VERSLAG over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss
26.5.2011 - (2010/2213(IMM))
Commissie juridische zaken
Rapporteur: Diana Wallis
VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss
Het Europees Parlement,
– gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss, dat op 6 juli 2010 werd ingediend door het kantongerecht van Boeda, en van de ontvangst waarvan op 6 september 2010 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,
– na Ágnes Hankiss op 11 april 2011 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,
– gelet op artikel 9 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,
– gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008 en 19 maart 2010[1],
– gelet op artikel 6, lid 2 en artikel 7 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0196/2011),
A. overwegende dat het kantongerecht van Boeda, Boedapest, om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss, een lid van het Europees Parlement, heeft verzocht, teneinde tegen Ágnes Hankiss een nieuw strafproces aan te spannen, zoals in het vonnis van het hooggerechtshof van de republiek Hongarije was bevolen,
B. overwegende dat om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss verzocht is omdat zij zich tijdens het televisieprogramma ‘Péntek 8 mondatvadász’ van 23 januari 2004 schuldig zou hebben gemaakt aan belediging ex artikel 181 van het Hongaarse wetboek van strafrecht,
C. overwegende dat een particulier op 18 februari 2004 een schriftelijke aanklacht tegen Ágnes Hankiss heeft ingediend die op 23 februari 2004 bij het kantongerecht van Boeda is binnengekomen; overwegende dat het kantongerecht van Boeda op 28 juni 2005 uitspraak in deze zaak heeft gedaan waartegen beroep is aangetekend bij de rechtbank van Boedapest die deze uitspraak op 3 februari 2006 nietig verklaarde,
D. overwegende dat de zaak vervolgens is terugverwezen naar het kantongerecht van Boeda dat Ágnes Hankiss op 6 februari 2009 vrijsprak; overwegende dat klaagster hiertegen bij de rechtbank van Boedapest beroep heeft aangetekend en dat die rechtbank op 25 maart 2009 besloot het vonnis van het kantongerecht op alle punten te bevestigen,
E. overwegende dat het hooggerechtshof van Hongarije op 12 november 2009 beide vonnissen heeft vernietigd wegens een schending van het materieel recht en de zaak heeft terugverwezen naar het kantongerecht van Boeda voor een nieuw proces,
F. overwegende dat Ágnes Hankiss sinds 15 juli 2009 lid van het Europees Parlement is,
G. overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tijdens de zittingsduur van het Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend, en overwegende dat deze immuniteit niet kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen,
H. overwegende dat in artikel 552 lid 1 van het Hongaars wetboek van strafvordering is bepaald dat tegen een persoon die immuniteit geniet, pas een strafvervolging kan worden ingezet als om opheffing van zijn immuniteit is verzocht en dat in artikel 551 lid 1 van ditzelfde wetboek is bepaald dat de strafrechtelijke vervolging van o.a. een lid van het Europees Parlement pas een aanvang kan nemen nadat zijn immuniteit is opgeheven,
I. overwegende dat in artikel 12 lid 1 van wet LVII is bepaald dat als een particulier de klacht heeft ingediend het verzoek om opheffing van de immuniteit door de rechtbank bij de Voorzitter van het Europees Parlement moet worden ingediend,
J. overwegende dat Ágnes Hankiss tijdens het nieuwe proces dat op de vernietiging van de eerste uitspraak volgde, heeft verklaard dat zij lid van het Europees Parlement was en dat het kantongerecht van Boeda derhalve uit hoofde van artikel 552 lid 1 van het Hongaarse wetboek van strafvordering en artikel 12 van wet LVII besloten heeft het proces op te schorten en om opheffing van haar immuniteit te vragen,
K. overwegende dat het daarom gepast is aan te bevelen de parlementaire immuniteit in dit geval op te heffen,
1. besluit de immuniteit van Ágnes Hankiss op te heffen;
2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Hongarije en Ágnes Hankiss.
- [1] Zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, Jurispr. 1964, blz. 195, zaak 149/85, Wybot/Faure en anderen, Jurispr. 1986, blz. 2391, zaak T-345/05, Mote/Parlement, Jurispr. 2008, blz. II-2849, gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, Jurispr. 2008, blz. I-7929, en zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement.
TOELICHTING
1. Achtergrond
Op de vergadering van 6 september 2010 deelde de Voorzitter overeenkomstig artikel 6, lid 2, van het Reglement mede dat hij op 6 juli 2010 een brief van de rechtbank van Boedapest had ontvangen, waarin werd verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van Ágnes Hankiss.
