VERSLAG over doelstelling 3: een uitdaging voor territoriale samenwerking: de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking
11.4.2011 - (2010/2155(INI))
Commissie regionale ontwikkeling
Rapporteur: Marie-Thérèse Sanchez-Schmid
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over doelstelling 3: een uitdaging voor territoriale samenwerking: de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking
Het Europees Parlement,
– gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII daarvan,
– gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999[1],
– gezien Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS)[2],
– gezien Besluit 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende strategische communautaire richtsnoeren inzake cohesie[3],
– gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013[4],
– gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied en de rol van macroregio's in het toekomstige cohesiebeleid[5],
– gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de totstandbrenging van synergieën tussen voor onderzoek en innovatie bestemde fondsen in Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling in steden en regio's alsmede in de lidstaten en de Unie[6],
– gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over het Groenboek territoriale cohesie en stand van de discussie over de toekomstige hervorming van het cohesiebeleid[7],
– gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de kritische evaluatie van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument[8],
– gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over een follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig - Naar een Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang[9],
– gezien zijn resolutie van 1 december 2005 over de rol van "Euregio's" bij de ontwikkeling van het regionaal beleid[10],
– gezien zijn resolutie van 28 september 2005 over de rol van territoriale samenhang in de regionale ontwikkeling[11],
– gezien de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 inzake de strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio (COM(2010)0715) en het bijbehorende indicatieve actieplan (SEC(2010)1489),
– gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 getiteld "Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid" (COM(2010)0642),
– gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 over de evaluatie van de EU-begroting (COM(2010)0700) en de technische bijlagen daarbij (SEC(2010)7000),
– gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 over de bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie (COM(2010)0553),
- gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 getiteld "Het cohesiebeleid: strategisch verslag 2010 over de uitvoering van de programma's 2007-2013" (COM(2010)0110),
- gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2009 inzake de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied (COM(2009)0248 definitief) en het bijbehorende indicatieve actieplan (SEC(2009)0712/2),
- gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de Europese strategie voor het Atlantisch gebied, waarin sprake is van de voor 2011 geplande publicatie van een mededeling van de Commissie[12],
- gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2008 getiteld "Europa als wereldspeler: Groenboek over territoriale cohesie - van territoriale diversiteit een troef maken" (COM(2008)0616),
- gezien het initiatiefadvies van het Comité van de Regio’s van 27 januari 2011 over "nieuwe perspectieven voor de herziening van de EGTS-verordening",
- gezien het onafhankelijk verslag dat op verzoek van de Commissie is opgesteld, getiteld "Communautair initiatief INTERREG III (2000-2006): evaluatie achteraf" (Nr. 2008.CE.16.0.AT.016),
– gezien artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0110/2011),
A. overwegende dat het grondgebied van de Europese Unie momenteel uit 27 lidstaten en 271 regio’s bestaat,
B. overwegende dat ongeveer 37,5% van de Europese bevolking in een grensstreek woont,
C. overwegende dat informele samenwerkingsverbanden, de Euroregio's, de Eurodistricten, de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, de initiatieven van de Raad van Europa, de opeenvolgende verdragen en de afgeleide EU-wetgeving alle hebben bijgedragen aan de totstandkoming van sterkere en duurzamere banden tussen de diverse gebieden,
D. overwegende dat er, hoewel de basis voor territoriale samenwerking is gelegd, nog veel uitdagingen overblijven en dat de aard van deze uitdagingen afhangt van de wijze waarop de samenwerking in het verleden is verlopen en de mate waarin zij zich heeft ontwikkeld,
E. overwegende dat het, nu de grenzen in de verdragen zijn "afgeschaft", belangrijk is het effect ervan op het dagelijks leven van de burgers terug te dringen,
F. overwegende dat het regionaal beleid erop is gericht een harmonieuze ontwikkeling van de regio’s te bevorderen door de economische, sociale en territoriale cohesie binnen de Europese Unie te versterken,
G. overwegende dat de doelstelling "territoriale samenwerking" als onderdeel van het cohesiebeleid eraan bijdraagt een "steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa" tot stand te brengen door de barrières tussen gebieden en regio’s te verkleinen,
H. overwegende dat de doelstelling "territoriale samenwerking" aan de buitengrenzen een van de elementen vormt van het pretoetredingsproces, alsook van de tenuitvoerlegging van het nabuurschapsbeleid en dat de coördinatie van de desbetreffende communautaire regelingen derhalve moet worden versterkt,
I. overwegende dat territoriale samenwerking, d.w.z. samenwerking tussen burgers van verschillende regio's, een doorlopend leerproces is dat een gemeenschapsgevoel en een besef van een gezamenlijke toekomst creëert,
J. overwegende dat de burger bij territoriale samenwerking centraal moet staan en dat er daarom voor een gebiedsgebonden aanpak zou moeten worden gepleit,
K. overwegende dat intensivering van de territoriale samenwerking afhankelijk is van de vooruitgang die wordt geboekt op het gebied van de Europese integratie en van de coördinatie op alle terreinen met een positief effect op de Europese integratie en de territoriale cohesie, en overwegende dat de territoriale samenwerking op zichzelf een proeftuin voor de Europese integratie vormt,
L. overwegende dat in de grensgebieden nauwelijks wordt geïnvesteerd in trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-V), ofschoon juist bij de grensoverschrijdende knooppunten dringend behoefte aan modernisering bestaat en de opheffing van grensoverschrijdende belemmeringen op het gebied van infrastructuur hier een klassieke vorm van Europese toegevoegde waarde oplevert,
M. overwegende dat het belang van territoriale samenwerking aanzienlijk is toegenomen dankzij de basisverordening betreffende de structuurfondsen en de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon,
