen of marktdeelnemers. Omgekeerd heeft de wetgever aan het ECSR een "pas toe of leg uit"-rol toebedeeld. Van deze bevoegdheden kan doeltreffend gebruik worden gemaakt wanneer zij stoelen op geloofwaardigheid en op de goede naam en het voortreffelijke werk van de betrokken instelling. Een dergelijk intellectueel gezag hangt o.a. af van de onafhankelijkheid van het ECSR en de ETA's en van de vraag of zij over voldoende personele en begrotingsmiddelen kunnen beschikken.

20.      Is er, wat het ECSR betreft, in uw ogen sprake van een mogelijk belangenconflict met het mandaat van de ECB inzake monetair beleid?

Ik zie geen belangenconflict. Tussen de beleidsverantwoordelijkheden van de ECB en het ECSR bestaat een duidelijk onderscheid. De primaire doelstelling van de ECB is het handhaven van de prijsstabiliteit in de eurozone. Verder draagt zij bij tot "een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van (…) de stabiliteit van het financiële stelsel" en bevordert zij de soepele werking van de markten. Het ECSR daarentegen is verantwoordelijk voor het macroprudentiële toezicht op het financiële stelsel in de EU als geheel, detecteert risico's voor de financiële stabiliteit en brengt, indien nodig, risicowaarschuwingen uit en beveelt maatregelen voor de aanpak van dergelijke risico's aan. Er is een duidelijke, efficiënte taakverdeling waarin het monetair beleid wordt gebruikt om de prijsstabiliteit te handhaven, en een (verder te ontwikkelen) macroprudentieel instrumentarium om risico's voor het financiële stelsel aan te pakken.

Desondanks moet men erkennen dat prijsstabiliteit en financiële stabiliteit niet los van elkaar kunnen worden geanalyseerd. Op de lange termijn draagt prijsstabiliteit bij tot financiële stabiliteit, terwijl financiële stabiliteit een voorwaarde voor de centrale bank is om de prijsstabiliteit te kunnen handhaven. Als gevolg hiervan versterken de doelstellingen van de ECB en het ECSR elkaar.

Niettemin kan ook worden gedacht aan situaties waarin het gebruik van monetaire beleidsinstrumenten van invloed is op de financiële stabiliteit, en omgekeerd situaties waarin macroprudentiële beleidsinstrumenten gevolgen hebben voor de inflatie. Ik heb er vertrouwen in dat de onafhankelijkheid van de ECB en het ECSR de garantie biedt dat de beleidsinstrumenten worden ingezet voor de doelstellingen waarvoor zij zijn ontworpen. Verder is dankzij de vertegenwoordiging van de gouverneurs van centrale banken in het ECSR de noodzakelijke informatiestroom over zowel de macro-economische situatie als de risico's voor de financiële stabiliteit eigenlijk per definitie gewaarborgd.

Zelfs als het macroprudentieel beleid zou falen (d.w.z. ondoeltreffend zou blijken of door de bevoegde autoriteiten op ontoereikende wijze zou worden uitgevoerd), zou voor de centrale bank geen conflict op lange termijn ontstaan, omdat prijsstabiliteit en financiële stabiliteit op lange termijn op één lijn liggen (zie vraag 6). In dat geval zou de centrale bank op korte en middellange termijn wellicht moeten tegensturen ("leaning against the wind") bij toenemende financiële onevenwichtigheden en een tijdelijke afwijking van haar kwantitatieve definitie van prijsstabiliteit moeten accepteren (d.w.z. een iets lagere inflatie bij de consumentenprijzen in perioden van algemeen snel oplopende activaprijzen). Een dergelijk beleid zou voor prijs- en financiële stabiliteit op lange termijn zorgen en zou ook helpen de financiële onevenwichtigheid te beperken en zo een sterke dis- of zelfs deflatie te voorkomen tijdens de nasleep van deze onevenwichtigheden. Het beginsel van tegensturen maakt van oudsher impliciet deel uit van de tweepijlerstrategie van de ECB via de monetaire pijler en met name het verband tussen de geld- en kredietontwikkeling en kostbare financiële boom- en bustcycli. Ook is te verwachten dat dankzij de oprichting van het ECSR de frequentie en de ernst van dergelijke lastige situaties voor de makers van het monetaire beleid zullen afnemen.