De Voorzitter verwees dit verzoek overeenkomstig artikel 6, lid 3, naar de Commissie juridische zaken.
Het kantongerecht van Boeda, Boedapest, heeft het Europees Parlement verzocht de immuniteit van Ágnes Hankiss, lid van het Europees Parlement, op te heffen in verband met een nieuw strafproces waartoe het hooggerechtshof van de Republiek Hongarije op 12 november 2009 bevel heeft gegeven. Tegen Ágnes Hankiss is door een particulier een klacht ingediend wegens vermeende aantasting van de eer en goede naam in het openbaar (artikel 179 van het Hongaars wetboek van strafrecht) en met name wegens smaad jegens een overledene, te weten de vader van klaagster, uit hoofde van artikel 181 van het Hongaars wetboek van strafrecht, naar aanleiding van een verklaring die zij op 23 januari 2004 in het televisieprogramma ‘Péntek 8 mondatvadász’ had afgelegd. De klacht, die gedateerd is op 18 februari 2004, werd op 23 februari 2004 bij het kantongerecht van Boeda ingediend. Op 28 juni 2005 wees het kantongerecht zijn vonnis waartegen bij de rechtbank van Boedapest beroep werd aangetekend en dat op 3 februari 2006 nietig werd verklaard. Op grond hiervan werd de zaak terugverwezen naar het kantongerecht van Boeda dat Ágnes Hankiss op 6 februari 2009 vrijsprak. Klaagster tekende hiertegen bij de rechtbank van Boedapest beroep aan. Op 25 maart 2009 besloot de rechtbank het vonnis van het kantongerecht op alle punten te bevestigen.
Vervolgens diende klaagster bij het Hongaarse hooggerechtshof een verzoek om herziening van de uitspraak van de rechtbank in omdat zij van mening was dat de vrijspraak het gevolg was van een schending van de materiële strafrechtelijke bepalingen. Op 12 november 2009 overwoog het hooggerechtshof dat er inderdaad sprake was van een schending van materiële strafrechtelijke bepalingen en gelastte daarop een nieuw proces voor het kantongerecht van Boeda. Dit proces moest worden gevoerd in het licht van de overwegingen zoals die in het besluit van het hooggerechtshof zijn vermeld.
Het nieuwe proces werd op 31 maart 2010 voor het kantongerecht van Boeda geopend. Tegelijkertijd werd dit proces opgeschort omdat Ágnes Hankiss als lid van het Europees Parlement immuniteit geniet. Op 6 juli diende het kantongerecht een verzoek in om haar immuniteit op te heffen.
2. Wetgeving en procedure betreffende de immuniteit van leden van het Europees Parlement
De artikelen 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 8 april 1965 luiden als volgt:
Artikel 8:
Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.
Artikel 9:
Tijdens de duur van de zittingen van het Europees Parlement genieten de leden:
a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;
b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.
De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.
Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.
Artikel 12 van wet LVII van 2004 inzake de juridische status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement (‘wet LVII’) luidt als volgt:
“(1) Het Europees Parlement beslist over de opheffing van de immuniteit van zijn leden
(2)...
(3)...
(4) Een autoriteit die een verzoek indient om opheffing van de immuniteit verstrekt het Europees Parlement en zijn terzake bevoegde commissie alle informatie die laatstgenoemde commissie noodzakelijk acht in verband met het verzoek om opheffing.
(5) Indien de immuniteit wordt opgeheven stelt de rechtbank of de autoriteit die een besluit neemt naar aanleiding van de opheffing van de immuniteit de Voorzitter van het Europees Parlement hiervan in kennis.
(6)...
(7) Over de opheffing van de immuniteit van kandidaatleden van het Europees Parlement wordt besloten door de nationale Kiesraad. Een verzoek hiertoe moet worden ingediend bij de voorzitter van de nationale Kiesraad.”
Artikel 10 van wet LVII luidt als volgt:
“ (1) De leden van het Europees Parlement genieten de voorrechten en immuniteiten die in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, gehecht aan het Verdrag tot instelling van één Commissie van de Europese gemeenschappen, zijn neergelegd (8 april 1965).
(2) De leden van het Europees Parlement genieten dezelfde immuniteit als die van de leden van nationale parlementen.
(3) ...”