N. overwegende dat de in het kader van de INTERREG III-programma´s voor de programmeringsperiode 2000-2006 uitgevoerde evaluatie achteraf op overtuigende wijze de meerwaarde van deze doelstelling voor het Europees project aantoont,
Versterking van de doelstelling "territoriale samenwerking"
1. wijst erop dat territoriale samenwerking tot doel heeft gebieden en regio´s te laten samenwerken bij de aanpak van hun gemeenschappelijke uitdagingen, fysieke, culturele en bestuursrechtelijke belemmeringen voor dergelijke samenwerking weg te nemen en het "grenseffect" te verminderen;
2. is overtuigd van de Europese meerwaarde van territoriale samenwerking en de belangrijke rol die zij speelt bij de verdieping van de interne markt en de bevordering van verdere Europese integratie in verschillende beleidssectoren, en dringt erop aan territoriale samenwerking te handhaven als een van de pijlers van het cohesiebeleid;
3. onderstreept dat de doelstelling "territoriale samenwerking", die gestoeld is op het beginsel van economische, sociale en territoriale samenhang, betrekking heeft op alle regio's van de EU aangezien zij bijdraagt aan de bevordering van een harmonieuze ontwikkeling van de Unie als geheel;
4. is van mening dat territoriale samenwerking haar doeltreffendheid heeft bewezen en dat haar potentiële concurrentiebevorderende rol tot op heden onvoldoende is benut vanwege de ontoereikende middelen die ervoor worden uitgetrokken; verzoekt de begroting voor de doelstelling "territoriale samenwerking" voor de volgende programmeringsperiode te verhogen van de huidige 2,5% tot ten minste 7% van de totale begroting voor cohesiebeleid;
5. pleit ervoor de huidige structuur van doelstelling 3, die is opgebouwd uit drie componenten – grensoverschrijdend (component A), transnationaal (component B) en interregionaal (component C) – te behouden en de grensoverschrijdende component, waaraan ten minste 70% van de begroting voor territoriale samenwerking wordt besteed, het meeste gewicht te blijven toekennen; merkt op dat fondsen in het kader van het programma voor alle regio's op eerlijke en evenwichtige wijze moeten worden verdeeld;
6. is van mening dat indien het onderscheid tussen de grensoverschrijdende component (component A) die beantwoordt aan de lokale behoeften van de grensoverschrijdende gebieden, en de transnationale component (component B), die onder meer betrekking heeft op de macroregionale schaal en die samenwerking op bredere strategische terreinen aldus mogelijk maakt, behouden moet blijven, een betere coördinatie tussen de twee componenten noodzakelijk is;
7. dringt voorts aan - teneinde de coherentie en continuïteit van territoriale samenwerkingsmaatregelen te waarborgen en gezien de strategische aard van de projecten in kwestie - op een grotere mate van flexibiliteit bij de benutting van de door artikel 21 van de EFRO-verordening geboden mogelijkheden ten aanzien van de locatie van grensoverschrijdende en transnationale samenwerkingsactiviteiten, waarin ook zeegebieden moeten worden opgenomen; pleit in dit verband voor een zekere mate van flexibiliteit bij de toepassing van de geografische limiet van 150 km die is vastgesteld voor grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma´s in kust- en zeegebieden;
8. is niettemin van mening dat de integratie van dergelijke regio´s in en hun openstelling voor geografische gebieden buiten de EU niet eenvoudigweg worden bepaald, of mogen worden bepaald, door hun afgelegen ligging, aangezien deze regio´s, als gevolg van de rijke historische, linguïstische en culturele banden die hen verbinden aan verschillende gebieden in de wereld, een centrale rol vervullen bij de verdieping van deze betrekkingen hetgeen de positie van de Europese Unie op het wereldtoneel ten goede komt;
9. onderstreept de cruciale rol van territoriale samenwerking bij de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen; dringt erop aan de strategische behoeften van iedere grens- en samenwerkingsregio in het kader van deze strategie vooraf in kaart te brengen, en de Europese territoriale samenwerking vervolgens te integreren in en aan te passen aan alle strategische planningsniveaus: Europees, nationaal, regionaal en lokaal; verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een toelichting te geven op haar voorstellen met betrekking tot de thematische bundeling van fondsen overeenkomstig het "menu van thematische prioriteiten" van de Europa 2020-strategie;
10. dringt erop aan dat fondsen per territoriaal samenwerkingsprogramma op basis van geharmoniseerde criteria worden toegekend, teneinde op strategische, geïntegreerde wijze aan de behoeften en specifieke bijzonderheden van alle betrokken gebieden en regio´s te kunnen beantwoorden; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband na te denken over andere relevante strategische en meetbare criteria die de behoeften van de gebieden kunnen weerspiegelen zonder het belangrijkste criterium te ondermijnen: demografie;
11. benadrukt opnieuw het belang van interregionale samenwerking (component C), maar betreurt het gebrek aan middelen dat hieraan wordt toegekend; stelt in dit verband en teneinde het aantal projecten in component C te vergroten voor de limiet van het cofinancieringspercentage van de EU voor deze component te heroverwegen en er daarbij tevens rekening mee te houden dat dit als een stimulans kan fungeren voor deelnemers uit de regio´s die onder de doelstelling "concurrentievermogen en werkgelegenheid" ressorteren; dringt erop aan de thematische samenwerkingsterreinen te verbreden, zodat hierin tevens het bestuur en beheer van de operationele programma´s, evenals territoriale ontwikkeling kunnen worden opgenomen;
12. spoort de regio's bovendien aan de in het kader van hun operationele programma´s geboden mogelijkheden voor interregionale samenwerking, beter te benutten[13]; pleit er in dit verband voor in de "interregionale" component van doelstelling 3 ook de coördinatie en uitvoering van deze projecten, de bundeling van kennis en de uitwisseling van goede praktijken op te nemen;
13. onderstreept dat het voor toekomstige operationele programma's met betrekking tot territoriale samenwerking belangrijk is steun te verwerven van INTERACT en capaciteit te ontwikkelen voor succesvolle hulpprogramma's, waarbij voor inspiratie kan worden gekeken naar het RC LACE-project; dringt met het oog op een betere tenuitvoerlegging van doelstelling 3 aan op effectievere coördinatie tussen INTERACT, URBACT, ESPON en component C;
14. stimuleert de werkzaamheden van het ESPON maar stelt voor lokale en regionale overheden meer mogelijkheden te bieden om actief bij de onderzoeken van EPSON naar territoriale ontwikkelingsaangelegenheden te worden betrokken, terwijl de uit genoemde onderzoeken voorvloeiende bevindingen eenvoudiger in de praktijk moeten kunnen worden toegepast;
15. is verheugd over het welslagen van het URBACT-programma voor duurzame stedelijke ontwikkeling en dringt aan op verlenging en uitbreiding ervan teneinde een betekenisvol en breed toegankelijk initiatief tot stand te brengen dat mogelijkheden biedt voor gedeelde leerprocessen en kennisoverdracht met betrekking tot lokale stedelijke uitdagingen;