21.      Welke rol ziet u in de toekomst weggelegd voor de ECB bij het bankentoezicht?

De oprichting van het ECSR als nieuw orgaan belast met het macroprudentieel toezicht op het financiële stelsel in de EU, en het parallel versterken van het coördinatiekader in de EU tussen de nationale autoriteiten voor microprudentieel toezicht door het opzetten van de Europese Toezichthoudende Autoriteiten, zijn belangrijke stappen in de aanpak van de uitdagingen en hiaten die als gevolg van de financiële crisis aan het licht zijn gekomen.

Voor de ECB is een belangrijke rol weggelegd in het nieuwe kader, omdat zij analytische, statistische, administratieve en logistieke ondersteuning biedt aan het ESCR en ook het secretariaat van het ECSR verzorgt. Ook zal de ECB, via de betrokkenheid van alle leden van de Algemene Raad van de ECB bij het ECSR, de macro-economische, financiële en monetaire expertise van alle centrale banken in de EU ten goede kunnen laten komen van het ECSR. Deze bijdrage wordt geschraagd door de activiteiten van de ECB en het ECSR op de diverse werkterreinen van de centrale banken (analyseren van de financiële stabiliteit, macro-economische analyses, verzamelen van statistische informatie) en door de globale synergie op het vlak van deskundigheid, middelen en infrastructuur van de NCB's in de EU. Het Comité voor bankentoezicht van de ECB, waarvan ik tussen 2007 en 2011 voorzitter was, is op dit gebied al actief geweest. De ervaring en het voorbereidende werk van dit comité zal van nut zijn voor het Technisch Raadgevend Comité van het ECSR.

Tot slot neemt de ECB deel aan de vergaderingen van de Europese Bankautoriteit en het Europese Bankcomité (EBC) niveau 2, en zal haar bijdrage leveren aan de technische discussies in deze fora. Verder brengt de ECB, zoals u weet, juridische adviezen uit over alle EU-initiatieven (en nationale initiatieven) die van invloed kunnen zijn op de financiële stabiliteit, zoals de CRD IV.

22.      Wat ziet u als de meest dringende kwesties in de wetgeving inzake financiële diensten?

Ten eerste de nieuwe Bazel III-regels, waaronder nieuwe maatregelen inzake hefboomverhoudingen, liquiditeitsnormen en anticyclische buffers. In Europa wordt gewerkt aan de uitvoering van deze nieuwe regels door middel van wijzigingen in de richtlijn kapitaalvereisten (CRD IV), waarmee de Europese Commissie momenteel bezig is. Ik wil hier onderstrepen dat bepaalde onderdelen van de regelgeving inzake prudentieel toezicht nauw verband houden met het macroprudentieel toezicht, zoals de anticyclische buffers, en hier zal naar verwachting het ECSR, in samenwerking met de EBA, een belangrijke rol spelen.

Ten tweede de werkzaamheden rond systeemkritische financiële instellingen (SIFI's). Deze werkzaamheden moeten in 2011 worden afgerond.

Ten derde crisisbeheer en oplossing van crises. Wat de EU betreft is de Europese Commissie in januari begonnen met een openbare raadpleging. Het beoogde kader moet bepalingen bevatten die zowel autoriteiten als instellingen beter op een crisis voorbereiden. Het nieuwe EU-kader moet leiden tot harmonisatie van de nationale regimes en moet samenwerkingsinstrumenten aanreiken om effectief om te gaan met grensoverschrijdende bankfaillissementen. Ook is er behoefte aan geloofwaardige financieringsregelingen en in dit verband zouden bankheffingen kunnen worden gebruikt om crisisfondsen te voeden.

Ten vierde het grijze bankenstelsel. De G20-leiders hebben in november 2010 in Seoul de FSB verzocht uiterlijk medio 2011 met aanbevelingen te komen voor het aanscherpen van de regulering van en het toezicht op het grijze bankenstelsel.

Ten vijfde het macroprudentieel toezicht. Op nationaal, regionaal en internationaal vlak is met name door de BIB, het IMF en de FSB gewerkt aan i) het opvullen van leemten in de beschikbare gegevens en de verbetering van de analyse-instrumenten om systeemrisico's te onderkennen en te beoordelen, ii) de ontwikkeling van beleidsresponsen die zich richten op financiële instellingen, markten en infrastructuren, en iii) het in globale zin tot stand brengen van een coherent kader voor het macroprudentieel toezicht en beleid.