In artikel 552 lid 1 van het Hongaarse wetboek van strafvordering is bepaald dat tegen een persoon die immuniteit geniet, pas een strafvervolging kan worden ingezet als om opheffing van zijn immuniteit is verzocht en in artikel 551 lid 1 van ditzelfde wetboek is bepaald dat de strafrechtelijke vervolging van o.a. een lid van het Europees Parlement pas een aanvang kan nemen nadat zijn immuniteit is opgeheven.
De procedure in het Europees Parlement wordt geregeld door de artikelen 6 en 7 van het Reglement. Deze luiden als volgt:
Artikel 6 – Opheffing van de immuniteit:
1. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten streeft het Parlement in de eerste plaats naar handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en naar waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken.
2. Ieder door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat tot de Voorzitter gericht verzoek om opheffing van de immuniteit van een lid, wordt ter vergadering medegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie. (...)
Artikel 7 – Immuniteitsprocedures:
1. De bevoegde commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de immuniteit en voorrechten onverwijld in volgorde van binnenkomst.
2. De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de immuniteit en voorrechten in te willigen dan wel af te wijzen.
3. De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij nodig acht om zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid van opheffing of verdediging van de immuniteit. Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord en kan alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die het voor het vormen van bovengenoemd oordeel nodig acht. Het betrokken lid kan zich doen vertegenwoordigen door een ander lid. (...)
6. In geval van verdediging van een voorrecht of immuniteit geeft de commissie aan of de omstandigheden een bestuursrechtelijke of andersoortige beperking vormen van de bewegingsvrijheid van de leden op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst van het Parlement, dan wel een mening die is geuit of een stem die is uitgebracht tijdens de uitoefening van hun ambt, ofwel onder bepaalde aspecten vallen van artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten die niet onder het nationale recht vallen, en stelt zij een voorstel op om de betrokken autoriteit te verzoeken de nodige conclusies te trekken.
3. Motivering van het voorgestelde besluit
Uit hoofde van artikel 9 van het Protocol, in aanmerking genomen dat de procedure betrekking heeft op een strafbaar feit dat zou gepleegd zijn in Hongarije, het land waarvan Ágnes Hankiss op het moment in kwestie de nationaliteit had, is alleen het volgende deel van dit artikel van toepassing: "Tijdens de duur van de zittingen van het Europees Parlement genieten de leden: a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend". De toepasselijke Hongaarse wetsartikelen zijn derhalve artikel 10 en artikel 12 van wet LVII.
Om te beslissen of de parlementaire immuniteit al dan niet wordt verdedigd, hanteert het Parlement zijn eigen vaste beginselen.
In onderhavige zaak is de rapporteur van mening dat het betrokken feit geen verband houdt met de politieke activiteiten van Ágnes Hankiss als lid van het Europees Parlement. Het gaat namelijk om een verklaring die in 2004 is afgelegd, lang voordat Ágnes Hankiss tot lid van het Europees Parlement werd verkozen. De rapporteur heeft ook geen aanwijzingen gevonden van fumus persecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en precies vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen.
Er zij evenwel op gewezen dat het besluit van het hooggerechtshof van 12 november 2009 om een nieuw proces te gelasten, is genomen op het moment dat Ágnes Hankiss lid van het Europees Parlement was en parlementaire immuniteit genoot waarvan toen niet om opheffing is verzocht. Dit kan als een procedurele vergissing worden beschouwd. Nadat het nieuwe proces in eerste aanleg op 31 maart door het kantongerecht van Boeda was geopend, is echter wel op correcte wijze om opheffing van de immuniteit van Ágnes Hankiss verzocht. Uit hoofde van artikel 552 lid 1 van het Hongaarse wetboek van strafvordering en artikel 12 van wet LVII heeft deze rechtbank het proces toen opgeschort en om opheffing van de immuniteit verzocht.
Het is bijgevolg gepast aan te bevelen de parlementaire immuniteit in dit geval op te heffen.
4. Conclusies
Op grond van bovengenoemde overwegingen en overeenkomstig artikel 6, lid 2, van het Reglement beveelt de Commissie juridische zaken, na de redenen vóór en tegen de opheffing van de immuniteit van het betrokken lid te hebben overwogen, het Europees Parlement aan de parlementaire immuniteit van Ágnes Hankiss op te heffen.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
24.5.2011 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
9 0 0 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Sebastian Valentin Bodu, Christian Engström, Klaus-Heiner Lehne, Jiří Maštálka, Bernhard Rapkay, Francesco Enrico Speroni, Dimitar Stoyanov, Diana Wallis, Tadeusz Zwiefka |
||||