16. verzoekt de Commissie na te denken over mogelijkheden om de lokale en regionale bestuurders bij deze pan-Europese netwerken voor de uitwisseling van kennis en goede praktijken te betrekken, hetgeen een eerste stap zou zijn in de tenuitvoerlegging van het Erasmus-project voor lokale en regionale gekozen vertegenwoordigers;
17. wijst er nogmaals op dat betrokkenheid van subnationale actoren bij de verwezenlijking van de EU-doelstellingen een voorwaarde vormt voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van territoriale cohesie;
Integratie van territoriale samenwerking in regulier beleid
18. is van mening dat het noodzakelijk is de doelstelling "territoriale samenwerking" in de doelstellingen "convergentie" en "concurrentievermogen en werkgelegenheid" te integreren; dringt erop aan dat de programmering beter wordt gecoördineerd dan voorheen het geval was; stelt voor regionale operationele programma's de mogelijkheid te geven te worden betrokken bij en een bijdrage te leveren aan de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale projecten waar zij onder ressorteren, en hiertoe een territoriale benadering voor de toewijzing van middelen vast te stellen ten behoeve van prioritaire projecten, zoals de trans-Europese netwerken in grensgebieden, die van tevoren in samenspraak met de programmapartners worden geselecteerd, overeenkomstig de beginselen van bestuur op verschillende niveaus en partnerschap; benadrukt dat de mogelijkheden van territoriale samenwerking op deze wijze beter kunnen worden benut dankzij de ontwikkeling van grensoverschrijdende betrekkingen tussen private en publieke actoren;
19. spoort de lidstaten en de regio's aan multiregionale operationele programma's op te zetten om gemeenschappelijke territoriale vraagstukken aan te pakken, zoals de aanwezigheid van een bergmassief of een rivierbekken waardoor het gebied wordt gekenmerkt;
20. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de coördinatie van beleid in de grensgebieden en op de arbeidsmarkt te bevorderen, teneinde zeker te stellen dat er binnen het kader van economische en territoriale integratie geen concurrentieverstoring optreedt;
21. is van mening dat grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma´s tevens van belang zijn om doeltreffend te kunnen optreden en resultaten te boeken op het gebied van armoedebestrijding en integratie van kansarme groepen in de reguliere Europese maatschappij; dringt erop aan deze kwestie bij de ontwikkeling van het regelgevingskader in overweging te nemen en ervoor te zorgen dat in achtergebleven regio´s passende middelen beschikbaar zijn voor deelname aan Europese regionale ontwikkelingsprogramma´s;
Een territoriale benadering voor de tenuitvoerlegging van ander EU-beleid
22. wijst erop dat een aanpak langs de lijnen van de Oostzeestrategie de grensoverschrijdende samenwerking kan versterken; is van mening dat er in macroregionale strategieën ten volle rekening moet worden gehouden met andere regionale samenwerkingsprogramma's teneinde synergieën te kunnen creëren; onderstreept dat het concept van macroregio's, een initiatief van de Raad, tot stand is gekomen als een experimentele, logische manier om gezamenlijke projecten die een zeer groot gebied met gemeenschappelijke territoriale problemen beslaan te coördineren, teneinde de voordelen te benutten van een geïntegreerde, multisectorale en territoriale benadering, gebaseerd op gemeenschappelijke strategische acties die vanuit reeds bestaande fondsen worden gefinancierd;
23. wijst erop dat dergelijke strategieën in hun huidige of toekomstige vorm een basis moeten vormen om een meer strategische en geïntegreerde benadering te realiseren via de desbetreffende instrumenten voor territoriale samenwerking, maar dat zij geen nieuwe middelen binnen de EU-begroting genereren en niet voorzien in de oprichting van nieuwe instellingen of de toepassing van nieuwe wetgeving;
24. verzoekt de Commissie een diepgravende analyse te maken van de resultaten van de eerste macroregionale strategieën die ten uitvoer zijn gelegd; is van mening dat verder moet worden voortgebouwd op de grote mate van belangstelling voor het proces en dat uit dit proces lering moet worden getrokken voor de tenuitvoerlegging van toekomstige macroregionale strategieën;
25. herinnert eraan dat de doelstelling "territoriale samenwerking" samenwerking op macroregionale schaal kan bevorderen, met name binnen de transnationale component;
26. pleit ervoor transnationale programma's in dienst te stellen van deze territoriale strategieën door de opzet, de invulling en de sturing van macroregionale strategieën te coördineren, doch zonder dat dit leidt tot onnodige duplicatie van de begrotingsstructuren van de EU door specifieke begrotingslijnen voor verschillende macroregio´s te creëren;
27. benadrukt tegelijkertijd dat de doelstellingen van macroregionale strategieën een aanvulling vormen op de doelstellingen van microregionale grensoverschrijdende samenwerking en deze kunnen omvatten, doch deze niet kunnen vervangen; onderstreept dat de grensoverschrijdende component van territoriale samenwerking om die reden moet worden gehandhaafd als een op zichzelf staand afzonderlijk en rechtmatig element;
28. is ervan overtuigd dat de transnationale component van doelstelling 3 kan bijdragen aan een verbeterde samenwerking binnen de macroregionale strategieën door regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld nauwer te betrekken bij de uitvoering van concrete initiatieven;
29. is van mening dat in iedere transnationale strategie terdege moet worden nagedacht over mogelijke onderlinge afstemming met de richtlijnen van de trans-Europese vervoersnetwerken en de strategieën die zijn opgezet in het kader van het geïntegreerd maritiem beleid;
30. herinnert eraan dat territoriale samenwerking zowel de binnengrenzen als de buitengrenzen van de Europese Unie betreft, ook als het gaat om de huidige en toekomstige macroregionale strategieën; wijst op de moeilijkheden die derde landen ondervinden met betrekking tot medefinanciering in het kader van de in de EFRO-verordening opgenomen regelingen voor samenwerking; verzoekt de Commissie na te denken over mogelijkheden om doeltreffendere synergieën te creëren tussen onder het EFRO ressorterende initiatieven, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA), het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en om zo spoedig mogelijk met een voorstel voor het nieuwe nabuurschapsbeleid te komen; dringt aan op een vereenvoudiging en harmonisering van de wetgeving inzake toegang tot de verschillende financieringsbronnen teneinde compatibiliteit te waarborgen en het gebruik ervan door de begunstigden te vergemakkelijken;