Ten zesde de consumentenbescherming. De G20 heeft de FSB, de OESO en andere internationale organisaties een mandaat verstrekt voor het verkennen van mogelijkheden om de consumentenbescherming te verbeteren. Daarbij kan dan rekening worden gehouden met de voorschriften en beginselen die op Europees niveau al gelden op het gebied van de consumentenbescherming, zoals de MiFID-richtlijn of de richtlijn consumentenkrediet, die de consument een hoge mate van bescherming bieden.

Tot slot de boekhoudnormen. De recente inspanningen van de Financial Accounting Standards Board (FASB) en de International Accounting Standards Board (IASB) naar aanleiding van het aandringen door de G20 op convergentie tussen de Amerikaanse GAAP (algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen) en de IFRS (internationale standaard voor financiële verslaglegging) zijn toe te juichen. Er blijven echter op centrale punten aanzienlijke conceptuele verschillen bestaan, zoals bij de classificatie en meting van financiële instrumenten, die moeten worden opgelost om te kunnen voldoen aan het verzoek van de G20 om één geheel van kwalitatief goede boekhoudnormen.

D. Functioneren van de ECB en democratische verantwoording en transparantie

23.      Zouden de verschillende verantwoordelijkheden van directieleden niet met de tijd moeten veranderen, overeenkomstig de veranderingen die hebben plaatsgevonden in de taken en prioriteiten van de ECB?

Ik wil onderstrepen dat de directie van de ECB een collectief besluitvormend orgaan is. Binnen deze collectieve verantwoordelijkheid voor het algehele functioneren van de ECB heb ik er begrip voor dat de directie om operationele en praktische redenen de rapportagelijnen voor elk bedrijfsonderdeel van de ECB vaststelt. Dit betekent concreet dat elk bedrijfsonderdeel verslag uitbrengt aan een individueel directielid, terwijl de directie als geheel collectief verantwoordelijk is voor de besluiten van de ECB. Niettemin begrijp ik ook dat de directie de toewijzing van de rapportagelijnen in de loop van de tijd herziet, hetgeen naar mijn mening een goede praktijk is omdat zo rekening kan worden gehouden met specifieke deskundigheid en, al naar gelang het geval, aanpassingen aan externe ontwikkelingen kunnen worden meegenomen (zoals de vorming van nieuwe bedrijfsonderdelen, bijv. voor de omgang met T2S), terwijl uiteindelijk ook het collegiale karakter van de directie wordt versterkt.

24.      Welk systeem denkt u dat passend is om te zorgen voor een rechtvaardige roulatie van lidmaatschap van de ECB-directie, mede met het oog op nationaliteit?

De criteria voor de benoeming van de ECB-directieleden staan zeer duidelijk vermeld in het Verdrag inzake de werking van de EU en de statuten van het ESCB en de ECB: de leden van de directie "worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied" en "alleen zij die de nationaliteit van één van de lidstaten [van de eurozone] bezitten, kunnen lid van de directie zijn".

Naar mijn mening garandeert deze procedure, op basis van een aanbeveling van de Raad en na raadpleging van het Europees Parlement en de ECB, dat optimaal wordt voldaan aan de twee vereisten voor de benoeming tot ECB-directielid.

Verder wijs ik met klem op het supranationale karakter van de ECB, hetgeen inhoudt dat de besluiten van haar besluitvormingsorganen uitsluitend vanuit de invalshoek van de eurozone worden genomen en specifieke nationale belangen buiten beschouwing blijven. Dat is ook de reden waarom de leden van de besluitvormingsorganen van de ECB niet hun lidstaat vertegenwoordigen, maar op persoonlijke titel aan de besluitvorming deelnemen. Ik acht de eis tot benoeming van "personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied" voldoende om te waarborgen dat de ECB-directie uit bekwame, op de eurozone gerichte leden bestaat.

25.      Is het wat u betreft nodig de verscheidenheid aan deskundigheid die is vertegenwoordigd in de ECB-directie te vergroten en niet uitsluitend afhankelijk te zijn van mensen van centrale banken?

De directieleden moeten volgens het Verdrag worden "gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied". Het is niet per se vereist alleen mensen van centrale banken te benoemen. Laatstgenoemden voldoen uiteraard aan de gestelde eis, maar dit sluit personen met een andere professionele achtergrond en beroepservaring zeker niet uit. Mijn eigen beroepservaring en die van menig leidinggevende bij een centrale bank is in feite zeer gevarieerd en beperkt zich niet tot het werk bij een centrale bank. Ook als men het cv van de huidige directieleden beziet, stelt men een verscheidenheid aan achtergronden vast, waardoor de besluitvorming met kostbare deskundigheid wordt verrijkt.

26.      Kunt u wat uitgebreider ingaan op uw opvattingen over het begrip democratische verantwoording met betrekking tot de ECB en het centralebankwezen in het algemeen?

Ik ben van mening dat de onafhankelijkheid van een centrale bank in evenwicht moet zijn met de verantwoordingsplicht jegens de burgers en hun gekozen vertegenwoordigers. Algemeen gezien is de verantwoordingsplicht een fundamentele voorwaarde voor en een centraal onderdeel van de democratische legitimiteit. Deze plicht kan worden gezien als de verplichting van een onafhankelijke centrale bank om haar besluiten behoorlijk aan de burgers en hun gekozen vertegenwoordigers uit te leggen en te rechtvaardigen, waardoor de bank gewezen wordt op de verantwoordelijkheid om haar mandaat uit te voeren. De verantwoordingsplicht zorgt er ook voor dat de centrale bank zich met een grote mate van professionalisme van haar taken kwijt.

Als uit hoofde van het Verdrag opgericht orgaan dat binnen de grenzen van de haar toegekende bevoegdheden handelt, heeft de ECB de wettelijke taak de prijsstabiliteit te handhaven en andere functies voor de eurozone als geheel te vervullen. De ECB is daarom allereerst verantwoording verschuldigd aan de EU-burgers en in meer formele zin aan het Europees Parlement, de enige rechtstreeks door de EU-burgers gekozen Europese instelling.

De ECB beschikt over een aantal gevestigde middelen om zich van haar verantwoordingsplicht te kwijten. Naast de maandelijkse persconferenties van de president en de vice-president (zie ook vraag 28) publiceert de ECB een maandelijks bulletin en legt zij een jaarverslag voor aan het Europees Parlement (en de Raad). De ECB-president verschijnt elk kwartaal voor de ECON-commissie, terwijl andere directieleden veelvuldig worden uitgenodigd om in de ECON-commissie c.q. het Parlement deel te nemen aan debatten over specifieke thema's. Ik ben persoonlijk voorstander van een regelmatige dialoog tussen ECB-directieleden en EP-leden. Daarnaast hebben de leden van de Raad van bestuur tal van publieke optredens en geven zij interviews aan lokale, nationale en internationale media.

27.      De ECB weigert al lange tijd om in te gaan op het verzoek van het Europees Parlement om publicatie van de notulen van de vergaderingen van de Raad van bestuur. Wat zijn naar uw mening de hinderpalen en nadelen van een dergelijke publicatie? Zou u er voorstander van zijn dat de ECB de notulen van de vergaderingen van de Raad van bestuur in de nabije toekomst publiceert?

Publicatie van de notulen van de vergaderingen van de Raad van bestuur van de ECS zou kunnen worden gezien als één van de mogelijkheden voor de ECB om haar verantwoordingsplicht na te komen. Het is evenwel van belang te beseffen dat de Raad van bestuur een collegiaal en tegelijkertijd supranationaal orgaan is. Dat houdt in dat de leden van de Raad van bestuur, die uit verschillende lidstaten komen, een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de besluiten van deze Raad dragen en dus een collectieve verantwoordingsplicht hebben.

De zorg bestaat dat publicatie van de notulen de onafhankelijkheid van de leden van de Raad van bestuur in het gedrang zou kunnen brengen, omdat zij zouden kunnen worden blootgesteld aan ongewenste pogingen hun onpartijdigheid aan te tasten en hen zo aan een individuele verantwoordingsplicht te onderwerpen. Ook baart het mij persoonlijk zorgen dat dit ertoe zou kunnen leiden dat leden van de Raad van bestuur op basis van hun land van herkomst worden ingedeeld, hoewel zij niet als vertegenwoordiger van dit land in de Raad van bestuur zitten.