31. dringt er gezien de specifieke aard van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument bij de Commissie op aan de verantwoordelijkheid voor het beheer hiervan over te dragen aan het Directoraat-generaal regionale ontwikkeling van de Commissie, doch daarbij wel rekening te houden met de aspecten van externe betrekkingen; merkt op dat het ENPI in zijn huidige vorm onvoldoende houvast biedt om rekening te houden met de specifieke kenmerken van grensoverschrijdende samenwerking; is van mening dat moet worden overwogen het ENPI los te koppelen van de dienst voor externe betrekkingen, in ieder geval wanneer derde landen die betrokken zijn bij samenwerking aan de buitengrenzen deze samenwerking tevens financieren;
32. dringt aan op tenuitvoerlegging van het in de mededeling van de Commissie COM(2004)343 aangekondigde actieplan voor het grote nabuurschap ten aanzien van de ultraperifere regio's; benadrukt in dit verband dat het EU-beleid met betrekking tot de ultraperifere regio's een samenhangende multisectorale aanpak vereist, en dat met name de coördinatie van interne en externe componenten moet worden verbeterd door middel van een strategie voor stroomgebieden;
33. wijst erop dat een witboek over territoriale cohesie als vervolg op het groenboek een tijdelijk instrument zou kunnen vormen om meer duidelijkheid te verschaffen over de manier waarop in het toekomstig regionaal beleid territoriale cohesie door middel van bestuur op meerdere niveaus ten uitvoer kan worden gelegd, en daarnaast stof kan leveren voor het debat over het volgende pakket wetgevingsmaatregelen;
34. stelt dat de voorwaarden voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het ENPI niet toereikend zijn om deze samenwerking naar behoren vorm te geven; pleit in dit verband voor een betere onderlinge afstemming tussen de verschillende directoraten-generaal van de Commissie; is overtuigd van de ultieme noodzaak om de grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's van het ENPI opnieuw bij de doelstelling "territoriale samenwerking" van het cohesiebeleid onder te brengen;
Bevordering van de oprichting van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS)
35. is van mening dat Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) een uniek en zeer waardevol instrument voor territoriaal bestuur vormen dat beantwoordt aan de behoefte aan structurele samenwerking op het gebied van financiering, de juridische status van projecten en bestuur op meerdere niveaus; herinnert eraan dat het EGTS-instrument moet worden aangeprezen als een hulpmiddel om systemen van grensoverschrijdend bestuur op te zetten, waarbij de eigen inbreng in het beleid op regionaal en lokaal niveau wordt gewaarborgd; onderstreept tevens dat de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking een belangrijke bijdrage leveren aan de succesvolle tenuitvoerlegging van een model voor bestuur op meerdere niveaus;
36. benadrukt dat Europese groeperingen voor territoriale samenwerking niet alleen aan territoriale maar ook aan sociale cohesie kunnen bijdragen: wijst erop dat het EGTS-instrument de beste mogelijkheden biedt om verschillende culturele en linguïstische gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen, vreedzame co-existentie in een divers Europa te bevorderen en Europese meerwaarde zichtbaar te maken voor de burger;
37. beveelt aan een eerste evaluatie uit te voeren met betrekking tot de bestaande Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, teneinde lessen te trekken uit deze initiële ervaringen;
38. is evenwel van mening dat de oprichting Europese groeperingen voor territoriale samenwerking moet worden vergemakkelijkt en verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk voorstellen te presenteren voor amendementen op Verordening nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de problemen die door de lokale en regionale overheden en de reeds opgerichte groeperingen zijn gesignaleerd en waarbij het door de Comité van de Regio's verrichte werk als basis kan dienen, met als doel:
- de status van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking in de rechtsstelsels van de lidstaten te verduidelijken teneinde de wetgeving op dit gebied zo veel mogelijk op één lijn te brengen,
- het mogelijk te maken dat een EGTS wordt opgericht door belanghebbenden die in een lidstaat en in een derde land zijn gevestigd,
- artikel 4, lid 3, opnieuw te formuleren om ervoor te zorgen dat de termijn van drie maanden voor de behandeling van aanvragen voor de oprichting van een EGTS strikter wordt nageleefd,
- de regelgeving met betrekking tot personeelsaangelegenheden te vereenvoudigen,
- te waarborgen dat de fiscale regels voor een EGTS niet minder gunstig zijn dan andere juridische regelingen die van toepassing zijn op de uitvoering van samenwerkingsprojecten of -programma's;
39. dringt erop aan op grond van gemeenschappelijke grensoverschrijdende ontwikkelingsstrategieën globale subsidies te verstrekken aan Europese groeperingen voor territoriale samenwerking waarvan de projecten in overeenstemming zijn met de doelstellingen en de strategieën van de desbetreffende samenwerkingsprogramma's, teneinde deze groeperingen in staat te stellen de kredieten uit de structuurfondsen en de bijbehorende programma´s rechtstreeks te beheren; onderstreept tevens dat de multinationale en multilaterale aard van de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking beter tot uiting moet komen in de verordeningen met betrekking tot de andere Europese fondsen, teneinde de toegang van deze groeperingen tot andere financieringsbronnen te verbeteren;
40. is verheugd over het door het Comité van de Regio's gelanceerde Europees EGTS-platform dat erop is gericht de uitwisseling van ervaringen te bevorderen, informatie over goede praktijken te bundelen en de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking technische ondersteuning te bieden;
41. is van mening dat grensoverschrijdende Europese groeperingen voor territoriale samenwerking een uitgelezen gelegenheid bieden om op regionaal niveau in samenwerking met de Europese burgers aan Europa te bouwen; verzoekt grensoverschrijdende Europese groeperingen voor territoriale samenwerking om, indien nodig, "een grensoverschrijdend forum van het maatschappelijk middenveld" op te richten en aan te sturen en om grensoverschrijdende burgerinitiatieven te ondersteunen;
Vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging
42. is van mening dat de tenuitvoerlegging van de territoriale samenwerkingsprogramma's nog steeds veel te ingewikkeld is en dat er een afzonderlijke verordening moet komen voor doelstelling 3 waarin het inherent internationale karakter van de onder deze doelstelling ressorterende activiteiten tot uitdrukking komt; is van mening dat er momenteel te veel verschillende bestuurslagen bij de tenuitvoerlegging van de programma's moeten worden betrokken en dringt derhalve aan op aanzienlijke vereenvoudiging op dit punt;
43. verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te nemen die erop zijn gericht de audit- en controleregels te vereenvoudigen, waarbij het beginsel "één administratieve instantie per programma" als leidraad geldt, een meer stelselmatige forfaitarisering van de kosten en de financiering van kleine projecten met vaste bedragen mogelijk te maken, meer gedetailleerde EU-voorschriften ten aanzien van subsidiabiliteit vast te stellen, en de technische ondersteuning te verbeteren zodat bestuursorganen zich in toenemende mate kunnen concentreren op de initiëring en strategische begeleiding van projecten en de resultaten daarvan en zich niet meer uitsluitend hoeven bezig te houden met management en controle van de compatibiliteit van de ingediende aanvragen met de administratieve voorschriften;
44. roept de lidstaten op hun nationale bepalingen te vereenvoudigen, aangezien deze in veel gevallen extra administratieve lasten opleggen die niet door de communautaire regelgeving worden voorgeschreven;
45. dringt er bij de Commissie op aan zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de bepalingen die van toepassing zijn op het conditionaliteitsbeginsel in geval van grensoverschrijdende samenwerking; is van mening dat deze conditionaliteit weliswaar bedoeld is om een beter en efficiënter gebruik van de fondsen te bevorderen, maar dat zij de uitvoering niet verder mag bemoeilijken, hetgeen ten koste zou gaan van de beheerders en de begunstigden van de programma's;
46. benadrukt voorts dat de regelingen om particuliere partijen bij de projecten te betrekken moeten worden uitgebreid en vereenvoudigd; beveelt aan innovatieve financiële instrumenten in het leven te roepen, naar het voorbeeld van de initiatieven "JEREMIE" en "JESSICA", teneinde grensoverschrijdende projecten te faciliteren die economische ontwikkeling, de participatie van private partijen en de initiatie van publiek-private partnerschappen bevorderen;
Vergroting van de zichtbaarheid van territoriale samenwerking
47. betreurt de geringe zichtbaarheid van territoriale samenwerking zowel bij de nationale en lokale overheden als bij het bredere publiek, en dringt in dit verband aan op effectievere communicatie over reeds verwezenlijkte projecten;
48. verzoekt de Commissie na te denken over mogelijkheden om de zichtbaarheid van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking en hun werkzaamheden te vergroten onder de bij territoriale samenwerking betrokken partijen en het grote publiek;
49. is van mening dat de van oudsher nauwe culturele en linguïstische banden tussen grensregio's van verschillende lidstaten moeten worden benut om grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden te bevorderen;
50. is van mening dat intensievere samenwerking op het gebied van onderwijs en cultuur, door bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Europa 2020-strategie voor inclusieve en slimme groei, het participatieniveau van burgers en NGO´s kan bevorderen, de zichtbaarheid van territoriale samenwerking kan helpen vergroten en de "mentale scheidslijnen" die de toenadering tussen burgers belemmeren, kan wegnemen;
51. dringt erop aan op de onderlinge coördinatie tussen de voor het beheer verantwoordelijke autoriteiten en de reeds bestaande grensoverschrijdende instanties zoals Euroregio´s tijdens de uitvoering van de grensoverschrijdende programma´s te verbeteren, teneinde voor alle projecten een hoge kwaliteit, transparantie en betrokkenheid van de burgers te waarborgen;
52. dringt aan op een betere onderlinge afstemming van de communicatie tussen alle bij het uitvoeringsproces van territoriale samenwerkingsinitiatieven betrokken partijen; stelt voor alle programma's binnen eenzelfde component één enkel herkenbaar logo te geven (bijvoorbeeld hernieuwde invoering van het goed herkenbare INTERREG-label) dat zal worden gebruikt in combinatie met het eigen logo van ieder programma (wellicht in gestandaardiseerde grootte) en verzoekt de Commissie aan het begin van de komende programmeringsperiode in de grensgebieden een grote media- en bewustmakingscampagne te lanceren met betrekking tot de voordelen van territoriale samenwerking;
53. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.
- [1] PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25-78.
- [2] PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25-78.
- [3] PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11-32.
- [4] Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0356.
- [5] Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0254.
- [6] Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0189.
- [7] PB C 117E van 6.5.2010, blz. 65.
- [8] PB C 76E van 25.3.2010, blz. 83.
- [9] PB C 184E van 6.3.2009, blz. 95.
- [10] PB C 285E van 22.11.2006, blz. 16.
- [11] PB C 227E van 21.9.2006, blz. 88.
- [12] Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0089.
- [13] Artikel 37, lid 6, letter b.
TOELICHTING
Gedurende de afgelopen vijf jaar is het belang van territoriale samenwerking aanzienlijk versterkt dankzij wijzigingen van de basisverordening betreffende de structuurfondsen en de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. In het meerjarig financieel kader voor 2007-2013, dat het communautaire Interreg-initiatief vervangt, is de doelstelling "territoriale samenwerking" tot een van de drie pijlers van het cohesiebeleid van de Europese Unie gemaakt. Vervolgens is "territoriale samenhang" krachtens artikel 174 van het Verdrag een van de drie componenten van het cohesiebeleid geworden, naast economische en sociale samenhang. "Territoriale samenhang" is hiermee stevig verankerd als een van de voornaamste prioriteiten van de Europese Unie.
In de ogen van de rapporteur heeft territoriale samenwerking ten doel fysieke, administratieve en bestuursrechtelijke belemmeringen voor cohesie weg te nemen en het "grenseffect" tussen gebieden en regio's te verminderen, zodat deze gebieden en regio´s in staat worden gesteld hun gemeenschappelijke uitdagingen gezamenlijk aan te pakken, ongeacht of het hier om uitdagingen van territoriale (diensten, infrastructuur, stadsontwikkeling en ruimtelijke ordening), mondiale (globalisering, klimaatverandering), economische of maatschappelijke aard gaat. Territoriale samenwerking biedt concurrentiemogelijkheden die tot op heden onvoldoende zijn benut en zou kunnen bijdragen aan verwezenlijking van de doelstelling "een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa" te creëren.
De in het kader van Interreg III uitgevoerde evaluatie achteraf voor de programmeringsperiode 2000-2006 toont op overtuigende wijze de meerwaarde van deze doelstelling voor het Europese integratieproces aan en in het desbetreffende verslag worden enkele voorbeelden van successen opgesomd: 1.030 infractructuurprojecten en meer dan 18.000 km aan wegen die nieuw zijn aangelegd of waarvoor steun is verleend, 115.200 gecreëerde arbeidsplaatsen, 5.800 startende ondernemingen en bedrijven die direct of indirect zijn opgezet of in stand gehouden, bijna 12.000 tot stand gebrachte samenwerkingsnetwerken en -structuren en meer dan 544.000 personen (inclusief studenten) die hebben deelgenomen aan cursussen, opleidingsprogramma´s, seminars, workshops, vergaderingen of andere educatieve activiteiten[1].
Versterking van de doelstelling "territoriale samenwerking"
Een ambitieuze begroting
In overeenstemming met het standpunt dat het Parlement in zijn resolutie van 7 oktober 2010 heeft aangenomen over het cohesie- en regionaal beleid van de Europese Unie na 2013, het in de conclusies van het vijfde cohesieverslag uiteengezette standpunt van de Commissie, de aanbevelingen van het Comité van de Regio’s en de conclusies van de informele raad van ministers voor regionaal beleid in Luik op 22 en 23 november 2010, is de rapporteur van mening dat "doelstelling 3" aanzienlijk moet worden versterkt.
In het huidig meerjarig financieel kader wordt aan deze doelstelling 8,5 miljard euro toegekend (een bedrag dat slechts 2,5 % van de totale structurele uitgaven van de EU vertegenwoordigt). Tijdens de onderhandelingen over de vorige programmeringsperiode heeft de Commissie erop aangedrongen ten minste 5% van de begroting voor cohesiebeleid toe te kennen aan doelstelling 3. In 2013 zal deze doelstelling volledig zijn uitgekristalliseerd. Er is grote vraag naar samenwerking en de behoeften zijn enorm. De rapporteur is van mening dat het Parlement de ambities van de bij territoriale samenwerking betrokken partijen moet ondersteunen door er opnieuw op aan te dringen ten minste 7% van de totale begroting voor cohesiebeleid aan territoriale samenwerking te besteden.
Een stabiele structuur
De rapporteur is van oordeel dat de onderverdeling van doelstelling 3 in drie componenten moet worden gehandhaafd, waarbij elke component zijn eigen logica en waarde heeft.
Grensoverschrijdende samenwerking (73% van de begroting) financiert de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke strategieën voor regio's die langs de binnengrenzen (en soms buitengrenzen) van de lidstaten zijn gelegen met een onderlinge afstand van niet meer dan 150 kilometer. Het beheer ervan wordt op niveau NUTS 3 "geterritorialiseerd" en beantwoordt aan de lokale behoeften van de grensgebieden. De rapporteur is van mening dat een debat over de overdracht van bevoegdheden naar niveau NUTS 2, waarop door bepaalde belanghebbenden is aangedrongen, de lokale dimensie van de grensoverschrijdende samenwerking zou kunnen ondermijnen. Niettemin biedt het toepassingsgebied van artikel 21 van de EFRO-verordening betreffende de locatie van grensoverschrijdende en transnationale samenwerkingsactiviteiten, afhankelijk van de aard van de desbetreffende projecten, een zekere mate van flexibiliteit die moet worden aangemoedigd. In deugdelijk gemotiveerde gevallen biedt dit artikel de mogelijkheid uitgaven te financieren buiten het gebied dat in het kader van het programma voor subsidie in aanmerking komt.
Transnationale samenwerking (20% van het budget) op grotere schaal is gericht op de bevordering van samenwerking tussen naburige regio’s die tot hetzelfde geografische gebied behoren, teneinde de strategische prioriteiten van de Unie te verwezenlijken op terreinen zoals onderzoek en ontwikkeling, de informatiemaatschappij, het milieu, hoger onderwijs, mobiliteit en duurzame stadsontwikkeling, alsmede het beheer van natuurrampen.
Interregionale samenwerking (4% van het budget) betreft ten slotte de samenwerking tussen alle regio’s van de 27 lidstaten, ongeacht hun geografische locatie, en is gericht op de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken.
De ervaring leert dat wanneer oproepen tot het indienen van voorstellen op het gebied van interregionale samenwerkingsprojecten bekend worden gemaakt, de vraag het aanbod wel tien keer overstijgt[2]. Deze discrepantie kan een overmatige administratieve werklast creëren voor de bevoegde instantie, terwijl kandidaten ontmoedigd en gefrustreerd raken. Teneinde geld te besparen en de projectkwaliteit te verbeteren zou de limiet van het cofinancieringspercentage van de EU kunnen worden heroverwogen voor deelnemers afkomstig uit regio’s die onder de doelstelling "concurrentievermogen en werkgelegenheid" ressorteren. De rapporteur is tevens van mening dat de regio’s meer gebruik moeten maken van de door artikel 37, lid 6, punt b) van de basisverordening geboden mogelijkheden. Op instigatie van de betrokken lidstaat biedt genoemd artikel gelegenheid om interregionale samenwerkingsmaatregelen met betrekking tot een regio of lokale autoriteit in een andere lidstaat, op te nemen in een operationeel programma voor "convergentie" of "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid". De interregionale component van de doelstelling "territoriale samenwerking" kan voorzien in steun, coördinatie, bundeling van kennis, uitwisseling van goede praktijken en strategische bijstand voor projecten die op deze manier ten uitvoer worden gelegd. Het INTERACT-programma zou doeltreffender kunnen functioneren indien het nauwer zou worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van deze component.
URBACT II (dat betrekking heeft op de uitwisseling van informatie om duurzame stadsontwikkeling te bevorderen) is tamelijk succesvol geweest en zou moet worden verlengd.
Voorts en in het kader van het debat over het Erasmus-programma voor lokale bestuurders, zouden dergelijke vertegenwoordigers nauwer bij deze uitwisselingsnetwerken (INTERACT/interregionale samenwerking en URBACT) moeten worden betrokken teneinde de uitwisselingen grotere zichtbaarheid en een nieuwe politieke impuls te verlenen. Dit zou een eerste stap kunnen zijn in de tenuitvoerlegging van het Erasmus-project voor lokale en regionale gekozen vertegenwoordigers.
Het ESPON-programma, dat onderzoeken en databanken over territoriale samenwerking en grensgebieden ter beschikking stelt, is een doeltreffend instrument. Er moet niettemin naar worden gestreefd de resultaten ervan zichtbaarder en toegankelijker te maken voor alle bij de samenwerking betrokken partijen.
Een meer strategische in het reguliere beleid geïntegreerde territoriale samenwerking
Hoewel de huidige verdeling van de financiering tussen de drie componenten in wezen kan worden gehandhaafd, moet de programmering strategischer worden en in alle verschillende planningsfasen plaatsvinden. De rapporteur pleit voor coördinatie van de samenwerkingsmaatregelen op alle bestuurlijke niveaus, in overeenstemming met een Europa 2020-strategie die is afgestemd op de behoeften van de gebieden en op de andere bestaande territoriale strategieën (Eurodistricten, Euroregio’s, macroregio’s enz.).