Daarom beschouw ik de huidige praktijk van een persconferentie van de president onmiddellijk na elke vergadering over het monetaire beleid alsmede publicatie van de inleidende verklaring, die een omvattende samenvatting biedt van de beleidsrelevante analyse van de economische ontwikkelingen, als een doeltreffend middel om het standpunt van de Raad van bestuur aan het brede publiek te presenteren en uiteen te zetten, met gelijktijdige bescherming van de opvattingen van de afzonderlijke leden. Aangezien het publiek in deze benadering uitgebreide informatie en alle ter zake doende uitleg in "real time" krijgt, zie ik geen belangrijke reden voor wijziging van de huidige praktijk. Bovendien moet de centrale bank uiteenzetten welk analytisch kader zij gebruikt voor de interne besluitvorming en de beoordeling van de economische toestand, en moet zij vaak duidelijkheid verschaffen over de economische argumentatie die aan haar beleidsbesluiten ten grondslag ligt en tot een afgewogen oordeel moet leiden.

28.      Welke conclusies trekt u uit de vergelijking tussen het transparantiebeleid dat wordt gevoerd door de Federal Reserve Bank en dat van de ECB? Wat vindt u van het feit dat de Fed en de Bank of England de notulen van hun vergaderingen publiceren? Bent u van mening dat dit beleid door de ECB zou kunnen worden overgenomen?

Een moderne transparantieregeling vereist dat de centrale bank duidelijk uiteenzet hoe zij haar mandaat interpreteert, en open is over haar beleidsdoelstellingen. Dit maakt het voor het publiek gemakkelijker de prestaties van de centrale bank te volgen en te interpreteren.

Wat het monetair beleid betreft moet het er de bank in de eerste plaats om gaan dat met dit beleid op transparante wijze de wettelijk voorgeschreven doelstellingen worden verwezenlijkt. De ECB heeft een formele strategie voor het monetaire beleid aangekondigd en licht de desbetreffende beleidsbeslissingen waarmee die strategie feitelijk wordt uitgevoerd, in real time toe.

Tegenwoordig beschouwen de meeste centrale banken transparantie als een cruciaal onderdeel van hun monetaire beleidskader. Pogingen om de transparantie te verbeteren zijn toe te juichen, als zij ertoe bijdragen dat het monetaire beleid beter door het publiek wordt begrepen en geloofwaardiger en doeltreffender wordt. In dit verband hebben de meeste centrale banken, waaronder de Fed en de ECB, het belang onderstreept van een goede communicatie en behoorlijke contacten met het publiek. Aangezien een centrale bank de communicatie soms op diverse manieren kan verbeteren, is niet altijd duidelijk hoe de transparantie onder de gegeven omstandigheden het best kan worden benaderd.

Publicatie van de notulen van besluitvormingsorganen is één mogelijkheid in een arsenaal van middelen om besluiten te communiceren. Onder bepaalde omstandigheden kan daarmee nuttige bijkomende informatie worden verstrekt over de verscheidenheid aan opvattingen binnen een besluitvormingsorgaan en over de argumenten die tot een besluit hebben geleid. Maar, zoals ik in het antwoord op vraag 27 heb uiteengezet, er kunnen ook aanzienlijke nadelen aan kleven, die geen verbetering van de communicatie opleveren. Tegen deze achtergrond is de door de Fed en de Bank of England gekozen benadering om notulen met naamsvermelding te publiceren, één van de mogelijkheden.

Dat de ECB haar notulen niet publiceert, moet gezien worden in het licht van de specifieke behoeften en omstandigheden van de ECB en het eurosysteem in bredere zin. Daardoor kan de Raad van bestuur monetaire beleidsbeslissingen in volledige onafhankelijkheid nemen en wordt de collectieve verantwoordingsplicht van de leden onderstreept. Bovendien sluit dit aan bij de Verdragsbepaling dat de beraadslagingen van de Raad van bestuur vertrouwelijk moeten blijven.

29.      Wat is uw mening over de monetaire dialoog? Moeten ECB-directieleden het monetaire beleid en de besluiten van de ECB met andere politieke actoren kunnen bespreken of zou dit schadelijk zijn voor de onafhankelijkheid van de bank?

De kwartaalvergaderingen tussen de president van de ECB en de Commissie economische en monetaire zaken zijn bij uitstek gelegenheden waarbij de ECB haar monetaire beleid kan uitleggen aan de vertegenwoordigers van de Europese burgers en van feedback kan worden voorzien. In aanvulling daarop komen er directieleden naar de ECON-commissie en de plenaire vergadering en vinden er informele bezoeken van EP-leden aan de ECB plaats, in het bijzonder het jaarlijkse bezoek van de ECON-commissie. Dit alles gebeurt in het kader van de verantwoordingsplicht van de ECB jegens het Europees Parlement en zou moeten bijdragen tot een zeer vruchtbare en constructieve dialoog tussen beide instellingen.

Daarnaast vindt er regelmatig overleg plaats met Europese instellingen en organen, zoals de Eurogroup en de ECOFIN-Raad. Ook wordt er overeenkomstig de Verdragsbepalingen en met inachtneming van de onafhankelijkheid van de bank informatie uitgewisseld met de Commissie en de nationale regeringen, o.a. in diverse EU-comités.

30.      Wat zijn volgens u de belangrijkste risico's en uitdagingen waarvoor de ECB zich geplaatst ziet?

Het huidige tijdsgewricht is in veel opzichten gekenmerkt door uitdagingen, maar ik wil op drie belangrijke ingaan.

De eerste is de normalisering van het monetaire beleid. De eurozone herstelt zich geleidelijk van de diepe economische en financiële crisis, hoewel niet alle landen, markten en sectoren evenveel vooruitgang boeken. Op een bepaald moment zal de ECB de centrale rentevoeten terugbrengen op eerdere niveaus, terwijl de buitengewone maatregelen geleidelijk zullen worden beëindigd voor zover zij niet langer nodig zijn om het effect van het monetaire beleid op de economie en uiteindelijk de prijzen te waarborgen. Het kiezen van het juiste moment voor dit optreden is een uitdaging, te meer daar het huidige klimaat nog steeds wordt gekenmerkt door onzekerheid en kwetsbaarheid.

De tweede uitdaging heb ik al eerder genoemd: de financiële crisis heeft een aantal vragen doen rijzen over de relatie tussen monetair beleid en financiële stabiliteit. Er is dringend behoefte aan een beter inzicht in de rol van de financiële sector in het transmissiemechanisme. Ook zal een goede werkrelatie met het ECSR en de ETA's van het grootste belang zijn.

De derde grote uitdaging die ik hier wil noemen, betreft de toekomst van Europa en de EMU. De nationale beleidsmaatregelen die in de aanloop naar de huidige crisis zijn genomen, zijn achtergebleven bij wat nodig is voor een stabiele, soepel functionerende EMU. De begrotingsconsolidering, de structurele hervormingen en de correctie van onevenwichtigheden zijn in veel gevallen ontoereikend geweest en de Europese regels zijn soms genegeerd of zelfs veranderd als zij niet bij de binnenlandse politieke agenda pasten. Er is daarom behoefte aan een nieuw Europees bestuurskader, waarbij de lidstaten erop moeten worden gewezen dat aan de voordelen van de EU en met name van de EMU verantwoordelijkheden zijn verbonden. Zoals de ECB heeft gezegd, is er een "kwantumsprong" nodig. Alleen doormodderen is op dit ogenblik geen optie voor een vitaal Europa. Deze ontwikkelingen raken mij niet alleen als toegewijd Europeaan, maar ook als beleidsmaker op monetair gebied, omdat zij van invloed zijn op de voorwaarden waaronder de ECB haar monetaire beleid uitvoert om haar primaire doelstelling, namelijk prijsstabiliteit, te verwezenlijken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.3.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Burkhard Balz, Sharon Bowles, Udo Bullmann, Pascal Canfin, Nikolaos Chountis, George Sabin Cutaş, Rachida Dati, Leonardo Domenici, Derk Jan Eppink, Diogo Feio, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, José Manuel García-Margallo y Marfil, Jean-Paul Gauzès, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Liem Hoang Ngoc, Wolf Klinz, Philippe Lamberts, Astrid Lulling, Hans-Peter Martin, Íñigo Méndez de Vigo, Ivari Padar, Antolín Sánchez Presedo, Olle Schmidt, Edward Scicluna, Peter Simon, Peter Skinner, Theodor Dumitru Stolojan, Ivo Strejček, Marianne Thyssen, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Sophie Auconie, Elena Băsescu, David Campbell Bannerman, Saïd El Khadraoui, Ashley Fox, Danuta Jazłowiecka, Olle Ludvigsson, Thomas Mann, Sirpa Pietikäinen, Catherine Stihler