Territoriale samenwerking wordt soms belemmerd door nationale overwegingen die worden ingegeven door het "Ik wil mijn geld terug"-syndroom: lidstaten en belanghebbenden delen weliswaar de financiering voor op hun grondgebied uitgevoerde projecten, doch zonder dat er daadwerkelijke samenwerking plaatsvindt of dat er daadwerkelijke Europese meerwaarde wordt gegenereerd. De rapporteur stelt derhalve voor financiële middelen per territoriaal samenwerkingsprogramma toe te kennen, zodat op geïntegreerde wijze tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van het betrokken gebied. Zonder afbreuk te doen aan het voornaamste criterium (dat van de demografie) zou de Commissie kunnen nadenken over andere strategische, meetbare en relevante criteria die de behoeften van de gebieden weerspiegelen doch het belangrijkste criterium niet ondermijnen: demografie. De aanvullende indicatoren zouden rekening kunnen houden met de specifieke problemen van territoriale samenwerking zoals connectiviteit, toegang tot infrastructuur of bepaalde indicatoren die verband houden met de Europa 2020-strategie.
De rapporteur is van mening dat hoewel de begroting voor territoriale samenwerking aanzienlijk moet worden verhoogd, zij nooit toereikend zal zijn voor de financiering van de voor Europa zo belangrijke grote grensoverschrijdende of transnationale infrastructuurprojecten op het gebied van vervoer, energie en nieuwe communicatietechnologieën. Teneinde het principe van territoriale cohesie daadwerkelijk in praktijk te brengen en de Europese meerwaarde van in het kader van de doelstellingen "convergentie" en "concurrentievermogen en werkgelegenheid" toegekende middelen te vergroten, is een grotere complementariteit tussen de doelstelling "territoriale samenwerking" en het reguliere beleid noodzakelijk.
In dit verband wordt voorgesteld om aan het begin van de programmeringsperiode een "territoriale" benadering te hanteren om voor "convergentie" en "concurrentievermogen en werkgelegenheid" bestemde middelen toe te kennen aan een aantal prioritaire projecten, zoals de trans-Europese vervoersnetwerken, die van tevoren in samenspraak met de programmapartners worden geselecteerd en goedgekeurd, overeenkomstig de beginselen van beheer op meerdere niveaus en partnerschap.
Tot slot wil de rapporteur het belang benadrukken van de in het kader van multiregionale operationele programma’s uitgevoerde pilotprojecten, zoals de programma’s "Loire" of "Massif Central" in Frankrijk, die op een gemeenschappelijke territoriale grondslag berusten.
Een territoriale benadering bij de tenuitvoerlegging van ander communautair beleid
De macroregionale strategieën voor de Oostzee en de Donau hebben zowel enthousiaste als terughoudende reacties opgeroepen. De rapporteur wijst erop dat deze strategieën geen nieuwe vorm van intergouvernementele samenwerking zijn waarbij het beheer uitsluitend in handen is van de nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten, noch een nieuw, autonoom, niet nader gedefinieerd communautair instrument vormen dat geen enkel raakvlak heeft met het regionaal beleid. De regel van "drie keer nee" is van essentieel belang: geen nieuwe instellingen, geen nieuwe regelgeving en geen nieuwe begrotingsonderdelen voor de macroregionale strategieën.
De gedachtegang achter de macroregio’s verdient gezien de bereikte resultaten niettemin bijzondere aandacht. Het betreft een experimentele benadering waarbij de coördinatie zich toespitst op gemeenschappelijke projecten die een zeer breed gedefinieerd gebied beslaan en deze benadering is erop gericht de voordelen te benutten van een geïntegreerde en multisectorale aanpak waarbij gemeenschappelijke strategische maatregelen vanuit reeds bestaande fondsen worden gefinancierd.
Hoewel niet wordt gesuggereerd Europa op te delen in macroregio’s, zou het transnationale bestuurssysteem kunnen worden benut om de opzet, de invulling en de sturing van deze macroregionale strategieën te coördineren, door vast te stellen waar toepassing ervan nuttig en wenselijk zou zijn.
Evenzo moet bij transnationaal bestuur rekening worden gehouden met coördinatiemogelijkheden ten aanzien van andere grote communautaire strategieën, zoals de trans-Europese netwerken en de strategieën van het geïntegreerd maritiem beleid.
Tot slot doen zich bij de samenwerking aan de buitengrenzen van de Unie gebreken en uitvoeringsmoeilijkheden voor, met name vanwege een gebrek aan synergie tussen de verordeningen betreffende de verschillende fondsen (EFRO, ENPI, IPA, EOF) en bestuursproblemen. De bevoegde directoraten-generaal van de Commissie hebben de taak hun inspanningen op dit gebied beter te coördineren.
Bevordering van de oprichting van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS)
In 2006 is in een aparte verordening een rechtsinstrument tot stand gebracht om territoriale samenwerking te bevorderen: de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS). De EGTS kan worden ingezet met betrekking tot alle drie de componenten van territoriale samenwerking en vormt een uniek instrument voor territoriaal bestuur. De EGTS werd geïntroduceerd tijdens de onderhandelingen over het wetgevingspakket voor het huidige meerjarig financieel kader (2007-2013).
Deze verordening geeft nationale, regionale of lokale autoriteiten de gelegenheid gemeenschappelijke groeperingen met een eigen rechtspersoonlijkheid op te richten, teneinde samenwerkingsprogramma's en -projecten uit te voeren. Daarmee levert zij een belangrijke bijdrage aan het model van bestuur op meerdere niveaus.
Uit in het verleden en op dit moment opgedane ervaringen met Europese groeperingen voor territoriale samenwerking blijkt dat dit instrument naar tevredenheid functioneert. Het beantwoordt aan de behoeften van regionale en lokale autoriteiten om op het gebied van financiën, juridische status en bestuur op meerdere niveaus structureel samen te werken en het heeft daarbij zelfs de verwachtingen van de Europese wetgever overtroffen.
Niettemin is het noodzakelijk dat lokale en regionale autoriteiten binnen de EU beter over de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking worden geïnformeerd. Europese groeperingen voor territoriale samenwerking zijn geconfronteerd met een flink aantal andere uitdagingen, vooral van juridische en organisatorische aard of ten aanzien van de toegang tot financiering, met name in de opstartfase (zoals problemen met betrekking tot het land van vestiging en de zeer lange registratieprocedures).
De rapporteur wijst, in navolging van het Comité van de Regio’s, op een aantal kwesties: de noodzaak om de juridische status van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking in de rechtssystemen van de lidstaten te verduidelijken, problemen met betrekking tot het verkrijgen van toestemming om een EGTS op te richten waarbij zowel in een lidstaat als in een derde land gevestigde partijen zijn betrokken, de noodzaak artikel 4, lid 3, opnieuw te formuleren om ervoor te zorgen dat de termijn van drie maanden (waarbinnen de lidstaten de oprichting van een EGTS moeten goed- of afkeuren) strikt wordt nageleefd, en een vereenvoudiging van de juridische voorschriften met betrekking tot personeels- en belastingregelingen voor Europese groeperingen voor territoriale samenwerking.
Daarnaast dient er in de regels voor de toegang tot andere Europese fondsen meer rekening te worden gehouden met de specifieke aard van de EGTS, die niet eenvoudigweg als partner moet worden beschouwd, maar tevens als een multilateraal en multinationaal Europees orgaan.
Tot slot zou de toekenning van globale subsidies aan een EGTS, met als doel de groepering in staat te stellen structuurfondsen overeenkomstig de door het programma gedefinieerde strategie rechtstreeks te beheren, de tenuitvoerlegging van projecten vergemakkelijken en de oprichting van nieuwe Europese groeperingen voor territoriale samenwerking bevorderen.
Vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging
Doelstelling 3 voorziet in complexe, multidimensionele samenwerking tussen partners uit verschillende lidstaten. Dit vereist specifieke wetgeving om de verwezenlijking hiervan daadwerkelijk te vereenvoudigen.
De rapporteur stelt een reeks maatregelen voor waar actoren in het veld om hebben gevraagd, zoals een vereenvoudiging van de audit- en controleregels, een meer systematische forfaitarisering van de kosten, de vaststelling van meer gedetailleerde voorschriften ten aanzien van het recht op communautaire subsidie, meer flexibiliteit bij de toepassing van procedures voor de annulering van toegekende middelen, en intensivering van de technische bijstand, zodat de bestuursorganen zich kunnen concentreren op de strategische begeleiding van projecten in plaats van op de controle van de compatibiliteit van ingediende aanvragen met de administratieve voorschriften.
De rapporteur benadrukt niettemin dat waarborging van stabiele regelgeving de meest dringende vorm van vereenvoudiging is.
Een veel voorkomend probleem met betrekking tot de uitvoering van territoriale samenwerking betreft de terughoudendheid van private partijen om eraan deel te nemen vanwege de complexiteit en de risico’s die aan dergelijke projecten zijn verbonden.
De rapporteur dringt er derhalve bij de Commissie op aan deze private actoren nauwer bij territoriale samenwerking te betrekken, met name door innovatieve financiële instrumenten naar het voorbeeld van "JEREMIE" en "JESSICA" in het leven te roepen, teneinde grensoverschrijdende projecten te faciliteren die economische ontwikkeling en de initiatie van publiek-private partnerschappen bevorderen.
Vergroting van de zichtbaarheid van territoriale samenwerking
Territoriale samenwerking heeft bijzonder veel last van een probleem waarmee de structuurfondsen over de hele linie te kampen hebben: een gebrek aan zichtbaarheid.
Noch de burgers in hun dagelijks leven, noch de centrale, regionale of lokale autoriteiten in de lidstaten, noch de Europese instellingen die het beleid voor de lange termijn opstellen, zijn zich werkelijk bewust van de kwesties die bij territoriale samenwerking op het spel staan. Op elk van deze drie niveaus moeten maatregelen worden getroffen om de zichtbaarheid van territoriale samenwerking te vergroten.
Het antwoord op deze uitdaging zou tweeledig moeten zijn:
- het prachtige Europese concept van territoriale samenwerking moet voor alle burgers de symbolische incarnatie van de EU worden;
- beleidsmakers en ambtenaren op alle niveaus moeten zich vertrouwd maken met de praktische aspecten van territoriale samenwerking die van invloed kunnen zijn op hun werkzaamheden.
De rapporteur verzoekt de Commissie in dit verband in het bijzonder na te denken over manieren om de zichtbaarheid van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking bij de aan deze samenwerking deelnemende partijen en de burgers te vergroten.
Daarnaast zou intensievere samenwerking op het gebied van onderwijs en cultuur, door bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Europa 2020-strategie voor inclusieve en slimme groei, het participatieniveau van burgers en NGO´s kunnen bevorderen, de zichtbaarheid van territoriale samenwerking kunnen helpen vergroten en de "mentale scheidslijnen" die de toenadering tussen burgers belemmeren, kunnen wegnemen;
Tot slot is het essentieel de communicatie tussen alle bij de tenuitvoerlegging van territoriale samenwerking betrokken actoren te verbeteren, waarbij het gebruik van een gemeenschappelijk logo een goede eerste stap zou zijn. De Commissie zou tevens kunnen overwegen om in samenwerking met INTERACT een mediacampagne in de grensgebieden op te zetten.
- [1] INTERREG III Communautair initiatief (2000-2006) evaluatie achteraf (Nr. 2008.CE.16.0.AT.016).
- [2] Bron: directie van het programma Interreg IV C 2007-2013: eerste oproep tot het indienen van voorstellen: 4832 kandidaten voor 492 geselecteerde projecten. Tweede oproep tot het indienen van voorstellen: 4671 kandidaten voor 481 geselecteerde projecten.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
22.3.2011 |
|
|
|
||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
45 1 0 |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
François Alfonsi, Luís Paulo Alves, Charalampos Angourakis, Sophie Auconie, Victor Boştinaru, Zuzana Brzobohatá, Francesco De Angelis, Tamás Deutsch, Rosa Estaràs Ferragut, Danuta Maria Hübner, Juozas Imbrasas, María Irigoyen Pérez, Seán Kelly, Evgeni Kirilov, Constanze Angela Krehl, Petru Constantin Luhan, Ramona Nicole Mănescu, Riikka Manner, Iosif Matula, Erminia Mazzoni, Miroslav Mikolášik, Franz Obermayr, Jan Olbrycht, Markus Pieper, Tomasz Piotr Poręba, Monika Smolková, Georgios Stavrakakis, Csanád Szegedi, Nuno Teixeira, Michail Tremopoulos, Lambert van Nistelrooij, Oldřich Vlasák, Joachim Zeller, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Andrea Cozzolino, Karima Delli, Jens Geier, Ivars Godmanis, Karin Kadenbach, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Vilja Savisaar-Toomast, Elisabeth Schroedter, László Surján |
|||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Vladko Todorov Panayotov, Britta Reimers, Ivo Strejček |
|||||